[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-haarlem":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},67,"Haarlem","nl","first_instance","administrative",[11,24,32,40,47,54,62,71,79,88,95,103,110,117,124,132,139,146,154,162],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"655","ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12012968 \\ CV EXPL 25-8446\n\nVonnis van 1 juli 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Claassen,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nMOBILITY CAR LEASE B.V.,\n\nte Nieuw-Vennep,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: MCL,\n\ngemachtigde: mr. S. Aartsen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties;\n\n- de conclusie van antwoord met tegenvordering en producties;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie met een productie;\n\n- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van MCL.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Op 13 september 2022 hebben partijen een leaseovereenkomst gesloten met betrekking tot een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Volkswagen). Achter contractvorm is daarin vermeld “Netto operationeel”.\n\n2.2.. In diezelfde periode heeft MCL ook een auto (Citroën C3) aan mevrouw [betrokkene 1] (de toenmalige vriendin van [eiser] ) in lease gegeven.\n\n2.3.. MCL stond op dat moment onder leiding van statutair bestuurder en aandeelhouder [betrokkene 2] .\n\n2.4.. In 2024 is [betrokkene 3] (mede)aandeelhouder en statutair bestuurder van MCL geworden. [betrokkene 2] is in het laatste kwartaal van 2024 ontslagen als statutair bestuurder van MCL.\n\n2.5.. \n [eiser] is van september 2024 tot februari 2025 gedetineerd geweest.\n\n2.6.. Op 26 november 2024 heeft MCL aangifte gedaan van verduistering van de Volkswagen om deze te kunnen traceren.\n\n2.7.. Op 12 december 2024 heeft [betrokkene 4] (de neef van [eiser] ) namens [eiser] contact opgenomen met [betrokkene 2] en gevraagd of hij de afspraken die hij met [eiser] had gemaakt over de afkoop van de Golf aan zijn compagnon [betrokkene 3] had doorgegeven. [betrokkene 2] heeft hier als volgt op gereageerd: “Hi [betrokkene 4] , hij weet dat ik dat heb besproken in augustus. Maar zal hem dit nogmaals doorgeven. Of hij het er mee eens is is een tweede maar dat kun je het best met hem bespreken. Hij is niet onredelijk. Ik werk voorlopig helemaal niet dus kan het zelf niet meer afwikkelen.”\n\n2.8.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens dezelfde dag aan [betrokkene 4] laten weten dat hij het niet met de gemaakte afspraken eens is:\n\n“(…) ik zie niet in waarom ik een auto voor 10k zou verkopen die 25-30k waard is en waarbij er ook nog een opstaande vordering staat van bijna 20k. in mijn ogen loop ik dan bijna 40k mis?”“ik sta voor veel open maar ben niet de Sinterklaas van MCL! Ik eis dan ook bij deze op voorhand de auto met kenteken [kenteken 1] op zodat deze bij ons in het bezit komt!”2.9.. \n [betrokkene 4] heeft daarop aan [betrokkene 3] onder meer het volgende bericht:\n\n“Volgens mij heb je genoeg autos rijden, waarin sander dubieuze zaakjes heeft gedaa. (…) Wil je het opgelost hebben of niet? Je kan mij een auto “eisen” maar ik heb je auto niet (…) In mijn ogen kan je 10k krijgen, of een rare houding naar mij hebben en dsn heb je niks.Kan je een auto gestolen gana opgeven (…) Ook zit [eiser] nog wel een aantal jaartjes vast dus denk niet dat die wakker ligt van je aangifte over een gestolen auto. (…) Dus even een toontje lager zingen makker met je sinterklaas en eisen. (…) Ik ben geen straatschooier (…) Heb jou golfje niet nodig.(…) Misschien even 3 keer nadenken voor dat je degene die iedereen helpt een houdingkje geeft”\n\n2.10.. Eind januari 2025 heeft de politie de Volkswagen in [plaats 2] (voor de deur van het huis van de vader van [eiser] ) aangetroffen. De Volkswagen is vervolgens overgebracht van de politie Rotterdam naar Arnhem.\n\n2.11.. \n [betrokkene 4] heeft op 26 januari 2025 aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Hi [betrokkene 3] Ik heb van [eiser] begrepen dat jullie er uit zijn gekomen omtrent de auto Ik ben tm donderdag in nederland , dus ik kan morgrn of woensdag even langs je rijden Kan je een contract voorbereiden?”\n\n2.12.. \n [betrokkene 3] heeft hier op 27 januari 2025 als volgt op gereageerd: “Dag [betrokkene 4]Min of meer klopt dat inderdaad. De bank is donderdag middag akkoord gegaan met een verkoop van 12500 in in. Ik heb [eiser] daar nog niet over gesproken overigens. Wel is ook afgesproken dat de auto zal worden geëxporteerd en wij de documenten krijgen om de rest bpm terug te vorderen. Kan de auto op naam van [eiser] worden uitgevoerd of een andere naam en waar kan die factuur naar toe worden gestuurd?Betaling moet op onze DFM bank (…) worden bijgeschreven en dan geeft DFM mij de voorbehoud codes en kan ik tenaamstelling maken voor jullie. Gezien vakanties is er op dit moment niemand op kantoor. Ikzelf ben er donderdag weer. Hoor graag wat mogelijk is. Daarna vervallen alle vorderingen van MCL op [eiser] . Die van zijn vriendin blijft doorgaan.”\n\n2.13.. \n [betrokkene 4] heeft daarop dezelfde dag gereageerd:\n\n“Hi [betrokkene 3]Volgens mij is dat niet wat is besproken. Maargoed succes daarmee. Bel eerst maar met [eiser] en dan hoor ik het wel. (…)Maargoed dit is nu de 2e keer dat je me ontloopt als ik in nederland ben. Ik geef het door aan [eiser] . Zo belangrijk is hij niet voor je merk ik. Overigens zie ik eerst een contract tegemoet voordat je een faktuur stuurt. Maar wacht dasr maar mee Lijkt me goed dat je eerst met [eiser] belt. Want ik weet zeker dat hij van wat je nu zegt niet vrolijk word.”\n\n2.14.. \n [betrokkene 3] heeft nog diezelfde dag aan [betrokkene 4] uitgelegd dat de bank niet akkoord ging met een bedrag lager dan € 12.500,00 en dat hij [eiser] daarover had gesproken.\n\n2.15.. \n [betrokkene 4] reageert daarop met:\n\n“Ja dan zal ik je aan advies geven; dan kan je zelf ook de rest bijleggen.Je weet hoe [eiser] is :) Dat excuusje van de bank gaat er bij niemand in ha ha..”\n\n2.16.. Op 11 februari 2025 heeft [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] bericht dat de auto terecht is en dat de volgende stap was om de status van de auto als gestolen voertuig eraf te krijgen. Hij bericht verder: “Kun jij laten regelen dat wij de sleutels van de auto Krijgen en dan naar de politie kunnen?? Hoor graag. Volgens mij waren die bij de pa van [eiser] ”En op 12 februari 2025 in antwoord op de vraag van [betrokkene 4] of hij met [eiser] een akkoord heeft omtrent de auto:“Ja 12500 vast bedrag. Maar moet de auto nu eerst vrij krijgen”.\n\n2.17.. Op 14 februari 2025 heeft de RDW de kentekenregistratie van de Volkswagen weer actief gemaakt.\n\n2.18.. Op 19 februari 2025 bericht [betrokkene 3] aan [betrokkene 4] : “Ik wacht nog op de sleutels en accu via zijn pa om alles vrij te krijgen. Politie Arnhem is reeds akkoord (…)”\n\n2.19.. Op 21 februari 2025 heeft [betrokkene 3] een verklaring opgesteld en ondertekend:\n\n“Hierbij verklaart ondergetekende het volgende wat wij gezamenlijk zijn overeengekomen. Mobility Car Lease BV (MCL) verkoopt aan u de Volkswagen Golf (5-d) 2.0tsi r 221kW 4-motion dsg met kenteken [kenteken 2] voor een bedrag van € 12.500 in de BTW in de BPM. Deze verkoop wordt beoogd rond 1 maart 2025 plaats te vinden. Tevens zal door het verkopen van deze auto uw openstaande debiteuren vordering komen te vervallen conform afspraak.De vordering op debiteur mevrouw [betrokkene 1] voor het kenteken [kenteken 3] vallen buiten deze regeling en zult u zoals besproken voldoen.Indien de auto verkocht gaat worden via een onderneming in Spanje, zoals dit is besproken, zal de verkoopprijs exclusief BTW plaatsvinden. Per 1 maart 2025 gaan we uit van een rest BPM bedrag van € 2.698. hierdoor zal de verkoopprijs aan een BTW plichtig ondernemer in Spanje afgerond € 10.800 Ex BTW in BPM bedragen. Wij ontvangen nog wel graag de autosleutels en accu zoals met elkaar besproken, zodat we de auto gezamenlijk met de politie weer bij RDW kunnen vrij krijgen. Deze laatste is inmiddels op de hoogte en zal hier ook aan meewerken.”\n\n2.20.. Op 22 februari 2025 heeft [betrokkene 3] deze verklaring via WhatsApp aan [betrokkene 4] toegezonden.2.21.. Op 22 en 23 februari 2025 heeft [betrokkene 4] namens [eiser] aan [betrokkene 3] gevraagd om de verklaring op meerdere punten te verduidelijken. Daarbij heeft [betrokkene 4] aangegeven “Verhaal th Verhulp hoeft niet in onze overeenkomst want heeft er niks mee te maken”.\n\n2.22.. Op 1 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“ [betrokkene 3] , zullen we deze zaak eens afronden? Je bent erg moeilijk te bereiken , en elke dag dat de auto daar staat komen er opsagkosten bij. En ik ga deze zeker niet betalen, omdat jij niet bereikbaar bent en de auto daar onnodig lang staat. Dus ik denk dat het in beide ons belang is dat we dit afronden”\n\n2.23.. Op 6 maart 2025 heeft [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Me geduld is een beetje op aan t raken”\n\n“Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?”\n\n2.24.. Op 7 maart 2025 heeft [eiser] aan [betrokkene 3] bericht:\n\n“Gaan we die golf regelen of ga je fratsen hebben”\n\n2.25.. \n [betrokkene 3] heeft vervolgens op 7 maart 2025 [eiser] bericht:\n\n“Ik heb intern alles geregeld. Heb alle openstaande vorderingen van [eiser] en Verhulp afgeboekt, totaal 30k. Er zijn geen openstaande schulden en of vorderingen meer over en weer. De Golf heb ik ook als verlies geboekt voor 28k, totaal dus 58k. Hiermee is voor mij het boek gesloten en zoekt de politie maar uit wat ze verder doen. Graag zou ik wel de C3 terug willen. Graag een adres doorsturen waar Autoinspectie deze kan gaan ophalen”\n\n(…)\n\n“Ik zou sleutels krijgen vd golf ik zou betalingen ontvangen etc. Allemaal niet gebeurd. Voor mij is nu het boek gesloten, en ga verder met de business. Alle contracten, als die er al waren, zijn hierbij klaar, en jij hebt geen openstaande facturen meer bij MCL.”\n\n2.26.. \n [eiser] bericht [betrokkene 3] daarna: “Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat”, waarop [betrokkene 3] antwoordt:“Ja dat klopt, heb alles nu afgeboekt. boek gesloten.”\n\n2.27.. De Volkswagen is inmiddels in eigendom overgedragen aan een derde.\n\n3. Het geschil\n\nin conventie\n\n3.1.. \n [eiser] vordert na vermindering van eis - samengevat - veroordeling van MCL tot betaling van € 24.563,00, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat MCL tekort is geschoten in haar verplichting tot levering van de Volkswagen, zoals deze uit de koopovereenkomst van 21 februari 2025 voortvloeit. Omdat nakoming van de koopovereenkomst niet langer mogelijk is, is MCL schadeplichtig.\n\n3.3.. MCL voert verweer en MCL concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .\n\n3.4.. MCL voert aan dat het afgeven van de accu en de sleutels van de Volkswagen aan MCL, alsmede het door [eiser] voldoen van de vordering(en) van MCL op Verhulp, ontbindende voorwaarden waren voor de overdracht van de Volkswagen. [eiser] heeft daaraan niet voldaan en dus heeft MCL de koopovereenkomst op 7 maart 2025 rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n3.6.. MCL vordert (na verduidelijking van de eis ter zitting) - samengevat - een verklaring voor recht dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 21 februari 2025 en een veroordeling van [eiser] tot betaling van de openstaande schuld van Verhulp van € 6.220,97.\n\n3.7.. \n [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van MCL.\n\n3.8.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nin conventie\n\n4.1.. De kern van dit geschil gaat om de vraag of MCL gerechtigd was om de overeenkomst te ontbinden vanwege een tekortkoming van [eiser] , dan wel of MCL zelf tekort is geschoten door de overeenkomst niet na te komen. Daarvoor is allereerst van belang om vast te stellen wat partijen precies hebben afgesproken.\n\n4.2.. Het antwoord op de vraag wat partijen met elkaar hebben afgesproken, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg. Dit wordt ook wel de Haviltex-maatstaf genoemd.\n\n4.3.. De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst niet los kan worden gezien van de voorgeschiedenis tussen partijen. [eiser] stelt dat hij met [betrokkene 2] (de voormalig statutair bestuurder van MCL en de ex-compagnon van [betrokkene 3] ) in afwijking van gesloten leaseovereenkomst nadere afspraken had gemaakt over de (af)koop van de Volkswagen. [betrokkene 3] kende deze afspraken niet en wilde daar na het vertrek van [betrokkene 2] bij MCL aanvankelijk niets van weten. Dit heeft geleid tot een lange, moeizame, onprettige en op momenten zelfs dreigende discussie tussen partijen. Tegen die achtergrond heeft [betrokkene 3] uiteindelijk ingestemd met verkoop van de Volkswagen aan [eiser] voor een bedrag van € 12.500,00 en het vervallen van alle openstaande schulden van [eiser] bij MCL, kennelijk om een einde te maken aan de ontstane situatie en verdere confrontaties te voorkomen. Vast staat dat de Volkswagen op dat moment een aanzienlijk hogere waarde had. De kantonrechter leidt uit de omstandigheid dat de bank er desondanks mee instemde om de financiering van de auto te beëindigen door verkoop aan [eiser] voor € 12.500,00 af dat (ook) de bank de noodzaak tot snelle sluiting van dit dossier inzag.\n\n4.4.. \n [betrokkene 3] heeft de gemaakte afspraken vervolgens op papier gezet en in de schriftelijke verklaring van 21 februari 2025 (2.19) aangegeven dat MCL zoals besproken de autosleutels en de accu van de Volkswagen wenste te ontvangen, zodat partijen de Volkswagen (samen met de politie) bij de RDW vrij konden krijgen. Hoewel [betrokkene 4] (namens [eiser] ) meerdere opmerkingen over de inhoud van de verklaring heeft gemaakt en verschillende wijzigingen heeft voorgesteld, heeft hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de genoemde afgifte van de sleutels en de accu, zodat MCL ervan mocht uitgaan dat hierover overeenstemming tussen partijen bestond.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat de afspraak tot afgifte van de sleutels en de accu onlosmakelijk verbonden is met de verkoop van de Volkswagen en moest worden nagekomen voordat de auto aan [eiser] geleverd kon worden. Deze zaken waren immers noodzakelijk om de auto vrij te kunnen krijgen en vervolgens aan [eiser] te leveren. MCL heeft [eiser] daar (via [betrokkene 4] ) op 11, 12 en 19 februari 2025 ook op gewezen. Hoewel geen fatale termijn is overeengekomen, volgt uit de verklaringen van partijen dat zij de verkoop en overdracht van de Volkswagen snel, uiterlijk rond 1 maart 2025 wensten af te ronden.4.6.. Vaststaat dat [eiser] de sleutels en accu van de Volkswagen niet aan MCL heeft afgegeven. Dit levert een tekortkoming aan de zijde van [eiser] op. MCL heeft geen ingebrekestelling aan [eiser] gestuurd. In beginsel is een ingebrekestelling voor het intreden van verzuim wel vereist. De kantonrechter is echter van oordeel het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van MCL kon worden gevergd om [eiser] in gebreke te stellen. Daartoe is redengevend dat [eiser] zélf de nakoming van de koopovereenkomst heeft gefrustreerd door MCL de noodzakelijke medewerking te onthouden. MCL hoefde er, gezien de voorgeschiedenis en de toon van de herhaalde berichten van (en namens) [eiser] waarin werd aangedrongen op afronding en uitvoering van de overeenkomst, geen vertrouwen meer in te hebben dat [eiser] na ingebrekestelling alsnog tot afgifte van de sleutels en de accu van de Volkswagen zou overgaan. Ook de (dreigende) toon van de berichten van (en namens) [eiser] aan [betrokkene 3] (‘Ga je het nog regelen of heb je wat motivatie nodig?’ en‘of ga je fratsen hebben’) maakt dat van MCL naar redelijkheid en billijkheid geen ingebrekestelling kon worden verlangd. Het verzuim van [eiser] is daarom ingetreden zonder ingebrekestelling.