[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-assen":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},80,"Assen","nl","first_instance","criminal",[11,24,33,42,49,56,65,72,79,86,93,100,108,116],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"902","ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F19\u002F154149 \u002F HA RK 25-62\n\nBeschikking van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\nadvocaat: mr. S.B.W. du Plessis,\n\ntegen\n\n1. STICHTING SANQUIN BLOEDVOORZIENING,\n\nte Amsterdam, 2.AXA XL,\n\nte Amsterdam,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna samen te noemen: Sanquin c.s.,\n\nadvocaat: mr. J. Kruijswijk Jansen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 13 november 2025 met producties 1 tot en met 13;\n\n- het verweerschrift van 10 februari 2026 met producties 1 tot en met 17;\n\n- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;\n\n- de spreekaantekeningen van mr. Du Plessis.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Op 14 december 2021 heeft [verzoekster] voor de eerste maal bloed gedoneerd en wel op de afnamelocatie van Sanquin in [plaats] . Na afloop van de donatie heeft [verzoekster] plaatsgenomen op een stoel in het donorcafé. Het donorcafé is de koffieruimte die in de hoek van de bloedafnameruimte is ingericht, op enkele meters afstand van de bloedafnamebedden. De rechtbank verwijst naar onderstaande overzichtsfoto waarop de bloedafnamebedden te zien zijn en achter een houten afscheidingswand het donorcafé.\n\n2.2.. \n\nIn het donorcafé was, naast [verzoekster] , een vrijwilligster van Sanquin aanwezig om\n\n- onder meer - eten en drinken voor de donoren te verzorgen.\n\n2.3.. \n [verzoekster] is flauwgevallen op enig moment nadat zij is gaan zitten in de donkere stoel aan de rechterkant (zie onderstaande afbeelding). Zij is vervolgens met stoel en al omgevallen. Hierbij heeft zij een incomplete dwarslaesie opgelopen.\n\n2.4.. \n [schaderegelingsbureau] heeft op verzoek van Sanquin een toedrachtsonderzoek uitgevoerd en de betrokken personen gehoord. Het rapport is verschenen op 13 juni 2022.\n\n2.5.. \n\nDe vrijwilligster heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“ (…)\n\nAls vrijwilligster bied ik alle donoren actief wat te drinken aan en wijs ze ook op de snacks die liggen op de koffietafel. Ik ga ervan uit dat ik ook mevrouw [verzoekster] actief wat heb aangeboden om te eten en te drinken.\n\nZeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed van wel. Immers, op het moment dat zij viel stond ik met mijn rug naar haar toe en was bezig met de koffieautomaat. Het kan bijna niet anders dat ik toen hetgeen zij wilde hebben, heb bereid met de koffieautomaat. Ik ga er derhalve vanuit dat ik haar actief wat heb aangeboden en zij ook wat gevraagd heeft om te drinken.\n\n(…)\n\nU vraagt wat ik mij nog kan herinneren van hetgeen er gebeurd is.\n\nZoals ik u net verteld heb was ik aanwezig in het donorcafé en had ik mevrouw [verzoekster] gevraagd of zij wat wilde drinken. Zij heeft toen waarschijnlijk \"ja\" gezegd want ik was bezig met de koffieautomaat. Op het moment dat ik bezig was met de koffieautomaat, en dus met mijn rug naar haar toestond, hoorde ik een hele diepe zucht. Ik draaide mij om en zag haar toen zitten in een vreemde houding. Die houding zie ik nog wel eens voor mij (in gedachten). Zij zat op de locatie waar nu de paarse stoel staat in het donorcafé, zat met haar rechterbeen over de rechter leuning en haar beide handen voor het gezicht. Exact dezelfde houding als mijn collega nu voordoet en waarvan u de foto maakt (zie afbeelding 3, aanvulling rechter). Op hetzelfde moment dat ik omkeek en haar zo zag zitten, zag ik haar naar rechts (de kant waar zij het been over de leuning had hangen) wegzakken, ik liep\u002Frende de drie tot vier meter vanaf mijn locatie naar haar toe. In die korte periode (enkele seconden) zakte mevrouw [verzoekster] echter verder wegover haar rechterzijkant en kantelde de stoel. Op het moment dat ik bij haar was heb ik nog getracht de stoel tegen te houden door de linker leuning te grijpen maar ik was net te laat. De stoel viel op de rechterzijkant en mevrouw [verzoekster] viel mee. Zij viel echter niet op haar rechterzijkant maar doordat zij gedraaid zat in de stoel (doordat haar been over de leuning lag) viel zij op haar linkerarm\u002Flinkerschouder in dezelfde positie als dat mijn collega nu gaat liggen (zie afbeelding 4, aanvulling rechter). Ik heb geen geluid gehoord dat een stoel werd verplaatst of voor- of achteruit werd geschoven. Toen ik naar de donor toe rende heb ik direct mijn collega's geroepen. Daarop kwamen [naam 1] en [naam 2] aan rennen. [naam 1] was iets eerder hier dan [naam 2] . Beiden waren namelijk nog werkzaam in de afnameruimte met opruimwerkzaamheden na de donaties.\n\n(…)\n\nZelf ben ik hier al vijf jaar werkzaam als vrijwilliger en ik denk dat ik het in die hele periode maximaal drie- tot viermaal heb meegemaakt. Meestal, indien ik zie dat het met donoren in het donorcafé niet goed gaat, roep ik een van de donorassistenten en wordt een donor retour gebracht naar een afnamebed.”\n\n(…)”\n\nAfbeelding 3\n\nAfbeelding 4\n\n2.6.. \n\n [donorassistente 1] heeft bloed afgenomen bij [verzoekster] . Zij heeft op 2 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd.\n\n“(…)\n\nNa donatie\n\n(…)mevrouw [verzoekster] had nergens last van. Zij gaf aan dat het goed ging, had ook na de donatie “kleur”in haar gezicht en ik ben met haar naar de houten afscheidingswand gelopen. Vervolgens heeft zij het laatste deel naar de koffietafel (twee meter) zonder mij gelopen. Ik ben vervolgens verder gegaan met mijn werkzaamheden in de afnameruimte.\n\nIncident\n\nOp het moment dat ik bezig was met de opruimwerkzaamheden hoorde ik een harde “boem” en riep de vrijwilligster \u002F koffiedame om hulp.\n\n(…)”\n\n2.7.. \n\n [donorassistente 2] heeft op 2 juni 2022 het volgende verklaard:\n\n“(…)\n\nIncident\n\n(…)\n\nHet incident (de val) heb ik niet gezien. Ik was werkzaam op de afnameafdeling, hoorde een val en vrijwel direct hoorde ik dat de vrijwillgster om hulp riep. Ik ben toen snel naar de koffietafel gerend, samen met [naam 2] .\n\n(…)\n\nToedracht\n\n(…)\n\nDe donor vertelde (…) dat zij aan de koffietafel was gaan zitten, zich niet lekker voelde en met haar hoofd tussen de armen op tafel was gaan liggen. Hoe zij gevallen was, wist zij niet.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n\n [verzoekster] heeft op 15 juni 2022 de volgende verklaring afgelegd bij [schaderegelingsbureau] :\n\n“(…)\n\nNadat de naald verwijderd was heb ik even schuin wat naar de tv gekeken die hing in de afnameruimte en na ongeveer een minuutje ben ik naar de koffietafel gelopen; alleen. Tijdens dat lopen van de grote stoel naar de koffietafel, voelde ik me raar: ik had een vaag gevoel in mijn lijf. Ik ben gaan zitten op een van de stoelen die aan de koffietafel stond en keek in de richting van de uitgang van de koffiekamer (…). Er was een dame aanwezig in de koffiekamer, die stond met haar rug naar mij toe bij de koffieautomaat.\n\nU vraagt of dat een medewerkster was van Sanwuin dan wel een donor.\n\nDat weet ik niet. Ik heb geen woord met haar gewisseld.\n\n(…)\n\nCafé\n\nIn de koffiekamer\u002Fdonorcafe liggen op de tafel veel koeken. (…)\n\nVan mijn werkgever (het Rode Kruis) hadden wij, ter voorbereiding op de kerst, een grote\n\nTony's Chocolonely chocoladereep meegekregen. Ik heb die uit mijn tas gepakt, brak een stukje af en at. Ik weet nog dat het de smaak 'puur' had terwijl ik liever melkchocolade had. Ik voelde mij niet happy en steeds leger worden. Bij het Rode Kruis heb ik geleerd dat ik mij in dergelijke situaties voorover op een tafel moet gaan leggen waarbij mijn handen gekruist onder mijn hoofd. In die houding ben ik ook op de tafel gaan liggen in het donorcafé. Toen ging 'het licht uit'.\n\n(…)”\n\n2.9.. Het door Sanquin opgestelde “profiel vrijwilliger op afnamelocatie” (hierna: het profiel) luidt als volgt:\n\n“Profiel vrijwilliger op afnamelocatie\n\nWERKZAAMHEDEN\n\nDe taken van de vrijwilliger op een afnamelocatie van Sanquin zijn divers en worden per keer dat de vrijwilliger aanwezig is afgestemd met de teamleider inzameling van Sanquin en\u002Fof de vrijwilligerscoördinator (zelf ook een vrijwilliger). Het vrijwilligerswerk op de afnamelocatie omvat onder andere de volgende activiteiten:\n\n het verwelkomen van donors op de afnamelocatie\n\n het verzorgen van koffie, thee en versnaperingen voor donors\n\n het op orde houden van het donorcafé\n\n het verstrekken van schriftelijk informatiemateriaal\n\n het doorverwijzen naar een medewerker van de bloedbank als een donor\n\ninhoudelijke vragen heeft\n\n het inschakelen van een medewerker van de bloedbank als een donor onwel wordt.\n\n(…)\n\nSanquin verwacht van de vrijwilliger dat zij\u002Fhij:\n\n enthousiast, betrokken en flexibel is\n\n goede sociale vaardigheden en een servicegerichte instelling heeft\n\n verantwoordelijkheidsgevoel heeft en zorgvuldig en oplettend handelt\n\n een 'vrijwillig maar niet vrijblijvend'-mentaliteit heeft”.”\n\n2.10.. Het Handboek Domaine is de weergave van het eindresultaat van een onderzoeksproject onder bloedbanken naar donormanagement (DonorManagement in Europe). In het handboek van 2010 staat onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…)\n\nDe donor observeren tijdens en na de donatie, (…) ervoor zorgen dat de donor zich helemaal goed voelt als hij de locatie verlaat. Het is belangrijk dat verpleegkundigen, donorassistenten en vrijwilligers de donor na zijn donatie goed in de gaten houden.\n\n(…)\n\n2.11.. In de ten tijde van de bloeddonatie geldende 20e editie van de WDQM Blood Guide van de Raad van Europa (hierna Blood Guide) staan geen regels opgenomen over het aanbieden of drinken van water en\u002Fof (na)zorg voor donoren.\n\n2.12.. \n [verzoekster] heeft Sanquin aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Sanquin heeft de aansprakelijkheid afgewezen.