[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-enschede":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},78,"Enschede","nl","first_instance","civil",[11,24,32,39,47],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"904","ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","","2026-06-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12215064 \\ CV EXPL 26-1307\n\nVonnis in kort geding van 26 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWONINGSTICHTING DE WOONPLAATS,\n\nte Enschede,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Woonplaats,\n\ngemachtigde: mr. M. Douwenga,\n\ntegen\n\nSTICHTING HUMANITAS INKOMENSBEHEER,\n\nte Purmerend,\n\nin hoedanigheid van bewindvoerder van alle goederen van\n\n [betrokkene],\n\nwonende te [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Stichting Humanitas,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties; - de mondelinge behandeling van 12 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Woningstichting De Woonplaats verhuurt met ingang van 9 februari 2021 aan [betrokkene] de woning aan de [adres]. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing de Algemene Huurvoorwaarden van De Woonplaats, maar ook andere met [betrokkene] gemaakte specifieke afspraken die kort gezegd zien op het goed moeten onderhouden van de woning, op geen overlast veroorzaken en op het accepteren van hulpverlening. Dit nadat [betrokkene] in een vorige woning van De Woonplaats aanzienlijke overlast veroorzaakte.\n\n2.2.. Vanaf 2025 ontvangt De Woonplaats veel meldingen van diverse omwonenden. De meldingen gaan kort gezegd over geluidsoverlast, schelden, alcohol en\u002Fof drugsgebruik, drugshandel\u002F drugsverkeer en vernieling.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Woonplaats vordert samengevat- ontruiming van de woning. In de dagvaarding bespreekt De Woonplaats onder meer de vele meldingen van omwonenden en de contacten die zij heeft gehad met de Politie. Al kort na het ingaan van de huurovereenkomst komt [betrokkene] de overeengekomen voorwaarden niet na. Zij komt afspraken voor huisbezoeken niet na, de woning wordt niet goed onderhouden en schoongemaakt, het raam van de voordeur wordt door haar ex-partner ingeslagen maar zij maakt hiervan geen melding etc.\n\nVanaf 2026 ging het snel bergafwaarts. Sommige omwonenden ervaren dagelijks overlast. De Woonplaats heeft gepoogd om een huisbezoek met [betrokkene] af te spreken maar dit werd twee keer afgezegd. Er is sprake van drugsgebruik door haar en de staat van de woning is ook zorgelijk. Volgens de Politie, die in mei 2026 in de woning is geweest naar aanleiding van één van de vele meldingen, ligt de hele woning in puin. De Woonplaats heeft [betrokkene] verzocht zelf de huurovereenkomst op te zeggen maar hierop is niet gereageerd. De Woonplaats vordert ontruiming van de woning vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Het is vaste jurisprudentie dat het veroorzaken van overlast als hier aan de orde en het verwaarlozen van het gehuurde een tekortkoming oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt.\n\n3.2.. \n\nStichting Humanitas voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Woonplaats, met veroordeling van De Woonplaats in de kosten van deze procedure.\n\nStichting Humanitas betwist het spoedeisend belang. Het is al anderhalve maand rustig, twee overlastmelders zijn inmiddels verhuisd, en het feit dat De Woonplaats de woning aan een ander wil verhuren is niet valide. De zaak is ook niet geschikt voor behandeling in kort geding. De Woonplaats onderbouwt de overlast met anonieme meldingen en die meldingen kunnen niet worden nagegaan. Stichting Humanitas betwist de overlastsituatie en de zorgelijke staat van het gehuurde. Stichting Humanitas wijst er op dat [betrokkene] stelt uitgezaaide kanker te hebben. Als tot ontruiming moet worden overgegaan dan dient de termijn verlengd te worden tot minimaal vier weken.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe goederen van [betrokkene] staan onder bewind van Stichting Humanitas.\n\nDe uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten van de rechthebbende ([betrokkene]) zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW. De bewindvoerder treedt ten behoeve van de rechthebbende op als formele procespartij in een procedure betreffende een door de verhuurder gevorderde (ontbinding van de huurovereenkomst en) ontruiming van het gehuurde (Hoge Raad 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525).\n\n4.2.. De kantonrechter overweegt dat de onderhavige vordering slechts toegewezen kan worden als het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst zal worden ontbonden en dat de ontruiming zal worden toegewezen, terwijl bovendien sprake moet zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat de beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit gelet op het definitieve karakter van de beslissing. Bij de beoordeling dienen alle omstandigheden van het geval meegewogen te worden.\n\n4.3.. De kantonrechter is, anders dan Stichting Humanitas, van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang van De Woonplaats bij haar vorderingen. De Woonplaats heeft met de overgelegde meldingen en videobeelden voldoende aannemelijk gemaakt dat omwonenden ernstige overlast ervaren en dat twee omwonenden zelfs al hierom zijn verhuisd. Van De Woonplaats kan onder deze omstandigheden niet worden gevergd een bodemprocedure af te wachten.\n\n4.4.. De vele meldingen en videobeelden zijn inhoudelijk ook niet dan wel onvoldoende door Stichting Humanitas betwist. [betrokkene] zelf is door de bewindvoerder dan wel de gemachtigde uitgenodigd voor de zitting, om hierop een toelichting te geven, maar zij is niet verschenen. De op de foto’s zichtbare beschadigingen aan het gehuurde en de melding van de Politie afgelopen mei dat de woning binnen “in puin ligt” doet het ergste vermoeden qua staat van het gehuurde. De kantonrechter neemt in de beoordeling ook mee dat het hier al om een tweede kans gaat, om in een woning van De Woonplaats te wonen zonder de woning te verwaarlozen en overlast te veroorzaken.\n\n4.5.. De kantonrechter is er voldoende van overtuigd dat de tekortkomingen van [betrokkene]\u002FStichting Humanitas zullen leiden tot ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure. Daarop vooruitlopend kan in dit kort geding vast de ontruiming worden bevolen. De situatie is daarvoor ernstig genoeg. Dat [betrokkene] uitgezaaide kanker heeft is wel gesteld maar niet onderbouwd, terwijl De Woonplaats ook al eens om die onderbouwing heeft gevraagd (en deze niet heeft gekregen). Er is evenmin aanleiding af te wijken van de standaard ontruimingstermijn van twee weken.\n\n4.6.. De vordering van De Woonplaats zal daarom als volgt worden toegewezen. Stichting Humanitas is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woningstichting de Woonplaats worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,51\n\n- griffierecht\n\n€\n\n139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.303,51\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Stichting Humanitas om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, in goede staat op te leveren en deze ontruimd te houden, en de sleutels af te geven aan De Woonplaats,\n\n5.2.. veroordeelt Stichting Humanitas in de proceskosten van € 1.303,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.J. Louter en in het openbaar uitgesproken op\n\n26 juni 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3710","ecli-nl-rbove-2026-3710",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"722","ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12160067 \\ EJ VERZ 26-109\n\nBeschikking van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [partij A],\n\nwonende te [woonplaats],\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [partij A],\n\ngemachtigde: mr. S. Groen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TKH LOGISTICS B.V.,\n\ngevestigd en kantoorhoudende te Haaksbergen,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: TKH,\n\ngemachtigde: mr. I. Lintsen.