\n\n4.7.. \n [betrokkene 3] stelt dat hij de overeenkomst op 7 maart 2025 buitengerechtelijk heeft ontbonden. [eiser] betwist dit weliswaar, maar de kantonrechter gaat daaraan voorbij. Het bericht van [betrokkene 3] aan [eiser] van 7 maart 2025 (2.25) moet gezien de inhoud daarvan en tegen de achtergrond van de verdere communicatie tussen partijen als een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring worden beschouwd en [eiser] had dit redelijkerwijs ook zo moeten begrijpen. Dat heeft hij ook gedaan gezien zijn reactie ‘Dus je zegt nu dat de deal met de Golf niet doorgaat’(2.26).\n\n4.8.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tekortkoming van [eiser] ontbinding door MCL van de overeenkomst rechtvaardigde en dat MCL de overeenkomst daarmee op goede gronden buitengerechtelijk heeft ontbonden. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] in conventie dan ook af. De stelling van MCL dat [eiser] (ook) de afspraak dat hij de schuld van Verhulp aan MCL zou betalen moest nakomen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou leveren, behoeft in conventie daarom geen bespreking.\n\nin reconventie\n\n4.9.. MCL legt aan haar vordering in reconventie ten grondslag dat [eiser] zich bij de overeenkomst van 21 februari 2025 heeft verplicht de openstaande schuld van Verhulp aan MCL voorafgaand aan de levering van de Volkswagen te betalen. Die verplichting is [eiser] niet nagekomen, op grond waarvan MCL de overeenkomst terecht heeft ontbonden. [eiser] is gehouden de schade die MCL daardoor heeft geleden aan haar te vergoeden. De schade van MCL bedraagt € 6.220,97, het bedrag van de nog altijd openstaande schuld van Verhulp aan MCL.\n\n4.10.. De kantonrechter stelt vast dat de aflossing van de schuld van Verhulp aan MCL door partijen buiten de ‘deal’ over de Volkswagen (waarbij [eiser] de Volkswagen mocht overnemen voor € 12.500,00 en MCL de openstaande vorderingen van MCL op [eiser] zou kwijtschelden) is gehouden. In de verklaring van 21 februari 2025 staat ook expliciet dat de vorderingen van MCL op Verhulp ‘buiten deze regeling vallen’. Dit blijkt verder uit de WhatsApp-correspondentie tussen [betrokkene 3] (17 januari 2025 (2.12): ‘Die [vordering] van zijn vriendin blijft doorgaan.’) en [betrokkene 4] (23 februari 2025 (2.21): ‘Verhaal th Verhulp (…) heeft er niks mee te maken’). De stelling van MCL dat [eiser] gehouden was eerst de schuld van Verhulp in te lossen voordat MCL de Volkswagen aan [eiser] zou (hoeven) leveren, kan de kantonrechter daarom niet volgen. De ontbinding van eerdergenoemde deal heeft dan ook voor deze afspraak geen gevolg gehad en de overeenkomst bestaat in zoverre nog. MCL vordert echter geen nakoming van de gestelde afspraak, maar schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkoming door [eiser] . Zonder nadere onderbouwing kan de vordering op deze grondslag niet slagen.\n\n4.11.. De vordering kan ook om andere reden niet worden toegewezen. MCL heeft bij monde van [betrokkene 3] op 7 maart 2025 immers aan [eiser] laten weten dat hij (ook) de schuld van Verhulp heeft afgeboekt en dat hij de zaak daarmee als afgesloten beschouwt. Daarmee is juridisch gezien sprake van een kwijtschelding zoals bedoeld in artikel 6:160 van het Burgerlijk Wetboek. Het vorderingsrecht van MCL op [eiser] ter zake van de schuld van Verhulp is daarmee teniet gegaan. De vordering van MCL tot betaling van € 6.220,97 wordt daarom afgewezen.\n\nde proceskosten in conventie en in reconventie\n\n4.12.. De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval en het feit dat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, aanleiding om de proceskosten in conventie en reconventie te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nin conventie\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\nin reconventie\n\n5.4.. wijst de vorderingen van MCL af,\n\n5.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Hoge Raad 3 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7520","ecli-nl-rbnho-2026-7520",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"1311","ECLI:NL:RBNHO:2026:8119","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: HAA 24\u002F2260, 24\u002F6354, 24\u002F6355 en 24\u002F8196\n uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiser] uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: R.O. Fischer),\n\nen\n\n1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Opmeer2. de raad van de gemeente Opmeer,\n\n(gemachtigden: D.E.E.A. de Koning Joukes, mr. C. Grim en S.C. van den Berg).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de beslissingen die het college heeft genomen naar aanleiding van een viertal verzoeken van eiser tot openbaarmaking van informatie. Eiser is het niet eens met die beslissingen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissingen.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier er naar informatie is gezocht. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er desondanks méér openbaar te maken informatie voorhanden zou moeten zijn. Eiser heeft evenmin met succes aangevoerd dat het college ten onrechte heeft geweigerd (delen van) documenten openbaar te maken. Ten aanzien van de geheime raadsstukken heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat er nog voldoende grond was voor geheimhouding van die stukken. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n1.2.. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft in de periode van 2 december 2022 tot en met 31 januari 2024 een viertal verzoeken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). De verzoeken gaan kort samengevat over openbaarmaking van informatie over de verwerving van gronden in Hoogwoud-Oost ten behoeve van de ontwikkeling van woningbouw. Het college heeft bij afzonderlijke besluiten op die verzoeken beslist. Eiser heeft steeds bezwaar gemaakt. Bij drie van de vier beslissingen op de bezwaren heeft het college meer informatie openbaar gemaakt.2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar.\n\n2.2.. Het college heeft de niet openbaar gemaakte stukken met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank toegestuurd.\n\n2.3.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft daar schriftelijk op gereageerd.\n\n2.4.. De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser met mr. [naam 1] , en de gemachtigden van het college.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nWat ging er aan de beroepen vooraf?\n\n3. Op 18 januari 2022 heeft het college aan de gemeenteraad van Opmeer een voorstel gedaan tot het verwerven van grond in Hoogwoud-Oost voor de ontwikkeling van woningbouw.\n\n3.1.. Naar aanleiding daarvan heeft eiser op 1 februari 2022, 30 april 2022, 18 juli 2022, 4 oktober 2022 en 21 februari 2023 informatieverzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur en de Woo ingediend bij het college. In zijn verzoeken vraagt hij onder meer om openbaarmaking van de inhoud van afspraken die zijn gemaakt ten aanzien van de (mogelijke) samenwerkingsovereenkomst met de combinatie KlokGroep\u002F Kuin \u002FUSP, alle vormen van overleg en gegevensuitwisselingen die er zijn geweest tussen en met potentiële gegadigden anders dan de combinatie KlokGroep\u002FKuin \u002FUSP over de verkoop van de grond in Hoogwoud-Oost, onderzoek naar het al dan niet voldoen aan het arrest van de Hoge Raad in de zaak Didam van 26 november 2021, met betrekking tot gronduitgifte, alle verdere informatie met betrekking tot de verwerving van de grond, al dan niet samen met de combinatie KlokGroep\u002F Kuin \u002FUSP voor zover niet al in het verzoek aangestipt en alle informatie met betrekking tot alle voorgenomen plannen die verband houden met de ontsluiting van de te verwerven grond met al bestaande of nieuw te ontwikkelen infrastructuur.De verzoeken hebben steeds betrekking op een andere periode.\n\n3.2.. De beslissingen op bezwaar met betrekking tot de besluiten op de onder 3.1 genoemde informatieverzoeken waren onderwerp van geschil in een vijftal beroepen waarop door deze rechtbank op 16 juli 2025 is beslist.Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.\n\n3.3.. De vier informatieverzoeken waarop de onderhavige beroepen betrekking hebben, hebben allen dezelfde strekking als omschreven in 3.1, maar hebben betrekking op vier verschillende periodes.\n\nBeoordeling van de beroepen\n\n4. Eiser heeft beroep ingesteld op gronden die hierna worden besproken, voor zover voor de beslissing van belang. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte documenten.\n\nStrijd met de goede procesorde\n\n5. Eiser heeft op de zitting een pleitnota overhandigd met daarbij een bijlage. Het college heeft op zitting het standpunt ingenomen dat deze bijlage wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet blijven. Volgens het college valt niet in te zien waarom de daarin opgenomen standpunten niet eerder door eiser naar voren konden worden gebracht en bovendien is het college niet in staat om daar op de zitting adequaat op te reageren.\n\n5.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)volgt dat later in de procedure nog nadere gegevens of nadere stukken ter onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt mogen worden ingediend. Dat mag alleen niet als dat in strijd is met de goede procesorde. Er is sprake van strijd met de goede procesorde als die nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend, dat de andere partij wordt belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.\n\n5.2.. De rechtbank is van oordeel dat de bijlage bij de pleitnota wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Het college kan erin worden gevolgd dat niet valt in te zien dat eiser de hierin opgenomen argumenten niet eerder in de procedure naar voren kon brengen. Door eerst op zitting met een uitgebreide (nadere) concrete onderbouwing van de documenten die volgens eiser nog ontbreken, te komen, is het college belemmerd om daarop adequaat te reageren. De rechtbank zal de bijlage bij de pleitnota, voor zover die geen herhaling betreft van reeds aangevoerde argumenten, daarom niet bij de beoordeling betrekken.\n\nGewijzigde beslissing op bezwaar (24\u002F6355)\n\n6. Het college heeft in de zaak 24\u002F6355 op 20 januari 2026 een gewijzigde beslissing op bezwaargenomen. Die houdt verband met het feit dat in de procedure over de opheffing van de geheimhouding van de drie raadsstukken is gebleken dat er geen geheimhouding op de documenten lag, zoals bedoeld in de Gemeentewet en de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo. De documenten bleken daarom wel degelijk onder de Woo te vallen. Het college heeft de drie documenten alsnog vrijwel geheel openbaar gemaakt.\n\n6.1.. \n\nDe rechtbank stelt vast dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van deze gewijzigde beslissing op bezwaar, omdat die heeft geleid tot openbaarmaking van meer informatie en daarmee tegemoet wordt gekomen aan eisers belangen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om het college in verband hiermee te veroordelen tot betaling van de proceskosten in die procedure en vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht. Dit omdat het college de drie documenten eerst in beroep alsnog (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt en het zich eerder ten onrechte op het standpunt had gesteld dat de Woo hierop niet van toepassing was.\n\nWeigering opheffing geheimhouding (24\u002F6354)\n\n7. Uit de zoekslag van het college blijkt dat er twee documenten zijn die onder eisers Woo-verzoek vallen, waarop geheimhouding rust op grond van de Gemeentewet. Hierop is de Woo volgens het college niet van toepassing. Wel is eisers Woo-verzoek opgevat als een verzoek om opheffing van die geheimhouding. Desgevraagd heeft het college in de brief van 12 januari 2026 laten weten dat de raad het verzoek heeft afgewezen (hierna: het opheffingsbesluit), van welk besluit in het primaire besluit van 10 april 2024 inzake het Woo-verzoek mededeling is gedaan. Ter zitting heeft het college desgevraagd aangegeven dat de gemeenteraad geen separate beslissing op bezwaar heeft genomen met betrekking tot het geweigerde verzoek om opheffing van de geheimhouding.\n\n7.1.. De Afdeling heeft in het belang van efficiënte geschilbeslechting bepaald dat, indien de verzoeker om informatie tegen de beslissing van het bestuursorgaan op het verzoek tot openbaarmaking bezwaar maakt of daartegen beroep instelt, dit bezwaar of beroep mede moet worden geacht te zijn gericht tegen het opheffingsbesluit.Gelet hierop is het beroep van eiser mede gericht tegen het opheffingsbesluit van de raad. In dit verband heeft de rechtbank de gemachtigden van het college op zitting verzocht om een aanvullende machtiging, welke op 17 juni 2026 is ontvangen.\n\n7.2.. Zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen, staat bij een verzoek om opheffing van de geheimhouding van documenten ter beoordeling of ten tijde van dat verzoek nog voldoende grond bestond voor de geheimhouding. Daarbij toetst de bestuursrechter of het bestuursorgaan zich, gelet op de inhoud van het stuk ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd, redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een belang als artikel 5.1, eerste en tweede lid, van de Woo voordoet en of het bestuursorgaan in het betrokken geval op grond van de Gemeentewet geheimhouding heeft mogen opleggen. Voor zover het gaat om de opheffing van geheimhouding van een document met een verslag van een besloten vergadering van de raad geldt hetzelfde, met dien verstande dat daarnaast in het licht van de actuele situatie, de belangen van de destijds bij de besloten raadsvergadering aanwezige raadsleden uitdrukkelijk in aanmerking dienen te worden genomen.\n\n7.3.. Wat betreft de actuele situatie en de betrokken belangen blijkt uit de brief van 12 januari 2026 van het college en de daarbij gevoegde bijlagen dat de onderhandelingen over de gronden in Hoogwoud-Oost nog niet zijn afgerond en dat openbaarmaking van de betreffende raadsstukken de economische belangen van de gemeente kunnen schaden. Zolang de onderhandelingen voortduren, wil de raad de stukken niet openbaar maken. Gelet hierop bestond er naar het oordeel van de rechtbank nog voldoende grond voor de geheimhouding van die documenten. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nMocht het college deelbesluiten nemen? (24\u002F2260 en 24\u002F8196)\n\n8. Eiser stelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden om deelbesluiten te mogen nemen. Volgens eiser is het Woo-verzoek niet complex of omvangrijk. Bovendien komt dit de efficiency niet ten goede en zijn de juridische gevolgen van het nemen van deelbesluiten niet goed te overzien, aldus eiser.\n\n8.1.. De rechtbank stelt voorop dat de Woo op zichzelf niet in de weg staat aan het nemen van deelbesluiten. Het college heeft bovendien in de besluitvorming voldoende gemotiveerd waarom het tot het nemen van deelbesluiten is overgegaan. Daarbij is aangegeven dat de zoekslag nog voltooid moest worden en dat de aangetroffen documenten nog moeten worden beoordeeld en bewerkt. Niet gebleken is dat eiser hierdoor is benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft het college met vooringenomenheid beslist?\n\n9. Eiser voert verder aan dat het college op zijn Woo-verzoeken en bezwaren met vooringenomenheid heeft beslist. Ter onderbouwing daarvan stelt hij allereerst dat de heer [naam 2] als opsteller van het raadsbesluit van 18 januari 2022 inhoudelijk betrokken is bij de bestuurlijke aangelegenheid waarover informatie is verzocht en dat hij enig dossierhouder is. Eiser vindt het opmerkelijk dat [naam 2] in het kader van de zoekslag is bevraagd, omdat [naam 2] er belang bij heeft dat niet alle informatie wordt verstrekt. Hij wijst erop dat [naam 2] niet in dienstbetrekking werkzaam is en dat wellicht sprake is van een resultaatverbintenis. Er vindt verder geen interne controle plaats op [naam 2] als enig dossierhouder. Verder stelt eiser in dit verband ook dat door de ambtelijke afhandeling van zijn bezwaar en het niet inschakelen van de commissie bezwaarschriften sprake is van een situatie waarin de slager zijn eigen vlees keurt.