[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-breda":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},64,"Breda","nl","first_instance","civil",[11,24,33,40,49,57,64,71,78,85,92,99,106,114,121,129,136,144,151,158],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"1197","ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","","2026-07-07T00:00:00.000Z","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Breda\n\nParketnummer: 02-162374-23\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1961,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres\n\n [adres] ,\n\nraadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Kikkert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de handel in verdovende middelen (feiten 1, 2 en 3) en het bezit van ketamine (feit 4).3. De procesafspraken\n\nDeze strafzaak kenmerkt zich doordat het Openbaar Ministerie en de verdediging zogeheten procesafspraken hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst gedateerd 17 juni 2026, die zij voorafgaand aan de inhoudelijke zitting, en voorzien van de handtekeningen van zowel de officier van justitie als die van verdachte en zijn raadsman, hebben overgelegd aan de rechtbank. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben de rechtbank daarmee een gezamenlijk voorstel gedaan over de wijze van afdoening van de zaak.\n\nHet afdoeningsvoorstel houdt, samengevat en voor zover hier relevant, het volgende in:\n\nDe verdediging\n\n- verdachte zal geen (nadere) onderzoekswensen indienen en\u002Fof (inhoudelijke) verweren voeren. De reeds ingediende onderzoekswensen zullen per ommegaande, na het ondertekenen van de overeenkomst, schriftelijk worden ingetrokken;\n\n- verdachte erkent geen schuld en legt geen bekennende verklaring af; doch de verdediging en verdachte geven door ondertekening van de procesafspraken richting rechtbank en het Openbaar Ministerie aan dat de feiten en kwalificaties zoals tussen het Openbaar Ministerie en verdediging vastgesteld in de bijlage A, (juridisch gezien) bewezen kunnen worden verklaard en dat er geen inhoudelijk verweer zal worden gevoerd. Verdachte bevestigt door deze procesafspraken daarmee niet de juistheid van de door het Openbaar Ministerie in bijlage A geschetste bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van de zijde van het Openbaar Ministerie;\n\n- verdachte doet schriftelijk afstand van de in bijlage B benoemde (klassiek) in beslag genomen goederen, conform de als bijlage C bijgevoegde schriftelijke afstandsverklaring;\n\n- verdachte beseft dat het niet voeren van verdediging (hoogstwaarschijnlijk) zal leiden tot een veroordeling van de strafbare feiten als omschreven in de tenlastelegging;\n\n- de verdediging zal gedurende het proces in eerste aanleg geen aanhoudingsverzoeken indienen, tenzij onvoorziene omstandigheden\u002Feen acute situatie van persoonlijke aard ontstaat die niet wordt voorzien;\n\n- verdachte zal bij de inhoudelijke behandeling van de zaak aanwezig zijn, zodat hij kan worden gehoord over de procesafspraken;\n\n- verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken en meewerken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf.\n\nHet Openbaar Ministerie\n\n- het Openbaar Ministerie zal ter zitting requireren tot:\n\n - bewezenverklaring van alle aan verdachte tenlastegelegde feiten (conform de\n\n inhoud van bijlage A);\n\n - een strafoplegging als hieronder weergegeven:\n\n • een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden (met aftrek);\n\n • een geldboete ter hoogte van € 22.500,-, bij niet betalen te vervangen door 147\n\n dagen vervangende hechtenis;\n\n • onttrekking aan het verkeer van de goederen waarvan verdachte afstand heeft\n\n gedaan;\n\n- het Openbaar Ministerie heeft geen ontnemingsvordering tegen de verdachte aanhangig gemaakt en zal dat – indien aan de termen van de schikking wordt voldaan en de gezamenlijke procesafspraken door de rechtbank worden gevolgd – ook niet meer doen;\n\n- het Openbaar Ministerie zal zich ter zitting refereren aan het (nog in te dienen) verzoek van de verdediging tot hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis.\n\nVerder is onderdeel van de overeenkomst dat door de verdediging en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de gemaakte procesafspraken.\n\nDe gehele overeenkomst is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nBeoordeling van de procesafspraken door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of het mogelijk is de zaak conform de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken af te doen. Bij de beoordeling zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten zoals verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (vgl. ECLI:NL:HR:2022:1252).\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken is bijgestaan door zijn raadsman. Verdachte is ook samen met zijn raadsman aanwezig geweest op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026, waar de inhoud van het afdoeningsvoorstel is besproken.\n\nDe rechtbank heeft ter zitting benadrukt dat de rechtbank geen partij is bij de (totstandkoming van de) procesafspraken en dat de rechtbank daaraan niet gebonden is. De rechtbank heeft immers een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen. Hierbij staat met name de beantwoording van de vragen conform artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering centraal.\n\nDe officier van justitie, de raadsman en verdachte hebben ter zitting allen bevestigd achter de procesafspraken te staan. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze met zijn raadsman heeft besproken en dat de inhoud van die afspraken duidelijk voor hem is. Verdachte begrijpt wat de consequenties zijn als de rechtbank de procesafspraken volgt – in het bijzonder met betrekking tot zijn verdedigingsrechten – en hij accepteert de op te leggen straf zoals deze is voorgesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) toekomende recht op een eerlijk proces. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de inhoud van de procesafspraken niet bij haar oordeel te betrekken.4. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.5. De beoordeling van het bewijs5.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals neergelegd in de procesafspraken.5.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht om de procesafspraken te volgen en heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.5.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nNu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd en de rechtbank de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen, die tevens kort samengevat zijn voorgehouden ter zitting, wettig en overtuigend bewezen acht, zullen de feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.5.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\nfeit 1\n\nop tijdstippen in de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van die feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 2\n\nop tijdstippen in de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\nfeit 3\n\nop tijdstippen in de periode van 1 oktober 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en metanol en zoutzuur en aceton en caustic soda en citroenzuur;\n\nfeit 4\n\nop 26 februari 2024 te Breda opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine in voorraad heeft gehad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.6. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.7. De strafoplegging7.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert, conform de procesafspraken, aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 22.500,-.7.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft geen inhoudelijk strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de procesafspraken.7.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft zich samen met anderen beziggehouden met het plegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in en productie van harddrugs. De wetgever beschouwt de productie van harddrugs als een ernstig strafbaar feit. Het is immers algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en bij overdosis zelfs tot de dood van de gebruiker. Daarnaast wordt het chemisch afval dat ontstaat bij de productie vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en belast wordt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat, als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang komt. Kortom, de productie van synthetische drugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. Door deel te nemen aan een samenwerkingsverband dat zich hiermee bezighoudt, heeft verdachte zijn eigen geldelijk gewin boven het maatschappelijk belang en de daarop gebaseerde wettelijke normen gesteld. Daarbij heeft verdachte gedurende enkele dagen getracht blokken cocaïne te verhandelen (als tussenpersoon) en had verdachte op 26 februari 2024 een grote hoeveelheid ketamine in zijn bezit.\n\nGelet op de aard en ernst van deze feiten kan naar het oordeel van de rechtbank, in beginsel, niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank allereerst acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit volgt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze feiten vallen echter buiten de recidivetermijn. Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), straffen in soortgelijke zaken en de rol van verdachte.\n\nDe rechtbank acht gelet op het voorgaande, evenals de officier van justitie, in beginsel een gevangenisstraf van 54 maanden onvoorwaardelijk passend en geboden. Ten voordele van verdachte wordt meegewogen dat de feiten een korte(re) pleegperiode kennen en dat wat betreft de feiten 1, 2 en 3 niet is gebleken dat verdachte tot voltooide feiten is gekomen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de procesafspraken in onderhavige zaak nopen tot een andere afweging. Zij overweegt daartoe als volgt. Er is sprake van een groot tijdsverloop waardoor de redelijke termijn is geschonden. Daarnaast heeft verdachte meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen (nieuwe) onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van de procesafspraken geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen. Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. De procesafspraken doen daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.\n\nUit de procesafspraken volgt dat de verdediging en de officier van justitie een gevangenisstraf van 32 maanden zijn overeengekomen. Dat komt neer op een strafvermindering van 10% voor het overschrijden van de redelijke termijn en vervolgens een strafvermindering van een derde deel. Gelet op de stand van zaken van de procedure komt onderhavige zaak wat het Openbaar Ministerie betreft niet (zonder) meer in aanmerking voor strafkorting. Om die reden, en omdat de door verdachte gepleegde delicten in de regel geld gedreven zijn, zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie overeengekomen dat er een (aanzienlijke) financiële prikkel aan de overeengekomen gevangenisstraf wordt toegevoegd, in de vorm van een geldboete van € 22.500,-. Deze geldboete wordt (direct) geëffectueerd vanuit het conservatoir beslag. De door de verdediging en de officier van justitie overeengekomen gevangenisstraf en geldboete zijn bij procesafspraken (zowel in nationaal als in internationaal verband) geen uitzondering en wordt door de rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.\n\nDe rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de in de procesafspraken overeengekomen straf onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. De rechtbank legt dan ook aan verdachte op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd die reeds in voorarrest is doorgebracht. Daarnaast legt zij aan verdachte op een geldboete van € 22.500,-.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.8. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 46, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10a van de Opiumwet, artikel 38 van de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeit 1:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 2:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 3:medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\n Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden\n\nhebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij\n\nbestemd zijn tot het plegen van dat feit;\n\nen\n\nmedeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de\n\nOpiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;\n\nfeit 4:opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid,\n\n van de Geneesmiddelenwet;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 32 maanden;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 22.500,-;\n\n- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechteniszal worden toegepast van147 dagen;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. Wijffels, voorzitter, en mr. C.H.M. Pastoors en mr. F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. van Spelde, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten D en E\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 8 juni 2020 tot en met 11 juni 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer hoeveelheden cocaïne,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een of meer hoeveelheden cocaïne te ontvangen en\u002Fof versturen\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2\n\nVoorbereidingshandelingen, Sky-ECC feiten C en F\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 april 2020 tot en met 20 mei 2020 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen,\n\nte weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (met)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (met)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Sky-ECC account (te weten [account 1] ),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder apaan en\n\nN-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder apaan en N-methylformamide,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot het opzetten en\u002Fof inrichten van een (productie)laboratorium en\u002Fof de verdeling van de productiekosten en\u002Fof winst en\u002Fof betaling\u002Fverdeling daarvan,\n\n- als gebruiker van het account [account 1] ) een of meer afbeeldingen\u002Ffoto’s van een (mogelijke) loods\u002Flocatie voor het opzetten van een (productie)laboratorium en\u002Fof een tekening waarin de ruimtes van die loods\u002Flocatie zijn ingedeeld te ontvangen en\u002Fof versturen;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 alinea Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 alinea Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3\n\nVoorbereidingshandelingen EXCLU feiten A en B\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 september 2022 tot en met 3 februari 2023 te Breda , althans op meerdere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten\n\n- het (telkens) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof vervaardigen van een of meer hoeveelheden (meth)amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende (meth)amfetamine als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet\n\n- een of meer anderen heeft\u002Fhebben getracht te bewegen om dat\u002Fdie feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen,\n\n- zich en\u002Fof een of meer anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat\u002Fdie feit(en) heeft getracht te verschaffen,\n\n- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd was\u002Fwaren tot het plegen van dat\u002Fdie\n\nfeit(en), door\n\n- een of meer encryptische\u002FPGP telefoon(s) voorhanden te hebben,\n\n- met behulp van voornoemde encryptische\u002FPGP-telefoon gebruik te maken van een Exclu account ( [account 2] (gebruikersnaam [gebruikersnaam] )),\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat) gesprekken te voeren met een of meer anderen over het bewerken, verwerken, leveren, kopen en\u002Fof verkopen van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur,\n\n- ( als gebruiker van het account [account 2] ) een of meer (encryptische) (chat)gesprekken te voeren met betrekking tot de prijs van een of meer grondstoffen waaronder methylamine en\u002Fof metanol en\u002Fof zoutzuur en\u002Fof aceton en\u002Fof caustic soda en\u002Fof citroenzuur;\n\n( art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 1 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 2 Opiumwet, art 10a lid 1 ahf\u002Fsub 3 Opiumwet, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4\n\nBezit ketamine ( [garage] )\n\nhij op of omstreeks 26 februari 2024 te Breda , althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, zonder registratie een of meer hoeveelheden ketamine, in elk geval een werkzame stof, in voorraad heeft gehad en\u002Fof heeft bereid en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof te koop aan geboden en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof uitgevoerd of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied gebracht, dan wel in werkzame stoffen een groothandel gedreven;\n\n( art 38 lid 1 Geneesmiddelenwet )","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6059","ecli-nl-rbzwb-2026-6059",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"967","ECLI:NL:RBZWB:2026:5826","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F5026 WMO15\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.F. Vermaat),\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college)\n\n(gemachtigde: mr. N.C.J.P. Melsen).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser toegekende maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Eiser is het niet eens met de omvang van de door het college toegekende ondersteuning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft bij besluit van 18 december 2023 een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 3 (ondersteund wonen 2) toegekend gekregen voor zeven etmalen per week. Het college heeft een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024. De gemiddelde omvang van de ondersteuning was daarmee 14 uur per week. Eiser koopt hiermee zorg in bij [zorgcentrum] in [woonplaats] , waar hij zijn eigen woonruime huurt.\n\n2.1.. Omdat de indicatie afliep, heeft eiser zich weer gemeld bij het college. Op 14 januari 2025 heeft er een keukentafelgesprek plaatsgevonden. In het Plan van Aanpak is geconcludeerd dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen arrangement 2 (ondersteund wonen 1) voor zeven etmalen per week tot een bedrag van € 692,31 per week. De gemiddelde omvang van de ondersteuning is daarmee 10,5 uur per week. Eiser heeft het Plan van Aanpak enkel voor gezien ondertekend. Met het retourneren daarvan is de aanvraag ingediend.\n\n2.2.. Met een besluit van 12 maart 2025 (het primaire besluit) heeft het college conform het Plan van Aanpak de maatwerkvoorziening beschermd wonen toegekend. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. Met het besluit van 21 augustus 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.\n\n2.4.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.5.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, de ouders van eiser en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nStandpunt eiser\n\n3. Eiser heeft aangevoerd dat het college ten onrechte niet zelf in kaart heeft gebracht welke ondersteuning hij naar aard en omvang nodig heeft (stap 3 van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep).In bezwaar heeft eiser een zorgmomentenoverzicht overgelegd waaruit blijkt dat hij wekelijks 17,15 uur begeleiding van [zorgcentrum] ontvangt. Het college is hierin gaan strepen, maar onduidelijk is op basis waarvan dit is gebeurd aangezien er geen normenkader is gebruikt. Verder wijst eiser erop dat het college in het verweerschrift stelt dat het Plan van Aanpak is opgesteld door een Toegangsmedewerker die ook cliëntondersteuner is bij MEE. Volgens eiser kunnen deze functies vanuit het oogpunt van onafhankelijkheid niet tegelijkertijd worden vervuld. Daarnaast is het besluit in bezwaar door een bezwaarmedewerker volledig heroverwogen, maar deze persoon heeft volgens eiser niet de zorginhoudelijke kennis en deskundigheid om de omvang van de benodigde ondersteuning vast te stellen. Eiser voert ook aan dat de bezwaarprocedure van het college niet transparant is. Er is een adviescommissie, maar een verslag van de behandeling van de zaak door de commissie en het advies van de commissie ontbreken in het dossier.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n4. Blijkens het bestreden besluit heeft het college voor de vaststelling van de aard en omvang van de door eiser benodigde ondersteuning het door eiser in bezwaar overgelegde zorgmomentenoverzicht als uitgangspunt genomen. Aan de hand van de dagrapportages van [zorgcentrum] is de indicatie vervolgens op een aantal punten in minuten naar beneden bijgesteld, namelijk bij het aansturen bij persoonlijke hygiëne, boodschappen doen, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat voor alle van de onder 4. genoemde taken geldt dat onduidelijk is hoe het college aan de toegekende minuten is gekomen. Er is geen navraag gedaan bij [zorgcentrum] . Bij de taken aansturen bij persoonlijke hygiëne, was ophangen en opvouwen, verzorgen van het ontbijt en het aanleren van vaardigheden om administratie en financiën zelfstandig te beheren staat slechts dat het college meent dat het aantal toegekende minuten voldoende moet zijn. Deze bewoordingen zijn naar het oordeel van de rechtbank te algemeen. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd.\n\n5.1.. Reeds hierom is het beroep gegrond. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden behoeven geen verdere bespreking. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft. Uit een oogpunt van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 in aanmerking komt voor een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week. De rechtbank heeft zich hierbij gebaseerd op het door eiser overgelegde zorgmomentenoverzicht. Het primaire besluit zal worden herroepen voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft.\n\n6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet de proceskostenvergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 666,- voor de bezwaarfase (1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1) en € 1.868,- voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank stelt de totale kosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;\n\nherroept het primaire besluit voor zover het de omvang van de maatwerkvoorziening betreft;\n\nverstrekt aan eiser voor de periode van 1 februari 2025 tot en met 31 januari 2026 een pgb voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen met een gemiddelde omvang van de ondersteuning van 17,15 uur per week en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:441, r.o. 4.1.