[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-eindhoven":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},77,"Eindhoven","nl","first_instance","civil",[11,24,32,40],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"719","ECLI:NL:RBOBR:2026:4080","","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11977582 \\ EJ VERZ 25-659\n\nBeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [woonplaats] , [land] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: “ [verzoekster] ”,\n\ngemachtigde: mr. A. Kolder,\n\ntegen\n\n1. TOTAL BERRY PACKING B.V.,\n\nte Helenaveen, 2. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\nte Apeldoorn,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: “Total Berry” en “Achmea”,\n\ngemachtigde: mr. L. Hilhorst.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties (genummerd 1 t\u002Fm 6),\n\n- het verweerschrift met producties (genummerd 1 t\u002Fm 4),\n\n- een aanvullend urenoverzicht aan de zijde van [verzoekster] ,\n\n- de mondelinge behandeling van 18 mei 2026, die hybride heeft plaatsgevonden omdat [verzoekster] online, via Teams, aan de mondelinge behandeling heeft deelgenomen.1.2.. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht, waarbij de gemachtigde van Total Berry en Achmea gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van dat wat tijdens de mondelinge behandeling verder is besproken.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Waar gaat deze zaak over?\n\n2.1.. Aanleiding van dit deelgeschil is een verschil van mening over de samenhang tussen het [verzoekster] op 15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval bij Total Berry, waarbij zij het topje van haar linker wijsvinger verloor, en het haar op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval. Bij het tweede ongeval viel [verzoekster] bij haar moeder thuis van een vlizotrap, toen zij met haar voet weggleed en zich met haar - bij het eerdere arbeidsongeval uit 2020 - gekwetst geraakte linkerhand vergeefs vast wilde pakken aan de trapleuning. Bij de val van de vlizotrap heeft zij haar linker scheen- en kuitbeen gebroken.\n\n2.2.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter in deze procedure een oordeel te geven over haar stellingen dat er een causaal verband bestaat tussen het arbeidsongeval in 2020 en de val van de trap in 2022, en dat Total Berry daardoor ook schadeplichtig is jegens [verzoekster] met betrekking tot de gevolgen van dit tweede ongeval in 2022.\n\n2.3.. \n\nAchmea is de aansprakelijkheidsverzekeraar van Total Berry. Zij heeft aansprakelijkheid namens Total Berry erkend voor het arbeidsongeval in 2020 en de schaderegeling op zich genomen.\n\n [verzoekster] heeft op grond van artikel 7:954 Burgerlijk Wetboek (BW) een ‘directe actie’ jegens Achmea. Lid 3 van art. 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat ook de verzekeraar tegen wie een directe actie bestaat, in de deelgeschilprocedure kan worden betrokken.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n\n [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1989, was vanaf mei 2020 via uitzendbureau [bedrijfsnaam 1] werkzaam voor Total Berry. Het betrof productiewerk aan de lopende band. Op 15 juli 2020 raakte [verzoekster] met de vingers van haar linkerhand bekneld tussen de lopende band. Als gevolg hiervan heeft zij het topje van haar linker wijsvinger verloren.\n\nAchmea heeft onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Uit het toedrachts- onderzoek is gebleken dat Total Berry onvoldoende toezicht heeft gehouden op het naleven van de gegeven instructies. Achmea heeft namens Total Berry aansprakelijkheid erkend en heeft de schade in behandeling genomen. In totaal heeft Achmea inmiddels circa € 53.500, - aan voorschotten aan [verzoekster] verstrekt.\n\n3.2.. \n\nOngeveer 1,5 jaar na het arbeidsongeval is er een stabiele medische eindsituatie\n\nbereikt. De klachten van de linkerhand zijn op gezamenlijk verzoek van partijen in kaart gebracht door hand-, pols- en plastisch chirurg drs. [A] , werkzaam bij het Expertisepunt. Uit het expertiserapport van 27 oktober 2023 volgt dat er sprake is van blijvende beperkingen van de linkerhand en -wijsvinger, waaronder gestoorde tast, pijn en verminderde knijpkracht links ten opzichte van rechts.\n\n3.3.. \n\nOp gezamenlijk verzoek van partijen is op 29 juni 2023 een verzekeringsgeneeskundige expertise uitgevoerd door drs. [B] , werkzaam bij [bedrijfsnaam 2] . Op 28 augustus 2023 is het conceptrapport aan partijen toegezonden en op 27 september 2023 is het rapport definitief geworden. Verzekeringsarts [B] stelt op basis van het expertiserapport van [A] vast dat er beperkingen zijn voor hand- en vingergebruik van de linkerhand, waaronder:\n\n“lichte beperkingen voor fijne motorische hand- en vingerbewegingen, repetitieve hand- en vingerbewegingen. Matige beperkingen voor bolgreep, pengreep, sleutelgreep, cilindergreep, knijpkracht, duwen, trekken, tillen en dragen.”\n\nEr worden geen beperkingen aangenomen voor statische handelingen. Ook ten aanzien van traplopen en klimmen worden géén beperkingen aangenomen. [B] voegt ten aanzien van klimmen toe dat [verzoekster] zich hierbij moet vasthouden\u002Fsteunen met de rechterhand. Daarnaast heeft [B] gerapporteerd over ongevalsvreemd letsel: “Wel is er eind 2022 sprake geweest van beenletsel (breuken van scheen- en kuitbeen); het spreekt voor zich dat dit in ieder geval tot tijdelijke beperkingen heeft geleid. Ik ben hieromtrent echter niet verder geïnformeerd. Het moge duidelijk zijn dat dit een ongevalsvreemd aspect betreft.”\n\nDe opmerkingen over het ongevalsvreemde beenletsel hebben niet tot vragen of opmerkingen geleid aan de zijde van [verzoekster] .\n\n3.4.. \n\nPartijen hebben na het afronden van het medisch expertisetraject\n\nvanaf september of oktober 2023 geprobeerd om met elkaar tot een minnelijke regeling\n\nte komen. Op 14 december 2023 heeft een gezamenlijk overleg plaatsgevonden op het kantoor van de voormalige belangenbehartiger van [verzoekster] . [verzoekster] stelde zich toen voor het eerst op het standpunt dat de val van de vlizotrap in augustus 2022 een (indirect) gevolg was van het arbeidsongeval en dat de schade die daaruit voortvloeit aan het arbeidsongeval moet worden toegerekend.\n\n [verzoekster] heeft over de oorzaak van de val gezegd dat zij de vlizotrap op liep en zich daarbij met haar rechterhand vasthield aan de rechterleuning. Halverwege de trap gleed haar voet weg. In een reflex probeerde [verzoekster] met haar linkerhand de linkerleuning vast te pakken, maar stootte daarbij haar gekwetste wijsvinger tegen de leuning. Zij kon hierdoor de leuning niet vastpakken. [verzoekster] is ongelukkig met haar been tussen de traptreden terecht gekomen, met een breuk van het scheen- en kuitbeen tot gevolg.\n\nAchmea heeft het conditio sine qua non (csqn)-verband tussen de ongevallen direct betwist en [verzoekster] verzocht om (medische) informatie te verstrekken waaruit het door haar gestelde csqn-verband zou kunnen blijken.\n\n3.5.. \n\nDe medisch adviseur van [verzoekster] , dr. [C] , schrijft in zijn medisch advies van 8 juli 2024:\n\n“Of de onderbeenfractuur een indirect gevolg is van het ongeval van juli 2020 kan ik noch bevestigen, noch ontkennen. De correspondentie vermeldt alleen dat cliënt uitgleed. U schreef dat dit kwam omdat zij zich nu niet goed kon vastgrijpen. Dat laatste wijst wel op een indirect verband. Bij gebrek aan gedetailleerde informatie over het ongeval kan ik hier verder weinig over zeggen.”\n\nBij e-mail van 16 juli 2024 heeft [verzoekster] een toelichting gegeven op de oorzaak van de val. Naar aanleiding van de toelichting van [verzoekster] , schrijft [C] in zijn advies van 27 augustus 2024:\n\n“Als ik mij baseer op deze informatie is een fractuur van het linker onderbeen dus nog een indirect gevolg van het ongeval van 15 juli 2020”.\n\n3.6.. \n\nAchmea heeft de beschikbare medische informatie voorgelegd aan haar medisch\n\nadviseur, dr. [D] . Hij adviseert op 23 september 2024:\n\n“De aanvullend ontvangen informatie van betrokkene vanuit [land] heb ik bestudeerd. Betrokkene had voorafgaand aan haar ongeval van augustus 2022 geen letsel of beperkingen van het evenwicht of de benen, zodat zij geacht kon worden stabiel een trap op en af te kunnen lopen. Desondanks is zij toch uitgegleden en dat kan niet aan het letsel van juli 2020 worden gerelateerd.\n\nBegrijpelijkerwijs heeft betrokkene geprobeerd zich vast te grijpen en heeft hierbij de linkerhand gebruikt. Voor hetzelfde geld had zij haar rechterhand kunnen gebruiken om haar val te breken.”\n\nIn een aanvullend advies van 19 december 2024 overweegt [D] :\n\n“Weging en conclusies\n\nMijn mening is als volgt:\n\nIn mijn medisch advies van 22.07.2024 werd melding gemaakt van een onderbeenfractuur op 13.08.2022, nadat zij was uitgegleden. Ik achtte dit niet gerelateerd aan het ons regarderende ongeval van 2020. In mijn medisch advies van 21.09.2024 werd dit nog eens een nader geëxpliciteerd.\n\nWat ligt er in de medische informatie vast:\n\nIn de uit het [land] vertaalde SEH brief van 13.08.2023 staat over de toedracht van het ongeval: “Vandaag letsel van het linker onderbeen als gevolg van het uitglijden. Fractuur van tibia-en fibulaschacht. \" Er werd haar een operatieve behandeling voorgesteld maar daar is zij in eerste instantie niet op ingegaan. Blijkbaar heeft ze zich in tweede instantie toch bedacht, want op 05.09.2022 is er een wederom uit het [land] vertaald operatieverslag\n\naangeleverd van een tibiapen osteosynthese. In dit operatieverslag wordt geen mededeling gedaan over de toedracht van het ongeval.\n\nIn de verslaglegging van het controlebezoeken van 22.09.2022, 20.10.2022, 10.11.2022, 08. 12.2022 , 29.12.2022 en 12.01.2023 na de operatie, wordt genoteerd dat de hechtingen zijn verwijderd en instructies worden gegeven over de nabehandeling en controles n.a.v. de revalidatie, die blijkbaar naar wens verloopt. Er wordt een officieel formulier van de [land] Sociale Zekerheidsinstelling Ziekteverlof aan betrokkene verstrekt. Ook in deze verslagen worden geen verdere mededelingen gedaan over het traumamechanisme dat geleid heeft tot de onderbeenfractuur. De beschrijving van het ongevalsmechanisme is daarom uitsluitend gebaseerd op de mededelingen van betrokkene zelf.”\n\n3.7.. \n\nOp 3 juni 2025 heeft [verzoekster] verklaringen toegezonden van haar echtgenoot, [naam echtgenoot] , broer, [naam broer] , zus, [naam zus] ) en zoon, [naam zoon] .\n\nDe echtgenoot en broer van [verzoekster] verklaren dat zij de val hebben zien gebeuren. De zus en zoon hebben de val niet gezien.\n\nOp 18 september 2025 heeft [verzoekster] onderstaande foto's van de trap overgelegd:4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n\n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking in deelgeschil in de zin van artikel 1019 Rv, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht te verklaren dat (de gevolgen van) het [verzoekster] op 13 augustus 2022 overkomen tweede ongeval in een csqn-verband staat tot het [verzoekster] op 15 juli 2020 overkomen arbeidsongeval, dan wel - subsidiair - een voorshands vermoeden aan te nemen dat een dergelijk csqn-verband aanwezig is, alsmede;\n\nII. voor recht te verklaren dat het tweede ongeval uit 2022 ex art. 6:98 BW is toe te rekenen aan Total Berry als een gevolg van het eerste ongeval uit 2020, alsmede;\n\nIII. Total Berry en Achmea hoofdelijk, naast de reeds bestaande schadeplichtigheid inzake het eerste ongeval uit 2020, te veroordelen tot vergoeding van (ook) alle materiële en immateriële schade als gevolg van het tweede ongeval uit 2022, alsmede;\n\nIV. de kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure te begroten en Total Berry en Achmea hoofdelijk te veroordelen tot betaling daarvan aan [verzoekster] .4.2.. Aan het verzoek heeft [verzoekster] ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de val van de trap extra letsel heeft opgelopen, dat volgens haar nog kwalificeert als een gevolg van het arbeidsongeval van 15 juli 2020.\n\n4.3.. Total Berry en Achmea verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe aan dat het csqn-verband tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 ontbreekt en, mocht een csqn-verband aangenomen worden, dat de gevolgen van de val niet aan het arbeidsongeval zijn toe te rekenen. Nog meer subsidiair beroept Achmea zich op eigen schuld ex artikel 6:101 BW.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. \n [verzoekster] heeft zich tot de kantonrechter gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De kantonrechter moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de kantonrechter beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.\n\n5.2.. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de kantonrechter eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).\n\n5.3.. In dit geval verschillen partijen - kort gezegd - van mening over de vraag of er een csqn-verband bestaat tussen het arbeidsongeval uit 2020 en de val in 2022 en, zo ja, of de nadelige gevolgen van die val op grond van 6:98 BW toegerekend mogen worden aan het arbeidsongeval. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek inhoudelijk zal bespreken.\n\n5.4.. Voor het vaststellen van de aansprakelijkheid van Total Berry voor de gevolgen van de val, moet het oorzakelijk (conditio sine qua non) verband tussen het arbeidsongeval en de val van de vlizotrap in de privésfeer komen vast te staan. Dit betekent dat moet (kunnen) worden vastgesteld dat [verzoekster] door de beperkingen die het gevolg zijn van het arbeidsongeval op 15 juli 2020, op 13 augustus 2022 van de vlizotrap is gevallen. Bij de beoordeling van het oorzakelijk verband is de feitelijke toedracht van de val van belang. De stelplicht en de bewijslast van de feitelijke toedracht en van het causaal verband tussen val en arbeidsongeval rusten op [verzoekster] .\n\n5.5.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat de feitelijke toedracht van het tweede ongeval door Total Berry en Achmea niet gemotiveerd is betwist en dat Total Berry en Achmea ook geen (plausibele) alternatieve oorzaak voor het vallen van de trap hebben gegeven.\n\n5.5.1.. \n\n [verzoekster] heeft daarbij gewezen op de aanwezige onafhankelijke medische expertises van verzekeringsarts [B] en plastisch chirurg [A] . Uit deze rapportages blijkt dat [verzoekster] op het moment van de val van de trap nog met duidelijke restverschijnselen van het eerdere arbeidsongeval kampte, bestaande uit diverse (matige\u002Fsterke) beperkingen inzake de arm\u002Fhand, inclusief pijnklachten, beperkingen bij bepaalde handgrepen, beperkte knijpkracht en beperkingen inzake de 'sensibiliteit'. Ook rapporteerde [A] over een aanzienlijke pijnscore zodra [verzoekster] haar gekwetste vinger stoot:\n\n\"NPRS-score. Gemiddeld 5 met uitschieters naar 8. Deze uitschieter ervaart zij bij stoten\n\nvan de vinger.\"\n\nVerzekeringsarts [B] rapporteerde over klimmen ‘ladder op en af’ dat [verzoekster] “daarbij alleen [kan] steunen\u002Fvasthouden met de rechterhand”.De aard van het bij het 1e ongeval opgelopen letsel - en de aanwezigheid daarvan ten tijde van het 2e ongeval – past dus (naadloos) bij de toedracht zoals [verzoekster] heeft gesteld.\n\nUit de expertises volgt bovendien dat in de voorliggende zaak sprake is van een specifieke ‘kwetsbaarheid’ wegens een eerder ongeval die de kans op een tweede ongeval heeft vergroot. In dit geval is de kans op een val van de trap aanzienlijk vergroot, doordat [verzoekster] met haar beschadigde, dominante hand de leuning - een voorziening die specifiek beoogt te beschermen tegen een val van de trap - niet ‘normaal’ kon gebruiken. Voorts kan op basis van de (medische) stukken worden aangenomen dat een door dergelijk letsel gehinderde persoon bij het traplopen in een onverwachte\u002Fplotselinge (nood)situatie kwetsbaarder is voor valpartijen dan iemand die beschikt over ‘een gezond stel handen’.