\n\n9.1.. De rechtbank heeft in voornoemde uitspraak van 16 juli 2025 al overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] zich heeft laten leiden door een persoonlijk belang. Eiser heeft de beroepsgrond in deze zaak herhaald, maar niet nader geconcretiseerd dat [naam 2] zich door persoonlijke belangen heeft laten leiden en dat dit op de besluitvorming van invloed is geweest. In zoverre slaagt deze beroepsgrond dus niet. Daarnaast heeft het college voldoende gemotiveerd dat op grond van de Verordening commissie bezwaarschriften gemeente Opmeer 2022 geen aanleiding bestond om de commissie bezwaarschriften in te schakelen. Tot slot is inherent aan de bezwaarprocedure dat het college zijn eigen besluit dient te heroverwegen. Deze grond slaagt niet.\n\nZoekslag\u002Fontbrekende documenten\n\n10. Eiser stelt in algemene bewoordingen dat de zoekslag onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat bij hem de indruk bestaat dat niet alle documenten die hij heeft gevraagd en op de bestuurlijke aangelegenheid betrekking hebben openbaar zijn gemaakt. Hij vraagt zich in het algemeen af of er wel is gezocht naar WhatsApp-berichten en in mailboxen. Eiser heeft uit de stukken die wel openbaar zijn gemaakt afgeleid dat nog documenten ontbreken. Hij heeft daarbij verwezen naar een aantal concrete documenten.\n\n10.1.. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen,moet een bestuursorgaan voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.\n\n10.2.. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de zoekslag die het college in die zaken, die gelijk is aan die in de onderhavige zaken, heeft gehanteerd. De rechtbank heeft in die zaken geoordeeld dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de zoekslag is verricht. Andere documenttypen dan e-mails, zoals chats, waaronder Whatsapp, maakten deel uit van die zoekslag heeft het college aangegeven. Dat is in de onderhavige zaken niet anders. Nu eiser slechts in algemene bewoordingen heeft aangevoerd dat de zoekslag niet deugt, brengt dit de rechtbank niet tot een ander oordeel.\n\n10.3.. Daarnaast geldt dat, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling,wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.\n\n10.4.. Eiser heeft in alle zaken aangevoerd dat er informatie ontbreekt. Eiser ‘betwijfelt’ of er niet meer informatie is, ‘heeft de indruk dat er meer documenten moeten zijn’ en vindt het ‘opmerkelijk’, ‘onbegrijpelijk’, ‘onvoorstelbaar’, ‘onaannemelijk’ of ‘volstrekt ongeloofwaardig’ dat er niet méér informatie is. Hiermee is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er daadwerkelijk meer informatie onder het college berust.\n\n10.5.. \n\nWat betreft de specifiek genoemde documenten die eiser mist, geldt dat het college op al die documenten gemotiveerd is ingegaan, zowel reeds in de bestreden besluiten als ook in de verweerschriften. In alle gevallen geldt dat eiser de documenten ofwel via een ander informatieverzoek al heeft verkregen of dat het college het betreffende document niet heeft aangetroffen. Hetgeen eiser daartegen inbrengt is onvoldoende concreet en geeft de rechtbank geen reden voor twijfel aan het standpunt van het college.\n\nMocht het college zich beroepen op weigeringsgronden uit de Woo?\n\n11. Op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, e, en i van de Woo blijft het openbaar maken van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:\n\nb. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;\n\n(…)\n\ne. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;\n\n(…)\n\ni. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.\n\n11.1.. Eiser voert in zijn algemeenheid aan dat uit de besluitvorming onmogelijk op te maken is of het college zich terecht beroept op deze uitzonderingsgronden van de Woo. Hij heeft een aantal documenten concreet benoemd, waarvan hij zich - zonder enige nadere toelichting - afvraagt waarom daarin gelakt is. Eiser stelt verder dat op dit moment niet meer in redelijkheid gesteld kan worden dat informatie die betrekking heeft op een periode tot december 2022 nog tot financiële en economische schade zou kunnen leiden. Het college heeft evenmin aangegeven wanneer deze informatie wel geopenbaard zou kunnen worden.11.2.. \n\nDe rechtbank stelt vast het college de weggelakte delen uit documenten heeft voorzien van een code die correspondeert met de desbetreffende weigeringsgrond uit de Woo. Hiermee is inzichtelijk gemaakt welke weigeringsgrond op welke weggelakte passage van toepassing is. Daarnaast heeft het college inventarislijsten opgesteld, waarop alle documenten zijn genummerd, omschreven en is aangegeven welke weigeringsgrond erop van toepassing is. Verder heeft het college in de primaire besluiten en aangevuld in de bestreden besluiten, per weigeringsgrond gemotiveerd waarom daarop een beroep wordt gedaan. De rechtbank heeft kennisgenomen van de niet openbaar gemaakte documenten waarop eiser zich specifiek beroept en is van oordeel dat het college in redelijkheid de economische belangen, de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het goed functioneren van de gemeente zwaarder mocht laten wegen dan het belang bij openbaarmaking van die delen van de documenten. Het college heeft een zorgvuldige toelichting gegeven op het weglakken van delen van die documenten en hetgeen eiser in algemene bewoordingen naar voren heeft gebracht in de beroepen, doet daar niet aan af.\n\nTot slot verplicht de Woo het college niet om aan eiser aan te geven wanneer documenten waarvan de openbaarmaking nu is geweigerd wel openbaar gemaakt kunnen worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n12. Gelet op de vorenstaande overwegingen zijn de beroepen ongegrond en is beroep 24\u002F6355, voor zover gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de beslissingen op bezwaar in stand blijven. Zoals is overwogen in 6.1 moet het college wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Dit omdat in beroep alsnog drie documenten gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,00 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Daarnaast heeft eiser recht op een reiskostenvergoeding van € 24,00.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- verklaart het beroep 24\u002F6355 niet-ontvankelijk, voor zover dat beroep mede is gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 20 januari 2026 niet-ontvankelijk;\n\n- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,00 aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.892,00 aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzitter, en mr. I.M. Ludwig en mr. dr. J.C. de Wit, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Voor een uitgebreidere beschrijving verwijst de rechtbank naar de desbetreffende verzoeken.\n\n ECLI:NL:RBNHO:2025:8172.\n\n Zie onder meer de uitspraak van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1959.\n\n Als bedoeld in artikel 6:19 van de Awb.\n\n Zie in dit verband de uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:894 (r.o. 9.2).\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367.\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8119","ecli-nl-rbnho-2026-8119",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":35,"language":7,"source":17,"sourceUrl":36,"summary":14,"slug":37,"metadata":38},"1852","ECLI:NL:RBNHO:2026:8114","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nTeam Straf\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige strafkamer\n\nParketnummer: 15\u002F188290-24 en 16\u002F11819-23 (tul)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] , en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.L. Lischer, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving door aangever na het verlaten van de woning weer naar binnen te lokken. Gelet op wat zich reeds in de kamer had afgespeeld, vindt de officier van justitie het onaannemelijk dat de verdachte niet wist wat er vervolgens zou gebeuren.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van wat de verdachte ten laste is gelegd. De verdediging heeft aangevoerd dat - hoewel de verdachte wist dat er iets gebeurde dat niet in de haak was - niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\n4. Het oordeel van de rechtbank\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte heeft de aangever gevraagd om in de middag van 9 juni 2024 bij hem thuis te chillen. Op een gegeven moment zijn medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning van de verdachte gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand, maar op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever onder meer geslagen, werden zijn schoenen gestolen en is zijn jas afgenomen. De aangever heeft de woning verlaten, maar is kort daarna door de verdachte gebeld die hem vroeg terug te komen. De aangever is vervolgens teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. Vanaf dat moment is de aangever van zijn vrijheid beroofd (gehouden), waarbij hij wederom door meerdere jongens geïntimideerd, geslagen, bedreigd en van zijn spullen is beroofd.\n\nDe verdachte is, samen met medeverdachten [de medeverdachte 3] , [de medeverdachte 1] en [de medeverdachte 2] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig geweest. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nVoor een veroordeling voor medeplegen moet vast komen te staan dat bij het begaan van de feiten sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de mededaders. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders. De bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal ook dan van voldoende gewicht moeten zijn. Daarnaast geldt een dubbel opzetvereiste. De verdachte moet zowel opzet op de onderlinge samenwerking met de mededaders hebben gehad, als opzet op het gronddelict: in dit geval de wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nHet dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat sprake was van een vooropgezet plan om de aangever van zijn vrijheid te beroven. Uit het dossier volgt dat het de verdachte is geweest die de aangever heeft gebeld om terug te komen naar zijn woning, maar niet is komen vast te staan dat hij daarbij wist of had kunnen weten wat er vervolgens zou gebeuren. Uit het dossier is verder af te leiden dat de verdachte weliswaar in de woning aanwezig was ten tijde van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar niet vastgesteld kan worden dat de verdachte een rol heeft gehad in de uitvoering hiervan. Niet is komen vast te staan dat de verdachte zelf geweldshandelingen heeft verricht, de aangever heeft bedreigd of anderszins substantieel heeft bijgedragen aan de dreigende sfeer in de woning. De verdachte was erbij en heeft niet ingegrepen, maar die enkele omstandigheid is onvoldoende om te kunnen spreken van een bijdrage van voldoende gewicht, wat voor medeplegen noodzakelijk is.\n\nDe rechtbank concludeert dan ook dat van enige cruciale rol bij de totstandkoming en de uitvoering van de wederrechtelijke vrijheidsberoving niet is gebleken. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de bedoeling van zijn mededaders, evenmin dat hij de op de wederrechtelijke vrijheidsberoving gerichte (voorwaardelijke) opzet had. De rechtbank is om die reden van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de nauwe en bewuste samenwerking die voor de bewezenverklaring van het medeplegen is vereist. De verdachte moet daarom worden vrijgesproken van dit feit.\n\n5. Vordering benadeelde partij\n\nNamens de benadeelde partij [benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, nu niet wettig en overtuigend is bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd, de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, kan worden ontvangen.\n\nGelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.\n\n6. Vordering tot tenuitvoerlegging\n\nBij vonnis van 31 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 16\u002F118319-23 is de verdachte voor poging tot zware mishandeling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van zestig dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 15 november 2023.\n\nOmdat de verdachte wordt vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, kan niet worden vastgesteld dat hij de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.\n\nDe rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging reeds om die reden afwijzen.\n\n7. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nWijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland in de zaak met parketnummer 16\u002F118319-23 opgelegde voorwaardelijke straf.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8114","ecli-nl-rbnho-2026-8114",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht; Strafprocesrecht",{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"1853","ECLI:NL:RBNHO:2026:8107","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummers: 15\u002F216369-24, 15\u002F096955-25 (ter terechtzitting gevoegd) en\n\n15\u002F061796-25 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ( [land] ),\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres, [adres]\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:\n\n- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Bouwman, advocaat te Zaandam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.\n\nAan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F216369-24 (hierna: feiten 1, 2 en 3)\n\nten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F096955-25 (hierna: feit 4), na wijziging van de tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ten laste gelegd dat:\n\nFeit 4\n\nPrimair\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas en\u002Fof een ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en\u002Fof \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je\" en\u002Fof \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof - die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan;\n\nSubsidiair\n\nhij op of omstreeks 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen\n\ndoor geweld en\u002Fof bedreiging met geweld\n\n [de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas en\u002Fof een ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 2] en\u002Fof een derde toebehoorde(n)\n\ndoor\n\n- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en\u002Fof \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je\" en\u002Fof \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof\n\n- die [de benadeelde partij 2] in het gezicht te slaan.\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F061796-25 (hierna: feit 5)ten laste gelegd dat:\n\nFeit 5\n\nhij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, [adres] , in elk geval op of aan de openbare weg en\u002Fof op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3] - met één of meerdere personen te omsingelen en\u002Fof - vast te pakken en\u002Fof te vast te houden en\u002Fof - te duwen (in welk tumult de scooter is gevallen) en\u002Fof - één of meermalen te slaan tegen het hoofd en\u002Fof het bovenlichaam, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en\u002Fof - te trappen tegen één of meerdere knieën, althans het lichaam van die [de benadeelde partij 3] en\u002Fof - met een kettingslot te slaan tegen één of meerdere benen, althans het lichaam;2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. Standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nDe raadsman heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1), omdat het opzet van de verdachte daar niet op was gericht. Daarnaast is onduidelijk of de deur van de kamer waar aangever [de benadeelde partij 1] zich met de verdachte en zijn mededaders in bevond was afgesloten. Medeplegen kan evenmin worden vastgesteld.