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5826","ecli-nl-rbzwb-2026-5826",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht",{"id":34,"ecli":35,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1701","ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","Parketnummer : 20-000832-25\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch\n\ngewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 25 maart 2025, nr. 22\u002F03957, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 februari 2021 met parketnummer 02-257907-20, in de strafzaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nDe politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij vonnis van 22 februari 2021 (parketnummer 02-257907-20) de verdachte ter zake van ‘overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994’ veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Namens de verdachte is op 22 februari 2021 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nBij arrest van 21 oktober 2022 (parketnummer 20-000461-21) heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch het vonnis van de politierechter bevestigd met aanvulling van gronden. Namens de verdachte is op 25 oktober 2022 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.\n\nHet cassatiemiddel, dat onder meer klaagde dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [aangeefster] als getuige, althans het gebruik van de eerder door deze getuige afgelegde verklaring voor het bewijs, niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces, slaagt volgens de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft vervolgens bij arrest van 25 maart 2025 (zaaknummer 22\u002F03957) de uitspraak van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad zijn de getuigen [aangeefster] en [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris gehoord.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, onder aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet bestreden vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op of omstreeks 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) letsel en\u002Fof schade was toegebracht.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nhij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Bergen op Zoom op\u002Faan De Boulevard Noord, op 21 maart 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [aangeefster] ) schade was toegebracht.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nHierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district De Markiezaten, basisteam Bergen op Zoom, zaakregistratienummer PL2000-2020167376, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1] en gesloten d.d. 29 juni 2020, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van de politie met daarin gerelateerde bijlagen, doorgenummerde dossierpagina’s 1-29.\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 25 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-2, dossierpagina’s 5-7, voor zover inhoudende de verklaring van [aangeefster] :\n\nIn de nacht van 20 op 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, reed ik de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom uit. Bij het uitrijden voelde ik dat mijn auto van achteren aangetikt werd door een andere auto, die ook de [bedrijf] uit kwam rijden. Ik zag dat er in deze auto, zijnde een Opel Astra, twee Marokkaanse jongens zaten. Het kenteken van deze auto, wat ik later heb opgenomen op de telefoon, is [kenteken] . Mijn vrienden zeiden dat ik moest stoppen. Echter toen ik gestopt was, voelde en zag ik dat de Opel Astra opzettelijk meerdere keren tegen mijn portier aan de linkerzijkant reed. Ik hoorde ook dat zij iedere keer een stukje gas bijgaven, waardoor mijn auto als het ware steeds een beetje meer opschoof richting de stoep. Daarna zag ik dat er een andere auto aan kwam rijden met een andere Marokkaanse jongen erin, die zich ook met de situatie ging bemoeien.\n\nIk heb deuk- en lakschade aan de linkerzijkant van mijn auto en het portier. Vervolgens is de bestuurder van de Opel Astra en (het hof leest – gelet op de woorden ‘zijn’ en ‘is’, alsmede de hierna volgende zin – in plaats van ‘en’ het woord ‘zijnde’)degene die tegen mijn auto aan is gereden in zijn auto gestapt en is hij weggereden. De bijrijder en de andere jongen bleven over. Op het filmpje staat de dader (de bestuurder van de Opel Astra) op beeld. De bijrijder staat helaas niet op beeld.\n\n2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-7, dossierpagina’s 9-10, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, was ik werkzaam in de omgeving van Bergen op Zoom. Wij kregen het verzoek van het Operationeel Centrum te gaan naar de Boulevard ter hoogte van de [bedrijf] . Daar zou zich een conflict hebben afgespeeld. Collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 4] werden ook naar deze melding gestuurd. Zij waren al ter plaatse op het moment dat wij ter plaatse kwamen. Ik hoorde dat zij ons verzochten uit te gaan kijken naar een Opel Astra, voorzien van het kenteken [kenteken] . De tenaamgestelde van de Opel Astra betrof [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Op 21 maart 2020, omstreeks 02.15 uur, zag ik in een parkeervak aan de Rijtuigweg-Zuid bovengenoemd voertuig geparkeerd staan. Ik zag dat er één persoon op de bijrijderstoel in het voertuig zat. Ik vroeg hem zijn identiteitsbewijs. Ik zag dat hij mij op gaf te zijn: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik hoorde dat hij mij vertelde dat er wat op de Boulevard was gebeurd, maar hij daar niets over wilde vertellen.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-11, dossierpagina 16, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 02.00 uur, kregen wij van het Operationeel Centrum de melding te rijden naar de Boulevard te Bergen op Zoom. Ik hoorde en zag dat de melder (het hof begrijpt: [aangeefster] )mij een video toonde vanaf een smartphone. Ik zag dat er op dit beeld een man naast een auto stond. Ik zag dat er een kenteken zichtbaar was welke overeenkomt zoals beschreven in de aangifte.\n\n4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-10, dossierpagina 15, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 5] :\n\nIk heb op 31 maart 2020 telefonisch contact gehad met aangeefster [aangeefster] . In het gesprek heb ik haar gevraagd om mij de beelden door te sturen die zij en de getuigen hebben gemaakt om hier eventuele strafbare feiten of een herkenning uit te halen. Ik heb drie filmpjes doorgestuurd gekregen van aangeefster [aangeefster] .\n\n5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 april 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-12, dossierpagina 17, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] :\n\nOp 2 april ontving ik beelden van een filmpje gemaakt op een mobiele telefoon, van collega [verbalisant 5] . Van deze beelden heeft collega [verbalisant 5] een proces-verbaal van bevindingen gemaakt onder 2020071615-10. Mij werd gevraagd of ik de persoon die je op het filmpje ziet herken. Ik herken deze persoon als: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] . Ik herken hem omdat ik hem kort na dit incident in het betrokken voertuig heb gecontroleerd.\n\n6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 maart 2020, proces-verbaalnummer PL2000-2020071615-6, dossierpagina’s 24-25, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 3] :\n\nWij waren op 21 maart 2020 bij de drive-in van de [bedrijf] aan de Boulevard Noord in Bergen op Zoom geweest en reden daarna via de afrit van de [bedrijf] rechtsaf de Boulevard Noord op. Op dat moment voelde ik een tik en ik keek om. Ik zag een auto achter ons staan, ergens links achter. Die stond heel kort nabij. Nog voordat [aangeefster] (het hof begrijpt telkens: aangeefster [aangeefster] )naar rechts ging, voelde en zag ik dat de auto achter ons voor de tweede maal tegen de auto van [aangeefster] aanreed. Ik zag dat de auto tegen de auto van [aangeefster] aan bleef duwen en hoorde dat de bestuurder van die auto gas bleef geven. Die auto duwde de auto van [aangeefster] tot tegen de stoeprand aan. Ik hoorde dat de zijkant van de auto ingedrukt werd. Ik ben vervolgens uitgestapt en zag dat in de auto achter die van [aangeefster] een personenauto, een Opel Astra, was. Het kenteken heb ik later genoteerd. Ik zag dat in de auto twee personen zaten. De bestuurder was wat groter en ouder, rond de 1.85 lang. Hij was licht getint, ik denk een Marokkaanse jongen. Hij had een slank postuur. De andere persoon was kleiner, ook licht getint, vermoedelijk ook een Marokkaan, slank postuur en rond de 1.75 tot 1.80 lang. Ik zag toen dat er nog een auto aangereden kwam (…) dat er een persoon in zat en dat die uitstapte.\n\nIk zag toen dat de bestuurder van de Opel in zijn auto stapte. Ik hoorde dat hij de Opel startte. Ik zag dat hij vervolgens met slippende banden wegreed. Ik zag dat de andere twee bleven staan. De bestuurder heeft aan niemand kenbaar gemaakt hoe hij heette en is eigenlijk gewoon gevlucht voordat de politie kwam.\n\n7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 30 maart 2020, procesverbaalnummer PL2000-2020071615-8, dossierpagina’s 20-21, voor zover inhoudende de verklaring van [getuige 2] :\n\nOp 21 maart 2020, omstreeks 01.45 uur, gingen we naar de [bedrijf] in Bergen op Zoom. We waren met zijn vieren. We hadden bij de drive-in van de [bedrijf] eten gehaald. Nadat we weg reden voelde ik dat we aangereden werden aan de achterzijde van de auto. Ik zat naast de bestuurder. De bestuurder heet [aangeefster] van het hof (het hof begrijpt: [aangeefster] ). Ik keek om en zag twee jongens in een auto zitten. Ik zag dat [aangeefster] iets naar rechts stuurde om te gaan parkeren op de parkeerstrook. Ik wilde uitstappen, maar voordat ik dat kon voelde ik dat we aan de linkerzijde nogmaals aangereden werden. Ik hoorde dat de jongen extra gas gaf tijdens dat hij tegen ons aan reed.\n\nIk kan het volgende signalement van de bestuurder geven: een jongen, getinte huidskleur, Marokkaans of Turks uiterlijk, hij was ongeveer 1,85 lang, donker kort stijl haar, zijkanten waren opgeschoren, hij had een beetje een snor, hij droeg donkere kleding. Zijn postuur was gemiddeld.\n\nToen we allemaal uitgestapt waren ontstond een ruzie tussen [getuige 4] , [getuige 3] en de twee jongens van de andere auto. De bestuurder vertelde dat hij in wilde stappen om zijn auto te parkeren. De bestuurder is toen in zijn auto gestapt en reed weg.\n\nDe auto van de jongens had het kenteken [kenteken] .\n\n8. De eigen waarneming van dit hof ten aanzien van de foto van de verdachte op de hem betreffende ID-staat d.d. 3 juni 2020 op dossierpagina 3, zoals gedaan in raadkamer naar aanleiding van de terechtzitting van 17 juni 2026, voor zover inhoudende:\n\nHet hof neemt op de foto waar dat de verdachte een licht getinte huidskleur heeft en dat hij kort donker haar heeft dat aan de zijkant deels is opgeschoren. Voorts neemt het hof op de foto waar dat de verdachte een beginnende snor heeft.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is in de kern aangevoerd dat op grond van het politiedossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die tegen de auto van aangeefster [aangeefster] heeft gereden.\n\nHet hof overweegt dienaangaande het volgende.\n\nHet hof is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Aangeefster [aangeefster] en getuigen [getuige 3] en [getuige 2] hebben verklaard dat de auto van aangeefster op 21 maart 2020 bij de [bedrijf] aan de Boulevard Noord te Bergen op Zoom meerdere keren is aangereden door een Opel Astra voorzien van het kenteken [kenteken] , waarin twee Marokkaanse jongens zaten. Aangeefster en voormelde getuigen hebben gezien dat de bestuurder van de Opel Astra na het incident in zijn auto is gestapt en is weggereden, zonder zijn gegevens achter te laten. Ongeveer dertig minuten na het ongeval trof verbalisant [verbalisant 2] de verdachte aan op de bijrijdersstoel van de Opel Astra. De verdachte vertelde dat er wat was gebeurd op de Boulevard en dat hij de verbalisant daar niets over wilde vertellen.\n\nDoor een getuige is kort na het incident een filmpje opgenomen, waarvan aangeefster heeft verklaard dat daarop de bestuurder van de auto die haar auto had aangereden is te zien. Verbalisant [verbalisant 2] wordt gevraagd of hij de persoon op het filmpje herkent. De verbalisant herkent deze persoon als zijnde de verdachte, omdat hij hem kort na het incident in het betrokken voertuig heeft gecontroleerd. Het signalement van de verdachte komt bovendien overeen met de omschrijving door de getuigen.\n\nGelet op de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bestuurder van de Opel Astra is geweest die op 21 maart 2020 meermalen tegen de auto van aangeefster heeft gereden, waarna hij de plaats van het ongeval heeft verlaten. Uit deze bewijsmiddelen, met name het feit dat hij zich uit de voeten maakt en de verbalisant die hem in de Opel Astra aantreft wel mededeelt dat er ter plekke iets is gebeurd, maar hij niet wil zeggen wat, leidt het hof af dat de verdachte wist, en in ieder geval redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat hij de auto van aangeefster meermalen had aangereden waardoor schade was ontstaan.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft daarbij rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard hij zich op 21 maart 2020 schuldig heeft gemaakt aan het verlaten van de plaats van een ongeval, nadat hij als bestuurder van een motorvoertuig de auto van aangeefster [aangeefster] meermalen had aangereden. Door de aanrijding is er schade ontstaan aan de auto van aangeefster. De verdachte wist dat of had dit in ieder geval redelijkerwijs moeten vermoeden en had de plaats van het ongeval derhalve niet als een dief in de nacht mogen verlaten. De verdachte heeft met zijn handelen zich onvoldoende rekenschap gegeven van de geldende gedragsnormen in het verkeer en van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.\n\nHet hof acht de omstandigheden waaronder de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan strafverzwarend. Uit de aangifte blijkt immers dat de verdachte ter plaatse zou hebben gezegd: ‘Ik maak jullie allemaal kankerdood’ of woorden van gelijke strekking. Aangeefster hoorde ook dat één van de aanwezige jongens zei: ‘Ik ga een pistool halen.’ Volgens een van de andere drie inzittenden van haar auto, [getuige 4] (dossierpagina 22) was dat de verdachte. Daarnaast blijkt uit het politiedossier dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde als bestuurder van de auto lachgasballonnen gebruikte en onder invloed was.\n\nHet hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Uit voornoemd uittreksel blijkt tevens dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De raadsman heeft in dat kader ter terechtzitting naar voren gebracht dat de verdachte een omgangsregeling heeft met zijn kinderen en dat hij als bezorger in dienstverband werkzaam is.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder de verdachte het feit heeft gepleegd, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de politierechter dan wel de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis passend en geboden.\n\nRedelijke termijn\n\nHet hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld.\n\nHet hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.\n\nNaar aanleiding van het ingestelde cassatieberoep namens de verdachte op 25 oktober 2022 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op 25 maart 2025. Daarmee is niet binnen twee jaren na het instellen van cassatie arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in deze fase met vijf maanden is overschreden.\n\nNa terugwijzing door de Hoge Raad op 25 maart 2025 zal het hof bij arrest van heden op 1 juli 2026 uitspraak doen. Daarmee is de redelijke termijn in deze fase niet overschreden.\n\nGezien de hoogte van de op te leggen straf ziet het hof geen aanleiding om tot strafvermindering over te gaan en zal het hof volstaan met de constatering dat bij de strafvervolging van de verdachte sprake is van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM vervatte recht van de verdachte op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. N. van Abeelen, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nmr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1756","ecli-nl-ghshe-2026-1756",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":44,"language":7,"source":17,"sourceUrl":45,"summary":14,"slug":46,"metadata":47},"966","ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2970 OPIUMW VV\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Zundert.\n\nAls derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Thuisvester uit Oosterhout (de woningstichting).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoeker aan de [adres] te [woonplaats] (de woning) voor de duur van drie maanden op grond van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 20 mei 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester verzoeker op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningen-rechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, vergezeld door zijn begeleider [persoon] ( [zorgorganisatie] ) en bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. M.M.A.J. Braspenning, mr. N. Kajdiç en [gemachtigde 1] namens de burgemeester en [gemachtigde 2] en mr. S. van den Elshout namens de woningstichting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat zijn de feiten?\n\n3. Verzoeker is huurder van de bovenwoning, waar hij alleen woont. De woningstichting is eigenaar van de woning.\n\n3.1.. Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 maart 2026 blijkt dat de politie voorafgaand aan het binnentreden van de woning een persoon die verdacht wordt van de handel in verdovende middelen (verdachte 2) regelmatig de woning van verzoeker zag betreden. Ook zou door een (anonieme) getuige zijn gezien dat er veel aanloop was bij de woning en er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden. Nadat uit eerder onderzoek bleek dat er mogelijk een grote hoeveelheid verdovende middelen zou worden opgeslagen en verhandeld in de woning, is de politie op 14 januari 2026 de woning binnengetreden. Vrijwel gelijk na het betreden van de woning werd een tas met een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen. Bij de doorzoeking van de woning werd het volgende aangetroffen:\n\n- 595 gram 2-Methylmethcathinone (2-MMC)\n\n- 362 gram Cocaïne\n\n- 1 liter Gamma-hydroxyboterzuur (GHB)\n\n- airsoftwapen\n\n- 95 gram hash\n\n- groot aantal plastic gripzakjes ten behoeve van het verpakken naar handelshoeveelheden\n\n- groot aantal wikkels ten behoeve van het verpakken van Cocaïne\n\n- jerrycan 5 liter aceton\n\n- diverse weegschalen met witte poederresten\n\n- diverse vacumeermachines en zakken\n\n- blenders\u002Fvermalers met witte poederresten\n\n- diverse chemicaliën ten behoeve van de productie van GHB.\n\nDe genoemde drugs zijn indicatief getest. Verzoeker en verdachte 2 waren in de woning aanwezig en werden als verdachten aangehouden. Verzoeker is verslaafd aan GHB en leeft van een uitkering. Hij heeft verklaard dat hij zijn woning al enkele maanden ter beschikking stelt aan verdachte 2 tegen een kleine vergoeding, zodat hij zijn verdovende middelen kan opslaan, verpakken en verhandelen.\n\n3.2.. De burgemeester heeft bij brieven van 6 mei 2026 haar voornemen kenbaar gemaakt aan verzoeker en de woningstichting om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden.\n\n3.3.. Bij brief van 13 mei 2026 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.\n\n3.4.. Bij het bestreden besluit heeft de burgemeester verzoeker gelast om de woning per 2 juni 2026 te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De woning is op die datum gesloten.\n\nWat is het wettelijk kader?\n\n4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nHeeft verzoeker een spoedeisend belang?\n\n5. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoeker een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.\n\n5.1.. Als gevolg van het bestreden besluit is de door verzoeker gehuurde woning gesloten voor de duur van drie maanden. Gelet op de aard van de zaak en het in geding zijnde huisrechtvan verzoeker is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende gebleken van een spoedeisend belang bij zijn verzoek om een voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit.\n\nWelke gronden heeft verzoeker aangevoerd?\n\n6. Verzoeker heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte heeft besloten tot sluiting van de woning. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat de sluiting van de woning niet geschikt is, niet noodzakelijk en niet evenwichtig. De sluiting van de woning is in strijd met artikel 8 van het EVRM en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tevens is het bestreden besluit volgens verzoeker onvoldoende gemotiveerd.\n\nWat is het oordeel van de voorzieningenrechter?\n\n7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 16 juli 2025de uitgangspunten weergegeven waar zij van uitgaat bij de beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. In navolging van de uitspraak van 2 februari 2022over de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel gaat de ABRvS daarbij ook in op het karakter van deze bevoegdheid en de intensiteit waarmee de bestuursrechter dergelijke besluiten toetst.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de uitgangspunten in voornoemde rechtspraak.\n\nIs de burgemeester bevoegd om de woning te sluiten?\n\n8. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I, IA of II, behorend bij de Opiumwet (harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.\n\n8.1.. De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.\n\n8.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat in de woning 595 gram 2-MMC, 362 gram cocaïne, 1 liter GHB en 95 gram hash (middelen in lijst I, IA en II) zijn aangetroffen. Daarmee wordt de toegestane hoeveelheid ruim overschreden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarom sprake van de situatie dat de aangetroffen hoeveelheid drugs voor verkoop, verstrekking of aflevering aanwezig was. De burgemeester was dan ook bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan. Verzoeker heeft de bevoegdheid van de burgemeester niet betwist.\n\nMag de burgemeester zijn bevoegdheid toepassen?\n\n9. De bevoegdheid tot het toepassen van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is een discretionaire bevoegdheid. De burgemeester heeft hiervoor beleid geformuleerd en vastgesteld in de Beleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022 (Beleidsregels). De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit conform de Beleidsregels is. De Beleidsregels schrijven namelijk een sluiting voor de duur van drie maanden voor bij een eerste constatering van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning.\n\nIs sluiting van de woning een geschikt en noodzakelijk middel?\n\n10. Verzoeker meent dat sluiting van de woning niet geschikt en noodzakelijk is. Voor zover de burgemeester beoogt herhaling te voorkomen, valt niet in te zien waarom een woningsluiting effectiever zou zijn dan de reeds ingezette zorg- en begeleidingsmaatregelen. Ook is niet onderzocht of kon worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen.\n\n10.1.. Volgens de burgemeester is de sluiting van de woning een geschikt middel om het doel te bereiken dat zij voor ogen heeft, namelijk herhaling van de aanwezigheid van drugs en drugstransacties in de woning en overlast rondom de woning voorkomen, preventie en beheersing van de uit het drugsgebruik voortvloeiende risico’s voor de veiligheid en volksgezondheid, het voorkomen van nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en het weghalen van de loop naar de woning. Daarnaast is een zichtbare sluiting voor drugscriminelen en buurtbewoners een duidelijk signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit in de woning. Ook het tijdsverloop tussen de constateringen en het bestreden besluit is niet dermate lang dat dit afbreuk kan doen aan de geschiktheid en noodzaak van de sluiting.\n\n10.2.. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sluiting van de woning in beginsel een geschikt middel om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft. Rekening houdend met het moment van ontvangst van de bestuurlijke rapportage van 20 maart 2026, het versturen van een voornemen tot sluiting (6 mei 2026) en gelegenheid tot het indienen van een zienswijze daartegen (ontvangen op 13 mei 2026), is het tijdsverloop in dit geval niet dusdanig lang dat het doel dat de burgemeester voor ogen heeft niet meer kan worden bereikt.\n\n10.3.. De voorzieningenrechter overweegt dat in het bestreden besluit is verwezen naar de informatie in de bestuurlijke rapportage. Vast staat dat op 14 januari 2026 sprake was van een ernstig drugsincident, gezien de grote hoeveelheid aangetroffen drugs. Verzoeker heeft verklaard dat hij zijn woning als opslagplaats beschikbaar heeft gesteld onder druk van verdachte 2. Volgens de rapportage zou er toeloop zijn geweest naar de woning van verzoeker. Niet duidelijk wordt echter wie, wanneer (dag en tijdstip) en met welk doel de trap naar de bovenwoning is opgelopen en evenmin of en wanneer er spullen zijn verplaatst. Met de enkele vermelding dat de politie heeft waargenomen dat verdachte 2 de woning van verzoeker regelmatig betrad, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat sprake was van een loop naar de woning door drugsgebruikers of ten behoeve van drugstransacties. De vermelding in de rapportage dat door een anonieme getuige zou zijn gezien dat er meerdere overdrachten van verdovende middelen plaatsvonden, is kennelijk niet nader onderzocht en is evenmin onderbouwd. Van een aanwijzing dat de drugshandel vanuit de woning plaats heeft gevonden, is dus (vooralsnog) geen sprake. Het standpunt van de burgemeester in het verweerschrift dat de woning gelegen is in een kwetsbare buurt en dat er voor de inval in januari 2026 door buurtbewoners (anonieme) meldingen over overlast zijn ingediend, dat de woning bekend staat als locatie waar drugshandel plaatsvindt en dat dit blijkt uit de waarnemingen van de politie, is niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd.\n\n10.4.. De voorzieningenrechter maakt daarnaast uit de thans in het dossier aanwezige stukken niet op dat na het constateren en beëindigen van de overtreding op 14 januari 2026 iets relevants is voorgevallen op grond waarvan moet worden vastgesteld dat de negatieve effecten van de overtreding (nog) niet ongedaan zijn gemaakt. De burgemeester heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt noch onderbouwd dat na 14 januari 2026 nog sprake is geweest van loop naar de woning of merkbare overlast, waaronder openbare ordeverstoringen vanuit of rond de woning. Ter zitting is gesproken over een enkele vechtpartij op straat, waarvan verzoeker betwist dat hij de veroorzaker was. De woningstichting heeft ter zitting verklaard dat uit een na de inval door haar gehouden buurtonderzoek gebleken zou zijn dat er meerdere kwetsbare bewoners en probleemgevallen in de straat wonen. Buiten een melding over de vechtpartij, zijn echter geen meldingen van overlast door verzoeker ontvangen.\n\n10.5.. Gezien het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de woning en het herstel van de openbare orde en waarom niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting kon worden volstaan.\n\nIs sluiting van de woning evenwichtig?\n\n11. Als sluiting van de woning al noodzakelijk wordt geacht, betekent dit nog niet dat de burgemeester hiertoe steeds mag overgaan. Daarvoor moet zij zich ervan vergewissen dat de sluiting in de gegeven omstandigheden ook evenwichtig is.\n\n11.1.. Verzoeker voert aan dat de evenwichtigheid ontbreekt, omdat de gevolgen voor hem bijzonder zwaar zijn. Niet alleen dreigt hij zijn woning te verliezen, wat een schending is van zijn huisrecht op grond van artikel 8 EVRM, maar tevens wordt het fundament onder zijn herstelproces weggenomen. Hij kampt al jarenlang met verslavingsproblematiek, die heeft geleid tot beperkingen in zijn zelfredzaamheid, zijn beoordelingsvermogen en het vermogen om de gevolgen van zijn handelen adequaat te overzien. Zijn woning biedt hem de noodzakelijke stabiliteit en zekerheid van hulpverlening. Hij verwijst daartoe naar de verklaring van zijn ambulant begeleider. Het risico op herhaling wordt juist beperkt door zorg, behandeling en toezicht. Verlies van de woning vergroot de kans op terugval en maatschappelijke ontwrichting. Op de overheid rust, naast de bescherming van de openbare orde, de verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met kwetsbare burgers.\n\n11.2.. De burgemeester is in het bestreden besluit en haar verweerschrift ten aanzien van de evenwichtigheid ingegaan op de verwijtbaarheid van verzoeker, op het ontbreken van een bijzondere binding met de woning en op de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst door de woningstichting. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de burgemeester de kwetsbaarheid van verzoeker onvoldoende heeft meegewogen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker bij de politie bekend staat als kwetsbaar persoon, die verslaafd is aan GHB en een uitkering geniet. Ook is bij de burgemeester bekend dat verzoeker contact heeft met team bemoeizorg van Novadic-Kentron en dat hij vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ambulante begeleiding heeft. De begeleider van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de ambulante zorg stopt zodra verzoeker geen vast woonadres meer heeft. Daar komt bij dat verzoeker weliswaar sinds de sluiting van zijn woning bij zijn moeder heeft verbleven, maar dat dit geen houdbare situatie is, gelet op de door verzoeker ter zitting gegeven verklaring over de medische situatie van zijn moeder. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze verklaring. Gezien deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de woningsluiting in dit geval niet onevenwichtig is.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting van de woning over te gaan. Het bestreden besluit is echter ten aanzien van de noodzaak en de evenwichtigheid onvoldoende gemotiveerd. Hieruit volgt dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester verzoeker weer moet toelaten in zijn woning.\n\n12.1.. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook krijgt hij een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling met een waarde van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, leidt dit tot een totaal van € 1.868,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;\n\n- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen\n\n beslissing op bezwaar;\n\n- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van\n\n € 200,- dient te vergoeden;\n\n- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nOpiumwet\n\nArtikel 13b, eerste lid\n\n1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:\n\na. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;\n\nb. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.\n\nCocaïne en GHB staan in lijst I, hash in lijst II en 2-MMC in lijst IA van de Opiumwet.\n\nBeleidsregels handhaving op artikel 13b Opiumwet in de gemeente Zundert 2022\n\n3.3.\n\nDrugshandel in of vanuit woningen\n\nDe burgemeester verstaat in het kader van de bestuurlijke handhaving van de Opiumwet onder een woning: een pand dat (of ruimte die) in de aangetroffen staat op een normale wijze voor bewoning kan worden gebruikt en dat\u002Fdie daarvoor ook mag worden gebruikt (woongenot). Of een woning wordt gebruikt als woonruimte en er dan ook sprake is van het hebben van woongenot, blijkt uit de feitelijke constatering ter plaatse, zoals dat veelal wordt verwoord in het rapport van bevindingen van de politie. Wat betreft het sluiten van woningen moet rekening worden gehouden met artikel 8 van het EVRM.\n\nTekst artikel 8 EVRM:\n\n1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.\n\n2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale vrijheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.\n\nUit artikel 8 EVRM volgt dat de toepassing van de bestuursdwang op basis van artikel 13b Opiumwet niet er toe mag leiden dat het recht op respect voor het privéleven, het familie- en gezinsleven en de woning onevenredig wordt aangetast. De in het algemeen belang nagestreefde doeleinden, voor zover die onder het bereik van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM vallen, moeten worden afgewogen tegen de belangen als bedoeld in het eerste lid. Deze taak is op de eerste plaats aan de burgemeester. Gelet op deze afweging is voor de drugshandel in of vanuit woningen een afzonderlijke handhavingmatrix vastgesteld waarin recht wordt gedaan aan hetgeen is bepaald aan artikel 8 van het EVRM. Zoals in de inleiding bij 3.1 is aangegeven wordt in onderstaande matrix onderscheid gemaakt naar hard- en softdrugs.\n\nHarddrugs\n\nBij overtreding artikel 2 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in harddrugs) in of vanuit een woning of daarbij behorende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor een periode van 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor onbepaalde tijd\n\nVan deze overtreding is in ieder geval (het betreft dus geen limitatieve opsomming) sprake in de volgende gevallen:\n\n-Verkoop van harddrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n-Aanwezigheid van harddrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 0,5 gram harddrugs \u002F voor GHB > 5 ml).\n\nSoftdrugs\n\nBij overtreding artikel 3 Opiumwet jo artikel 13b Opiumwet lid 1 (handel in softdrugs) in of vanuit een woning of daarbij horende erven wordt als volgt gehandeld:\n\n1e constatering\n\nSluiting voor een periode van 3 maanden\n\n2e constatering\n\nSluiting voor 6 maanden\n\n3e constatering\n\nSluiting voor 12 maanden\n\nVan deze overtreding is in ieder geval sprake (het betreft dus geen limitatieve opsomming) in de volgende gevallen:\n\n• Verkoop van softdrugs door eigenaar\u002Fhuurder\u002Fbewoner;\n\n• Aanwezigheid van softdrugs in de woning in een handelshoeveelheid (> 5 gram softdrugs);\n\n• Aanwezigheid van een bedrijfsmatige hennepkwekerij (> 5 hennepplanten).\n\n(…)\n\n5. Afwijkingsbevoegdheid\n\nIn beginsel wordt er overeenkomstig de bovenstaande beleidsregel besloten waarbij de getrapte sanctionering in de matrixen is weergegeven. Er kunnen zich echter situaties voordoen die dermate ernstig zijn dat van de matrix afgeweken moet kunnen worden.\n\nOok indien niet dezelfde overtreding voor de tweede of derde keer is begaan, maar een overtreding uit een andere (matrix) categorie kan er aanleiding zijn van de matrix af te wijken. Van het in de matrix vervatte arrangement kan door de burgemeester dan ook gemotiveerd worden afgeweken. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat bij zeer ernstige overtredingen een stap wordt overgeslagen of voor een langere periode wordt gesloten.\n\n Artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).\n\nECLI:NL:RVS:2025:2922\n\n ECLI:NL:RVS:2022:285\n\nGemeenteblad 2022, nr. 286345.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5779","ecli-nl-rbzwb-2026-5779",{"courtName":6,"legalDomain":48,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Omgevingsrecht",{"id":50,"ecli":51,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":52,"language":7,"source":17,"sourceUrl":53,"summary":14,"slug":54,"metadata":55},"968","ECLI:NL:RBZWB:2026:5836","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F2224\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling dat zij geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2023 en de terugvordering van haar huurtoeslag over hetzelfde jaar. Eiseres heeft een aantal argumenten aangevoerd waarom ze het niet eens is met het besluit van de Dienst Toeslagen. Aan de hand van deze argumenten, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiseres terecht heeft vastgesteld op € 0 en daarom ook terecht het betaalde voorschot heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.\n\nWat aan deze procedure voorafging\n\n2. Op 23 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiseres voor het jaar 2023 voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 2.903.2.1.. In 2024 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen dat eiseres beschikt over een vermogen in de vorm van spaargeld. Dit vermogen is te hoog voor huurtoeslag, waardoor de Dienst Toeslagen met het besluit van 9 augustus 2024 heeft bepaald dat eiseres voor het jaar 2023 geen recht heeft hierop. In dat besluit is daarom de huurtoeslag vastgesteld op € 0. Daarnaast is besloten dat eiseres het betaalde voorschot, € 2.915 (waarvan € 12 rente), moet terugbetalen.2.2.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.2.3.. Tussen eiseres en de Dienst Toeslagen heeft een gesprek plaatsgevonden om het bezwaar te bespreken.2.4.. Met het besluit van 30 januari 2025 op het bezwaar van eiseres heeft de Dienst Toeslagen het eerdere besluit in stand gelaten, aangevuld met een motivering. Dit besluit, het bestreden besluit, wordt in deze procedure door de rechtbank beoordeeld.\n\n2.5.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.6.. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.7.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres was hierbij aanwezig. Namens de Dienst Toeslagen zijn mr. N. Akka en [gemachtigde] verschenen.Beoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiseres over het jaar 2023 geen recht heeft op huurtoeslag en een bedrag van € 2.915 heeft teruggevorderd.\n\nWat zijn de regels?\n\n4. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.De hoogte hiervan is afhankelijk van iemands financiële draagkracht. Een onderdeel van deze draagkracht is het vermogen van de huurder.Dit betekent dat de huurtoeslag een inkomensafhankelijke regeling is. Daarom is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op de huurtoeslag.4.1.. Het recht op huurtoeslag bestaat niet als de belanghebbende een voordeel ontvangt uit sparen of beleggen. Dit wordt een rendementsgrondslag genoemd. In 2023 was de maximale rendementsgrondslag € 33.748. Als het vermogen van de belanghebbende hoger is dan dit maximum, kan diegene geen huurtoeslag (meer) ontvangen.\n\n4.2.. In de bijlage bij deze uitspraak staan de regels die van belang zijn voor deze zaak.\n\nWelke argumenten heeft eiseres aangevoerd?\n\n5. Eiseres stelt dat het bedrag op de spaarrekening is bestemd voor de studie van haar dochter. Dit geld is meegenomen in de vaststelling van haar vermogen. Volgens eiseres is het grootste deel van het bedrag afkomstig van de vader van haar dochter. Eiseres betoogt dat ze het geld op de spaarrekeningen, dat toebehoort aan een ander, niet kan gebruiken om de huurtoeslag terug te betalen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nIs eiseres ontvankelijk in haar beroep?\n\n6. Iemand die beroep instelt bij de bestuursrechter, moet dat op tijd doen.Gebeurt dat niet, dan kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.Dat betekent dat de zaak niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.6.1.. Partijen zijn het met elkaar eens dat eiseres haar beroepschrift te laat heeft ingediend. Eiseres heeft toegelicht dat ze door persoonlijke omstandigheden niet op tijd beroep heeft kunnen instellen.6.2.. De rechtbank beoordeelt of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarvan kan sprake zijn als de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden. De bestuursrechter moet een belanghebbende de mogelijkheid bieden om de termijnoverschrijding verder uit te leggen. Dat kan bijvoorbeeld door extra feiten te noemen of documenten aan te leveren.6.3.. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet alleen schriftelijk maar ook op zitting voldoende toelichting heeft gegeven waaruit blijkt dat sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden. Eiseres was hierdoor niet in staat om op tijd beroep bij de rechtbank in te dienen en haar kan daarvan geen verwijt worden gemaakt. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar. Ter zitting heeft de Dienst Toeslagen zich hier niet tegen verzet. In het vervolg van deze uitspraak wordt het beroep daarom inhoudelijk behandeld.\n\nHeeft de Dienst Toeslagen het vermogen van eiseres juist vastgesteld?\n\n7. Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van de financiële draagkracht van de huurder. Om deze draagkracht vast te stellen, wordt onder andere bepaald wat iemands vermogen is.Dat is belangrijk, omdat vanaf een bepaald bedrag aan vermogen wordt aangenomen dat iemand een voordeel geniet uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In dat geval kan iemand geen huurtoeslag ontvangen.7.1.. Of sprake is van een voordeel uit sparen of beleggen, wordt vastgesteld op basis van de aanslag inkomstenbelasting van het betreffende jaar. Die gegevens worden vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst.7.2.. Om huurtoeslag te kunnen ontvangen, mag de rendementsgrondslag over 2023 niet hoger zijn dan € 33.748. De inspecteur van de Belastingdienst heeft het vermogen van eiseres over 2023 vastgesteld op € 35.657. De Dienst Toeslagen mag uitgaan van die gegevens.7.3.. \n\nOp grond van de wet worden bepaalde vormen van vermogen niet meegerekend bij de vaststelling van de rendementsgrondslag.De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke uitzondering. Eiseres voert aan dat het gespaarde bedrag grotendeels afkomstig is van de vader van haar dochter en dat ze dit hebben gespaard voor hun dochter. De rechtbank begrijpt dat eiseres het geld heeft gespaard voor een bepaald doel, maar voor die omstandigheid heeft de wet geen uitzondering gemaakt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het vermogen van eiseres juist is vastgesteld.\n\nMocht de Dienst Toeslagen het gehele voorschot terugvorderen?\n\n8. De wet bepaalt dat het teveel betaalde voorschot volledig moet worden terugbetaald.Alleen in bijzondere omstandigheden kan deze terugvordering worden verminderd of kan daarvan worden afgezien.8.1.. Eiseres betoogt dat in dit geval sprake is van die bijzondere omstandigheden. Ze heeft aangevoerd dat ze het geld op de spaarrekeningen niet kan gebruiken voor het terugbetalen van het voorschot, omdat dit geld is gespaard voor haar dochter. Daarnaast benoemt ze dat het gespaarde bedrag de vermogensgrens minimaal overschrijdt en ze de huurtoeslag hard nodig heeft.8.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij begrip heeft voor de persoonlijke situatie en het gevoel van eiseres. De omstandigheden die zij noemt, zijn echter geen bijzondere omstandigheden op basis waarvan de terugvordering kan worden verminderd. Het Verzamelbesluit Toeslagen noemt verschillende omstandigheden die wel of juist niet kunnen leiden tot een vermindering van de terugvordering.De kleine overschrijding van de vermogensgrens en de persoonlijke financiële situatie die eiseres noemt, zijn daarin genoemd als redenen om het bedrag niet te verminderen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres het gespaarde geld niet wil gebruiken om het voorschot terug te betalen, is dat geen reden om van terugvordering af te zien.8.3.. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen het gehele bedrag mocht terugvorderen.8.4.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor eiseres de mogelijkheid bestaat om een herzieningsverzoek in te dienen bij de inspecteur van de Belastingdienst. Tijdens de zitting van 21 mei 2026 heeft de Dienst Toeslagen aangegeven bereid te zijn eiseres verder te informeren over deze mogelijkheid op het moment dat zij aangeeft hiervoor open te staan. De Dienst Toeslagen heeft op de zitting toegezegd dat zij niet zal overgaan tot de invordering van de huurtoeslag bij eiseres totdat er definitieve duidelijkheid bestaat over het inkomen van eiseres.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank komt tot de conclusie dat de huurtoeslag van eiseres over 2023 terecht is vastgesteld op € 0. Ook oordeelt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen terecht het gehele voorschot van de huurtoeslag over het jaar 2023 heeft teruggevorderd.9.1.. Dat betekent dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en krijgt het betaalde griffierecht niet terug.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: regels die belangrijk zijn voor deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 6:6\n\nHet bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:\n\nniet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of\n\n(…)\n\nmits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.\n\nArtikel 6:7\n\nDe termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 1\n\n(…)\n\nhuurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;\n\n(…)\n\nArtikel 1a\n\n1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\n1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagdracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, dienst partner en de medebewoners.\n\n(…)\n\nAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\nArtikel 1\n\nDeze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\nTer bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en van zijn partner in aanmerking genomen.\n\n(…)\n\nIndien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…)\n\nArtikel 26\n\nIndien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.\n\nHet terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.\n\n(…)\n\nVerzamelbesluit Toeslagen\n\n2.1\n\n(…)\n\nVan een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als:\n\n(…)\n\nde terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens;\n\nde belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen;\n\n(…)\n\nUitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet (…) buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag (…) zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomensbelasting 2001, zou worden verminderd met:\n\na. bezittingen die zijn opgekomen\n\ni. (…)\n\nii. Van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;\n\nb. (…)\n\n Artikel 1, onder e, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag; artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 6:6, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n CBb 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31 (r.o. 3.4).\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1730 (r.o. 10).