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding na een ontslag op staande voet door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat het ontslag (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift dat is ingediend op 26 maart 2026,\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [partij A] was sinds 1 maart 2019 in dienst bij TKH. De functie van [partij A] was magazijnmedewerker met een loon van € 2.700,00 bruto per maand.\n\n2.2.. In de ochtend van 30 januari 2026 ontving TKH een e-mail van een klant waarin melding werd gemaakt dat producten van het merk Epiphan en Intronics die in het magazijn van TKH horen te liggen via Marktplaats te koop werden aangeboden. Daarop heeft TKH onderzoek gedaan en geconstateerd dat de producten vermoedelijk door [partij A] te koop werden aangeboden.\n\n2.3.. Vervolgens heeft TKH [partij A] diezelfde dag uitgenodigd voor een gesprek. In het gespreksverslag staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.4.. Op 30 januari 2026 is [partij A] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief staat onder meer het volgende:\n\n[afbeelding]2.5.. \n [partij A] is het niet eens met het ontslag op staande voet en is daarom deze verzoekschriftprocedure gestart.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\n3.1.. \n [partij A] verzoekt, na wijziging van zijn verzoeken, de kantonrechter om een billijke vergoeding, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging en een transitievergoeding toe te wijzen. Volgens [partij A] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [partij A] verzoekt voorts voor de duur van de procedure doorbetaling van loon bij wijze van voorlopige voorziening.\n\n3.2.. TKH voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. TKH voert ‑ samengevat ‑ aan dat de feiten een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. TKH heeft een tegenverzoek gedaan. TKH verzoekt een verklaring voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en hij daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. TKH heeft ook een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan. Zij verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden zonder toekenning van enige vergoeding.\n\n4. De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.2.. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Het moet gaan om zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet hoeft te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.\n\n4.3.. De kantonrechter oordeelt dat voldoende is komen vast te staan dat [partij A] producten uit het magazijn van TKH heeft meegenomen en dat hij deze te koop heeft aangeboden via Marktplaats. In eerste instantie heeft [partij A] ontkend dat de twee producten van het merk Epiphan met een waarde van respectievelijk ongeveer € 2.500,00 en € 450,00, afkomstig zijn uit het magazijn van TKH en dat zijn vrouw één van deze mogelijk heeft gekocht via de webshop Coolblue om video’s op te nemen met hun dochter. Dit kon [partij A] niet aantonen met aankoopbewijzen. Later heeft [partij A] erkend dat de producten afkomstig zijn uit het magazijn van TKH, maar dat het ging om producten die gratis konden worden meegenomen door het personeel van TKH, omdat deze beschadigd waren. Deze stelling van [partij A] acht de kantonrechter ongeloofwaardig, gelet op de uitvoerig gemotiveerde onderbouwing van TKH dat dergelijke producten met een hoge verkoopwaarde nooit gratis beschikbaar worden gesteld aan het personeel. Ook blijkt uit de door TKH overgelegde stukken dat de klant, waarvoor TKH de producten van het merk Epiphan in het magazijn opslaat, als beleid heeft dat beschadigde producten altijd teruggestuurd moeten worden en dus nooit gratis worden aangeboden aan werknemers van TKH. Ook de substantiële wijziging van de verklaring van [partij A] voor het in bezit hebben van de betreffende producten draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van zijn in tweede instantie gegeven verklaring, mede omdat hij desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd zich destijds verwonderd te hebben over de hoge waarde van met name het Epiphan-product dat volgens hem gratis zou zijn aangeboden aan het personeel waardoor het op zijn minst bijzonder is dat je je dat niet zou herinneren als je gevraagd wordt hoe het product in jouw bezit is gekomen.\n\n4.4.. Het wegnemen van producten uit het magazijn van TKH zonder daarvoor te betalen vormt op zichzelf een dringende reden voor ontslag op staande voet. Dat [partij A] door de verkoop van die producten slechts een gering voordeel heeft genoten zoals door hem is gesteld, doet daar niets aan af. Gezien de aard en de ernst van de dringende reden, namelijk het wegnemen van producten zonder daarvoor te betalen, is de kantonrechter van oordeel dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden van [partij A] en de gevolgen van het ontslag voor [partij A] niet afdoen aan de rechtsgeldigheid en het belang van TKH bij het ontslag op staande voet. Diefstal is namelijk een ernstig feit.\n\nDe dringende reden is onverwijld en voldoende duidelijk aan [partij A] medegedeeld4.5.. Volgens [partij A] zijn de redenen voor het ontslag niet onverwijld aan hem medegedeeld. Uit de ontslagbrief blijkt volgens [partij A] onvoldoende duidelijk welke redenen aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. De kantonrechter volgt die stelling niet. Het gaat erom dat [partij A] wist waarom hij is ontslagen. Uit de ontslagbrief van 30 januari 2026 met in de bijlage een gespreksverslag van het gesprek waarbij [partij A] aanwezig is geweest, volgt voldoende duidelijk welke redenen ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag. Dat in de brief en het verslag geen opsomming is gemaakt van de ontvreemde producten doet daar niets aan af. [partij A] wist bovendien om welke producten het ging. Hij heeft immers op 2 februari 2026 de twee duurste producten ingeleverd bij TKH.\n\n4.6.. Voor zover er al andere feiten aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, heeft te gelden dat deze niet meer hoeven te worden beoordeeld, omdat het in bezit hebben van twee producten die in het magazijn van TKH behoren te liggen al een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. Van een samengestelde dringende reden is geen sprake.\n\nGeen billijke vergoeding4.7.. Het verzoek van [partij A] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.\n\nGeen transitievergoeding4.8.. Het verzoek om TKH te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van feiten en omstandigheden die een dringende reden opleveren voor het ontslag op staande voet. Die feiten en omstandigheden brengen in dit geval ook mee dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van handelen of nalaten van [partij A] dat als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Diefstal wordt namelijk expliciet door de wetgever genoemd als voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen.Daarom is geen transitievergoeding verschuldigd.