\n\nVastgesteld kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing voor wat betreft de schoenen van de aangever. Bij de afpersing\u002F diefstal ten aanzien van de overige goederen is de verdachte niet aanwezig geweest. Daarom dient hij van feit 2 te worden vrijgesproken en dient voor feit 3 partiële vrijspraak te volgen voor wat betreft het medeplegen en de afpersing ten aanzien van de overige tenlastegelegde goederen.\n\nTen aanzien van feit 4 primair en subsidiair\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 4. De aangifte is gedaan door de vader van aangever [de benadeelde partij 2] . Dat doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van de aangifte. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat de verdachte niet voldoet aan het signalement dat in de aangifte is opgegeven van de personen die de aangever hebben beroofd dan wel afgeperst. Gelet op de omschrijving in de aangifte zou de verdachte persoon 2 moeten zijn, maar die heeft volgens de aangifte lichtbruin haar. Dat heeft de verdachte niet. In de aangifte wordt daarnaast niet benoemd dat persoon 2 een snor had, terwijl de verdachte die toen wel had. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de verdachte persoon 2 is, die deel heeft uitgemaakt van de groep van vijf personen, die met de aangever uit de [restaurant] naar het fietsenhok zijn gelopen en hem daar hebben beroofd.\n\nTen aanzien van feit 5\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat het openlijk geweld in vereniging bewezen kan worden verklaard, maar dan alleen voor wat betreft de handelingen van de verdachte, namelijk het slaan en schoppen van aangever [de benadeelde partij 3] . Omdat de opzet van de verdachte op de overige ten laste gelegde geweldshandelingen ontbreekt, dient hij daarvan te worden vrijgesproken.\n\n3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.\n\nVast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. Volgens de verdachte heeft hij alleen de schoenen van de aangever afgenomen. Ook heeft hij verklaard dat hij de aangever heeft geslagen, omdat de aangever hem eerst sloeg. Van de rest van het incident heeft de verdachte niets meegekregen, omdat hij al die tijd op de wc zat, aldus de verdachte.\n\nDe vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nUit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.\n\nDe verklaring van de aangever vindt op cruciale onderdelen steun in de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] . Zo heeft [de medeverdachte 1] verklaard dat hij de aangever heeft gevraagd om mee terug te lopen naar zijn woning om zijn schoenen te halen. Toen zij weer in zijn slaapkamer waren, zag hij dat medeverdachte [de medeverdachte 2] de kamerdeur dicht en op slot deed. Hij zag dat de verdachte toen heel dicht en dreigend tegenover de aangever stond. [de medeverdachte 1] zag dat [de medeverdachte 2] de aangever bij zijn kleding vastpakte op een agressieve manier en dat hij hem meerdere harde klappen in zijn gezicht gaf. [de medeverdachte 1] heeft verklaard dat de jas van de aangever is afgenomen door [de medeverdachte 2] . Ook heeft [de medeverdachte 1] gezien dat de aangever zijn telefoon en wachtwoord moest geven aan [de medeverdachte 2] . [de medeverdachte 3] probeerde op dwingende wijze het wachtwoord van de telefoon te krijgen, waarbij de aangever ook met de dood werd bedreigd. De aangever mocht pas gaan als hij zijn wachtwoord zou geven. [de medeverdachte 1] heeft verder gezien dat [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] in de zakken van de aangever hebben gevoeld en daar spullen en geld hebben uitgehaald.\n\nGelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij, toen de aangever terugkwam naar de woning de hele tijd op de wc heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde. Van het moment dat de aangever terugkeerde in de woning totdat hij de woning verliet zat bovendien ongeveer dertig minuten. Ook dat maakt dat aan de verklaring van de verdachte geen waarde wordt gehecht.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, aldaar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel de verdachte naderhand niet de grootste agressor lijkt te zijn geweest, is zijn bijdrage aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is hiermee ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, maakt daarbij ook geen verschil. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 4 primair en subsidiair\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte medepleger is geweest van de tenlastegelegde beroving en afpersing met geweld. De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar in de [restaurant] aanwezig is geweest, maar dat hij met de beroving die buiten heeft plaatsgevonden niets te maken heeft gehad. De rechtbank komt echter tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en overweegt daartoe als volgt.\n\nUit de bewijsmiddelen en wat op de zitting is besproken volgt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van een groep van vijf personen, bestaande uit twee meisjes en drie jongens, die aangever [de benadeelde partij 2] in de [restaurant] hebben aangesproken. Twee jongens van die groep hebben de aangever buiten beroofd en afgeperst. De aangever heeft een signalement van de twee jongens gegeven. Persoon 1 heeft een donkere huidskleur en zwart haar. Persoon 2 wordt omschreven als een man met krullend lichtbruin haar, licht getint, Marokkaanse afkomst, gespierd postuur. Het signalement van persoon 2 past als enige signalement, bij de uiterlijke kenmerken van de verdachte. Op de camerabeelden van binnen in de [restaurant] is de verdachte herkend als de persoon die tegen de aangever praat. Ook is te zien dat de verdachte samen met een ander aan de ketting van de aangever zit.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat de verdachte de door de aangever genoemde persoon 2 is geweest en zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de tenlastegelegde diefstal en afpersing met geweld. Uit de aangifte, in onderling samenhang bezien met de bevindingen in de [restaurant] , blijkt dat de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep van vijf personen, waarvan hij de enige jongen is met een licht getinte huidskleur en krullend lichtbruin haar, die in de [restaurant] contact maakte met de aangever. Het is de verdachte geweest die in de [restaurant] aan de ketting van de aangever heeft gezeten en als onderdeel van de groep van vijf personen met de aangever naar buiten loopt. Volgens de verklaring van de aangever is hij vervolgens met dezelfde groep van vijf personen naar de fietsenstalling gelopen, waar de aangever door onder meer de licht getinte jongen met krullend haar uit de groep is beroofd van zijn tas en vervolgens werd gedwongen zijn ketting af te geven.\n\nDe rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat zowel het onder 4 primair als subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 5\n\nAnders dan door de raadsman is betoogd, is voor de tenlastegelegde openlijke geweldpleging niet vereist dat de verdachte alle geweldshandelingen zelf heeft verricht. De verdachte heeft verklaard dat hij geweldshandelingen tegen aangever [de benadeelde partij 3] heeft verricht, bestaande uit het slaan en schoppen van de aangever, waarmee hij een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde. De verdachte kan daarmee verantwoordelijk worden gehouden voor het plegen van openlijk geweld, en dus ook voor de handelingen die in hetzelfde incident (nadien) zijn verricht door anderen, zoals het slaan met het kettingslot.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het openlijk en in vereniging plegen van geweld ten aanzien van het geheel aan geweldshandelingen die door hemzelf en de medeverdachten zijn gepleegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nFeit 4\n\nhij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door - die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet mee loopt dan krijg je klappen\" en \"Geef je tas maar aan mij, anders sla ik je’, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;\n\nen\n\nhij op 7 september 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen\n\ndoor bedreiging met geweld [de benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een ketting, die aan die [de benadeelde partij 2] toebehoorde, door\n\n- die [de benadeelde partij 2] dreigend de woorden toe te voegen: \"Als je nu niet meeloopt dan krijg je klappen\" en \"Geef die ketting, anders sla ik je neer\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.\n\nFeit 5\n\nhij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad openlijk, te weten, op de [adres] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [de benadeelde partij 3] , door die [de benadeelde partij 3] - met meerdere personen te omsingelen en - vast te pakken en te houden en - te duwen in welk tumult de scooter is gevallen en - te slaan tegen het hoofd en het bovenlichaam van die [de benadeelde partij 3] en - te trappen tegen één knie, en - met een kettingslot te slaan tegen de benen,;\n\n De in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan , vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 4:\n\ndiefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 5:\n\nopenlijk in vereniging geweld plegen tegen personen\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie\n\n6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie, waarvan 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de Raad.\n\nBij bepaling van de hoogte van de werkstraf heeft de officier van justitie rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid gevorderd.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de bepaling van (de hoogte van) de strafmaat rekening houden met de geringe rol van de verdachte bij de ten laste gelegde feiten en zijn belaste verleden. Daarnaast is een forse overschrijding van de redelijke termijn aan de orde. Bovendien heeft de verdachte de afgelopen twee jaar in een schorsing onder strenge voorwaarden gelopen en is hij niet meer in contact gekomen met politie en justitie. Daarom is in dit geval een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, een passende straf. Omdat de verdachte te kampen heeft met de verwerking van traumatische ervaringen uit zijn verleden, is het van belang dat de bijzondere voorwaarden, zoals door de Raad zijn geadviseerd, worden verbonden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen taakstraf.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich in vier maanden tijd schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten.\n\nHij heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Drie maanden later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld op een schoolplein, waarbij de verdachte met een grote groep andere jongeren [de benadeelde partij 3] in elkaar heeft geslagen. Een maand later heeft de verdachte, met een ander, [de benadeelde partij 2] beroofd en afgeperst van een tas en een ketting.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 28 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nIn dit rapport komt onder meer naar voren dat de verdachte in zijn leven veel ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt en daardoor psychisch trauma heeft opgelopen. Op achtjarige leeftijd is de verdachte met zijn familie van Syrië naar Nederland gevlucht vanwege de oorlog. De verdachte heeft thuis veel huiselijk geweld meegemaakt. Inmiddels is de situatie thuis rustiger, omdat de ouders zijn gescheiden. De verdachte heeft thuis bij zijn moeder veel verantwoordelijkheden, waardoor hij weinig ruimte ervaart voor school of werk\n\nDe Raad vindt het positief dat de verdachte sinds de laatste verdenking van oktober 2024 geen politiecontacten meer heeft gehad en dat hij afstand heeft gedaan van bepaalde vrienden met wie hij destijds regelmatig in de problemen is gekomen. Daarnaast heeft de Raad gesignaleerd dat, ondanks de langdurige betrokkenheid van de jeugdreclassering en de IFA coach, er nog meerdere doelen zijn die behaald moeten worden. Omdat de eerder geboden hulp bij de Waag destijds niet goed van de grond is gekomen, is het van belang dat deze hulp opnieuw wordt geboden, maar dan met extra ondersteuning vanuit de IFA c oach. De jeugdreclassering en de IFA coach kunnen de verdachte ook hulp en steun bieden bij het vinden van een zinvolle dagbesteding.\n\nDe Raad heeft geadviseerd een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. De verdachte heeft op dit moment geen zinvolle dagbesteding waardoor hij nu voldoende tijd en ruimte heeft om dit uit te voeren. Het voorwaardelijke deel van de werkstraf is een stok achter de deur zodat hij gedurende de proeftijd niet recidiveert en meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, meewerkt met de IFA coach en aan behandeling bij de Waag.\n\nDe rechtbank heeft ook acht geslagen op het evaluatieverslag van de jeugdreclassering, opgesteld door [gezinsmanager] , gezinsmanager. De conclusie en het advies van de jeugdreclassering zijn in overeenstemming met de conclusie en het advies van de Raad, waarbij tevens wordt geadviseerd dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld en openlijk geweld in vereniging, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte de bewezenverklaarde feiten steeds in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 en met een periode van 3 maanden ten aanzien van de feiten 4 en 5. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om naast een aanzienlijke werkstraf tevens een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen. Wel is de rechtbank met de Raad en de officier van justitie van oordeel dat het zowel ten behoeve van de ontwikkeling van verdachte als ter vermindering van het recidiverisico van groot belang is dat hij behandeling ondergaat bij de Waag en hij wordt ondersteund en begeleid door de jeugdreclassering en de IFA coach, ook bij het vinden van een passende dagbesteding. Nu de noodzaak tot toezicht en begeleiding via het opleggen van bijzondere voorwaarden kan worden gewaarborgd, zal de rechtbank de op te leggen werkstraf in een deels voorwaardelijke vorm opleggen.\n\nGelet hierop en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdzestig (160) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten waarvan te vervangen door tachtig (80) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van tachtig (80) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de jeugdreclassering noodzakelijk. Verder dient de verdachte mee te werken aan zijn behandeling bij de Waag, mee te werken met zijn IFA coach en mee te werken aan het vinden en behouden van passende dagbesteding in de vorm van school en\u002F of werk.\n\nTen aanzien van de op te leggen bijzondere voorwaarden en het toezicht overweegt de rechtbank tot slot dat zij, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, van oordeel is dat deze niet dadelijk uitvoerbaar kunnen worden verklaard. De omstandigheden dat verdachte nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en hij in de periode van twee jaar tussen de bewezenverklaarde feiten en de inhoudelijk behandeling niet nogmaals in aanraking is gekomen met politie en justitie, ondanks zijn complexe persoonlijke omstandigheden, maken dat geen sprake is van een situatie waarin er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich wederom schuldig zal maken aan een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.