\n\n Artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Punt 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5836","ecli-nl-rbzwb-2026-5836",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht",{"id":58,"ecli":59,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":60,"language":7,"source":17,"sourceUrl":61,"summary":14,"slug":62,"metadata":63},"969","ECLI:NL:RBZWB:2026:5842","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2523\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 december 2025, door het UWV ontvangen op 11 december 2025, om een besluit naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) van [(ex-)werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 9 december 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 11 december 2025 ontvangen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit naar aanleiding van de EZWB is overschreden. Eiseres heeft het UWV op 13 maart 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 17 maart 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 15 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen EZWB van de (ex-)werkneemster van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn, zoals verzocht door eiseres, op te leggen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nWijst de rechtbank het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade toe?\n\n6. Eiseres heeft verzocht om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade en nog te lijden schade. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet op tijd beslissen door het UWV. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\nbepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nwijst het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade af;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5842","ecli-nl-rbzwb-2026-5842",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":65,"ecli":66,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":67,"language":7,"source":17,"sourceUrl":68,"summary":14,"slug":69,"metadata":70},"970","ECLI:NL:RBZWB:2026:5824","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F1016 Vuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 op het verzet van\n\n [opposante], uit [woonplaats] , opposante\n\nen uitspraak in de beroepszaak tussen\n\nin het geding tussen\n\nopposante, tevens eiseres\n\nen\n\nCollege van procureurs-generaal, het College.\n\nInleiding en procesverloop\n\n1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat het College volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoeken uit de periode van mei tot en met december 2025.\n\n1.1.. Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht.\n\n1.2.. Opposante heeft op 26 maart 2026 een verzetschrift tegen de uitspraak ingediend. Opposante heeft verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft het verzet op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft opposante deelgenomen en vanuit het college heeft er niemand deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het verzet\n\n2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 19 maart 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfelis dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.\n\n2.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nDe uitspraak van 19 maart 2026\n\n3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het verzoek is gericht op het handelen van het Openbaar Ministerie (OM) of de officier van justitie (OvJ) bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb. Gelet op dit artikel zijn onder meer de regels over bezwaar en beroep uit de Awb niet van toepassing. Dit betekent dat tegen een reactie op het verzoek van eiseres, dan wel tegen het uitblijven daarvan, geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter.\n\n3.1.. Opposante voert – kort samengevat - aan dat de rechtbank het verzoek onterecht heeft gekwalificeerd als strafrechtelijk, aangezien er geen sprake is van een verzoek over de toetsing van opsporing, de beoordeling van vervolgbeslissingen of het ingrijpen in een strafzaak.\n\n3.2.. Tijdens de zitting heeft opposante haar verzetschrift toegelicht. Zij heeft aangegeven dat de procedure is beperkt tot het verzoek dat zij doet op grond van artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) van 12 december 2025. Opposante stelt dat de rechtbank nooit een procedure heeft gestart en dat de procedure van art. 8:42 van de Awb niet is gevolgd. Er heeft geen debat plaatsgevonden, zodat er geen sprake is geweest van hoor en wederhoor.\n\n3.3.. Opposante benadrukt dat zij niet aan de rechtbank heeft gevraagd om iets over een strafzaak te beslissen. Haar verzoek is een bestuurlijk verzoek aan het College om in te grijpen. Opposante vindt dat het een bestuurlijke verantwoordelijkheid van het College betreft, waarop alleen een bestuurder antwoord kan geven. Haar verzoek is een bestuurlijke vraag en geen inhoudelijke vraag, het verzoek ziet namelijk puur op de processen in de strafrechtketen.\n\n3.4.. Opposante heeft op zitting verteld over haar ervaringen met het College. Zij heeft aangegeven dat de proceshouding van het College haar zeer frustreert. Met haar verzoek wil opposante de belangen van minderjarigen beschermen in een strafrechtelijk traject. Opposante wil graag een gemotiveerd antwoord krijgen op haar verzoek dat kan leiden tot een open gesprek. In dit gesprek wil opposante bespreken waarom zij dit verzoek bij het College heeft neergelegd. Tot op heden heeft opposante geen reactie gekregen, waardoor zij openheid vanuit het College mist.\n\nHet toetsingskader\n\n4. Er is een College van procureurs-generaal.Het College staat aan het hoofd van het OM.Het College kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het OM.\n\n4.1.. Dit artikel creëert de vereiste wettelijke grondslag voor het bestaan van het College. Ook wordt er tot uitdrukking gebracht welke plaats het College inneemt: het staat aan het hoofd van het OM. In het vierde lid van het artikel worden de wettelijke instrumenten van het College nader uitgewerkt. Het College krijgt de bevoegdheid toegekend om algemene en bijzondere aanwijzingen te geven betreffende de taken en bevoegdheden van het OM. Deze bevoegdheid is onbeperkt: zij strekt zich uit tot alle taken en bevoegdheden op het terrein van de strafrechtelijke rechtshandhaving, alsmede tot de andere taken waarmee het OM bij of krachtens de wet is belast. Een aanwijzing van het College kan zowel betrekking hebben op beleidsaangelegenheden als op individuele zaken. Zij kan gericht zijn tot alle leden van het OM die de taken en bevoegdheden van het OM uitoefenen.\n\n5. In de Awb is bepaald dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van de Awb niet van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van strafbare feiten, alsmede de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen.\n\n5.1.. Dit betekent dat de typisch in de sfeer van de strafvordering en de executie gelegen besluiten en handelingen van de betrokken bestuursorganen niet onder het bereik van de Awb vallen. Gelet op de eigenstandige positie van het (materiële en formele) strafrecht en op het feit dat de strafrechtelijke regelgeving uitputtend is bedoeld, zou dat anders tot een ongewenste vermenging van rechtssferen leiden.\n\n5.2.. De strafrechtelijke procedures inzake de opsporing zijn primair neergelegd in het Wetboek van Strafvordering. Zij dienen daarin ook neergelegd te blijven, omdat de opsporing een wezenlijk onderdeel vormt van de strafrechtelijke procedure. Vandaar dat in artikel 1:6 van de Awb de opsporing van strafbare feiten is uitgezonderd van de werking van deze wet.\n\n6. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is.\n\nIs artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb van toepassing?\n\n7. Opposante is werkzaam als bestuurder van een ziekenhuis. Zij heeft op zitting verteld dat als zij als bestuurder een verzoek of vraag ontvangt, dit verzoek een medisch inhoudelijke en een procedurele kant heeft. Deze twee gebieden kunnen gescheiden van elkaar worden beoordeeld. Opposante wil dat haar verzoek over strafrechtelijke procedures ook gescheiden wordt gezien van het inhoudelijke strafrecht. Daarnaast wil opposante, wanneer de scheiding gemaakt is, dat haar verzoek onder het bestuursrecht wordt behandeld, omdat haar verzoek ziet op het besturen (het leiding geven) van het OM door het College.\n\n7.1.. De verzetrechter oordeelt dat opposante haar verzoek binnen de kaders van het strafrecht valt. Het materiële strafrecht (de inhoudelijke strafbepalingen) en het formele strafrecht (het strafprocesrecht) vallen namelijk allebei in de sfeer van het strafrecht. De verzetrechter begrijpt dat opposante zich op het standpunt stelt dat haar verzoek niet ziet op een specifieke strafzaak, maar dat betekent niet dat artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb buiten beschouwing kan worden gelaten. Het artikel heeft namelijk een bredere strekking dan opposante in haar verzetschrift stelt, want het ziet op besluitenen handelingen die zijn gelegen in de typische sfeer van de strafvordering. Opposante wil graag een gemotiveerde bevestiging of afwijzing van het College op haar verzoek dat gebaseerd is op artikel 130, vierde lid, van de Wet RO. De verzetrechter overweegt dat artikel 130, vierde lid, van de Wet RO een strafrechtelijk karakter heeft. Het betreft namelijk de instrumenten die het College heeft om op het terrein van de strafrechtelijke rechtshandhaving te handelen en te besluiten. Het is voor de verzetrechter dan ook evident dat opposante haar verzoek valt in de typische sfeer van de strafvordering als bedoeld in artikel 1:6 van de Awb.\n\n7.2.. Ook oordeelt de verzetrechter dat de procedurele kant van het strafrecht niet los kan worden beschouwd en op grond van het bestuursrecht kan worden beoordeeld. Het OM wordt inderdaad bestuurd door het College, maar dit betekent niet dat zijn handelingen en besluiten onder het bestuursrecht vallen. Deze besluiten en handelingen kunnen namelijk niet los worden gezien van de opsporing en vervolging van strafbare feiten door het OM. Dit betekent, zoals is geoordeeld in de uitspraak van 19 maart 2026, dat artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb van toepassing is op de procedure van opposante. De verzetsgrond faalt.\n\nHeeft de rechtbank de zaak kennelijk mogen afdoen?\n\n8. Op de zitting heeft opposante de uitspraak van 19 maart 2026 met drie vragen betwist. Zij vraagt zich als eerste af hoe de rechtbank uitspraak kon doen zonder eerst te beantwoorden of er sprake is van een aanvraag. Ten tweede heeft zij gevraagd wat de gevolgen zijn als een bestuursorgaan weigert te beslissen. Als laatste vraagt opposante of haar verzoek wel werkelijk buiten het bestuursrecht valt. Zij voert aan dat de rechtbank in de uitspraak van 19 maart 2026 niet is ingegaan op de eerste twee vragen. Uit de uitspraak en de procedureverloop blijkt dat de rechtbank geen zaak heeft gestart.\n\n8.1.. De verzetrechter begrijpt dat opposante graag een antwoord wil ontvangen op haar twee onbesproken gebleven vragen. De door haar gestelde vragen worden echter op grond van artikel 8:54 van de Awb in een bepaalde volgorde beantwoord. Voordat de bestuursrechter over de inhoud van een beroepschrift en haar beroepsgronden kan oordelen, moet de bestuursrechter eerst vaststellen of zij bevoegd is en vervolgens of het beroep ontvankelijk is. Om te oordelen of de bestuursrechter bevoegd is, heeft de bestuursrechter eerst besproken of artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb van toepassing is op het beroepschrift en het verzoek van opposante. De verzetrechter oordeelt dat in de uitspraak van 19 maart 2026 juist is vastgesteld dat in verband hiermee de regels over beroep uit de Awb niet van toepassing zijn. Dit betekent dat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd was om over de inhoud, de eerste twee vragen die opposante op zitting heeft gesteld, van het beroepschrift te oordelen. Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd was, heeft de bestuursrechter ook mogen afgezien van het volgen van de procedure zoals omschreven in afdeling 8.2.2. van de Awb. De verzetsgrond faalt.\n\nConclusie over het verzet\n\n9. Het voorgaande betekent dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn. Artikel 1:6 van de Awb bevat dwingend recht. Wanneer er sprake is van een beroep waarop artikel 1:6, aanhef en onder a, van de Awb van toepassing is, dient de bestuursrechter zich onbevoegd te verklaren. Dit betekent dat het dictum van de uitspraak van 19 maart 2026 niet aansluit bij de motivering van de uitspraak. Het verzet slaagt daarom op dit punt. De uitspraak vervalt voor zover het dictum niet aansluit bij de motivering van de uitspraak. Dit betekent dat de uitspraak van 19 maart 2026 voor het overige in stand blijft.\n\nBeoordeling door de rechtbank van het beroep\n\n10. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.\n\n11. De rechtbank oordeelt dat de hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn.Dit betekent dat tegen een reactie op het verzoek van eiseres, dan wel tegen het uitblijven daarvan, geen beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Zij zal zich dan ook onbevoegd verklaren.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. De rechtbank is onbevoegd. Zij mag de zaak dus niet inhoudelijk behandelen. Omdat er geen griffierecht is geheven, kan dit niet worden teruggestort. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het verzet gegrond;\n\n- verklaart dat de uitspraak van 19 maart 2026 vervalt voor zover het dictum niet aansluit bij de motivering van de uitspraak;\n\n- verklaart zich onbevoegd.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I van Term, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open. Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.\n\n Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Dit staat in artikel 130, eerste lid, van de Wet RO.\n\n Dit staat in artikel 130, tweede lid, van de Wet RO.\n\n Dit staat in artikel 130, vierde lid, van de Wet RO.\n\n Kamerstukken II 1996\u002F97, 25392, nr. 3, p. 9 en 10.\n\n Artikel 1:6, eerste lid, onder a, van de Awb.\n\n Kamerstukken II, 1988\u002F89, 21221, nr. 3, p. 43.\n\n Kamerstukken II, 1988\u002F89, 21221, nr. 3, p. 44.\n\n Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, onder a, van de Awb.\n\n De bewoording besluit(en) betekent niet direct een besluit in de zin van de Awb. Zie ook onder 5.1.\n\n Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\n Dit staat in artikel 1:6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5824","ecli-nl-rbzwb-2026-5824",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":72,"ecli":73,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":74,"language":7,"source":17,"sourceUrl":75,"summary":14,"slug":76,"metadata":77},"971","ECLI:NL:RBZWB:2026:5835","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F390\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nDienst Toeslagen, verweerder.\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling dat hij geen recht heeft op huurtoeslag voor het jaar 2024 en de terugvordering van een deel van zijn huurtoeslag over hetzelfde jaar. Eiser heeft een aantal argumenten aangevoerd waarom hij het niet eens is met het besluit van de Dienst Toeslagen. Aan de hand van deze argumenten, de beroepsgronden, beoordeelt de rechtbank het beroep.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nWat aan deze procedure voorafging\n\n2. Op 24 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiser voor het jaar 2024 voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 4.721.\n\n2.1.. In 2025 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen dat eiser beschikt over een vermogen dat bestaat uit zijn aandeel in een woning. Dit vermogen is te hoog, waardoor de Dienst Toeslagen met het besluit van 17 oktober 2025 heeft bepaald dat eiser voor het jaar 2024 geen recht heeft op huurtoeslag. In dat besluit is daarom de huurtoeslag vastgesteld op € 0. Daarnaast is besloten dat eiser het betaalde voorschot, € 4.776 (waarvan € 55 rente), moet terugbetalen.2.2.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.2.3.. Met het besluit van 29 december 2025 heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het eerdere besluit in stand gelaten, aangevuld met een motivering.2.4.. Tegen het eerste bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.2.5.. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.2.6.. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen opnieuw beslist op het bezwaar van eiser. Met het besluit van 21 mei 2026 is de Dienst Toeslagen voor een deel tegemoetgekomen aan de bezwaren van eiser. De Dienst Toeslagen heeft in dit besluit, het bestreden besluit, bepaald dat het bedrag dat eiser moet terugbetalen, wordt verminderd tot € 3.582. Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen toegelicht dat bedoeld is dat dit besluit het eerdere vervangt. De wet bepaalt dat het beroep van eiser ook betrekking heeft op dit nieuwe bestreden besluit.\n\n2.7.. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig, bijgestaan door zijn tolk, [tolk] . Namens de Dienst Toeslagen zijn mr. N. Akka en [gemachtigde] verschenen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of de Dienst Toeslagen terecht heeft besloten dat eiser over het jaar 2024 geen recht heeft op huurtoeslag. Ook beoordeelt de rechtbank of de Dienst Toeslagen het betaalde voorschot tot een bedrag van € 3.582 heeft kunnen terugvorderen.\n\nWat zijn de regels?\n\n4. De huurtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van het huren van een woning.De hoogte hiervan is afhankelijk van iemands financiële draagkracht. Een onderdeel van deze draagkracht is het vermogen van de huurder.Dit betekent dat de huurtoeslag een inkomensafhankelijke regeling is. Daarom is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen van toepassing op de huurtoeslag.4.1.. Het recht op huurtoeslag bestaat niet als de belanghebbende een voordeel ontvangt uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In 2024 was de maximale rendementsgrondslag € 36.952. Als het vermogen van de belanghebbende hoger is dan dit maximum, kan diegene geen huurtoeslag (meer) ontvangen.\n\n4.2.. In de bijlage bij deze uitspraak staan de regels die van belang zijn voor deze zaak.\n\nWelke argumenten heeft eiser aangevoerd?\n\n5. Eiser stelt dat zijn vermogen bestaat uit zijn aandeel in de woning die hij met zijn ex-partner heeft gekocht. Eiser betoogt dat hij geen toegang heeft tot dit geld. Volgens eiser mag de eigendom van deze woning daarom niet worden meegerekend bij de vaststelling van zijn vermogen.\n\nWat is het oordeel van de rechtbank?\n\nHeeft de Dienst Toeslagen het vermogen van eiser juist vastgesteld?\n\n6. Het recht op huurtoeslag is afhankelijk van de financiële draagkracht van de huurder. Om deze draagkracht vast te stellen, wordt onder andere bepaald wat iemands vermogen is. Dat is belangrijk, omdat vanaf een bepaald bedrag aan vermogen wordt aangenomen dat iemand een voordeel geniet uit sparen of beleggen. Dat wordt een rendementsgrondslag genoemd. In dat geval kan iemand geen huurtoeslag ontvangen.6.1.. Of sprake is van een voordeel uit sparen of beleggen, wordt vastgesteld op basis van de aanslag inkomstenbelasting van het betreffende jaar. Die gegevens worden vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst. De Dienst Toeslagen mag zijn besluiten op die gegevens baseren.6.2.. Om huurtoeslag te kunnen ontvangen, mag de rendementsgrondslag over 2024 niet hoger zijn dan € 36.952. Het vermogen van eiser aan het begin van 2024 is vastgesteld op € 51.348.6.3.. Op grond van de wet worden bepaalde vormen van vermogen niet meegerekend bij de vaststelling van de rendementsgrondslag.De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijke uitzondering. Eiser voert aan dat het vermogen bestaat uit zijn aandeel in een woning en dat hij daarom geen toegang heeft tot dit geld. De wet heeft geen uitzondering gemaakt voor vermogen dat bestaat uit een aandeel in een woning. Dit is ook niet anders doordat eiser daar niet woont, maar zijn ex-vrouw en hun kinderen. Het is begrijpelijk dat eiser hen niet op straat wil zetten. Dit verandert echter niets aan het feit dat hij gedeeltelijk eigenaar is van de woning. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het vermogen van eiser juist is vastgesteld.\n\nMocht de Dienst Toeslagen een deel van het voorschot terugvorderen?\n\n7. De wet bepaalt dat het teveel betaalde voorschot volledig moet worden terugbetaald.Alleen in bijzondere omstandigheden kan deze terugvordering worden verminderd of kan daarvan worden afgezien.7.1.. Eiser heeft aangevoerd dat hij de terugvordering onevenredig vindt, omdat hij over onvoldoende financiële middelen beschikt. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat geheel moet worden afgezien van terugvordering.7.2.. Voor de terugvordering van betaalde voorschotten is beleid vastgesteld. Op basis van dit beleid is een gebrek aan financiële middelen geen reden om het terug te betalen bedrag te verlagen.De Dienst Toeslagen heeft tijdens de beroepsprocedure de situatie van eiser opnieuw beoordeeld. Hierbij is het financiële belang van eiser gewogen tegen het algemeen belang van het terugvorderen van een voorschot. Ook heeft de Dienst Toeslagen gekeken naar de rol die eiser heeft gehad in het laten ontstaan van de situatie. De Dienst Toeslagen heeft na deze nieuwe beoordeling besloten om niet het volledige voorschot terug te vorderen. Het terug te vorderen bedrag is in dit vervangende besluit verlaagd tot € 3.582 (inclusief € 41 rente).7.3.. Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden gekomen tot een matiging van de terugvordering. Het standpunt van eiser dat geheel van terugvordering had moeten worden afgezien, volgt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van gehele terugvordering af te zien of om de terugvordering verder te verlagen.7.4.. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat de Dienst Toeslagen met eiser een persoonlijke betalingsregeling heeft getroffen.Tijdens de zitting heeft de Dienst Toeslagen dit toegelicht. Als gevolg van deze regeling wordt het voorschot niet actief bij eiser ingevorderd. Dit betekent dat eiser het bedrag waar het om gaat, € 3.582, nu niet hoeft terug te betalen. Pas op het moment dat eiser een eenmalige teruggave ontvangt, wordt het openstaande bedrag van de terugvordering zo mogelijk daarmee verrekend.Conclusie en gevolgen\n\n8. De rechtbank komt tot het oordeel dat het recht op huurtoeslag van eiser over 2024 juist is vastgesteld. Ook oordeelt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen niet van volledige terugvordering had hoeven afzien. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.8.1.. Tijdens de beroepsprocedure heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser opnieuw beoordeeld. Naar aanleiding daarvan is een vervangend bestreden besluit genomen. Eiser is daarom terecht in beroep gegaan tegen het besluit van 29 december 2025. Daarom bepaalt de rechtbank dat de Dienst Toeslagen het griffierecht dat eiser heeft betaald, moet vergoeden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.I. van Term, rechter, in aanwezigheid van mr. A. van Breugel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: regels die belangrijk zijn voor deze uitspraak\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nArtikel 6:19\n\nHet bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.\n\n(…)\n\nWet op de huurtoeslag\n\nArtikel 1\n\n(…)\n\nhuurtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van het huren van een woning;\n\n(…)\n\nArtikel 1a\n\n1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\n1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagdracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, dienst partner en de medebewoners.