\n\nGeen vergoeding vanwege onregelmatige opzegging4.9.. TKH heeft [partij A] terecht ontslagen. Daarom hoefde TKH geen opzegtermijn in acht te nemen en is TKH niet gehouden om aan [partij A] een vergoeding te betalen.\n\nGeen voorlopige voorziening tot doorbetaling van loon4.10.. Nu [partij A] tijdens de procedure alsnog heeft berust in het ontslag is de arbeidsovereenkomst definitief geëindigd op 30 januari 2026 en kan hij geen aanspraak meer maken op loon na die datum. Daarom heeft hij geen belang (meer) bij dit verzoek, zodat dit verzoek zal worden afgewezen.\n\nHet voorwaardelijke ontbindingsverzoek hoeft niet behandeld te worden4.11.. Nu [partij A] zijn verzoeken heeft gewijzigd en dus berust in het ontslag, is de arbeidsovereenkomst geëindigd op 30 januari 2026. Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van TKH hoeft daarom niet behandeld te worden.\n\nDe door TKH verzochte verklaring voor recht is toewijsbaar4.12.. Hiervoor is al geoordeeld dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarom geen recht heeft op een transitievergoeding. Dat betekent dat de door TKH verzochte verklaring voor recht toewijsbaar is.\n\n [partij A] moet de proceskosten in het verzoek en het tegenverzoek betalen4.13.. De proceskosten komen voor rekening van [partij A], omdat [partij A] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van TKH worden begroot op € 721,00 (€ 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.14.. De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\nop het tegenverzoek\n\n5.2.. verklaart voor recht dat [partij A] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat [partij A] daarom geen recht heeft op een transitievergoeding,\n\n5.3.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nop het verzoek en het tegenverzoek\n\n5.4.. veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [partij A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026\n\nKamerstukken II2013-2024, 33818, nr. 3, p. 40.\n\n Artikel 7:673 lid 7, onder c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3703","ecli-nl-rbove-2026-3703",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":35,"language":7,"source":17,"sourceUrl":36,"summary":14,"slug":37,"metadata":38},"1913","ECLI:NL:RBOVE:2026:3621","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12223215 \\ CV EXPL 26-1390\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING WELBIONS,\n\nte Hengelo (O),\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Welbions,\n\ngemachtigde: Groothuis Ligtermoet & Nijhuis,\n\ntegen\n\nARJEN DIEDERICK HULTINK,\n\nin hoedanigheid van curator van [gedaagde] (hierna: [gedaagde]),\n\nte [woonplaats],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Hultink q.q.,\n\ngemachtigde: mr. A. aan het Rot.\n\nDe zaak in het kort\n\nWelbions verhuurt een woning aan [gedaagde]. Volgens Welbions veroorzaakt [gedaagde] structureel ernstige overlast. Zij vordert daarom ontruiming van de woning. Daarnaast vordert zij betaling van de huurachterstand. De vorderingen zijn ingesteld tegen Hultink q.q., de curator van [gedaagde]. Hij voert verweer.\n\nAangezien [gedaagde] onder curatele is gesteld, is de curator de formele procespartij. De vorderingen zijn dus terecht tegenover Hultink q.q. ingesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] structureel ernstige overlast veroorzaakt en dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen. Gelet op de plicht van Welbions om te zorgen voor rustig woongenot voor omwonenden, kan van Welbions niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure afwacht. De vordering tot ontruiming wordt daarom in dit kort geding toegewezen. Welbions heeft de gevorderde huurachterstand op de mondelinge behandeling verminderd. Aangezien Hultink q.q. het gevorderde bedrag daarna niet meer (onderbouwd) heeft weersproken, wordt de vordering tot betaling van de huurachterstand ook toegewezen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties, - de producties van Welbions, - de producties van Hultink q.q., - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van Welbions, - de spreekaantekeningen van Hultink q.q.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Sinds 18 februari 2022 verhuurt Welbions de woning aan de [adres] aan [gedaagde]. Op de huurovereenkomst zijn algemene huurvoorwaarden van toepassing verklaard. De huurprijs bedroeg aanvankelijk € 564,46 per maand inclusief het voorschot voor de nutsvoorzieningen.\n\n2.2.. In artikel 6.7 van de algemene huurvoorwaarden staat dat [gedaagde] ervoor moet zorgen dat hij geen overlast aan omwonenden veroorzaakt.\n\n2.3.. Tussen 9 september 2024 en 24 maart 2025 heeft Welbions zes brieven naar [gedaagde] gestuurd waarin zij heeft medegedeeld overlastmeldingen over hem te hebben ontvangen. Welbions heeft [gedaagde] meerdere keren gesommeerd direct te stoppen met het veroorzaken van overlast.\n\n2.4.. Op 31 maart 2025 heeft [gedaagde] een gedragsaanwijzing ondertekend. Daarin is onder andere afgesproken dat [gedaagde] stopt met het veroorzaken van overlast, dat zijn middelengebruik geen overlast veroorzaakt naar omwonenden, dat hij openstaat voor Tactus in verband met zijn middelengebruik, dat hij stopt met het vernielen van zijn woning en het complex, dat zijn woning netjes en opgeruimd is, dat hij geen huurachterstand laat ontstaan en dat hij medewerking verleent aan controles.\n\n2.5.. Op 25 augustus 2025 heeft Welbions per brief aan [gedaagde] medegedeeld dat hij zich niet aan de afspraken houdt. Welbions heeft [gedaagde] de mogelijkheid geboden de huurovereenkomst op te zeggen om een juridische procedure te voorkomen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.\n\n2.6.. Op 14 januari en 18 februari 2026 heeft Welbions [gedaagde] per brief gesommeerd om de huurachterstand te betalen.\n\n2.7.. Op 19 mei 2026 is Hultink q.q. benoemd tot curator van [gedaagde].\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Welbions vordert samengevat en na vermindering van eis op de mondelinge behandeling:\n\nprimair ontruiming van het gehuurde, dan wel subsidiair oplegging van een gedragsaanwijzing en ontruiming als niet aan de gedragsaanwijzing wordt voldaan,\n\nbetaling van € 591,25 aan achterstallige huur tot en met juni 2026, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten, btw en rente,\n\nbetaling van € 663,77 per maand vanaf 1 juli 2026 totdat het gehuurde is ontruimd,\n\nveroordeling van Hultink q.q. in de proceskosten.\n\n3.2.. Welbions legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] veroorzaakt structureel overlast voor omwonenden, bestaande uit onder andere ernstige geluidsoverlast door schreeuwen, gebonk op muren en het schuiven en gooien met meubels, agressief, dreigend en intimiderend gedrag – al dan niet onder invloed van verdovende middelen – tegenover omwonenden en een monteur, aanbellen bij buren “gewapend” met een kapotte wijnfles of met de broek op de enkels, naakt op het balkon staan, rondspoken in de nacht, met de broek op de enkels door de gemeenschappelijke ruimten lopen, vernielingen in het gehuurde en de gemeenschappelijke ruimten, het besmeuren van de gemeenschappelijke ruimten met urine, ontlasting en bloed vanwege verwondingen, huisraad over het balkon gooien en gooien met messen naar omstanders en voorbijgangers. Daarnaast heeft [gedaagde] een huurachterstand. Volgens Welbions is sprake van een ernstige tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst in een eventuele bodemprocedure rechtvaardigt en die vooruitlopend daarop ontruiming in dit kort geding rechtvaardigt.