\n\n5.5.2.. \n\nHiernaast wijst [verzoekster] inzake het csqn-verband nog op de verschillende ingebrachte schriftelijke getuigenverklaringen, waaruit volgens haar blijkt dat het letsel aan de vinger (eerste ongeval) zonder meer een rol speelde bij het ontstaan van het tweede ongeval (val van trap). Met andere woorden: indien het vingerletsel niet zou zijn ontstaan, was het tweede ongeval (vermoedelijk) niet gebeurd. [verzoekster] had zónder het 1e ongeval met een ‘gezond stel handen’ de trap kunnen bestijgen en zo nodig de leuning goed kunnen vastgrijpen om een eventuele val van de trap te voorkomen. Door het vingerletsel aan de dominante hand kon [verzoekster] de leuning niet op een normale wijze gebruiken, hetgeen het risico op vallen heeft vergroot, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt. De getuigen verklaren niet alleen rechtstreeks dat in hun beleving de vingerbeperking een rol heeft gespeeld bij het ongeval, maar ook indirect steunen de verklaringen de door [verzoekster] gestelde toedracht. Zo wijst het feit dat eerst een schreeuw werd gehoord, op het stoten van de vinger kort voor de val. Dat niet alleen het been maar ook de vinger na de val pijnlijk was, past eveneens bij de stelling van [verzoekster] dat ze haar vinger (pijnlijk) heeft gestoten op de trap. Alle verklaringen afzonderlijk en tezamen vormen dus een nadere onderbouwing van de stellingen van [verzoekster] . Concluderend is volgens [verzoekster] voldoende aannemelijk dat de restverschijnselen van het arbeidsongeval - waardoor [verzoekster] beperkt was (in een reflex) een leuning (goed) vast te pakken - hebben bijgedragen aan het vallen van de trap. De restverschijnselen van het initiële arbeidsongeval hebben dus bijgedragen aan het tweede ongeval later in de tijd. Daarmee is het vereiste csqn-verband gegeven, aldus [verzoekster] .\n\nOmdat sprake is van een schuldaansprakelijkheid en de aard van de schade lichamelijk letsel is, moet er ruim worden toegerekend, hetgeen volgens [verzoekster] onder andere volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895.\n\nOorzakelijk (csqn-)verband\n\n5.6.. De essentie van de stelling waarop [verzoekster] haar verzoeken heeft gebaseerd, is dat zij zonder het handletsel dat zij heeft opgelopen tijdens het eerste arbeidsongeval (waarvoor Total Berry aansprakelijk is en waarvoor Achmea aansprakelijkheid namens Total Berry heeft erkend) niet van de vlizotrap zou zijn gevallen. De kantonrechter vindt het echter niet voldoende waarschijnlijk dat zonder handletsel het tweede ongeval niet zou zijn gebeurd. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.\n\n5.7.. \n\nAls niet, althans onvoldoende weersproken staat in voldoende mate vast dat [verzoekster] van de vlizotrap viel, ondanks dat zij de leuning vast had met haar rechterhand, omdat haar voet (naar achteren) weggleed waarna haar been ongelukkig tussen de traptreden terecht kwam. Zij wilde in een reflex met haar linkerhand ook de linkerleuning grijpen om zo haar val te breken, maar dit lukte niet. In plaats van de leuning vast te pakken, stootte zij haar (door het eerdere arbeidsongeval beschadigde) linker wijsvinger en dit leverde bij [verzoekster] begrijpelijkerwijs veel pijn op. Er is dus wel een verband met het arbeidsongeval, bestaande uit een verminderde knijpkracht en een grotere pijngevoeligheid in de (dominante) linkerhand als gevolg van het bij het arbeidsongeval opgelopen letsel, maar dit is naar het oordeel van de kantonrechter een te ver verwijderd verband om aan te kunnen nemen dat [verzoekster] niet van de vlizotrap zou zijn gevallen als zij nog twee gezonde handen had gehad. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat uit de toedrachtbeschrijving volgt dat de val al was ingezet voordat [verzoekster] naar de linker leuning greep. Immers, pas na het wegglijden van haar voet greep [verzoekster] in een reflex ook naar die linker leuning. In het gunstigste geval had [verzoekster] haar val (in meer of mindere mate) kunnen breken als ze er in was geslaagd om de linker leuning vast te grijpen. Of dat met een gezonde linkerhand wel was gelukt, is de vraag aangezien het ging om een reflexmatige beweging na het wegglijden van haar voet en gebleken is dat het vasthouden van de rechterleuning de val niet heeft kunnen voorkomen of breken. Concrete aanknopingspunten om waarschijnlijk te kunnen achten dat [verzoekster] met een gezonde linkerhand haar val wel in voldoende mate had kunnen breken om letsel te voorkomen of aanzienlijk te beperken, ontbreken.\n\nDe kantonrechter heeft bij de beoordeling ook in aanmerking genomen dat [verzoekster] niet beperkt was in trapklimmen en ook geen verstoringen van haar evenwicht had. Haar kans om van een vlizotrap te vallen, was naar het oordeel van de kantonrechter niet substantieel groter dan voor iemand zonder beschadigde hand. Daar komt bij dat [verzoekster] op de hoogte was van en inmiddels gewend was aan de beperking aan haar linkerhand. Die beperking heeft haar niet doen besluiten om de vlizotrap te mijden en het aan de andere aanwezigen over te laten om de vlizotrap op te gaan. [verzoekster] heeft desgevraagd verklaard dat zij de vlizotrap vaker beklom om spullen van zolder te halen, wat naar het oordeel van de kantonrechter onderstreept dat ook zijzelf het beklimmen van de trap niet als bijzonder risicovol heeft gezien.\n\n5.8.. Op basis van wat hiervoor is overwogen, merkt de kantonrechter de val van de vlizotrap aan als een zogenoemd huis-, tuin en keukenongeluk dat valt binnen de risicosfeer van [verzoekster] .\n\n5.9.. \n\nHet voorgaande betekent dat de kantonrechter van oordeel is dat de val van de trap niet in een csqn-verband staat met het eerste arbeidsongeval. Voor het aannemen van een vermoeden dat dit anders is, ziet de kantonrechter onvoldoende grond.\n\nDe vraag of de gevolgen van de val gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade, aan Total Berry kunnen worden toegerekend, behoeft dan ook niet meer te worden beantwoord. Het door Skopura gedane beroep op het Deurmat-arrest (HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895) gaat reeds om die reden niet op.\n\nKosten deelgeschil\n\n5.10.. De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval geen sprake.\n\n5.11.. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.\n\n5.12.. \n\n [verzoekster] maakt aanspraak op € 8.959,45 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Total Berry en Achmea hebben geen (afzonderlijk) verweer gevoerd tegen het uurtarief. Met betrekking tot het aantal uren hebben zij aangevoerd dat het aantal uren voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift gematigd dient te worden tot 8 uren, omdat de inhoud van het verzoekschrift in grote mate (en vrijwel letterlijk) overeenkomt met de eerdere adviezen van mr. Kolder van 17 september 2025 en 24 december 2025.\n\nMet betrekking tot het aantal uren dat is gemoeid met de mondelinge behandeling (waaronder de voorbereidingstijd en de reistijd) hebben Total Berry en Achmea aangevoerd dat het niet redelijk is om de volledige reistijd te vergoeden op basis van het specialistentarief van € 295,00 exclusief btw.\n\n5.13.. \n\nDe kantonrechter vindt het uurtarief en het opgevoerde urenaantal (inclusief reistijd die leidt tot verlies van anders productief te maken uren) redelijk en aanvaardbaar en ziet dan ook geen aanleiding om een correctie toe te passen.\n\nDe redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op (afgerond) 25 uren × € 295,00 exclusief (21%) btw, dus op € 7.375,00 exclusief (21%) btw te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht.\n\nOmdat de aansprakelijkheid niet is komen vast te staan, zal de kantonrechter de kosten alleen begroten en Total Berry en Achmea niet veroordelen tot betaling daarvan.\n\nHet begrote bedrag hoeft alleen hoofdelijk door Total Berry en Achmea te worden betaald, als de aansprakelijkheid van Total Berry alsnog komt vast te staan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. wijst de verzoeken van [verzoekster] af,\n\n6.2.. begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.375,00 exclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoekster] betaalde griffierecht van € 90,00.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4080","ecli-nl-rbobr-2026-4080",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"1152","ECLI:NL:RBOBR:2026:2866","2026-04-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer: 11345972 \\ CV EXPL 24-7183\n\nVonnis van 23 april 2026\n\nin de zaak van\n\nALL CONCRETE FLOORS B.V.,\n\nte Bergeijk,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: ACF,\n\ngemachtigde: mr. T.B.M. Kersten,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\ngemachtigden: mr. F.M.C. van Helmond en mr. J.P.M. Dexters.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het vonnis van 24 april 2025 en de daarin genoemde stukken; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties 1 tot en met 26; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte met een eiswijziging van ACF met producties 71 tot en met 77;\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 maart 2026. De advocaten van partijen hebben ter zitting spreekaantekeningen overhandigd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier.\n\n1.2.. Het vonnis is nader bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. ACF is een onderneming die zich bezig houdt met het verkopen van (beton)vloeren, vloerprojecten en aanverwante producten.2.2.. Op 1 januari 2018 is [gedaagde] in dienst getreden bij ACF. [gedaagde] vervulde de functie van Sales Manager. In de arbeidsovereenkomst is het volgende nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen:\n\n“Artikel V Verbod andere werkzaamheden\n\nWerknemer verbindt zich, behoudens schriftelijke toestemming van werkgever, om gedurende de loop van de dienstbetrekking voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam te zijn, noch direct, noch indirect, en zich te onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. Overtreding van dit beding zal door werkgever als een dringende reden voor ontslag op staande voet kunnen worden aangemerkt. Bij overtreding van dit beding dient werknemer aan werkgever een boete te betalen van € 5.000 per overtreding.”\n\nDaarnaast is in artikel IV van de arbeidsovereenkomst het volgende geheimhoudingsbeding overeengekomen:\n\n“Artikel VI Geheimhouding etc.\n\nDe werknemer zal tegenover derden alsmede collega’s tijdens en na de dienstbetrekking bijzonderheden of informatie betreffende werkgever of betreffende zakelijke relaties van werkgever, geheimhouden, tenzij werkgever hiertoe toestemming geeft. Schade die uit een overtreding voortvloeit, zal door werkgever rechtstreeks kunnen worden verhaald op werknemer.”\n\nDe arbeidsovereenkomst bevat geen concurrentie- en geen relatiebeding.\n\n2.3.. Op 23 december 2023 heeft [gedaagde] zijn dienstverband opgezegd tegen 1 februari 2024.\n\n2.4.. Op 8 januari 2024 heeft [gedaagde] zich ziekgemeld.\n\n2.5.. Op 1 februari 2024 is [gedaagde] in dienst getreden bij C.F.S. B.V., handelend onder de naam Concrete Floor Solutions, (hierna: CFS). [gedaagde] vervult de functie van Bedrijfsleider\u002FSales. CFS houdt zich net als ACF bezig met het verkopen van (beton)vloeren en aanverwante producten. CFS is (indirect) een onderneming van [A] (hierna: [A] ), die meerdere ondernemingen drijft in België. CFS is eind 2023 opgericht en is de eerste onderneming van [A] in Nederland. (Mede)directeur van CFS was [B] (hierna: [B] ).\n\n2.6.. In de loop van 2024 is ACF in het bezit gekomen van e-mailberichten afkomstig van [gedaagde] verzonden vanaf een e-mailaccount van CFS ( [e-mailadres] ), met verzenddata vanaf januari 2024 toen [gedaagde] nog in dienst was bij ACF. Ook is ACF in het bezit gekomen van e-mails met klant- en bedrijfsgegevens van ACF afkomstig van het e-mailadres van [gedaagde] bij ACF gericht aan [gedaagde] ’ e-mailadres bij CFS en gericht aan [B] . Volgens ACF heeft [gedaagde] met het versturen van deze e-mails het nevenwerkzaamheden- en geheimhoudingsbeding van de arbeidsovereenkomst geschonden en ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan.\n\n2.7.. Op 2 september 2024 heeft ACF conservatoir beslag laten leggen onder de ABN AMRO Bank en op een pand waarvan [gedaagde] (gedeeltelijk) eigenaar is. [gedaagde] heeft bij de Voorzieningenrechter van deze rechtbank – samengevat – opheffing van de beslagen gevorderd, maar bij vonnis van 2 december 2024 is de vordering van [gedaagde] afgewezen. De zaak is bekend onder zaaknummer: C-01-408865 - KG ZA 24-545.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie: de vorderingen van ACF:\n\n3.1.. ACF heeft haar eis vermeerderd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt dat hij daartegen geen formele bezwaren heeft. De kantonrechter zal daarom vonnis wijzen op de volgende (gewijzigde) eis. ACF vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. voor recht te verklaren dat [gedaagde] het nevenactiviteiten- en\u002Fof het geheimhoudingsbeding heeft overtreden;\n\nII. voor recht te verklaren dat [gedaagde] contractuele boetes heeft verbeurd van € 120,000,-, althans door de kantonrechter te bepalen bedragen, en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nIII. [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van het direct en\u002Fof indirect gebruik maken en\u002Fof laten maken van overeenkomsten en\u002Fof zakelijke overeenkomsten en\u002Fof andere administratieve bescheiden en\u002Fof calculatiebladen en\u002Fof offertes van ACF, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-;\n\nIV. [gedaagde] te veroordelen alle documenten van ACF die [gedaagde] onder zich heeft te verwijderen en te vernietigen onder afgifte van een certificaat waaruit die verwijdering en vernietiging blijkt, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per overtreding, met een maximum van € 20.000,-;\n\nV. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 6.443,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nVI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 17.197,50 aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nVII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.144,- aan beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nVIII. voor recht te verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig jegens ACF heeft gehandeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door ACF als gevolg daarvan geleden schade, primair tot een bedrag van € 933.703,-, althans subsidiair bij wege van proportionele aansprakelijkheid of kansschade te begroten op een bedrag van € 466.851,50 (50%), € 933.703,00, althans meer subsidiair tot een schade door de kantonrechter vast te stellen, althans uiterst subsidiair tot een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en [gedaagde] te veroordelen tot betaling daarvan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;\n\nmet veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.3.2.. \n [gedaagde] voert verweer en betwist de vorderingen. [gedaagde] stelt – samengevat – dat het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan gekoppelde boetebeding nietig zijn. [gedaagde] betwist daarnaast dat hij het nevenwerkzaamheden- en het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Ook betwist [gedaagde] dat sprake is van onrechtmatige concurrentie en dat ACF schade heeft geleden.\n\nin reconventie: de vorderingen van [gedaagde] :\n\n3.3.. \n [gedaagde] heeft een tegeneis ingesteld. [gedaagde] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat – primair opheffing van de beslagen en subsidiair veroordeling van ACF om de gelegde beslagen op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, met veroordeling van ACF in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.4.. ACF voert verweer dat strekt tot afwijzing van de tegenvorderingen en tot handhaving van de beslagen.\n\n3.5.. Voor de verdere onderbouwing van de vorderingen en de verweren van partijen over en weer wordt verwezen naar de overwegingen onder de beoordeling.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie: de vordering van ACF:\n\n4.1.. In deze zaak gaat het er in de kern om of [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding – als dat in stand blijft – heeft geschonden en boetes heeft verbeurd. Daarnaast moet beoordeeld worden of [gedaagde] tegenover ACF aansprakelijk is voor door ACF geleden schade als gevolg van het schenden van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. De kantonrechter zal de afzonderlijke onderdelen van vordering en het gevoerde verweer hieronder puntsgewijs bespreken.\n\nGeen schending van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)\n\n4.2.. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] in strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft gehandeld omdat hij stelselmatig en herhaaldelijk in strijd met de waarheid heeft verklaard. Volgens ACF moeten haar vorderingen om die reden volledig worden toegewezen. De kantonrechter gaat daar niet in mee en legt dat als volgt uit.