\n\n(…)\n\nAlgemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\nArtikel 1\n\nDeze wet geldt voor inkomensafhankelijke regelingen.\n\n(…)\n\nArtikel 7\n\nTer bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en van zijn partner in aanmerking genomen.\n\n(…)\n\nIndien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. (…)\n\nArtikel 26\n\nIndien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, is de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.\n\nHet terug te vorderen bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt volledig door de Dienst Toeslagen teruggevorderd. Voor zover de nadelige gevolgen voor de belanghebbende van een volledige terugvordering van het bedrag ingevolge het eerste lid onevenredig zijn in verhouding tot de met die volledige terugvordering te dienen doelen, kan de Dienst Toeslagen bij het vaststellen van de beschikking tot terugvordering een lager bedrag terugvorderen dan het bedrag ingevolge het eerste lid.\n\n(…)\n\nVerzamelbesluit Toeslagen\n\n2.1\n\n(…)\n\nVan een onevenredige terugvordering is in beginsel geen sprake als:\n\n(…)\n\nde terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens;\n\nde belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen;\n\n(…)\n\nUitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen\n\n1. Op verzoek van de belanghebbende blijft artikel 7, derde en vierde lid, van de wet (…) buiten toepassing indien wel aanspraak op huurtoeslag (…) zou bestaan indien ten aanzien van de belanghebbende, zijn partner of een medebewoner de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomensbelasting 2001, zou worden verminderd met:\n\na. bezittingen die zijn opgekomen\n\ni. (…)\n\nii. Van de zijde van een kind en waarover zowel de belanghebbende, diens partner, een eventuele medebewoner, alsook het kind niet kan beschikken;\n\nb. (…)\n\nLeidraad Invordering 2008\n\nArtikel 79.9\n\nAls de belanghebbende een betalingsregeling is toegestaan, als bedoeld in artikel 79.8 van deze leidraad, die rekening houdt met een betalingscapaciteit die ontoereikend is om het teruggevorderde bedrag binnen 24 maanden te voldoen, zal Dienst Toeslagen na afloop van die regeling de belanghebbende meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de nog openstaande schuld.\n\nAls aan de hand van de gegevens op het door de belanghebbende ingevulde vragenformulier is vastgesteld dat hij niet over enige betalingscapaciteit beschikt, dan zal Dienst Toeslagen de belanghebbende na die vaststelling meedelen geen invorderingsmaatregelen te zullen nemen voor de toeslagenschuld in kwestie.\n\nIn beide situaties wordt aan de mededeling de voorwaarde verbonden dat gedurende 3 jaar te rekenen vanaf de datum van de mededeling, eventuele toeslagen en teruggaven inkomstenbelasting — voor zover die niet in maandelijkse termijnen worden uitbetaald — zullen worden verrekend met de buiten de invordering gelaten schuld.\n\n Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Artikel 1, onder e, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag.\n\n Artikel 1a, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag; artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1730 (r.o. 10).\n\n Artikel 47 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, in samenhang gelezen met artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Artikel 26 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.\n\n Punt 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen.\n\n Artikel 79.9 van de Leidraad Invordering 2008.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5835","ecli-nl-rbzwb-2026-5835",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":79,"ecli":80,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":81,"language":7,"source":17,"sourceUrl":82,"summary":14,"slug":83,"metadata":84},"972","ECLI:NL:RBZWB:2026:5840","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F2494\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,\n\nhet UWV.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 9 oktober 2025, door het UWV ontvangen op 13 oktober 2025, om een besluit naar aanleiding van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWB) van [(ex-)werkneemster] , een (ex-)werkneemster van eiseres.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.\n\nIs het beroep kennelijk gegrond?\n\n3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 9 oktober 2025 en het UWV heeft de aanvraag op 13 oktober 2025 ontvangen. Niet in geschil is dat de beslistermijn voor het nemen van een besluit naar aanleiding van de EZWB is overschreden. Eiseres heeft het UWV op 14 januari 2026 in gebreke gesteld en het UWV heeft de ingebrekestelling op 15 januari 2026 ontvangen. Sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.\n\nWelke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?\n\n4. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.\n\n4.1.. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.\n\n4.2.. In het verweerschrift van 15 mei 2026 heeft het UWV uitgelegd dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen nog geen EZWB van de (ex-)werkneemster van eiseres heeft plaatsgevonden. Het UWV kan nog niet aangeven wanneer het een besluit kan nemen.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt de beslissing te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een kortere termijn, zoals verzocht door eiseres, op te leggen.\n\nWelke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?\n\n5. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.\n\nWijst de rechtbank het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade toe?\n\n6. Eiseres heeft verzocht om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade en nog te lijden schade. De rechtbank stelt vast dat eisers onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van het niet op tijd beslissen door het UWV. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om het UWV in deze uitspraak te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.\n\n7.1.. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;\n\ndraagt het UWV op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;\n\nbepaalt dat het UWV aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;\n\nwijst het verzoek van eiseres om het UWV te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade af;\n\nbepaalt dat het UWV het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5840","ecli-nl-rbzwb-2026-5840",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":86,"ecli":87,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":88,"language":7,"source":17,"sourceUrl":89,"summary":14,"slug":90,"metadata":91},"974","ECLI:NL:RBZWB:2026:5793","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F4858uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [eisers] , uit [woonplaats] , eisers\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een beslissing van het college op het bezwaar van eisers tegen de brief van 8 november 2024, waarin de openbaarmaking is opgeschort niet-ontvankelijk is verklaard. Eisers voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de opschorting niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n1.2.. Eisers hebben gevraagd documenten openbaar te maken over de vergunningaanvraag van hun buren, de vergunninghouders. Het college heeft met het besluit van 3 oktober 2024 de openbaarmaking gedeeltelijk toegewezen. Met de beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college dit besluit deels herroepen en besloten meer gegevens openbaar te maken. Eisers en de vergunninghouders hebben ieder beroep ingesteld tegen dit besluit.\n\n1.3.. In verband met het bezwaar van vergunninghouders schort het college op 8 november 2024 de openbaarmaking van de documenten op. Eisers maken bezwaar tegen de opschorting van de openbaarmaking. Het college heeft het bezwaar van eisers tegen deze opschorting van de openbaarmaking bij het bestreden besluit van 12 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 8 november 2024 volgens het college niet op rechtsgevolg is gericht en er dus geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers hebben hier beroep tegen ingesteld.\n\n1.4.. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld, tegelijkertijd met de beroepen tegen de inhoudelijke beslissing op bezwaar.Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [gemachtigde 1] als gemachtigde van de vergunninghouders en mr. M. Roels, [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] namens van het college.\n\n1.6.. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n2. Eisers dienen op 7 maart 2024 een Woo-verzoek in waarin zij vragen om alle documenten over het vergunningverleningsproces op het adres [adres] te [woonplaats] . Dat betreft de vergunning die vergunninghouders hebben aangevraagd en verkregen.\n\n2.1.. Eisers en vergunninghouders wordt om een zienswijze gevraagd. Op 3 oktober 2024 besluit het college de documenten, deels gelakt, openbaar te maken.\n\n2.2.. Op 14 oktober 2024 stuurt het college vergunninghouders een mail waarin is aangegeven dat per abuis een verkeerd e-mail adres is gebruikt waardoor zij geen zienswijze in hebben kunnen dienen.\n\n2.3.. Op 28 oktober 2024 dienen vergunninghouders een bezwaarschrift in. Op 8 november 2024 stuurt het college een brief aan eisers waarin staat vermeld dat zij door een onjuiste adressering een derde-belanghebbende (vergunninghouders) niet in de gelegenheid hebben gesteld om een zienswijze in te dienen. Gelet hierop schort het college de openbaarmaking van de documenten op tot twee weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar. Eisers hebben de documenten die vrij zijn gegeven al gekregen, maar mogen van het college deze documenten wegens de opschorting van de openbaarmaking niet gebruiken of verspreiden.\n\n2.4.. Op 13 november 2024 maken eisers bezwaar tegen het besluit op het Woo-verzoek van 3 oktober 2024. Op 18 december 2024 maken zij ook bezwaar tegen de brief van 8 november 2024 over de opschorting van de feitelijke openbaarmaking.\n\n2.5.. Met de beslissingen op bezwaar van 12 augustus 2025 is op de bezwaren van eisers en vergunninghouders beslist.\n\n2.6.. Vergunninghouders hebben (evenals eisers) beroep ingesteld tegen dit besluit en daarnaast een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.\n\n2.7.. Op 14 oktober 2025 beslist de voorzieningenrechter dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInhoudelijke beoordeling van de opschorting\n\n3. Eisers stellen dat het college hun bezwaar tegen de brief waarin is aangegeven dat de openbaarmaking is opgeschort ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Deze brief bevatte een besluit, want het had als rechtsgevolg dat een aantal documenten niet is ontvangen en zij deze stukken niet in juridische procedures hebben kunnen gebruiken. Door op te schorten is de rechtsbescherming van eisers geschaad. Het gaat daarbij met name (maar niet uitsluitend) om de laatste drie documenten met de nummers 98, 99 en 100. De opschorting duurt voort.\n\n3.1.. De rechtbank komt tot het oordeel dat eisers geen procesbelang meer hebben bij het aanvechten van het opschorten van de openbaarmaking van de documenten. Procesbelang is het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom dat het doel dat diegene voor ogen staat met het beroep kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Enkel een principieel belang is onvoldoende.\n\n3.2.. Uit het voorgaande volgt dat de opschorting van 8 november 2024 gold tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Daarna heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat openbaarmaking niet eerder mag geschieden dan twee weken na de uitspraak in de bodemprocedure. De opschorting van 8 november 2024 door het college heeft dus geen werking meer. Eisers kunnen met deze procedure, gericht tegen de opschorting van de openbaarmaking door het college, niet bereiken dat de stukken openbaar worden gemaakt. Eisers hebben dus geen procesbelang, omdat feitelijke betekenis van deze procedure ontbreekt.\n\n3.3.. Het belang bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit kan ook nog zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijke oordeel betrokken kan worden bij toekomstige besluitvorming. Dat daarvan sprake is, is echter niet gebleken. Indien iemand stelt schade te hebben geleden door een besluit en dit tot op zekere hoogte aannemelijk maakt kan eveneens sprake zijn van procesbelang. Eisers hebben expliciet gesteld geen verzoek tot schadevergoeding te beogen, zodat dit niet tot procesbelang kan leiden.\n\n3.4.. Bovendien geldt voor de stukken 98, 99 en 100 dat de openbaarmaking hiervan niet met het bestreden besluit was opgeschort. De opschorting gaat over de documenten die met het primaire besluit van 3 oktober 2024 openbaar zouden worden gemaakt. Bij die stukken zaten de documenten 98, 99 en 100 nog niet. Deze zijn pas in de bezwaarfase aan de inventarislijst met openbaar te maken documenten toegevoegd. Opschorting van openbaarmaking van deze documenten is uitsluitend het gevolg van het toekennen van de voorlopige voorziening.\n\n3.5.. Het beroep van Woo-verzoekers zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.\n\n4.1.. Eisers hebben gevraagd om teruggave van hun griffierecht en een veroordeling van het college in de proceskosten. Omdat het beroep van eisers niet-ontvankelijk is, komen zij hiervoor niet in aanmerking.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\n Dat zijn de beroepen met de nummers 25\u002F1467 en 25\u002F4856.\n\n Het gaat om de beroepen van eisers en vergunninghouders met de nummers 25\u002F1467 en 25\u002F4856.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.\n\n Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5793","ecli-nl-rbzwb-2026-5793",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":93,"ecli":94,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":95,"language":7,"source":17,"sourceUrl":96,"summary":14,"slug":97,"metadata":98},"1436","ECLI:NL:RBZWB:2026:5796","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: BRE 25\u002F4167 en 25\u002F4856\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaken tussen\n [eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers 1 (25\u002F4167)\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\n [eiser 3] en [eiser 4] , uit [plaats] , eisers 2 (25\u002F4856)\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.\n\nEisers 1 en eisers 2 zijn over en weer als derde-belanghebbende bij het beroep van de andere partij betrokken.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over een besluit op het Woo-verzoek van eisers 2 (Woo-verzoekers). Woo-verzoekers vinden dat er te weinig documenten openbaar worden gemaakt. Eisers 1 (vergunninghouders) vinden dat er te veel documenten openbaar worden gemaakt. Zij voeren beide daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college besloten heeft de juiste documenten openbaar te maken.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van Woo-verzoekers tegen het gedeeltelijk openbaar maken van documenten ongegrond is. Ook het beroep van vergunninghouders is ongegrond. De beslissing op bezwaar van 12 augustus 2025 aan vergunninghouders kent een motiveringsgebrek, maar dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers krijgen inhoudelijk dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Woo-verzoekers hebben op 7 maart 2024 gevraagd documenten openbaar te maken over de vergunningaanvraag van hun buren, de vergunninghouders. Het college heeft deze aanvragen met het besluit van 3 oktober 2024 gedeeltelijk toegewezen. Met de bestreden besluiten van 12 augustus 2025 op de bezwaren van beide eisers heeft het college de besluiten (deels) herroepen en besloten meer gegevens openbaar te maken. Eisers hebben ieder beroep ingesteld tegen deze besluiten.\n\n2.1.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.2.2.. Veel beroepsgronden gaan over het opschorten van de daadwerkelijke openbaarmaking van de stukken door het collge. Deze beroepsgronden richtten zich tegen een aparte beslissing op bezwaar. De rechtbank zal in deze uitspraak hier niet op ingaan en verwijst naar de uitspraak over die beslissing op bezwaar van heden.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de beroepen op 7 april 2026 op zitting behandeld, samen met het voornoemde beroep van Woo-verzoekers tegen de opschorting van de openbaarmaking. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de vergunninghouders, de Woo-verzoekers en mr. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens van het college.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.\n\nTotstandkoming van de bestreden besluiten\n\n3. Woo-verzoekers dienen op 7 maart 2024 een Woo-verzoek in waarin zij vragen om alle documenten over het vergunningverleningsproces op het [adres] . Dat betreft de vergunning die vergunninghouders hebben aangevraagd en verkregen.\n\n3.1.. Woo-verzoekers en vergunninghouders wordt om een zienswijze gevraagd. Op 3 oktober 2024 besluit het college de documenten, deels gelakt, openbaar te maken (primair besluit). Bij dit besluit is een inventarislijst gevoegd met daarop vermeld de (deels) openbaar gemaakte stukken, genummerd 1 tot en met 97. Een aantal documenten is slechts deels openbaar gemaakt. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder e van de Woo zijn in een aantal documenten persoonsgegevens van betrokkenen en medewerkers van de gemeente gelakt. Genoemde documenten zijn aan Woo-verzoekers verstrekt.\n\n3.2.. Op 14 oktober 2024 stuurt het college vergunninghouders een mail waarin is aangegeven dat per abuis een verkeerd e-mailadres is gebruikt voor de uitnodiging een zienswijze in te dienen, waardoor zij geen zienswijze in hebben kunnen dienen.\n\n3.3.. Op 28 oktober 2024 dienen vergunninghouders een bezwaarschrift in. Op 8 november 2024 stuurt het college een brief aan Woo-verzoekers dat de feitelijke openbaarmaking van een aantal specifiek benoemde documenten wordt opgeschort tot twee weken na de te nemen beslissing op bezwaar om vergunninghouders in de gelegenheid te stellen alsnog een zienswijze in te dienen. De genoemde documenten mogen, ondanks dat dat Woo-verzoekers kennis hebben van de inhoud, niet worden gebruikt of verspreid.\n\n3.4.. Woo-verzoekers hebben op 13 november 2024 bezwaar gemaakt tegen het primair besluit en op 18 december 2024 tegen de brief van 8 november 2024.\n\n3.5.. Op 27 februari 2025 vindt de hoorzitting van de commissie bezwaarschriften plaats. Op 12 augustus 2025 wordt op alle bezwaarschriften beslist.\n\n3.6.. Beide partijen hebben afzonderlijk een beslissing op bezwaar (bestreden besluiten) gekregen. De bestreden besluiten zijn inhoudelijk geheel gelijkluidend, behalve dat in het bestreden besluit aan vergunninghouders proceskosten zijn toegekend. Verweerder heeft in de bestreden besluiten onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie de primaire besluiten deels herroepen voor zover daarin was besloten tot openbaarmaking van gegevens over leges en informatie van na 7 maart 2024. Daarnaast wordt informatie met betrekking tot een informatieverzoek dat losstond van het vergunningsproces, toezicht en handhaving rondom het adres [adres] alsnog geweigerd. Informatie met betrekking tot private kwesties wordt alsnog geweigerd, evenals documenten die Woo-verzoekers al in hun bezit hadden. Daarnaast zijn lakfouten hersteld. Ten slotte zijn 3 documenten die in de bezwaarfase zijn gevonden deels openbaar gemaakt en genummerd 98 tot en met 100. Bij het bestreden besluit is een inventarislijst gevoegd met daarop vermeld de (deels) openbaar gemaakte stukken, de toegepaste weigeringsgronden, de wijzigingen ten opzichte van het primair besluit en de motivering van de wijziging.\n\n3.7.. Beide partijen stellen beroep in. Vergunninghouders hebben daarnaast om een voorlopige voorziening verzocht.\n\n3.8.. Op 14 oktober 2025 beslist de voorzieningenrechter dat de gevraagde documenten pas twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist openbaar gemaakt mogen worden.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nWat willen Woo-verzoekers?\n\n4. Woo-verzoekers hebben kort gezegd gevraagd om alle documenten over het vergunningsproces voor [adres]. In een gesprek op 28 maart 2024 is het verzoek volgens het college uitgebreid naar documenten betreffende de handhavingsprocedure op ditzelfde adres. Het betreft het adres van de vergunninghouders.\n\nMaken Woo-verzoekers misbruik van procesrecht?\n\n5. Vergunninghouders stellen onder verwijzing naar rechtspraak dat Woo-verzoekers misbruik maken van de Woo. De Woo is bedoeld om de democratische rechten van de burger te beschermen. Woo-verzoekers hebben als enige doel de uitbreiding van de woning van vergunninghouders te laten verwijderen en misbruiken daar de Woo voor.Doel is niet openbaarmaking van de stukken, maar het in bezit komen van documenten voor eigen procedures. Ter zitting lichten vergunninghouders toe dat de stukken gebruikt gaan worden in een evident kansloze civielrechtelijke procedure en dat levert misbruik van procesrecht op. Het verzoek van Woo-verzoekers had daarom niet als een verzoek in het kader van de Woo moeten worden opgepakt,althans afgewezen moeten worden wegens misbruik van recht.\n\n5.1.. Het college geeft aan dat Woo-verzoekers geen belang hoeven te stellen.Hoofdregel is dat als iemand een Woo-verzoek indient, dit ook als zodanig aangemerkt moet worden. Daarbij mag iemand informatie opvragen voor eigen gebruik, ook als deze informatie te krijgen is via een procesrechtelijke regeling.\n\n5.2.. Woo-verzoekers stellen geen misbruik van procesrecht te hebben gemaakt. Dit is niet onderbouwd en ook de adviescommissie voor de bezwaarschriften en de bestuursrechter hebben vastgesteld dat zij geen misbruik maken van procesrecht.\n\n5.3.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vooropgesteld moet worden dat een ieder, zonder een belang te stellen, een beroep op de Woo kan doen. De lat om misbruik van recht aan te nemen, ligt hoog. Woo-verzoekers hebben met hun verzoek publieke informatie opgevraagd. Niet is gebleken dat zij dit met een ander doel hebben gedaan dan het daadwerkelijk verkrijgen van deze stukken. De uitspraken die vergunninghouders aanhalen om te betogen dat Woo-verzoekers geen Woo-verzoek hebben ingediend of zelfs misbruik van de Woo maken door een Woo-verzoek in te dienen, leiden ook niet tot de conclusie dat daar sprake van is.\n\n5.4.. Uitgangspunt is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob (nu: Woo) een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en\u002Fof met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat kan onder meer anders zijn als uit de inhoud van het verzoek of uit uitlatingen van verzoeker blijkt dat niet is beoogd een wob-verzoek te doen. Daarbij kan worden gedacht aan situaties waarin iemand bijvoorbeeld vraagt om informatie, vragen stelt of alleen om toezending van de stukken vraagt in een procedure waarin hij belanghebbende is of waarin de verzoeker aangeeft dat hij niet wil dat de informatie openbaar wordt gemaakt en alleen aan hem wordt verstrekt.