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n [verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):\n\n1. voor recht te verklaren dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van de (behandel)overeenkomst (artikel 7:446 BW en\u002Fof 6:74 BW) dan wel onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld (artikel 6:162 BW) en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval en Sanquin c.s. gehouden zijn de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden;\n\n2. de kosten van [verzoekster] zoals bedoeld in artikel 1019 aa Rv te begroten op het onder V.2 (randnummer van het verzoekschrift, aanvulling rechter)begrote bedrag, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en Sanquin c.s. te veroordelen – uitvoerbaar bij voorraad – dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V. en te verklaren voor recht dat de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd zal zijn als niet binnen deze termijn is voldaan.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n [verzoekster] is flauwgevallen in het donorcafé waar zij plaats had genomen om aan te sterken na haar bloeddonatie. Zij is met stoel en al op de grond gevallen en heeft hierdoor een incomplete dwarslaesie opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat Sanquin aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden, omdat Sanquin onvoldoende (na)zorg heeft geboden. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.\n\n4.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n4.3.. \n [verzoekster] wenst de aansprakelijkheidsvraag bij deelgeschil voor te leggen, omdat partijen buiten rechte in staat zullen zijn de zaak verder te behandelen en de schade te begroten.\n\n4.4.. In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over of Sanquin aansprakelijk is of niet. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\n4.5.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] - samengevat - ten grondslag gelegd dat Sanquin niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, namelijk de plicht om het risico voor donoren zo klein mogelijk te maken. Op het moment dat het ongeluk gebeurde bevonden alleen [verzoekster] en een vrijwilligster van Sanquin zich in het donorcafé. De vrijwilligster fungeerde als koffiedame en had als taak om, naast het verzorgen van eten en drinken voor de donoren, de donoren goed in de gaten te houden. Dat heeft de vrijwilligster volgens [verzoekster] niet gedaan. De vrijwilligster stond met de rug naar haar toe en daardoor heeft zij niet op tijd gezien dat [verzoekster] niet lekker werd. Ook de donorassistentes hebben niets gezien; zij hadden geen zicht op [verzoekster] door de scheidingswand. Sanquin had extra alert moeten zijn vanwege het risico op flauwvallen en verscherpt toezicht moeten houden omdat [verzoekster] een vrouw is en voor het eerst doneerde. [verzoekster] valt in de risicocategorie met een verhoogde kans op flauwvallen na meer dan 15 minuten na de donatie. Volgens [verzoekster] is haar ook geen drinken aangeboden voorafgaand en na de donatie, terwijl Sanquin op haar website donoren adviseert om water te drinken om flauwvallen te voorkomen. Dat dit helpt, blijkt ook uit een studie van Sanquin die zij op haar website heeft gepubliceeerd. Tot slot stelt [verzoekster] dat volgens het Domaine Handboek de ruimte zo moet zijn ingericht dat de veiligheid van zowel donoren als personeel gewaarborgd is. Er zijn geen relaxfauteuils geplaatst door Sanquin, danwel fauteuils die een stuk zwaarder zijn dan de stoelen op 4 hoge poten die gemakkelijk kunnen omvallen.\n\n4.6.. \n\nSanquin c.s. verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe\n\n- samengevat - het volgende aan. Volgens Sanquin c.s. is sprake geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Sanquin heeft haar zorgplicht nageleefd en heeft alles gedaan zoals het hoort. Volgens Sanquin kon zij dit ongeval redelijkerwijs niet voorzien en ook niet voorkomen. Er is gehandeld als goed hulpverlener conform de wet- en regelgeving, de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard. Ook alle Standard Operating Procedures (hierna: sop’s) zijn nageleefd. Volgens Sanquin c.s. heeft de vrijwilligster [verzoekster] in de gaten gehouden en direct geacteerd toen de vasovagale reactie (het flauwvallen) zich aandiende. Ze stond weliswaar met haar rug naar [verzoekster] toe omdat ze drinken voor [verzoekster] aan het bereiden was, maar voordat de koffie bereid was viel [verzoekster] al op de grond. Toen de vrijwilligster haar zucht hoorde die de val inluidde, is zij meteen naar [verzoekster] toegesneld. Volgens Sanquin valt niet in te zien wat de vrijwilligster redelijkerwijs anders had kunnen doen om de val te voorkomen. Uit het opgestelde profiel blijkt dat de taak van de vrijwilligers – onder andere – is om een medewerker in te schakelen als een donor onwel wordt en dat heeft de vrijwilligster ook gedaan. Zij heeft gelijk om hulp geroepen toen zij [verzoekster] zag wegzakken. Verder is er wel degelijk actief drinken aangeboden na de bloedafname op het bed en vervolgens in het donorcafé. [verzoekster] behoorde niet tot een risicogroep.\n\n4.7.. De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of Sanquin tekort is geschoten in de zorgplicht die zij jegens [verzoekster] in acht moest nemen. De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat niet in geschil is dat de vrijwilligster in het donorcafé de taak heeft om de donoren iets te eten en te drinken aan te bieden zodat zij na de donatie kunnen aansterken. Evenmin is in geschil dat de kans bestaat dat een donor dan alsnog flauwvalt.\n\n4.8.. De rechtbank is van oordeel dat van Sanquin mag worden verwacht dat zij voldoende toezicht houdt op de donoren nadat de donatie heeft plaatsgevonden en dat zij voldoende maatregelen neemt om ongevallen te voorkomen, ondanks het feit dat het flauwvallen in de donorruimte minder vaak voor komt dan direct na de donatie en de gevolgen van het flauwvallen over het algemeen niet zo ernstig zijn als in deze zaak. Partijen zijn het erover eens dat de vrijwilligster de taak heeft om “op te letten”, maar het is de vraag of dat in voldoende mate is gedaan. Beoordeeld moet worden of Sanquin meer had kunnen en moeten doen dan ze nu gedaan heeft, zodat het ongeval dat heeft plaatsgevonden mogelijk voorkomen had kunnen worden.\n\n4.9.. Uit de diverse verklaringen die bij [schaderegelingsbureau] zijn afgelegd over de toedracht van het ongeval kan met voldoende mate van zekerheid het volgende worden afgeleid. [verzoekster] heeft de laatste meters vanaf de scheidingswand naar de stoel alleen afgelegd en is door de donorassistente niet bij de scheidingswand bij de vrijwilligster geïntroduceerd. [verzoekster] wist dan ook niet dat de enige andere aanwezige in de koffieruimte een vrijwilligster van Sanquin was en wat [verzoekster] van deze koffiedame kon en mocht verwachten. Volgens [verzoekster] stond de vrijwilligster met de rug naar haar toe toen zij in het donorcafé kwam en is er geen contact geweest met haar. De vrijwilligster heeft zelf ook verklaard dat ze met de rug naar [verzoekster] toe stond omdat zij met het koffiezetapparaat bezig was. De vrijwilligster ging er weliswaar vanuit gaat dat ze actief wat te drinken heeft aangeboden, maar zeker weten deed ze dat niet. Er zijn onvoldoende aanwijzingen dat ze dit daadwerkelijk heeft gedaan. Dat de vrijwilligster met het koffiezetapparaat “bezig was” hoeft immers nog niet te betekenen dat ze koffie aan het bereiden was voor [verzoekster] . Ze naderde het eind van haar dienst en was mogelijk bezig om alles netjes achter te laten. Uit de verklaring van [verzoekster] kan worden afgeleid dat zij nadat ze had plaatsgenomen nog een reep chocola uit haar tas heeft gepakt en dat ze één of meerder minuten later voorover is gaan zitten met haar hoofd op haar handen, omdat ze zich niet lekker voelde. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] verklaard dat ze de koffiedame niet heeft benaderd toen ze zich niet lekker voelde, omdat ze niet wist wat ze van haar kon verwachten. Vaststaat dat de vrijwilligster niet heeft gezien dat [verzoekster] een reep chocolade pakte, zich vervolgens niet goed voelde, noch dat zij van houding veranderde in haar stoel. Zij heeft ook niet opgemerkt dat [verzoekster] mogelijk zou flauwvallen. De vrijwilligster heeft over de toedracht van het ongeval eerst verklaard dat zij met de rug naar het koffiezetapparaat stond op het moment dat [verzoekster] viel. Hierna heeft zij verklaard dat zij zich heeft omgedraaid op het moment dat zij een zucht hoorde en dat zij nog geprobeerd heeft om de stoel tegen te houden zodat hij niet om zou vallen. Vaststaat in ieder geval dat de vrijwilligster pas om hulp heeft geroepen nadat [verzoekster] al op de grond lag. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat van actief opletten van de vrijwilligster geen sprake is geweest. Dat Sanquin dit wel van de vrijwilligster verwachtte en de instructie heeft gegeven dat zij actief moest opletten is de rechtbank niet gebleken. In het profiel van de vrijwilliger op locatie staat slechts beschreven dat een medewerker van de bloedbank moet worden ingeschakeld als een donor onwel wordt. Er staat niet in het profiel beschreven dat een vrijwilliger moet letten op tekenen die erop kunnen wijzen dat een donor onwel wordt. Het verweer van Sanquin dat de vrijwilligster niet anders kon dan met de rug naar [verzoekster] toe staan omdat zij bezig was met het koffiezetapparaat wordt gepasseerd. Sanquin had de beschikbare ruimte voor donoren anders kunnen inrichten of thermoskannen met koffie en thee op tafel kunnen plaatsen. Daarnaast had Sanquin de vrijwilligster duidelijker kunnen en moeten wijzen op haar taak dat zij actief moest letten op de donor. De vrijwilligster was door de geplaatste scheidingswand namelijk de enige die zicht kon hebben op [verzoekster] tijdens haar herstel in het donorcafé. Dit geldt temeer omdat [verzoekster] voor de eerste maal bloed doneerde, dus onbekend was met de situatie\u002Fpersonen ter plaatse en er stoelen in de ruimte waren geplaatst die kennelijk zo instabiel waren dat ze in het geval van flauwvallen konden omvallen.