\n\n4.3.. Op grond van artikel 21 Rv zijn partijen verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Zoals [gedaagde] terecht stelt, gaat het met dit artikel om het uitbannen van de bewuste leugen en het achterhouden en verdoezelen van voor de beslissing relevante feiten, waardoor de rechterlijke beslissing zoveel mogelijk op waarheid berust. Artikel 21 Rv laat onverlet dat het aan partijen zelf is om te bepalen welke feiten zij aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. ACF heeft diverse vermeende schendingen van de waarheidsplicht genoemd, maar het staat [gedaagde] vrij om een ander (juridisch) standpunt in te nemen of een andere lezing te hebben van hoe het volgens hem is gegaan. Dat levert als zodanig geen strijd met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv op. Voor zover [gedaagde] in de zogenaamde 705 Rv procedure tot opheffing van de beslagen bij de Voorzieningenrechter heeft gesteld dat niet hij, maar [B] de e-mails heeft gestuurd, en [gedaagde] daarop nu in deze procedure terugkomt, levert dat niet zozeer schending van de waarheidsplicht in deze procedure op. [gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat hij zijn eerdere standpunt niet loslaat omdat het onwaar is, maar omdat hij het niet kan bewijzen. Volgens [gedaagde] heeft [B] de digitale administratie \u002F server van CFS gewist. Wat daar verder ook van zij, in deze procedure staat vast dat [gedaagde] de e-mails heeft gestuurd. Dat is in lijn met het standpunt van ACF. In zoverre gaat het op dit punt dan ook niet om een andere lezing van de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Van schending van artikel 21 Rv is daarom geen sprake.\n\nHet nevenwerkzaamhedenbeding is niet nietig\n\n4.4.. Aan haar vorderingen I en II heeft ACF ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Als zodanig is tussen partijen niet in geschil dat het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst is overeengekomen en tot 1 februari 2024 door [gedaagde] moest worden nagekomen. Artikel 7:653a lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding waarbij de werkgever verbiedt of beperkt dat de werknemer voor anderen arbeid verricht buiten de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht bij die werkgever, nietig is tenzij dit beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. ACF stelt dat de objectieve rechtvaardiging voor het beding ligt in het voorkomen van concurrerende activiteiten, het voorkomen van tegenstrijdig belang en het beding erop ziet dat [gedaagde] het bedrijfsdebiet van ACF niet afbreekt.\n\n4.5.. \n [gedaagde] beroept zich op de nietigheid van het beding. Volgens hem heeft ACF nagelaten om een objectieve reden te geven op het moment dat ACF een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding heeft gedaan. Volgens [gedaagde] heeft ACF voor het eerst een beroep op het beding gedaan in het verzoekschrift van 28 augustus 2024 tot het leggen van conservatoir beslag. ACF heeft de objectieve rechtvaardiging toen niet gegeven en ook niet in de dagvaarding. ACF is dus te laat en het beding is volgens [gedaagde] daarom nietig.\n\n4.6.. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van [gedaagde] . Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 7:653a BW blijkt dat de wetgever er van heeft afgezien dat in het nevenwerkzaamhedenbeding zelf al moet staan vermeld wat de objectieve reden is die maakt dat – volgens de werkgever – het nevenwerkzaamhedenbeding geldig is. Niet blijkt daaruit dat de werkgever, direct wanneer hij zich op het nevenwerkzaamhedenbeding beroept, (alle) gronden dient aan te voeren die tot de conclusie leiden dat een objectieve reden aanwezig is. Tenslotte valt uit de wetsgeschiedenis niet af te leiden dat een nevenwerkzaamhedenbeding (op voorhand) geldig is, of nietig. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan en moet beoordeeld worden of het beding geldig is of niet.\n\n4.7.. De Voorzieningenrechter heeft reeds geoordeeld dat voor zover de nevenactiviteiten van [gedaagde] plaatsvonden buiten de tijdstippen waarop de arbeid gewoonlijk werd verricht –en dus in beginsel vallen onder de werkingssfeer van artikel 7:653a BW – de objectieve rechtvaardiging ligt in het voorkomen c.q. tegengaan van de aantasting van het bedrijfsdebiet. De kantonrechter is het daarmee eens. [gedaagde] heeft niets naar voren gebracht om van dat oordeel af te wijken. Voor zover [gedaagde] meent dat het beding in deze bodemprocedure opnieuw is ingeroepen, leidt dat niet tot een andere conclusie. De kantonrechter is van oordeel dat uit de gehele dagvaarding blijkt dat het nevenwerkzaamhedenbeding tot doel heeft het bedrijfsdebiet van ACF te beschermen, zo blijkt ook expliciet uit de vorderingen onder III en IV. Het doel waarmee een beroep is gedaan op het beding blijkt zowel uit het verzoekschrift als deze gehele bodemprocedure.\n\n4.8.. Het nevenwerkzaamhedenbeding is daarom niet nietig en dus van toepassing in de rechtsverhouding tussen ACF en [gedaagde] .\n\nHet boetebeding is niet nietig\n\n4.9.. ACF heeft gesteld dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding gedurende het dienstverband tot en met 31 januari 2024 tenminste 24 keer heeft geschonden en dat [gedaagde] als gevolg daarvan 24 keer de boete van € 5.000,- heeft verbeurd. [gedaagde] betwist dat en beroept zich op nietigheid van het aan het nevenwerkzaamhedenbeding verbonden boetebeding. [gedaagde] verwijst daarvoor naar artikel 7:650 lid 3 BW, waarin is opgenomen dat de overeenkomst waarbij een boete is bedongen nauwkeurig de bestemming van de boete moet vermelden. [gedaagde] stelt dat over de bestemming van de boete niets schriftelijk is overeengekomen en dat de boete niet onmiddellijk of middellijk mag strekken tot een persoonlijk voordeel van ACF zelf als werkgever. Hiervan kan worden afgeweken, maar dat moet schriftelijk worden vermeld en dat heeft ACF niet gedaan, aldus [gedaagde] .\n\n4.10.. Het beroep op nietigheid van het boetebeding van [gedaagde] slaagt niet. Als zodanig is juist dat het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding moet voldoen aan de eisen van artikel 7:650 BW. In het zesde lid is bepaald dat ten aanzien van werknemers die meer verdienen dan het minimumloon bij schriftelijke overeenkomst van artikel 7:650 lid 3, 4 en 5 BW mag worden afgeweken. Vaststaat dat [gedaagde] meer verdient c.q. verdiende dan het minimumloon. Het is vaste rechtspraak – ACF heeft ook naar die rechtspraak verwezen – dat het boetebeding dat is gesteld op overtreding van een verbod op nevenwerkzaamheden van een werknemer, zoals in dit geval, niet aan meer formaliteiten hoeft te voldoen dan dat het beding schriftelijk is overeengekomen met een werknemer met een hoger loon dan het minimumloon. Niet is vereist dat het boetebeding uitdrukkelijk vermeldt dat de boete toekomt aan de werkgever, nu het beding juist bedoeld is om, in afwijking van de regeling over de disciplinaire boete, wél betaling aan de werkgever mogelijk te maken en de wet specifiek daarvoor is aangepast, zo volgt ook uit de parlementaire geschiedenis (zie onder meer Gerechtshof Amsterdam, 13 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3529).\n\n4.11.. Het boetebeding is daarom niet nietig en dus van toepassing, zodat [gedaagde] bij overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding een boete verbeurt.\n\nDe (vermeende) overtredingen vallen onder het nevenwerkzaamhedenbeding\n\n4.12.. \n [gedaagde] bestrijdt verder dat het nevenwerkzaamhedenbeding van toepassing is op de vermeende overtredingen omdat deze overtredingen zijn begaan onder werktijd, en daarmee geen betrekking hebben op het verrichten van arbeid buiten de tijdstippen waarop arbeid moest worden verricht voor ACF als werkgever. Dit verweer slaagt ook niet.\n\n4.13.. De tekst van het nevenwerkzaamhedenbeding maakt geen onderscheid tussen het verrichten van (neven)werkzaamheden voor de werknemer zelf of een ander, onder of buiten werktijd. Voor een andere uitleg van artikel V van de arbeidsovereenkomst dan dat het [gedaagde] zonder toestemming – die hij niet had – ook tijdens de werktijd bij ACF niet was toegestaan voor zichzelf of een ander – in dit geval CFS – werkzaam te zijn, bestaan geen aanknopingspunten. In het bijzonder niet tegen de achtergrond dat de kern van een arbeidsovereenkomst is dat de werknemer tijdens werktijd werkzaam is voor de werkgever, zoals ook door ACF is gesteld. [gedaagde] heeft niet gesteld, laat staan onderbouwd dat hij een andere invulling van het nevenwerkzaamhedenbeding mocht verwachten of waarom hij erop mocht vertrouwen dat werken voor CFS tijdens zijn dienstverband bij ACF was toegestaan. Dat ACF zich wellicht nog op andere gronden kan beroepen of had kunnen beroepen als een concurrentie- en\u002Fof relatiebeding zou zijn overeengekomen, doet daaraan niets af. Voor zover [gedaagde] dat met zijn verweer heeft bedoeld, blijkt uit artikel 7:653a BW overigens niet dat een beding dat werken voor een ander tijdens werktijd verbiedt, nietig is. Dat volgt evenmin uit de Europese Richtlijn transparante arbeidsvoorwaarden.\n\n4.14.. \n [gedaagde] heeft in dit verband ook nog gesteld dat een beroep op het nevenwerkzaamhedenbeding en het vorderen van boetes naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat het dienstverband is geëindigd en het belang van ACF niet meer hoeft te worden beschermd. Dit verweer slaagt ook niet. De kantonrechter begrijpt het zo dat [gedaagde] een beroep doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 2 BW. Op grond van dat wetsartikel is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Bij het toepassen van deze regel dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd wat maakt dat een beroep op het beding leidt tot een onaanvaardbare situatie. Zoals hiervoor al is overwogen, strekt het nevenwerkzaamhedenbeding en het daaraan verbonden boetebeding ter bescherming van het bedrijfsdebiet en is het bedoeld om te voorkomen dat [gedaagde] tijdens zijn werktijd bij ACF (concurrerende) werkzaamheden verricht voor een ander. Het beding ziet weliswaar niet op overtredingen na 1 februari 2024, maar ACFs belang is niet verdwenen zodra het dienstverband is geëindigd. Dat de gestelde overtredingen pas na de beëindiging van het dienstverband aan het licht zijn gekomen, maakt dat niet anders. Zeker niet omdat [gedaagde] daarover niets tegen ACF heeft verteld. Het kan niet zo zijn dat [gedaagde] in feite wordt beloond voor het heimelijk werken voor CFS in de werktijd van ACF, althans voor het verhullen daarvan totdat het dienstverband is geëindigd.\n\nHet nevenwerkzaamhedenbeding is 18 keer geschonden\n\n4.15.. ACF stelt dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding ten minste 24 keer heeft overtreden. ACF heeft toegelicht dat zij daarbij heeft gekeken naar het aantal klanten dat [gedaagde] heeft benaderd (en niet naar het aantal communicatie-uitingen); dus maximaal één overtreding per benaderde klant. Voor ieder keer dat in strijd met het beding is gehandeld, vordert ACF een boete van € 5.000,-. Hieraan ten grondslag legt ACF e-mails van en naar [gedaagde] in de periode van 7 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 die zijn overgelegd als de producties 6 tot en met 34 bij de dagvaarding. ACF stelt zich hierbij op het standpunt dat alle e-mails die vanaf [gedaagde] ’ e-mailaccount bij CFS zijn verstuurd, werkzaamheden zijn die [gedaagde] voor CFS heeft verricht, omdat [gedaagde] iedere keer voor CFS bezig is geweest met salesactiviteiten en niet voor ACF. Al die werkzaamheden zijn volgens ACF gericht geweest op het (toekomstige) dienstverband met CFS.\n\n4.16.. \n [gedaagde] betwist dat hij het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden. Enerzijds stelt [gedaagde] dat een deel van de gestuurde e-mails (ten hoogste) voorbereidingshandelingen zijn geweest ten behoeve van zijn dienstverband bij CFS. Volgens [gedaagde] waren de e-mails alleen informatief bedoeld en wilde hij klanten en relaties informeren over zijn vertrek bij ACF. Interne communicatie over de bedrijfsvoering van CFS valt volgens hem ook onder dergelijke voorbereidingshandelingen. Anderzijds stelt [gedaagde] dat hij vóór 1 februari 2024 nooit daadwerkelijk een offerte voor CFS heeft uitgebracht. Telkens wanneer [gedaagde] een e-mail kreeg toegestuurd, leverde dat naar eigen zeggen niet zozeer werk op voor hem. Volgens [gedaagde] had dat een passief karakter, waardoor geen sprake is van ‘werkzaam zijn voor’ CFS. Ook het doorsturen van bedrijfsinformatie van ACF is volgens [gedaagde] geen arbeidsprestatie.\n\n4.17.. De kantonrechter zal eerst ingaan op het verweer van [gedaagde] in algemene zin en daarna per gestelde overtreding toelichten waarom er wel of geen sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.18.. \n\nDe kantonrechter is van oordeel dat het versturen van een louter informatieve en neutraal geformuleerde e-mail over het aanstaande vertrek van een werknemer op zichzelf niet voldoende is om schending van het overeengekomen nevenactiviteitenbeding aan te nemen. Echter, de zogenaamde standaard e-mail die [gedaagde] aan meerdere klanten van ACF heeft gestuurd, is niet louter informatief van aard. [gedaagde] schrijft daarin namelijk het volgende:\n\n“Goedenavond […],\n\nHierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf.\n\nZoals al gemeld start ik met [A] per 1 februari een nieuwe onderneming op\n\nin [plaats] voor het compleet maken van betonvloeren.\n\nOok voor schuur, polijst en renovatie werken bent u aan het juiste adres.\n\n [A] behoort tot de top 3 bedrijven van België, met ruim 800.000 m2 vloeren per\n\njaar.\n\nIk zal zowel de calculatie, planning en uitvoering begeleiden (zolang dit mogelijk is) zo\n\nhebt u maar een aanspreekpunt.\n\nKwaliteit staat bij mij voorop, en zal er alles aan doen om onze klanten tevreden te\n\nhouden.\n\nHoop dat we de samenwerking kunnen voortzetten, en zie graag de aanvragen\n\ntegemoet.”\n\nHet werk van [gedaagde] als Sales Manager bij ACF hield onder meer in opdrachten binnen te halen en klanten te binden. Dit zijn werkzaamheden die [gedaagde] ook nu voor CFS verricht. De tekst en de strekking van deze e-mails hebben een duidelijk wervend en aanprijzend karakter, zo blijkt ook ondubbelzinnig uit de laatste zin. Duidelijk komt naar voren dat [gedaagde] de klanten van ACF in dienst van CFS wilde blijven bedienen. Dit sluit ook aan op de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat hij hoopte de samenwerking voort te zetten. De desbetreffende standaard e-mails en andere e-mails met een vergelijkbare strekking zijn dan ook niet slechts aan te merken als een voorbereidende handeling.\n\n4.19.. Het verweer dat [gedaagde] naar eigen zeggen nooit daadwerkelijk een offerte heeft uitgebracht voor CFS in de periode tot 1 februari 2024 maakt – voor zover dat al zo is – niet dat hij niet werkzaam is geweest voor CFS. Zijn werkzaamheden bestonden en bestaan uit meer dan het opstellen van offertes. Het gaat erom in hoeverre de door hem verrichte handelingen zien op het dienstverband bij CFS, het bewerkstelligen van sales voor CFS en gericht zijn op acquisitie en klantenbinding voor CFS.\n\n4.20.. Het alleen passief ontvangen van e-mails zonder dat daar enige opvolging aan is gegeven, is naar oordeel van de kantonrechter geen vorm van werkzaam zijn voor CFS.\n\n4.21.. De kantonrechter zal nu de gestelde overtredingen afzonderlijk bespreken en zal daarbij de volgorde aanhouden zoals genoemd in de dagvaarding en de opvolgende processtukken van partijen. ACF heeft gesteld dat zij per benaderde klant één overtreding rekent en één keer de boete vordert. Op die manier heeft ACF de gevorderde boete naar eigen zeggen al gematigd. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling bij die manier van tellen aansluiten.\n\n4.21.1.. Overtreding 1: de e-mail d.d. 7 januari 2024 van [gedaagde] aan [C] (productie 7 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt van ACF is dat [gedaagde] [C] benadert om over te stappen naar CFS. Volgens [gedaagde] is slechts sprake van het aankondigen van zijn overstap naar CFS, dat hoogstens als voorbereidende handeling kan worden beschouwd. Naar oordeel van de kantonrechter is sprake van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Het betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. De intentie van [gedaagde] blijkt bovendien duidelijk uit zijn reactie op de aangekondigde overstap van [C] van ACF naar CFS aan [A] en [B] :\n\n“Goedenavond heren, Dit is een goed begin”.\n\n4.21.2.. Overtreding 2: de e-mail d.d. 10 januari 2024 van [gedaagde] aan [B] met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding). [gedaagde] schrijft daarin het volgende:\n\n“Hoi [B] ,\n\nKun je de calculatie bladen aanpassen, met logo en adresgegevens. Calculatie enkel,\n\ndubbel en 3 voud.\n\nTevens ons crm toegevoegd, maar weet niet of je hier wat meekunt?\n\nAnders moeten we diegene die het gemaakt heeft uitnodigen, hij heeft dat zelf gemaakt.”\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] vertrouwelijke bedrijfsinformatie, waaronder calculatiebladen en het CRM bestand (het klantenbestand) van ACF aan CFS doorstuurt. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet gespecificeerd om welke bedrijfsinformatie het gaat en is het versturen van bedrijfsinformatie aan een nieuwe werkgever geen vorm van het verrichten van arbeid voor anderen. De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat onder de meegestuurde bijlagen zich calculatiebladen en het CRM bestand bevonden. Verder heeft [gedaagde] verklaard dat hij deze bijlagen heeft doorgestuurd op verzoek van [B] . Daaruit blijkt dus dat [gedaagde] dat heeft gedaan in opdracht van en ten behoeve van CFS. Daarmee kwalificeert de handelswijze van [gedaagde] als het verrichten van arbeid voor CFS.