\n\n3.3.. Hultink q.q. voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Welbions, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Welbions, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Welbions in de kosten van deze procedure.\n\n3.4.. \n\nVolgens Hultink q.q. leent de zaak zich niet voor behandeling in kort geding, omdat er geen spoedeisend belang is en de zaak veel te complex is. Hultink q.q. betwist dat sprake is van structurele en ernstige overlast. Uit de stukken blijkt niet dat er vóór\n\n9 september 2024 sprake is geweest van enige overlast door [gedaagde]. Daarnaast is geen sprake van objectief vastgestelde overtredingen. De vordering wordt alleen onderbouwd met interne en geanonimiseerde meldingen en registraties. [gedaagde] heeft niet met messen en huisraad gegooid, niemand is daadwerkelijk bedreigd en de politie heeft geen strafbare feiten geconstateerd. Hultink q.q. beroept zich op vernietigbaarheid van de gedragsaanwijzing, vanwege het ontbreken van wil. [gedaagde] stond op het moment van ondertekenen nog niet onder curatele, had geen werkelijk besef van wat hij ondertekende en moest tekenen om zijn woning niet kwijt te raken. Als al sprake is van een tekortkoming, dan rechtvaardigt de tekortkoming geen ontbinding en ontruiming. Dit is disproportioneel. [gedaagde] wil zich laten behandelen en Tactus heeft inmiddels een zorgplan opgesteld. Als [gedaagde] de woning moet ontruimen, komt hij op straat te staan. Dit zal een negatief effect hebben op de uitvoering van het zorgplan en het vergroot de risico’s voor [gedaagde] en zijn omgeving. Ten slotte betwist Hultink q.q. de hoogte van de huurachterstand.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nFormele procespartij\n\n4.1.. Aangezien [gedaagde] onder curatele is gesteld, is de curator de formele procespartij. De vorderingen tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand zijn daarom terecht tegenover Hultink q.q. als curator ingesteld.\n\nOntruiming\n\n4.2.. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de overgelegde stukken voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] structureel ernstige overlast voor omwonenden veroorzaakt. Dit blijkt onder andere uit de vele overlastmeldingen die over hem zijn geregistreerd. Het gaat om meldingen vanaf augustus 2024 tot en met juni 2026. Het betreft ernstige overlast zoals geluidsoverlast in de nachten, het vernielen van de balkondeur, het vernielen van ruiten van verschillende woningen en een auto, het aanbellen bij een omwonende met een kapotte wijnfles in de hand of in zijn blote kont, het proberen de deur van een omwonende te forceren door daar tegenaan te trappen, het gooien met messen naar omstanders, het gooien met huisraad, het naakt op het balkon staan, het met de broek op de enkels of met bloedende verwondingen door gemeenschappelijke ruimten lopen en poep in de lift smeren. Uit de meldingen blijkt ook dat de politie vaak is ingeschakeld.\n\n4.4.. Hultink q.q. ontkent weliswaar dat [gedaagde] met messen en huisraad heeft gegooid, maar hij heeft de overige meldingen niet inhoudelijk weersproken. Dat een groot deel van de meldingen anoniem is gedaan, is weliswaar een factor die bij de bewijswaardering moet worden meegewogen, maar betekent, anders dan Hultink q.q. meent, niet daaraan geen bewijskracht kan worden ontleend (zie ECLI:NL:HR:1989:AD0929). Bovendien zijn in een aantal meldingen huisnummers van omwonenden vermeld. Ook worden de meldingen (deels) bevestigd door foto’s en krantenartikelen en erkent Hultink q.q. dat [gedaagde] ernstig verslaafd is aan middelen en dat de politie meerdere keren bij [gedaagde] langs is geweest. Daarnaast is niet onderbouwd of gebleken dat aanleiding bestaat om te vermoeden dat de meldingen niet juist en\u002Fof niet van omwonenden zijn.\n\n4.5.. \n [gedaagde] heeft een gedragsaanwijzing ondertekend waarin is afgesproken dat hij zou stoppen met het veroorzaken van overlast. Daargelaten de vraag of zijn wil op dat moment met die verklaring overeenstemde (dan wel Welbions daarop mocht vertrouwen), geldt dat hij op grond van de wet en de algemene huurvoorwaarden verplicht is om zich als goed huurder te gedragen en geen overlast voor omwonenden te veroorzaken. Hij is er meerdere keren op gewezen dat hij overlast veroorzaakt, maar is daar niet mee gestopt.\n\n4.6.. Door het structureel veroorzaken van ernstige overlast, schiet [gedaagde] ernstig tekort in de nakoming van de huurovereenkomst. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk dat in een eventuele bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de veroorzaakte overlast ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Gelet op de plicht van Welbions om te zorgen voor rustig woongenot voor omwonenden, kan van Welbions niet worden verwacht dat zij een bodemprocedure tot ontbinding van de huurovereenkomst afwacht. Welbions heeft dus voldoende spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming in dit kort geding. Deze vordering zal daarom worden toegewezen.\n\n4.7.. Hultink q.q. zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.\n\nSubsidiaire vordering: gedragsaanwijzing\n\n4.8.. Aangezien de primaire vordering tot ontruiming wordt toegewezen, hoeven de subsidiaire vorderingen (tot het opleggen van een gedragsaanwijzing en tot ontruiming als daar niet aan wordt voldaan) niet meer beoordeeld te worden.\n\nHuurachterstand\n\n4.9.. De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen in de huurovereenkomst en de daarbij behorende algemene voorwaarden zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.\n\n4.10.. Welbions vorderde eerst een bedrag van € 1.254,32 aan huur tot 1 juni 2026. Volgens Hultink q.q. klopt dat bedrag niet, aangezien Welbions op 8, 15 en 20 mei 2026 per e-mail aan hem heeft laten weten dat het openstaande bedrag € 590,55 was. Op de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Welbions verklaard dat ná het opstellen van de dagvaarding (naar de kantonrechter begrijpt ná april 2026) nog betalingen zijn gedaan en dat de huidige huurachterstand € 591,25 bedraagt. Naar de kantonrechter begrijpt, is dit de huurachterstand tot en met juni 2026. Aangezien Hultink q.q. hier geen (onderbouwd) verweer meer tegen heeft gevoerd, zal dit bedrag worden toegewezen.\n\nWettelijke rente\n\n4.11.. De wettelijke rente is op artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gegrond en niet onderbouwd weersproken en zal daarom worden toegewezen. Aangezien Welbions niet heeft onderbouwd wanneer de betalingen na het opstellen van de dagvaarding precies hebben plaatsgevonden, zal de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 worden toegewezen over het nu nog openstaande bedrag van € 591,25.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n4.12.. Welbions vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aangezien [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Welbions heeft aan [gedaagde] twee aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De kantonrechter heeft de hoogte van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaald na aftrek van de deelbetaling die voor het einde van de aanmaningstermijn is gedaan.