\n\n4.10.. De rechtbank passeert het verweer van Sanquin dat het Domaine handboek verouderd is en dat zij alles heeft gedaan wat zij moest doen omdat zij aan alle geldende wet- en regelgeving heeft voldaan, dat zij de professionele standaard en de kwaliteitsstandaard heeft nageleefd en ook alle sop’s. Dit ontneemt haar namelijk niet de plicht om voldoende (na)zorg te bieden aan donoren die bloed geven of hebben gegeven en kans hebben om flauw te vallen. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [verzoekster] . Zij is aansprakelijk op grond van artikel 6:74 BW, omdat geen sprake is van een behandelrelatie.\n\n4.11.. De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten.\n\n4.12.. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n4.13.. \n\n [verzoekster] maakt, na vermeerdering van haar vordering ter zitting, aanspraak op € 8.942,50 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 320,-.\n\nSanquin c.s. hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben Sanquin c.s. in het verweerschrift aangevoerd dat 14,5 uur voor andere werkzaamheden dan het opstellen van het verzoekschrift bovenmatig is en dat de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Du Plessis de tijd voor het bestuderen van het verweerschrift verhoogd van 4 naar 16 uren, zodat er in totaal betaling van 36,5 uren wordt gevorderd. De reden voor deze vermeerdering is dat er 669 pagina’s bestudeerd moesten worden, waarvan een groot deel in het technisch Engels was. Sanquin c.s. hebben ter zitting geen verweer gevoerd tegen de vermeerdering van de vordering met 12 uren. De kosten voor het opstellen van het verzoekschrift komen volgens Sanquin ook niet voor vergoeding in aanmerking omdat het precies hetzelfde verzoekschrift is als [verzoekster] eerder heeft ingediend, maar vervolgens heeft ingetrokken.\n\n4.14.. De rechtbank overweegt als volgt. Voor een zaak met deze omvang en complexiteit is een tijdsbesteding van 36,50 uren naar het oordeel van de rechtbank redelijk. Er zijn immers diverse verslagen, omvangrijke handboeken en Standard Operating Procedures die bestudeerd moesten worden, naast de zeer omvangrijke EDQM Blood Guide die ook nog enkel in de Engelse taal is overgelegd. Ten aanzien van de 10 gevorderde uren voor het opstellen van het verzoekschrift is niet gesteld of gebleken dat Sanquin c.s. deze uren in de ingetrokken procedure reeds vergoed heeft. De procedure is ingetrokken omdat [verzoekster] verrast werd door de omvangrijke productie die door Sanquin werd ingediend en niet meer bestudeerd kon worden. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 36,5 uren × € 245,00 inclusief btw, dus op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00.\n\n4.15.. Sanquin c.s. zullen hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] worden veroordeeld. Dit houdt in dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Ten aanzien van Axa heeft te gelden, in verband met het eigen risico van Sanquin van € 25.000,00, dat Axa alleen maar hoeft te betalen als de schade het bedrag van € 25.000,00 te boven gaat. Indien de één betaalt zal de ander zijn bevrijd.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n5.1.. verklaart voor recht dat Sanquin tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht en aansprakelijk is voor het [verzoekster] overkomen ongeval;\n\n5.2.. verklaart voor recht dat Sanquin c.s. gehouden is de reeds geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade aan [verzoekster] te vergoeden, met dien verstande dat Axa alleen maar gehouden is de reeds geleden en te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden indien en voor zover de schade een bedrag van € 25.000,00 te boven gaat en indien de één betaalt de ander zal zijn bevrijd;\n\n5.3.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 8.942,50 inclusief btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 320,00 en veroordeelt Sanquin c.s. hoofdelijk tot betaling daarvan aan [verzoekster] ;\n\n5.4.. bepaalt dat de begrote kosten binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking moeten worden voldaan op rekening [rekeningnummer] ten name van Du Plessis Letselschade Advocatuur B.V., te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der voldoening indien de kosten niet binnen deze termijn zijn voldaan;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken door mr. S.B. van Baalen op 7 juli 2026.\n\n 547\u002FTG","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2689","ecli-nl-rbnne-2026-2689",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"785","ECLI:NL:RBNNE:2026:2560","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Assen\n\nraadkamernummer : 25-027385\n\ndatum : 23 juni 2026\n\nbeslissing van de meervoudige strafkamer op de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering in de zaak van:\n\n[veroordeelde] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,\n\nhierna: veroordeelde.\n\nAdvocaat: mr. R.F. van Leeuwen, advocaat te Rotterdam.\n\nFeiten\n\nHet gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft aan veroordeelde bij arrest van 13 juli 2016 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat van 206.219,61. In het arrest werden aan veroordeelde nog geen dagen lijfsdwang\u002Fgijzeling opgelegd. Op 5 juni 2018 is de ontnemingsmaatregel onherroepelijk geworden.\n\nVeroordeelde heeft tot 21 april 2021 aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) een bedrag van in totaal 537,00 betaald. Een bedrag van 205.682,61 staat derhalve nog open.\n\nHet CJIB heeft in de Strafketendatabank (SKDB) achterhaald dat veroordeelde vanaf 10 mei 2024 door de gemeente (naar de rechtbank begrijpt: [plaats] , waaronder zijn toenmalige woonplaats [plaats] valt) is uitgeschreven en dat veroordeelde sinds 21 maart 2025 als niet-ingezetene geregistreerd staat op een buitenlands adres, te weten: [adres] .\n\nOp 30 juli 2025 heeft het CJIB veroordeelde aangeschreven op voornoemd adres in Marokko, om uiterlijk 29 augustus 2025 het openstaande bedrag van de ontnemingsmaatregel te voldoen. Hierop heeft het CJIB geen reactie en\u002Fof betaling ontvangen. Deze aanschrijving kwam onbestelbaar retour naar het CJIB.\n\nDe officier van justitie heeft vervolgens bij de rechtbank gevorderd dat een machtiging wordt verleend tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling voor de duur van 540 dagen.\n\nProcedure\n\nVoornoemde vordering is op 27 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.\n\nDe rechtbank heeft op 18 december 2025 de vordering ter terechtzitting behandeld en de oproeping nietig verklaard, omdat de oproeping niet op een bestaand adres was gedaan.\n\nDe rechtbank heeft op 23 juni 2026 de vordering opnieuw ter terechtzitting behandeld. De oproeping van veroordeelde is gedaan op het adres [adres] en verzonden via reguliere post.\n\nDe rechtbank heeft ter terechtzitting van 23 juni 2026 de officier van justitie,\n\nmr. R. Janssens, gehoord. Als advocaat van veroordeelde is verschenen mr. R.F. van Leeuwen, die heeft verklaard niet bepaaldelijk gevolmachtigd te zijn. Veroordeelde is niet verschenen.\n\nBeoordeling\n\nGeldigheid oproeping\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de oproeping van veroordeelde niet op de juiste wijze is geschied en gevorderd dat de oproeping nietig wordt verklaard.\n\nDe officier van justitie heeft daartoe toegelicht dat blijkens het rechtshulpverdrag tussen Nederland en Marokko oproepingen via een Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) dienen te worden uitgestuurd naar de liaison in het betreffende land, en niet via reguliere post dienen te worden verzonden. Reeds daarom is sprake van een niet-rechtsgeldige betekening. Vervolgens geldt er een betekeningstermijn van 80 dagen, waar in onderhavige zaak niet aan is voldaan.\n\nDe officier van justitie heeft daarnaast toegelicht dat veroordeelde zich in Marokko in (al dan niet geschorste) uitleveringsdetentie bevindt, zodat de kans dat veroordeelde de oproeping heeft ontvangen klein is. Naar verwachting zal veroordeelde binnen een jaar aan Nederland worden uitgeleverd.\n\nDe rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat de oproeping van veroordeelde niet op de juiste wijze is geschied. De rechtbank zal de oproeping daarom nietig verklaren.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de oproeping nietig.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. G. Eelsing, voorzitter,\n\nmr. H.R. Eising en mr. C. Krijger, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R. de Boer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\nMr. C. Krijger is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2560","ecli-nl-rbnne-2026-2560",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht; Strafprocesrecht",{"id":34,"ecli":35,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":36,"fullText":37,"language":7,"source":17,"sourceUrl":38,"summary":14,"slug":39,"metadata":40},"890","ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","2026-06-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1198 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHutten heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 23 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 15.988,98, waaronder schulden aan de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van april 2024 tot en met mei 2025. Door een turbulente periode in haar privéleven is verzoekster mentaal langzaam bergafwaarts gegleden. Verzoekster is verslaafd geraakt en is haar fulltimebaan verloren, waardoor de schulden zijn ontstaan.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat de schuld aan de Belastingdienst middels verrekening met een teruggave is opgelost. Zij is inmiddels meer dan vier maanden clean en gaat binnenkort in behandeling voor haar problemen uit het verleden, ook om een herhaling te voorkomen. Daarna wil zij zo snel mogelijk weer aan het werk. Met een oud-werkgever heeft zij inmiddels contact gelegd.