\n\n4.21.3.. Overtreding 3: de e-mails d.d. 12 januari 2024 van [B] aan [gedaagde] over diverse prospects en de reactie van [gedaagde] aan [B] (productie 10 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] intern met [B] correspondeert over de toegezonden prospects en de inhoud van de website van CFS. ACF stelt dat [gedaagde] zich onder werktijd volop en uitsluitend richt op het werven en bedienen van klanten ten behoeve van CFS. [gedaagde] betwist dat. Hij stelt dat nergens uit blijkt dat hij opvolging aan de prospects heeft gegeven en dat interne communicatie over de inhoud van de website slechts als voorbereidende handeling kan worden gezien. De kantonrechter gaat niet met dat verweer mee en is van oordeel dat sprake is van een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. Ter zitting heeft ACF erop gewezen dat [gedaagde] op de e-mails van [B] reageert dat het beter zou verkopen als er aanpassingen aan de website van CFS worden gedaan. Daaruit volgt dus dat [gedaagde] op dat moment wel actief bezig is voor CFS en dat zijn handeling is gericht op sales van CFS.\n\n4.21.4.. Overtreding 4: de e-mail d.d. 12 januari 2024 van [gedaagde] aan [D] (productie 11 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] onder werktijd e-mailt vanuit zijn CFS-mailadres. Volgens ACF betreft het een offerte die [gedaagde] in november 2023 heeft gemaakt voor ACF en dus aan ACF overdragen had dienen te worden. [gedaagde] betwist dat sprake is van een overtreding. In de e-mail staat dat [gedaagde] een scherpe aanbieding wil maken en dat hij vanaf 1 februari actief is. Hieruit volgt volgens [gedaagde] dat hij in januari 2024 niet voor CFS voor deze klant heeft gewerkt. Hij verzocht [D] immers te wachten tot 1 februari. Aan ACF kan worden toegegeven dat [gedaagde] op het moment van het verzenden van deze e-mail niet aan het werk was voor ACF, maar dat betekent niet dat hij op dat moment ook werkzaamheden heeft verricht voor CFS voor deze klant, althans niet vóór 1 februari 2024. Niet gesteld of gebleken is dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad waarbij in januari 2024 nog werkzaamheden door [gedaagde] zijn verricht. Van werkzaam zijn voor CFS is daarom geen sprake, zodat geen sprake is van overtreding van het beding. Verwezen wordt verder naar rechtsoverweging 4.20.\n\n4.21.5.. Overtreding 5: de e-mails d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Breda Bouw en van [gedaagde] aan [A] en [B] (productie 12 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is [gedaagde] Breda Bouw e-mailt dat hij een offerte voor CFS kan uitbrengen en daarover met [A] en [B] correspondeert. [gedaagde] brengt daar tegen in dat niet blijkt dat daadwerkelijk een offerte is uitgebracht. Verder stelt [gedaagde] dat de correspondentie tussen hem en [A] en [B] betrekking heeft op een andere overtreding (overtreding 8). De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van overtreding van artikel V van de arbeidsovereenkomst omdat de desbetreffende actie van [gedaagde] tot doel heeft om sales voor CFS te verwezenlijken. Verwezen wordt naar rechtsoverweging4.19.. \n\n [gedaagde] schrijft immers aan Breda Bouw:\n\n“Goedemorgen [E] ,\n\nHierbij onze gegevens.\n\nStuur maar door, ik zorg voor een passende aanbieding.”\n\nVervolgens reageert Breda Bouw:\n\n“Hoi [gedaagde] ,\n\nHierbij de tekening en off die je destijds via ac hebt uitgebracht. Let even goed op de\n\nverdiepte stroken tbv de goten die aangebracht moeten worden.”\n\nDuidelijk komt hieruit naar voren dat [gedaagde] op dat moment bezig is met een opdracht en sales voor CFS. Ten aanzien van de interne correspondentie kan in het midden blijven of sprake is van een overtreding omdat ACF daarvoor geen afzonderlijk overtreding heeft gerekend en ook geen boete heeft gevorderd.\n\n4.21.6.. \n\nOvertreding 6: de e-mails d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan [F] verbonden aan [C] en het doorsturen van opdrachtgegevens aan zichzelf (productie 14 en 15 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] een verzoek ontvangt om een offerte uit te brengen voor CFS, voor een klant waarvoor hij eerder voor ACF een offerte heeft uitgebracht. [gedaagde] heeft de destijds opgemaakte offerte van ACF aan zichzelf gestuurd. [gedaagde] betwist dat sprake is van een schending omdat ACF niet heeft aangetoond dat het daadwerkelijk om een offerte gaat. De gevorderde boete is niet toewijsbaar voor deze (gestelde) overtreding. Ter zitting is vast komen te staan dat [F] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1.\n\n4.21.7.. Overtreding 7: de e-mail d.d. 18 januari 2024 van [gedaagde] aan Rimebo (productie 16 bij de dagvaarding).\n\nHet betreft het standaard e-mailbericht met een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.21.8.. Overtreding 8: de e-mail d.d. 16 januari 2024 van [gedaagde] (afkomstig van zijn privé-e-mailaccount) aan [G] en [C] (productie 27 bij de dagvaarding):\n\nTer zitting is komen vast te staan dat [G] werkzaam is voor [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [G] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverweging 4.21 en 4.21.1.\n\n4.21.9.. Overtreding 9 tot en met 17, 19, 20 en 21: de e-mails van [gedaagde] aan diverse klanten van ACF d.d. 23 en 25 januari 2024 (productie 18 tot en met 26, 29, 30 en 31 van de dagvaarding).\n\nDit betreft het standaard e-mailbericht met al dan niet een kleine toevoeging c.q. aanpassing. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Deze e-mails leveren schending op van artikel V van de arbeidsovereenkomst, in totaal 11 overtredingen. Overtreding 21 wordt hieronder afzonderlijk besproken.\n\n4.21.10.. Overtreding 18: de e-mail d.d. 25 januari 2025 van [gedaagde] aan [F] (productie 28 bij de dagvaarding).\n\nZoals hiervoor is overwogen is [F] verbonden aan [C] . Voor het benaderen van [C] is al een overtreding opgenomen, zodat voor het benaderen van [F] niet nog aanvullend een boete kan worden gevorderd, zie rechtsoverwegingen 4.21, 4.21.1 en 4.21.6.\n\n4.21.11.. Overtreding 21: de e-mail d.d. 25 januari 2024 van [gedaagde] aan [H] (productie 28 bij de dagvaarding).\n\nHet betreft het standaard e-mailbericht met de volgende toevoeging:\n\n“Goedemorgen [H] ,\n\nZoals met [I] besproken heb ik de opdracht (Roermond) bij AC eruit\n\ngehaald,\n\nWe zullen deze rechtstreeks voor u maken.\n\nHierbij onze gegevens van het nieuwe bedrijf. […]”\n\nAnders dan [gedaagde] meent, blijkt hieruit duidelijk dat [gedaagde] al bezig was met het verwezenlijken van sales voor CFS ten koste van ACF. [gedaagde] schrijft immers dat hij de opdracht bij ACF ‘eruit’ zal halen en de opdracht door CFS zal worden uitgevoerd. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.21.12.. Overtreding 22: de e-mail d.d. 24 januari 2024 van [J] aan [gedaagde] (productie 32 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS. [gedaagde] heeft dat betwist en stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft ACF niet nader onderbouwd dat [gedaagde] op 23 januari 2024 een opdracht heeft aangenomen voor CFS, zodat niet is komen vast te staan dat deze e-mail daadwerkelijk opvolging heeft gehad. Althans blijkt onvoldoende dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan. Alleen het ontvangen van een e-mail is onvoldoende voor overtreding van het beding. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.20.\n\n4.21.13.. Overtreding 23: de e-mails d.d. 30 januari 2024 van [K] aan [gedaagde] (productie 33 bij de dagvaarding).\n\nHet verwijt is dat [gedaagde] onderling contact heeft gehad met [K] en zich onrechtmatig heeft uitgelaten over ACF. [gedaagde] stelt dat het uitsluitend ontvangen van een e-mail zonder verdere arbeidsprestatie geen schending van het nevenwerkzaamhedenbeding oplevert. Aan ACF kan worden toegegeven dat de e-mails impliceren dat onderling contact heeft plaatsgevonden, maar zonder verdere onderbouwing kan niet worden vastgesteld dat dit contact op initiatief van [gedaagde] is geweest en wat er is besproken. Onvoldoende blijkt dat daar een actieve handeling van [gedaagde] aan vooraf is gegaan, zodat geen sprake is van overtreding van het beding.\n\n4.21.14.. Overtreding 24: de e-mail d.d. 23 januari 2024 van [gedaagde] aan Spranco Metaalbouw en de aanvraag voor een offerte (productie 34 bij de dagvaarding).\n\nHet betreft het standaard e-mailbericht, waarbij ook blijkt dat dit een offerte oplevert voor CFS. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 4.18. Sprake is van overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding.\n\n4.22.. De conclusie is dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding 18 keer heeft overtreden, zodat ACF aanspraak maakt op 18 keer de boete van € 5.000,-, in totaal € 90.000,-.\n\nGeen matiging van de boete\n\n4.23.. \n [gedaagde] doet een beroep op matiging van gevorderde boete tot nihil. Aan dat beroep legt hij ten grondslag dat niet over de tekst van de arbeidsovereenkomst, specifiek het boetebeding, is onderhandeld, dat het beding aan hem is opgedrongen, dat het beding louter strekt tot bescherming van ACF en dat hij nooit is gesommeerd tot nakoming van het nevenwerkzaamhedenbeding. ACF heeft eerder CFS aangesproken, maar vond het kennelijk niet nodig om [gedaagde] aan te spreken. Dit levert volgens [gedaagde] rechtsverwerking of afstand van recht op. Verder stelt [gedaagde] dat hij volledige transparantie heeft betracht, dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade omdat de klanten niet van ACF, maar van zustervennootschap AC Floors B.V. waren – ACF lijdt geen schade – en dat sprake is van een eenheidsboete. ACF betwist dat gronden voor matiging aanwezig zijn. ACF stelt dat zij de boete al zelf heeft gematigd door slechts één keer de boete per klant te vorderen in plaats van op basis van het aantal acties dat [gedaagde] heeft ondernomen. De vordering zou dan vele malen hoger zijn uitgevallen, aldus ACF.\n\n4.24.. De kantonrechter stelt voorop dat matiging van een contractuele boete op grond van artikel 6:94 BW mogelijk is als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit betekent dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt (zie Hoge Raad, 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638). De rechter moet dus terughoudend omgaan met de bevoegdheid om de boete te matigen. Bij de boordeling moet de rechter onder meer letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.\n\n4.25.. De kantonrechter is van oordeel dat de gevorderde boete gezien de omstandigheden van het geval niet leidt tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat. Bij dit oordeel betrekt de kantonrechter het volgende. ACF heeft gemotiveerd betwist dat partijen niet over de inhoud van de arbeidsovereenkomst hebben onderhandeld. ACF heeft in dit verband onweersproken gesteld dat [gedaagde] tijdens zijn sollicitatie bij ACF niet akkoord ging met het opnemen van een concurrentie- en relatiebeding en dat het nevenwerkzaamhedenbeding daarom bewust is opgenomen. Het beding is [gedaagde] dus niet als ‘dictaat’ opgedrongen, zoals hij stelt. De omstandigheden waarin ACF het beding heeft ingeroepen, geven geen aanleiding voor matiging. ACF heeft het beding ingeroepen omdat zij er achter is gekomen dat [gedaagde] het beding structureel heeft geschonden. Dat ACF [gedaagde] nooit tot nakoming heeft gesommeerd, doet daaraan niets af. De aard van het beding en de overtredingen brengt mee dat het voor [gedaagde] duidelijk moet zijn geweest dat werken voor de concurrent onder werktijd van ACF niet geoorloofd is. Dat ACF het beding pas enige tijd na het einde van het dienstverband heeft ingeroepen, komt voort uit de omstandigheid dat [gedaagde] juist niet transparant is geweest over zijn handelen. [gedaagde] heeft daarover toen zijn handelen uitkwam ook niet consistent verklaard. Van rechtsverwerking of afstand van recht is geen sprake. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ACF haar aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor [gedaagde] ’ positie onredelijk is verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. Daarvoor heeft [gedaagde] onvoldoende gesteld. Dat sprake is van een wanverhouding tussen de boete en de schade kan de kantonrechter niet vaststellen. Zoals hieronder zal blijken, is het mogelijk dat ACF schade heeft geleden als gevolg van schending van het geheimhoudingsbeding en onrechtmatige concurrentie. Hoeveel die schade bedraagt, kan de kantonrechter niet vaststellen. Tegen de achtergrond dat de boete al door ACF zelf is gematigd, ziet de kantonrechter geen aanleiding voor verdere matiging.. Tot slot maakt de aard van de schendingen van het beding ondanks dat sprake is van een eenheidsboete niet dat het verbeuren van boetes van € 5.000,- onaanvaardbaar is. De aard van de handelingen die schending hebben opgeleverd – werken voor een concurrent in de werktijd van de werkgever – is namelijk de meest ernstige schending van het beding. Het beroep op matiging van de boete wordt daarom afgewezen.\n\nConclusie: [gedaagde] heeft het nevenwerkzaamhedenbeding overtreden en is 18 keer de boete verschuldigd\n\n4.26.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft overtreden en dat hij 18 keer de boete is verschuldigd. De gevorderde verklaringen voor recht op dit punt zullen worden toegewezen, met dien verstande dat [gedaagde] € 90.000,- aan boetes heeft verbeurd. [gedaagde] zal worden veroordeeld dit bedrag aan ACF te betalen. De wettelijke rente over de boetes zal worden toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, gelet op de toelichting van ACF ter zitting over het moment van opeisbaarheid.\n\n [gedaagde] heeft ook het geheimhoudingsbeding overtreden\n\n4.27.. ACF heeft daarnaast een verklaring voor recht gevorderd dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst heeft overtreden. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde] het geheimhoudingsbeding in ieder geval overtreden door het versturen van de e-mail d.d. 10 januari 2024 met 79 bijlagen (productie 9 bij de dagvaarding) aan [B] . Welke gegevens [gedaagde] precies heeft doorgestuurd, kan op dit punt in het midden blijven. Vast is komen te staan dat [gedaagde] in ieder geval enkele calculatiebladen en het CRM bestand van ACF aan CFS heeft gestuurd, zo blijkt uit de toelichting van [gedaagde] ’ gemachtigde en ook uit zijn eigen verklaring ter zitting dat hij de informatie op verzoek van [B] heeft gestuurd en dat hij het CRM bestand niet kon openen en niets aan de calculatiebladen zou hebben gehad. Zowel de calculatiebladen als het CRM bestand bevat informatie van ACF en diens zakelijke relaties zoals bedoeld in het geheimhoudingsbeding (zie 2.2). Vast staat dat ACF geen toestemming heeft gegeven aan [gedaagde] om deze informatie met derden (CFS) te delen. De verklaring voor recht op dit punt zal daarom worden gegeven.\n\n [gedaagde] heeft ACF onrechtmatige concurrentie aangedaan; [gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld en is tegenover ACF aansprakelijk\n\n4.28.. ACF stelt dat [gedaagde] in de periode na 1 februari 2024 haar onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. In dit verband vordert ACF een verklaring voor recht en een schadevergoeding van € 933.703,-. Hieraan legt ACF ten grondslag dat [gedaagde] stelselmatig en substantieel het duurzame bedrijfsdebiet van ACF heeft afgebroken met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Dit onderbouwt ACF met de stelling dat [gedaagde] op grote schaal vertrouwelijke bedrijfsinformatie, zoals bedrijfs- en klantgegevens, heeft doorgespeeld aan CFS met als doel deze klanten te benaderen. Ook zijn gegevens over prijsafspraken van ACF met leveranciers gebruikt om CFS een voordeel te geven bij onderhandelingen met diezelfde leveranciers. [gedaagde] heeft hiertoe tijdens zijn dienstverband al op grote schaal en planmatig voorbereidende handelingen getroffen door het CRM bestand en offertes naar zichzelf te e-mailen en direct daarna relaties van ACF te benaderen. [gedaagde] heeft tijdens zijn dienstverband met CFS offertes uitgebracht voor producten en diensten die ACF ook levert en heeft die na zijn vertrek direct opgevolgd en daarbij bewust lagere prijzen geoffreerd waarvan hij als salesmedewerker bij ACF weet had en kennis had van technische en klantgebonden vertrouwelijke informatie. Dit heeft volgens ACF geen ander doel gehad dan klanten bij haar weg te kapen naar CFS.\n\n4.29.. \n [gedaagde] betwist dat hij ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan. Hij stelt dat hij geen enkel belang in of bij CFS heeft en dat niet hij, maar CFS concurrentie aangaat met ACF. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van het stelstelmatig en substantieel afbreken van het duurzame bedrijfsdebiet van ACF met gebruikmaking van kennis en gegevens die vertrouwelijk bij ACF zijn verkregen. Volgens [gedaagde] heeft ACF niet onderbouwd dat hiervan sprake is. [gedaagde] betwist verder dat hij informatie van ACF heeft gebruikt voor offertes van CFS. CFS en de bedrijven van [A] beschikken over eigen calculatiemethoden, prijskennis en klantrelaties. ACF heeft volgens [gedaagde] geen duurzaam bedrijfsdebiet. De genoemde klanten zijn geen klanten van ACF, maar van zusteronderneming AC Floors B.V, en betreft dan ook het bedrijfsdebiet van AC Floors B.V. Daarnaast is sprake van extreem veel concurrentie in de markt. [gedaagde] stelt dat het in de betonvloerenbranche gebruikelijk is dat opdrachtgevers geen structurele, langdurige relatie hebben met één specifieke aanbieder, maar per project kiezen voor de partij die op dat moment het beste aanbod kan doen.\n\n4.30.. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] ACF onrechtmatige concurrentie heeft aangedaan, daarmee onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ACF en daarom tegenover ACF aansprakelijk is. De kantonrechter legt dat als volgt uit.\n\n4.31.. Vaststaat dat [gedaagde] niet was gebonden aan een concurrentie- of relatiebeding. Dit betekent dat het [gedaagde] in beginsel vrij stond om zich na afloop van de arbeidsovereenkomst in vrije concurrentie met ACF te begeven, ook wanneer ACF daarvan nadeel zou ondervinden. In het arrest Boogaard\u002FVesta heeft de Hoge Raad uitgangspunten geformuleerd om te kunnen beoordelen of in een specifiek geval sprake is van onrechtmatige concurrentie (zie Hoge Raad, 9 december 1955, NJ 1956\u002F1957):\n\nVan onrechtmatige concurrentie is sprake bij:\n\nhet stelselmatig en substantieel afbreken van\n\nhet duurzame bedrijfsdebiet van de voormalige werkgever, dat de voormalige werknemer in het kader van de (arbeids)overeenkomst heeft meehelpen opbouwen\n\nmet de hulpmiddelen die hij daartoe vertrouwelijk van zijn voormalige werkgever ter beschikking kreeg.\n\nAnders dan [gedaagde] kennelijk heeft gemeend, gaat het hierbij niet om limitatieve voorwaarden. Ook niet is vereist dat de werknemer zelf of zijn vennootschap direct concurreert met de voormalig werkgever. Als uitgangspunt geldt dat het profiteren van het bedrijfsdebiet van een concurrent niet zonder meer onrechtmatig is, en dat daarvoor bijkomende omstandigheden zijn vereist. Veelal worden deze omstandigheden nader ingevuld aan de hand van de Boogaard\u002FVesta-criteria. In de rechtspraak en rechtsliteratuur is aanvaard dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat, ook wanneer de gedragingen niet voldoen aan de Boogaard\u002FVesta-criteria, zij toch onrechtmatig zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als sprake is van het beconcurreren van de voormalige werkgever tijdens het dienstverband. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de recente conclusies van De Bock en Lindenbergh.In die conclusies wordt tot uitgangspunt genomen dat uit het arrest Boogaard\u002FVesta slechts kan worden afgeleid dat ook zonder concurrentiebeding sprake kan zijn van onrechtmatige handelingen jegens een voormalig werkgever wegens strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 lid 2 BW, en dat daarvoor niet is vereist dat de desbetreffende handelingen ook onrechtmatig zijn als wordt geabstraheerd van de vroegere arbeidsovereenkomst. Wanneer de hier bedoelde strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid zich voordoet valt volgens De Bock en Lindenbergh niet af te leiden uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Een en ander hangt af van alle omstandigheden van het geval.\n\n4.32.. De kantonrechter is van oordeel dat er in deze zaak bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld. Dit wordt als volgt toegelicht.\n\n4.33.. Het gaat om een grove schending van het geheimhoudingsbeding met post-contractuele werking. [gedaagde] heeft bewust voor het drijven van concurrentie relevante en vertrouwelijke bedrijfsinformatie van ACF aan CFS toezonden, bestaande uit het volledige klantenbestand (CRM bestand) en calculatiebladen. Dit is het bedrijfsdebiet van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat hij het CRM bestand niet kon openen, wordt gepasseerd. [gedaagde] heeft over het versturen van de desbetreffende e-mail aanvankelijk niet (volledig) naar waarheid verklaard. Zijn verklaringen op dit punt zijn ook niet consistent. Ter zitting is pas gebleken dat hij het CRM bestand en de calculatiebladen op uitdrukkelijk verzoek van [B] heeft doorgestuurd. Daarin ligt besloten dat de gegevens waardevol voor CFS zijn geweest, althans relevant werden geacht. In de correspondentie tussen ACF en [B] zijn de bedrijfsgegevens van ACF ook als “zeer bedrijfsgevoelige en privacygevoelige informatie” omschreven. Ook heeft [gedaagde] verklaard dat hij dit een raar verzoek vond en dat hij [B] vanaf begin af aan niet vertrouwde. [gedaagde] verklaarde: “Het voelde niet goed, maar ik heb het wel gedaan”Desgevraagd heeft [gedaagde] geen verklaring willen geven waarom hij de informatie dan toch heeft doorgestuurd. ACF heeft gesteld dat de calculatiebladen de unieke werkwijze van ACF weergeven en dat de bladen worden gebruikt om opdrachten te berekenen en offertes te maken. Het verweer van [gedaagde] dat de bladen niet uniek zijn, heeft ACF gemotiveerd weerlegd met de toelichting ter zitting dat de bladen zijn ontworpen door de heer [L] (hierna: [L] ) die destijds samen met mevrouw [M] (hierna [M] ) heeft samengewerkt bij een betonbedrijf, dat [M] daarna ACF is gestart en [L] andere ondernemingen is gestart en dat de calculatiebladen alleen door ACF en de ondernemingen van [L] worden gebruikt. Het verweer dat [gedaagde] bij CFS gebruik maakt van de calculatiebladen van [A] , maakt niet dat de calculatiebladen van ACF niet waardevol zijn. [gedaagde] weet hoe deze calculatiebladen door ACF worden gebruikt. Dit geeft kennis en inzage in hoe een offerte van ACF er in een specifiek geval uit zou zien en daarmee kennis die voor CFS relevant is. Dat geeft een voorsprong bij het concurreren.\n\n4.34.. Verder blijkt uit de overgelegde e-mails dat [gedaagde] voor CFS veelvuldig klanten van ACF heeft benaderd en offertes heeft uitgebracht. In het bijzonder verwijst de kantonrechter naar productie 37 bij de dagvaarding waaruit blijkt dat [gedaagde] op 1 februari 2024 een offerte stuurt aan Breda Bouw nadat hij eerder een tekening en offerte voor ACF heeft uitgebracht. Daarnaast wordt verwezen naar de andere klanten waarbij [gedaagde] tot 1 februari 2024 heeft gewacht, zoals [D] (productie 11 bij de dagvaarding) en Spranco Metaalbouw (productie 34 bij de dagvaarding) en de klanten waarvan [gedaagde] offertes van ACF naar zichzelf heeft gemaild zoals [N] (productie 41 bij de dagvaarding) en VDR Bouwgroep (productie 42 bij de dagvaarding). Uit de vele e-mails blijkt weliswaar dat er meer klanten zijn benaderd, maar kan niet worden vastgesteld wat voor gevolgen dat heeft gehad, in die zin dat een directe opdracht aan ACF naar CFS is gegaan, terwijl ACF de opdracht anders zou hebben uitgevoerd. Wel blijkt uit het tussentijdse rapport van [O] (productie 75 van ACF) dat na 1 februari 2024 een substantiële daling in de omzet heeft plaatsgevonden. ACF heeft ter zitting toegelicht dat de onderzochte klanten terugkerende klanten, ofwel rechtstreeks ofwel via een derde. [gedaagde] heeft dat niet bestreden. Verder heeft ACF onbestreden aangevoerd dat de klanten waarvan [gedaagde] een verklaring heeft overlegdvoorheen klanten waren van ACF en nu niet meer. Uit die verklaringen blijkt dat die klanten nu klant zijn van CFS.\n\n4.35.. De slotsom is dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld door met gebruikmaking van het CRM bestand, de calculatiebladen en informatie over prijsafspraken met leveranciers vaste klanten van ACF over te halen om klant te worden van CFS, waarbij meeweegt dat [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding tijdens zijn dienstverband bij ACF heeft verstrekt aan CFS om daar vanaf de start van zijn dienstverband bij CFS gebruik van te kunnen maken en ACF op een oneerlijke en onrechtmatige manier te beconcurreren Dit onrechtmatige gedrag kan als zodanig ook aan [gedaagde] worden toegerekend. De gevraagde verklaring voor recht zal daarom als zodanig worden toegewezen.\n\nGeen samenloop van boete en schade\n\n4.36.. \n [gedaagde] heeft aangevoerd dat ACF voor dezelfde onderliggende feiten niet zowel nakoming van het boetebeding verbonden aan het nevenwerkzaamhedenbeding kan vorderen als schadevergoeding op grond van schending van het geheimhoudingsbeding en het aandoen van onrechtmatige concurrentie. ACF meen dat dit wel kan.4.37.. In artikel 7:651 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever ter zake van eenzelfde feit niet een boete mag heffen en tevens schadevergoeding vorderen. ACF heeft de gevorderde boetes gebaseerd op overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding van artikel V van de arbeidsovereenkomst gedurende het dienstverband, terwijl de gevorderde schadevergoeding is gebaseerd op de schending van het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst in combinatie met onrechtmatig handelen in de periode ná het einde van het dienstverband. In dat geval is geen sprake dat voor hetzelfde feit zowel een boete als schadevergoeding wordt gevorderd (zie ook Gerechtshof Den Haag, 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2531). Het verweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.\n\nVerwijzing naar de schadestaatprocedure\n\n4.38.. Primair heeft ACF vergoeding van de volledige geleden schade gevorderd, die zij op € 933.703,- stelt. ACF heeft de hoogte van de schade onderbouwd met het tussentijdse rapport van [O] . Volgens ACF is de kans op het bestaan van een causaal verband zeer groot en is daarom volledige toerekening op zijn plaats. Subsidiair heeft ACF een beroep gedaan op kansschade en proportionele aansprakelijkheid. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat ACF schade heeft geleden en dat sprake is van een causaal verband. Ook de inhoud van het rapport heeft zij bestreden. Het rapport kan niet dienen ter onderbouwing van de schade van ACF omdat daarin de schade van AC Floors B.V. is begroot.\n\n4.39.. De kantonrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat ACF schade heeft geleden als gevolg van de schending van het geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst door [gedaagde] en door zijn onrechtmatig handelen tegenover ACF. Begroting van de schade is echter op dit moment niet mogelijk. Dit wordt als volgt uitgelegd.\n\n4.40.. \n\nHet tussentijdse rapport van [O] vormt een onvoldoende onderbouwing van de gestelde schade van € 933.703,-. Het in het rapport genoemde schadebedrag heeft betrekking op door AC Floors B.V. geleden schade, zijnde € 257.437,- door het overdragen van concrete opdrachten van en offerte-aanvragen bij AC Floors B.V. door [gedaagde] aan CFS en € 659.608,- vanwege het wegblijven van klanten in 2024 bij AC Floors B.V. door\n\ntoedoen van [gedaagde] . Van de in het rapport genoemde schadebedragen is onduidelijk of deze betrekking hebben op schade geleden door ACF of alleen door AC Floors B.V. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF voor het eerst in deze procedure toegelicht hoe ACF en AC Floors B.V. zich tot elkaar verhouden. ACF heeft in dit verband gesteld dat AC Floors B.V. vanaf 1 januari 2021 tot en met 1 januari 2024 als zogeheten Servicevennootschap functioneerde en dat dit inhoudt dat de vennootschap enkel factureert binnen een groep en geen andere zelfstandige activiteit exploiteert. Tussen ACF en AC Floors B.V. bestaat volgens ACF een overeenkomst van lastgeving en voor zover er dus al enig relevant onderscheid is, treedt AC Floors B.V. als lasthebber op in naam van ACF als lastgever. De omzet en marge komt aan ACF toe, aldus ACF. [gedaagde] heeft deze toelichting bij gebrek aan wetenschap betwist. ACF heeft haar stellingen niet nader met stukken onderbouwd, zoals door het in het geding brengen van een schriftelijke overeenkomst tot lastgeving. Onduidelijk blijft wanneer door ACF en wanneer door AC Floors B.V. werd gefactureerd en hoe zij zich tot elkaar verhouden. Het rapport geeft daar namelijk geen informatie over. Voor het begroten van de schade is noodzakelijk dat inzichtelijk wordt gemaakt welke schade door ACF is geleden omdat het haar bedrijfsdebiet is dat [gedaagde] heeft aangetast. Dat blijkt echter niet uit het rapport van [O] . Wel is aannemelijk dat ACF schade heeft gelegen als gevolg van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] omdat aannemelijk is dat ACF (terugkerende) klanten is verloren. Dat blijkt ook uit de verklaring van [gedaagde] ter zitting dat de door hem benaderde klanten voorheen klanten van ACF waren, die hij tijdens zijn dienstverband met ACF voor ACF bediende.\n\n4.41.. \n [gedaagde] betwist het bestaan van een causaal verband tussen zijn onrechtmatig handelen en de schade omdat uit de door hem overgelegde verklaringen blijkt dat die klanten zijn overgestapt om andere redenen, zoals incidenten bij ACF en\u002Fof AC Floors B.V., lange wachttijden op offertes, de goede ervaringen met [gedaagde] als persoon en de prijsstelling. Ook stelt [gedaagde] dat het een vrije markt is met veel concurrentie en veel bewegende – ‘shoppende’ – klanten. De kantonrechter ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten die op dit moment de conclusie rechtvaardigen dat er geen causaal verband bestaat. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft ACF onweersproken aangevoerd dat zij onderzoek heeft laten doen naar de klanten die sinds 2021 terugkerende klanten waren. De verklaringen die [gedaagde] heeft ingebracht zijn gekleurd omdat het juist de klanten zijn die vanaf februari 2024 – na daartoe te zijn benaderd door [gedaagde] – naar CFS zijn overgestapt. Daarvoor waren zij terugkerende klanten van ACF, zo heeft [gedaagde] zelf verklaard.\n\n4.42.. Op dit moment bestaan er nog te veel onduidelijkheden om de omvang van de schade te kunnen begroten. Artikel 612 Rv bepaalt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is, spreekt hij een veroordeling uit tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Voldoende voor de verwijzing naar de schadestaatprocedure is dat de eiser de mogelijkheid van schade aannemelijk maakt. (Zie Hoge Raad, 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246) Aan deze voorwaarden is voldaan. In de schadestaatprocedure zal de omvang van de schade indachtig het causaliteitsverweer – andere oorzaken waarom klanten zijn overgestapt – het verlies van een kans en de grootheid van een kans verder moeten worden uitgezocht. De kantonrechter zal daarom verwijzen naar de schadestaatprocedure, zoals overigens ook uiterst subsidiair door ACF is gevorderd. De kantonrechter geeft partijen in overweging mee dat het naast het starten van een schadestaatprocedure ook mogelijk is om gezamenlijk een deskundige in te schakelen die de omvang van de schade met in achtneming van de hiervoor genoemde aandachtspunten onderzoekt.\n\nDe overige vorderingen van ACF\n\n4.43.. Onder III van het petitum heeft ACF – samengevat – gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het onthouden van het gebruik maken van overeenkomsten, andere administratieve bescheiden, calculatiebladen en offertes van ACF. Het verweer van [gedaagde] dat de vordering te onbepaald is en daarvoor geen grondslag aanwezig is, wordt verworpen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft ACF nader gespecifieerd dat met haar vordering bedoeld wordt de calculatiebladen en het CRM bestand dat [gedaagde] aan CFS heeft verstrekt. Zoals hiervoor is geoordeeld, heeft [gedaagde] deze gegevens in strijd met het geheimhoudingsbeding van artikel VI van de arbeidsovereenkomst met CFS gedeeld. Daarmee is de grondslag voor de vordering gegeven. De vordering zal worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld. Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar. Weliswaar heeft [gedaagde] toegezegd dat hij de informatie niet zal gebruiken, maar vaststaat dat [gedaagde] al eerder gebruik heeft gemaakt van aan zichzelf c.q. CFS toegestuurde gegevens, zodat een dwangsom een noodzakelijke prikkel vormt om dat in toekomst niet weer te doen.