\n\n5.5.. \n\nVan genoemde uitzonderingen is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In de door vergunninghouders aangehaalde uitspraken gaat het om het opvragen van het procesdossier in een bestuursrechtelijke zaak. Daar is een specifieke bepaling voor opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is het Woo-verzoek breder en gaat het niet alleen om processtukken bij de bestuursrechtelijke procedures, maar om alle documenten over de vergunningverlening.\n\nDat de gegevens door woo-verzoekers mogelijk worden gebruikt in (civielrechtelijke) procedures die vergunninghouders als evident kansloos zien, maakt niet dat sprake is van misbruik van (proces)recht. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nWat is de omvang van het verzoek?\n\n6. Volgens vergunninghouders hadden de documenten 15, 33, 75 tot en met 86, 90 tot en met 93, 96, 97 en 100 niet openbaar moeten worden gemaakt, omdat deze niet zien op de bestuurlijke aangelegenheid waar het Woo-verzoek over gaat. Deze gaan over de handhavingsprocedure. Bovendien ging het verzoek om een dakkapel en niet om een dakopbouw of uitbreiding van de woning waar daadwerkelijk sprake van is.\n\n6.1.. Woo-verzoekers geven aan dat het Woo-verzoek ook nog gaat over de stukken waarover ze al de beschikking hadden en waarvan ze, om het het college niet moeilijker te maken dan nodig is, hebben aangegeven dat die niet nogmaals verstrekt hoeven te worden.\n\n6.2.. Het college geeft aan dat Woo-verzoekers weliswaar in eerste instantie hebben gevraagd om documenten over de vergunningverlening, maar later mondeling hebben toegelicht dat ze ook documenten over de handhavingszaak bedoelen. Het college heeft dit in het kader van de vereiste behulpzaamheidalsnog meegenomen in het Woo-verzoek.\n\n6.3.. Voor zover de vergunninghouders stellen dat het Woo-verzoek over een dakkapel ging en niet over de dakopbouw, blijkt uit het verzoek voldoende duidelijk dat Woo-verzoekers informatie wilden hebben over de dakopbouw op de garage en een volledig beeld wilden krijgen van het vergunningsdossier. Het woord dakopbouw is ook in het verzoek genoemd. Dat dit bestemmingsplanmatig als uitbreiding van het hoofdgebouw kan worden gezien, doet er niet aan af dat het voor het college voldoende duidelijk was en had moeten zijn dat het om de dakopbouw ging. Het college heeft dit in de bezwaarfase duidelijk toegelicht.\n\n6.4.. Wel is de rechtbank van oordeel dat het college in de besluitvorming duidelijker aan had moeten geven dat het het verzoek na overleg met Woo-verzoekers heeft uitgebreid met de handhavingsdocumenten. In beroep heeft het college verduidelijkt dat op 28 maart 2024 naar aanleiding van het Woo-verzoek een gesprek met Woo-verzoekers heeft plaatsgevonden om het verzoek te verduidelijken. Daarbij is het verzoek uitgebreid met documenten over de handhavingsprocedure. De rechtbank kan dit volgen. Het college is niet buiten de grenzen van zijn bevoegdheid gegaan door naar aanleiding van het verduidelijkingsgesprek het verzoek uitgebreider op te vatten. Dit past binnen zijn opdracht om behulpzaam te zijn. Het college hoefde het Woo-verzoek niet zo restrictief mogelijk op te vatten. Woo-verzoekers hadden er ook voor kunnen kiezen een nieuw verzoek in te dienen. Ook dan had het college dit, gelet op de samenhang, in één besluit kunnen meenemen. Het college heeft ter zitting duidelijk uiteengezet waarom deze documenten bij de besluitvorming zijn betrokken.\n\n6.5.. Eerst ter zitting hebben vergunninghouders gesteld dat het college een andere belangenafweging had moeten maken als het verzoek ook op de handhavingsdocumenten ziet. Daarbij is slechts in algemene zin aangegeven dat de belangenafweging anders had moeten zijn gelet op de persoonlijke levenssfeer die aangetast kan worden door de privaatrechtelijke procedures, maar niet concreet hoe dat tot een andere uitkomst had moeten leiden.\n\n6.6.. Woo-verzoekers vragen stukken op in een bestuurlijke aangelegenheid en die moeten worden verstrekt, tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond. De persoonsgegevens worden in dat kader weggelakt. Nu het college alsnog heeft gemotiveerd waarom het verzoek is uitgebreid met de documenten over handhaving, is het motiveringsgebrek in het bestreden besluit op dit punt hersteld en kan dit gebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat vergunninghouders daardoor zijn benadeeld.\n\n6.7.. Voor zover Woo-verzoekers stellen dat ze niet hebben bedoeld het Woo-verzoek in te trekken ten aanzien van de stukken die ze al hadden, blijkt onder andere uit het verslag van de zitting bij de commissie bezwaarschriften dat toen is vastgesteld dat het verzoek voor dit gedeelte is ingetrokken en dat daar geen onenigheid meer over was. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen over de verslaglegging van deze hoorzitting, zodat ze er vanuit gaat dat het Woo-verzoek voor dit deel inderdaad is ingetrokken. Dit beroep slaagt dus niet.\n\nOp welke grond zijn documenten geweigerd?\n\n7. Om drie redenen zijn documenten geweigerd of zijn uit de documenten gegevens weggelakt. Het gaat om:\n\nArtikel 5.1, eerste lid aanhef en onder e van de Woo. Nationale identificatienummers (het BSN-nummer) zijn weggelaten. Dit betreft uitsluitend document 52;\n\nArtikel 5.1, tweede lid aanhef en onder e van de Woo. Dit betreft de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\nHet college is tot het oordeel gekomen dat het Woo-verzoek niet ziet op de betreffende documenten\u002Fdocumentonderdelen.\n\nIs de beslissing op bezwaar voldoende gemotiveerd?\n\n8. Woo-verzoekers stellen dat een aantal documenten, te weten de documenten 4, 6, 10, 94 en 95 ten onrechte op grond van de beslissing op bezwaar niet openbaar gemaakt wordt, omdat ze buiten de reikwijdte van het verzoek zouden vallen. De gemeente motiveert ten onrechte niet waarom de private kwesties onder artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e vallen en daarom niet geopenbaard worden. Ten onrechte zijn de documenten 98, 99 en 100 niet openbaar gemaakt. Het college had openbaarmaking van die documenten op de zitting bij de commissie bezwaarschriften wel toegezegd. Bouwtekeningen horen ook in hun geheel openbaar te worden gemaakt.\n\n8.1.. Vergunninghouders stellen dat het college ten onrechte niet is ingegaan op alle punten in het bezwaarschrift. Bovendien is niet gemotiveerd waarom de documenten met de nummers 1, 3, 51, 71, 72, 74 en 86 gedeeltelijk openbaar worden gemaakt, terwijl wordt erkend dat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Dat is innerlijk tegenstrijdig. Ook worden foto’s van de binnenzijde van de woning ten onrechte openbaar gemaakt. Dit raakt de persoonlijke levenssfeer van de vergunninghouders.\n\n8.2.. Het college geeft aan wel degelijk op alle bezwaargronden van vergunninghouders te zijn ingegaan. Dat is niet allemaal in de beslissing op bezwaar gebeurd, maar gedeeltelijk ook in het advies van de commissie bezwaarschriften. Voor wat betreft de genoemde documenten vallen die deels buiten de reikwijdte van het verzoek en voor het overige zijn die deels openbaar gemaakt. Voor zover is gelakt is de reden aangegeven op de inventarislijst en verder is per gelakte passage aangegeven op welke grond die passage is weggelakt. Dat is geen innerlijke tegenstrijdigheid of gebrek in de motivering. Omdat de foto’s alleen een kamer in aanbouw betreffen, zonder persoonlijke zaken raakt dit de persoonlijke levenssfeer niet. Ze mochten dus openbaar worden gemaakt.\n\n8.3.. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft overwogen dat de documenten 4, 6, 10 en 94 en 95 geen betrekking hebben op de onderwerpen waarvoor een Woo-verzoek is ingediend. Het college heeft terecht overwogen dat de documenten 4, 6 en 10 zien op een (afzonderlijk) informatieverzoek dat losstaat van het daadwerkelijke vergunningsproces, toezicht en de handhaving. Eveneens heeft het college terecht overwogen dat de documenten 94 en 95 buiten de reikwijdte van het Woo-verzoek vallen. Voor het overige ziet de rechtbank dat vooral persoonsgegevens zijn weggelakt. Dat geldt ook voor de bouwtekeningen: daar heeft het college besloten alleen de namen van de opdrachtgevers weg te lakken. Gelet op de samenhang in het dossier, is de rechtbank van oordeel dat dat een terechte anonimisering is. Het college heeft afdoende toegelicht dat in de bouwtekening bij het primaire besluit per ongeluk delen ten onrechte zijn weggelakt en dat dit in bezwaar is hersteld. Deze beroepsgrond van Woo-verzoekers slaagt dus niet.\n\n8.4.. Voor wat betreft het argument van de vergunninghouders dat van documenten 1, 3, 51, 71, 72, 74 en 86 onvoldoende is gemotiveerd waarom het college die openbaar wil maken, overweegt de rechtbank dat openbaarheid de hoofdregel van de Woo is. Dat betekent dat documenten die onder de reikwijdte van een Woo-verzoek vallen in beginsel openbaar worden gemaakt. Het college moet motiveren waarom documenten of delen daarvan niet openbaar gemaakt worden en niet waarom ze wel openbaar gemaakt worden. Dat heeft zij naar het oordeel van de rechtbank per document of onderdeel daarvan afdoende gedaan en vastgelegd in de inventarislijst behorende bij het bestreden besluit en in de betreffende documenten per gelakt onderdeel. Overigens zijn in de genoemde documenten enkel in document 1 passages gelakt, omdat deze buiten de reikwijdte van het verzoek vallen. Document 51 is verwijderd, omdat het hetzelfde document is als document 72. Voor het overige zijn er persoonsgegevens gelakt. Van innerlijke tegenstrijdigheid is geen sprake. Omdat deze documenten vallen onder de reikwijdte van het Woo-verzoek en de persoonsgegevens in deze documenten zijn geanonimiseerd, volgt de rechtbank deze beroepsgrond niet.\n\n8.5.. Ook het argument dat openbaarmaking van de door vergunninghouders genoemde foto’s een dusdanige aantasting van de persoonlijke levenssfeer is dat deze openbaarmaking achterwege moet blijven, slaagt niet. Het college heeft afdoende gemotiveerd dat de foto’s geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maken.\n\n8.6.. Voor zover Woo-verzoekers klagen dat de documenten 98, 99 en 100 ondanks toezeggingen daartoe niet openbaar zijn gemaakt, wijst de rechtbank erop dat in het bestreden besluit het college deze documenten wel degelijk deels openbaar heeft gemaakt. Daarna heeft de voorzieningenrechter besloten dat geen openbaarmaking zal plaatsvinden tot twee weken nadat in de bodemprocedure is beslist. Dat is de reden dat deze documenten nog niet daadwerkelijk openbaar zijn gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nVerstrekking aan vergunninghouders\n\n9. Woo-verzoekers stellen dat vergunninghouders document 59 door de Woo-procedure hebben verkregen. Vergunninghouders hadden dit document niet moeten krijgen.\n\n9.1.. Het college ontkent document 59 aan vergunninghouders in deze procedure verstrekt te hebben.\n\n9.2.. Het besluit gaat niet over de feitelijke verstrekking van gegevens aan de vergunninghouders. Voor zover het college dit document heeft verstrekt maakt het geen onderdeel van het bestreden besluit uit en kan de rechtbank daar niet over oordelen.\n\nHad een duidelijke publicatiedatum in het besluit moeten staan?\n\n10. Woo-verzoekers geven aan dat het college een duidelijke publicatiedatum in het besluit hadden moeten zetten. Dat geeft duidelijkheid naar alle partijen.\n\n10.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Woo voorziet in openbaarmaking van documenten. Woo-verzoekers hebben verzocht om kopieën te krijgen van de door hen verzochte stukken. Daartoe heeft het college besloten. De Woo verplicht niet tot actieve openbaarmaking door middel van publicatie van Woo-verzoeken en daarbij openbaar gemaakte documenten. Het college heeft in het bestreden besluit aangegeven welke stukken in de toekomst zullen worden gepubliceerd en in beroep afdoende gemotiveerd dat het publicatieplatform nog in ontwikkeling is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nZijn partijen ten onrechte ongelijk behandeld?\n\n11. Woo-verzoekers vinden het een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling dat zij de stukken via Filecap toegezonden hebben gekregen en vergunninghouders via Zip-files. Bovendien hebben beide partijen niet dezelfde stukken toegezonden gekregen om een zienswijze op in te dienen.\n\n11.1.. Het college heeft afdoende aangegeven dat aan beide partijen zip-documenten via filecap zijn toegezonden. Daar zit geen onderscheid in. Het setje documenten waarover beide partijen een zienswijze in konden dienen verschilde wel: ieder kon een zienswijze indienen op de documenten die hen betrof. Ook dit kan de rechtbank volgen. Er is niet gebleken van een procedurele ongelijke behandeling.\n\nFoto’s\n\n12. Woo-verzoekers vinden het onduidelijk waarom bepaalde foto’s zijn toegezonden.\n\nDe rechtbank stelt vast dat woo-verzoekers doelen op de documenten 11 en 13 waarbij foto’s zijn gevoegd. Deze maken onderdeel uit van de betreffende documenten. Dat het foto’s zijn waar zij de relevantie niet van zien doet daar niet aan af.\n\nHeeft de procedure te lang geduurd?\n\n13. Woo-verzoekers geven aan dat de procedure te lang heeft geduurd. De afhandeling van het verzoek heeft anderhalf jaar geduurd in plaats van twaalf weken. Het college gaat er ten onrechte vanuit dat de beslistermijn is begonnen toen het bezwaarschrift door de rechtbank is teruggezonden naar het college.\n\n13.1.. De rechtbank stelt vast dat de behandeling van het Woo-verzoek langer heeft geduurd dan gewenst is. Het college heeft erkend dat het proces niet is gelopen zoals het dat graag ziet. Dat maakt het besluit echter inhoudelijk niet onrechtmatig, waardoor dit niet leidt tot vernietiging van het besluit.\n\nMoest het college ambtshalve proceskostenvergoeding toekennen?\n\n14. Woo-verzoekers stellen dat het college hun, bij de gegrondverklaring van hun bezwaarschrift, ambtshalve een proceskostenvergoeding toe had moeten kennen.\n\n14.1.. Op grond van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Woo-verzoekers hebben in bezwaar niet om een proceskostenvergoeding verzocht, waardoor er voor het bestuursorgaan geen ruimte was om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Overigens is ook niet gebleken van kosten voor professionele rechtsbijstand of andere proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n15. Het beroep van Woo-verzoekers is ongegrond. Zij komen niet in aanmerking voor teruggave van het griffierecht.\n\n15.1.. Het beroep van de vergunninghouders is ongegrond. Omdat artikel 6:22 van de Awb is toegepast bepaalt de rechtbank dat het college de door vergunninghouders in beroep gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht moet vergoeden.\n\n15.2.. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen vergunninghouders een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Het griffierecht bedraagt € 194,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep van [eiser 3] en [eiser 4] (25\u002F4856) ongegrond;\n\nverklaart het beroep van [eiser 1] en [eiser 2] (25\u002F4167) ongegrond;\n\nveroordeelt het college in betaling van de proceskosten aan [eiser 1] en [eiser 2] van € 1.868,-;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eiser 1] en [eiser 2] moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nWet open overheid\n\nArtikel 5.1. Uitzonderingen\n\n1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:\n\na. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;\n\nb. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;\n\nc. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;\n\nd. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;\n\ne. nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bijø wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt.\n\n2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:\n\na. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;\n\nb. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;\n\nc. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;\n\nd. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;\n\ne. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\nf. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;\n\ng. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;\n\nh. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;\n\ni. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.\n\n3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering. [.]\n\n Dat is het beroep met kenmerk 25\u002F4858.\n\n Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.\n\n ABRvS, 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2995.\n\n ABRvS, 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2775 en ABRvS, 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5096.\n\n Artikel 4.1, derde lid van de Woo.\n\n ABRvS, 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, r.o. 5.6.\n\n Artikel 4.1, vijfde lid van de Woo.\n\n Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:7237.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5796","ecli-nl-rbzwb-2026-5796",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":100,"ecli":101,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":102,"language":7,"source":17,"sourceUrl":103,"summary":14,"slug":104,"metadata":105},"965","ECLI:NL:RBZWB:2026:5805","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F3199\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoekers] , uit [woonplaats] , verzoekers, (gemachtigde mr. P.E.M. Meijer),\n\n en\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg(college), verweerder.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers met betrekking tot het niet-ontvankelijk verklaren van hun bezwaarschrift van 10 maart 2026.\n\n1.1.. Op 4 februari 2026 is er namens de gemeente Geertruidenberg door het Baronie Interventieteam (BIT) een onaangekondigde controle uitgevoerd bij de winkel van verzoekers, [winkel] . Verzoekers hebben het college op 16 februari 2026 een brief gestuurd over die controle. Het college heeft op 10 maart 2026 op de brief van verzoekers gereageerd. Verzoekers hebben op 10 maart 2026 een bezwaarschrift ingediend tegen deze brief.\n\n1.2.. Bij beslissing op bezwaar van 11 mei 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 10 maart 2026 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat daar geen bezwaar tegen mogelijk is.\n\n1.3.. Verzoekers hebben tegen deze beslissing beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Daarbij is onder meer verzocht om een voorschot op de geleden schades vast te stellen.\n\n1.4.. Op grond van artikel 8:83, derde lid van de Awb is een zitting achterwege gebleven.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.\n\n2.2.. De griffier heeft verzoekers bij brief van 17 juni 2026 gevraagd om binnen een week het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening nader toe te lichten.\n\n2.3.. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet op de brief van 17 juni 2026 hebben gereageerd. Daardoor is de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden waarom verzoekers de uitkomst van de bezwaarprocedure niet zouden kunnen afwachten. Dat blijkt ook niet uit het verzoek-\u002Fberoepschrift.\n\nConclusie en gevolgen\n\n3. Omdat niet is gebleken van een spoedeisend belang, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.\n\n3.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 30 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5805","ecli-nl-rbzwb-2026-5805",{"courtName":6,"legalDomain":56,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":107,"ecli":108,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":109,"fullText":110,"language":7,"source":17,"sourceUrl":111,"summary":14,"slug":112,"metadata":113},"964","ECLI:NL:RBZWB:2026:5845","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F3362 WMO15\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 op het verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen(verzoeker)\n\n(gemachtigde: mr. K.V. Witte),\n\nom opheffing als bedoeld in artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht van de bij uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25\u002F5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) getroffen voorlopige voorziening in de zaak tussen:\n\n [verzoekster] , uit [woonplaats] (verzoekster),\n\ngemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas,\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter in de uitspraak van 12 december 2025 heeft getroffen, op te heffen. De voorzieningenrechter heeft in deze uitspraak bepaald dat verzoeker aan verzoekster vanaf 16 oktober 2025 tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar, een maatwerkvoorziening moet toekennen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om opheffing (kennelijk) niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan (proces)belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft in 2025 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend inzake het besluit van verzoeker van 4 september 2025. Met dat besluit was haar aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen op grond van de Wmo buiten behandeling gesteld. In de uitspraak van 12 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 4 september 2025 geschorst, en bepaald dat verzoeker vanaf 16 oktober 2025 aan verzoekster een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van beschermd wonen en ondersteuning kunnen worden voldaan.\n\nVerzoeker heeft bij de rechtbank middels een brief van 17 juni 2026 een verzoek ingediend om de voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 – bij voorkeur met terugwerkende kracht tot 16 oktober 2025 – op te heffen, gelet op na die uitspraak opgekomen feiten en omstandigheden, die – indien zij destijds bekend waren geweest – niet tot het treffen van de voorlopige voorziening zouden hebben geleid.\n\nDe voorzieningenrechter heeft verzoekster op de voet van het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ambtshalve als derde-partij aangemerkt.\n\nOmdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek (kennelijk) niet ontvankelijk is.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader van het verzoek\n\n3. Op grond van artikel 8:87, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening opheffen of wijzigen. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de artikelen 8:81, tweede, derde en vierde lid, en 8:82 tot en met 8:86 van de Awb van overeenkomstige toepassing.\n\nOnderbouwing van het verzoek\n\n4. Verzoeker beoogt met zijn verzoek te voorkomen dat [zorginstelling] in een eventuele civielrechtelijke procedure betaling voor verleende zorg kan afdwingen door te stellen dat zij zorg aan verzoekster heeft verleend in gerechtvaardigd vertrouwen op de voorlopige voorziening van 12 december 2025. Hij stelt in zoverre belang te hebben bij opheffing van die uitspraak. In een civielrechtelijke procedure zou de discussie zich onvermijdelijk toespitsen op de vraag over welke periode de geleverde zorg al dan niet aan de kwaliteitseisen voldeed, en in hoeverre verzoeker gehouden zou zijn de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [zorginstelling] – zoals ook onderkend door verzoeker – niet via de bestuursrechtelijke weg betaling kan afdwingen voor geleverde zorg aan verzoekster. Een bestuurlijke grondslag daartoe ontbreekt. Verzoeker heeft namelijk geen besluit genomen om een pgb toe te kennen, maar verzoeksters pgb-aanvraag inhoudelijk afgewezen bij beslissing op bezwaar van 26 mei 2026 wegens het ontbreken van veilige, doeltreffende en cliëntgerichte zorg, en het ontbreken van een geschikte budgetbe-heerder. Verder is het verzoek van [zorginstelling] om uitvoering te geven aan genoemde voorziening door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een uitspraak van 1 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:4692) reeds niet-ontvankelijk verklaard, omdat [zorginstelling] niet als belanghebbende kon worden aangemerkt. Het belang bij deze procedure kan daarom enkel zijn gelegen in het voorkomen van het ontstaan van een aanspraak op betaling voor geleverde zorg in een (civielrechtelijke) procedure bij de burgerlijke rechter.