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat verzoekster goed bezig is geweest om alles weer op de rit te krijgen. Het budgetbeheer verloopt goed en er zijn sindsdien geen nieuwe schulden ontstaan. De schuldhulpverlener heeft er vertrouwen in dat de behandeling bij de verslavingszorg goed zal uitpakken. Hij heeft er alle vertrouwen in dat verzoekster de Wsnp met goed gevolg zal doorlopen, ook omdat verzoekster in het verleden een goede baan heeft gehad en dus verdiencapaciteit heeft.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft hard aan zichzelf gewerkt, wat ertoe heeft geleid dat zij inmiddels clean en stabiel is. Het budgetbeheer verloopt goed, waardoor er al geruime tijd geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan. Ook de omstandigheid dat verzoekster binnenkort weer werkzaam zal zijn, waardoor er meer ruimte in het budget zal ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen, temeer nu verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2691","ecli-nl-rbnne-2026-2691",{"courtName":6,"legalDomain":41,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Insolventierecht",{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":36,"fullText":45,"language":7,"source":17,"sourceUrl":46,"summary":14,"slug":47,"metadata":48},"880","ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1199 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen verzoekster,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\n [verzoekster] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoekster heeft op 5 maart 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met [beschermingsbewindvoerders namens bewindvoeringsbedrijf] B.V., beschermingsbewindvoerder.\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoekster heeft een schuldenlast van in totaal € 27.202,57, waaronder schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB. De schulden van verzoekster zijn ontstaan in de periode van januari 2022 tot en met juli 2024. Door het overlijden van haar opa, die als een tweede vader voor haar was, is verzoekster in een depressie geraakt. Door haar depressie kon het haar allemaal niet meer schelen en is zij goederen gaan bestellen zonder te betalen, wat mede geleid heeft tot het ontstaan van haar schulden. Verzoekster zag op enig moment door de bomen het bos niet meer en heeft ingezien dat het zo niet langer kon en is in 2024 hulp gaan zoeken bij de gemeente voor haar financiële problemen.\n\n2.6.. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij momenteel alles weer goed op de rit heeft en dat zij inmiddels voor 32 uur in de week aan het werk is.\n\n2.7.. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat er sinds het uitspreken van het beschermingsbewind op 9 augustus 2024 geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat verzoekster de afgelopen jaren geen bestellingen meer heeft gedaan bij postorderbedrijven. Het beschermingsbewind verloopt mede door de opstelling van verzoekster goed.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan het UWV, de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoekster de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoekster nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoekster heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van haar schulden geen sprake meer is. Sinds het uitspreken van het beschermings-bewind op 9 augustus 2024 zijn er geen schulden meer ontstaan en het beschermingsbewind loopt goed. Ook de omstandigheid dat verzoekster momenteel werkzaam is, waardoor er meer ruimte in het budget is ontstaan, maakt dat de rechtbank het verzoek zal toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. \n\nVerzoekster heeft verzocht om de Wsnp eerder in te laten gaan, te weten vanaf\n\n9 januari 2025 omdat zij vanaf dat moment heeft afgedragen. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de ingangsdatum op de verzochte datum te bepalen, omdat ter zitting is gebleken dat verzoekster gedurende het minnelijk traject niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Om die reden voldoet zij niet aan de vereisten voor een eerdere toelating en zal het verzoek daartoe worden afgewezen.\n\n3. 3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\n geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n3.3.. wijst het verzoek om een eerdere toelatingsdatum af;\n\n3.4.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.5.. geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2688","ecli-nl-rbnne-2026-2688",{"courtName":6,"legalDomain":41,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":50,"ecli":51,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":36,"fullText":52,"language":7,"source":17,"sourceUrl":53,"summary":14,"slug":54,"metadata":55},"886","ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","RECHTBANK Noord-Nederland\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Assen\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1201 R\n\nVonnis van 22 juni 2026\n\nop het verzoek van\n\n [verzoeker],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\nwonende aan [adres],\n\nhierna te noemen: verzoeker,\n\ntot toepassing van de schuldsaneringsregeling.\n\nSamenvatting\n\nHajjar heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.\n\nDe rechtbank wijst het verzoek toe.\n\n1. PROCESGANG\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 4 mei 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\n1.2.. Het verzoekschrift is behandeld ter zitting van 15 juni 2026. Daarbij is verzoeker verschenen tezamen met [schuldhulpverlener], als schuldhulpverlener werkzaam bij Stichting de Gemeentelijke Kredietbank (GKB).\n\n2. RECHTSOVERWEGINGEN\n\n2.1.. De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.\n\n2.2.. Het verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\n2.3.. Gebleken is dat verzoeker in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden.2.4.. Op grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.2.5.. Verzoeker is 35 jaar en heeft een eenmanszaak gehad handelend onder de naam [bedrijf]. Verzoeker dreef deze onderneming vanaf 11 december 2020. Volgens verzoeker heeft hij de onderneming in 2022 laten uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en heeft hij de Belastingdienst op de hoogte gesteld van het eindigen van de onderneming. De schuldenlast van verzoeker bedraagt € 50.817,23. Een groot deel van de schulden zijn ontstaan uit de onderneming van verzoeker, waaronder een deel van de belastingschulden. Verder heeft verzoeker schulden laten ontstaan aan het CJIB.\n\n2.6.. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de onderneming door de Corona maatregelen niet meer liep en dat hij daardoor niet meer aan zijn financiële verplichten kon voldoen. Ook lag verzoeker ten tijde van het ontstaan van zijn schulden in echtscheiding. Dit alles bij elkaar bezorgde verzoeker veel stress. Verzoeker is nu in rustiger vaarwater beland, zodat het naar omstandigheden goed met hem gaat. Verzoeker wil graag weer aan het werk, maar kampt met lichamelijke klachten waardoor werken momenteel niet lukt.\n\n2.7.. De schuldhulpverlener heeft ter zitting verklaard dat de belastingschulden ouder zijn dan uit het verzoekschrift volgt. Wellicht dat er op een later moment iets is geregistreerd, maar schulden zijn van voor de start van het budgetbeheer. Verzoeker is gemotiveerd om van zijn schulden af te komen. Het budgetbeheer verloopt prima en nieuwe schulden zijn al geruime tijd niet meer ontstaan.\n\n2.8.. De rechtbank stelt vast dat verzoekster ten aanzien van de schulden aan de Belastingdienst en het CJIB niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, omdat deze zijn ontstaan in de afgelopen drie jaar.\n\n2.9.. Het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kan echter, ondanks het feit dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 288, lid 1, aanhef en onder b Fw zich voordoet, op grond van artikel 288 lid 3 Fw toch worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen (de zogenaamde hardheidsclausule).\n\n2.10.. De rechtbank overweegt dat voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in ieder geval aannemelijk dient te zijn dat de oorzaak van de problematiek die tot de schulden heeft geleid onder controle is. Er dient met andere woorden sprake te zijn van een bestendige gedragsverandering waardoor in redelijkheid kan worden aangenomen dat de problematiek zich niet zal herhalen, omdat de oorzaak daarvan is weggenomen.\n\n2.11.. Naar het oordeel van de rechtbank is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting genoegzaam gebleken dat de situatie waarin verzoeker nu verkeert zodanig anders is dan ten tijde van het ontstaan van de schulden dat gesproken kan worden van “een keer ten goede”. Verzoeker heeft aangetoond dat van de situatie zoals die was ten tijde van het ontstaan van zijn schulden geen sprake meer is. Zo heeft verzoeker zijn bedrijfsactiviteiten gestaakt en zijn er na het starten van het budgetbeheer bij de GKB op 4 januari 2024 alleen in het begin nog wat schulden ontstaan. Het budgetbeheer verloopt nu goed. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen.\n\n2.12.. De Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\n2.13.. De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum. Aan de hand van de ingediende stukken en hetgeen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.