[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-almelo":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},69,"Almelo","nl","first_instance","civil",[11,24,31,40,47,54,62,69,76,83,91,98,107],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"1491","ECLI:NL:RBOVE:2026:3814","","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 25\u002F3563\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. K. Wevers,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (college),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nIn deze uitspraak beoordeeld de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen het besluit van het college om aan haar een persoonsgebonden budget van € 910,90 toe te kennen voor de aanschaf van een handbewogen rolstoel. [eiseres] is het daar niet mee een en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] heeft op 21 november 2021 een melding bij het college gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Daarin heeft zij gevraagd om een nieuwe handbewogen rolstoel. Met het besluit van 13 juni 2022 heeft het college de aanvraag afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 is het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.\n\n1.1.. Vervolgens heeft [eiseres] beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft dat beroep gelijktijdig met drie andere beroepszaken over de Wmo behandeld op een zitting van 16 november 2023. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst, omdat onderzoek noodzakelijk was.\n\n1.2.. Destijds liep er ook een aanvraagprocedure voor een elektrische rolstoel. Met de beslissing op bezwaar van 13 maart 2024 is aan [eiseres] een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor een aangepaste elektrische rolstoel.\n\n1.3.. Op 16 april 2024 heeft JPH Consult adviezen uitgebracht. De daaropvolgende zitting heeft op 29 april 2025 plaatsgevonden. Met de uitspraakvan 19 mei 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 8 maart 2023 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank de het college opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.\n\n1.4.. Met het bestreden besluit van 5 november 2025 heeft het college een nieuw besluit genomen. Het bezwaar is gegrond verklaard en voor aanschaf van een handbewogen rolstoel is een éénmalig pgb toegekend van € 910,90. Dit bedrag is gebaseerd op de aanschafprijs van een Excel G-lightweight rolstoel met comfort beensteunen en een stuurstoffleshouder.\n\n1.5.. \n [eiseres] heeft beroep ingesteld en op 26 januari 2026 aanvullende gronden ingediend.\n\n1.6.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.7.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het college. Ook zorgverlener [zorgverlener] was aanwezig.\n\nStandpunten van [eiseres]\n\n2. Volgens [eiseres] is het besluit onzorgvuldig voorbereid en niet goed gemotiveerd. Ondanks de uitspraak van de rechtbank is geen zelfstandig en specifiek advies ingewonnen naar de specifieke eisen die vanwege haar gezondheidssituatie nodig zijn bij een handbewogen rolstoel. In plaats daarvan heeft college zelf op basis van het advies en verhelderingsvragen aan JPH Consult en aan haarzelf, een programma van eisen opgesteld, dat is gebaseerd op eigen aannames en overwegingen. Vervolgens is op basis daarvan ten onrechte gekozen voor een rolstoel met een minimale uitvoering. Ook heeft het college niet inzichtelijk gemaakt hoe deze rolstoel veilig en adequaat kan worden gebruikt.\n\n2.1.. Ook stelt [eiseres] dat het besluit innerlijk tegenstrijdig is. Het college erkent aan de ene kant de ernst van haar beperkingen en de noodzaak van ondersteuning bij transfers en verplaatsingen, maar concludeert desondanks dat kan worden volstaan met een standaard handbewogen rolstoel zonder wezenlijke aanpassingen. Terwijl het vanwege haar gezondheidsklachten van belang is dat de rugleuning gekanteld kan worden en dat de rolstoel voorzien is van een goede hoofdondersteuning.\n\n2.2.. Verder stelt [eiseres] dat ten onrechte is gemotiveerd dat weinig eisen aan de rolstoel gesteld hoeven worden, omdat het om incidenteel gebruik gaat voor snelle en eenvoudige verplaatsingen binnenshuis. Dat is namelijk niet zo, omdat zij de handbewogen rolstoel elke dag gebruikt en het ook gaat om verplaatsingen buitenshuis naar bijvoorbeeld de tandarts of het ziekenhuis. Dit zijn locaties waar zij met haar elektrische rolstoel niet altijd naar binnen kan, omdat de elektrische rolstoel daarvoor te breed is.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte een éénmalig pgb heeft toegekend van € 910,90 voor een handbewogen rolstoel. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n3.1.. Deze beroepsprocedure bouwt voort op de uitspraak van 19 maart 2025. Voor de van belang zijnde feiten en het wettelijk kader verwijst de rechtbank dan ook naar die uitspraak. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat:\n\n“ Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit, met de verwijzing naar de elektrische rolstoel en de overweging dat een tweede rolstoel niet bijdraagt aan een vergroting van de zelfredzaamheid, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\nJPH Consult heeft in de adviezen expliciet vermeld dat de handbewogen rolstoel voor eiseres noodzakelijk is bij verplaatsingen binnenshuis en buitenshuis. Het college heeft niet uitgelegd waarom de adviezen van JPH Consult niet worden gevolgd. Voor zover het college er bij de besluitvorming vanuit is gegaan dat de handbewogen rolstoel als reserverolstoel voor de elektrische rolstoel is bedoeld, volgt de rechtbank dat niet. Al in de Wmo-melding is aangegeven dat de handbewogen rolstoel (ook) bedoeld is voor alle plaatsen waar een elektrische rolstoel niet naar binnen kan. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht en het beroep is gegrond. De rechtbank draagt het college op opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij is ook van belang of het mogelijk is om de rolstoel geschikt te maken voor eiseres.”\n\n3.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Er heeft geen (fysiek) onderzoek bij [eiseres] plaatsgevonden naar de speciek aan een handbewogen rolstoel voor haar te stellen eisen, gelet op haar beperkingen waaraan de rolstoel noodzakelijkerwijze dient te voldoen.\n\nDit, terwijl in de uitspraak is geoordeeld dat het van belang is dat de rolstoel geschikt is te maken voor [eiseres] . In plaats daarvan is het besluit gebaseerd op een advies van 16 april 2024 van JPH Consult dat via een videocall tot stand is gekomen en hoofdzakelijk gaat over de beperkingen die [eiseres] ondervindt in het gebruik van de huidige woning en het gebruik van een rolstoel binnenshuis. Daardoor is het gebruik buitenshuis niet bij die beoordeling betrokken, terwijl dat wel nadrukkelijk was bepaald in de uitspraak. Dat het college na het advies verhelderingsvragen aan JPH Consult en [eiseres] heeft gestuurd, maak dit oordeel niet anders. Het college heeft niet de deskundigheid om zelf op basis van eigen interpretatie van die antwoorden te beoordelen welke handbewogen rolstoel passend is en welke aanpassingen wel of niet nodig zijn. Tijdens de zitting heeft [eiseres] daarover navolgbaar toegelicht dat bijvoorbeeld een ergotherapeut die benodigde kennis wel heeft. Bovendien had [eiseres] in de antwoorden op de verhelderingsvragen het belang van een onderzoek benoemd, evenals het feit dat zij de handbewogen rolstoel ook dagelijks buitenshuis nodig heeft en aan welke eisen wat haar betreft de rolstoel zou moeten voldoen. Anders dan het college lijkt te stellen is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] voldoende heeft aangetoond dat het wel mogelijk is om een rolstoel te vinden die voldoet aan de specifieke vereisten.\n\nDe door haar na summier onderzoek gevonden rolstoel heeft weliswaar een motor, maar mogelijk is deze te verwijderen. Dit heeft [eiseres] niet nader onderzocht, omdat het vinden van een geschikte rolstoel primair op de weg van het college lag. De rechtbank kan [eiseres] hierin volgen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 5 november 2025 vernietigen.3.3.. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien. Ook zal de rechtbank het college niet weer opnieuw opdragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De reden daarvoor is dat tijdens de zitting duidelijk is geworden dat [eiseres] per 1 juli 2026 gaat verhuizen naar een andere gemeente. Dit heeft tot gevolg dat het college vanaf dan niet langer verantwoordelijk is voor het verstrekken van een handbewogen rolstoel. De rechtbank gaat er wel vanuit dat het college met medeweten van [eiseres] zorgdraagt voor een warme overdracht van de benodigde informatie naar de nieuwe verantwoordelijke gemeente.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is gegrond, omdat het college onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan en onvoldoende heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Dat betekent dat [eiseres] gelijk krijgt.\n\n4.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eiseres] vergoeden en krijgt [eiseres] ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand van haar gemachtigde krijgt [eiseres] een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- veroordeelt het college in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-;\n\n- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 53,- aan [eiseres] vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBOVE:2025:3159","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3814","ecli-nl-rbove-2026-3814",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"1504","ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nZittingsplaats Almelo\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ZWO 24\u002F3872\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , (hierna: [eiseres] )\n\ngemachtigde: mr. D. Aygur,\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),\n\ngemachtigde: [gemachtigde] .\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over een afwijzing van een aanvraag voor een Wajong-uitkering. [eiseres] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen.\n\nDe rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen, omdat [eiseres] op haar achttiende verjaardag (nog) arbeidsvermogen had. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nInleiding\n\n1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 2005 en is dus op [geboortedatum] 2023 achttien jaar geworden. Op 26 juli 2023 heeft zij een Wajong-uitkering aangevraagd. De aanvraag en medische informatie is beoordeeld door een verzekeringsarts en ook een arbeidsdeskundige heeft de aanvraag beoordeeld. Met het besluit van 20 november 2023 is de aanvraag afgewezen. Tegen dat besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n1.1.. \n\n [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 9 december 2024 aanvullende gronden ingediend. Het UWV heeft daarop gereageerd met een rapport van\n\n16 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B).\n\n1.2.. Op 17 februari 2025 heeft [eiseres] aanvullende beroepsgronden ingediend met informatie van 22 oktober 2018 en 23 oktober 2023 van de internist\u002Fhematoloog dr. J.J.A. Auwerda (hierna: Auwerda). Ook is een rapport van arts Van Diemen, een verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts overgelegd.1.3.. Het UWV heeft hierop gereageerd met een rapport van 28 maart 2025 van de verzekeringsarts B&B.\n\n1.4.. \n\nOp 21 mei 2026 zijn aanvullende gronden ingediend met informatie van\n\n15 januari 2026 van GZ-psycholoog en regiebehandelaar dr. [medewerker GGZ] (hierna: [medewerker GGZ]), werkzaam bij Boncara GGZ.\n\n1.4.. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiseres] en de gemachtigde van het UWV. Ook mevrouw [naam] was aanwezig.\n\nStandpunt UWV\n\n2. Volgens het UWV heeft [eiseres] geen recht op een Wajong-uitkering, omdat zij op haar achttiende verjaardag (datum in geding) wel arbeidsvermogen heeft. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsarts B&B en de arbeidsdeskundige B&B. Daarin is geconcludeerd dat [eiseres] ondanks haar gezondheidsklachten en beperkingen wel vier uur per dag en een uur aaneengesloten kan werken. Ook kan zijn de taak \"Invoeren van gegevens” doen en beschikt zij wel over basale werknemersvaardigheden.\n\nStandpunten [eiseres]\n\n3. [eiseres] stelt dat zij vanwege een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een vitamine B12-tekort geen arbeidsvermogen heeft. De beperkingen die zij hierdoor ondervindt maken dat zij niet in staat is om te werken en dit in de toekomst ook niet zal kunnen. Haar mentale klachten zijn al lang aanwezig en verschillende behandelingen hebben niet geleid tot het gewenste resultaat. In 2019 is zij in behandeling geweest bij een psycholoog en recentelijk is zij weer doorverwezen. Daarnaast is zij al jaren in behandeling bij Auwerda vanwege een vitamine B12-tekort. De verzekeringsarts heeft ten onrechte geconcludeerd dat zij niet gediagnosticeerd is met pernicieuze anemie. Zij is weldegelijk gediagnosticeerd met een vitamine B12-tekort.\n\n3.1.. Ook stelt [eiseres] dat het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda niet bij de beoordeling is betrokken. Verder stelt [eiseres] dat de verzekeringsarts ten onrechte op basis van een spreekuur heeft geconcludeerd dat zij wel arbeidsvermogen heeft, omdat dit een momentopname is. Tenslotte voert [eiseres] aan dat vanwege haar beperkingen sprake was van veel schooluitval. Uit het rapport van 26 juni 2023 van arts Van Diemen blijkt ook dat zij als gevolg van een combinatie van ernstige lichamelijke en psychische beperkingen niet in staat is om een studie te volgen. Zij heeft drie jaar niet naar school gekund.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.\n\n4.1.. Om in aanmerking te komen voor een Wajonguitkering moet eerst vast komen te staan dat iemand op zijn of haar achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen heeft.Ook moet het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam zijn. Van het ontbreken van arbeidsvermogen is sprake als iemand:\n\na. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; of\n\nb. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; of\n\nc. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of\n\nd. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.\n\nDeze criteria worden beoordeeld door een verzekeringsarts. De criteria onder a. en b. worden ook beoordeeld door een arbeidsdeskundige.\n\nDat het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam moet zijn, betekent dat de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.Hiervan is sprake als iemand geen enkel perspectief meer heeft op ontwikkeling en als herstel is uitgesloten.\n\nVerzekeringsgeneeskundige beoordeling\n\n4.2.. \n\nHet spreekuur bij de verzekeringsarts vond plaats op 5 oktober 2023 en er is aanvullende informatie opgevraagd en verkregen van Auwerda. In het rapport van\n\n1 november 2023 heeft de verzekeringsarts overwogen dat [eiseres] sinds de tienerjaren kampt met zowel mentale en lichamelijke problematiek. Binnen haar gezin en familie werd zij vanaf jonge leeftijd geconfronteerd met ziektes en overlijdens. Haar vader en broertjes kampen ook met een vitamine B12-tekort. Deze gebeurtenissen en situaties hebben destijds een flinke emotionele impact gehad. Bovendien kampt [eiseres] sinds de tienerjaren zelf met lichamelijke problematiek. Met veel ondersteuning heeft ze in 2022 nog haar VMBO-diploma kunnen halen. Zij heeft weinig energie, waardoor ze fysieke activiteiten niet goed kan volhouden. Hierdoor is ze veel thuis. Ook qua concentratie en geheugen merkt ze problemen en ze slaapt erg slecht. Op betere momenten probeert ze huishoudelijke taken te verrichten.\n\n4.3.. De verzekeringsarts concludeert dat het gaat om een complexe situatie waarbij het huidige functioneren van [eiseres] niet alleen bepaald wordt door medische factoren, maar ook door gebeurtenissen in het gezin in het verleden en actuele sociale omstandigheden. Volgens de verzekeringsarts zijn op basis van het spreekuur en het functioneren in het dagelijks leven minder (medische) beperkingen te objectiveren dan [eiseres] aangeeft. Bepaalde cognitieve functies (geheugen, woordvinding) zullen misschien niet optimaal zijn. Het energieniveau zal bij [eiseres] ook zeker minder zijn dan bij leeftijdsgenoten en er is psychisch een hoog spanningsniveau en een emotionele kwetsbaarheid. Volgens de verzekeringsarts is [eiseres] in het dagelijks leven wel in staat om gericht activiteiten te ondernemen en heeft zij ook arbeidsvermogen.\n\n4.4.. \n\nVolgens de verzekeringsarts is geen sprake van geobjectiveerde stoornissen van de aandachtsfunctie en er is ook geen sprake van ernstige emotionele instabiliteit en\u002Fof oncontroleerbare gedragingen. Zelfs met een (licht) verminderde geheugenfunctie zal [eiseres] in staat zijn om in werk dat cognitief niet al te veeleisend is een uur aaneengesloten te werken. Het is voorstelbaar dat de energiehuishouding van [eiseres] niet optimaal is, maar er zijn geen concrete feiten waaruit blijkt dat het energieniveau dermate laag is dat [eiseres] niet vier uur per dag belastbaar zou zijn. Verspreid over de dag kan ze activiteiten verrichten en tijdens het spreekuur was de lichamelijke toestand niet buitensporig slecht.\n\nVolgens de verzekeringsarts zijn er geen overtuigende medische feiten waaruit blijkt dat [eiseres] per definitie niet in staat zou zijn om eenvoudige instructies van een werkgever te begrijpen, te onthouden en uit te voeren. Eventueel kunnen als geheugensteun nog hulpmiddelen ingezet worden, en kan er op een werkplek begeleiding ingezet worden. Het is voorstelbaar dat er soms slechte dagen zijn waarop [eiseres] moeite heeft om tot activiteiten te komen, maar dat is onvoldoende reden om te stellen dat zij per definitie geen afspraken met werkgevers kan nakomen.\n\n4.5.. \n\nIn het rapport van 26 september 2024 concludeert de verzekeringsarts B&B dat er geen aanleiding is om de beoordeling van de verzekeringsarts te wijzigen. Het spreekuur vond plaats op 12 september 2024 en er is informatie verkregen van de huisarts. Volgens de verzekeringsarts B&B is er een discrepantie tussen de medisch objectieve gegevens en het geclaimde onvermogen. Zowel de lichamelijke aandoening als de psychische klachten van betrokkene kunnen een ontbreken van arbeidsvermogen niet verklaren. Op psychisch gebied heeft [eiseres] veel meegemaakt. [eiseres] geeft nog steeds veel klachten en belemmeringen aan. Zelfstandig worden en meer afstand nemen van het gezin zou een positief effect kunnen hebben op de klachten. Bij [eiseres] is echter geen sprake van een psychiatrisch ziektebeeld op basis waarvan zij geen arbeidsvermogen zou hebben.\n\nVerder concludeert de verzekeringsarts B&B dat bij [eiseres] sprake is van allerlei fysieke klachten die jaren geleden geduid zijn als het gevolg van een vitamine B12-tekort. Op basis van de beschikbare informatie is niet duidelijk op basis waarvan het tekort is ontstaan. Uit de informatie blijkt ook niet dat er bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie. Bij een adequate suppletie mag een verbetering van de neurologische symptomen verwacht worden binnen zes maanden en de internist geeft een duidelijk effect aan. Het is niet duidelijk in hoeverre de ernst van de ervaren klachten nog past bij een inmiddels gesuppleerd vitamine B12 tekort en het hebben van milde neurologische symptomen leidt niet tot het ontbreken van arbeidsvermogen.\n\n4.6.. \n\nIn de rapporten van 16 januari 2025 motiveert de verzekeringsarts B&B verder dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om tot een andere conclusie te komen. Hiertoe overweegt de verzekeringsarts B&B dat de diagnose PTSS niet naar voren komt uit de gegevens van de curatieve sector. Uit deze informatie blijkt dat gesproken is over traumatische ervaringen omtrent de impact van de gezondheidssituatie van de vader van [eiseres] en haar broertjes. In de informatie van 3 september 2014 van de psycholoog Spijker komt de EMDR-behandeling naar voren maar wordt de diagnose PTSS niet genoemd. Deze diagnose komt ook niet voor in de informatie van 15 mei 2020 van psycholoog Homrighausen. Daaruit blijkt wel dat de behandeling goed is afgerond. Verder motiveert de verzekeringsarts B&B dat uit de medische informatie niet volgt dat bij [eiseres] sprake is van een pernicieuze anemie, maar wel van een symptomatisch vitamine B12-tekort. De oorzaak van dat tekort is niet duidelijk. Door de ziekte van haar vader en alertheid daarop binnen het gezin is [eiseres] op tijd gestart met suppletie. De aard en de ernst van een deel van de klachten en belemmeringen zoals [eiseres] die aangeeft kunnen echter niet vanuit het doorgemaakt vitamine B-12 tekort verklaard worden. Ook wordt in de beschikbare medische informatie geen bloedarmoede of neurologische afwijkingen beschreven. Het\n\nfeit dat [eiseres] al behandelingen heeft gevolgd wil niet zeggen dat zij niet meer van behandelingen kan profiteren. [eiseres] heeft namelijk eerder ook van behandeling kunnen profiteren. Daarnaast zal er nog sprake zijn van groei richting volwassenheid en zelfstandigheid en kan begeleiding plaatsvinden. Afstand kunnen nemen van een belastende thuissituatie kan bijdragen aan het versterken van de mentale weerbaarheid. Dit kan volgens de verzekeringsarts B&B ook een positief effect hebben op de ervaren lichamelijke klachten.\n\nArbeidskundige beoordeling\n\n4.7.. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 17 november 2023 geconcludeerd dat [eiseres] beschikt over basale werknemersvaardigheden en dat [eiseres] in staat moet worden geacht om een taak uit te kunnen voeren in een arbeidsorganisatie. Als taak is het invoeren van gegevens geselecteerd. De beperkingen in het energieniveau hoeft in deze taak geen probleem op te leveren, omdat deze taak wordt verricht bij een bureau met een computer. Gezien het opleidingsniveau van [eiseres] is de taak ook passend. Zij kan lezen, kan in staat worden geacht om gegevens te vergelijken en kan met een computer overweg. Gezien haar niveau mag dus ook verwacht worden dat zij deze taak kan begrijpen en uitvoeren.\n\n4.8.. De arbeidsdeskundige B&B concludeert in het rapport van 30 september 2024 dat er geen aanleiding is om de beoordeling te wijzigen. Naar aanleiding van het in bezwaar aangevoerde heeft de arbeidsdeskundige B&B daarbij opgemerkt dat, indien nodig, op de werkplek begeleiding ingezet kan worden. De taak is geschikt, omdat het een energetisch lichte taak is die past bij het niveau van [eiseres] . [eiseres] heeft voldoende intelligentie en opleiding en geen problemen in het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies. [eiseres] heeft dit op school ook laten zien. Er zijn ook geen problemen in bijvoorbeeld het gedrag die maken dat [eiseres] afspraken niet na kan komen.\n\nBeoordeling van de beroepsgronden\n\n4.9.. De rechtbank is van oordeel dat in de rapporten inzichtelijk en navolgbaar is gemotiveerd dat [eiseres] op haar achttiende verjaardag arbeidsvermogen had. Zowel bij de primaire beoordeling als in bezwaar hebben de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen met [eiseres] gesproken. Daarnaast is de medische informatie waar in het beroepschrift en tijdens de zitting op is gewezen, bij de beoordeling betrokken. Anders dan [eiseres] stelt is de beoordeling dan ook niet gebaseerd op een momentopname van een spreekuur. Ook is het rapport van 23 oktober 2023 van Auwerda wel bij de beoordeling betrokken. Die informatie staat op bladzijde 4 van het rapport van de verzekeringsarts B&B van 26 september 2024. Daarnaast heeft de verzekeringsarts B&B in het aanvullende rapport van 28 maart 2025 ook navolgbaar gemotiveerd dat het rapport van arts Van Diemen, de verwijsbrief naar specialistische GGZ, een intakeverslag en een bericht van de kinderarts niet tot een andere conclusie leiden.\n\n4.10.. \n\nDe informatie van 15 januari 2026 van [medewerker GGZ] laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat deze informatie slecht één dag voor de zitting is overgelegd. Artikel 8:58, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt namelijk dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Tijdens de zitting is gebleken dat deze informatie niet eerder is overgelegd, omdat de gemachtigde meer informatie wilde verzamelen en dit vervolgens gezamenlijk wilde overleggen. Dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Enerzijds omdat dit een eigen keuze is geweest anderzijds omdat deze keuze niet geheel navolgbaar is, omdat de informatie al in januari 2026 beschikbaar was en al ingediend had kunnen worden bij de eerder geplande zitting van 18 maart 2026 die op verzoek van de gemachtigde is uitgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat deze informatie ziet op een periode van na datum in geding; namelijk de periode van\n\n6 maart 2025 tot en met 15 januari 2026. Zoals tijdens de zitting ook met partijen is besproken, lijkt het erop dat [eiseres] gezondheidssituatie is verslechterd na haar achttiende verjaardag. Het UWV heeft daarover ter zitting gezegd dat zij binnen vijf jaar na haar achttiende verjaardag een wijziging van haar gezondheid kan doorgeven, zodat die wijziging beoordeeld kan worden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Zij krijgt het griffierecht dan ook niet terug en geen vergoeding van proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.\n\n Artikel 1a:1, eerste lid, onder a van de Wajong.\n\n Artikel 1a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.\n\n Artikel 1a:1, vierde lid van de Wajong.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3815","ecli-nl-rbove-2026-3815",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":34,"fullText":35,"language":7,"source":17,"sourceUrl":36,"summary":14,"slug":37,"metadata":38},"1610","ECLI:NL:RBOVE:2026:3808","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F338354 \u002F HA ZA 25-304\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nERIK NIJHOFF Q.Q.,\n\nin de hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TWENTE TRADING ALMELO B.V.,\n\nkantoorhoudend in Almelo,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: de curator,\n\nadvocaat: mr. G.J. Ligtenberg,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,2 [gedaagde 2] ,\n\nwonend in [woonplaats 1] ,3 [gedaagde 3] ,\n\nwonend in [woonplaats 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: gedaagden,\n\nniet verschenen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding, die is betekend op 19 december 2024, met 15 producties,\n\n- het herstelexploot, dat is betekend op 17 februari 2025,\n\n- de e-mail van mr. Ligtenberg van 4 juni 2026,\n\n- het tegen gedaagden verleende verstek.\n\n1.2. Aansluitend is vonnis bepaald.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1. De rechtbank constateert dat gedaagden niet in het geding zijn verschenen. Niet naar aanleiding van de dagvaarding, die is betekend op 19 december 2024, en evenmin naar aanleiding van het herstelexploot, dat is betekend op 17 februari 2025.\n\n2.2. Het herstelexploot van 17 februari 2025 is betekend op het kantoor van advocaat mr. A.C. Huisman. Volgens het herstelexploot hebben gedaagden op dat kantoor woonplaats gekozen. Bij e-mail van 4 juni 2026 heeft de rechtbank aan mr. Ligtenberg gevraagd om aan te geven waaruit blijkt dat gedaagden op het kantooradres van mr. Huisman woonplaats hebben gekozen. In antwoord daarop heeft mr. Ligtenberg bij e-mail van 4 juni 2026 een e-mail van mr. Huisman van 12 februari 2025 overgelegd, waarin door mr. Huisman is aangegeven dat het herstelexploot op zijn kantooradres kan worden betekend. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee in voldoende mate gebleken dat gedaagden woonplaats hebben gekozen op het kantooradres van mr. Huisman.\n\n2.3. Tegen gedaagden is door de rechtbank verstek verleend, omdat de rechtbank niet is gebleken dat bij het dagvaarden de voorgeschreven termijnen en formaliteiten niet in acht zijn genomen, een en ander als bedoeld in artikel 139 Rv.\n\n2.4. De vorderingen van de curator blijken uit de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.\n\n2.5. De vorderingen van de curator komen de rechtbank in zijn algemeenheid niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vorderingen van de curator worden daarom grotendeels toegewezen, zoals geformuleerd in het dictum van dit vonnis.\n\n2.6. De vorderingen van de curator worden deels afgewezen, omdat sommige deelvorderingen uit het petitum niet goed op elkaar aansluiten. Zo vordert de curator onder 3 een verwijzing naar de schadestaatprocedure op basis van het gevorderde onder 1, terwijl in het gevorderde onder 1 al een concreet bedrag wordt genoemd (en toegewezen). Het door de curator onder 3 gevorderde wordt daarom afgewezen.\n\n2.7. Het door de curator onder 4 gevorderde wordt ook afgewezen. Die vordering betreft een rentevordering waarbij wordt verwezen naar een bedrag dat is genoemd in het petitum onder 2, maar in het petitum onder 2 staat geen bedrag genoemd. Vordering sub 4 is daarom niet toewijsbaar.\n\n2.8. De gevorderde buitengerechtelijke kosten (petitum, onder 6) worden afgewezen, omdat die door de curator op geen enkele wijze zijn toegelicht en\u002Fof onderbouwd.\n\n2.9. Gedaagden zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n112,37\n\n- griffierecht\n\n€\n\n2.723,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n3.723,00\n\n(1 punt × € 3.723,00)\n\n- beslagkosten\n\n€\n\n2.906,67\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n9.654,04\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n3.1. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan de boedel van Twente Trading Almelo B.V., respectievelijk de curator, te betalen een bedrag van € 30.854,00,\n\n3.2. verklaart voor recht dat gedaagden jegens de boedel van Twente Trading Almelo B.V. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van Twente Trading Almelo B.V., voor zover deze schulden niet door vereffening van de overige baten van Twente Trading Almelo B.V. kunnen worden voldaan, zoals het tekort zal zijn na het houden van de verificatievergadering, te vermeerderen met de faillissementskosten in het faillissement van Twente Trading Almelo B.V.,\n\n3.3. veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan de boedel van Twente Trading Almelo B.V., respectievelijk de curator, te betalen een bedrag van € 850.000,00 bij wege van voorschot,\n\n3.4. veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten van € 9.654,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n3.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wat betreft de beslissingen onder 3.1, 3.3 en 3.4,\n\n3.6. wijst af het anders of meer gevorderde.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3808","ecli-nl-rbove-2026-3808",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":34,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"1639","ECLI:NL:RBOVE:2026:3806","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F333571 \u002F HA ZA 25-170\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonend te [woonplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. C.G. Mensink,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonend te [woonplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. P.I. Meijers.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 22 producties, - de conclusie van antwoord met 10 producties, - de mondelinge behandeling van 16 april 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1. \n [gedaagde] heeft een woning aan de [adres] met bouwjaar 1933 te koop aangeboden voor een vraagprijs van € 249.000.\n\n2.2. \n [eiser] had interesse in de woning en heeft opdracht gegeven aan [naam 1] van [bedrijf 1] (hierna te noemen: [naam 1]) voor aankoopinspectie. [naam 1] heeft de woning op 2 januari 2024 bezocht en heeft op 3 januari 2024 een Rapport Aankoopinspectie aan [eiser] gestuurd. Het rapport telt 45 pagina’s en er zijn 17 foto’s bijgevoegd.\n\n2.3. Op 12 januari 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] een koopovereenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] de woning aan [eiser] verkoopt voor € 237.500. De akte van levering zal worden gepasseerd op 15 april 2024; dit is later op verzoek van [eiser] aangepast naar 15 mei 2024.\n\n2.4. Op 7 mei 2025 heeft [eiser] – voordat de woning daadwerkelijk is verkocht - de sleutel van de woning ontvangen en heeft hij de woning bezocht samen met twee installateurs, met het doel aan en in de woning te verrichten werkzaamheden te inventariseren en te plannen.\n\n2.5. \n\nVolgens [eiser] treft hij de woning op 7 mei 2024 aan in een andere staat dan tijdens de bezichtiging in januari daarvoor. Hij heeft [naam 1] opdracht gegeven om de woning op 13 mei 2024 opnieuw te inspecteren. [naam 1] legt zijn bevindingen vast in een verslag met 29 foto’s. In het verslag staat: ‘Doel inspectie: Vaststellen aard en omvang van verborgen of niet gemelde gebreken door verkoper.’\n\nOp 19 juni 2024 heeft [naam 1] een nieuwe versie van het rapport Aankoopinspectie gemaakt. In de toelichting staat: Dit rapport is een aanvulling op de eerder uitgegeven rapportage van 02-01-2024. Dit op basis van wat ik me nog kan herinneren.\n\nOp 10 september 2024 heeft [naam 1] nog een verklaring opgesteld betreffende aanduiding verschil opname 02-01-2024 en 13-05-2024.Dit gaat met name over schimmelvorming in de woning.\n\n2.6. \n [eiser] heeft aan de notaris laten weten dat hij de woning op 15 mei 2024 niet zal afnemen.\n\n2.7. Op 16 mei 2024 stuurt de gemachtigde van [eiser] een ingebrekestelling aan [gedaagde]. Hij eist dat [gedaagde] alle gebreken in het rapport van [naam 1] herstelt; pas nadat dit is gebeurd zal [eiser] de woning afnemen. Als herstel niet of niet tijdig wordt uitgevoerd zal [eiser] de koopovereenkomst ontbinden en de boete van 10% van de koopsom opeisen. [eiser] eist dat [gedaagde] binnen twee dagen laat weten of hij de herstelwerkzaamheden zal (laten) uitvoeren of dat hij instemt met ontbinding van de koopovereenkomst.\n\n2.8. \n\n [gedaagde] heeft in kort geding gevorderd dat [eiser] de koopovereenkomst nakomt. In een vonnis van 3 september 2024 wordt\n\n– voorlopig oordelend - het verweer van [eiser], dat er sprake is geweest van bedrog of dwaling, gepasseerd. De slagingskans van een vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst op basis van non-conformiteit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gering. [eiser] wordt veroordeeld om binnen veertien dagen mee te werken aan de levering van de onroerende zaak en moet de contractuele boete van\n\n€ 23.750,- betalen.\n\n2.9. Bij dagvaarding van 16 september 2024 heeft [gedaagde] in kort geding gevorderd dat [eiser] het vonnis van 3 september 2024 nakomt. In een vonnis van 25 september 2024 wordt [eiser] veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 500,- per dag dat hij niet voldoet aan de in het vonnis van 3 september 2024 uitgesproken veroordeling, met een maximum van € 25.000,-.\n\n2.10. \n\n [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 september 2024.\n\nHet Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 12 november 2024 het verweer, dat er sprake is van een onveilige woning met een ongezond leefklimaat, gepasseerd. Dat er in mei 2024 sprake was van nieuwe gebreken, heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt, aldus het Gerechtshof. Het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel wordt bekrachtigd.\n\n2.11. \n [eiser] heeft ook hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 25 september 2024. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in een arrest van 18 februari 2025 het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel bekrachtigd.\n\n2.12. \n [eiser] heeft alle op basis van de veroordelingen aan [gedaagde] verschuldigde bedragen betaald. Voor contractuele boete, dwangsommen en vier keer proceskostenveroordeling heeft hij in totaal € 58.154,44 betaald.\n\n2.13. Bij dagvaarding van 30 april 2025 heeft [gedaagde] in kort geding een nieuwe (hogere) dwangsom gevorderd om [eiser] te bewegen alsnog mee te werken aan de levering van de woning. In een vonnis van 22 mei 2025 (procedurenummer C\u002F08\u002F332139) is de vordering afgewezen, omdat eerdere dwangsommen [eiser] niet hebben aangezet om na te komen en [eiser] de zaak voor wil leggen aan de bodemrechter.\n\n2.14. \n [gedaagde] heeft de koopovereenkomst ontbonden op 24 juni 2025 omdat hij de woning per 1 augustus 2025 voor € 224.00,- aan een andere partij heeft verkocht.\n\n3. Het geschil\n\n3.1. \n [eiser] vordert in deze procedure dat de rechtbank:\n\nPrimair\n\nI Voorwaardelijk, voor zover de overeenkomst niet reeds buitengerechtelijk is vernietigd, de overeenkomst vernietigt;\n\nSubsidiair\n\nII Voorwaardelijk, in het geval dat de rechtbank oordeelt dat er geen grond bestaat voor vernietiging van de overeenkomst, de overeenkomst ontbindt;\n\nPrimair en subsidiair\n\nIII verklaart voor recht:\n\na. dat de tussen partijen gewezen vonnissen geen werking meer hebben, althans hun rechtskracht verloren hebben wegens het vervallen van de onderliggende rechtsverhouding;\n\nb. dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het verzuim\u002Fonrechtmatig handelen door [gedaagde];\n\nIV bepaalt dat de in kort geding uitgesproken dwangsomveroordeling worden gematigd tot nihil;\n\nV [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen:\n\na. voorwaardelijk, indien en voor zover de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden of bij vonnis wordt ontbonden, de contractuele boete van € 23.750,-;\n\nb. een totaal van € 48.750,- terzake betaalde boete en dwangsommen, te vermeerderen met rente;\n\nc. een totaal van € 9.404,44 voor betaalde proceskostenveroordelingen, te vermeerderen met rente;\n\nd. een bedrag van € 9.404,44 als voorschot op door [gedaagde] te betalen schade;\n\nVI [gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure.\n\nTer onderbouwing van de vorderingen voert [eiser] het volgende aan. Na het sluiten van de overeenkomst maar voor de geplande levering is gebleken dat de woning ernstige verborgen gebreken vertoonde, die [gedaagde] niet heeft gemeld, hoewel hij daartoe verplicht was. [eiser] stelt dat de woning daarom niet aan de overeenkomst beantwoordt en heeft de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd, althans ontbonden.\n\n [gedaagde] had de vragenlijst bij de aangeboden woning niet juist ingevuld. Door de waarnemingen van [naam 1] van 13 mei 2024 te verwerken in het inspectierapport, zijn de verschillen tussen januari en mei 2024 goed te zien. Op 7 mei 2024 was [eiser] samen met (werknemers van) De Warmteman en [bedrijf 2]. Ook zij hebben een lijst met gebreken opgesteld en [bedrijf 2] schat de herstelkosten op € 63.186,20.\n\nDe overeenkomst is tot stand gekomen onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken. [gedaagde] heeft essentiële informatie achtergehouden, bijvoorbeeld door bepaalde dingen niet op de vragenlijst te vermelden. Daarmee heeft hij [eiser] bewogen een overeenkomst te sluiten die hij bij juiste en volledige informatieverstrekking niet zou hebben gesloten. Het gaat daarbij om:\n\nvocht in de kruipruimte\u002Fkelder\n\nlekkages en dakproblemen\n\nvocht en schimmelproblemen\n\nhoutrot, houtvernielers en een verende vloer in de schuur\n\nslecht sluitende ramen en deuren\n\nproblemen met technische installaties\n\nopzettelijk verhullen gebreken tijdens bezichtiging.\n\nVoor [naam 2] staat vastdat [gedaagde] de mededingingsplicht heeft geschonden, en in de conclusie van antwoord van augustus 2024 in procedure C\u002F08\u002F316736 heeft [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Voor zover dat geen doel heeft getroffen is er voldoende grond om de overeenkomst bij vonnis in de onderhavige procedure te vernietigen.\n\nOmdat de vernietiging terugwerkende kracht heeft, heeft ieder betaling of prestatie op grond van die overeenkomst zonder rechtsgrond plaatsgevonden. Het kort geding vonnis van\n\n3 september 2024 levert immers geen gezag van gewijsde op. De betaalde boete van 10% kan daarom worden teruggevorderd. Ook de dwangsommen verliezen hun grondslag door de vernietiging, omdat deze zijn verbeurd door de verplichting tot nakoming, die achteraf gezien nooit heeft bestaan, aldus [eiser].\n\n3.2. \n\n [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat de woning niet voldeed aan de overeenkomst en\u002Fof dat er sprake was van ernstige gebreken. [eiser] heeft de woning zonder voorbehoud van bouwkundige keuring gekocht. Daarnaast heeft hij de woning voor de aankoop laten keuren dus hij kende de staat van de woning. Ook zijn partijen een ouderdomsclausule overeengekomen. [eiser] was op de hoogte van de staat van de woning en er waren geen heimelijk gebreken die verborgen zijn gebleven voor de aankoop.\n\nDoor de weigering van [eiser] om de woning in mei af te nemen, kwam [gedaagde] in een lastige situatie. Hij had zelf een andere woning gekocht, maar was voor de financiering en levering daarvan wel afhankelijk van de verkoop van zijn woning aan [eiser]. Een overbruggingskrediet was niet mogelijk en [gedaagde] heeft van de nieuwe woning af moeten zien, maar daarvoor wel kosten gemaakt. [gedaagde] heeft de woning aan de [adres] uiteindelijk voor een lagere prijs moeten voorkopen. Hij kan nu geen andere woning meer kopen en woont met zijn kinderen bij zijn ouders.\n\nTijdens de eerste kort geding procedure wees [eiser] vooral op vocht- en schimmelproblemen, maar uit de aankoopkeuring van [naam 1] blijkt dat dit bekend was voorafgaand aan de koop. Uit het rapport van de tweede inspectie blijken geen nieuwe gebreken. Wat betreft het vocht achter het toilet heeft [gedaagde] aangeboden een nieuw toilet te plaatsen en de centrale verwarming te herstellen, dus dat zijn geen reden om te ontbinden. Na de eerste procedure kwam [eiser] met andere bezwaren (zoals dat de hypotheekofferte was verlopen) en hij bleef tegen beter weten in procederen om van de koop af te komen. Tegen de vermeende gebreken voert [gedaagde] puntsgewijs verweer.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. \n\nIs de overeenkomst gesloten onder invloed van dwaling en\u002Fof bedrog en\u002Fof misbruik van omstandigheden?\n\n [eiser] stelt in de eerste plaats dat hij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans hij vordert dat de rechtbank de overeenkomst vernietigt, omdat er sprake is van dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden.\n\n [eiser] voert ter onderbouwing aan dat de woning zoals hij die in januari 2024 heeft bezichtigd en heeft laten onderzoeken door [naam 1], wezenlijk anders is dan de woning zoals hij die in mei 2024 heeft gezien en heeft laten onderzoeken door [naam 1], en wel zó anders dat hij de overeenkomst niet gesloten zou hebben als hij in januari 2024 had beschikt over de juiste kennis. Dit is volgens [eiser] mede te wijten aan het handelen van [gedaagde], die overal meubels voor had staan en die essentiële informatie over gebreken aan de woning voor [eiser] heeft achtergehouden. Hij heeft relevante informatie verzwegen en zodoende [eiser] bewogen tot een aankoop, die hij niet – of niet onder dezelfde voorwaarden – zou hebben gedaan als hij juist was geïnformeerd. Voorbeeld daarvan is dat [gedaagde] de vragenlijsten van de makelaar onvolledig heeft ingevuld, waardoor niet te voorzien was hoeveel de kosten tot herstel zouden bedragen, aldus [eiser].\n\n4.2. \n\nWas er sprake van een onjuiste voorstelling van zaken in januari 2024?\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of er daadwerkelijk sprake is geweest van een onjuiste voorstelling van zaken terzake (de staat van) de woning in januari 2024. Opgemerkt wordt dat het toetsmoment voor bedrog en dwaling ligt op het moment van aangaan van de overeenkomst.\n\nDe rechtbank oordeelt – evenals de voorzieningenrechter op 3 september 2024 – dat [eiser] niet heeft aangetoond dat in mei 2024 tot dat moment onzichtbare gebreken aan de woning zichtbaar werden, van zodanige aard en omvang dat er grond was\u002Fis voor vernietiging van de overeenkomst. Daarbij is van belang dat het om een ongeveer 90 jaar oude woning gaat en [eiser] deze op 2 januari 2024 heeft laten beoordelen door [naam 1]. Veel van de later genoemde problemen, zoals sporen van oude lekkages, verouderde elektra en een ouderwetse meterkast, vochtplekken op de muren, de matige staat van dakgoten en kozijnen, zijn al in het eerste rapport beschreven. Daar wordt ook al melding gemaakt van schimmelvlekken op de muren, een vochtige muur en vochtdoorslag. Er zitten foto’s bij met de omschrijving oude en nieuwe kleurcodering elektra, roest radiator slaapkamer, vocht in de kelder, 4 cm laag water in de kruipruimte, schimmelvormig woonkamer, schimmel achtergevel, ouderwetse meterkast.Veel onderdelen in het rapport zijn door [naam 1] beoordeeld met 0, 0\u002F+ of +, hetgeen betekent matig of voldoende. Op geen enkel punt is de score ++ (goed) gegeven. De staat van de woning zoals beschreven in het rapport, duidt er niet op dat [gedaagde] op dat moment heeft geprobeerd gebreken te verbergen, door bijvoorbeeld provisorische reparaties te verrichten of zaken over te schilderen.\n\nHet kan zijn dat vocht- en slijtageplekken nog beter zichtbaar waren nadat alle meubels en enkele kleedjes waren verwijderd, maar dat leidt niet tot de conclusie dat [gedaagde] de vochtproblemen in eerste instantie heeft proberen te verbergen. Er was immers genoeg van te zien. [eiser] had naar aanleiding van het rapport van [naam 1] nader onderzoek kunnen laten doen naar het vocht in de woning, maar dat heeft hij niet gedaan. Datzelfde geldt bijvoorbeeld voor punt 2.27 van het rapport Aarding nader laten onderzoeken in de badkamer. [eiser] heeft dat niet laten onderzoeken en heeft dus het risico genomen dat er een gebrek zou zijn op dit punt.\n\nDat één of meer radiatoren lekten was ook duidelijk in januari. Dat in mei inmiddels een handdoek was gelegd onder een radiator, betekent niet dat er een nieuw gebrek was. Dat de badkamer en de keuken minder schoon oogde dan tijdens de bezichtiging, en dat de woning niet goed was leeggeruimd, kan hebben bijgedragen aan de ervaren teleurstelling, maar dit zijn geen relevante omstandigheden in het kader van al of niet vernietigen van de overeenkomst.\n\nNaar aanleiding van het eerste rapport van [naam 1], waarin al het nodige noodzakelijke onderhoud was genoemd, zijn partijen bovendien tot een lagere koopprijs gekomen. De minder goede staat van de woning was kennelijk duidelijk voor [eiser] toen hij deze besloot te kopen. Dat er water in de kruipruimte stond was toen ook bekend, en niet kan worden vastgesteld dat de verklaring van [gedaagde], dat water in de kruipruimte niet gebruikelijk was, niet klopt. Dat [gedaagde] volgens [eiser] de vragenlijst op sommige punten niet juist heeft ingevuld doet aan het voorgaande niet af, omdat [naam 1] dezelfde punten allemaal heeft nagelopen en er dus voor de aankoop voldoende informatie was over al die punten. Aangezien [eiser] opdracht had gegeven voor het onderzoek van [naam 1] ligt het voor de hand dat [eiser] dat rapport goed heeft doorgenomen. Hij had voor aankoop kunnen doorvragen op punten waarbij de bevindingen in het rapport niet klopten met wat er op de vragenlijst was ingevuld.\n\nDat [naam 1] in zijn rapport van 13 mei 2024 een aantal zaken noemt die volgens hem eerder niet zichtbaar waren, betekent niet dat deze opzettelijk verhuld waren. Onvoldoende is aangetoond dat deze ook bij een gedegen inspectie niet te zien waren geweest. In de bevindingen van 13 mei 2024 staat bijvoorbeeld bij Zolder binnen: Ramen en deuren sluiten niet goed. Was tijdens de rondgang niet goed te controleren.Bij andere punten is vermeld dat er eerder iets voor stond. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat er niet méér en grondiger gecontroleerd had kunnen worden, door tijdens de inspectie te vragenKunnen we hier even achter of onder kijken?Zeker gezien het feit dat de woning is januari al op veel punten 0, 0\u002F+ of + scoorde was er aanleiding om dat te doen.\n\nWat betreft de aanvullende verklaring van [naam 1] van 10 september 2024, waarin hij nog aanvullende opmerkingen maakt over schimmelvorming in de woning en zure penetrante geur in de woning op 13 mei 2024: aan deze verklaring worden geen gevolgen verbonden. Er staat over 13 mei 2024: Er was schimmel aanwezig in vrijwel de gehele woning. O.a. de zwarte schimmel was aanwezig, dit is een van de ergste en schadelijkste schimmelsoorten.\n\nIn de eerste plaats is de verklaring van 10 september 2024 weinig concreet en ontbreken foto’s. Maar bovenal is het opvallend dat – als de schimmelproblematiek zo erg is als [naam 1] stelt – dit niet in het eerdere rapport van 13 mei 2024 gelijk is gemeld. [naam 2] heeft, hoewel dat op zijn weg lag, niet kunnen verklaren waarom klachten die in september worden genoemd niet op 13 mei geconstateerd hadden kunnen worden.\n\nDat [eiser] de woning niet zou hebben gekocht als hij een beter beeld had gehad van de woning en de kosten voor diverse reparaties\u002Faanpassingen, is niet aangetoond. [naam 1] had in januari 2024 immers ook al een raming van noodzakelijke werkzaamheden gemaakt en dat was als argument bij de onderhandelingen gebruikt. Het kan zo zijn dat de installateurs die op 7 mei 2024 mee waren in de woning een uitgebreidere offerte maakten, maar dat betekent niet dat [eiser] de woning niet zou hebben gekocht als hij die offertes eerder had ontvangen. Het is bovendien zijn eigen keuze geweest het zo aan te pakken.\n\nHet voorgaande leidt tot de conclusie dat de overeenkomst niet is vernietigd en niet zal worden vernietigd.\n\n4.3. \n\nontbinding van de overeenkomst\n\n [eiser] vordert daarnaast dat de overeenkomst wordt ontbonden. Hij heeft [gedaagde] bij brief van 16 mei 2024 in gebreke gesteld en gevorderd dat alle gebreken worden hersteld, alvorens kan worden geleverd.\n\nDe woning is inmiddels aan een derde verkocht en [gedaagde] heeft daarom de overeenkomst per 1 augustus 2025 ontbonden, zodat de rechtbank dit niet meer kan doen. Maar als [gedaagde] de overeenkomst niet had ontbonden, zou de rechtbank niet overgaan tot ontbinding omdat niet gebleken is van tekortkomingen van zodanig ernst en omvang dat die de ontbinding met al haar gevolgen zouden rechtvaardigen. Daarbij wordt opgemerkt dat de ingebrekestelling een termijn had van twee dagen. Dat is veel te kort, zelfs nu er alleen werd gevraagd om een toezegging tot herstel te doen. [eiser] had in gesprek kunnen gaan met [gedaagde], maar heeft daar geen gelegenheid voor gegeven door gelijk te eisen dat álle gebreken in het rapport van [naam 1] worden hersteld. [eiser] stelde zich toen al onwrikbaar op en heeft daarmee de weg voor een oplossing tussen partijen afgesloten.\n\nBij dit alles wordt nog opgemerkt dat nadere bewijslevering naar het oordeel van de rechtbank niets kan opleveren dat de zaak anders maakt. De belangrijkste conclusie is immers dat door het eerste rapport van [naam 1] al vóór de koop duidelijk was dat de woning moest worden opgeknapt en dat daarin al voldoende aanwijzingen waren voor alle soorten gebreken, die [eiser] later ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorderingen tot vernietiging en\u002Fof ontbinding.\n\n4.4. \n\nafwijzing van de vorderingen\n\nNu de conclusie is dat de overeenkomst niet is vernietigd of alsnog wordt vernietigd verandert er niets aan de reeds gewezen vonnissen. Vordering sub II terzake ontbinding is ook niet toewijsbaar. Er is geen reden om de gestelde schade van [eiser] te laten vergoeden door [gedaagde], omdat niet is geconcludeerd van [gedaagde] in verzuim is geweest of onrechtmatig heeft gehandeld.\n\n4.5. \n\nproceskosten\n\n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n1.374,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.290,00\n\n(1 punt × € 1.290,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.853,00\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] van € 2.853,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3806","ecli-nl-rbove-2026-3806",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":34,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"1715","ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12206774 \\ EJ VERZ 26-76\n\nBeschikking van de kantonrechter van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoekster] , wonende te [woonplaats 1] ,\n\n2. [verzoeker], wonende te [woonplaats 2] ,\n\nsamen te noemen verzoekers,\n\ngemachtigde: mr. M.A. Stokroos, notaris te Rijssen.\n\nBelanghebbende is:\n\n [belanghebbende], geboren op [geboortedatum] 2009, dochter van verzoekers,\n\nwonende te [woonplaats 3] .\n\n1. De procedure1.1. \n [verzoekers] hebben een verzoekschrift ingediend, ontvangen op 29 april 2026, ingevolge artikel 1:345 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n1.2.. Het verzoek is behandeld op 17 juni 2026 waar verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Ook belanghebbende is verschenen.\n\n2. De beoordeling2.1. Op grond van artikel 1:345 BW behoeft de voogd machtiging van de kantonrechter om een overeenkomst strekkende tot beschikking over goederen van de minderjarige aan te gaan. Op grond van artikel 1:356 BW geeft de kantonrechter de machtiging slechts, indien dit hem in het belang van de minderjarige noodzakelijk, nuttig of wenselijk blijkt te zijn. Hij kan een bijzondere of een algemene machtiging geven en daaraan zodanige voorwaarden verbinden, als hij dienstig oordeelt. Op grond van artikel 1:253k BW zijn deze artikelen ook van toepassing op het bewind van de ouders.\n\n2.2. Bij de beoordeling van de vraag of het verlenen van de machtiging in het belang van de minderjarige is kunnen de volgende omstandigheden een rol spelen:\n\n- gewaarborgde continuïteit in de leefsituatie van de minderjarige;\n\n- de mening van de minderjarige, en\n\n- het doel van de transactie en het te verwachten resultaat voor de minderjarige.\n\n2.3. Het verzoek betreft de oprichting van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] . Het betreft een persoonlijke holding.\n\n2.4. De moeder van [belanghebbende] heeft de eenmanszaak [eenmanszaak] . De vader van [belanghebbende] heeft een dakdekkersbedrijf.\n\n2.5. In het verzoek staat vermeld dat [bedrijf] B.V. zal toetreden tot de eenmanszaak [eenmanszaak] , die na deze toetreding zal worden gewijzigd in een VOF.\n\n2.6. Opzet is dat [belanghebbende] gaat participeren in zowel het ondernemingsvermogen, via haar personal holding bv, alsmede het oprichten van een werkmaatschappij, samen met de holding van haar vader. In de gezamenlijke werkmaatschappij zullen jonge paarden worden getraind door [belanghebbende] en weer worden doorverkocht.\n\n2.7. Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoekers en hun gemachtigde toegelicht dat het feitelijk nu al zo is dat [belanghebbende] paarden opleidt en deze worden doorverkocht en dat het goed is om deze situatie formeel te regelen. [belanghebbende] rijdt paarden voor anderen en brengt de paarden op een hoger niveau.. Zij doet een BBL opleiding paardenhouderij bij het [college] in [plaats] .\n\n2.8. Tijdens de mondelinge behandeling is door de ouders en [belanghebbende] opgemerkt dat zij alles in onderling overleg doen. De ouders houden daarbij ook rekening met de belangen van hun andere twee kinderen. Ook willen zij het eerlijk doen tussen de kinderen.\n\n2.9. \n\nHun gemachtigde heeft tijdens de mondelinge behandeling in antwoord op vragen van de kantonrechter opgemerkt dat [belanghebbende] geen reële financiële risico’s loopt. Er is gekozen voor een bv structuur. [belanghebbende] is daarom niet als persoon aansprakelijk. [belanghebbende] is niet bestuurder. Er kan dus geen sprake zijn van bestuurdersaansprakelijkheid van [belanghebbende] .\n\nDe gemachtigde heeft daarnaast opgemerkt dat het niet de voorkeur heeft dat [belanghebbende] als minderjarige en vennoot zou gaan participeren in een VOF. Dit mede in verband met een eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennoot. In de gekozen constructie zal de bv toetreden tot de eenmanszaak die na toetreding zal worden gewijzigd in een VOF. [belanghebbende] zal dus niet als persoon toetreden. Er is bewust voor gekozen om de aandelen niet te certificeren. Het is de bedoeling dat [belanghebbende] in de toekomst ook zeggenschap zal krijgen.\n\n2.10. De kantonrechter kan zich vinden in de wens van verzoekers om de feitelijke situatie een juridische structuur te geven. Verzoekers hebben toegelicht dat daarmee tevens een juridische basis wordt gelegd voor de toekomst. Ook heeft [belanghebbende] tijdens de mondelinge behandeling verklaard achter het verzoek te staan. Het verzoek is dus in het belang van de minderjarige en kan worden toegewezen.\n\n3. De beslissing3.1. Wijst het verzoek om een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten met de naam [bedrijf] B.V., met zetel te [vestigingsplaats] , toe.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3807","ecli-nl-rbove-2026-3807",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":55,"ecli":56,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":58,"language":7,"source":17,"sourceUrl":59,"summary":14,"slug":60,"metadata":61},"1140","ECLI:NL:RBOVE:2026:3801","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12126700 \\ RR FORM 26-5\n\nVonnis van 23 juni 2026 van de kantonrechter inzake het verzoek ex artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering\n\nin de zaak van\n\n [eiser], wonende te [woonplaats],\n\neisende partij, hierna te noemen [eiser],\n\nprocederende in persoon,\n\ntegen\n\nVENITECH INSTALLATIEBEDRIJF, gevestigd te Hengevelde,\n\ngedaagde partij, hierna te noemen Venitech,\n\nniet verschenen, tegen gedaagde is verstek verleend.\n\n1. De procedure1.1. Deze zaak wordt behandeld door de kantonrechter op basis van het Tijdelijk besluit experiment regelrechter (hierna: Besluit).\n\n1.2. De regelrechter heeft van [eiser] een aanmeldformulier en producties ontvangen. Vervolgens heeft de kantonrechter beslist tot een mondelinge behandeling in het gebouw van de rechtbank Overijssel locatie Almelo, gehouden op 16 juni 2026 om 14.00 uur.\n\n1.3. Op de mondelinge behandeling is [eiser] verschenen. Venitech is tijdens de mondelinge behandeling niet verschenen. De kantonrechter heeft vervolgens tegen Venitech verstek verleend (artikel 14 lid 1 Besluit).\n\n1.4. Hierna heeft de regelrechter de datum voor het vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1. Op 13 december 2024 heeft Venitech bij [eiser] een airco geplaatst. Op 6 februari 2026 heeft een reparatie plaatsgevonden. Hiervoor heeft Venitech aan [eiser] gefactureerd een bedrag van € 375,17. [eiser] betwist deze factuur. Hij beroept zich op de garantie en stelt dat een airco langere tijd goed moet kunnen functioneren.\n\n3. De beoordeling3.1. De kantonrechter moet in deze zaak beoordelen of [eiser] recht heeft op terugbetaling van een bedrag van € 375,17. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] recht heeft op terugbetaling.\n\n3.2. \n [eiser] heeft zich beroepen op een garantietermijn van 18 maanden zoals deze geldt ingevolge artikel 18 in de Algemene Voorwaarden Installatie Consumenten 2016 (AVIC). [eiser] wijst er op dat Venitech is aangesloten bij de beroepsvereniging “Techniek Nederland” en deze beroepsvereniging deze algemene voorwaarden hanteert. De airco is binnen deze termijn stuk gegaan. [eiser] wijst er verder op dat de Consumentenbond en de Europese regelgeving uitgaan van een garantietermijn van 2 jaar en op internet is te lezen dat Venitech een garantietermijn geeft van 2 jaar. Omdat het gebrek binnen 18 maanden is ingetreden meent [eiser] dat hij aanspraak kan maken op kosteloze reparatie.\n\n3.3. Venitech heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering van [eiser].\n\n3.4. Het gevorderde komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen. [eiser] mocht van de airco verwachten dat deze langer meegaat dat ongeveer dertien maanden. Bovendien heeft [eiser] onweersproken gesteld dat door Venitech verkeerde koppelingen zijn gebruikt voor de airco die niet geschikt zijn voor warmte.\n\nProceskosten\n\n3.5. Venitech zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. Op grond van artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal aan reis-, verblijf-, en verletkosten een bedrag van € 50,00 worden toegekend. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 93,00\n\n- reis-, verblijf-, en verletkosten € 50,00\n\nTotaal € 143,00\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1. Veroordeelt Venitech om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 375,17.\n\n4.2. Veroordeelt Venitech in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 143,00.\n\nDit vonnis is gewezen te Almelo door mr. U. van Houten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3801","ecli-nl-rbove-2026-3801",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":65,"language":7,"source":17,"sourceUrl":66,"summary":14,"slug":67,"metadata":68},"1067","ECLI:NL:RBOVE:2026:3797","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: 12055948 \\ CV EXPL 26-41\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nTINQ NEDERLAND B.V.,\n\ngevestigd te Harderwijk,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: TinQ,\n\ngemachtigde: mr. F.B.A.M. van Oss,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nstatutair gevestigd te [vestigingsplaats 1] en kantoorhoudende te [vestigingsplaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigde: mr. D. Teeuwsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties, - de conclusie van antwoord met producties, - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het bericht van 1 mei 2026 met aanvullende producties van TinQ, - de mondelinge behandeling van 12 mei 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\nDeze zaak gaat over de beëindiging van de huurovereenkomst van een onbemand tankstation. TinQ stelt dat in juni 2019 de huurovereenkomst is doorgelopen voor een nieuwe 5-jaarsperiode. Volgens TinQ heeft [gedaagde] de huurovereenkomst op onrechtmatige wijze beëindigd en zij vordert in deze procedure een schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet op onrechtmatige wijze is beëindigd en wijst de vorderingen van TinQ af.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nTussen [gedaagde] als verhuurder en TinQ als huurder is een huurovereenkomst voor een verkooppunt van motorbrandstoffen gesloten op 14 juni 2009 (hierna: de huurovereenkomst). In de huurovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:\n\n(..) Artikel 3 Huurtermijn\n\nDeze huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van 5 + 5 optiejaren, ingaande op de dag waarop de verkoop van TinQ-motorbrandstoffen in het verbouwde en heringerichte verkooppunt een aanvang zal hebben genomen, doch niet later dan 1 juli 2009. Indien huurder niet uiterlijk 12 maanden voor afloop van de huurperiode, per aangetekende brief, aan verhuurder heeft aangegeven dat hij van verlenging geen gebruik wilt maken, zal deze overeenkomst stilzwijgend worden verlengd met een zelfde periode en zo vervolgens van periode tot periode tegen de alsdan geldende marktconforme condities.(..)\n\n3.2. \n [gedaagde] heeft op 20 september 2016 een brief gestuurd aan TinQ waarin hij heeft aangekondigd dat de bedrijfsbestemming van het gehuurde perceel gewijzigd zou worden en aan TinQ de gelegenheid geboden om het gehele bedrijfsperceel te kopen.\n\n3.3. Per brief van 27 december 2018 heeft [gedaagde] aan TinQ medegedeeld de huurovereenkomst op te zeggen per 31 december 2019, waarbij in onderling overleg de mogelijkheid voor verlenging van telkens twee jaar zou bestaan.\n\n3.4. Op 26 juni 2019 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ gevraagd of zij gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop. Vervolgens heeft [gedaagde] per brief van 5 juli 2019 medegedeeld dat dit de verkoop van het gehele bedrijf inclusief de bedrijfswoning zou betreffen.\n\n3.5. \n\nOp 20 augustus 2019 heeft [gedaagde] een brief gestuurd aan TinQ. Hierin staat, voor zover van belang:\n\n(..)” Op 20-09-2016 hebben wij Tinq B.V. een schrijven gestuurd, waarin wij gevraagd hebben of Tinq gebruik wenste te maken van het voorkeursrecht van koop van ons perceel\u002Fbedrijf en het verzoek ons binnen 30 dagen te antwoorden.\n\nWij hebben hierop geen antwoord c.q. reactie van Tinq ontvangen.