\n\n7. Vorderingen van de benadeelde partijen\n\n7.1. \n\nVorderingen benadeelde partijen [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2]\n\nNamens [de benadeelde partij 1] en [de benadeelde partij 2] zijn ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 respectievelijk feit 4 vorderingen tot schadevergoeding ingediend. Zij werden daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\n7.1.1. \n\nVordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om het te vergoeden bedrag te matigen naar wat in vergelijkbare zaken aan schadevergoedingen wordt toegekend, wat zou betekenen dat een vergoeding tussen de € 500 en € 1.000 op zijn plaats is. Ten aanzien van de ingangsdatum van de wettelijke rente heeft de raadsman verzocht om deze te laten gelden vanaf het moment dat deze wordt begroot, dus vanaf de datum van de uitspraak.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nDaarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7.1.2. \n\nVordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 900 ingediend tegen de verdachte die hij als gevolg van feit 4 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDeze schade bestaat uit vermogensschade ad € 350, te weten een vergoeding voor een gestolen zilveren (imitatie) koningsketting en immateriële schade ad € 550.\n\nTer zitting is door Slachtofferhulp Nederland, onder verwijzing naar een uitspraak (ECLI:RBNHO:2024:7551), verzocht het immateriële deel te verhogen naar een bedrag van € 1.250, met als gevolg dat in totaal een bedrag van € 1.600 wordt gevorderd.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de vermogensschade toewijsbaar is. Ten aanzien van de immateriële schade dient aansluiting te worden gezocht bij het oorspronkelijke bedrag van\n\n€ 550 dat ook in de zaak van de medeverdachte is gevorderd. Het verzoek tot schadevergoeding dient daarom te worden toegewezen voor een bedrag van € 900, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel, en voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft primair verzocht om de vordering ten aanzien van de vermogensschade niet ontvankelijk te verklaren omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair heeft hij verzocht om het gevorderde bedrag aan vermogensschade te matigen.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman tevens om matiging verzocht en bij de bepaling van de hoogte daarvan aansluiting te zoeken bij het bedrag dat in de zaak van de medeverdachte is toegekend, namelijk € 200.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de gevorderde vermogensschade onvoldoende is onderbouwd waardoor dit deel van de vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In dit geval ging het om een imitatie ketting en was ter onderbouwing van de schade geen aankoopnota van de ketting overgelegd. Daarbij is namens de benadeelde partij meegedeeld dat de waarde die de ketting vertegenwoordigde met name een emotionele waarde was.\n\nTen aanzien van het immateriële deel van de vordering overweegt de rechtbank als volgt.\n\nVoor vergoeding van immateriële schade is een wettelijke grondslag vereist, zoals vermeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Eén van de gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade volgt uit artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit dit artikel vloeit voort dat de benadeelde partij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van het laatste is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat sprake is van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’. In een dergelijk geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank heeft de benadeelde partij onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat één van deze grondslagen voor immateriële schadevergoeding in zijn geval van toepassing is. Immers is niet gebleken dat sprake is geweest van lichamelijk letsel, anders dan een aantal blauwe plekken. Daarnaast vormt de omstandigheid dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit psychische klachten heeft ontwikkeld en gevoelens van onrust en onveiligheid heeft gekregen – hoe voorstelbaar ook – onvoldoende grond om te stellen dat daarmee sprake is van geestelijk letsel of dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is ook niet gebleken dat de nadelige gevolgen van de diefstal met geweld en afpersing voor de benadeelde zodanig voor de hand ligt dat zonder meer aantasting van de persoon kan worden aangenomen.\n\nDe vordering van de benadeelde partij zal daarom ook ten aanzien van het immateriële deel niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nDe benadeelde partijen kunnen de (delen van de) vorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\nartikel 36f, 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDZESTIG (160) urentaakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doortachtig (80) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte van deze straf, groottachtig (80) uren, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doorveertig (40) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast vantwee (2) jaren.\n\nStelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nStelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk acht; - een zinvolle dagbesteding heeft in de vorm van scholing en\u002Fof werk; - meewerkt met de IFA coach van Levvel zolang de jeugdreclassering dit nodig acht; - meewerkt aan behandeling van De Waag, of een soortgelijke instelling, gericht op trauma en emotieregulatie, zolang de Jeugdreclassering dit nodig acht.\n\nGeeft opdracht aan De Jeugdbescherming Regio Amsterdam, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nStelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8107","ecli-nl-rbnho-2026-8107",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"1854","ECLI:NL:RBNHO:2026:8112","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummer: 15\u002F216451-24 en 15\u002F244873-25 (ter terechtzitting gevoegd)\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 en 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van wat\n\n- de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F. Tosun, advocaat te Zaandam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de William Schrikker Stichting (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen en van wat namens hen ter terechtzitting naar voren is gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nDe rechtbank heeft de feiten van de ter terechtzitting gevoegde dagvaardingen hieronder van een doorlopende nummering voorzien in het kader van de leesbaarheid.\n\nAan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F216451-24 (hierna: feiten 1, 2 en 3)\n\nten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij 1] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\naan de verdachte is onder parketnummer 15\u002F3554873-25 (hierna: feit 4)ten laste gelegd dat:\n\nFeit 4\n\nhij op of omstreeks 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een tas met inhoud, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die tas [met kracht] los te rukken\u002Ftrekken\u002Fgrissen uit [de] hand[en] van die [de benadeelde partij 2] .\n\n2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit om de verdachte vrij te spreken van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.\n\nTen aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van wederrechtelijke vrijheidsbeneming, omdat niet kan worden vastgesteld dat aangever [de benadeelde partij 1] tegen zijn wil werd vastgehouden in de woning. [de benadeelde partij 1] kon de kamer gewoon verlaten en is op enig moment ook zelf de kamer uitgelopen en weer teruggekomen. Hij werd door niemand tegengehouden en er werd ook niet tegen hem gezegd dat hij niet weg mocht gaan. Ook toen de deur op slot werd gedraaid, kon hij de kamer verlaten, omdat het slot van binnen uit kon worden geopend. Ter onderbouwing van het standpunt heeft de raadsvrouw verwezen naar de uitspraak opgenomen onder ECLI:NL:GHAMS:2016:5701, waarin een soortgelijke situatie zich voordeed en de verdachte is vrijgesproken. De verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij niet bij het incident betrokken is geweest, waardoor evenmin sprake is van medeplegen.\n\nTen aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw het volgende naar voren gebracht. De verdachte heeft verklaard dat hij de hele tijd buiten stond en niets mee kreeg van wat er zich in de kamer afspeelde. De belastende verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] , waarbij hij de verdachte aanwijst als degene die zich aan de diefstal en afpersing met geweld schuldig heeft gemaakt, is aantoonbaar leugenachtig. [de medeverdachte 1] blijkt zelf ook betrokken te zijn geweest bij de diefstal van goederen en hij probeert dit in de schoenen van de verdachte te schuiven. Als op enig moment een ruzie tussen medeverdachte [de medeverdachte 2] en de aangever ontstaat, lijkt een plan te ontstaan om de aangever te beroven, maar er is geen enkele aanwijzing dat de verdachte daarin een rol heeft gespeeld. Er is weliswaar wettig bewijs aanwezig voor de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal en afpersing met geweld, maar gelet op het gebrek aan overtuiging dient vrijspraak te volgen.\n\nTen aanzien van feit 4 heeft de verdachte verklaard dat hij samen met de medeverdachte een tas met gestolen spullen ging terughalen. Aangeefster [de benadeelde partij 2] heeft vervolgens de tas met spullen vrijwillig overhandigd. Op grond van de verklaring van de verdachte, die betrouwbaar is, dient de verdachte dan ook te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Dat de verdachte op dat moment daar aanwezig was, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen.\n\nDe raadsvrouw heeft daarnaast aangevoerd dat het wegtrekken van de plastic zak uit handen van de aangeefster niet kan worden gekwalificeerd als diefstal met geweld. Dat de pink van de aangeefster daarbij is blijven haken, valt niet op te maken uit de getuigenverklaringen of de beschrijving van de camerabeelden. Op de camerabeelden is juist te zien dat aangeefster de inhoud van de tas laat zien en de tas vervolgens vrijwillig afgeeft. Nu ook een letselverklaring ontbreekt, kan het tenlastegelegde geweld niet worden bewezen.3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3 en 4 op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van de feiten 1, 2 en 3\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank vast dat aangever [de benadeelde partij 1] in de middag van 9 juni 2024 enige tijd in een woning aan [adres] te Zaandam (hierna: de woning) is geweest en daar door meerdere jongens is bestolen. Hij is daarbij geïntimideerd, geslagen en bedreigd.\n\nVast staat dat de verdachte, samen met medeverdachten [de medeverdachte 1] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij niets heeft meegekregen van wat zich in de woning afspeelde, omdat hij toen buiten op het balkon was.\n\nDe vraag die de rechtbank dan ook moet beantwoorden, is of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt van de tenlastegelegde feiten.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nUit de verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de middag van 9 juni 2024 met medeverdachte [de medeverdachte 1] had afgesproken om bij [de medeverdachte 1] thuis te chillen. De aangever heeft [de medeverdachte 1] ontmoet bij het ziekenhuis [ziekenhuis] en ze zijn vervolgens samen naar de woning van [de medeverdachte 1] gelopen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand. Op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever op bed geduwd, van zijn schoenen beroofd en geslagen. Ook voelde de aangever zich gedwongen om, desgevraagd, zijn shirt af te geven. Tegen de aangever werd daarna gezegd dat hij de woning uit moest. De aangever heeft de woning toen verlaten, maar is kort daarna teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. De aangever is naar de deur gerend om de kamer te ontvluchten, maar de weg werd geblokkeerd. De aangever is vervolgens vastgepakt bij zijn kleding, geduwd tegen zijn borst, meerdere keren geslagen tegen zijn hoofd en bedreigd om het wachtwoord van zijn telefoon te geven en met de dood. Zijn jas en telefoon werden van hem afgepakt, zijn broekzakken werden doorzocht en daar werden zijn airpods, kleingeld, vape en een aansteker uit gehaald. Nadat de aangever was gedwongen om in te loggen op de app van zijn bankrekening en te zien was dat het saldo ongeveer € 0,09 bedroeg, heeft de aangever zijn telefoon teruggekregen en werd gezegd dat hij mocht vertrekken. De aangever heeft toen met de draaiknop de deur open gedaan en is weggegaan.\n\nDe rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar standpunt dat de verklaring van medeverdachte [de medeverdachte 1] aantoonbaar leugenachtig is en daardoor niet voor het bewijs kan worden gebruikt. De rechtbank overweegt allereerst dat de verklaring van deze [de medeverdachte 1] op essentiële punten overeenkomt met de verklaring van de aangever en dat hij in zijn aanvullende verklaringen bij de politie en later bij de rechter-commissaris, daarin consistent is gebleven. De verklaringen van de aangever en [de medeverdachte 1] worden verder ondersteund door de beelden van de in het appartementencomplex aanwezige camera’s. Daarop is te zien dat aangever om half twee ‘s middags een aantal personen het pand binnen laat. Anderhalf uur later loopt de aangever zonder schoenen de gang in richting de tussendeur en een half uur later is te zien dat de aangever zonder schoenen en jas het pand verlaat. Kort daarop loopt de begeleider van [de medeverdachte 1] de gang in en verlaten de personen het pand.\n\nDe rechtbank acht de verklaring van [de medeverdachte 1] daarom betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.\n\nUit de verklaring van aangever en medeverdachte [de medeverdachte 1] volgt dat de verdachte in de kamer aanwezig is geweest tijdens de vrijheidsberoving en ook feitelijke handelingen heeft verricht, waaronder het op slot doen van de deur, het vastpakken bij de kleding van aangever, het slaan van aangever in het gezicht en het afnemen van de jas van de aangever.\n\nGelet op deze verklaringen schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de hele tijd buiten op het balkon heeft gezeten, niets heeft meegekregen van het incident en daar dus ook geen bijdrage aan heeft geleverd, als ongeloofwaardig ter zijde.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren, daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest, de verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd en de verdachte en medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. De bijdrage van de verdachte aan het geheel van de tenlastegelegde gedragingen is daarbij van zodanig gewicht dat dat dient te worden aangemerkt als medeplegen.\n\nHiermee is vast komen te staan dat de verdachte opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. Het feit dat de aangever op een gegeven moment zelf de woning heeft kunnen verlaten, doet daar niet aan af. Van opsluiting hoeft bij de tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving immers geen sprake te zijn. Nadat aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen van diefstal met geweld en het medeplegen afpersing wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 4\n\nDe rechtbank stelt vast dat uit de aangifte en de bevindingen van de camerabeelden volgt dat de plastic tas met kracht uit de handen van aangeefster is getrokken. Ook heeft aangeefster verklaard dat bij het wegtrekken van de tas haar pink bleef haken waardoor zij daarna pijn had aan haar pink. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen kunnen worden aangemerkt als diefstal met geweld.\n\nVervolgens moet beoordeeld worden of de door de verdachte geleverde bijdrage aan de diefstal met geweld van voldoende gewicht is. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank verder naar het hiervoor onder 3.3.2 opgenomen juridisch kader met betrekking tot medeplegen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de verdachte medeverdachte [de medeverdachte 4] op zijn fatbike naar aangeefster heeft gebracht, er vervolgens bij is gebleven terwijl hij zag dat de diefstal plaats vond en daarna met [de medeverdachte 4] (en de gestolen tas) achterop zijn fatbike deze plek is ontvlucht. De rechtbank is van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte hiermee is komen vast te staan. Verdachte heeft zich immers niet alleen niet onttrokken aan de situatie terwijl dat wel kon maar hij heeft, door [de medeverdachte 4] naar aangeefster te brengen en na de diefstal direct met hem achterop zijn fatbike ervandoor te gaan, een substantiële bijdrage geleverd aan het tenlastegelegde.\n\nDaarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van diefstal met geweld bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij 1] - in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij 1] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij 1] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij 1] toebehoorde door die [de benadeelde partij 1] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nFeit 4\n\nhij op 3 juli 2025 te Koog aan de Zaan, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een ander een tas met inhoud, die aan [de benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [de benadeelde partij 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door die tas met kracht los te trekken uit de handen van die [de benadeelde partij 2] .\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 4:\n\ndiefstal, vergezeld van geweld, tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van honderdtwintig (120) uren, subsidiair zestig (60) dagen jeugddetentie, waarvan zestig (60) uren voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nGelet op het feit dat sprake is van een forse overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 en de verdachte de afgelopen twee jaar niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen, heeft de raadsvrouw verzocht om de verdachte een werkstraf op te leggen gelijk aan het aantal uur van de periode van de inverzekeringstelling.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij 1] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij 1] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij 1] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan. Een jaar later heeft de verdachte zich wederom schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en samen met een ander [de benadeelde partij 2] beroofd van een tas.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor de slachtoffers. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van de slachtoffers, waarbij hij bij hen veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij 1] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 27 mei 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nDaaruit komt naar voren dat de verdachte zich gedurende de schorsingsperiode grotendeels aan de voorwaarden heeft gehouden en na juli 2025 niet meer in beeld is gekomen bij politie en justitie. Hij is open en goed in gesprek met de hulpverlening en jeugdreclassering, hij heeft het IFA-traject positief afgerond en ook op school gaat het goed.\n\nUit het onderzoek is daarnaast naar voren gekomen dat het algemeen recidive risico op basis van het dossier op hoog is ingeschat, maar als er wordt gekeken naar de beschermende factoren dan kan worden vastgesteld dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode een stijgende positieve lijn heeft laten zien. Daarnaast is een risicofactor dat de verdachte vrienden heeft die bekend zijn bij de politie, maar door de IFA-coach is hier aandacht aan besteed en de verdachte heeft hierin handvaten aangereikt gekregen.\n\nGelet op het voorgaande ziet de Raad geen meerwaarde in begeleiding door de jeugdreclassering, omdat er op dit moment geen grote zorgen naar voren komen over eventuele vaardigheidstekorten en\u002F of agressie en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden. De Raad heeft daarom geadviseerd om de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf op te leggen.\n\nTer zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de raad] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de duur en het soort straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens de slachtoffers hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank het, net als de officier van justitie, niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.\n\nGelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderdtwintig (120) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door zestig (60) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (60) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.\n\n7. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 1]\n\nNamens [de benadeelde partij 1] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\ningediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe vordering van de benadeelde partij dient gelet op de bepleite vrijspraak primair niet ontvankelijk te worden verklaard.\n\nSubsidiair dient deze te worden gematigd naar een bedrag van € 1.000 omdat de vergelijkbare strafzaken die ter onderbouwing van de vordering zijn opgenomen veel heftiger zijn en daarom niet kunnen worden vergeleken met deze zaak. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de hoofdelijkheidsclausule niet toe te passen omdat dan het risico bestaat dat één van de verdachten alles betaalt en dit niet kan verhalen op de medeverdachten. Daarom is het verzoek om de schadevergoeding te delen, hetgeen inhoudt dat iedere verdachte € 250 betaalt.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade. De rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n7.1.2 Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij 2]\n\nDe benadeelde partij [de benadeelde partij 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 83,43 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.\n\nDe materiële schade bestaat uit: - een fles shampoo ad € 6,99 - een borstel ad € 8,50 - een fles parfum Calvin Klein ad € 39,95 - een bus haarlak ad € 9,49 - een fles cremespoeling ad € 6,50 - 20 stuks sigaretten ad € 12,00\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het feit dat de onderbouwing van de materiële schade ontbreekt, deze moet worden geschat op € 50 en voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat deze niet is onderbouwd. Subsidiair heeft zij om niet-ontvankelijkheid van de vordering verzocht omdat de spullen waarvoor vergoeding is gevorderd, niet overeenkomen met de gestolen spullen die in de aangifte staan vermeld.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze niet is onderbouwd.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\n36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) urentaakstraf, in de vorm van en werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangendoor zestig (60) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte grootzestig (60) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doordertig (30) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de opéén (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij 1]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nVerklaart de benadeelde partij [de benadeelde partij 2]niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8112","ecli-nl-rbnho-2026-8112",{"courtName":6,"legalDomain":39,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":55,"ecli":56,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":57,"language":7,"source":17,"sourceUrl":58,"summary":14,"slug":59,"metadata":60},"1856","ECLI:NL:RBNHO:2026:8049","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie & Jeugd\n\nLocatie Haarlem\n\nMeervoudige kamer jeugdstrafzaken\n\nParketnummer: 15\u002F216421-24\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 juni 2026 in de zaak tegen:\n\n [de verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum] te [plaats] ,\n\ningeschreven in de Basis Registratie Personen op het adres [adres] .\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,\n\n [officier van justitie] .\n\nDaarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat:\n\n- de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J.C. Verlaan, advocaat te Amsterdam;\n\n- [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] namens de Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: de Jeugdreclassering) en\n\n- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad)\n\nnaar voren hebben gebracht.\n\n1. Tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nFeit 1hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan de [adres] op\u002Fin te sluiten - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking;\n\nFeit 3\n\nhij op of omstreeks 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar schoenen en\u002Fof een jas en\u002Fof een shirt en\u002Fof airpods en\u002Fof een hoeveelheid kleingeld en\u002Fof een telefoon en\u002Fof een vape en\u002Fof een aansteker, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [de benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n] door die [de benadeelde partij] - in\u002Ftegen het gezicht\u002Fhoofd en\u002Fof het lichaam te duwen\u002Fslaan en\u002Fof - hem [dreigend] de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en\u002Fof \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", althans woorden van dergelijke dreigende aard en\u002Fof strekking.2. Voorvragen\n\nDe rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.\n\n3. Beoordeling van het bewijs3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat de verdachte van het eerste feit, het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving dient te worden vrijgesproken. De verdachte wist niet dat de deur op slot was gedraaid en maakte geen onderdeel uit van het groeps-chatgesprek tussen de medeverdachten. Hij heeft de aangever bovendien niet geduwd of geslagen. Dat hij heeft gezien dat de aangever van de deur werd weggeduwd, op het moment dat deze de kamer probeerde te ontvluchten, is onvoldoende om tot een nauwe en bewuste samenwerking te komen. De enkele aanwezigheid van de verdachte in de kamer levert onvoldoende bewijs voor het onder feit 1 ten last gelegde.\n\nDe feiten 2 en 3 kunnen worden bewezen. Daarbij is sprake van eendaadse samenloop.3.3. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. \n\nRedengevende feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.\n\n3.3.2. Bewijsmotivering\n\nTen aanzien van feit 1\n\nOp basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. [de medeverdachte 1] heeft de aangever gevraagd om in de middag van 9 juni 2024 bij hem thuis te chillen. Op een gegeven moment zijn de verdachte en medeverdachten [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 3] ook naar de woning van de verdachte gekomen. In eerste instantie was er niets aan de hand, maar op enig moment sloeg de sfeer om en werd de aangever onder meer geslagen, werden zijn schoenen gestolen en is zijn jas afgenomen. De aangever heeft de woning verlaten, maar is kort daarna door [de medeverdachte 1] gebeld die hem vroeg terug te komen. De aangever is vervolgens teruggekeerd met het idee om zijn schoenen op te halen. Toen de aangever weer in de woning was, werd de deur van de kamer dicht gedaan en op slot gedraaid. Vanaf dat moment is de aangever van zijn vrijheid beroofd (gehouden), waarbij hij wederom door meerdere jongens geïntimideerd, geslagen, bedreigd en van zijn spullen is beroofd.\n\nDe verdachte is, samen met medeverdachten [de medeverdachte 3] , [de medeverdachte 2] en [de medeverdachte 1] ten tijde van het gehele incident in de woning aanwezig geweest. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de verdachte ook als medepleger kan worden aangemerkt van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nVoor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en\u002Fof materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Bij de afweging hiervan, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verdachte en medeverdachten samen in de woning waren en daar samen voor de aangever een zeer bedreigende en intimiderende situatie hebben gecreëerd, waarbij de aangever is belet om de woning waar hij zich – met zijn belagers – in bevond, te verlaten. Gedurende het gehele incident zijn de verdachte en de medeverdachten samen geweest. De verdachte heeft zich hier niet van gedistantieerd, maar heeft, ook nadat het de aangever werd belet de woning te verlaten, dreigende woorden geuit richting aangever en nog goederen van aangever afgenomen. De verdachte en de medeverdachten hebben vervolgens samen de woning verlaten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan.\n\nHiermee is ook vast komen te staan dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het medeplegen van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook bewezen worden verklaard. Dat de opzet van de verdachte en de medeverdachten alleen zou zijn gericht op de beroving van de spullen, doet – wat daar ook van zij – niet af aan de feitelijke situatie en juridische kwalificatie daarvan. Nadat de aangever was teruggekeerd, was hij voortdurend in de nabijheid van de verdachte en medeverdachten en werd hij belemmerd om de woning te verlaten, waarbij hij werd bedreigd en geslagen.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nFeit 1hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [de benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [de benadeelde partij] - in een kamer in een woning aan de [adres] , op te sluiten en - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\", en - te verhinderen die kamer te verlaten;\n\nFeit 2hij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen een paar schoenen en een jas en airpods en een hoeveelheid kleingeld en een telefoon en een vape en een aansteker, die aan [de benadeelde partij] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij] - tegen het gezicht te slaan en tegen het lichaam te duwen en - hem dreigend de woorden toe te voegen: \"als je je wachtwoord niet geeft dan prik ik je helemaal lek!\" en \"Als je naar de politie gaat dan schieten we je dood!\";\n\nFeit 3\n\nhij op 9 juni 2024 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [de benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een shirt dat aan die [de benadeelde partij] toebehoorde door die [de benadeelde partij] tegen het gezicht te slaan en tegen lichaam te duwen.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.\n\nWat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.\n\n4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nTen aanzien van feit 1:\n\nmedeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nTen aanzien van feit 2:\n\ndiefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nTen aanzien van feit 3:\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.\n\n6. Motivering van de sanctie6.1. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte nu twee jaar in een schorsing heeft gelopen en zich in positieve zin heeft ontwikkeld. Hij schaamt zich voor wat hij heeft gedaan en hij is niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Het risico op recidive is dan ook laag. Daarnaast dient bij de bepaling van de strafmaat de overschrijding van de redelijke termijn te worden meegewogen. Omdat de op te leggen straf een pedagogisch effect dient te hebben, is, gelet op voorgaande omstandigheden, de eis van de officier van justitie te hoog.\n\nDaarom heeft de raadsman verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen, met een proeftijd van één jaar.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nIn het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met anderen [de benadeelde partij] in de kamer van een appartement van zijn vrijheid beroofd. De verdachte en zijn mededaders hebben [de benadeelde partij] bedreigd, geslagen en geduwd en hem gedwongen om in de kamer te blijven. Daarbij heeft de verdachte samen met anderen met geweld en bedreiging met geweld [de benadeelde partij] beroofd van zijn bezittingen dan wel gedwongen tot afgifte daarvan.