\n\n3. BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoeker],\n\n geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],\n\n wonende aan [adres];\n\n3.2.. \n\nstelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van\n\n dit vonnis;\n\n3.3.. \n\nbenoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Groenewegen,\n\nen tot bewindvoerder [bewindvoerder],\n\ngevestigd te [adres];\n\n3.4.. \n\ngeeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte\n\n brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.H. Beuker en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2690","ecli-nl-rbnne-2026-2690",{"courtName":6,"legalDomain":41,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":57,"ecli":58,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":60,"language":7,"source":17,"sourceUrl":61,"summary":14,"slug":62,"metadata":63},"1561","ECLI:NL:RBNNE:2026:2606","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 271623182\n\nzaaknummer: 12012881 BU VERZ 25-2552\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘voertuig voorzien van voorziening die bij botsing kans op lichamelijk letsel aan anderen aanzienlijk vergroten’, verricht op 23 januari 2025, om 14:58 uur, op de Rondweg in Emmen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 309,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. De spoiler op betrokkenes auto heeft geen scherpe delen en het steekt ook niet uit. De spoiler is namelijk afgewerkt en gemaakt van rubber. Daar komt bij dat de spoiler niet breder is dan zijn spiegels en niet verder uitsteekt dan zijn trekhaak. Daarnaast is de feitcode veranderd naar het hebben van voorzieningen die de kans op letsel vergroten. Het is raar dat een boete ineens kan veranderen van het hebben van scherpe delen naar het hebben van voorzieningen aan de voorkant van zijn auto.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. De verkeersovertreding kan niet vast worden gesteld, omdat uit het dossier niet blijkt dat betrokkenes auto een voorziening op de voorkant had die de kans op letsel bij een botsing kan vergroten.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. De officier van justitie heeft de feitcode gewijzigd naar het hebben van voorziening aan de voorzijde van de auto die de kans op letsel bij een botsing kan vergroten. De verbalisant heeft in het zaakoverzicht verklaard dat de spoiler breder was dan het voertuig. De verklaring van de verbalisant gaat niet over de voorkant van het voertuig maar over de achterkant. Daar komt bij dat ook uit de foto niet blijkt dat er sprake was van een voorziening aan de voorkant van de auto. De verkeersovertreding kan daarom niet vastgesteld worden op basis van de gegevens in het zaakoverzicht. De kantonrechter ziet aanleiding om de boete te vernietigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2606","ecli-nl-rbnne-2026-2606",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht",{"id":66,"ecli":67,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":68,"language":7,"source":17,"sourceUrl":69,"summary":14,"slug":70,"metadata":71},"1547","ECLI:NL:RBNNE:2026:2603","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 273878606\n\nzaaknummer: 12012842 BU VERZ 25-2547\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘aanhangw. \u003C 750 kg heeft geen deugdelijk bevestigde\u002Fgoed leesbare\u002Fniet afgeschermde en goedgekeurde kentekenplaat’, verricht op 19 mei 2025, om 14:27 uur, op de Vliegveldweg in Hoogeveen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Hij is niet degene die is staande gehouden. Het ID-kaartnummer in het zaakoverzicht komt niet overeen met die van betrokkene. Daar komt bij dat uit de rittenregistratie van zijn auto blijkt dat hij om 13:30 uur thuis was gekomen.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het beroep gegrond verklaard moet worden. Zij vindt het aannemelijk dat betrokkene niet op de pleeglocatie is geweest.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\nKan de verkeersovertreding vastgesteld worden?\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan niet worden vastgesteld. Betrokkene heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet degene was die is staande gehouden. Het documentnummer van betrokkenes ID-kaart komt niet overeen met het nummer in het zaakoverzicht. Daarnaast was betrokkene de hele dag in Noord-Holland en kon hij ook niet op het tijdstip in het zaakoverzicht in Hoogeveen zijn. De kantonrechter zal de boete vernietigen.\n\nHeeft betrokkene recht op een proceskostenvergoeding?\n\n6. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, moet de officier van justitie de kosten van betrokkene betalen. Deze voert aan dat hij € 95,87 aan reiskosten en\n\n€ 188,80 aan verletkosten heeft gemaakt. Hij heeft deze kosten onderbouwd en de kantonrechter vindt deze redelijk. De kantonrechter kent de proceskostenvergoeding voor het gehele bedrag toe.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;\n\nveroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 284,67.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2603","ecli-nl-rbnne-2026-2603",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":73,"ecli":74,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":75,"language":7,"source":17,"sourceUrl":76,"summary":14,"slug":77,"metadata":78},"1506","ECLI:NL:RBNNE:2026:2601","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 265807391\n\nzaaknummer: 11754731 BU VERZ 25-1235\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig zo laten staan, dat gevaar op de weg wordt of kan worden veroorzaakt of verkeer wordt of kan worden gehinderd’, verricht op 25 april 2024, om 18:17 uur, op [adres] , met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij was aanwezig als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechterStandpunten\n\n2. Gemachtigde voert aan dat betrokkene nog geen tien seconden stil stond toen de agent uitstapte om een boete uit te schrijven. Betrokkene had de alarmlichten aan. Op dit rijvak geldt geen verbod om stil te staan, waardoor betrokkene hier kort mag stoppen om te laden, lossen of iemand te laten in- of uitstappen. Hoewel er parkeervakken aanwezig zijn, blokkeerde betrokkene niemand door naast een stuk groen te parkeren. De agent gaf aan betrokkene een bekeuring te willen geven voor dubbel parkeren. Nadat betrokkene aangaf dat dit niet het geval was, heeft de agent alsnog deze overtreding vastgesteld, maar dit niet toegelicht.\n\n2.1.. Verder voert gemachtigde aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat sprake is van het creëren van gevaar of hinder. Uit eerdere rechtspraak blijkt dat enkel een foto hiervoor niet voldoende is, maar in dit geval is er zelfs geen foto. Daarnaast is het niet relevant of sprake is geweest van parkeren of laden en lossen. De gemachtigde verzoekt om vergoeding van de proceskosten op een specifiek rekeningnummer.\n\n3. De vertegenwoordiger is van mening dat de boete vernietigd moet worden. De verkeersovertreding is onvoldoende onderbouwd door de verbalisant.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\nKan de verkeersovertreding vastgesteld worden?\n\n5. De kantonrechter ziet aanleiding om te twijfelen aan de gegevens in het dossier. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt onvoldoende waar de hinder uit bestond. De enkele verklaring dat het voertuig stilstond en dat het overige verkeer geen doorgang kon vinden is hiervoor in dit geval onvoldoende. De verkeersovertreding kan daarom niet worden vastgesteld.\n\nHeeft betrokkene recht op een proceskostenvergoeding?\n\n6. Omdat de kantonrechter het beroep gegrond zal verklaren, zal hij de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Hij zal één punt toekennen met een waarde van € 666,00 voor het indienen van het administratief beroepschrift en één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 934,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat zowel de boete als de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op beide fasen.\n\n6.1.. De berekening is als volgt: (1 (procespunt) x € 666,00 (tarief) + 1 (procespunt) x € 934,00 (tarief)) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 200. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 200,00.\n\n6.2.. \n\nArtikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn beslissing een oordeel te geven.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt;\n\nveroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene van € 200,00;\n\nverklaart zich onbevoegd om te oordelen over de wijze van uitbetalen.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n Artikel 4, onderdeel a, van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2601","ecli-nl-rbnne-2026-2601",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":80,"ecli":81,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":82,"language":7,"source":17,"sourceUrl":83,"summary":14,"slug":84,"metadata":85},"1529","ECLI:NL:RBNNE:2026:2602","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 269756042\n\nzaaknummer: 11760319 BU VERZ 25-1259\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder van een bromfiets rijden terwijl de bromfiets de maximumconstructiesnelheid overschrijdt 11 t\u002Fm 15 km\u002Fh’, verricht op 17 oktober 2024, om 17:37 uur, op de Sportveldenweg in Hoogeveen, met een tweewielige bromfiets, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 169,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. De kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: O. van der Meer namens de gemachtigde en als vertegenwoordiger van de officier van justitie mr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Gemachtigde voert aan dat de boete vernietigd moet worden, omdat de meting niet is verricht volgens de eisen. Ten eerste is de motor niet voldoende gekoeld. Daar komt bij dat de meting niet is verricht door met lichaamsgewicht of tegendruk de bromfiets te belasten. Ten slotte blijkt niet uit het zaakoverzicht welke invloed de bandenspanning heeft gehad op de meting. Gemachtigde verwijst hierbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland.Verder komt het aanvullend proces-verbaal niet helemaal overeen met de verklaring in het zaakoverzicht. Het hof heeft eerder bepaald dat er dan vraagtekens gezet mogen worden bij de verklaring van de verbalisant.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. De meting is verricht volgens de aanwijzing. Dit is ook af te leiden uit het aanvullend proces-verbaal.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de meting door de verbalisant. Ten eerste heeft betrokkene onvoldoende aangetoond dat de verbalisant de motor niet voldoende heeft laten afkoelen. De verbalisant heeft in het aanvullend proces-verbaal uitgebreid verklaard dat de motor wel voldoende was afgekoeld. De enkele vermelding dat de verbalisant de bromfiets niet heeft laten afkoelen is niet voldoende om te twijfelen aan deze verklaring. Ten tweede hoeft uit het dossier niet te blijken of de bromfiets werd belast en of de bandenspanning invloed had op de meting. Uit de wet volgt namelijk dat dit in de handleiding van de bromfietsrollentestbank moet staan.Verder heeft betrokkene onvoldoende aannemelijk gemaakt dat tijdens de meting niet is voldaan aan de handleiding. De verbalisant heeft namelijk in het aanvullend proces-verbaal verklaart dat hij de bandenspanning heeft gecontroleerd en dat hij de bromfiets op de juiste manier heeft belast.