\n\n4.13.. Op 14 januari 2026 is [gedaagde] gesommeerd om de huur voor de maand december 2025 (€ 660,77) te betalen. [gedaagde] heeft dit bedrag niet voor het einde van de aanmaningstermijn betaald. Hij is hiervoor een bedrag van € 119,93 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw verschuldigd. Op 18 februari 2026 is [gedaagde] gesommeerd om de huur voor de maanden januari en februari 2026 (€ 660,77 en € 663,77) te betalen. Op 2 februari 2026 is door of namens [gedaagde] een bedrag van € 50,00 aan huur betaald en op 2 maart 2026 een bedrag van € 663,77. Deze bedragen moeten grotendeels in mindering worden gebracht op de huur voor de maand december 2025. Dan resteert een bedrag van € 53,00 dat in mindering moet worden gebracht op de huur voor de maand januari 2026. Aangezien dit bedrag vóór het einde van de aanmaningstermijn is betaald, moeten de buitengerechtelijke incassokosten voor de tweede aanmaning worden berekend over een bedrag van € 1.272,54 (€ 660,77 + € € 663,77 – € 53,00). [gedaagde] is hiervoor een bedrag van € 230,97 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw verschuldigd. In totaal wordt dus een bedrag van € 350,90 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.14.. Hultink q.q. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Welbions worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n153,02\n\n- griffierecht\n\n€\n\n397,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\ntotaal\n\n€\n\n1.271,02\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Hultink q.q. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Welbions zijn, en de sleutels af te geven aan Welbions,\n\n5.2.. veroordeelt Hultink q.q. om te betalen aan Welbions:\n\n€ 591,25 aan achterstallige huur tot en met juni 2026,\n\n€ 17,77 aan wettelijke rente over de achterstallige huur tot 1 mei 2026,\n\nde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 591,25 vanaf 1 mei 2026 tot de dag van voldoening,\n\n€ 663,77 per maand vanaf 1 juli 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,\n\n€ 350,90 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw,\n\n5.3.. veroordeelt Hultink q.q. in de proceskosten van € 1.271,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Hultink q.q. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3621","ecli-nl-rbove-2026-3621",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":40,"ecli":41,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":42,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"1095","ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKOVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12208841 \\ EJ VERZ 26-144\n\nBeschikking van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. M.J.J. van Geel,\n\ntegen\n\nde stichting HET STEDELIJK LYCEUM ENSCHEDE,\n\ngevestigd te Enschede,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Het Stedelijk,\n\ngemachtigde: mr. H. Eillert.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. In deze zaak verzoekt [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding na een ontslag op staande voet door Het Stedelijk. De kantonrechter wijst de verzoeken van [verzoekster] toe, omdat geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met producties 1 tot en met 12,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster] ,\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van Het Stedelijk,\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [verzoekster] , geboren [geboortedatum] 1997, is sinds 1 augustus 2024 voor bepaalde tijd in dienst bij Het Stedelijk. De functie van [verzoekster] is docent LB binnen de Internationale Schakelklas (ISK) met een loon van € 2.407,23 bruto per maand exclusief emolumenten bij een arbeidsomvang van 0,6 fte.\n\n3.2.. \n [verzoekster] volgde naast haar werk een deeltijdopleiding (0,2 fte) tot docent Nederlands aan het [universiteit] in [plaats 1] . Omstreeks juni 2025 zijn de werkdagen van [verzoekster] gewijzigd, omdat zij ten behoeve van haar opleiding in de periode van 7 oktober 2025 tot 31 januari 2026 stage ging lopen bij het [instelling] , locatie [plaats 2] .\n\n3.3.. Met ingang van 8 oktober 2025 heeft [verzoekster] zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk.\n\n3.4.. In de probleemanalyse van 11 november 2025 heeft de Arbo Unie – kort gezegd – geoordeeld dat er geen sprake is van benutbare mogelijkheden. De probleemanalyse is opgesteld door dhr. J. Hesselink, verpleegkundige (hierna te noemen: Hesselink) en beoordeeld door mw. A.C. Franke, arts in opleiding tot bedrijfsgeneeskundige. Als eindverantwoordelijke bedrijfsarts is mw. [naam 1] genoteerd.\n\n3.5.. Uit de daarna opgestelde consultrapportages van 24 en 28 november 2025 van Hesselink blijkt dat er nog geen sprake is van benutbare mogelijkheden. In de consultrapportages van 19 januari en 3 februari 2026 is de bedrijfsarts dhr. [naam 2] tot hetzelfde oordeel gekomen. In het verslag van 3 februari 2026 is opgenomen dat ook kort sociaal contact (zoals koffiemomentjes) als te belastend worden geacht.\n\n3.6.. Op 1 december 2025 vindt een e-mailwisseling plaats tussen Hesselink en [teamleider] . Op de vraag van [teamleider] of de constatering dat geen arbeidsmogelijkheden worden gezien ook betekent dat [verzoekster] de studie on hold heeft gezet, antwoordt Hesselink dat hij daar in alle gesprekken naar heeft gevraagd en dat [verzoekster] doet voorkomen dat ze zowel haar studie als stage helemaal on hold heeft gezet, maar dat hij dat natuurlijk niet kan controleren.\n\n3.7.. Op 13 januari, 27 januari en 22 februari 2026 heeft [verzoekster] , na verwijzing door Hesselink, gesprekken gehad bij Het Roessingh. Uit de rapportage van 19 februari 2026blijkt – kort gezegd – wat de klachten van [verzoekster] zijn. Wat betreft de stage staat in het rapport het volgende vermeld:\n\n“(…) Client heeft in de periode tussen oktober 2025 en december 2025 nog wel 2 stage uren per week gedaan. Deze stage loopt zij voor haar deeltijdopleiding op een reguliere middelbare school op 5 minuten afstand van haar huis. Hier werkt ze niet in volle verantwoordelijkheid. Er ontstond een discussie met haar werkgever, waarom ze dezelfde werkzaamheden wel bij stage kon doen, maar niet op haar werk, terwijl cliënt dit juist verklaart doordat het andere werkzaamheden zijn. Inmiddels is ze hier ook mee gestopt.”\n\n3.8.. Op 16 februari 2026 heeft mevrouw [HR-adviseur] , HR-adviseur, (hierna te noemen: [HR-adviseur] ) bij het [instelling] gevraagd of [verzoekster] zich tijdens haar stage (tot en met 31 januari 2026) heeft ziekgemeld. Vanuit het [instelling] is daarop op 16 februari 2026 geantwoord dat er geen ziekmelding is geweest.\n\n3.9.. Op 19 februari 2026 heeft Het Stedelijk de volgende brief naar [verzoekster] gestuurd:\n\n“(…) Onlangs hebben wij echter vernomen dat u van 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026 bij het [instelling] te [plaats 2] stage heeft gelopen en daarbij lessen heeft verzorgd. U heeft ons noch de bedrijfsarts hierover geïnformeerd, terwijl wij u hier meerdere keren over hebben bevraagd. Dit staat dus haaks op de informatie die u eerder heeft verstrekt aan de bedrijfsarts. Met de verrichte werkzaamheden in het [instelling] staat vast dat u wel degelijk in staat bent tot het verrichten van (uw eigen) werkzaamheden bij het Stedelijk. U was verplicht ons te informeren over deze activiteiten en u heeft de bedrijfsarts onjuiste informatie verstrekt.\n\nGelet op al het voorgaande heeft u geen recht op loon over in ieder geval de periode 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026. Het onverschuldigd betaalde loon zal op u worden verhaald dan wel met uw salaris worden verrekend. Tevens overwegen wij aanvullende maatregelen, waarbij ontslag niet wordt uitgesloten.