(..)\n\nDit is ook met de heer [naam 1] besproken tijdens zijn laatste bezoek aan ons, ca. 4 weken geleden, waarin hij heeft aangegeven, dat Tinq Nederland B.V. niet geïnteresseerd is in de aankoop van het totale bedrijf\u002Fperceel. Mede door deze uitspraak en het niet tijdig schriftelijk reageren binnen de op ons verzoek gestelde termijn, verklaren wij middels dit schrijven het voorkeursrecht van eerste koopa ls vervallen.\n\nVerder is er een geïnteresseerde, die mogelijk verder wil met het autobedrijf en tankstation. Dit hangt ook samen met de huuropbrengst voor een 10-jarig kontract, ingaande 01 januari 2020. Dit is eveneens in het gesprek met de heer [naam 1] aan de orde geweest. Wij zouden hiervoor graag vrijblijvend een antwoord van u ontvangen.(..)\n\n3.6. Per brief van 27 december 2019 heeft [gedaagde] aan TinQ een nieuwe huurovereenkomst toegestuurd, welke zou ingaan op 1 januari 2020 met een looptijd van twee jaar (dus tot en met31 december 2021).\n\n3.7. \n\nOp 4 december 2020 heeft TinQ een brief van [gedaagde] ontvangen. Hierin staat voor zover van belang, het navolgende:\n\n“Middels dit schrijven, welke wij u aangetekend toesturen, delen wij u mede dat de huurovereenkomst beëindigt wordt per 31-12-2021, conform huurovereenkomst, welke wij u op 27-12-2019 hebben toegestuurd. (..)\n\n3.8. \n\n [gedaagde] heeft op 17 december 2021 een brief gestuurd aan TinQ. Hierin laat hij weten:\n\n(..)Hiermede refereren wij aan ons schrijven d.d. 04 december 2020, waarin wij u nogmaals berichten, dat de huurovereenkomst voor het tankstation [adres] te [vestigingsplaats 2] per 31-12-2021 beëindigt wordt wegens verkoop van ons bedrijf conform de huurovereenkomst d.d. 01-01-2020, opgesteld door [bedrijf] , welke u aangetekend toegestuurd is.\n\nWij hebben dit ook in een persoonlijk gesprek met u doorgenomen.\n\nNaar nu blijkt, laat een deel van de vergunningen, welke door de koper zijn aangevraagd bij de gemeente, langer op zich wachten dan verwacht.\n\nHet tankstation zou hierdoor in ieder geval nog t\u002Fm eind juni 2022 operationeel kunnen zijn.\n\nIndien u hiervan gebruik zou willen maken, verzoeken wij u ons dit binnen 10 dagen schriftelijk te laten weten. (..)\n\n3.9. Op 24 mei 2022 heeft [gedaagde] per brief aan TinQ laten weten dat er een mogelijkheid is om de verkoop van brandstoffen tot 1 november 2022 te continueren via TinQ te [vestigingsplaats 2] .\n\n3.10. \n\nOp 3 juni 2022 heeft [gedaagde] wederom een brief aan TinQ gestuurd. Hierin staat, voor zover van belang, het volgende:\n\n(..)Naar aanleiding van onze brief van 24 mei 2022, mochten wij geen tegenbericht hierop van u ontvangen.\n\nWij gaan er derhalve van uit dat u akkoord gaat met de inhoud van de brief, betreffende het feit dat de verkoop van TinQ brandstoffen doorgang zal vinden t\u002Fm oktober 2022.\n\n3.11. \n\nPer brief van 6 maart 2023 heeft [gedaagde] aan TinQ het volgende bericht:\n\n(..)Thans zijn de benodigde vergunningen door de Gemeente [vestigingsplaats 1] afgegeven voor afbraak van het pand.\n\nDit houdt in dat wij het panden het grondstuk schoon moeten opleveren.\n\nZoals mondeling met u besproken op 20 december 2022 bij ons aan het bedrijf, heeft u ons gevraagd dit tijdig mede te delen, i.v.m. met het leeg halen van de brandstoftanks.\n\nDit moet plaats vinden einde week 26, zie bijlage.\n\nWij danken u voor de prettige samenwerking de afgelopen jaren.(..)\n\n3.12. TinQ heeft niet schriftelijk gereageerd op de hierboven genoemde brieven van [gedaagde] .\n\n3.13. Op 26 juli 2023 is [gedaagde] overgegaan tot afsluiting van de elektriciteit in het gehuurde. TinQ is met ingang van juni 2023 opgehouden met het betalen van huur.\n\n3.14. Per brief van 21 augustus 2023 heeft TinQ [gedaagde] gesommeerd om de elektriciteitsvoorziening per direct te herstellen. Verder heeft TinQ medegedeeld dat de huurovereenkomst nog van kracht was en dat zij niet heeft ingestemd met een eerdere beëindigingc.q. opzegging. Ten slotte heeft TinQ [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door TinQ gestelde schade.\n\n3.15. Op 11 december 2023 heeft [gedaagde] TinQ schriftelijk gewezen op het ledigen van de brandstoftanks en TinQ gewaarschuwd om de overige zaken waaraan TinQ belang hecht weg te halen in verband met de sloopwerkzaamheden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n\nTinQ vordert – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis over te gaan tot betaling van een bedrag van € 637.587,96;\n\nII. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.\n\n4.2. TinQ legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de tussen partijen gesloten huurovereenkomst na 19 juni 2019 dan wel 30 juni 2019 met vijf jaar is verlengd. Zij stelt dat [gedaagde] de schade moet vergoeden die zij lijdt als gevolg van de onregelmatige opzegging.\n\n4.3. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van TinQ dan wel tot afwijzing van de vorderingen van TinQ, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van TinQ in de kosten van deze procedure.\n\n4.4. \n [gedaagde] betwist dat sprake is van een onrechtmatige opzegging van de huur. In dat verband voert [gedaagde] aan dat TinQ door haar (feitelijke) gedragingen zelf heeft ingestemd met het einde van de huur.\n\n4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nKwalificatie\n\n5.1. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2026 het gehuurde niet kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW of artikel 7:290 BW. Dit betekent dat de huurder geen huurbescherming geniet en het eindigen van de huurovereenkomst wordt beheerst door artikel 7:228 BW.\n\nWat is er afgesproken?\n\n5.2. Vervolgens is de vraag wat partijen hebben afgesproken. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in juni 2009 een schriftelijke huurovereenkomst hebben gesloten voor een periode van 5 jaar + 5 optiejaren. Verder is niet in geschil dat deze huurovereenkomst tenminste één keer (in 2014) stilzwijgend is verlengd. TinQ stelt dat in 2019 opnieuw sprake was van stilzwijgende verlenging, maar dit gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op.\n\n5.3. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW), waarbij de wijze van aanbod en de aanvaarding vormvrij is. Een aanvaarding kan daarom ook in één of meer gedragingen besloten liggen (artikel 3:37 lid 1 BW). Een akkoord met een handtekening is dus niet noodzakelijk.\n\n5.4. In deze zaak staat vast dat [gedaagde] al in 2016 aan TinQ heeft medegedeeld dat het bestemmingsplan van het gehuurde perceel (door de gemeente) gewijzigd zou worden en bij die gelegenheid is aan TinQ, in het kader van het geldende voorkeursrecht, het gehele bedrijfsperceel te koop aangeboden. Als verhuurder heeft [gedaagde] TinQ daarmee tijdig geïnformeerd over de voorgenomen wijziging, waarbij TinQ geen tegenbericht heeft gegeven. Uit niets blijkt dat TinQ heeft geprotesteerd. Ook in 2019 heeft [gedaagde] meerdere brieven gestuurd aan TinQ waaruit volgt dat TinQ en haar medewerker [naam 1] op de hoogte waren van de aanstaande veranderingen die tot beëindiging van het bedrijf zouden gaan leiden. In deze omstandigheden had TinQ tijdig haar standpunt kenbaar moeten maken en gemotiveerd moeten reageren op de mededeling van [gedaagde] , althans kenbaar moeten maken dat zij uitging van een huurovereenkomst tot 2024. Dit is niet gebeurd. De door TinQ middels productie 36 ingebrachte verklaring van de heer [naam 2] leidt niet tot een ander oordeel. Uit deze verklaring volgt enkel dat [naam 2] eind 2022 [gedaagde] heeft bezocht en dat hij kennelijk niet heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst.\n\n5.5. Verder is van belang dat [gedaagde] ook daarna in 2020, 2021, 2022 en 2023 brieven heeft gestuurd waarin hij TinQ heeft geïnformeerd over de voorgenomen verkoop van zijn bedrijf, de vergunningen en de gevolgen voor het tankstation. Op geen enkel moment heeft TinQ geprotesteerd tegen deze gang van zaken. Ten slotte heeft [gedaagde] op 6 maart 2023 aan TinQ medegedeeld dat de vergunningen zijn afgegeven en dat het pand schoon moet worden opgeleverd. Verder refereert [gedaagde] in deze brief aan een gesprek met TinQ op 20 december 2022 waarin TinQ heeft gevraagd om dit tijdig mede te delen i.v.m. het leeg halen van de brandstoftanks. TinQ heeft deze gang van zaken onvoldoende gemotiveerd weersproken. TinQ is in juni 2023 ook opgehouden met het betalen van de huur. De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat TinQ door deze gedragingen stilzwijgend heeft ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomst. Zonder nadere toelichting van TinQ valt dit niet te rijmen met het voor het eerst in haar brief van 21 augustus 2023 ingenomen standpunt dat de huuropzegging onrechtmatig is. De stelling van [gedaagde] is aannemelijk en komt overeen met de wijze waarop partijen vanaf 2016 zijn omgegaan met de situatie. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat partijen vanaf 2019 hun huurovereenkomst hebben voortgezet in de wetenschap dat deze op enig moment zou eindigen, hoewel geen concrete einddatum is vastgesteld. Dat er door [gedaagde] een concept huurovereenkomst is opgesteld met als einddatum 31 december 2021 maakt dit niet anders.\n\nConclusie\n\n5.6. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van TinQ afgewezen.\n\nProceskosten\n\n5.7. TinQ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n2.882,00\n\n(2 punten × € 1.441,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n3.026,00\n\n5.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. wijst de vorderingen van TinQ af,\n\n6.2. veroordeelt TinQ in de proceskosten van € 3.026,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als TinQ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3. veroordeelt TinQ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3797","ecli-nl-rbove-2026-3797",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":70,"ecli":71,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":72,"language":7,"source":17,"sourceUrl":73,"summary":14,"slug":74,"metadata":75},"1139","ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer: 11987371 \\ CV EXPL 25-2086\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. L.A. de Haan,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] ,\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] ., 2. [gedaagde 2],\n\nte [woonplaats 2] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] .,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagden] ,\n\ngemachtigde: mr. W.P. van Heerewaarden, Anker Rechtshulp B.V.\n\n1. De samenvatting\n\n1.1. \n [gedaagden] hebben een auto verkocht aan [eiser] . De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] bewust ervoor hebben gezorgd dat [eiser] een verkeerd beeld kreeg over de auto en over het onderhoud daaraan. Ook nadat [eiser] hen vragen stelde over de auto, hebben zij dat verkeerde beeld bewust in stand gehouden. Daarom is sprake van bedrog en dat is onrechtmatig. [gedaagden] zijn aansprakelijk voor de schade die [eiser] door hun bedrog heeft geleden. De schade is gelijk aan de aanschafprijs van de auto, en bestaat uit kosten die [eiser] al heeft gemaakt om de auto te repareren en uit kosten die hij nog moet maken.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [gedaagde 2] . was tot 19 mei 2025 eigenaar van een Volkswagen Golf (hierna: de auto). Ook [gedaagde 1] . gebruikte de auto. [gedaagde 2] . heeft [gedaagde 1] . gevraagd de auto voor hem te verkopen, waarna [gedaagde 1] . de auto te koop heeft aangeboden. [gedaagde 1] . werkt als automonteur.\n\n3.2. Op 19 mei 2025 heeft [eiser] de auto van [gedaagde 2] . gekocht. Hij heeft er € 4.900,00 voor betaald. Tijdens het aankooptraject had [eiser] voornamelijk contact met [gedaagde 1] . [gedaagden] hebben [eiser] bij de auto een boekje gegeven (hierna: het onderhoudsboekje). In het onderhoudsboekje staat dat onderhoud heeft plaatsgevonden aan de auto en dat dit onderhoud is verricht door [garage 1] (hierna: [garage 1] ). Daarbij staan stempels van [garage 1] , met een dealercode van Volkswagen en de vermelding dat [garage 1] “Volkswagen Partner” is.\n\n3.3. Op 5 juni 2025 bracht [eiser] de auto naar [garage 2] B.V. (hierna: [garage 2] ), nadat hij problemen had met de auto. [garage 2] is een officiële partner van Volkswagen, net als [garage 1] . [garage 2] maakte een analyserapport op van de auto. In dit rapport constateert [garage 2] dat de pendelsteunbouten van de motor van de auto zijn losgekomen en dat daardoor verdere motorschade is veroorzaakt. Volgens [garage 2] moeten beide steunbouten worden vernieuwd en moeten er nieuwe onderdelen worden gemonteerd. Voor de analyse betaalde [eiser] € 2.294,20 aan [garage 2] . Op 24 juli 2025 heeft [garage 2] een bedrag van € 1.254,28 in rekening gebracht voor het monteren van een nieuwe koppeling in de auto. Op de factuur is door [garage 2] vermeld dat de verdere vervangwerkzaamheden zijn gestaakt, omdat na het loshalen van de oude delen bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Door [garage 3] B.V. (hierna: [garage 3] ) is een offerte opgemaakt voor het herstellen van de motor van de auto. [garage 3] verwacht dat dit tussen de € 4.000 en € 5.000 zal kosten.\n\n3.4. Na het bezoek aan [garage 2] probeerde [eiser] via WhatsApp contact op te nemen met [gedaagde 1] . Dat lukte niet, omdat [gedaagde 1] . ervoor had gezorgd dat [eiser] hem geen berichten meer kon sturen via WhatsApp. [eiser] stuurde daarom op 6 juni 2025 een email aan [gedaagde 2] .:\n\n“Ik stuur je deze mail omdat ik vragen had over de GTI die ik van uw zoon heb gekocht. Ik heb geprobeerd hem te bereiken alleen het lijkt alsof hij mij geblokkeerd heeft.\n\nDe auto moest namelijk langs de garage en het bleek dat de motor steunbout niet goed is aangelegd waardoor de motor is losgekomen. Mijn vraag was of uw zoon naar de garage is geweest in de tijd van bezit en dat ze daar met de motor bezig zijn geweest. Het is namelijk een menselijke fout geweest, de bout is namelijk onmogelijk om uit zichzelf los te komen.(…)\n\nIk neem het jullie zeker niet kwalijk maar graag heb ik de informatie van de garage zodat ik daar achter aan kan gaan.”\n\n3.5. Op 12 juni 2025 reageerde [gedaagde 1] . op de email. Volgens [gedaagde 1] . zijn de pendelsteunbouten niet los geweest in de periode dat hij de auto in zijn bezit had. Volgens hem was het ook niet aannemelijk dat de bouten al los zaten in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Volgens [gedaagde 1] . zouden de bouten kunnen zijn losgetrild in de periode na de verkoop aan [eiser] :\n\n“Wat betreft de bout van de motorsteun, er is nooit wat los geweest in verhouden met de motorsteunen sinds de auto in mijn bezit was, het zou kunnen dat het bedrijf waar ik hem van heb gekocht ooit iets los heeft gehad maar dit zou dan al 30.000km of meer geleden moeten zijn dus het lijkt mij niet dat het door hun komt. Het zou kunnen dat er een bout is losgetrild naarmate er meer met de auto werd gereden en dat jij het pech hebt gehad. Het is eenmaal een 20 jaar oude auto met veel vermogen dus er gaat wel is wat mis natuurlijk(…).”\n\n3.6. Op 13 juni 2025 reageerde [eiser] :\n\n“Nog een vraagje, was er iets met de koppeling? Had een sport koppel? Of hij was vervangen? Soms schakelt hij namelijk ff moeilijk, weet niet of jij daar ook soms last van had, laat het me maar weten!”\n\n3.7. \n [gedaagde 1] . reageerde op 13 juni 2025 als volgt:\n\n“Wat betreft de koppeling, de koppeling is rond de 135.000km vervangen toen ik hem net in een paar weken in mij bezit had. Maar ik denk dat dat ook niks te maken heeft met het lastig schakelen want dat is al een best aantal km geleden.”\n\n3.8. \n [eiser] ontdekte via [garage 2] dat in de systemen van Volkswagen geen onderhoud stond geregistreerd voor de auto. Dit betekent dat aan de auto geen onderhoud is uitgevoerd door een officiële partner van Volkswagen. Volgens [garage 2] was het door [gedaagde 1] . verstrekte onderhoudsboekje geen origineel onderhoudsboekje.\n\n3.9. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde 1] . met een brief van 19 augustus 2025 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 4.900, vanwege de door de losse pendelsteunbouten veroorzaakte problemen. [gedaagde 1] . reageerde met een email van 26 augustus 2025 en stelde zich op het standpunt dat eventuele gebreken aan de auto hem niet konden worden toegerekend en dat hij de schade niet zou betalen.\n\n3.10. Namens [eiser] is vervolgens contact gezocht het [garage 1] , omdat de stempels van [garage 1] in het onderhoudsboekje staan, maar er geen onderhoudsbeurten staan geregistreerd in het systeem van Volkswagen. [garage 1] verklaarde dat van de auto niets te vinden is in de systemen van [garage 1] . Volgens [garage 1] werkte [gedaagde 1] . ten tijde van het zetten van de stempels bij haar. [garage 1] nam aan dat [gedaagde 1] . eigenhandig de boekjes heeft ingevuld en daarbij de stempels van [garage 1] heeft gebruikt. Volgens [garage 1] zou [gedaagde 1] . op staande voet zijn ontslagen als [garage 1] dit had ontdekt tijdens het dienstverband.\n\n3.11. De advocaat van [eiser] nam naar aanleiding van het bericht van [garage 1] opnieuw contact op met [gedaagde 1] . In zijn brief van 15 september 2025 staat onder meer het volgende:\n\n“Het bovenstaande betekent dat u de onderhoudsstempels plaatste, dan wel liet plaatsen, terwijl u wist dat de garage geen onderhoud uitvoerde aan de auto. U liet het voorkomen alsof een betrouwbare garage onderhoud uitvoerde aan de auto, terwijl u wist dat dit niet zo was. Hiermee handelde u onrechtmatig tegenover cliënt (artikel 6:162 BW). Cliënt ging uit van de juistheid van het onderhoudsboekje. Met opzet gebruikte u de stempels van [garage 1] , terwijl u daartoe niet bevoegd was. Hierdoor lijdt cliënt schade. Cliënt zou de auto niet hebben gekocht als u deze stempels niet ten onrechte gebruikte. Cliënt zou bovendien geen geld aan reparaties hebben uitgegeven, als hij wist dat u de stempels ten onrechte zette, terwijl u daartoe niet bevoegd was.\n\n3.12. Een inhoudelijke reactie bleef uit. Op 25 september 2025 stuurde de advocaat van [eiser] een brief aan [gedaagde 2] . Volgens [eiser] was ook hij aansprakelijk, omdat hij [gedaagde 1] . had ingeschakeld als hulppersoon. Op 27 oktober 2025 reageerde de gemachtigde van [gedaagde 2] . Hij concludeerde dat [gedaagde 2] . een goedwerkende auto heeft verkocht en dat [eiser] zou hebben verzuimd om de gestelde gebreken te bewijzen. [eiser] is vervolgens deze procedure gestart.\n\n4. Het geschil\n\n4.1. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 4.900,00, vermeerderd met rente en kosten. Volgens [eiser] zijn [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk, omdat [gedaagden] bedrog hebben gepleegd bij de verkoop van de auto. Het bedrog bestond volgens [eiser] uit het bewust geven van een onjuiste voorstelling van zaken over de onderhoudshistorie van de auto. Door dit onjuiste beeld heeft [eiser] niet alleen de auto gekocht, maar heeft hij ook zelf kosten gemaakt die hij niet gemaakt zou hebben als hij had geweten dat de auto niet door een officiële dealer zou zijn onderhouden. Zijn schade bestaat uit de gemaakte kosten en een deel van de nog te maken kosten om de auto te herstellen. Subsidiair baseert [eiser] zijn vordering op [gedaagde 2] . op ongerechtvaardigde verrijking. Volgens hem zou de door [gedaagde 2] . verkochte auto in werkelijkheid € 0,00 waard zijn en is [gedaagde 2] . daarom ten onrechte met € 4.900,00 verrijkt.\n\n4.2. \n [gedaagden] voeren verweer. [gedaagde 1] . concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , omdat hij niet de verkoper zou zijn en niet betrokken was bij de verkoop van de auto. [gedaagden] vinden daarnaast dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat geen sprake is van bedrog. Volgens [gedaagden] wisten zij niet van de gebreken. [gedaagden] betwisten dat bij de verkoop door hen is aangegeven dat de auto door een erkende dealer is onderhouden. Volgens [gedaagden] zijn alle stempels in het onderhoudsboekje rechtmatig gezet. Ook betwisten zij dat de schade is veroorzaakt door het gestelde bedrog. Zij wijzen er verder op dat zij niet in gebreke zijn gesteld. [gedaagde 2] . betwist ten aanzien van de ongerechtvaardigde verrijking dat de auto in werkelijkheid € 0,00 waard was.\n\n4.3. Voor zover nodig worden de stellingen van partijen hierna verder besproken.\n\n5. De beoordeling\n\nOpmerkingen vooraf\n\n5.1. Het komt vaker voor dat een koper van een auto meent dat de auto niet doet wat deze zou moeten doen. Meestal kiest de koper ervoor om de verkoper in gebreke te stellen en daarna de koopovereenkomst te ontbinden, of om vervangende schadevergoeding te vorderen. In die gevallen is vereist dat de koper aantoont dat de auto niet doet wat de koper daarvan mocht verwachten, en dat verkoper de kans heeft gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Deze zaak is echter anders dan de meeste gevallen. [eiser] baseert zijn vordering op een door [gedaagden] gepleegde onrechtmatige daad. Voor deze vordering is niet vereist dat [gedaagden] de mogelijkheid hebben gekregen om de auto zelf te (laten) herstellen. Voldoende is dat komt vast te staan dat er sprake is van bedrog en dat [eiser] door dat bedrog schade heeft geleden. Het is aan [eiser] om dit te stellen en te onderbouwen. In het vonnis komen deze twee hoofdvragen aan de orde.