\n\n4.44.. Ten aanzien van de vordering onder IV van het petitum die strekt tot verwijdering van alle gegevens van ACF heeft [gedaagde] ook aangevoerd dat deze vordering te onbepaald is. Ter zitting heeft ACF ook deze vordering nader gespecificeerd dat het gaat om verwijdering van de calculatiebladen en het CRM bestand van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS. [gedaagde] heeft toegezegd dat hij hiervoor zal zorgen, althans dat hij een certificaat kan aanleveren waaruit blijkt dat de bestanden niet meer op zijn laptop en op de server van CFS aanwezig zijn. ACF heeft kenbaar gemaakt dat dit voldoende is. De vordering zal met in achtneming van het voorgaande worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat [gedaagde] heeft toegezegd hieraan te zullen meewerken, onduidelijk is bleven hoeveel tijd nodig is om dergelijk certificaat te kunnen verstrekken en omdat al een dwangsom is verbonden aan de toewijsbare vordering onder III.\n\n4.45.. ACF heeft daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd bestreden met de stelling dat ACF geen enkele inhoudelijk brief of aanmaning aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens [gedaagde] heeft ACF geen incassohandelingen tegenover hem verricht. ACF is niet ingegaan op dit verweer. Voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is nodig dat incassohandelingen worden verricht tegenover de schuldenaar. Gesteld noch gebleken is dat ACF buiten het laten leggen van conservatoir beslag – hiervoor bestaat een eigen regeling, zie onder ‘De proceskosten’ – incassomaatregelen tegenover [gedaagde] heeft genomen. Dat ACF met CFS heeft gecorrespondeerd, is niet voldoende. Het had op de weg van ACF gelegen om haar vordering op dit punt toe te lichten, maar dat heeft zij niet gedaan. De gevorderde vergoeding is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.46.. Tot slot heeft ACF op de voet van artikel 6:96 lid 2 onder b BW een vergoeding gevorderd van de onderzoekskosten verbonden aan het rapport van [O] . [gedaagde] heeft die vordering gemotiveerd betwist met de stelling dat de onderliggende facturen gericht zijn aan AC Floors B.V. en het niet gaat om onderzoekskosten die ACF heeft gemaakt voor schade die ACF heeft geleden. Dit verweer slaagt. De gevorderde vergoeding is niet toewijsbaar omdat het niet gaat om de kosten voor vaststelling van de schade in deze zaak tussen ACF en [gedaagde] , maar ziet op de schade van AC Floors B.V., die geen partij is in deze procedure. Zoals hiervoor is overwogen, is de onderlinge verhouding tussen ACF en AC Floors B.V. onduidelijk gebleven.\n\nDe proceskosten\n\n4.47.. In conventie is [gedaagde] grotendeels in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ACF worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n112,99\n\n- griffierecht\n\n€\n\n721,00\n\n- beslagkosten\n\n€\n\n2.729,72\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.732,00\n\n(2 punten × € 866,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n5.439,71\n\nDe beslagkosten worden begroot op de explootkosten van de door [gedaagde] in het geding gebrachte exploten, zijnde in totaal € 827,72, € 688,00 aan griffierecht en € 1.214,- aan salaris advocaat. In totaal wordt € 2.729,72 toegekend.\n\n4.48.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] :\n\nDe beslagen worden niet opgeheven\n\n4.49.. De tegeneis van [gedaagde] strekt tot opheffing van de gelegde conservatoire beslagen onder ABN AMRO bank en op een pand. In de onderbouwing van de tegenvordering gaat [gedaagde] er kennelijk van uit dat de vordering van ACF (volledig) zal worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is dat niet het geval en is de vordering deels toewijsbaar. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het beslag op te heffen. [gedaagde] heeft ook niet onderbouwd – behoudens de algemene stelling dat hij niet vrijelijk over zijn eigendom kan beschikken – waarom zijn belang bij opheffing boven het belang van ACF prevaleert. Daarbij geldt dat het conservatoire beslag op grond van artikel 704 lid 1 Rv door dit vonnis wordt omgezet in een executoriaal beslag. Daar komt nog bij dat niet is gesteld of gebleken dat er sprake is van andere verhaalsmogelijkheden. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat het belang van ACF bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] . De tegenvordering wordt daarom afgewezen.\n\nDe proceskosten\n\n4.50.. In reconventie is [gedaagde] in het ongelijk gesteld. [gedaagde] moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van ACF worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n288,00\n\n(1 punt × € 288,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n288,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie: de vorderingen van ACF:\n\n5.1.. verklaart voor recht dat [gedaagde] het nevenactiviteitenbeding (artikel V van de arbeidsovereenkomst) en het geheimhoudingsbeding (artikel VI arbeidsovereenkomst) heeft overtreden;\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [gedaagde] € 90.000,- aan contractuele boetes heeft verbeurd en veroordeelt [gedaagde] tot betaling van dat bedrag aan ACF, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 30 september 2024 tot de dag van betaling;\n\n5.3.. verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover ACF heeft gehandeld en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de door ACF geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;5.4.. veroordeelt [gedaagde] zich te ontbonden van het direct en\u002Fof indirect gebruik maken en\u002Fof laten maken van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF, onder verbeurte van een dwangsom € 1.000,- per overtreding met een maximum van € 20.000,-;\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] tot het verwijderen van de calculatiebladen en het CRM bestand van ACF van de laptop van [gedaagde] en van de server van CFS onder afgifte van een certificaat waaruit blijkt dat de calculatiebladen en het CRM bestand niet (meer) op de laptop van [gedaagde] en de server van CFS terug te vinden zijn;\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 5.439,71, te vermeerderen met de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend;\n\n5.7.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.8.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.9.. wijst het meer of anders gevorderde af;\n\nin reconventie: de tegenvordering van [gedaagde] :\n\n5.10.. wijst de vordering van [gedaagde] af;\n\n5.11.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 288,00;\n\n5.12.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.13.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A. Wijsman - Van Veen en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.\n\n zie in dit verband ook Gerechtshof Amsterdam, 6 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:555 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl)\n\n De Bock, ECLI:NL:PHR:2024:1396 bij de Hoge Raad, 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:264; Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2025:696 bij Hoge Raad, 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1320.\n\n Productie 17 tot en met 21 en productie 24 bij de conclusie van antwoord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2866","ecli-nl-rbobr-2026-2866",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1035","ECLI:NL:RBOBR:2026:2478","2026-04-16T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer: 11786470 \\ CV EXPL 25-5018\n\nVonnis van 16 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. I.T.F. van den Heuvel,\n\ntegen\n\nSTICHTING ST. ANNA ZORGGROEP,\n\nte Geldrop,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Anna,\n\ngemachtigde: mr. F.J. van Wijk.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 23 juni 2025 met tien producties - de conclusie van antwoord met twee producties - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald\n\n- de nadere door [eiser] overgelegde productie 11\n\n- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt\n\n- de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] , waarin tevens de eis is gewijzigd.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Anna betreft een brede zorggroep die een ziekenhuis exploiteert in Geldrop en Eindhoven, vier woonzorgcentra in Geldrop en Heeze en een medisch sportgezondheidscentrum in Eindhoven.\n\n2.2.. \n [eiser] is vanaf 6 september 2010 tot 1 maart 2025 in dienst geweest bij Anna in de functie van Medewerker beddencentrale B. Op 18 juli 2022 heeft zij zich ziek moeten melden en vanaf 4 juli 2024 heeft [eiser] recht op een WIA-uitkering.\n\n2.3.. Anna en [eiser] hebben op 14 februari 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten inzake de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In artikel 10 van de vaststellingsovereenkomst is (onder meer) het volgende opgenomen:\n\n“Artikel 10”\n\n[…]\n\n“Van de finale kwijting is uitgezonderd een eventuele loonvordering van Werknemer terzake de tijd die werkneemster voor en na afloop van een dienst aanwezig was bij Werkgever en die naar haar mening beschouwd zou moeten worden als werktijd en aan haar zou moeten worden uitbetaald.”\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat – na wijziging van eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Anna te veroordelen:\n\nI. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.047,34 bruto aan te weinig betaald salaris, € 670,34 aan te weinig betaalde vakantietoeslag en € 670,34 bruto aan te weinig betaalde eindejaarsuitkering, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%;\n\nII. tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 942,43 bruto aan te weinig betaalde transitievergoeding;\n\nIII. tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 291,62 bruto aan te weinig betaalde PLB-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%;\n\nIV. tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van € 799,36 bruto aan te weinig betaalde vakantie uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%,\n\nV. om binnen vijf dagen na betaling van het bovenstaande over te gaan tot toezending van een deugdelijke bruto-netto specificatie, op verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat Anna in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00\n\nDaarnaast vordert [eiser] wettelijke rente en een veroordeling van Anna in de proceskosten.\n\n3.2.. Anna voert verweer.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hieronder wordt nader toegelicht waarom.\n\n4.2.. \n [eiser] stelt dat zij gedurende de periode dat zij bij Anna werkzaam was, altijd vijftien minuten voor aanvang van de werktijd en vijftien minuten na afloop van de werktijd aanwezig moest zijn. [eiser] moest op de begintijd van haar dienst met haar schoonmaakkar die volledig klaar was (gepakt en gevuld met zuiver water etc.) op de afdeling aanwezig zijn. De werkzaamheden bestonden volgens [eiser] uit het hangen van een vuilniszak aan de schoonmaakkar en het vullen van de drie bakken in de kar met blauwe en roze doekjes en dweilen. Deze doekjes en dweilen moesten vochtig worden gemaakt. Na het vullen van de schoonmaakkar ging [eiser] met de kar naar de afdeling. Zij mocht pas op het einde van de werktijd naar beneden met haar kar en daar moest de kar dan nog leeg en schoongemaakt worden. De was moest in de wasmachine worden gedaan, of als deze vol was in drie bakken worden gesorteerd en de vuilniszak moest als zij op de poli stond worden weggegooid. [eiser] was in de ochtend vijftien minuten met deze werkzaamheden bezig en na afloop ook vijftien minuten\n\n4.3.. Ter onderbouwing heeft [eiser] verschillende WhatsApp-berichten overgelegd van (oud) medewerkers van Anna. [eiser] is van mening dat zij recht heeft op betaling van de extra gewerkte tijd van dertig minuten per dag en vordert daarom te weinig betaald salaris en emolumenten over de jaren 2019 (vanaf 16 december) tot en met 2024. [eiser] verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1161.\n\n4.4.. Anna voert aan dat er in de situatie van het arrest schriftelijke planningsregels waren waarin met betrekking tot de werktijden exact was bepaald dat de werknemer zich altijd tien minuten voor aanvang van de dienst diende te melden bij de supervisor, zodat de werknemer tien minuten later klaar zou zitten achter zijn bureau om zijn eerste call te maken. Dit werd gezien als een instructie van de werkgever. Wat de werknemer vervolgens in deze tien minuten deed, deed niet meer ter zake. Door de meldplicht was de werknemer beperkt in de mogelijkheden zijn tijd aan eigen zaken te besteden. Dat maakte dat het hof van oordeel was dat de tien minuten als arbeidstijd waren aan te merken.\n\n4.5.. Anna betwist dat er in de periode vanaf december 2019 tot eind 2024 een verplichting bestond voor [eiser] om vijftien minuten voor aanvang en vijftien minuten na afloop van de dienst aanwezig te zijn. Het is en was bij Anna gebruikelijk dat een Medewerker Beddencentrale\u002FMedewerker Schoonmaak bij aanvang van de dienst met de schoonmaakkar klaar stond op de afdeling waar de werkzaamheden verrichten dienen te worden, de werkplek, maar er was geen schriftelijke of mondelinge afspraak. Deze situatie is volgens Anna vergelijkbaar met bijvoorbeeld een administratieve werknemer die op de aanvangstijd achter zijn of haar bureau moet zitten om met de werkzaamheden te kunnen beginnen. De tijd om van de ingang van het gebouw waarin wordt gewerkt, tot de werkplek te kopen, hoeft daarbij volgens Anna niet meegerekend te worden bij de arbeidstij. Dat is tijd die nodig is om bij de werkplek te komen.\n\n4.6.. De kantonrechter is van oordeel dat voorbereidende werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als (betaalde) arbeidstijd. Daarbij geldt wel dat er sprake moet zijn van een daadwerkelijk voorschrift van de werkgever en daadwerkelijke werkzaamheden. Het is aan de werknemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat daarvan sprake is. In de uitspraak van de Hoge Raad waar [eiser] naar verwijst, was er sprake van een schriftelijk voorschrift in een reglement om tien minuten voor aanvang aanwezig te zijn. Volgens de kantonrechter is niet komen vast te staan dat er in het onderhavige geval sprake is van een voorschrift (in bijvoorbeeld een reglement) om vijftien minuten voor aanvang van de dienst aanwezig te zijn om de schoonmaakkar klaar te maken en na afloop nog vijftien minuten te blijven om de spullen op te ruimen. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] op het moment van dat haar dienst begon op de afdeling klaar moest staan met de schoonmaakkar en de benodigde spullen. De stelplicht en bewijslast van de extra arbeidstijd en van het bestaan van een voorschrift liggen bij [eiser] en daar heeft zij niet aan voldaan. De teamleider van Anna, [A] , heeft in de door Anna overgelegde verklaring, verklaart dat er van medewerkers wordt verwacht dat zij op tijd starten op hun afdeling. De voorbereiding die daarvoor nodig is varieert van een minuut tot vijf minuten. Het gaat enkel om het voorbereiden van de schoonmaakwagen, wat bestaat uit het bijvullen van de microvezeldoeken. Alle overige werkmaterialen staan in de werkkasten op de afdelingen en vulden werknemers aan tijdens hun dienst. Daarnaast geeft [A] aan dat [eiser] regelmatig al een half uur voor het einde van haar dienst begon met het opruimen van haar spullen of haar werkzaamheden reeds had beëindigd. Uit de verklaring van [A] blijkt volgens de kantonrechter enkel dat de werknemers op tijd met de werkzaamheden moesten starten en niet, zoals [eiser] stelt, dat er een verplichting bestond om vijftien minuten voor aanvang aanwezig zijn. Hetzelfde geldt voor de tijd die benodigd was voor de werkzaamheden na afloop van de dienst. De door [eiser] overgelegde verklaringen zijn hiertoe – gelet op de betwisting van Anna – ook onvoldoende. Voor zover er in de verklaringen al door oud-werknemers wordt verklaard dat er een regel was om vijftien minuten voor aanvang en na afloop aanwezig te zijn, blijkt niet (i) over welke periode dat ging en (ii) dat deze verplichting daadwerkelijk in een voorschrift is vastgelegd. Daarnaast heeft [eiser] – gelet op de gemotiveerde betwisting van Anna dat er hooguit een tot vijf minuten voor de voorbereidende werkzaamheden nodig was – onvoldoende gemotiveerd dat de werkzaamheden daadwerkelijk iedere werkdag twee keer vijftien minuten duurden. Alle vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de extra gewerkte tijd van in totaal dertig minuten per dag en worden - gelet op het voorgaande – afgewezen.\n\n4.7.. De kantonrechter komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de nog door Anna gevoerde verweren dat (i) [eiser] niet aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW heeft voldaan en (ii) dat de vordering voor de transitievergoeding gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 4 BW te laat is ingediend.\n\n [eiser] moet de proceskosten van Anna betalen\n\n4.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Anna worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.008,00\n\n4.