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n Rb. Noord-Holland 19 januari 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4426.\n\n Artikel 29 van de Bijlage VIII van de Regeling voertuigen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2602","ecli-nl-rbnne-2026-2602",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":87,"ecli":88,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":89,"language":7,"source":17,"sourceUrl":90,"summary":14,"slug":91,"metadata":92},"1558","ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 274337795\n\nzaaknummer: 12012851 BU VERZ 25-2548\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘als bestuurder van een voertuig rijden terwijl hij wordt gehinderd door passagiers, lading of op andere wijze’, verricht op 31 mei 2025, om 12:03 uur, op de Rijksweg (A28) in Ubbena, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 319,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.\n\nBeoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Er is geen wettelijke verplichting om de hond uitsluitend in een bench te vervoeren. De hond zat op de bijrijdersstoel in een hondengordel en hij gedroeg zich rustig.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Uit het dossier volgt niet dat de verkeersovertreding heeft plaatsgevonden. Het is niet wettelijk expliciet verboden om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en hij zal de boete vernietigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. De verkeersovertreding kan niet vastgesteld worden. Uit de verklaring van de verbalisant blijkt niet dat betrokkene gehinderd werd door passagiers, lading of op een andere wijze. Daar komt bij dat er geen wettelijke regel is die expliciet verbiedt om een hond op de bijrijdersstoel met een riem te vervoeren. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de boete te vernietigen.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter:\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond;\n\nvernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;\n\nvernietigt die inleidende beschikking;\n\nbepaalt dat betrokkene het bedrag van de zekerheidstelling terugkrijgt.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2604","ecli-nl-rbnne-2026-2604",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":94,"ecli":95,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":96,"language":7,"source":17,"sourceUrl":97,"summary":14,"slug":98,"metadata":99},"1560","ECLI:NL:RBNNE:2026:2605","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Assen\n\nBestuursrecht\n\nbeschikkingsnummer: 273563499\n\nzaaknummer: 12012878 BU VERZ 25-2551\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ndie woont in [woonplaats] .\n\nInleiding\n\n1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone))’, verricht op 19 april 2025, om 14:24 uur, op de Noordersingel in Assen, met een personenauto, met kenteken [kenteken] . De opgelegde boete bedraagt € 129,00 (inclusief administratiekosten).\n\n1.1.. Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.\n\n1.2.. \n\nDe kantonrechter heeft het beroep op 15 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en als vertegenwoordiger van de officier van justitie\n\nmr. K. Kattick.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.Beoordeling door de kantonrechter\n\nStandpunten\n\n2. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat de boete vernietigd moet worden. Hij heeft geparkeerd op het terrein van de rechtbank en daar mogen geen boetes uitgedeeld worden, omdat het privéterrein is. Hij was zich van geen kwaad bewust dat hij daar niet mocht parkeren als het gebouw gesloten is.\n\n3. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat het beroep ongegrond verklaard moet worden. Het terrein van de rechtbank is voor het verkeer openbaar toegankelijk. Dit terrein valt daarom onder de reikwijdte van de parkeerverbodszone.\n\nBeslissing\n\n4. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hij zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.\n\nOverwegingen\n\n5. Betrokkene betwist de verkeersovertreding. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.\n\n5.1.. Op een privéterrein mag wel een boete opgelegd worden als dit terrein een voor het openbaar verkeer openstaande weg is.Hierbij is van belang of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat.Het terrein naast de rechtbank is een openbaar terrein waartoe de toegang niet wordt ontzegd door bijvoorbeeld een hek.Hierdoor valt dit terrein onder de parkeerverbodszone en mag er wel een boete worden opgelegd voor het parkeren op dit terrein. Het maakt verder ook niet uit dat de rechtbank op dat moment gesloten was.\n\nConclusie\n\nDe kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.\n\nWaarvan proces-verbaal,\n\nmr. M. Hidding, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nAls u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het\n\ngerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:\n\na. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of\n\nb. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.\n\nHet (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.\n\nDe wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10767.\n\n Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 14 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10767.\n\n Hof Arnhem-Leeuwarden 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:7240.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2605","ecli-nl-rbnne-2026-2605",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":101,"ecli":102,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":103,"fullText":104,"language":7,"source":17,"sourceUrl":105,"summary":14,"slug":106,"metadata":107},"1055","ECLI:NL:RBNNE:2026:2634","2026-05-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: C\u002F18\u002F26\u002F1128 R\n\nvonnis van 4 mei 2026\n\n in de zaak van:\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],\n\nwonende te [adres],\n\nhierna te noemen verzoekster\n\nPROCESGANG\n\nVerzoekster heeft op 13 februari 2026 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.\n\nHet verzoekschrift is behandeld ter zitting van 20 april 2026. Daarbij is verzoekster verschenen tezamen met haar echtgenoot [echtgenoot] en haar schuldhulpverlener mevrouw [schuldhulpverlener].\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015\u002F848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van verzoekster in Nederland ligt.\n\nHet verzoekschrift voldoet aan de daaraan gestelde eisen.\n\nGebleken is dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat zij niet zal kunnen voortgaan met betaling van haar schulden. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.\n\nDe Wsnp duurt in principe 18 maanden. Artikel 349a lid 1 Fw bepaalt dat de termijn van de schuldsaneringsregeling begint op de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling indien die eerder is gelegen.\n\nVerzoekster heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum als bedoeld in artikel 349a lid 1 Fw. Verzoekster heeft verzocht om haar Wsnp in te laten gaan op 9 december 2025, zijnde de datum waarop haar echtgenoot is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verzoekster heeft gesteld dat zij een oproepcontract heeft en 16 uur per week werkzaam. Haar zoon van 16 heeft ernstige gedragsproblemen en zijn verblijf is onduidelijk. Dit zorgt voor veel stress en beïnvloedt haar dagelijkse functioneren zodanig dat meer werken er niet in zat.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om de ingangsdatum te bepalen op de door verzoekster verzochte datum, omdat dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal het verzoek tot het vaststellen van een eerdere ingangsdatum afwijzen, omdat uit zowel het verzoekschrift als uit de nadien toegezonden aanvullende stukken is gebleken dat er de periode vanaf 9 december 2025 tot nu niet voldoende (vier keer per maand) is gesolliciteerd en niet voldoende is aangetoond dat verzoekster niet in staat is om meer uren per week te werken dan de 16 uur per week die zij feitelijk heeft gewerkt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het feit dat haar zoon ernstige gedragsproblemen heeft op zich genomen niet direct een ontheffing om te werken of te solliciteren voor 20 uur per week met zich meebrengt.\n\n BESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:\n\n [verzoekster],\n\ngeboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],\n\nwonende te [adres],\n\n- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden te rekenen vanaf de datum van dit vonnis;\n\n- benoemt tot rechter-commissaris mr. D.J. Klijn,\n\nen tot bewindvoerder mevrouw [schuldhulpverlener],\n\ngevestigd te [adres]\n\n;\n\n- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven en telegrammen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2634","ecli-nl-rbnne-2026-2634",{"courtName":6,"legalDomain":41,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":109,"ecli":110,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":112,"language":7,"source":17,"sourceUrl":113,"summary":14,"slug":114,"metadata":115},"1246","ECLI:NL:RBNNE:2026:1191","2026-04-14T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Assen\n\nparketnummer : 18-024181-25\n\nraadkamernummer : 26-000659\n\ndatum : 14 april 2026\n\nbeslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 14 april 2026 op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend door:\n\nMeldkamer Ambulancezorg Noord-Nederland, gevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ncorrespondentieadres ten kantore van de advocaat: [adres] , hierna te noemen: de klaagster,\n\nvertegenwoordigd door mr. M. van Mourik, advocaat-gemachtigde te Groningen, en mr. bc. R.J.B. Caderius van Veen, gemachtigde.