\n\n6. Bij het ontstaan van een betalingsverplichting in een civielrechtelijke procedure gaat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter om een toekomstige onzekere gebeurtenis, die een onvoldoende actueel en reëel belang vormt voor de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2021 ECLI:NL:CRVB:2021:2402) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023: 2074). Wat verzoeker aanvoert ter onderbouwing van het door hem gestelde belang geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n7. De voorzieningenrechter voegt aan het voorgaande toe dat artikel 8:87 van de Awb niet de mogelijkheid biedt om een getroffen voorlopige voorziening wegens gewijzigde omstandigheden 'ab initio' (met terugwerkende kracht) op te heffen of te wijzigen. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT0655, in het bijzonder overweging 2.11). De voorzieningenrechter heeft in de uitspraak van 12 december 2025 bepaald dat verzoeker aan verzoekster tot zes weken na het nemen van de beslissing op het bezwaar een maatwerkvoorziening moet toekennen waarmee de kosten van het beschermd wonen en de ondersteuning bij [zorginstelling] kunnen worden voldaan. Aangezien verzoeker al op 26 mei 2026 een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft de getroffen voorlopige voorziening op dit moment nog slechts werking voor een periode van ongeveer een week. Het financiële belang bij deze procedure is daarom ook beperkt tot een eventuele betalingsverplichting voor zorgkosten over die (zeer korte) periode.\n\n8. De voorzieningenrechter concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat onvoldoende (proces)belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van verzoeker.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening op te heffen (kennelijk) niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de voorlopige voorziening die is getroffen in de uitspraak van 12 december 2025 niet wordt opgeheven.\n\n9.1.. In deze procedure bestaat geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of voor een proceskostenveroordeling.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter verklaart het verzoek om de voorlopige voorziening die de voorzieningenrechter heeft getroffen in de uitspraak van 12 december 2025, zaaknummer 25\u002F5255 (ECLI:NL:RBZWB:2025:8932) op te heffen, niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.\n\n voorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5845","ecli-nl-rbzwb-2026-5845",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":115,"ecli":116,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":109,"fullText":117,"language":7,"source":17,"sourceUrl":118,"summary":14,"slug":119,"metadata":120},"1855","ECLI:NL:RBZWB:2026:5583","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nZittingsplaats Breda\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: 26\u002F2571\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [verzoeker 1] , uit [plaats 1] ,\n\n [verzoeker 2], uit [plaats 2] ,\n\nsamen, verzoekers,\n\n(gemachtigde: mr. A.A.M. van Beek),\n\nen\n\nHet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, het college.\n\nInleiding\n\nVerzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 21 april 2026 (bestreden besluit), over het opleggen van een last onder dwangsom vanwege het huisvesten van arbeidsmigranten op percelen aan de [adres] . Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening.\n\nDe voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoekers waren samen met hun gemachtigde aanwezig. Namens het college was [vertegenwoordiger college] aanwezig.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Feiten\n\n1.1. Verzoekers zijn eigenaar van de percelen aan de [adres] (hierna: de percelen).\n\n1.2. Op 14 oktober 2025 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd bij de bedrijfswoning op die percelen. De bevindingen zijn opgenomen in een controlerapport van 15 oktober 2025. Tijdens de controle is door de huismeester verklaard dat vijftien personen verbleven in de bedrijfswoning. Die vijftien personen werkten voor hetzelfde uitzendbureau. Daarnaast is geconstateerd dat op de begane grond elf slaapkamers, twee badkamers en twee keukens zijn gerealiseerd. Op de eerste verdieping zijn acht slaapkamers en twee badkamers gerealiseerd.\n\n1.3. In brieven van 24 december 2025 heeft het college verzoekers een waarschuwing gegeven, vanwege de huisvesting van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Verzoekers hebben daar op 9 februari 2026 op gereageerd.1.4. In afzonderlijke brieven van 4 maart 2026 heeft het college verzoekers medegedeeld voornemens te zijn om een last onder dwangsom op te leggen. Verzoekers hebben daar met een zienswijze op gereageerd.\n\n1.5. Op 17 april 2026 heeft een toezichthouder van de gemeente een controle uitgevoerd bij de bedrijfswoning op de percelen. De bevindingen zijn opgenomen in een controlerapport van 17 april 2026. Tijdens de controle is geconstateerd dat nagenoeg alle kamers in het gebouw in gebruik waren door arbeidsmigranten.\n\n1.6. Bij bestreden besluit heeft het college aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege de volgende overtredingen:\n\nhet zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gebruiken van de bedrijfswoning voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 6.1 van het omgevingsplan;\n\nhet zonder gebruiksmelding in gebruik nemen of gebruiken van een woonfunctie voor kamergewijze verhuur. Dit is volgens het college in strijd met artikel 6.6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in samenhang met artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl.\n\nHet college heeft verzoekers gelast om de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden binnen vier weken na verzending van het bestreden besluit. Het college heeft daar een dwangsom aan verbonden van € 20.000,- per vier weken, met een maximum van € 60.000,-.\n\n1.7. Op 4 mei 2026 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Op diezelfde dag hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.\n\n1.8. In een e-mailbericht van 7 mei 2026 heeft het college aan verzoekers medegedeeld dat de begunstigingstermijn wordt opgeschort tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\n2. Wettelijk kader\n\n2.1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.\n\nOmgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit\n\n2.2. In artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow staat dat het verboden is om een omgevingsplanactiviteit uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow onder andere gedefinieerd als een activiteit in strijd met het omgevingsplan.\n\n2.3. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vast waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen.Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige (‘zonder onevenredige gevolgen voor de fysieke leefomgeving’) toedeling van functies aan locaties.2.4. Op dit moment bestaat het omgevingsplan van de gemeente Drimmelen onder andere uit ‘een tijdelijk deel’.Dat tijdelijk deel wordt (voor zover voor deze zaak relevant) gevormd door de kaarten en regels uit het bestemmingsplan dat vóór 1 januari 2024 op de percelen van toepassing was.Dit was het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’, waarin aan de relevante delen van de percelen (voor zover daarop de bedrijfswoning is gelegen) de functie ‘bedrijventerrein’ en de aanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 2’ en ‘bedrijfswoning’ zijn toegekend.\n\nBesluit bouwwerken leefomgeving\n\n2.5. Het is op grond van artikel 6.7, eerste lid, van het Bbl in samenhang met artikel 6.6, eerste lid, van het Bbl verboden een bouwwerk met een woonfunctie te gebruiken voor kamergewijze verhuur, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van het gebruik van het bouwwerk te melden bij het college.\n\n3. Spoedeisend belang\n\n3.1. Uit artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen.\n\n3.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers een spoedeisend belang bij hun verzoek om verzoek om een voorlopige voorziening. Aan hen is een last onder dwangsom opgelegd, met een begunstigingstermijn die loopt tot twee weken na deze uitspraak van de voorzieningenrechter.\n\n4. Gronden\n\n4.1. Verzoekers hebben hun gronden digitaal aangevuld op 12 juni 2026, als reactie op het verweerschrift. Ter zitting heeft het college gesteld dat dit stuk buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het indienen van een omvangrijke aanvulling op zo’n korte termijn voor de zitting in strijd is met de goede procesorde. De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb staat dat partijen tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Verzoekers hebben het stuk op vrijdag 12 juni 2026 (10:20 uur) digitaal ingediend bij de rechtbank en het verzoek om een voorlopige voorziening is op 15 juni 2026 (15:30 uur) op zitting behandeld. Gelet daarop hebben verzoekers het aanvullend stuk tijdig ingediend. Hoewel verzoekers al eerder hadden kunnen reageren op het verweerschrift, zal de voorzieningenrechter het stuk niet wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Het stuk is niet van een zodanige omvang of inhoud dat (het voorbereiden van) een adequate reactie daarop door het college na de ontvangst niet mogelijk zou zijn. Op zitting heeft het college er ook inhoudelijk op kunnen reageren.\n\n4.2. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Volgens verzoekers heeft het college de last onder dwangsom ten onrechte opgelegd. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben zij verschillende argumenten aangevoerd. Volgens verzoekers is geen sprake van overtreding van artikel 6.6 en 6.7 van het Bbl. Verzoekers hebben daarnaast verschillende argumenten aangevoerd die herleid kunnen worden tot het standpunt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de beginselplicht tot handhaving. Verzoekers hebben aangevoerd dat het college af had moeten zien van handhavend optreden, omdat sprake is van strijd met het verbod van détournement de pouvoir, het gelijkheidsbeginsel, omdat het huisvesten van arbeidsmigranten was toegestaan op grond van oud beleid, omdat het huidige beleid over de huisvesting van arbeidsmigranten onrechtmatig is, omdat handhaving onevenredig is en omdat het in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daarnaast hebben verzoekers aangevoerd dat de begunstigingstermijn onredelijk en onuitvoerbaar is en dat de dwangsom te hoog is vastgesteld.\n\n5. Omvang van het geding\n\n5.1. Aan de voorzieningenrechter is een bestreden besluit ter toetsing voorgelegd waarin een last onder dwangsom is opgelegd aan verzoekers. De omvang van het geding wordt bepaald door het bestreden besluit.\n\n5.2. Verzoekers hebben in hun verzoek om voorlopige voorziening verschillende gronden aangevoerd die zien op het ‘verbod’ om arbeidsmigranten te huisvesten op de percelen. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat verzoekers daarmee bedoelen aan te voeren dat ze het niet eens zijn met de functie ‘Bedrijventerrein’ en daarbij behorende aanduidingen die in het bestemmingsplan – dat onderdeel is van het omgevingsplan – aan de percelen zijn toegekend. De voorzieningenrechter zal die gronden niet beoordelen, omdat deze gronden buiten de omvang van het geding vallen. Het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ is onherroepelijk vastgesteld. De door verzoekers aangevoerde gronden dienden na de vaststelling van het bestemmingsplan te worden aangevoerd in een tegen die vaststelling gerichte procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). In tegenstelling tot wat in het verzoek om een voorlopige voorziening staat, hebben verzoekers op zitting aangegeven dat zij niet hebben bedoeld aan te voeren dat het omgevingsplan in strijd is met de Dienstenrichtlijn.\n\n5.3. Verzoekers hebben verder verschillende argumenten aangevoerd die zien op het standpunt dat op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verleend, voor het huisvesten van de arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Die argumenten zal de voorzieningenrechter uitsluitend beoordelen voor zover zij binnen de omvang van dit geding vallen. Meer specifiek is dat voor zover de argumenten kunnen worden vertaald naar het standpunt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het ligt op de weg van verzoekers om een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. In het kader van die procedure kan dan worden beoordeeld of en worden geprocedeerd over de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend.\n\n6. Overtreding\n\n6.1. Het college was alleen bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen, wanneer sprake was van een overtreding.6.2. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning in strijd is met het omgevingsplan en dat daar geen omgevingsvergunning voor is verleend aan verzoekers. Uit de planregels in samenhang met de Staat van bedrijfsactiviteiten, blijkt dat een bedrijf voor het huisvesten van arbeidsmigranten niet past binnen de functie ‘Bedrijventerrein’.Daarnaast kan het gebruiken van het pand voor het huisvesten van arbeidsmigranten ook niet worden aangemerkt als het gebruiken van het pand als bedrijfswoning.\n\n6.3. Gelet daarop was het college bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen. Of ook sprake is van een overtreding van artikel 6.6 en 6.7 van het Bbl behoeft daarom geen bespreking meer. Te meer, omdat verzoekers op zitting hebben aangegeven dat die overtreding inmiddels is beëindigd door alsnog een melding te doen. Gelet daarop is het ook aan het college om in het kader van de heroverweging in bezwaar te beoordelen of die overtreding al dan niet als grondslag voor de last onder dwangsom wegvalt. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het eventueel wegvallen van deze overtreding geen gevolgen heeft voor de hoogte van de gestelde dwangsom, omdat die voornamelijk is gebaseerd op de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow.\n\n7. Beginselplicht tot handhaving\n\n7.1. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Deze beginselplicht geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.\n\n7.2. In een uitspraak van 3 maart 2025 heeft de Afdelingoverwogen dat voor de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.\n\n7.3. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.\n\n7.4. Détournement de pouvoir\n\n7.4.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat sprake is van een oneigenlijk gebruik (détournement de pouvoir) van handhavingsbevoegdheden. Het college stelt dat een bedrijventerrein ongeschikt is voor bewoning vanwege milieuzonering en een nabijgelegen geitenhouderij. Planologisch is een bedrijfswoning toegestaan en is daarmee reeds erkend dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig is.\n\n7.4.2. In artikel 3:3 van de Awb staat dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n7.4.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het college het bestreden besluit in strijd met het verbod van détournement de pouvoir heeft vastgesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college handhavend optreedt, omdat in de bedrijfswoning – in strijd met het omgevingsplan en zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit – arbeidsmigranten worden gehuisvest. De voorzieningenrechter is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot de conclusie dat het bestreden besluit is genomen om een ander doel te dienen dan de handhaving van het omgevingsplan. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat uit pagina 26 van de Handreiking Activiteiten en milieuzonering van de VNG uit 2024 blijkt dat bij een bedrijfswoning een lager kwaliteitsniveau voor het woon- en leefklimaat wordt aanvaard dan dat wordt aanvaard voor een woonbestemming.\n\n7.5. Gelijkheidsbeginsel\n\n7.5.1. Volgens verzoekers is daarnaast sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het college faciliteert op dit moment de opvang van een grote groep personen (asielzoekers) in een bedrijfsgebouw zonder woonfunctie op het bedrijventerrein Brieltjenspolder voor een periode van acht jaar. Het is juridisch onhoudbaar en een verboden onderscheid naar doelgroep, om voor de ene doelgroep (asielzoekers) te oordelen dat een bedrijventerrein een aanvaardbaar woon- en leefklimaat biedt, terwijl dit voor een andere doelgroep (arbeidsmigranten) categorisch wordt uitgesloten.\n\n7.5.2. Het gelijkheidsbeginsel vereist dat gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Een besluit is in strijd met dit beginsel vastgesteld, wanneer sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld en wanneer voor die ongelijke behandeling geen voldoende objectieve rechtvaardiging bestaat.\n\n7.5.3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft in het verweerschrift voldoende toegelicht dat geen sprake is van juridisch relevante gelijke gevallen, omdat voor de opvang van de asielzoekers een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. In dat geval is dus geen sprake van een overtreding waartegen handhavend opgetreden kan worden. Aan verzoekers is een dergelijke omgevingsvergunning niet verleend.\n\n7.6. Toegestaan op grond van het oude beleid\n\n7.6.1. Verzoekers hebben daarnaast aangevoerd dat het huisvesten van arbeidsmigranten op deze percelen was toegestaan op grond van het oude beleid. Omdat het gaat om een woning in de kern van [plaats 3] , hoefde daar op grond van artikel 2.1 van het Beleid logies\u002Fhuisvesting arbeidsmigranten (herzien in 2020)(hierna: oude beleid) geen omgevingsvergunning voor te worden aangevraagd. Volgens het beleid kon worden volstaan met een melding, die verzoekers hebben gedaan.\n\n7.6.2. De voorzieningenrechter gaat ervanuit dat verzoekers hebben bedoeld aan te voeren dat het opleggen van de last onder dwangsom om de onder 7.6.1 genoemde redenen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.\n\n7.6.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat op grond van het oude beleid geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Vanaf 2013 was het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ op de percelen van toepassing. Op dat moment was dus in het bestemmingsplan al aan de percelen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ toegekend en de aanduidingen ‘bedrijfswoning’ en ‘bedrijf tot en met categorie 2’. Op dat moment was het huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning dus ook al in strijd met het bestemmingsplan. Daar was in ieder geval vanaf 2013 een omgevingsvergunning voor vereist op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Het oude beleid waar verzoekers naar verwijzen is daarná vastgesteld in 2016. In beleidsregels kan niet van een wettelijke vergunningplicht worden afgeweken. Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, over de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.De voorzieningenrechter is ook niet gebleken dat in het door verzoekers genoemde oude beleid was bepaald dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het in strijd met het bestemmingsplan huisvesten van arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. In het oude beleid stond volgens verzoekers ‘Als huisvesting of logies plaatsvindt in een woning in de kern, hoeft hier geen omgevingsvergunning aangevraagd te worden. De bestemming wonen voorziet ook in logies’.Uit die zinssnede leidt de voorzieningenrechter af dat die bepaling uit het oude beleid uitsluitend van toepassing was op een woning met een woonbestemming. Dat deel van het oude beleid kan niet van toepassing zijn geweest op de percelen van verzoekers, omdat zich daar een bedrijfswoning bevindt met de bestemming ‘Bedrijventerrein’.\n\n7.7. Concreet zicht op legalisatie\n\n7.7.1. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat het nieuwe beleid – de Beleidsregel Huisvesting Arbeidsmigranten gemeente Drimmelen – in strijd is met hoger recht. In het nieuwe beleid staat dat minimaal 80% van de gehuisveste personen werkzaam moet zijn bij het eigen bedrijf. Dit is volgens de Afdeling in strijd met het vrij verkeer van diensten. Het dwingen van ondernemers om alleen eigen personeel te huisvesten bevordert ook de ongewenste afhankelijkheid die de wetgever met de Wet goed verhuurderschap wil tegengaan. De Afdeling heeft daarnaast bepaald dat een migrant niet zijn huis mag verliezen, omdat diegene met het werk stopt. Door deze eis dwingt het beleid de ondernemer tot het plegen van een onrechtmatige daad: als een bewoner ontslag neemt, mag hij er officieel niet meer wonen volgens het beleid, maar mag de ondernemer hem er niet uitzetten volgens de rechter.\n\n7.7.2. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond van verzoekers zo dat zij bedoelen aan te voeren dat het college een omgevingsvergunning voor het in strijd met het omgevingsplan huisvesten van de arbeidsmigranten niet kan weigeren op grond van het nieuwe beleid. De voorzieningenrechter heeft onder 5.3 overwogen dat een dergelijke grond buiten de omvang van dit geding valt. Voor zover verzoekers hebben bedoeld om aan te voeren dat sprake is van concreet zicht op legalisatie, is de voorzieningenrechter van oordeel dat daar niet van is gebleken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie, wanneer geen aanvraag voor een omgevingsvergunning is gedaan voor het gebruiken van de percelen in strijd met het omgevingsplan.\n\n7.8. Evenredigheidsbeginsel\n\n7.8.1. Verzoekers hebben aangevoerd dat handhaving in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.Handhavend optreden is niet geschikt, noodzakelijk of evenwichtig. Het verbod om arbeidsmigranten te mogen huisvesten, draagt niet bij aan het door de gemeente gestelde doel. De logiesfunctie leidt niet tot een inperking van de milieuruimte van omliggende bedrijven. Daarnaast is het niet noodzakelijk, omdat minder ingrijpende middelen mogelijk zijn, zoals het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning. Daarnaast is geen sprake van evenwichtigheid. Het algemeen belang van handhaving weegt niet op tegen de financiële belangen van verzoekers en de bewoners. Verzoekers hebben substantiële kosten gemaakt om de huisvesting te realiseren. Er is ook geen sprake van overlast en er is een veilig woonklimaat. Het pand is vanwege de specifieke inrichting met 19 kamers ook fysiek ongeschikt voor reguliere bedrijvigheid. De huisvesting voldoet aan de SNF-normen van Stichting Normering Flexwonen en daarnaast is deze locatie specifiek ingericht zonder de reguliere woningvoorraad te belasten.