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. Iding en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2478","ecli-nl-rbobr-2026-2478",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":43,"fullText":44,"language":7,"source":17,"sourceUrl":45,"summary":14,"slug":46,"metadata":47},"1780","ECLI:NL:RBOBR:2026:2011","2026-04-02T00:00:00.000Z","RECHTBANKOOST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Eindhoven\n\nZaaknummer: 11410150 \\ CV EXPL 24-8279\n\nVonnis van 2 april 2026\n\nin de zaak van\n\nGEMEENTE EINDHOVEN,\n\nte Eindhoven,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: “de gemeente”,\n\ngemachtigde: mr. J.W.M. Hagelaars,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: “ [gedaagde] ”,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. Waar gaat deze zaak over?\n\n1.1.. De gemeente Eindhoven (hierna: de gemeente) is eigenaar van het Afwaterings-kanaal in Eindhoven, dat een uitloper is van het Beatrixkanaal. Aan weerszijden van het Afwateringskanaal ligt industrieterrein \"De Hurk\". Op het industrieterrein voorziet het (onherroepelijke) omgevingsplan in de mogelijkheid van de vestiging van zware industrie, dat wil zeggen bedrijven die vallen in categorie 5.2. Direct langs het Afwateringskanaal zijn bedrijven toegestaan in categorie 4.2., waarvoor een richtafstand geldt van normaliter 300 meter tot gevoelige bestemmingen zoals woningen en woonboten.\n\n1.2.. \n\nIn het Afwateringskanaal liggen 10 woonboten op ligplaatsen die van de gemeente\n\nwerden gehuurd. De gemeente wil De Hurk behouden als industrieterrein. Het is het enige\n\nindustrieterrein in Eindhoven waar zware industrie is toegestaan. Om te voorkomen dat\n\nbedrijven op het industrieterrein met beperkingen te maken zouden krijgen en om een\n\ngoed woon- en leefklimaat voor haar inwoners te borgen, heeft de gemeenteraad van\n\nEindhoven een bestemmingsplan vastgesteld op grond waarvan de woonboten planologisch gezien niet meer zijn toegestaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep van de woonbootbewoners tegen dit bestemmingsplan ongegrond verklaard.\n\n1.3.. \n\nIn de loop van de jaren zijn veel gesprekken gevoerd, maar de gemeente en de woonbootbewoners kwamen niet dichter bij elkaar. De woonbootbewoners willen hun ligplaatsen behouden, maar de gemeente wilde de ligplaatsen beëindigen.\n\nDaarnaast is ook gesproken over een financiële vergoeding bij het beëindigen van de huurovereenkomsten. De gemeente was - en is - bereid om de woonbootbewoners financieel tegemoet te komen, maar niet zo ver als de bewoners willen. Omdat partijen hierover geen overeenstemming konden bereiken, heeft de gemeenteraad kaders vastgesteld op grond waarvan de woonbootbewoners een vergoeding kunnen krijgen. Deze kaders van de gemeenteraad zijn tussen partijen bekend komen te staan als het 'Scenario 3+'.\n\n1.4.. De gemeente heeft op 14 december 2023 de huurovereenkomsten met de woonbootbewoners opgezegd per 1 juli 2024. Daarbij heeft de gemeente de ontruiming aangezegd per 1 juli 2028. Vanaf 1 januari 2024 mogen de woonbootbewoners hun ligplaats ‘om niet’ (gratis) blijven gebruiken en hebben zij voldoende tijd om alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken. In de opzeggingsbrief heeft de gemeente de woonbootbewoners Scenario 3+ als vergoeding aangeboden.\n\n1.5.. \n\n [gedaagde] is een van de huurders van een ligplaats met wie de gemeente geen\n\novereenstemming heeft bereikt. [gedaagde] en de andere woonbootbewoners zijn het niet eens met het feit dat de gemeente hun huur wil beëindigen.\n\n1.6.. Om duidelijkheid te verkrijgen over de rechtmatigheid van haar huuropzegging en om tijdige ontruiming van de ligplaatsen zeker te stellen, start de gemeente deze procedure.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties (genummerd 1 t\u002Fm 8), - de conclusie van antwoord met producties (genummerd A t\u002Fm J), - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het aanvullend verweer van [gedaagde] , ingekomen op 12 november 2025 met producties (genummerd 1 t\u002Fm 4),\n\n- de akte overlegging nadere productie (genummerd 9) aan de zijde van de gemeente,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026, gezamenlijk met alle andere procedures van de gemeente tegen de overige woonbootbewoners.\n\nAlle partijen, waaronder ook [gedaagde] , hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nDe gemachtigde van de gemeente en de gemachtigden van de overige woonbootbewoners, hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.\n\n2.3.. Aan het einde van de mondeling behandeling is gezegd dat op 26 maart 2026 een vonnis zal komen. Deze datum is wegens werk gerelateerde omstandigheden niet gehaald. Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1.. \n\nDe gemeente heeft op 1 maart 1992 een huurovereenkomst gesloten met [gedaagde] , op\n\ngrond waarvan [gedaagde] een ligplaats voor een woonboot huurt met het adres [adres]\n\n te [plaats] . De aanvangshuurprijs was fl. 50.- per maand.\n\nDe huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met een opzegtermijn van zes\n\nmaanden. In de overeenkomst is bepaald dat, indien de gemeente besluit tot beëindiging\n\nvan de huurovereenkomst, de huurder geen recht heeft op schadevergoeding of het ter\n\nbeschikking stellen van een andere ligplaats.\n\n3.2.. \n\nAanvankelijk waren de woonboten planologisch niet geregeld. Het bestemmingsplan \"De Hurk\" uit 1988 kende aan het perceel de bestemming \"Overwegend industrie\" toe. Vanaf 2012 is de gemeente doende geweest om een bestemmingsplan op te stellen op grond waarvan de woonboten zouden moeten verdwijnen. In januari 2013 is een voorontwerpbestemmingsplan gepubliceerd dat daarin voorziet. Wonen op De Hurk vond de gemeenteraad om twee redenen onwenselijk. In de eerste plaats is er geen sprake van een goed en veilig woonmilieu en in de tweede plaats heeft het toestaan van wonen consequenties voor de bedrijfsvoering van bestaande en nieuwe bedrijven op De Hurk.\n\nUiteindelijk heeft de gemeenteraad op 19 december 2017 een bestemmingsplan\n\nvastgesteld dat (net als het voorafgaande plan De Hurk 1988) niet voorzag in een positieve\n\nbestemming van de woonboten. Daarbij ging de gemeenteraad ervan uit dat de\n\nwoonboten niet legaal aanwezig waren, aangezien ze in het voorafgaande bestemmingsplan ook niet positief waren bestemd.\n\n3.3.. Op 1 januari 2018 is de Wet verduidelijking voorschriften woonboten (Wvvw) in werking getreden. Onderdeel van die wet was het toevoegen van artikel 8.2a aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarin woonboten per 1 januari 2018 gelijkgesteld worden met een bouwwerk, waarvoor in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning was verleend.\n\n3.4.. \n\nBij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 februari 2020 is het beroep tegen voornoemd bestemmingsplan van een aantal van de woonbootbewoners gegrond verklaard. De Afdeling oordeelde dat de gemeenteraad rekening had moeten houden met de inwerkingtreding van de Wvvw per\n\n1 januari 2018.\n\nDe gemeenteraad moest gelet hierop een nieuwe afweging maken, waarin betrokken werd dat de woonboten legaal aanwezig waren.\n\nDe nieuwe afweging leidde voor de woonbootbewoners niet tot een beter resultaat. Bij\n\nbesluit van de gemeenteraad is op 22 juni 2021 het bestemmingsplan \"II Bedrijventerrein\n\nDe Hurk-Croy (reparatie)\" vastgesteld. In dit bestemmingsplan is ter plaatse van de\n\nwoonboten de bestemming \"water\" aan gronden toegekend. Daarbij hoort de volgende\n\nbestemmingsomschrijving:\n\n“6.1 Bestemmingsomschrijving\n\nDe voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:\n\na. oppervlaktewateren, zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en\n\nandere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen;\n\n(...)\n\n6.3. \n\nSpecifieke gebruiksregels\n\nTot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in lid 6.1 wordt in ieder geval gerekend:\n\na. het aanleggen van woonschepen”.\n\nOp grond van dit bestemmingsplan zijn woonboten ter plaatse dus niet meer toegestaan.\n\n3.5.. Een aantal woonbootbewoners is wederom een procedure gestart bij de Afdeling. Bij uitspraak van 31 mei 2023 heeft de Afdeling het beroep van de bewoners ongegrond verklaard. De Afdeling overwoog onder meer:\n\n“3.3. (...) De raad heeft, samengevat weergegeven, onderzocht op welke wijze de gronden\n\ndie door de woonboten worden gebruikt zouden kunnen worden bestemd en de raad heeft daarbij gekeken naar de vraag of ter plaatse van de woonboten een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Gelet op het \"Onderzoek woon- en leefklimaat Woonschepen Afwateringskanaal Eindhoven\" van adviesbureau [A] van 16 december 2020, dat in opdracht van de raad is uitgevoerd, kan ter plaatse van de woonboten geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. In dat onderzoek is niet alleen de feitelijke situatie van het woon- en leefklimaat voor de woonbootbewoners in beeld gebracht. Ook is onderzocht wat de gevolgen voor het woon- en leefklimaat zijn van de planologische mogelijkheden voor bedrijven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad terecht niet volstaan met uitsluitend een beoordeling van de feitelijke situatie, maar is ook beoordeeld wat de gevolgen voor het\n\nwoon- en leefklimaat van de woonbootbewoners zijn bij benutting van de planologische\n\nmogelijkheden voor bedrijven.\n\n3.4.. \n\nMede gelet op het onder 3.3. genoemde onderzoek heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling de ligplaatsen voor de woonboten onder het algemeen overgangsrecht mogen brengen. De raad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het behoud van De Hurk als middelzwaar bedrijventerrein en met het oog daarop het behoud van de planologische ruimte die het plan voor bedrijven biedt, niet samen kunnen gaan met het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woonboten. Het standpunt van [appellant sub 2] en anderen dat in de feitelijke situatie wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, is, wat daar van zij, niet van doorslaggevend belang, omdat de raad bij de afweging of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is uitgegaan van de planologische mogelijkheden van het onherroepelijke bestemmingplan en dat gelet op de door de raad gegeven motivering ook mocht doen. De raad heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat het positief bestemmen van de ligplaatsen ertoe zou leiden dat het karakter van een deel van het bedrijventerrein verschuift van middelzware tot zware bedrijvigheid naar lichte(re) bedrijvigheid. Dit zou raken aan de rechten die de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven ontlenen aan de in het bestemmingsplan \"Bedrijventerrein De Hurk-Croy 2017\" opgenomen bestemming ‘Bedrijventerrein -1’.\n\nDe Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan\n\nonvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de woonbootbewoners.\n\nDaartoe overweegt de Afdeling dat de raad in het Commissie advies van 30 maart 2021,\n\ndat deel uitmaakt van de bijlagen van de plantoelichting, heeft aangegeven de beëindiging van de woonsituatie te willen combineren met een (ruimhartige) uitkoopregeling voor de woonbootbewoners. Bij het besluit tot vaststelling van het reparatieplan heeft de raad in een separaat besluit neergelegd dat er een uitkoopregeling moet komen, in samenspraak met de bewoners. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is de raad dus niet voorbijgegaan aan de financiële belangen van de woonbootbewoners, want naast dat is besloten om de ligplaatsen onder het algemeen overgangsrecht te brengen is er ook besloten om te komen tot een uitkoopregeling met de woonbootbewoners. Dat de verdere inhoud en uitvoering van de uitkoopregeling nog niet tot overeenstemming heeft geleid valt weliswaar te betreuren, maar raakt niet de rechtmatigheid van het vastgestelde reparatieplan.\n\n3.5.. \n\nNaar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het\n\ngebruik van de ligplaatsen op termijn zal worden beëindigd.”\n\n3.6.. De eerste contacten tussen de gemeente en de woonbootbewoners over het beëindigen van de ligplaatsen stammen uit 2012, toen het eerste voorontwerp van een bestemmingsplan op grond waarvan de ligplaatsen zouden moeten verdwijnen ter inspraak werd gepubliceerd. De bewoners dienden zienswijzen in omdat zij het niet eens waren met het verdwijnen van de ligplaatsen en omdat zij compensatie wilden voor de waarde-vermindering van hun woonboten. De waarde van een woonboot hangt namelijk af van de vraag of er ook een ligplaats is waar de boot mag liggen. Een woonboot zonder ligplaats heeft weinig waarde. Omdat partijen hierover geen overeenstemming konden bereiken, heeft de gemeenteraad kaders vastgesteld op grond waarvan de woonbootbewoners een vergoeding kunnen krijgen. Deze kaders van de gemeenteraad zijn tussen partijen bekend komen te staan als het 'Scenario 3+'.\n\n3.7.. Scenario 3+ houdt het volgende in:\n\n- De gemeente is bereid de woonboten van de bewoners te kopen tegen de vrije\n\nverkoopwaarde van de woonboot, waarbij de fictie wordt gehanteerd dat elders\n\neen ligplaats beschikbaar is. Deze fictie is nodig omdat een boot zonder ligplaats\n\nveelal geen waarde heeft. De gemeente betaalt minimaal € 20.000,- per boot;\n\nAls alternatief is de gemeente bereid om de verplaatsingskosten van een woonboot binnen een straal van 100 kilometer om Eindhoven te betalen, waarbij de vergoeding niet hoger kan zijn dan de waarde van de boot;\n\nDe gemeente neemt de kosten voor haar rekening van het in de oorspronkelijke\n\nstaat terugbrengen van de kade;\n\nDe gemeente is bereid om de bewoners voortgezet gebruik van de ligplaatsen aan te bieden tot 1 juli 2028, om de bewoners voldoende tijd te geven alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken;\n\nDe gemeente biedt desgewenst op individuele basis hulp bij het zoeken van alternatieve woonruimte.\n\nDe woonbootbewoners zijn niet akkoord gegaan met dit voorstel. De gemeente heeft nog geprobeerd door de inzet van een onafhankelijke intermediair tot een oplossing te komen, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid.\n\n [gedaagde] heeft niet meegewerkt aan een taxatie van de woonboot door de gemeente.\n\n3.8.. \n\nNadat gesprekken over het Scenario 3+ niet tot een regeling hebben geleid, heeft de\n\ngemeente op 14 december 2023 de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd per 1 juli 2024. Daarbij heeft de gemeente de ontruiming aangezegd per 1 juli 2028.\n\nVanaf 1 januari 2024 mag [gedaagde] de ligplaats ‘om niet’ (gratis) blijven gebruiken, zodat hij voldoende tijd heeft om alternatieve woonruimte of een alternatieve ligplaats te zoeken. In de opzeggingsbrief heeft de gemeente haar aanbod conform Scenario 3+ gestand gedaan.\n\n3.9.. Op 2 oktober 2023 heeft [gedaagde] de gemeente geïnformeerd dat hij niet zal instemmen met de voorgestelde uitkoopregeling. Vervolgens heeft gedaagde op 14 januari 2024 bestuursrechtelijk bezwaar gemaakt tegen de huuropzegging. De gemeente heeft het bezwaar bij brief van 22 januari 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat tegen de huuropzegging geen bezwaar open staat. [gedaagde] heeft hiertegen beroep ingesteld, maar dit beroep is bij uitspraak van de sector bestuursrecht van rechtbank Oost-Brabant van 27 september 2024 ongegrond verklaard.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n\nDe gemeente vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\nA. voor recht verklaart dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde] is geëindigd per 1 juli 2024;\n\nB. [gedaagde] veroordeelt de ligplaats aan het adres [adres] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen met al het zijne en de zijnen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaats niet is ontruimd, met een maximum van € 50.000,-, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom;\n\nSubsidiair\n\nC. het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst eindigt;\n\neen en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\n [gedaagde] voert verweer en verzoekt tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente.\n\nHij voert - samengevat - als verweer aan dat hij al sinds 1972 een ligplaats huurt en op zijn woonboot woont aan de [adres] . Sinds 1992 heeft hij een huurcontract met de gemeente. [gedaagde] heeft zelf de kade ingericht en onderhouden en is alle verplichtingen volgend uit de huurovereenkomst tot op heden nagekomen.\n\nIn de 53 jaar dat hij er woont is er geen voorbeeld bekend waar een bedrijf in zijn (maximale) mogelijkheden is belemmerd of gehinderd. Het woon-en leefklimaat is voor de woonbootbewoners geen probleem, wel zou er een verbetering kunnen komen door technische creaties om het woonmilieu te verbeteren wat is algemene zin niet best is in Eindhoven. Er is geen enkele poging ondernomen om problemen die er min of meer zijn op te lossen met hulpmiddelen\n\nMet de aangetekende brief van 14 december 2023, waarin de huur van de ligplaats door de gemeente is opgezegd, maakt de gemeente misbruik van haar machtspositie, aldus [gedaagde] .