\n\nDit zijn ernstige feiten, die de rechtbank de verdachte aanrekent. De verdachte heeft niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer. Door zo te handelen heeft hij ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit en levenssfeer van het slachtoffer, waarbij hij bij hem veel angst heeft veroorzaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van dergelijke misdrijven nog lange tijd de nadelige gevolgen daarvan moeten ondervinden, zoals onder meer blijkt uit het verzoek tot schadevergoeding dat namens [de benadeelde partij] is ingediend. Hij kampt nog steeds met slaapproblemen, heeft angst om alleen naar buiten te gaan en heeft voor zijn klachten traumatherapie moeten ondergaan. Daarnaast tasten dit soort misdrijven ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nMet betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op zijn strafblad, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft verder acht geslagen het rapport van de Raad van 10 juni 2026, uitgebracht door [raadsonderzoeker] .\n\nDaaruit komt naar voren dat de verdachte gedurende de schorsingsperiode zich goed aan de voorwaarden heeft gehouden, zijn afspraken is nagekomen en niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Hij heeft afstand genomen van vrienden die een slechte invloed op hem hadden, hij werkt, gaat naar de sportschool en volgend schooljaar gaat hij starten met een nieuwe opleiding.\n\nDaarentegen is het hulpverleningstraject bij De Waag vroegtijdig gestopt en vindt de Raad het zorgelijk dat de verdachte veel blowt. De Raad zou het de verdachte gunnen om op een andere manier rust in zijn hoofd te krijgen.\n\nGelet op het lage recidive risico en de positieve ontwikkeling die de verdachte heeft ingezet, heeft de Raad geadviseerd een werkstraf op te leggen. Begeleiding door de jeugdreclassering vindt de Raad niet langer noodzakelijk, gezien het feit dat de risicofactoren laag zijn en de verdachte zich de afgelopen twee jaar goed aan de (bijzondere) voorwaarden heeft gehouden.\n\nDe rechtbank heeft ook acht geslagen op het rapport van de Waag van 7 mei 2026, opgesteld door [naam] en [naam] , en het evaluatieverslag van de jeugdreclassering van 28 mei 2026, opgesteld door [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] , gezinsmanager.\n\nDe conclusies in het rapport en het verslag zijn in overeenstemming met de conclusies van de Raad. Na overleg met de Raad is ook de jeugdreclassering tot het advies gekomen om de verdachte geen verder toezicht en begeleiding op te leggen.\n\nTer zitting hebben de deskundigen [vertegenwoordiger van de raad] en [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] het advies kort toegelicht en de conclusies bevestigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van het soort straf en de duur van de straf acht geslagen op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd, waarbij zij aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor jeugdigen voor afpersing\u002Fdiefstal met geweld, zoals dat is vastgesteld in het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte het bewezenverklaarde feit in groepsverband heeft gepleegd alsook met de mate waarin de verdachte en zijn mededaders geweld jegens het slachtoffer hebben toegepast.\n\nVoorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de redelijke termijn van berechting is overschreden met een periode van meer dan 8 maanden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding dient te worden gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.\n\nVerder heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte voorafgaand aan de bewezenverklaarde feiten noch in de periode van twee jaar nadien voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie of justitie en dat hij in de afgelopen twee jaar in een schorsing heeft gelopen, waarbij hij zich aan strenge voorwaarden, zoals een avondklok en een contactverbod heeft moeten houden.\n\nDeze omstandigheden maken dat de rechtbank, net als de officier van justitie, het niet meer passend vindt om een (voorwaardelijke) jeugddetentie op te leggen.\n\nGelet op het voorgaande en alles afwegende zal de rechtbank een taakstraf in de vorm van een werkstraf van honderd (100) uren opleggen, bij niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijftig (50) dagen jeugddetentie. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan van vijftig (50) uren vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van één (1) jaar, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.\n\n7. Vordering benadeelde partij [de benadeelde partij]\n\nNamens [de benadeelde partij] is een vordering tot schadevergoeding van € 1.600 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\ningediend. Hij werd daarin bijgestaan door [medewerker] , medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, en met oplegging van de hoofdelijkheidsclausule en de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de ernst van de feiten de hoogte van de vordering redelijk is en voor toewijzing in aanmerking komt. Gelet op de geringe rol van de verdachte bij het plegen van de feiten heeft hij verzocht niet het volledige bedrag met de hoofdelijkheidsclausule aan alle verdachten op te leggen, maar een onderlinge verdeling tussen de verdachten te maken, waarbij een bedrag van € 100 recht doet aan de bijdrage die de verdachte heeft geleverd bij het plegen van de feiten.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank overweegt dat, nu de immateriële schade bij uitspraak van 1 juli 2026 is vastgesteld, de wettelijke rente ook vanaf dat moment dient te gelden.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade.\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, namelijk wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal met geweld en afpersing. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. De rechtbank ziet geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade.\n\nDe rechtbank zal dan ook bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nDaarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nschadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1,2 en 3 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen wederrechtelijke vrijheidsberoving, medeplegen diefstal met geweld en medeplegen afpersing] aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.\n\n8. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe volgende wetsartikelen zijn van toepassing:\n\n36f, 47, 77a, 77g 77m, 77n, 77gg, 282, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.\n\nBepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.\n\nVerklaart de verdachte hiervoor strafbaar.\n\nVeroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERD (100) urentaakstraf, in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen doorvijftig (50) dagenjeugddetentie, met bevel dat een gedeelte grootvijftig (50) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen doorvijfentwintig (25) dagenjeugddetentie,nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de opéén (1) jaarbepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nBepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.\n\nWijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [de benadeelde partij]geleden schade tot een bedrag van€ 1.600, als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [de benadeelde partij] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.\n\nBepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.\n\nVeroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.\n\nLegt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [de benadeelde partij]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.600, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door0 dagengijzeling.\n\nBepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en\u002Fof de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen\n\nBepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.\n\nHeft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.\n\nSamenstelling rechtbank en uitspraakdatum\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. J. van Beek, voorzitter,\n\nmr. C.E. Voskens en mr. A.K. Mireku, allen (kinder)rechter,\n\nin tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:8049","ecli-nl-rbnho-2026-8049",{"courtName":6,"legalDomain":61,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht; Materieel strafrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":65,"fullText":66,"language":7,"source":17,"sourceUrl":67,"summary":14,"slug":68,"metadata":69},"1309","ECLI:NL:RBDHA:2026:18657","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34983\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1999, de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, R. Isabbani als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank gaat bij haar beoordeling uit van het volgende. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser voorafgaand aan deze inbewaringstelling in de periodes van 8 mei 2024 tot en met 16 oktober 2024 en van 30 maart 2026 tot en met 22 april 2026 ook op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw in bewaring heeft gezeten op grond van hetzelfde terugkeerbesluit van 8 september 2023.\n\n2.1. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring het volgende overwogen:\n\n“Arrest AROJA:\n\nDe vertrektermijn van 6 maanden is verstreken maar nog binnen de verlengingstermijn van 12 maanden.\n\nVerlengingsbesluit\n\nDe cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de\n\nduur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken.\n\nDaarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt.\n\nDe bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.”\n\n2.2. De rechtbank stelt vast dat op grond van het voorgaande de maatregel van bewaring tevens een verlengingsbesluit is. Het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.\n\n3. Eiser stelt dat de verlenging van de bewaring onrechtmatig is omdat het niet voldoet aan de voorwaarden. In het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling is het eiser niet duidelijk gemaakt dat het gaat om een verlenging van de bewaring voor de duur van twaalf maanden. Dit maakt de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig.\n\n3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een voornemenprocedure maar dat dit ook niet nodig was. In het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft eiser de gelegenheid gekregen om omstandigheden aan te voeren op grond waarvan hij meent dat hij niet in bewaring kan worden gesteld. Daarmee is hij ook in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Verweerder stelt dat in de maatregel alle voorwaarden voor een verlenging op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw zijn gemotiveerd.\n\n3.2. \n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een verlengingsbesluit, net zoals bij een eerste maatregel van bewaring, geldt dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken.\n\nDe rechtbank oordeelt dat uit het proces-verbaal van gehoor (formulier M110) van 23 juni 2026 niet is gebleken dat verweerder eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens is om de duur van de bewaring met twaalf maanden te verlengen en is eiser er niet expliciet op gewezen dat hij daarover zijn zienswijze kan geven. Nergens uit het dossier blijkt dat dit eiser duidelijk was. Nu eiser onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze over de verlenging kenbaar te maken en verweerder vervolgens toch is overgegaan tot verlenging van de bewaring, heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.\n\n3.3. De rechtbank is van oordeel dat deze onzorgvuldigheid maakt dat de maatregel ten onrechte is verlengd. De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig met ingang van de oplegging van de maatregel op 24 juni 2026. Immers, op 24 juni 2026 is de maximale bewaringstermijn van zes maanden verstreken, zoals die is bepaald in het arrest Aroja.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond.\n\nDe rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n4.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, als zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 7 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 840,-.\n\n4.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 840,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Zie onder meer de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY7400, rechtsoverweging 2.3.\n\n Zie het arrest Aroja van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18657","ecli-nl-rbdha-2026-18657",{"courtName":6,"legalDomain":70,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":72,"ecli":73,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":65,"fullText":74,"language":7,"source":17,"sourceUrl":75,"summary":14,"slug":76,"metadata":77},"1445","ECLI:NL:RBNHO:2026:7438","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12182256 \\ AO VERZ 26-54\n\nBeschikking van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nte [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster],\n\ngemachtigde: mr. F. Huisman (DAS),\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap,\n\nTRIGION BEVEILIGING B.V.,\n\nte Schiedam,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: Trigion,\n\ngemachtigde: mr. H Kayhan (Facilicom Group).\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak gaat het om een alcoholverslaafde werkneemster (een beveiligster) van wie de Schipholpas en grijze pas zijn ingetrokken nadat zij vlak na afloop van haar dienst door de Koninklijke Marechaussee is aangehouden wegens rijden onder invloed. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever (Trigion) in de gegeven omstandigheden geen geslaagd beroep kan doen op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n) uit de arbeidsovereenkomst.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding (c.q. het verzoekschrift) van 6 januari 2026 met producties;\n\n- de conclusie van antwoord (c.q. het verweerschrift) van 25 maart 2026 met producties; - de akte wijziging verwerende partij van [verzoekster] van 8 mei 2026;\n\n- de aanvullende productie van [verzoekster] van 12 mei 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Feiten2.1.. Trigion is een particuliere beveiligingsorganisatie op wie de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (nader te noemen: Wpbr) van toepassing is.\n\n2.2.. Op grond van de artikelen 7 van de Wpbr en 12 lid 4 van de toepasselijke Cao Particuliere Beveiliging (hierna: de cao) kan Trigion een werknemer alleen tewerkstellen indien de werknemer beschikt over toestemming van de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te verrichten (hierna ook wel: de grijze pas).2.3.. \n [verzoekster] is sinds 13 maart 2023 bij Trigion in dienst als beveiliger.\n\n2.4.. \n [verzoekster] voert haar werkzaamheden uit binnen het beveiligde gebied van Schiphol. De beveiligde gebieden op Schiphol zijn uitsluitend toegankelijk voor medewerkers die over een geldige, persoonsgebonden Schipholpas beschikken.\n\n2.5.. In artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt indien de vereiste toestemming van de Korpschef en\u002Fof de Schiphol pas wordt ingetrokken:\n\n“Werknemer verklaart ervan op de hoogte te zijn dat de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus en de Regeling Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus eisen stelt waaraan werkgever en werknemer moeten voldoen. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege, zonder dat hier voorafgaande opzegging voor nodig is, zodra werknemer niet (of niet langer) voldoet aan de vereisten gesteld bij of krachtens de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus. Daarvan is in ieder geval sprake indien de vereiste toestemming door de bevoegde instantie (Korpschef\u002FCommandant) niet wordt verleend, wordt ingetrokken of niet wordt verlengd.