\n\nAlvorens hiertoe over te gaan stellen wij u in de gelegenheid u te horen. Hierbij nodig ik u uit voor een hoorgesprek op2 maart 2026 om 10.00 uur (…)”\n\n3.10.. Op 2 maart 2026 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] , vergezeld door haar echtgenoot, [HR-adviseur] en [manager HR] (manager HR). In het hiervan opgemaakte verslag is onder meer het volgende vermeld:\n\n“(…) Zij (= [verzoekster] , toevoeging ktr.) stelt dat de in de brief genoemde stageperiode (…) niet correct is en dat de stage van kortere duur is geweest (…). Zij geeft aan dat ze meerdere malen haar stage heeft gemeld aan de bedrijfsarts, de verpleegkundige en aan [teamleider] (teamleider) en mevrouw [HR-adviseur] .\n\nDaarnaast geeft mevrouw [verzoekster] aan dat zij met Jeroen Hesselink, de verpleegkundige van de arbodienst, overleg heeft gevoerd over haar stageactiviteiten, en ook de bedrijfsarts op de hoogte heeft gesteld van haar stageactiviteiten.. Volgens haar vormde dit geen belemmering voor haar re-integratie bij Het Stedelijk.\n\nMevrouw [verzoekster] geeft aan verbaasd te zijn over de informatie die bij de werkgever bekend is over haar stage.\n\nVanaf het moment dat zij een afspraak met mevrouw [teamleider] heeft geannuleerd, heeft zij geen contact meer opgenomen met haar leidinggevende, ook niet om afspraken af te zeggen.\n\nMevrouw [HR-adviseur] licht kort de inhoud van de Wet verbetering poortwachter toe (…)”.\n\n3.11.. Op 2 maart 2026heeft Hesselink op de vraag van [HR-adviseur] om schriftelijk te reageren op ‘het stageverhaal’ van [verzoekster] zoals opgenomen in het gespreksverslag van 2 maart 2026 als volgt gereageerd:\n\n“Het is niet aan mij of de bedrijfsarts om inhoudelijk op de brief te reageren. Wat van belang is dat er door ons in diverse rapportages is aangegeven dat ze niet in staat is om te werken op basis van de klachten die ze aangeeft maar dat dit er blijkbaar niet van heeft weerhouden om wel elders te werken (stage adres). Daar moeten jullie het met haar over hebben.\n\nIk heb haar in het begin van het traject meegedeeld dat ik het raar vindt dat ze wel naar stage zou kunnen en niet zou kunnen werken. Als het een kan dan kan het ander ook.”\n\n3.12.. Op 4 maart 2026 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is het volgende aan het ontslag ten grondslag gelegd:\n\n“Dit betekent dat uw dienstverband op en ingaande 5 maart 2026 met onmiddellijke ingang is geëindigd op grond van een dringende reden, te weten het\n\ntijdens ziekte werkzaamheden bent gaan verrichten in het kader van uw stage, terwijl u naar eigen zeggen dan wel volgens de bedrijfsarts in deze periode niet in staat zou zijn om arbeid te verrichten;\n\nu uw werkgever niet heeft geïnformeerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over uw stage activiteiten tijdens ziekte;\n\nu na zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het informeren van uw werkgever;\n\nu na te zijn geconfronteerd met het bovenstaande tijdens het gesprek op 2 maart 2026 heeft gelogen over het consulteren van de arbodienst.”\n\n4. Het verzoek en het verweer\n\n4.1.. \n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter – na wijziging van eis – om een billijke vergoeding toe te kennen van € 28.000,00 bruto. Verder verzoekt [verzoekster] om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat er geen sprake is van een dringende reden, het ontslag op staande voet niet proportioneel is en de dringende reden niet onverwijld is medegedeeld. Subsidiair, namelijk voor het geval er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, verzoekt [verzoekster] om betaling van de transitievergoeding, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.\n\n4.2.. Het Stedelijk voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Het Stedelijk voert ‑ samengevat ‑ aan dat [verzoekster] heeft verzwegen en\u002Fof gelogen dat zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid stage liep bij het [instelling] .\n\n5. De beoordeling\n\nDe dringende reden5.1.. Tussen partijen is in geschil of er sprake is van een dringende reden waardoor Het Stedelijk de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. Het Stedelijk heeft aan de dringende reden kort gezegd ten grondslag gelegd dat [verzoekster] tijdens haar arbeidsongeschiktheid heimelijk stage heeft gevolgd en zij hierover heeft gelogen tegen haar leidinggevende en de arbodienst.\n\n5.2.. \n [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij haar leidinggevende, [teamleider] , voorafgaand en tijdens haar ziekte heeft geïnformeerd over de stage en zij ook Het Roessingh en de bedrijfsarts heeft geïnformeerd. Van het schenden van haar informatieplicht of misleiding is daarom geen sprake. Bovendien was de stage ten tijde van het ontslag op staande voet al beëindigd.\n\n5.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is ieder van partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen op grond van een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of sprake is van een dringende reden moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet de aard en ernst van de door de werkgever aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.\n\n5.4.. Voor de beoordeling van de vraag of het door Het Stedelijk gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de dringende redenen zoals vermeld in de ontslagbrief van 4 maart 2026 maatgevend. Het geschil wordt dan ook afgebakend door de daarin genoemde verwijten. Wat betreft de in deze brief genoemde verwijten overweegt de kantonrechter dat [verzoekster] onbetwist heeft gesteld dat zij de drie dagen waarop zij haar werkzaamheden verricht voor Het Stedelijk, in overleg met Het Stedelijk heeft gewijzigd zodat zij vanaf maandag 7 oktober 2025 stage kon gaan lopen bij het [instelling] . Dit betekent dat [verzoekster] niet tijdens haar ziekte stage is gaan lopen, maar op het moment van ziekmelding al begonnen was met de stage. De kantonrechter is verder van oordeel dat het niet aan Het Stedelijk is om zich een oordeel te vormen over de vraag of [verzoekster] al dan niet wel in staat is om stage te lopen terwijl zij zich heeft ziekgemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk. Dit is bij uitstek een kwestie die beoordeeld dient te worden aan de bedrijfsarts en waarbij onderzocht zal dienen te worden wat de belasting is van de onderscheiden werkzaamheden\u002Factiviteiten in relatie tot de beperkingen van [verzoekster] .\n\n5.5.. In het derde aandachtpunt van de ontslagbrief heeft Het Stedelijk als verwijt opgenomen dat [verzoekster] de bedrijfsarts dan wel de verpleegkundige van de arbodienst niet heeft geconsulteerd over de stageactiviteiten tijdens de ziekte. Uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt wat wel of niet met de bedrijfsarts is besproken, daarover is namelijk niets vermeld. Uit de verklaring\u002Fe-mails van Hesselink blijkt ook niet dat [verzoekster] tegen hem heeft gelogen of verzwegen dat zij stage loopt. In die e-mails staat immers enkel dat [verzoekster] heeft doen voorkomen dat zij was gestopt met de stage en dat Hesselink haar in het begin van het traject heeft gezegd dat hij het raar vindt dat [verzoekster] stage zou kunnen lopen tijdens haar arbeidsongeschiktheid, maar niet dat [verzoekster] daadwerkelijk heeft gezegd dat zij is gestopt met haar stage. Bovendien blijkt uit het rapport van Het Roessingh dat [verzoekster] daar volledige openheid van zaken heeft gegeven over haar arbeidsongeschiktheid, werk, opleiding en stage en dat dit rapport met de bedrijfsarts\u002FHesselink is gedeeld. Daaruit blijkt dat [verzoekster] niet de intentie heeft gehad om hierover te liegen. Dit blijkt eveneens uit het gespreksverslag van het hoorgesprek, waarin is opgenomen dat [verzoekster] altijd in de veronderstelling verkeerde dat Het Stedelijk op de hoogte was van haar stage. Dat [verzoekster] op enig moment argwanend werd en hierdoor minder openhartig sprak over haar arbeidsongeschiktheid en stage, is gelet op de correspondentie van Het Stedelijk waarin zij direct dreigde met een loonsanctie niet onbegrijpelijk.