\n\nInleiding\n\nIn het strafrechtelijk onderzoek tegen [verdachte] (hierna: verdachte) met parketnummer 18-024181-25 heeft de officier van justitie van de klaagster gevorderd de bandopname te verstrekken van de hierna omschreven 112-melding. Verdachte wordt ervan verdacht dat zij opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) van het leven heeft beroofd. Op 20 januari 2025 is door de moeder van verdachte, in het bijzijn van verdachte en haar vader, contact opgenomen met de meldkamer van 112 nadat het levenloze lichaam van het slachtoffer was aangetroffen.\n\nProcedure\n\nOp 23 september 2025 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de klaagster gevorderd de gegevens te verstrekken met betrekking tot de 112-melding op maandag 20 januari 2025 om 13.35.01 uur met het telefoonnummer [telefoonnummer] , die gaat over een acute situatie op het adres [adres] .\n\nDe rechter-commissaris heeft op 23 september 2025 een machtiging verleend aan de officier van justitie overeenkomstig de vordering.\n\nPer e-mail heeft de officier van justitie mr. G.R. Stoeten op 5 november 2025 aan de gemachtigde van klaagster een nadere toelichting gegeven op de vordering.\n\nOp 8 januari 2026 is op grond van artikel 552a Sv, in samenhang met de artikelen 126nf Sv, 96a Sv, derde lid, en 98 Sv een klaagschrift ingediend.\n\nIn het verweerschrift van 20 februari 2026 heeft de officier van justitie zijn standpunt gehandhaafd en nader toegelicht.\n\nDe rechtbank heeft verdachte [verdachte] in deze procedure als derde-belanghebbende aangemerkt en haar in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen. De raadsman van verdachte, mr. R.P. Eefting, heeft per e-mail op 27 maart 2026 aan de rechtbank laten weten dat de verdediging geen bezwaar heeft tegen vrijgave van de gevorderde gegevens en dat de verdediging niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het klaagschrift.\n\nHet klaagschrift is op 1 april 2026 in openbare raadkamer behandeld. De volgende personen zijn hierbij gehoord:\n\nmr. G.R. Stoeten, officier van justitie;\n\nmr. M. van Mourik, advocaat-gemachtigde van de klaagster;\n\nmr. bc. R.J.B. Caderius van Veen, gemachtigde van de klaagster;\n\ndhr. [naam] , medisch manager ambulancezorg.\n\nStandpunten partijen\n\nStandpunt van de klaagster\n\nDe klaagster heeft verzocht het klaagschrift gegrond te verklaren en te bepalen dat de klaagster niet hoeft te voldoen aan de vordering van de officier van justitie om de bandopname te verstrekken van de betreffende 112-melding. Daartoe is - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.\n\nMedewerkers van de ambulancedienst op de meldkamer hebben een beroepsgeheim dan wel een afgeleid beroepsgeheim op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst genoemd in het burgerlijk wetboek en de Wet BIG. Verschoningsgerechtigden zijn niet verplicht aan een vordering ex artikel 126nf Sv te voldoen voor zover het verschoningsrecht aan de verstrekking van de gegevens in de weg staat. De klaagster stelt zich op het standpunt dat de gevorderde gegevens vallen onder het (afgeleid) medisch beroepsgeheim dat voor (de medewerkers van) de ambulancedienst geldt en dat geen sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat het belang van de waarheidsvinding in deze situatie moet prevaleren boven het verschoningsrecht.\n\nHet feit dat verdachte, de moeder van verdachte en de nabestaanden van het slachtoffer hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het verstrekken van de gevorderde gegevens, maakt niet dat kan worden verondersteld dat ook het slachtoffer bij leven hiervoor toestemming zou hebben gegeven.\n\nDeze omstandigheid is wel meegenomen in de belangenafweging, maar maakt volgens klaagster niet dat het verschoningsrecht in deze situatie kan worden doorbroken. Het algemene belang dat mensen vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, contact moeten kunnen opnemen met de 112-meldkamer dient alsnog te prevaleren.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag en heeft daartoe het volgende - kort weergegeven - aangevoerd.\n\nNiet betwist wordt dat de gevorderde gegevens vallen onder de geheimhoudingsplicht en het afgeleide verschoningsrecht van de klaagster. Volgens de officier van justitie kan het beroepsgeheim in deze situatie echter worden doorbroken, omdat er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Het gaat om een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit en er is sprake van een ernstig geschokte rechtsorde. Het 112-gesprek betreft het eerste contact dat wordt gelegd met autoriteiten\u002Fhulpverleners over het aantreffen van het overleden slachtoffer. De inhoud van dit gesprek is van belang om vast te kunnen stellen wat verdachte en\u002Fof haar moeder tijdens dat gesprek precies hebben verteld en welke emoties daarbij zijn getoond. Ook kunnen de gevorderde gegevens meer duidelijkheid verschaffen over de wijze van aantreffen van de telefoon van het slachtoffer met daarop een afscheidsbericht en de totstandkoming van het besluit om in eerste instantie alleen een huisarts ter plaatse te laten komen. Deze details zijn van cruciaal belang, omdat er getwijfeld wordt aan de verklaringen van verdachte die zij tegenover de politie heeft afgelegd. De gevorderde gegevens kunnen bovendien niet op een andere manier worden verkregen.\n\nGelet op de aard en de inhoud van het gesprek is de inbreuk op het verschoningsrecht relatief beperkt. Het betreft een geluidsopname van 441 seconden en betreft niet een uitvoerig medisch rapport. Daarbij heeft de officier van justitie benadrukt dat veel medische gegevens van het slachtoffer reeds bekend zijn als gevolg van de in het dossier aanwezige forensische rapportages.\n\nVoorts heeft de officier van justitie gewezen op het feit dat de verdediging en de nabestaanden van het slachtoffer allen te kennen hebben gegeven, geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens door de klaagster. Mede in het licht van de context van de zaak (een verdenking van\n\nmoord) mag verondersteld worden dat het slachtoffer, als hij nog zou leven, ook toestemming zou hebben verleend tot verstrekking van de gevorderde gegevens.\n\nDe beoordeling van het klaagschrift\n\nGeheimhoudingsplicht en verschoningsrecht\n\nIngevolge artikel 88 Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) is een ieder die is ingeschreven in een op grond van de Wet BIG gehouden register, verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen. De centralist op de meldkamer ambulancezorg is een op grond van de wet BIG geregistreerde verpleegkundige. Op die centralist rust dan ook een geheimhoudingsplicht met een daaraan gekoppeld verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe plicht tot geheimhouding vloeit, aanvullend daarop, voort uit artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dan wel artikel 7:464 juncto artikel 7:457 BW, beter bekend als de Wet inzake de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst.\n\nVeronderstelde toestemming\n\nDe rechtbank stelt vast dat zowel de verdachte in de onderliggende strafzaak als de nabestaanden van het slachtoffer te kennen hebben gegeven geen bezwaar te hebben tegen de verstrekking van de gevorderde gegevens door de klaagster. De rechtbank is van oordeel dat toestemming van de direct betrokkenen niet vanzelf met zich meebrengt dat een verschoningsgerechtigde verplicht is zijn medewerking te verlenen aan een vordering, omdat het recht om zich te verschonen bij de verschoningsgerechtigde ligt en niet bij een ander.\n\nDe klaagster heeft aangevoerd dat het slachtoffer is overleden en dat niet verondersteld kan worden dat het slachtoffer toestemming zou hebben gegeven voor het verstrekken van de gevorderde gegevens als hij nog in leven zou zijn. Wel is de omstandigheid dat direct betrokkenen toestemming hebben gegeven betrokken in de afweging om de gevorderde gegevens niet te verstrekken.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat niet is voorzien in de mogelijkheid dat nabestaanden van het overleden slachtoffer, in plaats van het slachtoffer, toestemming geven voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim. De inschatting of sprake is van veronderstelde toestemming van het slachtoffer en of het verschoningsrecht moet worden gehandhaafd, is primair voorbehouden aan de verschoningsgerechtigde(n) en kan slechts marginaal worden getoetst door de rechtbank. Het oordeel van de klaagster dat in deze situatie niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat sprake zou zijn geweest van toestemming van het slachtoffer, komt de rechtbank niet kennelijk onredelijk voor.\n\nDat betekent dat het verschoningsrecht niet reeds kan worden doorbroken enkel vanwege het feit dat zowel verdachte als de nabestaanden van het slachtoffer toestemming hebben gegeven voor openbaarmaking van de inhoud van het 112-gesprek.\n\nBeoordelingskader\n\nAan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich, vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde, om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht is echter niet absoluut. Er kunnen zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap aan de verschoningsgerechtigde als zodanig is toevertrouwd - moet prevaleren boven het verschoningsrecht.\n\nDe beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt is niet in een algemene regel te vatten. De Hoge Raad heeft wel enkele meer algemene factoren benoemd die bij de beoordeling van de uitzonderlijkheid van de omstandigheden een rol (kunnen) spelen, zoals de aard en zwaarte van het delict, de aard en de omvang van de gegevens, de vraag in hoeverre de relevante gegevens op andere wijze kunnen worden verkregen en de mate waarin de betrokken belangen worden geschaad, indien het verschoningsrecht wordt doorbroken.\n\nOmdat het een uitzondering op de hoofdregel betreft, wijst de Hoge Raad erop dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dan strikt nodig is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het desbetreffende feit en dat voor de uitzondering zware motiveringseisen gelden.