\n\nVoor de gemeente is er geen spoedeisend belang of zwaarwegend belang, want de gemeente wil alleen de kade terugbrengen in de oorspronkelijke toestand, grasveld.\n\nVoor [gedaagde] daarentegen is zijn belang, woonruimte in een overspannen woonmarkt met een zoektijd van 8 jaar, groot. Hij heeft broze gezondheid, heeft hart- en longproblemen en kanker waar begin februari 2025 bestralingen voor werden uitgevoerd. Daarbij komt dat de oude woonboot (monument) van [gedaagde] zonder ligplaats weinig waard is. Hierdoor zullen zijn woonkosten en medische kosten niet meer betaalbaar zijn, wanneer hij gedwongen wordt om na 53 jaar elders een leefplaats te vinden en te betrekken.\n\nEr is ook geen sprake van behoorlijk bestuur. Er zou een mogelijke ligplaats elders gevonden zijn, waarop vervolgens niets meer van de gemeente is vernomen. Verder is het Scenario 3+ compensatievoorstel zonder overleg door de gemeenteraad vastgesteld, terwijl dit in samenspraak gemaakt zou worden.\n\n [gedaagde] voert verder aan dat de Wet huurbescherming ligplaats van toepassing is. Daarmee is ook de ligplaats van zijn woonboot woonruimte geworden en is volgens hem huur-bescherming van kracht op de combinatie woonboot (object ) en de ligplaats. Deze wet is bij aanname gebaseerd op onderzoek naar de waarde van een ligplaats, ongeveer € 200.000,--. [gedaagde] verwijst daarbij naar het rapport van bureau [B] , genaamd “Vaste grond onder de voeten” van 10 april 2022, wat een analyse geeft van de rechtspositie van de ligplaatsen van de woonboten in De Hurk.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. \n\n [gedaagde] heeft aan het begin van de mondelinge behandeling aan de kantonrechter de vraag voorgelegd of dit wel een civiele zaak is. Hij is namelijk van mening dat dit niet het geval is.\n\nDe kantonrechter stelt daarom voorop dat zij bevoegd is om van deze vordering kennis te nemen. De bevoegdheid van de burgerlijke rechter is geregeld in artikel 112 Grondwet.\n\nKort gezegd is de civiele rechter bevoegd in \"geschillen die [...] uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan\".\n\nEr bestaat in dit geval ook geen aanleiding om de gemeente niet-ontvankelijk in haar vordering te verklaren. Het oordeel van de bestuursrechter kan wel invloed hebben op het inhoudelijke oordeel van de burgerlijke rechter.\n\nHuurbeëindiging rechtsgeldig?\n\n5.2.. De vraag die allereerst voorligt is of de gemeente in de gegeven omstandigheden tot huurbeëindiging van de ligplaats van [gedaagde] kon komen.\n\n5.3.. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] sinds 1 maart 1992 een ligplaats van de gemeente huurt op basis van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd, met een opzegtermijn van zes maanden. In de huurovereenkomst is bepaald dat wanneer de gemeente besluit tot beëindiging van de huurovereenkomst, [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding of het ter beschikking stellen van een andere ligplaats.\n\nWettelijk toetsingskader5.4.. \n\n [gedaagde] kan geen beroep doen op de wetsbepalingen die huurders van woonruimte of huurders van bedrijfsruimte beschermen, omdat die wetsbepalingen niet van toepassing zijn op huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 juli 2022 waarbij een ligplaats voor een woonboot wordt gehuurd.\n\nOf de huuropzegging wel of niet aangetekend is verstuurd, doet daarom niet ter zake, want de (dwingendrechtelijke) bepaling van artikel 7:281 lid 4 BW is niet van toepassing op de huurovereenkomst van partijen.\n\nVast staat dat de gemeente op 14 december 2023 de huurovereenkomst met [gedaagde] schriftelijk heeft opgezegd per 1 juli 2024 en dat deze opzegging [gedaagde] ook heeft bereikt.\n\n5.5.. \n\nVorenstaande heeft tot gevolg dat de kantonrechter op grond van de wetniet hoeft te toetsen of er sprake is van een zwaarwegend belang, want [gedaagde] heeft - als huurder van een ligplaats van een woonboot - geen huurbescherming. Dat had hij ook niet toen de huurovereenkomst werd aangegaan, daarin is dus niets veranderd.\n\nDit betekent dat de huurovereenkomst in beginsel zonder reden opgezegd kan worden en dat een voldoende zwaarwegende grond door de gemeente dus niet aangevoerd hoeft te worden.\n\nRedelijkheid en billijkheid5.6.. \n\n [gedaagde] stelt dat de gemeente geen spoedeisend belang of zwaarwegend belang heeft voor de huuropzegging van zijn ligplaats, want de gemeente wil enkel de kade terugbrengen in de oorspronkelijke toestand, grasveld, terwijl hij wel een zwaarwegend woon- en financieel belang heeft.\n\nDe kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] daarmee een beroep doet op artikel 6:248 lid 2 BW in die zin dat [gedaagde] van mening is dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst heeft opgezegd.\n\nDat is niet snel het geval en de kantonrechter oordeelt ook in deze concrete situatie dat het woon- en financiële belang van [gedaagde] niet maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst van de ligplaats heeft opgezegd.\n\nDaarbij overweegt de kantonrechter het volgende.\n\n5.6.1.. \n\nDe gemeente is eigenaar van de ligplaats en eigendom is een sterk recht dat niet makkelijk beperkt kan en mag worden. Ook heeft de gemeente gemotiveerde en onderbouwde gronden voor de opzegging aangevoerd.\n\nDe gemeente heeft in de inleidende dagvaarding (in randnummer 39 en verder) toegelicht dat zij een zwaarwegend belang heeft voor opzegging, waarbij zij verwijst naar het rapport van [A] van 16 december 2020, waarin is geconcludeerd dat geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de woonbootbewoners. Immers, de ligplaatsen van de woonboten liggen op circa 20 meter van gronden waar zware industriebedrijven zijn toegestaan, terwijl de richtafstand van risicovolle inrichtingen 300 meter is. De Hurk is het laatste bedrijventerrein in Eindhoven waar zware industrie is toegestaan.\n\nDe stelling van [gedaagde] dat het woon-en leefklimaat voor de woonbootbewoners geen probleem is en dat er in de 53 jaar dat hij er woont geen voorbeeld bekend is waar een bedrijf in zijn (maximale) mogelijkheden is belemmerd of gehinderd, kan zo zijn, maar dat doet niet af aan het belang en de wens van de gemeente om (de mogelijkheid van vestiging of uitbreiding van) zware industrie toe te staan en daarmee werkgelegenheid in de maakindustrie te behouden.\n\nHierbij is mede van belang dat in de procedure van de wijziging van het bestemmingsplan de belangen van de woonbootbewoners, waaronder dus ook het belang van [gedaagde] , door de gemeenteraad uitvoerig is meegewogen. Verder heeft de Afdeling het ingestelde beroep van de woonboot-bewoners tegen wijziging van het bestemmingsplan ongegrond verklaard, ondanks dat de woonbootbewoners ook al in die procedure hebben gesteld dat de feitelijke situatie voor de woonbootbewoners wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is, althans dat dit kan worden gegarandeerd.\n\n5.6.2.. \n\nVoor zover [gedaagde] heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de gemeente de huurovereenkomst heeft opgezegd, zonder daarbij rekening te houden met de financiële- en de woonbelangen van [gedaagde] en zonder dat hij wordt gecompenseerd in zijn vermogensverlies, wijst de kantonrechter er op dat de gemeente Scenario 3+ aan de woonbootbewoners aanbiedt (dat uit gemeenschapsgeld moet worden gefinancierd) en hen een ruime ontruimingstermijn gunt. De gemeente houdt dus wel degelijk rekening met de financiële belangen en de woonbelangen van [gedaagde] .\n\nHet klopt dat [gedaagde] geen andere ligplaats is aangeboden, maar die is in de gemeente Eindhoven (vooralsnog?) niet voorhanden. Het klopt ook dat [gedaagde] zonder ligplaats, waar zijn woonboot ligt, geen plek heeft om te wonen. De kantonrechter ziet dat woonbelang, maar dit is geen belang dat door de wet wordt beschermd, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.4. is overwogen.\n\n [gedaagde] heeft ook terecht aangevoerd dat hij een financieel belang heeft. Zijn woonboot (monument) wordt minder waard als de huur eindigt en hij geen andere ligplaats kan vinden. Zijn woonkosten zullen ook (aanzienlijk) stijgen wanneer hij na 53 jaar elders een leefplaats moet vinden en betrekken.\n\nDaarbij moet echter niet uit het oog verloren worden dat [gedaagde] de ligplaats huurt en dus geen eigenaar is van de ligplaats. Hij heeft dus geen recht gekregen op vergoeding van de waarde van de ligplaats. Ook was het [gedaagde] vanaf het begin van de huurrelatie duidelijk dat hij geen huurbescherming had, althans dat had hij moeten zijn, want in de huurovereenkomst is bepaald dat wanneer de gemeente besluit tot beëindiging van de huurovereenkomst, [gedaagde] geen recht heeft op schadevergoeding of het ter beschikking stellen van een andere ligplaats. Het risico dat zijn woonboot minder waard wordt als de huur eindigt en hij geen andere ligplaats kan vinden, heeft dus altijd bestaan en komt voor rekening en risico van [gedaagde] .\n\nNaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid hoeft de gemeente niet meer aan te bieden dan Scenario 3+. Daarmee is voldoende aan de belangen van [gedaagde] tegemoetgekomen.\n\nAlgemene beginselen van behoorlijk bestuur5.7.. \n\n [gedaagde] is van mening dat de gemeente met de vordering zoals zij die nu aan de kantonrechter voorlegt, handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het Scenario 3+ compensatievoorstel zonder overleg door de gemeenteraad is vastgesteld, terwijl dit in samenspraak gemaakt zou worden.\n\nDe kantonrechter oordeelt dat de gemeente niet handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij overweegt hij het volgende.\n\n5.7.1.. \n\nZoals hiervoor reeds overwogen, was de huuropzegging van de ligplaats van [gedaagde] toegestaan. Op grond van wet- of regelgeving hoeft de opzegging ook niet gepaard te gaan met het aanbieden van een uitkoopregeling.\n\nDe gemeente heeft, voordat zij het Scenario 3+ voorstel voor de woonbootbewoners heeft vastgesteld, met de woonbootbewoners gecorrespondeerd en overleg gevoerd over de hoogte van een vergoeding. Dat heeft niet tot overeenstemming geleid, omdat de verschillen te groot waren. De gemeente heeft Scenario 3+ tot uitgangspunt genomen, terwijl de woonbootbewoners Scenario 4willen.\n\nHierdoor is het overleg in een impasse geraakt en heeft de gemeenteraad uiteindelijk de knoop doorgehakt en Scenario 3+ als uitkoopregeling aangeboden. Dat mag, want “in samenspraak” betekent “in overleg”. Om uit de impasse te komen is de gemeente vervolgens overgegaan tot huuropzegging.\n\n5.7.2.. \n\nDe kantonrechter is - gelet op het hierna door de Afdeling gemelde Commissie advies van 30 maart 2021 - echter wel van oordeel dat de gemeente in strijd zou handelen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur als zij de woonbootbewoners géén uitkoopregeling aanbiedt.\n\nBij uitspraak van 31 mei 2023 heeft de Afdeling hierover namelijk het volgende overwogen:\n\n“3.1. (…) Volgens de raadis de totstandkoming van een uitkoopregeling geen vereiste om de ligplaatsen voor woonboten onder het algemeen overgangsrecht te brengen, maaronderdeel van het proces om tot beëindiging van de bewoning van de woonboten te komen.\n\n(…)3.4. (…). \n\n (…) De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de woonbootbewoners.\n\nDaartoe overweegt de Afdeling datde raad in het Commissie advies van 30 maart 2021,\n\ndat deel uitmaakt van de bijlagen van de plantoelichting,heeft aangegeven de beëindiging van de woonsituatie te willen combineren met een (ruimhartige) uitkoopregeling voor de woonbootbewoners. Bij het besluit tot vaststelling van het reparatieplan heeft de raad in een separaat besluit neergelegd dat er een uitkoopregeling moet komen, in samenspraak met de bewoners. Anders dan [appellant sub 1] stelt, is de raad dus niet voorbijgegaan aan de financiële belangen van de woonbootbewoners, want naast dat is besloten om de ligplaatsen onder het algemeen overgangsrecht te brengen is er ook besloten om te komen tot een uitkoopregeling met de woonbootbewoners. Dat de verdere inhoud en uitvoering van de uitkoopregeling nog niet tot overeenstemming heeft geleid valt weliswaar te betreuren, maar raakt niet de rechtmatigheid van het vastgestelde reparatieplan”.\n\nDus dát er een uitkoopregeling moet komen, is in een raadsbesluit vastgelegd en dit is dus niet vrijblijvend.\n\n5.7.3.. Nu de gemeente tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij bij huur-beëindiging in onderling overleg, nog steeds onvoorwaardelijk bereid is om Scenario 3+ gestand te doen is dat - gelet op de hiervoor besproken concrete omstandigheden van de woonbootbewoners - voldoende om te spreken van een ruimhartige uitkoopregeling.\n\n5.7.4.. \n\nVoor zover [gedaagde] in dit verband een beroep doet op het rapport van [B] van\n\n10 april 2022, waarin voorbeelden van ‘succesvolle uitkoopregelingen’ worden besproken, waarbij vermogensverlies werd gecompenseerd aan de betrokken woonbooteigenaren analoog aan de gebruikelijke onteigeningsmethodiek, oordeelt de kantonrechter dat deze voorbeelden niet vergelijkbaar zijn met de situatie in Eindhoven. Immers, de gemeente is eigenaar van de ligplaats en de woonbootbewoners zijn huurders. Naar analogie van onteigening zou dus aan de eigenaar de waarde van de ligplaats toekomen en niet aan de huurder.\n\n5.7.5.. Slotsom is dat de gemeente, doordat zij Scenario 3+ heeft aangeboden en nog steeds onvoorwaardelijk bereid is om Scenario 3+ gestand te doen bij huurbeëindiging in onderling overleg met [gedaagde] , niet handelt in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Evenmin is er sprake van misbruik van opzeggingsbevoegdheid van de gemeente.\n\nGevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot ontruiming toewijsbaar\n\n5.8.. De conclusie is dat de gemeente in de gegeven omstandigheden kon overgaan tot huurbeëindiging van de ligplaats van [gedaagde] en dat de primair gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde] is geëindigd per 1 juli 2024, toewijsbaar is.\n\n5.9.. Eveneens toewijsbaar is de vordering van de gemeente om [gedaagde] te veroordelen de ligplaats aan het adres [adres] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaats niet is ontruimd, met een maximum van € 50.000,-.\n\n5.10.. Omdat het primair gevorderde wordt toegewezen, behoeft het subsidiair gevorderde geen bespreking meer.\n\nProceskostenveroordeling\n\n5.11.. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n135,97\n\n- griffierecht\n\n€\n\n130,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n434,00\n\n(2 punten × € 217,00)\n\nTotaal\n\n€\n\n699,97\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1.. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen de gemeente en [gedaagde] is geëindigd per 1 juli 2024,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om de ligplaats aan het adres [adres] te [plaats] uiterlijk per 1 juli 2028 te ontruimen met al het zijne en de zijnen op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat de ligplaats niet is ontruimd, met een maximum van € 50.000,-,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 699,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\n6.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.\n\n De onderstreping is ter verduidelijking aangebracht door de kantonrechter.\n\n Zie ECLI:NL:RVS:2023:2119.\n\n Ter verduidelijking merkt de kantonrechter op dat de Afdeling met de aanduiding ‘raad’ de gemeenteraad van Eindhoven bedoeld.\n\n Naar analogie van Hoge Raad 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3880 en Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556, ligt het voor de hand dat, indien de bestuursrechter reeds heeft geoordeeld, de burgerlijke rechter zich aan dat oordeel zal conformeren.\n\nPer 1 juli 2022 is de Wet verbeteren huurbescherming voor huurders van ligplaatsen (hierna: de Wet) in werking getreden. Op grond van artikel 208ec Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek zijn de bepalingen van deze wetswijziging pas twee jaar na inwerkingtreding van toepassing op overeenkomsten tot verhuur van ligplaatsen die zijn gesloten vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet. De bepalingen gaan voor die overeenkomsten dus in vanaf 1 juli 2024. De huurovereenkomst tussen de gemeente en gedaagde was echter al door opzegging geëindigd op 1 juli 2024.\n\n Zie productie 6 bij inleidende dagvaarding.\n\n In Scenario 4 zou de uitkoopregeling inhouden dat de vergoeding dusdanig diende te zijn\n\ndat woonbootbewoners een middenklaswoning in Eindhoven kunnen kopen. Zie hiervoor de notitie van de gemeenteraad van 11 oktober 2021, productie 10 bij conclusie van antwoord.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:2011","ecli-nl-rbobr-2026-2011",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]