\n\n5.6.. Of [verzoekster] ook daadwerkelijk heeft gelogen op 2 maart 2026 over het informeren van de werkgever zoals haar wordt verweten in de ontslagbrief onder het vierde aandachtsstreepje en waarover dan precies, is niet duidelijk geworden omdat het gespreksverslag van 2 maart 2026 in dat opzicht niet helder is. Als bedoeld is dat [verzoekster] in het gesprek van 2 maart 2026 heeft gelogen over het al dan niet voortzettenvan de stage na de ziekmelding bij [teamleider] en [HR-adviseur] dan bevreemdt het dat [verzoekster] hiermee niet is geconfronteerd door [HR-adviseur] aangezien zij ook deelnam aan het gesprek op 2 maart 2026.\n\n5.7.. Uit de verklaring van [teamleider] , neergelegd in de e-mail van 11 mei 2026 zou afgeleid kunnen worden dat [verzoekster] tegen haar gezegd zou hebben dat zij met de stage is gestopt vanwege arbeidsongeschiktheid, maar dat is naar de letter genomen niet aan het ontslag ten grondslag gelegd. Ook is die verklaring door [verzoekster] gemotiveerd betwist en door Het Stedelijk niet nader onderbouwd. Bovendien behoeft [verzoekster] als werkneemster geen openheid van zaken te geven over haar arbeidsongeschiktheid tegenover haar leidinggevende, zolang zij dit wel doet tegenover de bedrijfsarts.\n\n5.8.. Zelfs als zou komen vast te staan dat [verzoekster] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven aan [teamleider] over de voortzetting van de stage na 8 oktober 2025 is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van rechtsgeldig ontslag op staande voet. Hierbij is van belang dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is en rekening gehouden dient te worden met onder meer de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] . [verzoekster] is sedert oktober 2025 arbeidsongeschikt en uit de rapportages van de bedrijfsarts van januari en februari 2026 blijkt dat van benutbare mogelijkheden geen sprake is. Ook uit de rapportage van Het Roessingh blijkt dit niet. Juist bij een zieke werknemer dient een ontslag op staande voet nog terughoudender te worden ingezet: deze is per direct van een inkomen verstoken en kan vanwege de arbeidsongeschiktheid ook geen vervangend inkomen verwerven.\n\n5.9.. Dat de handelwijze van [verzoekster] Het Stedelijk schade heeft berokkend doordat re-integratiemogelijkheden zijn gemist zoals bepleit door Het Stedelijk, is veel tekort door de bocht. Daar had dan eerst nader onderzoek naar moeten worden gedaan door de bedrijfsarts en bovendien is dat niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Ook is het dan maar de vraag of Het Stedelijk in dat geval voortvarend genoeg heeft gehandeld: als het voor Het Stedelijk zo belangrijk was, dan had zij na de e-mailwisseling van 1 december 2025 tussen [teamleider] en Hesselink nader onderzoek moeten instellen en dat niet pas medio februari 2026 moeten doen.\n\n5.10.. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet geen sprake is.\n\nGefixeerde schadevergoeding5.11.. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.[verzoekster] heeft ter zitting gesteld dat de opzegtermijn drie maanden beloopt en dat eerst tegen 1 juli 2026 had kunnen worden opgezegd. Het Stedelijk heeft dit niet betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van deze opzegtermijn, waardoor de gefixeerde schadevergoeding gelijk is aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn van 4 maart 2026 tot en met 30 juni 2026, te weten € 9.318,31bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten.\n\nBillijke vergoeding5.12.. Ook het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.\n\n5.13.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\n5.14.. De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 3.000,00 bruto. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. [verzoekster] was ten tijde van het ontslag op staande voet circa anderhalf jaar in dienst. De arbeidsovereenkomst zou tot en met 31 juli 2026 hebben voortgeduurd, aangezien de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op dat moment zou aflopen en [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het dienstverband hierna zou zijn voortgezet, gelet op haar arbeidsongeschiktheid en de miscommunicaties tussen haar en haar leidinggevende. Ook wordt rekening gehouden met de hoogte van de hiervoor toegekende gefixeerde schadevergoeding.\n\n5.15.. Het Stedelijk zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van 3.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\nTransitievergoeding5.16.. Het verzoek om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is.Het Stedelijk wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.491,15 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 5 april 2026.\n\nVoorlopige voorziening5.17.. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoekster]. Ook heeft [verzoekster] haar verzoek gewijzigd en berust in het ontslag op staande voet zodat ook om die reden geen grond zou bestaan voor de gevraagde voorlopige voorziening.\n\nProceskosten5.18.. De proceskosten komen voor rekening van Het Stedelijk, omdat Het Stedelijk overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.274,00 (€ 265,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 3.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.2.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 9.318,31 bruto, te vermeerderen met vakantietoeslag en overige emolumenten,\n\n6.3.. veroordeelt Het Stedelijk om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 1.491,15 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt Het Stedelijk in de proceskosten van € 1.274,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Het Stedelijk niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.5.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n EA\n\n Met toestemming van [verzoekster] mocht de rapportage worden gedeeld met de verwijzer (bedrijfsarts) en de huisarts.\n\n Op 11 mei 2026 heeft Hesselink nogmaals dezelfde reactie gegeven aan [HR-adviseur] .\n\n Artikel 7:672 lid 11 BW.\n\n Restant maart (€ 2.407,23:31 x 27) + april, mei en juni (3 x € 2.407,23).\n\n Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.\n\nKamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Artikel 7:673 lid 1 BW.\n\n Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3652","ecli-nl-rbove-2026-3652",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":42,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"1678","ECLI:NL:RBOVE:2026:3798","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Enschede\n\nZaaknummer: 12024571 \\ RR FORM 25-34\n\nVonnis van 23 juni 2026 in de experimentele procedure bij de kantonrechter als regelrechter\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neisende partij, hierna te noemen: [eiseres] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,\n\nUNIQUE PRODUCTS INTERNATIONAL B.V.,h.o.d.n. PLEASUREMENTS,\n\ngevestigd te Hengelo,\n\ngedaagde partij, hierna te noemen: Pleasurements,\n\nvertegenwoordigd door [naam 2].\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het aanvraagformulier van [eiseres] ;\n\n- het reactieformulier van Pleasurements;\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026.