\n\nBeoordeling\n\nDe officier van justitie heeft betoogd dat in dit geval het verschoningsrecht moet wijken voor de waarheidsvinding in een zeer ernstige strafzaak, en dat daarom sprake is van een zeer uitzonderlijke omstandigheid als door de Hoge Raad bedoeld.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat het in de onderliggende strafzaak ontegenzeggelijk gaat om een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit, namelijk het opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven brengen van [slachtoffer] door verdachte [verdachte] . Daarover bestaat geen discussie.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de gevorderde gegevens naar hun aard en omvang bekeken strikt noodzakelijk zijn voor het aan het licht brengen van de waarheid.\n\nDaarbij is het volgende van belang.\n\nDe door de officier van justitie gevorderde gegevens hebben betrekking op het 112-gesprek dat is gevoerd door de moeder van verdachte op de dag (20 januari 2025) dat het levenloze lichaam van het slachtoffer door verdachte is aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat verdachte en de vader van verdachte bij dit 112-gesprek van de moeder aanwezig waren. De moeder en de vader hebben bij de politie verklaard over de inhoud van het gevorderde 112-gesprek, de omstandigheden waaronder dit gesprek heeft plaatsgevonden, de emoties van verdachte op dat moment en de plek waar de telefoon van het slachtoffer met daarop een afscheidsbericht werd gevonden. Indien nodig kunnen deze personen over de betreffende punten nog nader worden ondervraagd.\n\nDe rechtbank heeft verder geconstateerd dat in de onderliggende strafzaak tegen verdachte een uitvoerig einddossier is opgesteld, waarin verschillende potentiële bewijsmiddelen zijn opgenomen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gevorderde gegevens andere, nieuwe of aanvullende informatie bevatten die zodanig cruciaal is dat gesproken kan worden van een zeer uitzonderlijke omstandigheid waarin de waarheidsvinding dient te prevaleren boven het verschoningsrecht dat de\n\nklaagster toekomt. Dat de gevorderde bandopname van het 112-gesprek het wellicht mogelijk maakt om de verklaringen die verdachte bij de politie heeft afgelegd (nader) te toetsen, is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zwaarwegend.\n\nAndere zeer uitzonderlijke, zwaarwegende omstandigheden die zouden nopen tot doorbreking van het verschoningsrecht zijn gesteld noch gebleken.\n\nOp grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank het beklag daarom gegrond.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beklag gegrond;\n\nbepaalt dat de klaagster niet hoeft te voldoen aan de vordering van de officier van justitie om de bandopname te verstrekken van de betreffende 112-melding.\n\nDeze beslissing is gegeven door de meervoudige raadkamer, mr. J. van Bruggen, voorzitter,\n\nmr. R. Depping en mr. M.B.W. Venema, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. de Vries, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.\n\nmr. M.B.W. Venema is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.\n\nTegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:1191","ecli-nl-rbnne-2026-1191",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":117,"ecli":118,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":119,"fullText":120,"language":7,"source":17,"sourceUrl":121,"summary":14,"slug":122,"metadata":123},"1012","ECLI:NL:RBNNE:2025:5933","2025-12-22T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling Privaatrecht\n\nLocatie: Assen\n\nzaaknummer: C\u002F18\u002F241761 \u002F FT RK 25\u002F57 faillissementsnummer: C\u002F18\u002F24\u002F404 F\n\nvonnis van 22 december 2025\n\nin het faillissement van:\n\n [schuldenaar], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam] . gevestigd te [adres] , KvK-nummer [nummer] , hierna te noemen: de schuldenaar.\n\nPROCESGANG\n\nBij vonnis van deze rechtbank van 24 december 2024 is ten aanzien van de schuldenaar het faillissement uitgesproken met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mrs. P. van Rossum en C. Bergmans tot curatoren.\n\nOp 17 januari 2025 heeft de schuldenaar een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp).\n\nNa afronding van het rechtmatigheidsonderzoek in het faillissement hebben de curatoren op 17 oktober 2025 advies uitgebracht over het omzettingsverzoek.\n\nNaar aanleiding van het advies heeft de rechter-commissaris op 21 oktober 2025 bepaald dat het omzettingsverzoek op zitting dient te worden behandeld alsmede de rechtbank voorgedragen om het faillissement op te heffen.\n\nDe rechtbank heeft de voordracht en het omzettingsverzoek behandeld op de zitting van\n\n8 december 2025 in aanwezigheid van de schuldenaar en curator mr. C. Bergmans.\n\nTen slotte is vonnis bepaald op heden.\n\nRECHTSOVERWEGINGEN\n\nDe schuldenlastUit het verslag van de curatoren en de voordracht van de rechter-commissaris is gebleken dat de schuldenaar een schuldenlast heeft van € 415.943,35, waaronder belastingschulden van in totaal € 189.879,18. De belastingschulden hebben betrekking hebben op zorgtoeslag, omzetbelasting, loonheffing, motorrijtuigenbelasting en bijdrage zorgverzekeringswet en zijn in de periode 2019 tot en met 2024 ontstaan. Verder is er sprake van een schuld bij Het Pensioenfonds van € 19.160,19 die betrekking heeft op onbetaalde premies uit de periode 2019 tot en met 2023. Voor 2024 gaat betreft het met name opgelegde boetes die het gevolg zijn van de onbetaalde premies uit de voorgaande jaren en premies die zijn opgelegd en waarschijnlijk zien op een werknemer die een paar maanden bij de schuldenaar in dienst is geweest. Tot slot is er een vordering van het UWV van € 8.643,29 die betrekking heeft op het salaris en het vakantiegeld van de voormalig werknemer in de periode juni tot september 2024. De werknemer is voor een groot deel van zijn dienstverband niet uitbetaald en heeft uiteindelijk het faillissement van de schuldenaar aangevraagd.\n\nHet advies van de curatoren op het verzoek\n\nDe curatoren hebben negatief over het omzettingsverzoek geadviseerd. Kort samengevat hebben de curator aan hun advies ten grondslag gelegd dat de schuldenaar op 31 mei 2024 (een half jaar voor faillissementsdatum) via de notaris een bedrag van € 202.588,11 aan overwaarde heeft ontvangen na de verkoop van zijn woning. Uit de bankafschriften van de schuldenaar is de curatoren gebleken dat een groot deel van de overwaarde vervolgens is uitgegeven aan kansspelen. De recente bankmutaties tonen volgens de curatoren aan dat de schuldenaar nog steeds aanzienlijke bedragen aan gokken besteedt, wat de curatoren duiden als indicatie van een gokverslaving die niet onder controle is. Hierdoor is niet voldaan aan het criterium dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het faillissement en ook niet aan het criterium dat aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de WSNP voortvloeiende verplichtingen zal nakomen en zich zal inspannen om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.\n\nDe schuldenaar heeft op de zitting erkend dat hij de overwaarde van zijn woning heeft vergokt. Dit is mede gekomen onder druk van zijn toenmalige vriendin. De relatie is nu uit. Volgens de schuldenaar is de gokverslaving nu niet meer aan de orde. Hij heeft via de huisarts hulp gezocht en staat ingeschreven bij [instelling] . De schuldenaar is op dit moment niet aan het werk. Hij ontvangt een uitkering van ongeveer € 700,00 per maand vanwege een bedrijfsongeval dat hij in het verleden heeft gehad. De schuldenaar verwacht dat hij met zijn achtergrond als chefkok op korte termijn een baan met een goed salaris kan vinden, waarmee hij kan afdragen voor zijn schuldeisers.\n\nDe curator heeft op de zitting het standpunt van de curatoren herhaald. Desgevraagd heeft zij aangegeven dat van een keer ten goede is vooralsnog geen sprake is, omdat de schuldenaar niet werkt en daardoor in het faillissement tot op heden niet heeft afgedragen voor zijn schuldeisers.\n\nBEOORDELING\n\nOp grond van artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw) wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Bij de beoordeling daarvan kan de rechtbank rekening houden met alle omstandigheden, waaronder de aard en de omvang van de vorderingen, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten alsmede het gedrag van de schuldenaar wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verzoeker een hoge schuldenlast heeft, waarvan een groot deel in de afgelopen drie jaar voorafgaand aan het omzettingsverzoek ontstaan. Vaststaat dat de schulden bij de Belastingdienst, het UWV en het Pensioenfonds niet als te goeder trouw kunnen worden aangemerkt. Vaststaat ook dat de schuldenaar ten aanzien van het onbetaald laten van de schulden niet als te goeder trouw kan worden aangemerkt, nu hij de overwaarde van zijn woning volledig heeft opgesoupeerd in plaats van die ten goede te laten komen van zijn schuldeisers. De rechtbank overweegt dat van een keer ten goede nog niet kan gesproken, mede omdat de schuldenaar tot op heden nog niets heeft gespaard voor zijn schuldeisers. Een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw strandt reeds om die reden. Het omzettingsverzoek zal daarom worden afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank zal de schuldenaar eerst minimaal een half jaar moeten laten zien dat hij zich tot het uiterste inspant voor zijn schuldeisers, waarna hij opnieuw een verzoek ter beoordeling aan de rechtbank zal kunnen voorleggen.\n\nBESLISSING\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het omzettingsverzoek af;\n\n- wijst het verzoek tot opheffing van het faillissement af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.J. Klijn en in het openbaar uitgesproken op\n\n22 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.\n\nTegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:5933","ecli-nl-rbnne-2025-5933",{"courtName":6,"legalDomain":41,"decisionType":22,"procedureType":23}]