\n\n5.2. Het voorgaande betekent dat de standpunten van [gedaagden] over de staat van de auto bij de levering en het verzuim niet relevant zijn voor deze procedure. Datzelfde geldt voor het beroep op niet-ontvankelijkheid. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde 1] . bedoelt dat [eiser] geen vordering op hem kan hebben en dat de vordering dus moet worden afgewezen. In de conclusie van antwoord betoogt [gedaagde 1] . stellig dat hij in het geheel niet betrokken was bij de verkoop, ook niet als aanspreekpunt. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat dit niet waar is. [gedaagde 1] . heeft de advertentie geplaatst en met [eiser] gecommuniceerd over de verkoop. [gedaagde 1] . was dus weldegelijk betrokken bij de verkoop en het mogelijke bedrog. De kantonrechter zal daarom beoordelen of [gedaagde 1] ., samen met [gedaagde 2] ., aansprakelijk is.\n\nDe eerste hoofdvraag: is er sprake van bedrog door [gedaagden] ?\n\n5.3. Artikel 6:162 BW bepaalt dat iemand die een onrechtmatige daad pleegt, die hem kan worden toegerekend, de schade moet vergoeden die een ander daardoor lijdt. Het plegen van bedrog is onrechtmatig en kan worden toegerekend aan degene die dat bedrog pleegt, of aan degenen die dat samen doen (artikel 6:166 BW). Van bedrog is sprake als een verkoper een onjuist beeld van een auto schetst of laat bestaan, terwijl de verkoper weet dat dit beeld niet klopt, op een punt dat voor de koper van belang is.\n\nDe stempels in het onderhoudsboekje\n\n5.4. \n [gedaagden] hebben bij de verkoop van de auto het onderhoudsboekje meegegeven aan [eiser] . Zij hebben met [eiser] ook de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij niet verteld dat [gedaagde 1] . het onderhoud zelf heeft uitgevoerd en de stempels zelf heeft gezet.\n\n5.5. Op 19 augustus 2025 confronteerde [eiser] hen met de constatering van [garage 2] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. In zijn reactie van 27 oktober 2025 betwistte de advocaat van [gedaagden] dat de auto niet bij een officiële dealer was onderhouden. Volgens [gedaagden] was “de onderhoud in goede orde” uitgevoerd. Als reactie op de verklaring van [garage 1] over de ten onrechte gezette stempels, merkten [gedaagden] op dat uit de verklaring niet bleek dat het onderhoud niet zou zijn uitgevoerd. Ook zou er niet uit blijken dat de stempels ten onrechte waren gezet. In de correspondentie tussen partijen hebben [gedaagden] dus, ook na vragen van [eiser] , het beeld laten bestaan dat de auto door [garage 1] was onderhouden.\n\n5.6. In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] erkend dat [gedaagde 1] . de stempels zelf heeft gezet, toen hij in het kader van zijn BBL-opleiding bij [garage 1] werkte. Volgens [gedaagden] mocht [gedaagde 1] . tijdens zijn dienstverband “onder begeleiding” van [garage 1] werkzaamheden verrichten aan auto’s. Volgens hen heeft hij ook werkzaamheden verricht aan de auto en dit als zodanig aangegeven in het onderhoudsboekje. Volgens [gedaagden] is dus “op geen enkele wijze onrechtmatig omgegaan met enige stempels van [garage 1].” In de conclusie van antwoord hebben [gedaagden] weliswaar erkend dat de stempels niet door [garage 1] waren gezet, maar hebben zij het beeld laten bestaan dat de stempels met recht waren gezet omdat de werkzaamheden waren uitgevoerd onder begeleiding van [garage 1] .\n\n5.7. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . verklaard dat hij als leerling-monteur dergelijke stempels mocht zetten, maar alleen als de werkzaamheden werden gecontroleerd door [garage 1] en in het systeem werden ingevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1] . erkend dat de werkzaamheden aan de auto niet waren besproken met een monteur van [garage 1] , niet waren ingevoerd in het systeem van [garage 1] en dat hij de stempels dus niet had mogen zetten. Toen [gedaagde 1] . daarnaar werd gevraagd, antwoordde hij dat hij de stempels in het onderhoudsboekje heeft gezet en het onderhoudsboekje heeft meegegeven om een koper van de auto te laten zien dat het onderhoud “op de juiste manier” was uitgevoerd.\n\n5.8. De kantonrechter constateert dat de verklaringen van [gedaagden] over het onderhoudsboekje steeds zijn opgeschoven, naarmate [gedaagden] werden geconfronteerd met meer bewijsmiddelen of lastigere vragen. [gedaagden] hebben [eiser] – en in mindere mate ook de kantonrechter – dus op meerdere moment onjuist voorgelicht en een onjuist beeld laten bestaan. [gedaagden] wisten dat de onderhoudshistorie van belang was. Zij hebben deze immers met [eiser] besproken. Bovendien heeft [gedaagde 1] . de stempels gezet om over de historie een positief beeld te schetsen.\n\nDe gebreken aan de auto\n\n5.9. Bij de verkoop is de onderhoudshistorie van de auto besproken. [gedaagden] hebben daarbij geen melding gemaakt van een lastig schakelende auto en een vervangen koppeling. Dit staat ook niet in het onderhoudsboekje.\n\n5.10. Nadat was geconstateerd dat de steunbouten van de motor waren losgekomen, heeft [eiser] met een email van 6 juni 2025 expliciet aan [gedaagden] gevraagd of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode dat [gedaagde 2] . de auto in zijn bezit had. Uit de email van [eiser] blijkt dat hij ervan uitging dat er een fout was gemaakt door de garage en niet door [gedaagden] zelf. Aanvankelijk heeft [gedaagde 1] . het contact met [eiser] ontweken. Uiteindelijk heeft [gedaagde 2] . de contactpoging van [eiser] doorgestuurd naar [gedaagde 1] . en hem de vragen laten beantwoorden. [gedaagde 1] . heeft op 12 juni 2025 eerst ontkend dat de steunbouten los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Hij heeft daarnaast aangegeven dat het niet aannemelijk is dat de vorige eigenaar dit heeft gedaan. [gedaagde 1] . hield [eiser] daarom voor dat de steunbouten zijn losgeraakt na de verkoop aan [eiser] , door het trillen van de motor. Later, op 13 juni 2025, verklaarde [gedaagde 1] . echter dat hij zelf de koppeling van de auto heeft vervangen, omdat de auto zwaar schakelde. Het staat tussen partijen vast – [eiser] heeft het gesteld en [gedaagden] hebben het niet weersproken – dat de koppeling van de auto niet kan worden vervangen zonder de steunbouten los te maken. Dit betekent dat [gedaagde 1] . de steunbouten weldegelijk moet hebben losgedraaid in de periode dat zijn vader de auto in eigendom had.\n\n5.11. De kantonrechter constateert dat opnieuw sprake is van verschuivende verklaringen. [gedaagden] hebben bij de verkoop niet meegedeeld dat de koppeling is vervangen omdat de auto zwaar schakelde. Ook heeft [gedaagde 1] . aan [eiser] onjuiste informatie gegeven toen hij vroeg of de steunbouten van de auto los zijn geweest in de periode voor de verkoop. Uit de vragen van [eiser] hadden [gedaagden] moeten begrijpen dat het voor [eiser] belangrijk was om te weten of de steunbouten los zijn geweest en wie dat dan had gedaan. Desondanks hebben [gedaagden] het beeld laten bestaan dat de auto nooit zwaar heeft geschakeld toen zij hem in bezit hadden en dat de steunbouten nooit zijn losgedraaid en daarom alleen konden zijn losgetrild na de aankoop door [eiser] .\n\nTussenconclusie bedrog\n\n5.12. Hetgeen hiervoor besproken is over het onderhoudsboekje en de gebreken aan de auto leidt tot de volgende conclusie. Het onderhoud aan de auto en het onderhoudsboekje zijn voor een potentiële koper van een auto van belang. [gedaagden] wisten dat dit ook gold voor [eiser] . [gedaagden] hebben echter op meerdere momenten onjuiste mededelingen gedaan en bewust een onjuist beeld geschetst van de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Op meerdere momenten hebben [gedaagden] de mogelijkheid gekregen om het onjuiste beeld bij te stellen en open kaart te spelen: bijvoorbeeld nadat [eiser] hen confronteerde met de bevindingen van [garage 2] en [garage 1] over het onderhoudsboekje, maar ook bij het nemen van de conclusie van antwoord. Zij hebben er echter meermaals voor gekozen om standpunten in te nemen die in strijd waren met de waarheid, om het door hen gecreëerde onjuiste beeld in stand te houden. De kantonrechter oordeelt daarom dat sprake is van bedrog door [gedaagden]\n\nDe tweede hoofdvraag: voor welke schade zijn [gedaagden] aansprakelijk?\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.13. \n [gedaagden] hebben gezamenlijk onrechtmatig gehandeld tegen [eiser] , door hem te bedriegen rond de aanschaf van de auto. Dit hebben zij samen gedaan, door het verkopen van een auto waarover een onjuist beeld was gecreëerd en door het in stand houden van dat beeld. Dit onrechtmatig handelen valt hen beiden toe te rekenen. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden. Dit betekent dat [eiser] zowel [gedaagde 2] . als [gedaagde 1] . kan aanspreken voor het volledige schadebedrag, in totaal tot een maximum van de volledige schade. Het is dan aan [gedaagden] om onderling uit te maken wie welk deel van de schade draagt.\n\nStandpunten van partijen over de schade\n\n5.14. Volgens [eiser] heeft hij € 4.900,00 aan schade geleden. Volgens [eiser] heeft deze schade kunnen ontstaan doordat [gedaagden] hem onjuist hebben voorgelicht en dat onjuiste beeld vervolgens hebben laten bestaan toen hij hen aansprak over de problemen met de auto. Als zij wel eerlijk waren geweest, had [eiser] de auto niet gekocht, of zou hij niet zelf hebben geprobeerd de auto te laten repareren en zou hij hebben gekozen voor een ingebrekestelling en een ontbinding, zo begrijpt de kantonrechter uit de door [eiser] tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting. [gedaagden] betwisten dat uit de door [eiser] overgelegde facturen en offertes voldoende duidelijk volgt dat [eiser] meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moest en moet maken. Ook betogen zij dat er geen sprake is van relativiteit. Daarmee bedoelen zij dat de door [gedaagden] geschonden norm niet bedoeld is om de door [eiser] gestelde schade te voorkomen.\n\n5.15. De kantonrechter ziet dat anders. De maatschappelijke en juridische norm om de ander niet te bedriegen bij en na het aangaan van een koopovereenkomst is bij uitstek bedoeld om te voorkomen dat de ander wordt benadeeld. Nu vaststaat dat [eiser] door het bedrog van [gedaagden] schade heeft geleden, komt de kantonrechter toe aan het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding.\n\nDe toe te wijzen schadevergoeding\n\n5.16. Voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding moet een vergelijking worden gemaakt tussen de huidige situatie van [eiser] en de situatie zonder het onrechtmatig handelen. De vordering van [eiser] van in totaal € 4.900,00 bestaat in dat opzicht uit twee delen. Het eerste deel bestaat uit kosten die al daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat zijn de door [eiser] betaalde facturen van [garage 2] van in totaal (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48. Het tweede deel van de vordering bestaat uit kosten die nog niet zijn gemaakt. Dit gaat over het restantbedrag van (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52. [eiser] vordert dit bedrag omdat hij voor tenminste dit bedrag nog reparaties moet laten uitvoeren om de gevolgen van het onrechtmatig handelen te compenseren.\n\n5.17. Door [eiser] is voldoende gemotiveerd gesteld dat hij aan [garage 2] een bedrag van (€ 2.294,20 + € 1.254,28 =) € 3.548,48 heeft betaald voor de diagnose en de eerste reparatie aan de auto. [eiser] heeft dit bedrag onderbouwd met facturen, bonnetjes en een diagnoserapport. [gedaagden] hebben in het licht van deze onderbouwing onvoldoende gemotiveerd betwist dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. [eiser] heeft voldoende toegelicht dat hij deze kosten niet zou hebben gemaakt als hij juist was voorgelicht over de auto, het onderhoud en het onderhoudsboekje. Of hij de auto bij een juiste voorstelling van zaken helemaal niet gekocht had, of de auto wel had gekocht maar dit onderhoud niet zou hebben laten uitvoeren, of [gedaagden] meteen in gebreke had gesteld, kan in het midden blijven. In alle gevallen zou hij, zonder het onjuiste beeld over de auto, de nu gemaakte kosten immers niet hebben gemaakt. De kantonrechter zal dit bedrag dus toewijzen.\n\n5.18. Dan resteert de vraag of [eiser] ook voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat hij nog minimaal (€ 4.900,00 – 3.548,48 =) € 1.351,52 aan kosten moet maken om de auto te herstellen. Volgens [eiser] blijkt uit de door hem overgelegde bewijsmiddelen – de twee facturen van [garage 2] , het rapport van [garage 2] en de offerte van [garage 3] – voldoende dat hij in totaal meer dan € 4.900,00 aan reparatiekosten moet maken. Volgens [gedaagden] mag de kantonrechter geen waarde hechten aan de offerte en de facturen, omdat deze derde partijen geen onafhankelijke deskundige zijn en er zelf belang bij hebben om geld te verdienen. De kantonrechter overweegt dat hun winstoogmerk er niet aan afdoet dat deze partijen een objectieve inschatting kunnen maken van wat het hen zou kosten om de auto verder te repareren. Een commerciële partij, die opereert in een markt met voldoende concurrentie, heeft er ook geen belang bij om een veel te hoge inschatting te geven. Bovendien is ook de winstmarge die commerciële partijen rekenen onderdeel van de schade die voor vergoeding in aanmerking komt. De kantonrechter zal de schadeberekening dus baseren op deze bewijsmiddelen.\n\n5.19. \n [gedaagden] hebben verder aangevoerd dat bij de reparatie mogelijk nieuwe onderdelen worden “gebruikt waardoor er sprake is van een waardevermindering en gedaagde partij een beroep toekomt op een aftrek vanwege nieuw – oud vanwege de technische verbeteringen die deze facturen behelzen”. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagden] bedoelen dat mogelijk sprake is van een waardeverméérdering door de reparaties. Voor zover [gedaagden] een beroep willen doen voordeelstoerekening (artikel 6:100 BW) is het aan hen om te onderbouwen hoe het door [eiser] genoten voordeel er dan uitziet. Dat hebben zij niet gedaan. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de motor moet worden verwijderd en weer moet worden teruggeplaatst om de reparatie uit te voeren en dat dit om die reden de naam ‘motorrevisie’ heeft gekregen. In het licht van deze uitleg en betwisting door [eiser] van de waardevermeerdering hebben [gedaagden] onvoldoende gesteld voor hun beroep op voordeelstoerekening.\n\n5.20. \n [eiser] heeft onweersproken gesteld dat het een ingrijpende ingreep is om de pendelsteunbouten te vernieuwen en de schade te herstellen die is ontstaan doordat de pendelbouten loszaten. Dat blijkt ook uit de factuur van [garage 2] en de offerte van [garage 3] . Op de factuur van [garage 2] van € 1.254,28 staat immers dat [garage 2] de werkzaamheden heeft afgebroken omdat bleek dat er meer inwendige schade aan de auto was dan vooraf zichtbaar was. Daaruit leidt de kantonrechter af dat [garage 2] verwachtte dat er nog substantiële aanvullende kosten gemaakt moeten worden, méér dan de al in rekening gebrachte kosten van € 1.254,28. De offerte van [garage 3] van € 4.000,00 – € 5.000,00 laat weliswaar enige ruimte voor de hoogte van de kosten, maar de onderkant van de bandbreedte zit ruim boven de € 1.351,52. De kantonrechter oordeelt daarom dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog tenminste € 1.351,52 aan reparatiekosten moet maken, naast de al betaalde € 3.548,48. De kantonrechter zal dit bedrag van € 1.351,52 daarom toewijzen.\n\nTussenconclusie schadebedrag\n\n5.21. De kantonrechter zal [gedaagden] hoofdelijk veroordelen om aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van in totaal € 4.900,00.\n\nWettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten\n\n5.22. \n [eiser] heeft gevorderd dat [gedaagden] worden veroordeeld hem de wettelijke rente te betalen over de schadevergoeding, te berekenen vanaf 19 mei 2025. [gedaagden] hebben geen onderbouwd verweer gevoerd tegen de toepasselijkheid van de wettelijke rente. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen, en wel als volgt. De rente op de schadevergoeding voor de betaalde facturen gaat lopen vanaf het moment dat [eiser] de bedragen heeft betaald aan [garage 2] : vanaf 6 juni 2025 voor het bedrag van € 2.294,20 en vanaf 24 juli 2025 voor het bedrag van € 1.254,28. Het schadebedrag van € 1.351,52 is weliswaar nog niet betaald, maar wel ontstaan vanaf het moment van de onrechtmatige daad. Dit betekent dat de wettelijke rente wordt berekend per het moment waarop de auto werd gekocht, op 19 mei 2025.5.23. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De advocaat van [eiser] heeft meerdere pogingen gedaan om [gedaagden] te bewegen tot betaling over te gaan. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Daarom zal een bedrag van € 615,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.\n\n5.24. \n [gedaagde 2] . en jr. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zullen [gedaagden] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n90,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n954,00\n\n5.25. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, over\n\n€ 1.351,52 vanaf 19 mei 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 2.294,20 vanaf 6 juni 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n€ 1.254,28 vanaf 24 juli 2025 tot aan de dag van volledige betaling\n\n6.2. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 615,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,\n\n6.3. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk in de proceskosten van € 954,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n6.4. veroordeelt [gedaagde 2] . en jr. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3802","ecli-nl-rbove-2026-3802",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":77,"ecli":78,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":79,"language":7,"source":17,"sourceUrl":80,"summary":14,"slug":81,"metadata":82},"1667","ECLI:NL:RBOVE:2026:3803","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam kanton en handelsrecht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer : 12259672 \\ EJ VERZ 26-101\n\nBeschikking van de kantonrechter van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nmr. [verzoekster], kandidaat-notaris, kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,\n\nverzoekster,\n\nzelfstandig procederende\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nverweerder sub 1,\n\n2. [verweerder 2]wonende te [woonplaats 2] ,\n\nverweerder sub 2,\n\n3. [verweerder 3] ,wonende te [woonplaats 3] ,\n\nverweerder sub 3,\n\n4. [verweerder 4], wonende te [woonplaats 4] ,\n\nverweerder sub 4,\n\n5. [verweerder 5], wonende te [woonplaats 5] ,\n\nverweerster sub 5,\n\n6. [verweerder 6], wonende te [woonplaats 6] ,\n\nverweerster sub 6,\n\nhierna ook wel samen te noemen: verweerders.\n\nVerzoekster heeft het verzoek gedaan in haar hoedanigheid van belanghebbende in de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], overleden op [overlijdensdatum] 2025, laatst wonende te [woonplaats 7] .\n\n1. De procedure1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van het op 1 juni 2026 ter griffie ingekomen verzoekschrift ingevolge artikel 4:192 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) inzake de nalatenschap van mevrouw [erflaatster], overleden op [overlijdensdatum] 2025, laatst wonende te [woonplaats 7] , hierna te noemen erflaatster.\n\n2. De feiten2.1. Erflaatster heeft blijkens het uittreksel uit het Centraal Testamentenregister geen testament gemaakt.\n\n2.2. Bij brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 heeft verzoekster de erfgenamen verzocht om een keuze te maken omtrent de nalatenschap.\n\n3. Het verzoek en de beoordeling3.1. Verzoekster verzoekt de kantonrechter om een termijn te stellen aan de erfgenamen om een keuze te maken inzake de nalatenschap van erflaatster. Verzoekster verzoekt de kantonrechter de proceskosten ten laste van de nalatenschap te brengen van de nalatenschap.\n\n3.2. \n\nIn het verzoekschrift staat vermeld dat de erfgenamen niet hebben gereageerd op de brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 en zij, ondanks de brieven van 9 maart 2026 en 20 april 2026 van verzoekster) nog geen keuze hebben gemaakt of zij de nalatenschap van erflaatster verwerpen of (zuiver dan wel beneficiair) aanvaarden.\n\nVerzoekster merkt op dat de nalatenschap van erflaatster moet worden afgewikkeld en dat zij als notaris belast is met deze taak.\n\n3.3. Het verzoek strekt ertoe om elk van de verweerders voornoemd als wettelijk erfgenamen van [erflaatster] voornoemd een termijn te stellen waarbinnen zij zich moeten uitlaten omtrent het verwerpen dan wel zuiver of onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarden van de nalatenschap.\n\n3.4. De kantonrechter overweegt dat verzoekster een belang heeft bij afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Als notaris is zij belast met de afwikkeling van de nalatenschap. Erflaatster is overleden op [overlijdensdatum] 2025. Geen van de verweerders heeft kennelijk een keuze uitgebracht.\n\n3.5. Overwogen wordt dat, gezien hetgeen door verzoekster naar voren is gebracht, er voldoende grond is om verweerders een termijn te stellen waarbinnen zij zich dienen uit te laten over aanvaarding en de wijze van aanvaarding dan wel verwerping van de nalatenschap.\n\n3.6. Van feiten of omstandigheden die zich tegen inwilliging van het verzoek verzetten, is niet gebleken. De kantonrechter acht het redelijk de termijn te stellen op acht weken, ingaande op de dag nadat verzoekster deze beschikking aan verweerders heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister.\n\n3.7. De kantonrechter wijst erop dat indien verweerders deze termijn van acht weken laten verlopen zonder inmiddels een keuze te hebben gedaan, zij geacht worden de nalatenschap zuiver te aanvaarden (artikel 4:192 lid 3 BW)\n\nKosten\n\n3.8. Volgens vaste jurisprudentie is het uitgangspunt dat de kosten wegens handelingen die objectief noodzakelijk zijn bij de afwikkeling van een nalatenschap en die verricht worden ten behoeve van een algemeen belang, en dus niet ten behoeve van het individuele belang van een erfgenaam, als kosten in de zin van artikel 4:7 lid 1 aanhef en onder sub c BW kunnen worden aangemerkt.\n\n3.9. De kantonrechter oordeelt dat de kosten van deze procedure kunnen worden aangemerkt als kosten die noodzakelijk zijn voor de afwikkeling van de nalatenschap en zal daarom het verzoek om de proceskosten ten laste te brengen van de nalatenschap toewijzen als hierna te formuleren.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:4.1. stelt [verweerder 1] , [verweerder 2] , [verweerder 3] , [verweerder 4] , [verweerder 5] en [verweerder 6] een termijn van acht weken voor het maken van een keuze ter zake het wel of niet aanvaarden van de nalatenschap en in geval van aanvaarding de manier waarop die aanvaarding plaatsvindt, welke termijn ingaat op de dag nadat verzoekster deze beschikking aan elk van de verweerders voornoemd heeft doen betekenen en de beschikking onder vermelding van de gedane betekening heeft doen inschrijven in het boedelregister;\n\n4.2. bepaalt dat de kosten van de onderhavige procedure ten laste van de nalatenschap van erflaatster mogen worden gebracht;\n\n4.3. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A. Smedes, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n(JHd(O)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3803","ecli-nl-rbove-2026-3803",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":84,"ecli":85,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":87,"language":7,"source":17,"sourceUrl":88,"summary":14,"slug":89,"metadata":90},"1088","ECLI:NL:RBOVE:2026:3766","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F347481 \u002F HA RK 26-54\n\nBeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [partij A.1] ,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nverzoekster sub 1, verweerster sub 1 in het tegenverzoek, hierna ook wel te noemen: [partij A.1] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters, te Deventer,2. 2. [partij A.2] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nverzoeker sub 2, verweerder sub 1 in het tegenverzoek, hierna ook wel te noemen: [partij A.2] ,\n\nadvocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters, te Deventer,\n\ntegen\n\n [partij B],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\nhierna ook wel te noemen: [partij B] ,\n\nverweerder, verzoeker in het tegenverzoek,\n\nadvocaat: mr. L.B. Plantema-Volkers, te Zwolle,\n\nbelanghebbende:\n\n [belanghebbende],\n\nwonende te [woonplaats 4] ,\n\nhierna ook wel te noemen: [belanghebbende] , belanghebbende,\n\nvanwege de gelijkluidende familienaam worden partijen ook wel aangeduid met hun voornaam (roepnaam).\n\n1. De procedure\n\n1.1. Op 30 april 2026 is bij de rechtbank ingekomen het verzoekschrift van [partij A.1] en [partij A.2] om een vereffenaar te benoemen op grond van artikel 4:203 lid 1 onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW), met producties, en tevens het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).\n\n1.2. \n [partij B] heeft op 8 juni 2026 een verweerschrift en een zelfstandig (tegen)verzoek ingediend.\n\n1.3. De mondelinge behandeling is gehouden op 11 juni 2026. [partij A.1] en [partij A.2] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. [partij A.2] heeft de mondelinge behandeling via een online verbinding bijgewoond. [partij B] is verschenen bij zijn gemachtigde. [belanghebbende] is verschenen.\n\n1.4. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op [overlijdensdatum] is overleden [erflaatster] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927 (hierna: erflaatster). De laatste woonplaats van erflaatster was [woonplaats 5] .\n\n2.2. Partijen zijn kinderen en erfgenamen van erflaatster.\n\n2.3. In het testament van 5 juni 2020 heeft erflaatster beschikt over haar nalatenschap. Zij heeft [partij B] tot executeur van haar nalatenschap benoemd.\n\n2.4. \n [partij B] heeft op 18 juni 2025 de nalatenschap van erflaatster beneficiair aanvaard.\n\n2.5. Bij beschikking van 25 juli 2025 van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, zaaknummer 11705239 EJ VERZ 25-83, is [partij B] ontslagen als executeur en is mr. P.F. Schepel benoemd tot vervangende executeur.\n\n3. Het verzoek en het verweer met zelfstandig (tegen)verzoek\n\nHet verzoek van [partij A.1] en [partij A.2]\n\n3.1. \n [partij A.1] en [partij A.2] verzoeken de rechtbank op grond van artikel 4:203 lid 1 onder a Burgerlijk Wetboek (BW) bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, mr. P.F. Schepel , werkzaam bij JPR Advocaten te Deventer, te benoemen tot vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster.\n\n3.2. Daarnaast verzoeken zij bij wijze van voorlopige voorziening mr. P.F. Schepel te benoemen tot voorlopige vereffenaar.\n\n3.3. Aan het verzoek hebben [partij A.1] en [partij A.2] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Zij merken op dat door Schepel als executeur geen ruimschoots verklaring als bedoeld in artikel 202 lid 1 onder a BW kan worden afgegeven. Daarom moet de nalatenschap vereffend worden overeenkomstig de wet. Dit leidt er toe dat de taak van de executeur eindigt op grond van artikel 149 lid 1 onder d BW.\n\n3.4. \n\n [partij A.1] en [partij A.2] merken op dat Schepel diverse werkzaamheden heeft verricht zoals het verzamelen van informatie, bijvoorbeeld bij banken, het voeren van gesprekken met de vereffenaar van [bedrijf] B.V., en het beoordelen van de rechtsverhouding tussen de nalatenschap en [partij B] . Zij erkennen dat Schepel helaas twee schulden van de nalatenschap aanvankelijk over het hoofd heeft gezien en Schepel daardoor pas laat tot de conclusie kwam dat er geen ruimschoots verklaring kon worden afgegeven.\n\nOndanks het voorgaande heeft het de voorkeur van [partij A.1] en [partij A.2] dat Schepel wordt benoemd tot vereffenaar. Schepel is volledig ingevoerd in de zaak. Het benoemen van een andere vereffenaar zal veel extra tijd en kosten met zich mee brengen. Ook is Schepel advocaat en heeft het benoemen van een advocaat de voorkeur boven het benoemen van een notaris. Het is immers niet uitgesloten dat in de toekomst procedures gevoerd moeten worden. [partij A.1] en [partij A.2] wijzen er daarbij op dat de zaak al vele jaren loopt en er al veel procedures zijn gevoerd. Ook is Schepel gespecialiseerd in het erfrecht.\n\n3.5. \n [partij A.1] en [partij A.2] wijzen er op dat Schepel nog diverse werkzaamheden dient uit te voeren maar hij niet alle werkzaamheden kan uitvoeren wegens het eindigen van zijn taak als executeur. In het bijzonder dient de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] , te worden verkocht en geleverd.\n\n3.6. Daarom wordt verzocht om Schepel te benoemen tot (voorlopig) vereffenaar.\n\n3.7. Over de gevraagde voorlopige voorziening merken [partij A.1] en [partij A.2] op dat dit in iedere verzoekschriftenprocedure kan worden gevraagd. De voorlopige voorziening is nodig om binnen korte tijd over te kunnen gaan tot verkoop en levering van de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] .\n\nHet verweer met zelfstandig tegenverzoek van [partij B]\n\n3.8. \n [partij B] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.\n\n3.9. \n [partij B] merkt op dat Schepel meerdere steken heeft laten vallen in de uitvoering van zijn werkzaamheden als executeur en Schepel vooringenomen is met betrekking tot [partij B] . Schepel heeft de legaten aan de kleinkinderen over het hoofd gezien alsook de rente van 6% over de schuldig erkende bedragen. Daarnaast heeft Schepel te laat uitstel aangevraagd voor het doen van aangifte erfbelasting. De executeur heeft dit gedaan in januari 2026 terwijl dit in november 2025 had gemoeten.\n\n3.10. \n [partij B] heeft geen vertrouwen in Schepel als vereffenaar. [partij B] merkt verder op dat het merkwaardig is dat Schepel pas in maart 2026 verklaart dat hij geen ruimschoots verklaring kan afleggen. Het was al veel eerder bekend dat de nalatenschap negatief was. Ten slotte merkt [partij B] op dat Schepel van 13 juni tot en met 30 juli 2026 afwezig is en het niet in het belang is van de afwikkeling van de nalatenschap dat de werkzaamheden zo lang stil komen te liggen.\n\n3.11. \n [partij B] stelt in zijn (tegen)verzoek voor om mr. [notaris] , notaris te [vestigingsplaats] , als vereffenaar te benoemen die zich daartoe op 8 juni 2026 bereid heeft verklaard.\n\nHet standpunt van [belanghebbende]\n\n3.12. \n [belanghebbende] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij geen vertrouwen heeft in Schepel . Zij heeft lang moeten wachten op informatie van Schepel .\n\nHet verweer van [partij A.1] en [partij A.2] op het zelfstandig tegenverzoek van [partij B]\n\n3.13. \n [partij A.1] en [partij A.2] betwisten dat Schepel vooringenomen is. Vaststaat dat [partij B] is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en hij deze aan de boedel zal moeten vergoeden. Schepel heeft een opdracht verstrekt aan een makelaar om de woning te verkopen. De woning moet echter nog wel worden opgeruimd voordat de woning kan worden verkocht. Schepel hoeft enkel de makelaar nog opdracht te geven om verder te gaan met de verkoop. Dit kan ook tijdens de vakantie van Schepel .\n\n3.14. Indien een andere vereffenaar wordt benoemd zal deze zich moeten inlezen en dit zal tijd kosten en meer kosten met zich meebrengen. Zij erkennen dat Schepel niet tijdig uitstel heeft gevraagd voor aangifte erfbelasting. Dit uitstel is later wel gevraagd en ook verleend en heeft verder geen gevolgen. Ondanks de gemaakte fouten hebben zij vertrouwen in Schepel . Hij heeft de nodige competenties en is ingevoerd in de zaak.\n\n3.15. \n [partij A.1] en [partij A.2] hebben bezwaar tegen benoeming van [notaris] als vereffenaar.\n\n3.16. De door partijen aangedragen gronden zullen hierna worden besproken.\n\n4. De beoordeling\n\nHet verzoek in de bodemzaak\n\n4.1. De in artikel 4:206 lid 1 BW genoemde personen, voor zover bekend, zijn gehoord althans behoorlijk opgeroepen.\n\n4.2. Ter beoordeling staat of een vereffenaar moet worden benoemd. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is, omdat de erfgenamen niet in staat zijn om gezamenlijk de nalatenschap van erflaatster correct af te wikkelen. Het onderlinge vertrouwen tussen partijen is ernstig geschaad. Dit blijkt reeds uit de diverse procedures die partijen tegen elkaar hebben gevoerd. Het verzoek tot benoeming van een vereffenaar zal daarom worden toegewezen. Ter beoordeling staat aldus wie als vereffenaar moet worden benoemd.\n\n4.3. Mr. P.F. Schepel heeft zich bereid verklaard om als vereffenaar van de nalatenschap op te treden. Schepel is ingevoerd in het dossier en bereid om een benoeming tot vereffenaar te aanvaarden. De rechtbank overweegt dat zij geen doorslaggevende bezwaren aanwezig acht tegen benoeming van Schepel tot vereffenaar. Dat Schepel aanvankelijk twee schulden over het hoofd heeft gezien, maakt nog niet dat aan de kwaliteit van zijn werkzaamheden moet worden getwijfeld. Schepel heeft erkend dat hij een en ander pas in een laat stadium heeft onderkend en dat dit een fout betrof.\n\n4.4. \n\nDe rechter overweegt dat de fout te betreuren is, maar hier staat tegenover dat uit het dossier blijkt dat Schepel de afwikkeling van de nalatenschap naar behoren heeft verricht.\n\nSchepel heeft diverse werkzaamheden uitgevoerd. Bijvoorbeeld om inzicht in de nalatenschap te verkrijgen. Hiervoor was het noodzakelijk om ook gesprekken te voeren met de vereffenaar van [bedrijf] B.V. Hieruit kan niet worden afgeleid dat sprake is van verstrengeling of vooringenomenheid.\n\n4.5. Ook heeft Schepel onweersproken gesteld dat hij de gemachtigden van partijen steeds in de cc heeft meegenomen, hij alle erfgenamen heeft aangeschreven en hun daarbij in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren.\n\n4.6. Daarnaast is van belang dat het te laat vragen van uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting niet heeft geleid tot nadelige financiële gevolgen. Ook het ontbreken van vertrouwen van [partij B] en [belanghebbende] leidt niet tot de conclusie dat Schepel niet voor benoeming tot vereffenaar in aanmerking komt. Schepel heeft verklaard dat bij zijn werkzaamheden van executeur behoort het beoordelen van de rechtsverhouding tussen de nalatenschap en [partij B] . De rechter kan Schepel hierin volgen. Voor het overige zijn geen zaken aan het licht komen die wantrouwen rechtvaardigen. Bijvoorbeeld is er geen aanleiding om aan te nemen dat er een verstrengeling is van de onderhavige vereffening met de vereffening van [bedrijf] B.V. Schepel heeft aangevoerd dat het, gezien de opstelling van [partij B] tot nu toe, niet valt uit te sluiten dat er in de toekomst (weer) geprocedeerd moet gaan worden. Het ligt daarom meer voor de hand om een advocaat tot vereffenaar te benoemen, dan een notaris. De rechtbank kan Schepel en [partij A.1] en [partij A.2] op dit punt volgen. Wanneer er een notaris tot vereffenaar wordt benoemd, zal in het geval er geprocedeerd moet gaan worden een advocaat ingeschakeld moeten worden. Dit brengt dan extra tijd en kosten met zich mee.\n\n4.7. \n\nDe rechter komt tot de afweging dat de voortgang van de afwikkeling van de nalatenschap niet gebaat is bij de benoeming van een nieuwe vereffenaar die zich immers moet inlezen in de uitgebreide materie. Evenmin ligt het voor de hand om een notaris tot vereffenaar te benoemen. De gemaakte fouten die Schepel heeft gemaakt, zijn niet van dien aard dat getwijfeld moet worden aan de kwaliteit van de werkzaamheden van Schepel als vereffenaar. Daarbij is van belang dat Schepel concreet heeft aangegeven welke stappen hij binnen korte termijn gaat zetten. Bijvoorbeeld ten aanzien van de verkoop van de woning van erflaatster.\n\nDat twee van de erfgenamen hebben verklaard dat zij geen vertrouwen hebben in Schepel leidt niet tot een ander oordeel. Dit gelet op de stappen die Schepel inmiddels heeft genomen, de stappen die hij concreet heeft aangekondigd en het feit dat de andere erfgenamen wel vertrouwen hebben in Schepel als te benoemen vereffenaar.\n\n4.8. De rechter zal daarom met ingang van de datum van deze beschikking mr. P.F. Schepel benoemen tot vereffenaar. De vereffenaar zal daarbij onder meer de bevoegdheid hebben over te gaan tot verkoop en levering van de woning van erflaatster aan de [adres] [geboorteplaats] .\n\n4.9. De rechtbank ziet aanleiding om deze beschikking op de voet van artikel 288 Rv uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nHet zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n4.10. \n\nNu het verzoek van [partij A.1] en [partij A.2] wordt toegewezen zal het tegenverzoek van [partij B] worden afgewezen.\n\nProceskosten in het verzoek en zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n4.11. Omdat partijen familie van elkaar zijn zullen de proceskosten tussen hen worden verdeeld, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nIn de voorlopige voorziening artikel 223 Rv\n\n4.12. Nu in de bodemzaak en voorlopige voorziening gelijktijdig uitspraak wordt gedaan behoeft de voorlopige voorziening geen nadere beoordeling meer.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nIn het verzoek in de bodemzaak\n\n5.1. \n\nbenoemt mr. P.F. Schepel ,\n\nwerkzaam bij JPR advocaten te Deventer,\n\nkantoorhoudende te Mr. H.F. de Boerlaan 34 te 7417 DB Deventer,\n\ntot vereffenaar van de nalatenschap van:\n\n [erflaatster] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927,\n\nmet als laatste woonplaats [geboorteplaats] ,\n\noverleden op [overlijdensdatum] ,\n\n5.2. draagt de griffier op de benoeming van deze vereffenaar onverwijld in het boedelregister in te schrijven,\n\n5.3. draagt de vereffenaar op de benoeming bekend te maken in de (digitale) Staatscourant,\n\n5.4. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nIn het zelfstandig tegenverzoek in de bodemzaak\n\n5.6. wijst het verzoek af,\n\n5.7. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3766","ecli-nl-rbove-2026-3766",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":92,"ecli":93,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":94,"language":7,"source":17,"sourceUrl":95,"summary":14,"slug":96,"metadata":97},"1141","ECLI:NL:RBOVE:2026:3767","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F346399 \u002F HA RK 26-41\n\nBeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [woonplaats 1],\n\nverzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. de Ruiter-Oude Ophuis, te Almelo,\n\ntegen\n\n1. [verweerder 1] ,\n\nwonende te [woonplaats 2] , 2. [verweerder 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] , 3. [verweerder 3],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\nverweerders, hierna ook wel te noemen: [verweerders] .\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift.\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling is gehouden op 20 mei 2026 door middel van een\n\nhybride zitting waarbij [verzoeker] via een online verbinding is verschenen, bijgestaan door zijn\n\ngemachtigde die fysiek is verschenen. Daarnaast zijn fysiek verschenen [verweerder 1] en [verweerder 2] .\n\n1.3. De beschikking (na een kort uitstel) is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1. Op [sterfdatum] is mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) te [woonplaats 2] overleden. [verweerders] zijn broers van erflaatster.\n\n2.2. Erflaatster heeft bij testament van 23 mei 2018 een geldbedrag van € 40.000,00 gelegateerd aan haar twee neven [verzoeker] en [naam] , zonen van [verweerder 1] . [verzoeker] en [naam] zijn inmiddels meerderjarig.\n\nIn het testament is onder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” onder “1. Legaat” opgenomen:\n\n“Ik legateer, zonder bijberekening van rente en opeisbaar één jaar na mijn overlijden, een bedrag in geld ter grootte van veertigduizend euro (€ 40.000,00) aan [naam] en [verzoeker] , kinderen van mijn broer [verweerder 1] , ieder voor het deel als door de hierna\n\ngenoemde bewindvoerders te bepalen.\n\nDit legaat wordt hierna ook ‘het fonds genoemd.”\n\nEn onder “2. Fonds”:\n\n“Het fonds is bestemd om de hiervoor genoemde neven [naam] en [verzoeker] de gelegenheid\n\nte geven een studie te beginnen en te voorzien in de betaling van een deel van hun studiekosten.”\n\n2.3. Over dit legaat is testamentair bewind als bedoeld in artikel 4:153 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld.\n\nOnder “hoofdstuk 3. Geldlegaat” staat onder “3. Bewind” opgenomen:\n\n“Ik stel een bewind in over dat wat door mij aan ieder van de hiervoor onder 1. genoemde legatarissen is nagelaten of vermaakt. Het is een bewind in de zin van artikel 4:153 Burgerlijk Wetboek. Dit bewind stel ik in het belang van de rechthebbende.”\n\n2.4. Onder “3. Bewind” staat onder “b. Benoeming bewindvoerder”:\n\n“Ik benoem mijn broers [verweerder 2] , [verweerder 1] en [verweerder 3] , tot bewindvoerders.\n\nAls een van hen zijn benoeming niet aanvaardt of zijn hoedanigheid van bewindvoerder\n\neindigt, benoem ik in zijn plaats, mijn zus [zus] , tot (mede)bewindvoerder.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1. Het verzoek van [verzoeker] strekt, kort samengevat, primair tot opheffing van het testamentair bewind en subsidiair tot ontslag van de bewindvoerders.\n\n3.2. Daarnaast vordert [verzoeker] in zijn primaire verzoek om verweerders te veroordelen om binnen twee weken na afgifte van de beschikking conform artikel 4:160 BW een boedelbeschrijving op te maken over de periode van [sterfdatum] tot heden, en overeenkomstig 4:161 BW rekening en verantwoording af te leggen aan verzoeker over de periode van [sterfdatum] tot het moment dat het bewind wordt opgeheven, onder overlegging van de volledige administratie en alle bankafschriften. En tevens te bepalen dat het onder bewind gestelde vermogen aan verzoeker wordt uitgekeerd.\n\n3.3. Aan zijn verzoek legt [verzoeker] , kort samengevat, ten grondslag dat hij inmiddels meerderjarig is, zelfstandig woont en een universitaire studie volgt, en er geen reëel risico is dat hij het geld aan andere doelen dan aan zijn studie zal besteden. [verzoeker] is goed in staat om zelfstandig en op verantwoorde wijze over het gelegateerde bedrag te beschikken. Er is nu hij meerderjarig is geen behoefte meer begeleiding of bescherming, aldus [verzoeker] . Hij wil vrij over het gelegateerde bedrag kunnen beschikken.\n\n3.4. \n [verzoeker] merkt verder op dat verweerders hebben nagelaten inzage te verschaffen en rekening en verantwoording af te leggen. Hij vindt dat de relatie met zijn vader wordt belast door het ingestelde bewind.\n\n3.5. Verweerders menen dat een uitkering ineens van het gehele bedrag niet in het belang is van [verzoeker] . Denkbaar is dan volgens verweerders dat het geld (deels) aan andere doeleinden wordt besteed. Zij benadrukken dat het de wens van erflaatster was dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden. Dat [verzoeker] inmiddels meerderjarig is, is nog geen reden om het bewind op te heffen. Dit volgt ook niet uit de tekst van de notariële akte (testament van 23 mei 2018), aldus verweerders.