\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1. \n [eiseres] heeft een cadeaubon ter waarde van € 1.500,00 gekregen voor de aankoop van lingerie met daarbij persoonlijke service en een fles champagne. De fysieke winkel is vervolgens gesloten waardoor [eiseres] de cadeaubon niet meer in de winkel met persoonlijke service en champagne kon besteden. [eiseres] heeft daarom gevraagd om het geld terug te krijgen. Pleasurements heeft toegezegd daaraan te zullen voldoen, maar is niet tot betaling overgegaan.\n\n2.2. De regelrechter komt in deze zaak tot de conclusie dat Pleasurements de gedane toezeggingen – moet nakomen. Dit betekent dat Pleasurements het bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] moet betalen.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [eiseres] heeft in 2023 een cadeaubon van Pleasurements ter waarde van € 1.500,00 gekregen van haar partner. Met deze bon zou [eiseres] twee uur de tijd krijgen om in de winkel – met een fles champagne en persoonlijke service – lingerie uit te kiezen.\n\n3.2. \n [eiseres] kwam medio april 2024 tot de ontdekking dat de winkel is gesloten. Zij nam daarover contact op met de klantenservice van Pleasurements:\n\n [eiseres] (11 april 2024)\n\n(…)\n\nIk zag dat jullie winkel gesloten is helaas. Ik heb nog een cadeaubon van €1500 van jullie…gekregen van mijn man.\n\nWat nu??\n\nHoor graag van jullie.\n\n(…)\n\nPleasurements (11 april 2024)\n\n‘(…) Terechte vraag zou ik zeggen :). En natuurlijk is die cadeaubon nog geldig, je kan bestellen via onze website en het nummer van de kadobon gebruiken. (…)’.\n\n [eiseres] (12 april 2024)\n\nIs er ook mogelijkheid tot teruggave van geld? Toch ook gedaan voor de hele ervaring met zn 2tjes. (…)’\n\nPleasurements (14 april 2024)\n\n‘(…) In principe geven we op een kadobon geen geld terug. In onze webshop kan je alles bestellen wat ook in de winkel verkrijgbar is. Voor het missen van de \"experience\" zal ik een extra kadobon van € 100,00 aanmaken, deze krijg je de komende dagen per email. (…)’\n\n [eiseres] (14 april 2024)\n\n‘(…) Dank voor antwoord! Ik snap dat en heel lief dat je extra kadobon wil geven. Maar zou toch echt liever het geld terug krijgen, ik wil graag alles passen en best lastig bestellen voor zo’n groot bedrag. (…)’\n\nPleasurements (17 april 2024)\n\n‘(…) We gaan de cadeaubon terugbetalen, alleen één klein administratief punt. Ik kan de bon de bon niet vinden op jou naam. Als je man de bon heeft besteld zal dit wellicht op zijn naam en mailadres zijn… :) … Als je dat doorgeeft maken we het in orde. (…) Team Pleasurements. [naam 1] . (…)’\n\nPleasurements 23 april 2024\n\n(…) Dank voor het opgestuurde betaalbewijs. Echter, op basis van de nu beschikbare informatie gaan we niet over tot terugbetaling van het bedrag. De cadeaubon is ruim een jaar geleden aangeschaft, dat betekent dat redelijkerwijs dat je tijd en ruimte voldoende hebt gehad om de bon in de winkel te besteden. (…)’\n\n3.3. \n [eiseres] heeft vervolgens geprobeerd de cadeaubon uit te geven op de webshop van Pleasurements. Dit is niet gelukt.\n\n3.4. Op 29 mei 2024 is de besloten vennootschap ‘Unique Products International B.V.’, handelend onder de naam ‘Pleasurements’, opgericht. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is sinds de oprichting enig aandeelhouder van Pleasurements.\n\n4. Het geschil\n\nDe vordering4.1. \n [eiseres] vordert – samengevat – veroordeling van Pleasurements tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 en de proceskosten van € 226,00.\n\n4.2. \n [eiseres] legt aan het gevorderde ten grondslag dat Pleasurements heeft toegezegd het bedrag van € 1.500,00 terug te betalen. Pleasurements heeft zich niet aan deze toezegging gehouden.\n\nHet verweer4.3. Het voornaamste verweer van Pleasurements is, dat ‘Unique Products International B.V.’ h.o.d.n. Pleasurements, in mei 2024 de website en handelsactiviteiten heeft overgenomen. Deze overname heeft plaatsgevonden zonder overname van schulden, verplichtingen of aanspraken uit het verleden. Pleasurements is dus niet gebonden aan eventuele toezeggingen van haar voorganger.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1. Aan de orde is of [eiseres] nakoming van de toezegging kan vorderen van Pleasurements, nu [eiseres] haar vordering hierop heeft gegrond en Pleasurements de grond betwist.\n\n5.2. Pleasurements voert hiertoe aan dat – nadat [eiseres] contact heeft gehad met [naam 1] over de terugbetaling van de cadeaubon en [naam 1] de toezegging tot terugbetaling heeft gedaan – het bedrijf is overgegaan op ‘Unique Products International B.V.’. Deze overname heeft plaatsgevonden zonder overname van schulden, verplichtingen of aanspraken uit het verleden. Pleasurements is dus niet gebonden aan afspraken die voor de overname zijn gemaakt. [eiseres] heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt dat zij met Pleasurements een regeling heeft getroffen en nu vordert zij nakoming van Pleasurements van die regeling. Een overname doet hier niets aan af.\n\n5.3. De regelrechter overweegt als volgt. Vast staat dat [eiseres] in april 2024 e-mailcontact heeft gehad met [naam 1] , handelende namens ‘Pleasurements’. En dat [naam 1] [eiseres] de toezegging heeft gedaan om het bedrag terug te betalen. Vanuit welke rol of functie [naam 1] dat heeft gedaan is niet gesteld. Vervolgens heeft [naam 1] als enig aandeelhouder van ‘Unique Products International B.V.’ de activiteiten en handelsnaam van Pleasurements overgenomen. [naam 1] was zelf ter mondelinge behandeling niet aanwezig. Zij kon daarom niet verklaren waarom zij de door haar gedane toezegging vóór de overname niet is nagekomen. Ook is niet gebleken dat zij [eiseres] heeft geïnformeerd over de overname en heeft gewaarschuwd dat na de overname de toezegging van Pleasurements niet meer geldig zou zijn. Gelet hierop heeft [eiseres] er van uit mogen gaan dat [naam 1] haar namens Pleasurements gedane toezegging ook na de overname van Pleasurements zou nakomen.\n\n5.4. Daarnaast is ter zitting vast komen te staan dat alle cadeaubonnen na de overname gewoon nog konden worden besteed. Pleasurements kon alle gegevens van deze cadeaubonnen en de daarbij behorende klantgegevens ook terugvinden in het overgenomen klantenbestand. De toezegging dat de bonnen geldig zouden blijven en online besteed zouden kunnen blijven is ook aan [eiseres] meerdere keren gedaan. Nu alle cadeaubonnen na de overname hun geldigheid hebben behouden, en dus zijn overgenomen, is daarmee ook de toezegging van Pleasurements om de cadeaubon terug te betalen (zie 3.2.) blijven bestaan. Pleasurements dient deze toezegging alsnog na te komen. Pleasurements wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [eiseres] . Alle overige verweren behoeven geen bespreking omdat deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.\n\nProceskosten5.5. Omdat Pleasurements in het ongelijk is gesteld, moet zij de proceskosten van [eiseres] betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op het griffierecht van € 226,00 en reis- en verletkosten van € 50,00.\n\n6. De beslissing\n\nDe regelrechter:\n\n6.1. veroordeelt Pleasurements tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 aan [eiseres] ;\n\n6.2. veroordeelt Pleasurements tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 276,00;\n\n6.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3798","ecli-nl-rbove-2026-3798",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]