\n\n7.8.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat handhavend optreden niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft het algemene belang van de beëindiging van het met het omgevingsplan strijdige gebruik zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van verzoekers. Verzoekers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd waarom handhavend optreden hen onevenredig raakt. Dat zij kosten hebben gemaakt voor het realiseren van de huisvesting, is een louter financieel belang, dat wordt gerelativeerd door het gegeven dat verzoekers al enige tijd lang geld verdienen aan de illegale verhuur van de bedrijfswoning aan arbeidsmigranten. Verzoekers hebben ook zelf het risico genomen om de bedrijfswoning om te bouwen tot huisvesting voor arbeidsmigranten, zonder eerst te controleren of die huisvesting in overeenstemming is met het planologisch regime. De door hen gestelde kosten komen dus voor hun eigen rekening en risico. Daarnaast was het pand voorafgaand aan het huidige gebruik wél fysiek geschikt voor reguliere bedrijvigheid en kan het pand wederom in die staat hersteld worden.\n\n7.9. Vertrouwensbeginsel\n\n7.9.1. Volgens verzoekers is het opleggen van de last onder dwangsom ook in strijd met het vertrouwensbeginsel. Telefonisch heeft een medewerker van de gemeente aan verzoekers medegedeeld dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van de arbeidsmigranten. Het college heeft daarnaast tijdens controles in oktober 2023 en op 24 september 2024 de schijn van legaliteit gewekt. Tijdens die controles is door de toezichthouder verklaard dat het er goed uit zag. Het college heeft die schijn ook opgewekt door na die controles geen sancties op te leggen.\n\n7.9.2. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij\u002Fzij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.\n\n7.9.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een dergelijke toezegging niet is gebleken. Verzoekers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat door een medewerker van de gemeente – en namens het college – is toegezegd dat geen omgevingsvergunning was vereist voor het huisvesten van de arbeidsmigranten in de bedrijfswoning. Een toezegging kan ook niet worden gevonden in het gedurende een aantal jaren niet handhavend optreden. Dat geldt ook als het college gedurende die tijd – als gevolg van in dit geval verschillende controlemomenten – wel op de hoogte was van de overtreding of kon zijn.Dat is geen gedraging waarmee de indruk kan worden gewekt van een welbewuste standpuntbepaling dat er niet handhavend zou worden opgetreden.\n\n8. Begunstigingstermijn\n\n8.1. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de begunstigingstermijn onredelijk en onuitvoerbaar is. In de huidige krappe woningmarkt is het uitgesloten om alternatieve legale huisvesting te vinden voor de bewoners binnen vier weken. De lopende contracten kunnen binnen die termijn ook niet worden beëindigd. Minimaal 26 weken is in de rechtspraak noodzakelijk geacht voor een zorgvuldige uitplaatsing.\n\n8.2. In artikel 5:32a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat: bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen.Een begunstigingstermijn moet wel lang genoeg zijn om de overtreding te kunnen beëindigen.Het college komt beleidsruimte toe bij het vaststellen van de tijdseenheid die geldt voor het verbeuren van dwangsommen.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de begunstigingstermijn redelijkerwijs niet te kort heeft vastgesteld. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld is slechts van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan en niet of de overtreder dat op een vanuit bedrijfseconomisch opzicht zo gunstig mogelijke wijze kan doen.De voorzieningenrechter ziet geen reden waarom verzoekers de overtreding niet binnen de gestelde – en inmiddels tot twee weken na deze uitspraak verlengde – begunstigingstermijn ongedaan kan maken. Binnen die termijn kunnen de arbeidsmigranten elders (bijvoorbeeld in een hotel) gehuisvest worden en kan het strijdig gebruik worden beëindigd. De door verzoekers genoemde jurisprudentie van de Afdeling acht de voorzieningenrechter niet relevant, omdat die uitspraken geen betrekking hebben op een last onder dwangsom of een daaraan verbonden begunstigingstermijn. De voorzieningenrechter leest in die uitspraken niet wat verzoekers daarin lezen. Die uitspraken zien op een kapvergunning, planschade en de vaststelling van een bestemmingsplan.\n\n9. Hoogte dwangsom\n\n9.1. De dwangsom is volgens verzoekers ook onredelijk hoog vastgesteld. Het is gebaseerd op een onjuiste bruto-omzetberekening, zonder aftrek van exploitatiekosten. Bovendien heeft de verdubbeling van dit bedrag een punitief karakter.\n\n9.2. Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen van de dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels.\n\n9.3. De opgelegde last onder dwangsom strekt er toe de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Het gaat daarmee om een herstelsanctie en niet om een bestraffende sanctie. Dat verzoekers dit anders hebben ervaren, is niet van belang voor de vraag of de sanctie een bestraffend karakter heeft. In het aangevoerde worden geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de last louter vanwege de hoogte van de dwangsom als een bestraffende sanctie zou moeten worden aangemerkt.Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college namelijk kunnen besluiten dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de overtreding en de beoogde effectieve werking van de lasten. In wat verzoekers hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat de opgelegde dwangsom daarmee niet in overeenstemming is. De omstandigheid dat verzoekers exploitatiekosten hebben moeten maken, leidt niet tot het oordeel dat het college de dwangsom naar beneden had moeten bijstellen. Het college heeft de dwangsom niet te hoog vastgesteld door niet exact te bekijken wat het economische voordeel van verzoekers is als gevolg van de overtreding. Daarbij is van belang dat van een dwangsom een afdoende prikkel tot normconform gedrag dient uit te gaan en het college daarbij kon volstaan met een globale schatting van de te verwachten winst bij het niet voldoen aan de last. Het in mindering brengen van deze exploitatiekosten op de dwangsom kan afbreuk doen aan deze beoogde werking van de dwangsom.\n\n10. Conclusie\n\n10.1. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.\n\n10.2. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.\n\nDe beslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.Wettelijk kader\n\nOmgevingswet (Ow)\n\nArtikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow\n\nHet is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten een omgevingsplanactiviteit.\n\nOmgevingsplan\n\nArtikel 6.1, onder b, van de planregels (Bestemmingsplan [bestemmingsplan] )\n\nDe voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven in ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.\n\nArtikel 6.1, onder f, van de planregels (Bestemmingsplan [bestemmingsplan] )\n\nDe voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning': een bedrijfswoning en aan-huis-verbonden beroepen.\n\n Artikel 2.4 van de Ow.\n\n Artikel 4.2, eerste lid, van de Ow.\n\n Artikel 22.1 van de Ow.\n\n Artikel 22.1, onder a en b, van de Ow.\n\n Artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 5:2, eerste lid, onder b, jo. artikel 5:21 van de Awb.\n\n Artikel 6.1, onder b, van de planregels.\n\n Artikel 6.1, onder f en artikel 1.13 van de planregels.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.\n\n Artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.\n\n ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2081, r.o. 9.1.\n\n ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.\n\n ABRvS 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2976, r.o. 3.1 en ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, r.o. 5.1.\n\n ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:117, r.o. 4.2.\n\n ABRvS 20 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2282; ABRvS 12 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1882 en ABRvS 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3286.\n\n ABRvS 3 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1407, r.o. 8.1.\n\n ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4233, r.o. 10 en ABRvS 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1038, r.o. 22.1.\n\n ABRvS 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:274, r.o. 10.3\n\n ABRvS 18 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3860, r.o. 8.1.\n\n ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:235, r.o. 11.2.\n\n ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 6.1.\n\n ABRvS 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3942, r.o. 4.2.\n\n ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3954, r.o. 6.1 en ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1234, r.o. 4.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5583","ecli-nl-rbzwb-2026-5583",{"courtName":6,"legalDomain":48,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":122,"ecli":123,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":109,"fullText":124,"language":7,"source":17,"sourceUrl":125,"summary":14,"slug":126,"metadata":127},"1969","ECLI:NL:RBZWB:2026:5765","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F6506\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 september 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) met het aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Wanneer het beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone postwordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen. Als op de envelop een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan.\n\n3.1.. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het beroep te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 12 september 2025 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde dus op 24 oktober 2025.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft het beroepschrift met PostNL verstuurd. Gelet op het poststempel gaat de rechtbank ervan uit dat het beroep op 15 december 2025 op de post is gedaan. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat het eerder op de post is gedaan. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?\n\n5. De gemachtigde van belanghebbende heeft aangevoerd dat vanwege ziekte van belanghebbende de benodigde gegevens voor het beroepschrift niet tijdig konden worden aangeleverd. Dat is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Belanghebbende – of de gemachtigde namens belanghebbende – had immers in ieder geval tijdig beroep kunnen instellen, zo nodig op nader aan te voeren gronden. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5765","ecli-nl-rbzwb-2026-5765",{"courtName":6,"legalDomain":128,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":130,"ecli":131,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":109,"fullText":132,"language":7,"source":17,"sourceUrl":133,"summary":14,"slug":134,"metadata":135},"1971","ECLI:NL:RBZWB:2026:5764","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummers: BRE 25\u002F5971 en 25\u002F6411\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] (Polen), belanghebbende\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 oktober 2025. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting (mrb) met aanslagnummers [aanslagnummer] Y.8 en [aanslagnummer] Y.9.2.\n\n1.1.. Omdat de beroepen kennelijk ongegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De inspecteur heeft de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de bezwaren niet tijdig waren ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat de bezwaren te laat zijn ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom zijn de beroepen kennelijk ongegrond.\n\nToetsingskader\n\n3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending.\n\nEen bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone postwordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn onder voorwaarden ook tijdig ingediend.Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij het bestuursorgaan is ontvangen.\n\n3.1.. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.\n\nIs het bezwaarschrift te laat ingediend?\n\n4. Vast staat dat de dagtekeningen van de naheffingsaanslagen 26 juni 2019 en 3 september 2019 zijn. Volgens de inspecteur is niet meer vast te stellen in de systemen van de Belastingdienst wanneer de naheffingsaanslagen aan belanghebbende zijn verzonden, aangezien inmiddels al lange tijd is verstreken. De rechtbank kan daarom niet vaststellen of de naheffingsaanslagen tijdig en naar het juiste adres zijn verzonden. In het geval belanghebbende de ontvangst daarvan wel betwist, dan is de bezwaartermijn pas gaan lopen wanneer hij de naheffingsaanslagen heeft ontvangen. Uit het beroepschrift van belanghebbende valt af te leiden dat belanghebbende in ieder geval op 5 februari 2024 bekend was met de opgelegde naheffingsaanslagen, toen hij de uitschrijving bij de RDW had afgerond. Als ervan wordt uitgegaan dat de naheffingsaanslagen toen voor het eerst bekend zijn gemaakt, dan eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift op 18 maart 2024.\n\n4.1.. Belanghebbende heeft het bezwaarschrift per post verstuurd. Het bezwaarschrift is bij de inspecteur ontvangen op 26 juni 2025. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de vastlegging van telefonisch contact van belanghebbende met de Belastingtelefoon Auto op 14 maart 2025 volgt dat belanghebbende toen in elk geval op de hoogte was van de naheffingsaanslagen. Ook als zou worden uitgegaan van die datum voor de aanvang van de bezwaartermijn, dan nog is het bezwaarschrift te laat ingediend.\n\nIs het te laat indienen verontschuldigbaar?\n\n5. Belanghebbende heeft hiervoor de volgende reden gegeven. Belanghebbende geeft aan dat hij in het jaar 2016 naar het buitenland is verhuisd en niet eerder bezwaar heeft kunnen indienen vanwege onjuiste informatieverstrekking door betrokken instanties en het niet ontvangen van de ontbrekende documenten om de auto uit te schrijven bij de RDW. Nadat de inschrijving bij de RDW op 5 februari 2024 heeft afgerond, heeft hij zijn bezwaar zo spoedig mogelijk ingediend, namelijk op 26 juni 2025..\n\n5.1.. De rechtbank constateert dat de bezwaren meer dan een jaar nadat de auto is uitgeschreven bij de RDW zijn ingediend. Dat is een aanzienlijke periode en veel langer dan de periode van zes weken die de Hoge Raad als uitgangspunt neemt. Wat belanghebbende aanvoert, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat de termijnoverschrijding niet aan belanghebbende is toe te rekenen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om op een eerder moment, eventueel met behulp van een derde, de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen in te dienen. Verder is de stelling dat verschillende instanties onjuiste informatie hebben verstrekt niet onderbouwd, zodat hieraan geen gewicht kan worden toegekend. Bovendien is niet in te zien waarom de gestelde onjuiste informatie ertoe zou leiden dat na uitschrijving bij de RDW nog meer dan een jaar is gewacht met het maken van bezwaar. Ook als het contactmoment met de Belastingtelefoon als uitgangspunt wordt genomen, dan is geen goede reden gegeven waarom meer dan zes weken daarna is gewacht met het maken van bezwaar.\n\n5.2.. De aangevoerde omstandigheden leiden naar het oordeel van de rechtbank dus niet tot de conclusie dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Het te laat indienen is dus niet verontschuldigbaar.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. De bezwaren zijn daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen zijn daarom ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J.C.J. van Wesel-de Jongh, griffier, op 29 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.\n\n Onder gewone post wordt verstaan door PostNL of door ieder ander bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf.\n\n Dit volgt uit artikel 6:9, tweede lid, van de Awb.\n\n Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5764","ecli-nl-rbzwb-2026-5764",{"courtName":6,"legalDomain":128,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":137,"ecli":138,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":139,"fullText":140,"language":7,"source":17,"sourceUrl":141,"summary":14,"slug":142,"metadata":143},"1960","ECLI:NL:RBZWB:2026:5585","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F334\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 9 december 2025. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2025 voor het object [adres] te [woonplaats] met aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.\n\nHeeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?\n\n4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 20 januari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 18 februari 2026 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 20 februari 2026 om 15:15 uur is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend.\n\n5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.\n\nIs het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?\n\n6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5585","ecli-nl-rbzwb-2026-5585",{"courtName":6,"legalDomain":128,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":145,"ecli":146,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":139,"fullText":147,"language":7,"source":17,"sourceUrl":148,"summary":14,"slug":149,"metadata":150},"1961","ECLI:NL:RBZWB:2026:5581","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F590\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende], uit [woonplaats] , belanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 17 december 2025. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2025 voor het object [adres] te [woonplaats] met aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat belanghebbende de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden.Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.\n\nHeeft belanghebbende de gronden tijdig vermeld?\n\n4. Belanghebbende heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft belanghebbende in haar bericht van 27 januari 2026 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. De rechtbank heeft vervolgens op 27 februari 2026 in het digitaal dossier van belanghebbende een bericht geplaatst. Belanghebbende is hierbij nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de gronden, voor het instellen van beroep, te overleggen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door hem voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 27 februari 2026 heeft ontvangen.Belanghebbende heeft binnen die termijn geen gronden ingediend. Belanghebbende heeft de beroepsgronden dus niet tijdig vermeld.\n\nIs het niet tijdig vermelden van de gronden verontschuldigbaar?\n\n5. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.\n\n Dit staat in artikel 6:6 van de Awb.\n\n Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5581","ecli-nl-rbzwb-2026-5581",{"courtName":6,"legalDomain":128,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":152,"ecli":153,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":139,"fullText":154,"language":7,"source":17,"sourceUrl":155,"summary":14,"slug":156,"metadata":157},"1962","ECLI:NL:RBZWB:2026:5587","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 25\u002F5327\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Samenwerking Belastingen Walcheren en Schouwen-Duiveland, de heffingsambtenaar.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroepschrift van belanghebbende met dagtekening 14 oktober 2025, dat op 21 oktober 2025 is ontvangen bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 2 september 2025.\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 53,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.\n\nHeeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?\n\n4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 24 oktober 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 24 november 2025 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. De enveloppe waarin deze brief is verzonden, is ongeopend ter griffie terugontvangen met de melding “Niet afgehaald; retour afzender”. Uit de basisregistratie persoonsgegevens blijkt dat belanghebbende ingeschreven staat op het adres waar de brief naar is verzonden. Daarop is de brief op 11 februari 2026 nogmaals naar dat adres gestuurd, nu per gewone post en met een laatste termijn van twee weken.\n\n5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.\n\nIs het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?\n\n6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5587","ecli-nl-rbzwb-2026-5587",{"courtName":6,"legalDomain":128,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":159,"ecli":160,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":139,"fullText":161,"language":7,"source":17,"sourceUrl":162,"summary":14,"slug":163,"metadata":164},"1964","ECLI:NL:RBZWB:2026:5586","RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nBelastingrecht\n\nzaaknummer: BRE 26\u002F201\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 3 december 2025. Het beroep ziet op de naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen met aanslagnummer [aanslagnummer] .\n\n1.1.. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet is betaald en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nToetsingskader\n\n3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.\n\nHeeft belanghebbende het griffierecht tijdig betaald?\n\n4. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 14 januari 2026 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 12 februari 2026 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 17 februari 2026 om 08:17 uur is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend.\n\n5. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op tijd betaald.\n\nIs het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?\n\n6. Belanghebbende heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.\n\nImmateriële schadevergoeding\n\n7. Belanghebbende heeft tevens verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De Hoge Raad heeft in het arrest van 2 december 2016 beslist dat een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vanwege het niet-betalen van griffierecht met zich meebrengt, dat ook geen uitspraak meer behoeft te worden gedaan ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële schade.Dit is slechts anders in het – zich in deze zaak niet voordoende – geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van immateriële schade bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep niet-ontvankelijk;\n\nwijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van\n\nR.P.A.G. Dekkers, griffier, op 26 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Hoge Raad 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2712.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5586","ecli-nl-rbzwb-2026-5586",{"courtName":6,"legalDomain":128,"decisionType":22,"procedureType":23}]