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid\n\n4.1. Op grond van artikel 4:178 lid 2 BW is de rechtbank bevoegd te beslissen op het primaire verzoek tot opheffing van een testamentair bewind. Op grond van artikel 4:164 BW is de kantonrechter bevoegd om te beslissen op het subsidiaire verzoek tot ontslag van een bewindvoerder.\n\n4.2. Het verzoek is ingediend bij de rechtbank. Ter zitting hebben partijen verklaard dat zij in deze procedure graag een eindbeslissing willen. Zij hebben ingestemd met het voorstel van de rechter dat hij in deze procedure het primaire verzoek behandelt als rechter van de rechtbank en dat hij, als hij daaraan toekomt, over het subsidiaire verzoek beslist als kantonrechter.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.3. De rechtbank zal het testamentaire bewind niet opheffen. Er is weliswaar geen reden eraan te twijfelen dat [verzoeker] goed in staat is zelf op een verstandige manier met het geld om te gaan, maar hier staat de wens van erflaatster tegenover. In het testament staat duidelijk de wens van erflaatster beschreven, te weten dat het legaat wordt aangewend voor studiedoeleinden voor haar beide neven [verzoeker] en [naam] . Zij had kunnen bepalen dat in bepaalde omstandigheden het volledige bedrag uitgekeerd zou moeten worden of dat dan (bijvoorbeeld bij het bereiken van de meerderjarigheid) het bewind zou eindigen, maar dat heeft zij niet gedaan. Bovendien heeft zij niet bepaald dat beide broers [verzoeker] en [naam] uiteindelijk ieder de helft van het legaat van € 40.000 moeten krijgen, maar de verdeling van het geld overgelaten aan de bewindvoerders. Daaruit blijkt dat zij de besteding van het geld aan het door haar gekozen doel belangrijker vond dan de gelijke verdeling van het geld tussen [verzoeker] en [naam] . De wil van erflaatster maakt het dus scherp gesteld mogelijk dat de ene broer het volledige bedrag ontvangt, omdat hij een studie begint en studiekosten maakt, terwijl de andere broer, die nooit studiekosten maakt, niets krijgt. Zo bezien strekt het bewind er dan mede toe dat onenigheid tussen [verzoeker] en [naam] over de verdeling van het legaat wordt voorkomen, omdat niet zijzelf, maar de bewindvoerders over de verdeling beslissen.\n\n4.4. Al met al moet hier de duidelijke wil van erflaatster prevaleren boven de invoelbare wens van [verzoeker] . De rechtbank wijst daarom het verzoek tot opheffing van het bewind af.\n\n4.5. De rechtbank zal ook het verzoek van [verzoeker] zoals hiervoor onder 3.2. vermeld afwijzen. Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat bewindvoerders geen informatie zullen verstrekken en\u002Fof rekening en verantwoording zullen afleggen, als bedoeld in artikel 4:160 BW (beschrijving) en artikel 4:161 BW (rekening en verantwoording). Zij hebben inmiddels een overzicht verstrekt aan de gemachtigde van [verzoeker] en ook hebben zij tijdens de mondelinge behandeling een toelichting gegeven over de bedragen die op de bank staan, de bedragen die zijn overgemaakt, de bankrekeningen en de wijze van overmaken. Ook heeft [verzoeker] de bedragen op het overzicht niet betwist.\n\n4.6. De kantonrechter ziet wel reden om het subsidiaire verzoek deels toe te wijzen door [verweerder 1] te ontslaan als bewindvoerder.\n\n4.7. \n\nHet subsidiaire verzoek tot ontslag van de bewindvoerders heeft [verzoeker] in de eerste plaats gebaseerd op gebrek aan transparantie over de financiële stand van zaken en aan het ontbreken van adequate rekening en verantwoording. Maar tijdens de mondelinge behandeling hebben de bewindvoerders meer inzicht in de stand van zaken verschaft en hebben zij gezegd te begrijpen dat [verzoeker] en [naam] behoefte hebben aan een heldere en gestructureerde periodieke rekening en verantwoording.\n\nOok de kantonrechter begrijpt deze behoefte. Hij roept de bewindvoerders daarom op daaraan tegemoet te komen en hij vertrouwt erop dat zij dat zullen doen. Dat zo zijnde is er geen reden om de bewindvoerders te ontslaan vanwege in ernstige mate tekortschieten in de nakoming van hun verplichtingen.\n\n4.8. \n\nOok voor bewindvoerder [verweerder 1] geldt dat hij zijn taak als bewindvoerder naar eer en geweten uitvoert overeenkomstig de wens van zijn overleden zus. Maar zijn rol is anders omdat hij naast bewindvoerder ook de vader van [verzoeker] en [naam] is. Deze dubbelrol leidt tot spanningen. Zo heeft [verzoeker] bij verzoekschrift gesuggereerd dat [verweerder 1] het legaat gebruikt om zijn financiële verplichtingen als vader te ontlopen. Deze suggestie heeft [verweerder 1] tijdens de zitting met kracht van argumenten ontzenuwd, maar dat het zo gegaan is, illustreert dat de rollen van [verzoeker] als legataris en van [verweerder 1] als bewindvoerder schade opleveren in hun verhouding als zoon en vader. De kantonrechter acht het voor beiden beter dat een einde wordt gemaakt aan het risico van rolonduidelijkheid en rolvermenging. Dan hoeft [verzoeker] niet langer te denken dat zijn vader een middel heeft om zijn financiële verantwoordelijkheid te ontlopen en hoeft [verweerder 1] geen uitlatingen meer te doen die [verzoeker] op kan vatten als blijken van gebrek aan vertrouwen in zijn zelfstandigheid. Beiden kunnen zich dan ongehinderd door ballast wijden aan de rollen van vader en zoon.\n\nDe kantonrechter acht een en ander een gewichtige reden die tot ontslag van [verweerder 1] als bewindvoerder moet leiden.\n\n4.9. Nu de hoedanigheid van [verweerder 1] als bewindvoerder met het ontslag eindigt, wordt op grond van het testament in zijn plaats [zus] , zus van [verweerders] en tante van [verzoeker] en [naam] , tot medebewindvoerder benoemd. De kantonrechter hoeft haar dus niet in die hoedanigheid te benoemen.\n\nProceskosten\n\n4.10. Gelet op de uitkomst van de zaak en de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke verhouding tot elkaar staan, bestaat aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\n5.1. De rechtbank wijst het primaire verzoek om het testamentair bewind op te heffen af.\n\n5.2. De kantonrechter ontslaat [verweerder 1] als bewindvoerder.\n\n5.3. De rechtbank en de kantonrechter compenseren de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt en wijzen af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven te Almelo door mr. U. van Houten, (kanton)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3767","ecli-nl-rbove-2026-3767",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":99,"ecli":100,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":101,"fullText":102,"language":7,"source":17,"sourceUrl":103,"summary":14,"slug":104,"metadata":105},"338","ECLI:NL:RBOVE:2026:3909","2026-06-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nlocatie Almelo\n\nteam familie- en jeugdrecht\n\nzaaknummer: C\u002F08\u002F337368 \u002F FA RK 25-2135\n\nbeschikking van 1 juni 2026\n\nin de zaak van:\n\n1. [pleegmoeder] ,\n\nen\n\n2. [pleegvader] ,\n\nverder te noemen: de pleegouders,\n\nwonend in [woonplaats 1] ,\n\nverzoekers,\n\nadvocaat: mr. A.A.M. Ruys-van Essen,\n\nover de minderjarige:\n\n [minderjarige] ,geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] .\n\nAls belanghebbende is aangemerkt:\n\n [de (biologische) vader] ,\n\nverder te noemen: de (biologische) vader,\n\nwonend in [woonplaats 2] .\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. De rechtbank heeft kennis genomen van:\n\nhet verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 19 augustus 2025;\n\nde op 22 en 29 september 2025 door mr. Ruys-Van Essen ingediende nadere stukken;\n\nhet op 29 september 2025 binnengekomen gewijzigd verzoekschrift;\n\neen op 3 oktober 2025 binnengekomen bericht van mr. Ruys-Van Essen met bijlage;\n\nde op 30 oktober 2025 binnengekomen brief van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede;\n\nhet rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 5 januari 2026, verder te noemen: de raad; en\n\neen op 19 januari 2026 binnengekomen bericht van mr. Ruys-Van Essen.\n\n1.2.. De rechter heeft op 4 mei 2026 met [minderjarige] gesproken.\n\n1.3.. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026. Verschenen zijn:\n\n- de pleegouders, bijgestaan door mr. Ruys-Van Essen,\n\n- [medewerker raad] namens de raad.\n\nDe vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De pleegmoeder is geboren op [geboortedatum 2] 1970 in [geboorteplaats 2] en de pleegvader is geboren op [geboortedatum 3] 1968 in [geboorteplaats 3] . Zij zijn op [huwelijksdatum] 2009 te [plaats 1] gehuwd en hebben in ieder geval sinds die datum met elkaar samengeleefd.\n\n2.2.. \n [minderjarige]is geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] tijdens de relatie van haar moeder[naam 1], geboren te [geboorteplaats 4] op [geboortedatum 4] 1976, overleden op [overlijdensdatum] 2013 te [plaats 2] , en de vader.\n\n2.3.. Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Almelo van 2 oktober 2008 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Overijssel, laatstelijk verlengd tot 28 november 2016.\n\n2.4.. \n [minderjarige] woont feitelijk sinds 22 september 2012 bij pleegouders (in het kader van een machtiging tot uithuisplaatsing) en staat sinds 1 juli 2013 ingeschreven op het adres van de pleegouders. Zij wordt sindsdien door pleegouders samen verzorgd en opgevoed.\n\n2.5.. Met toestemming van de rechtbank Almelo is [minderjarige] op 14 november 2013 erkend door de vader. Op de erkenning is Turks recht toegepast. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 28 november 2013 is de vader belast met het gezag over [minderjarige] .\n\n2.6.. Bij beschikking van 16 november 2016 is het gezag van de vader over [minderjarige] beëindigd en is de Stichting Jeugdbescherming Overijssel benoemd tot voogd over [minderjarige] . Bij beschikking van 24 juni 2022 is de Stichting Jeugdbescherming Overijssel ontslagen als voogd en de pleegmoeder benoemd tot voogdes over [minderjarige] .\n\n2.7.. \n [minderjarige] heeft een broer, [naam 2] , en drie zussen, [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] .\n\n2.8.. Verzoekers en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Turkse nationaliteit. [minderjarige] heeft door afstamming van rechtswege eveneens de Turkse nationaliteit.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. Na wijziging verzoeken pleegouders de rechtbank bij beschikking de adoptie van [minderjarige] door hen uit te spreken en vast te stellen dat de voornamen van [minderjarige] zullen luiden: [gewenste voornaam] en haar achternaam [achternaam van pleegvader] .\n\n3.2.. Zij stellen dat adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige] is, omdat momenteel vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige] niets meer van haar biologische vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft en aan de voorwaarden voor adoptie is voldaan. [minderjarige] kent, voor zover haar leeftijd dit toelaat, haar status. Met [minderjarige] is de adoptie uitgebreid besproken en zij heeft daarbij ook aangegeven dat het haar uitdrukkelijke wens is dat zij door pleegouders wordt geadopteerd, zodat de feitelijke situatie ook juridisch geformaliseerd wordt. [minderjarige] wenst de achternaam van haar pleegvader - [achternaam van pleegvader] - te dragen. Zij wenst daarnaast, als eerbetoon aan haar moeder, de voornaam van haar moeder aan haar voornamen toe te voegen, zodat haar naam zal luiden: [gewenste voornaam] [achternaam van pleegvader] .\n\n4. De standpunten van [minderjarige] en de vader\n\n4.1.. \n [minderjarige] stemt in met het verzoek. Adoptie betekent voor haar het hoofdstuk afsluiten. Zij woont al sinds haar derde jaar bij pleegouders en zij heeft heel veel geluk gehad dat zij altijd in hetzelfde gezin kon blijven wonen. Haar moeder is overleden toen [minderjarige] heel jong was en ook haar vader is er nooit voor haar geweest. Hij zoekt [minderjarige] nooit op en zij heeft hem sinds haar zesde of achtste jaar niet meer gezien. Pleegouders zijn er altijd voor haar geweest en hebben de ouderrol vervuld. [minderjarige] heeft al heel lang het gevoel dat zij tot de familie van haar pleegouders hoort. Zij wil daarom graag geadopteerd worden. Zij begrijpt dat daardoor de juridische band tussen haar en haar vader en moeder verbroken wordt. Adoptie is met name voor haarzelf van belang. Dan hoort zij op papier ook bij haar pleegouders en is de juridische situatie in overeenstemming met de feitelijke situatie. Pleegouders zijn er altijd voor [minderjarige] geweest. [minderjarige] heeft nog wel veel contact met haar broer [naam 2] en hij staat ook achter het adoptieverzoek. Ook heeft zij regelmatig contact met haar zusje [naam 3] . Haar andere zusjes [naam 5] en [naam 4] spreekt zij niet zo vaak. Zij groeiden allemaal op in andere pleeggezinnen. [minderjarige] wil graag de achternaam [pleegvader] en als eerbetoon aan haar overleden moeder wil zij haar voornaam wijzigen in [gewenste voornaam] .\n\n4.2.. De vader is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. Tegenover de raad heeft hij verklaard in te stemmen met het verzoek. Hij wil dat [minderjarige] een mooie toekomst heeft en als zij de adoptie graag wil, zal hij haar hierin in liefde loslaten. Vader kent pleegouders en de plek waar [minderjarige] opgroeit. Over pleegouders zegt hij dat zij uitstekende mensen zijn en dat zij het goed doen met [minderjarige] . Hij wil het beste voor haar en daarmee is adoptie door pleegouders in het belang van [minderjarige] . Vader geeft aan dat hij er geen behoefte aan heeft om bij de zitting aanwezig te zijn. Bij de door mr. Ruys-Van Essen ingediende stukken zit een instemmingsverklaring van vader die op 19 september 2025 door hem is ondertekend.\n\n5. Het advies van de raad\n\nDe raad adviseert de rechtbank om het verzoek van de pleegouders om [minderjarige] te adopteren, toe te wijzen. De raad adviseert de rechtbank daarnaast om het verzoek tot voor- en achternaamswijziging toe te wijzen. Volgens de raad is een adoptie door pleegouders op dit moment in het kennelijk belang van [minderjarige] . Het verzoek komt van [minderjarige] zelf en zij wordt door pleegouders als hun dochter beschouwd. Ze leven al veertien jaar in gezinsverband en zijn vergroeid met elkaar. De onderlinge band is sterk en vertrouwd. De raad vindt het passend om deze band te formaliseren door adoptie toe te kennen waardoor [minderjarige] ook wettelijk gezien verbonden is aan pleegouders. De rol van de vader als ouder is al lange tijd geleden gestopt. [minderjarige] was nog maar een peuter toen zij uit huis is geplaatst en bij pleegouders ging wonen. Gedurende haar opgroeien is vader niet in de rol als ouder in beeld geweest.\n\nNu [minderjarige] richting volwassenheid gaat en de opvoeding in die zin vrijwel voltooid is, kan gesteld worden dat [minderjarige] niets meer van de vader in zijn hoedanigheid als ouder te verwachten heeft. Tot slot is aan de eisen voor adoptie voldaan.\n\n Ten aanzien van het verzoek tot naamswijziging ziet de raad geen bezwaar in het toekennen van dit verzoek. Net als [minderjarige] en pleegouders is de raad van mening dat het een mooie manier is om moeder te eren door haar naam toe te voegen aan de voornamen van [minderjarige] . De achternaamswijziging is inherent aan adoptieverzoek en daarmee ook passend bij de situatie.\n\n6. De beoordeling\n\nde bevoegdheid6.1.. De zaak draagt een internationaal karakter, nu [minderjarige] en de pleegouders de Nederlandse nationaliteit hebben en de vader de Turkse nationaliteit. Nu de pleegouders en [minderjarige] in Nederland wonen, is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot adoptie kennis te nemen.\n\nhet toepasselijke recht6.2.. Op een in Nederland uit te spreken adoptie is het Nederlandse recht van toepassing.Op de toestemming dan wel raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind of van andere personen of instellingen is het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit van toepassing. Als het kind de Nederlandse nationaliteit bezit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, ongeacht of het kind naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit.\n\nde ontvankelijkheid6.3.. \n\nAdoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen.Uit de overgelegde stukken blijkt dat de pleegouders meer dan drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. De pleegouders zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek tot adoptie.\n\nde inhoudelijke beoordeling6.4.. Het verzoek tot adoptie wordt toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van de minderjarige is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat de minderjarige niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Ook dient aan de voorwaarden van artikel 1:228 BW te worden voldaan.\n\n6.5.. Bij het kennelijk belang van [minderjarige] dient - naast hetgeen hieronder nog wordt overwogen - in dit verband niet alleen te worden gelet op de positie die [minderjarige] door adoptie verkrijgt, maar ook op wat zij verliest. Hierbij moet in de eerste plaats worden gedacht aan de aanspraak op verzorging en opvoeding. De bepaling dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs is te voorzien dat het te adopteren kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, ziet op het dragen van verantwoordelijkheid jegens een kind, in het bijzonder de verzorging, de opvoeding en het uitoefenen van het gezag en staat daarmee los van de vraag of een kind nog contact kan hebben met een ouder na adoptie.\n\n6.6.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat het volgende vast. [minderjarige] is al op jonge leeftijd uit huis geplaatst, net als haar broer en zussen, en woont sindsdien in het gezinshuis van de pleegouders. Zij groeit al veertien jaar op in het gezin van de pleegouders, samen met haar pleegbroertjes. De pleegouders hebben al die tijd onafgebroken de zorg voor [minderjarige] gehad. Na het overlijden van de moeder van [minderjarige] heeft de vader [minderjarige] met toestemming van de rechtbank erkend. Hoewel hij nadien belast is met het gezag over [minderjarige] , is dit gezag beëindigd bij beschikking van 16 november 2016. De stichting Jeugdbescherming Overijssel heeft toen de voogdij over [minderjarige] gekregen. De voogdij is nadien overgedragen aan de pleegmoeder. Het gaat heel goed met [minderjarige] bij de pleegouders.\n\nDe vader is niet betrokken in het leven van [minderjarige] . Hoewel zij af en toe nog Whatsapp contact heeft met haar vader, heeft zij hem al jaren niet meer gezien. De vader neemt ook geen initiatief tot contact of het tonen van interesse. Zo heeft hij bijvoorbeeld nooit een kaartje voor haar verjaardag gestuurd en laat niets van zich horen. [minderjarige] heeft regelmatig contact met haar broer [naam 2] en zus [naam 3] , met de andere zusjes heeft zij minder contact. In het kader van deze procedure heeft de vader een verklaring getekend waaruit blijkt dat hij geen bezwaar heeft en akkoord gaat met de adoptie van [minderjarige] . Ook aan de raad heeft hij laten weten dat hij instemt met de adoptie. Hij wil het beste voor haar en meent dat adoptie door de pleegouders in het belang van [minderjarige] is. Hij heeft voorts laten weten dat hij er geen behoefte aan heeft om bij de geplande mondelinge behandeling aanwezig te zijn. Uit voorgaande blijft dat de pleegouders in de praktijk al jarenlang de ouderrol voor [minderjarige] vervullen. [minderjarige] beschouwt de pleegouders als haar ouders en zij zien [minderjarige] ook als hun eigen dochter.\n\n6.7.. De raad adviseert het verzoek tot adoptie toe te wijzen. Volgens de raad is de adoptie is in het kennelijk belang van [minderjarige] en aan de vereisten van adoptie is voldaan. [minderjarige] heeft niets meer van haar vader te verwachten in de ouderrol.\n\n6.8.. De rechtbank is van oordeel dat aan de (wettelijke) voorwaarden is voldaan: de adoptie is in het kennelijk belang van [minderjarige] en [minderjarige] heeft niets meer van de vader te verwachten in de hoedanigheid van ouder.\n\n6.9.. Ook aan de in artikel 1:228 lid 1 BW genoemde voorwaarden is voldaan:\n\n- [minderjarige] is op de dag van het eerste verzoek minderjarig en heeft geen bezwaar tegen de adoptie;\n\n- [minderjarige] is geen kleinkind van de pleegouders;\n\n- de pleegouders zijn ten minste achttien jaar ouder dan [minderjarige] ;\n\n- de vader heeft het verzoek niet tegengesproken;\n\n- de pleegouders hebben [minderjarige] tenminste een jaar verzorgd en opgevoed; en\n\n- de vader heeft niet langer het gezag over [minderjarige] .\n\n6.10.. \n\nGelet op bovenstaande zal de rechtbank het verzoek tot adoptie van [minderjarige] door de pleegouders toewijzen.\n\nrechtsgevolgen6.11.. Een in Nederland uitgesproken adoptie heeft, wat betreft het ontstaan en de verbreking van de familierechtelijke betrekkingen, de rechtsgevolgen die daaraan worden toegekend door het Nederlands recht.Dit brengt mee dat door de adoptie naar Nederlands recht familierechtelijke betrekkingen tussen de pleegouders en [minderjarige] ontstaan. Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige] en de vader en zijn bloedverwanten op te bestaan.\n\n6.12.. De adoptie heeft haar gevolgen vanaf de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.Dit betekent dat de adoptie pas van kracht wordt nadat er drie maanden zijn verstreken na de datum van de beschikking en er geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing. De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede gelasten een latere vermelding van de adoptie aan de geboorteakte van [minderjarige] te hechten.\n\nhet gezag6.13.. Door de adoptie worden de pleegouders de juridische ouders van [minderjarige] . Gelet op het huwelijk ontstaat van rechtswege gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige] .\n\nwijziging van de voornaam en geslachtsnaam6.14.. De pleegouders hebben verzocht om wijziging van de voor- en achternaam van [minderjarige] , in die zin dat zij de voornamen “ [gewenste voornaam] ” zal dragen en dat haar achternaam “ [achternaam van pleegvader] ” zal zijn. [minderjarige] wil dit ook graag.\n\n6.15.. De raad heeft hiertegen geen bezwaar en adviseert de rechtbank om het verzoek tot voor- en achternaamswijziging toe te wijzen. Volgens de raad is dat een mooie manier is om moeder te eren door haar naam toe te voegen aan de voornamen van [minderjarige] . De achternaamswijziging is inherent aan adoptieverzoek en daarmee ook passend bij de situatie.\n\n6.16.. De geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit, worden, ongeacht de vraag of hij nog een andere nationaliteit heeft, bepaald door het Nederlandse recht.\n\n6.17.. De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoekschrift en de daarbij overgelegde stukken voldoende is gebleken van een zwaarwichtig belang bij toewijzing van het verzoek tot voornaamswijziging. De gevraagde wijziging is ook geoorloofd naar de maatstaven van artikel 1:4 lid 2 BW en van bezwaren hiertegen is niet gebleken.\n\n6.18.. Ten aanzien van de geslachtsnaam bij adoptie geldt naar Nederlands recht, voor zover hier van belang, het volgende. Indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking tot de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van een ouder komt te staan, houdt het zijn geslachtsnaam, tenzij de ouder en diens echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam zal hebben van die ouder dan wel de geslachtsnaam van de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel of van hun beiden in een vrij te bepalen volgorde of van één van hen in combinatie met de oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind in een vrij te bepalen volgorde, dan wel de geslachtsnaam van die ouder. De rechterlijke uitspraak inzake de adoptie vermeldt de verklaring van de adoptanten omtrent de geslachtsnaamkeuze.\n\n6.19.. De pleegouders hebben verklaard dat [minderjarige] de geslachtsnaam van de pleegvader wenst te dragen. Dit is ook de wens van [minderjarige] . De rechtbank zal daarom verstaan dat de geslachtsnaam van [minderjarige] na de adoptie ‘ [achternaam van pleegvader] ’ zal zijn.\n\n6.20.. De volledige namen van [minderjarige] zullen na de adoptie dan ook luiden: “ [gewenste voornaam] [achternaam van pleegvader] ”.6.21.. De rechtbank zal de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede gelasten een latere vermelding van de wijzigingen van de namen van [minderjarige] aan haar geboorteakte te hechten.\n\n7. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n7.1.. spreekt de adoptie uit van:\n\n [minderjarige] ,geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] ,\n\ndochter van [naam 1] en [de (biologische) vader] ,\n\ndoor [pleegmoeder]en[pleegvader], beiden wonende te [woonplaats 1] ;\n\n7.2.. gelast de voornaamswijziging van de minderjarige [minderjarige] in “[gewenste voornaam]”;\n\n7.3.. stelt vast dat verzoekers gezamenlijk hebben verklaard dat zij kiezen voor de geslachtsnaam “[achternaam van pleegvader]”is , zodat de volledige namen van de minderjarige na de adoptie zijn“ [gewenste voornaam] [achternaam van pleegvader] ”;\n\n7.4.. gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede een latere vermelding(en) van de adoptie en de naamswijziging aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;7.5.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. H.M. Jongebreur en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman, griffier.\n\nEen afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.\n\nTegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:\n\ndoor verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\ndoor andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.\n\nAfschrift verzonden d.d.\n\nAan:\n\n Raad voor de Kinderbescherming\n\n Mr. Ruys-van Essen\n\n De heer [de (biologische) vader]\n\nAfschrift verzonden na appèltermijn d.d.\n\nAan:\n\n gezagsregister\n\n gemeente Enschede, afdeling Burgerzaken\n\nArtikel 3 Wetboek van Rechtsvordering\n\nArtikel 10:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW)\n\nArtikel 10:105 lid 2 BW\n\nArtikel 1:227 lid 1 BW\n\nArtikel 1:227 lid 2 BW\n\nArtikel 1:227 lid 3 BW\n\nArtikel 10:106 BW\n\nArtikel 1:230 Burgerlijk Wetboek\n\nArtikel 10:20 BW\n\nArtikel 1:5 lid 3, derde volzin BW","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3909","ecli-nl-rbove-2026-3909",{"courtName":6,"legalDomain":106,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht",{"id":108,"ecli":109,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":110,"fullText":111,"language":7,"source":17,"sourceUrl":112,"summary":14,"slug":113,"metadata":114},"1073","ECLI:NL:RBOVE:2026:3861","2026-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Almelo\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F08\u002F342889 \u002F HA RK 25-99\n\nBeschikking van 13 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [woonplaats],\n\nverzoekende partij, hierna te noemen [verzoeker],\n\nadvocaat: mr. J. Menninga,\n\ntegen\n\nMSIG EUROPE,\n\nte Amstelveen,\n\nverwerende partij, hierna te noemen: MSIG,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties,\n\n- het verweerschrift met producties,\n\n- de akte overlegging productie van de zijde van MSIG,\n\n- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarbij partijen (vertegenwoordigd) zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Partijen hebben de standpunten toegelicht, waarbij de advocaat van [verzoeker] ook gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. De griffier heeft tijdens de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is vandaag bij vervroeging uitgesproken.\n\n2. Samenvatting\n\nOp 1 april 2024 heeft er een ongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] als fietser en de heer [naam] als automobilist betrokken waren. [verzoeker] heeft daarbij letsel opgelopen. MSIG heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend. [verzoeker] verzoekt (primair) voor recht te verklaren dat MSIG zijn schade volledig moet vergoeden. Subsidiair verzoekt [verzoeker] de causale verdeling vast te stellen. De rechtbank wijst het verzochte af, reeds omdat haar oordeel over de causale verdeling en over de toepassing van de billijkheidscorrectie niet resulteert in een hoger vergoedingspercentage dan 50%. De kosten van het deelgeschil worden gematigd. MISG moet 50% van de begrote kosten betalen aan [verzoeker] omdat de schadevergoedingsplicht van MISG niet verder reikt dan 50%. De rechtbank licht haar oordeel hierna toe.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Op 1 april 2024 heeft een ongeval plaatsgevonden op het Korianderhof in Wierden, waarbij [verzoeker], rijdend op een elektrische fiets, en [naam], bestuurder van de auto met kenteken [kenteken], betrokken waren. De auto van [naam] is bij MSIG verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid (WAM).\n\n3.2.. \n\nOp of in de nabijheid van de T-splising ter hoogte van het Korianderhof nummer 1 zijn [verzoeker] en de auto van [naam] met elkaar in aanraking gekomen. Onderstaande afbeeldingen geven de situatie ter plekke weer.\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft vanaf boven de situatie weer, waarbij de linkse pijl de rijrichting van [verzoeker] weergeeft en de andere pijl de rijrichting van [naam].\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [verzoeker].\n\n[Afbeelding]\n\nDeze afbeelding geeft het zicht weer vanuit de rijrichting van [naam].\n\n3.3.. MSIG heeft op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW) 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de fiets van [verzoeker] vergoed.\n\n3.4.. De aansprakelijkheidsverzekeraar (AVP) van [verzoeker] heeft 50% van de aansprakelijkheid erkend en 50% van de schade aan de auto van [naam] vergoed.\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoeker] verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat MSIG gehouden is de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het ongeval volledig te vergoeden althans een causale verdeling vast te stellen, met begroting van en veroordeling in de kosten van dit deelgeschil.\n\n4.2.. Aan het verzochte legt [verzoeker] ten grondslag dat er geen sprake is van eigen schuld aan zijn kant. [verzoeker] stelt dat hij geen verkeersfout heeft gemaakt. Hij heeft voldaan aan de voorrangsverplichting op grond van artikel 15 lid 1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV), terwijl [naam] onvoldoende rechts heeft gehouden en bij de afslaande manoeuvre de binnenbocht heeft genomen. Mocht de rechtbank oordelen dat er wel sprake is van eigen schuld, dan wordt verzocht een billijkheidscorrectie toe te passen.\n\n4.3.. MSIG verzet zich gemotiveerd tegen dit verzoek. Zij meent dat er voor haar een schadevergoedingsplicht van 50% geldt. Primair volgt dit volgens haar uit het feit dat de AVP-verzekeraar van [verzoeker] namens [verzoeker] 50% van de aandprakelijkheid heeft erkend tegenover Aon als volmacht van MSIG in verband met de door MSIG uitgekeerde cascoschade aan de auto van [naam]. [verzoeker] is gebonden aan deze erkenning door zijn AVP-verzekeraar, aldus MSIG. Subsidiair stelt MSIG zich op het standpunt dat de schadevergoedingsplicht 50% bedraagt op grond van artikel 185 WVW juncto artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n4.4.. Op de stellingen en het verweer van partijen wordt hierna, voor zover van belang nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nGeschiktheid deelgeschil\n\n5.1.. \n [verzoeker] baseert zijn verzoek op de Wet deelgeschilprocedure, zoals opgenomen in de artikelen 1019w tot en met 1019cc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van [verzoeker] leent zich naar haar aard voor behandeling in deelgeschil – wat tussen partijen ook niet in geschil is – en de rechtbank zal hieronder overgaan tot de inhoudelijke beoordeling daarvan.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nHoofdregel artikel 185 WVW\n\n5.2.. In deze zaak is sprake van een aanrijding tussen [verzoeker] als (elektrische) fietser en [naam] als bestuurder van een auto. Voor zo’n situatie, waarin een gemotoriseerde (auto) en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer (fietser) betrokken is, bepaalt de wet (artikel 185 WVW) dat de schade van de ongemotoriseerde door de gemotoriseerde (in de praktijk vaak diens verzekeraar) vergoed moet worden. Ongemotoriseerde verkeersdeelnemers worden namelijk als zwakkere verkeersdeelnemers gezien ten opzichte van gemotoriseerde verkeersdeelnemers. Deze regel geldt niet als de gemotoriseerde zich kan beroepen op overmacht. Dit is de hoofdregel. Andere wettelijke bepalingen kunnen een uitzondering geven op deze hoofdregel.\n\n5.3.. Partijen zijn het erover eens dat artikel 185 WVW van toepassing is op deze zaak. Tussen partijen staat ook niet ter discussie dat MISG zich niet kan beroepen op overmacht aan de zijde van [naam]. Wel stelt MISG dat zij zich kan beroepen op een andere uitzonderingsbepaling op de hoofdregel, namelijk de ‘eigen schuld’ als bedoeld in artikel 6:101 BW. MISG meent namelijk dat [verzoeker] zelf veruit het grootste aandeel heeft gehad in het ontstaan van het ongeval en dat daarom de schadevergoedingsplicht niet meer bedraagt dan 50%.\n\nCausale verdeling\n\n5.4.. Een geslaagd beroep op ‘eigen schuld’ in combinatie met artikel 185 WVW kan de vergoedingsplicht van de gemotoriseerde met maximaal 50% verlagen. Dat betekent dat de ongemotoriseerde in ieder geval recht heeft op een vergoeding van 50% van zijn of haar schade. Om te beoordelen of [verzoeker] recht heeft op een hoger vergoedingspercentage dan 50%, zoals door hem gevorderd, zal om te beginnen de causale verdeling moeten worden vastgesteld. Dit betekent dat gekeken wordt naar de mate waarin de gedragingen van zowel de gemotoriseerde als de ongemotoriseerde hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Aan de hand hiervan zal de schade in evenredigheid verdeeld worden tussen de gemotoriseerde en de ongemotoriseerde.\n\n4.5.. MISG stelt (kort gezegd) dat [verzoeker] zelf voor het grootste deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoeker] heeft een verkeersfout begaan door [naam], die van rechts kwam, geen voorrang te verlenen. [verzoeker] fietste de kruising op en sloeg rechtsaf zonder eerst te verifiëren of er verkeer van rechts kwam. Door geen voorang te verlenen en rechtsaf te slaan, is [verzoeker] tegen de auto van [naam] gefietst. Er is eens te meer sprake van een verkeersfout van [verzoeker], nu zijn zicht op de weg rechts van hem zeer beperkt was door de hoge muur van de aanbouw van de Korianderhof, die tot aan het kruispunt reikte. Door deze hem bekende verkeerssituatie had hij extra voorzichtig de kruising moeten naderen en eerst moeten verifiëren of de weg rechts van hem vrij was alvorens rechtsaf te slaan. Dat heeft hij niet gedaan. Volgens MSIG blijkt nergens uit dat [verzoeker] op enigerlei wijze heeft geanticipeerd op de mogelijkheid dat er verkeer van rechts zou kunnen aankomen. Daaraan doet de gestelde verkeersfout van [naam], inhoudende dat hij niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, niet af, aldus MSIG.\n\n5.5.. De rechtbank oordeelt dat het handelen van [verzoeker] voor een aanzienlijk deel heeft bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval. Op basis van de geldende verkeers-regels (artikel 15 RVV) had [naam] voorrang op [verzoeker]. [naam] kwam immers van rechts. In artikel 1 RVV is uitgelegd wat “voorrang verlenen” inhoudt: “het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen”.Het begrip voorrang verlenen omvat dus meer dan het enkel vrijlaten van voldoende ruimte om de voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer door te laten. Het heeft betrekking op het hele gedrag dat mag worden verwacht van de verkeersdeelnemer die voorrang moet verlenen aan een andere weggebruiker. Naar het oordeel van de rechtbank heeft MISG voldoende onderbouwd dat het handelen van [verzoeker] hier niet aan heeft voldaan. Hoewel de precieze plek van de aanrijding niet helemaal duidelijk is geworden, kan de rechtbank, niet tot een andere conclusie komen dan dat het ongeval op het kruisingsvlak of, indien [verzoeker] in zijn standpunt wordt gevolgd, in ieder geval op een zeer korte afstand van het kruisingsvlak heeft plaatsgevonden. Dat maakt dat niet kan worden gezegd dat [verzoeker] artikel 15 RVV niet heeft geschonden. Hij heeft [naam] niet (voldoende) in staat gesteld om zijn weg ongehinderd te vervolgen. [verzoeker] stelt wel dat [naam] de bocht heeft afgesneden, maar dat is betwist door [naam], zodat dat niet is komen vast te staan. Ook als daar wel van zou worden uitgegaan, zou dit betekenen dat [naam] weliswaar een fout heeft begaan, maar dat doet niet af aan de verkeersfout die [verzoeker] heeft begaan. [verzoeker] moet als verkeersdeelnemer ook rekening houden met fouten van een ander, zeker nu hij voorrang moest verlenen aan het van rechts komende verkeer. Dat heeft [verzoeker] niet (voldoende) gedaan. Zo is [verzoeker] niet al wat voor het kruisingsvlak gestopt. Daarbij weegt de rechtbank ook de aard van de kruising\u002FT-splitsing mee. Er is sprake van smalle straten met weinig zicht door de (relatief hoge) aanbouw en er staan vaak, zoals ook ten tijde van het ongeval, auto’s (fout) geparkeerd op de (vanuit de rijrichting van [verzoeker] bezien) linkerweghelft. [verzoeker] was hiermee bekend en kon die auto’s zien bij het naderen van de kruising. Ook daarom mocht van hem extra voorzichtigheid worden verwacht bij het naderen van de kruising\u002FT-splitsing waar hij voorrang moest verlenen aan het van rechtskomend verkeer. De situatie ter plekke brengt ook met zich dat een van rechts komende naar links afslaande auto op enig moment de bocht wel iets moet afsnijden om een botsing met een geparkeerde auto te voorkomen.\n\n5.6.. De verwijzing naar het vonnis van 7 oktober 2020 van de rechtbank Noord-Hollanddoor [verzoeker] treft geen doel. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de feitelijke situaties niet vergelijkbaar met elkaar. Zo is er in de onderhavige situatie sprake van een onoverzichtelijke kruising. Van een situatie dat [verzoeker] [naam] geen voorrang hoefde te verlenen is, mede gelet op het bepaalde in artikel 1 RVV, naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.\n\n5.7.. Wanneer de rechtbank de gedragingen van [verzoeker] en [naam] tegen elkaar afweegt en beoordeelt in welke mate de gedragingen hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat de gedragingen van [verzoeker] voor minder dan 50% aan het ongeval hebben bijgedragen.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.8.. De rechtbank ziet geen reden om een billijkheidscorrectie toe te passen. Met inachtneming van het vorenstaande is de mate van verwijtbaarheid van het rijgedrag van [naam], afgezet tegen de mate van verwijtbaarheid dat [verzoeker] zelf treft, niet zodanig dat dit een billijkheidscorrectie rechtvaardigt. De omstandigheid dat het aan het motorrijtuig voor andere verkeersdeelnemers verbonden gevaar (Betriebsgefahr) zich heeft verwezenlijkt, is onvoldoende reden om te komen tot een verhoging van de schadevergoedingsverplichting van MSIG. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor vergoeding van een groter deel van de schade van [verzoeker] dan 50%. De rechtbank heeft oog voor het letsel dat [verzoeker] heeft opgelopen en de gevolgen die hij daarvan ondervindt, maar de door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen niet de conclusie dat de billijkheid een andere verdeling eist.\n\nSlotsom\n\n5.9.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de toepassing van de causaliteitsmaatstaf en\u002Fof de billijkheidscorrectie geen aanleiding geeft voor een hogere schadevergoedings-verplichting voor MSIG dan 50%. Dat betekent dat het verzochte door [verzoeker] wordt afgewezen. Bespreking van het primaire verweer van MISG laat de rechtbank dan ook achterwege.\n\nKosten deelgeschil\n\n5.10.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.\n\n5.11.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n5.12.. \n [verzoeker] maakt aanspraak op € 13.581,94 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. MSIG voert verweer en stelt dat dit een te hoog bedrag aan kosten is voor een niet-complexe zaak waarin slechts één specifieke vraag voorligt. Zij wijst er daarbij ook op dat een groot deel van de door [verzoeker] opgevoerde kosten niet zijn aan te merken als kosten van de deelgschillenprocedure, dat sprake is van dubbele kosten en dat kosten van ANWB niet zijn onderbouwd met een specificatie.\n\n5.13.. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van de kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank constateert dat diverse posten niet zijn onderbouwd met een (uren)specificatie. Daardoor is niet te verifiëren of de kosten in het kader van deze procedure zijn gemaakt. Uit de wel overgelegde specificatie blijkt dat er diverse belangenbehartigers\u002Fadvocaten betrokken zijn (geweest) bij deze kwestie. Nut en noodzaak daarvan is echter niet (voldoende) onderbouwd. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat bepaalde kosten dubbel in rekening zijn gebracht. Gelet op de mate van complexiteit en de omvang van het dossier acht de rechtbank een totale tijdsbesteding van 16 uur redelijk. Wat betreft het te hanteren uurtarief zal zij aansluiten bij het ook van de zijde van [verzoeker] gehanteerde tarief van € 255,- exclusief btw.Dit komt neer op een bedrag van € 4.936,80 inclusief btw. Dat bedrag wordt vermeerderd met het griffierecht van € 331,-, zodat de begroting van de kosten van het deelgeschil sluit op € 5.267,80.5.14.. Omdat de vergoedingsplicht voor MISG 50% is, geldt als uitgangspunt dat er in beginsel een correctie aan de orde is. Voor een uitzondering op dit uitgangspunt ziet de rechtbank geen aanleiding.Dit betekent dat 50% van de kosten voor rekening van [verzoeker] blijft.\n\n5.15.. Nu MISG de aansprakelijkheid (voor 50%) heeft erkend, bestaat er ook aanleiding om een veroordeling uit te spreken. MISG zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.633,90 (50% van € 5.267,80) aan [verzoeker].\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst het verzochte door [verzoeker] af;\n\n6.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 4.936,80 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 331,- en veroordeelt MSIG tot betaling van € 2.633,90 aan [verzoeker], te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.\n\n Vgl. o.a. HR, 16 april 1971, NJ 1971\u002F307 en HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4046.\n\n Rb. Noord-Holland 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8554.\n\n Zie randnummer 43 van het verzoekschrift.\n\n Vgl. o.a. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:30.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3861","ecli-nl-rbove-2026-3861",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23}]