\n\n(…) Daarnaast wordt de arbeidsovereenkomst aangegaan onder de voorwaarde dat de schriftelijke toestemming voor de AIVD, dan wel de feitelijke Schipholpas is verkregen vanuit SNBV voor het mogen verrichten van werkzaamheden op en\u002Fof rondom de luchthaven Schiphol. De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zonder dat opzegging is vereist op de dag dat de toestemming voor het verrichten van werkzaamheden op en\u002Fof rondom de luchthaven Schiphol is ingetrokken of niet wordt verlengd.”\n\n2.6.. \n [verzoekster] is sinds 1 augustus 2025 arbeidsongeschikt wegens ziekte (alcoholverslaving).\n\n2.7.. Op 4 november 2025 heeft [verzoekster] re-integratiewerkzaamheden uitgevoerd bij de passenuitgifte van het Badgecenter op Schiphol. Na afloop van haar dienst is zij door de Koninklijke Marechaussee gecontroleerd op het gebruik van verdovende middelen en aangehouden voor rijden onder invloed.2.8.. Op 5 november 2025 is [verzoekster] door Trigion geschorst:\n\n“Reden schorsingJe bent geschorst voor jouw werkzaamheden omdat je op 4 november 2025 omstreeks 18:00 uur bent aangehouden voor rijden onder invloed door De Koninklijke Marechaussee, al rijdend in jouw auto. Je was na Jouw AT dienst van 16:00 uur tot 18:00 uur op weg naar huis.\n\nEen gesprekTijdens jouw dienst van 16:00 en 18:00 uur hadden we een gesprek waarin specifiek gevraagd is of je medicijnen gebruikt had of alcohol genuttigd had, dit ontkende je beiden. Op 4 november om 21:00 uur werd ik gebeld door de Security Officer van dienst van Schiphol dat je Schipholpas is ingenomen na jouw aanhouding door de Kmar.”\n\n2.9.. Op 6 november 2025 heeft Schiphol aan Trigion laten weten dat geen nieuwe Schipholpas zal worden verstrekt voor werkzaamheden voor of namens Schiphol Group: “(…) Van een beveiliger op Schiphol wordt verwacht dat deze integer gedrag vertoont. Door op de vraag van het Trigion-management niet eerlijk te antwoorden, is een duidelijke grens overschreden die niet toelaatbaar is binnen de Schiphol Security-organisatie. De Schipholpas zal daarom niet opnieuw worden uitgegeven voor of namens Schiphol Group.”\n\n2.10.. Trigion heeft [verzoekster] vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 14 en\u002Fof 17 november 2025. [verzoekster] is zonder tegenbericht niet verschenen.\n\n2.11.. Bij brief van 17 november 2025 heeft Trigion zich op het standpunt gesteld dat het dienstverband van [verzoekster] door de intrekking van de Schipholpas per 6 november 2025 van rechtswege is geëindigd.2.12.. Op 18 november 2025 is [verzoekster] gestart met een detoxprogramma.2.13.. Op 25 november 2025 is [verzoekster] naar Zuid-Afrika gevlogen voor een klinische opname en behandeling.\n\n2.14.. Bij brief van 4 december 2025 heeft de korpschef de aan [verzoekster] verleende grijze pas ingetrokken.3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\n [verzoekster] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat de ontbindende voorwaarde(n) zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst nietig is, dan wel om het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) te vernietigen of de gevolgen van het beroep op de ontbindende voorwaarde(n) te wijzigen.\n\nDaarnaast verzoekt [verzoekster] zowel primair als subsidiair om Trigion te veroordelen haar in staat te stellen de tot haar functie behorende werkzaamheden dan wel andere passende werkzaamheden te laten uitvoeren (op straffe van een dwangsom), doorbetaling van loon vanaf 6 november 2025 (te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente) en afgifte van deugdelijke bruto\u002Fnetto salarisspecificaties (eveneens op straffe van een dwangsom).\n\n3.2.. Trigion voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens Trigion is de arbeidsovereenkomst per 6 november 2025 dan wel 4 december 2025 van rechtswege geëindigd door het intreden van rechtsgeldige ontbindende voorwaarde(n).\n\n4. De beoordeling\n\nSpoorwissel4.1.. De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat de procedure ten onrechte is ingeleid met een dagvaarding. De kantonrechter zal daarom, met toepassing van art. 69 Rv, bij beschikking uitspraak doen. De dagvaarding zal worden opgevat als een verzoekschrift en de conclusie van antwoord als een verweerschrift, zoals tijdens de zitting met partijen besproken. Verder zal het zaaknummer van de zaak worden gewijzigd van 12058144 \u002F CV 26-137 naar 12182256 \\ AO VERZ 26-54. Deze (procedurele) kwestie heeft geen gevolgen voor de inhoudelijke behandeling en beoordeling van de zaak.\n\nHet geschil\n\n4.2.. Tussen partijen is in geschil of de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst per 6 november 2025 dan wel 4 december 2025 van rechtswege is geëindigd. In deze zaak moet daarom de vraag worden beantwoord of de ontbindende voorwaarde(n) zoals opgenomen in artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is\u002Fzijn, dan wel of Trigion zich rechtsgeldig op deze ontbindende voorwaarde(n) kan beroepen.\n\nRechtsgeldigheid van de ontbindende voorwaarde\n\n4.3.. De voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming van de werknemer, die onder meer tot uiting komt in het wettelijk stelsel van het ontslagrecht, brengt mee dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Door de Hoge Raad is bepaald dat het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, indien is voldaan aan drie elementen. Het opnemen van een ontbindende voorwaarde mag i) geen strijdigheid opleveren met het stelsel van het ontslagrecht, ii) de vervulling van de ontbindende voorwaarde dient objectief te worden bepaald en iii) na de vervulling moet geen invulling meer kunnen worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst.\n\n4.4.. De Schipholpas en de grijze pas van [verzoekster] zijn ingetrokken nadat zij op 4 november 2025 na afloop van haar (re-integratie)dienst bij de passenuitgifte van het Badgecenter op Schiphol door de Koninklijke Marechaussee is aangehouden wegens rijden onder invloed. Vaststaat dat Trigion op de bewuste dag een sterk vermoeden had dat [verzoekster] alcohol had gedronken. Dit vermoeden was gebaseerd op waarnemingen van meerdere collega’s, die een alcoholgeur hadden geroken en hadden gezien dat [verzoekster] voorafgaand aan haar dienst moeite had met inparkeren en enige tijd in haar auto bleef zitten voordat zij naar binnen ging. Trigion heeft [verzoekster] hiermee geconfronteerd, maar [verzoekster] heeft daarop ontkend alcohol te hebben genuttigd. Vervolgens heeft Trigion [verzoekster] haar dienst laten afmaken. Kort nadat [verzoekster] het Badgecenter had verlaten, is zij door de Koninklijke Marechaussee onderworpen aan een alcoholtest. Volgens [verzoekster] kan het niet anders dan dat Trigion de Koninklijke Marechaussee heeft ingelicht over haar vermoedelijke alcoholgebruik. Trigion heeft deze stelling bij gebrek aan wetenschap betwist.\n\n4.5.. De hiervoor geschetste gang van zaken is naar het oordeel van de kantonrechter op zijn minst opvallend te noemen. Daarbij weegt in belangrijke mate mee dat de vraag of de Koninklijke Marechaussee door Trigion is ingelicht, een feitelijke omstandigheid betreft die zich bij uitstek binnen de kennissfeer van Trigion bevindt. Onder deze omstandigheden kon van Trigion een meer concrete en gemotiveerde betwisting worden verlangd. De enkele blote ontkenning bij gebrek aan wetenschap is op dit punt daarom onvoldoende. Als het klopt dat Trigion de Koninklijke Marechaussee heeft ingelicht over het (vermoedelijke) alcoholgebruik van [verzoekster], zou dat betekenen dat Trigion actief heeft aangestuurd op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n). Onder die omstandigheden wordt niet voldaan aan de hiervoor onder 4.3 beschreven voorwaarde dat de vervulling van de ontbindende voorwaarde objectief dient te worden bepaald.\n\nHet beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde\n\n4.6.. De kantonrechter overweegt verder als volgt. Zelfs als zou blijken dat Trigion niets met de alcoholcontrole door de Koninklijke Marechaussee te maken heeft gehad (en zij dus ook geen directe invloed heeft gehad op het intreden van de ontbindende voorwaarde), neemt dit niet weg dat een op zichzelf (rechts)geldige ontbindende voorwaarde toepassing kan missen, indien de toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijnen\u002Fof in strijd zou zijn met het goed werkgeverschap.Daarvan is in dit geval sprake.\n\n4.7.. Gelet op de concrete signalen van alcoholgebruik door [verzoekster], had van Trigion als werkgever mogen worden verwacht dat zij het ontkennende antwoord van [verzoekster] op de vraag of zij alcohol had gedronken niet zonder meer zou accepteren. Het had op de weg van Trigion gelegen om nader onderzoek te doen naar de gesteldheid van [verzoekster], hoe zij thuis zou komen en (als zij van plan was om met de auto te gaan) of zij in staat was veilig deel te nemen aan het verkeer. Trigion heeft dit nagelaten. In plaats daarvan heeft zij [verzoekster] (ondanks de ernstige vermoedens van alcoholgebruik) haar dienst laten afmaken en in de auto laten stappen. Dit terwijl zij wist (althans ernstig moest vermoeden) dat [verzoekster] daarmee haar eigen veiligheid, de veiligheid van haar medeweggebruikers en de voor haar functie noodzakelijke Schipholpas en grijze pas op het spel zette. Daarmee heeft Trigion naar het oordeel van de kantonrechter in strijd gehandeld met het beginsel van goed werkgeverschap. De omstandigheid dat Trigion (mogelijk) niet van de verslavingsproblematiek van [verzoekster] op de hoogte was, maakt het voorgaande niet anders. Onder deze omstandigheden kan Trigion naar het oordeel van de kantonrechter geen geslaagd beroep doen op het intreden van de ontbindende voorwaarde(n).\n\n4.8.. In aansluiting op het voorgaande wordt nog opgemerkt dat Trigion op de zitting heeft gesteld dat de situatie mogelijk anders had uitgepakt indien [verzoekster] direct open en eerlijk was geweest over haar alcoholgebruik op 4 november 2025. [verzoekster] heeft hiertegen terecht ingebracht dat liegen een veelvoorkomend kenmerk van een verslaving is. Het kan haar dan ook niet volledig worden tegengeworpen dat zij niet direct open en eerlijk heeft geantwoord op de vraag van haar leidinggevende. Hoewel [verzoekster] verantwoordelijk blijft voor haar eigen handelen en het rijden onder invloed absoluut niet kan worden gerechtvaardigd door haar verslaving, is wel aannemelijk dat deze ziekte heeft bijgedragen aan de omstandigheden waaronder de ontbindende voorwaarde is ingetreden. Ook dit maakt dat Trigion in dit geval geen geslaagd beroep kan doen op de ontbindende voorwaarde(n).4.9.. De conclusie is dat het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) in de gegeven omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid c.q. de norm van goed werkgeverschap. Het verzoek van [verzoekster] om het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) te vernietigen wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat de arbeidsovereenkomst voortduurt.\n\nLoondoorbetaling, wedertewerkstelling en salarisspecificaties\n\n4.10.. Het voortduren van de arbeidsovereenkomst heeft tot gevolg dat [verzoekster] recht heeft op loon. Het verzoek tot loonbetaling zal daarom eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat Trigion het loon te laat heeft betaald. De kantonrechter ziet gelet op de feiten van de zaak aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 10%.\n\n4.11.. Ten aanzien van het verzoek tot wedertewerkstelling overweegt de kantonrechter als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] haar eigen functie niet mag uitoefenen, zolang zij niet over een Schipholpas en de vereiste toestemming van de korpschef beschikt. Ook het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden elders is niet mogelijk zonder grijze pas. Het is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet gebleken dat de intrekking van deze ‘passen’ iedere mogelijkheid tot werken blokkeert. Trigion heeft haar stelling dat er binnen haar organisatie helemaal geen functies zijn waarvoor geen politietoestemming is vereist, niet onderbouwd. Het valt bovendien niet in te zien waarom [verzoekster] niet, in het kader van haar re-integratie (voor zover er benutbare mogelijkheden zijn), in het kader van het tweede spoor ingezet zou kunnen worden buiten de beveiligingssector, waarvoor geen Schipholpas en\u002Fof toestemming van de korpschef (grijze pas) is vereist. Trigion zal dan ook worden veroordeeld om [verzoekster] in staat te stellen om andere passende werkzaamheden uit te voeren. Aangezien de kantonrechter begrijpt dat het enige tijd kan duren voordat een andere passende functie is gevonden, zal zij hieraan geen dwangsom verbinden.\n\n4.12.. Omdat Trigion wordt veroordeeld tot betaling van loon, is zij ook verplicht bruto\u002Fnetto specificaties van die salarisbetalingen aan [verzoekster] te verstrekken, zodat zij daartoe zal worden veroordeeld. Omdat er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanwijzingen zijn dat Trigion niet aan deze veroordeling zal voldoen, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.13.. De proceskosten komen voor rekening van Trigion, omdat Trigion overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. vernietigt het beroep van Trigion op de ontbindende voorwaarde(n) zoals bedoeld in artikel 2 lid 6 van de arbeidsovereenkomst,\n\n5.2.. veroordeelt Trigion om [verzoekster] zo snel mogelijk in staat te stellen andere passende werkzaamheden uit te voeren,\n\n5.3.. veroordeelt Trigion tot betaling aan [verzoekster] van het overeengekomen loon (bij ziekte) over de periode van 6 november 2025 tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met 10% wettelijke verhoging over het achterstallige salaris vanaf de data van opeisbaarheid van de betreffende loontermijnen tot aan de dag van de gehele betaling, en dat totaal te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de data van opeisbaarheid van de betreffende loontermijnen tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.4.. veroordeelt Trigion om deugdelijke bruto\u002Fnetto salarisspecificaties van de onder 5.1 loonbetalingen aan [verzoekster] te verstrekken,\n\n5.5.. veroordeelt Trigion in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Trigion niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.6.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:611 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7438","ecli-nl-rbnho-2026-7438",{"courtName":6,"legalDomain":78,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht",{"id":80,"ecli":81,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":82,"fullText":83,"language":7,"source":17,"sourceUrl":84,"summary":14,"slug":85,"metadata":86},"1940","ECLI:NL:RBNHO:2026:7506","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377936 \u002F KG ZA 26-257\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nORTHOPEDAGOGISCHE PRAKTIJK DE REGENBOOG B.V.,\n\nte Zaanstad,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: De Regenboog,\n\nadvocaat: mr. H.R. Eikelboom,\n\ntegen\n\nGEMEENTE ZAANSTAD,\n\nte Zaanstad,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. M.W. Langhout.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4\n\n- de producties 1 tot en met 4 van de gemeente - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van De Regenboog - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 11 juni 2026 zijn verschenen namens de Regenboog mevrouw [betrokkene 1] (directrice) en mevrouw [betrokkene 2] (operationeel manager), bijgestaan door mr. Eikelboom voornoemd en namens de gemeente mevrouw [betrokkene 3] (contractmanager), de heer [betrokkene 4] (jurist) en de heer [betrokkene 5] (projectleider), bijgestaan door mr. Langhout voornoemd.\n\n1.3.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De gemeente Zaanstad heeft in december 2025 de Europese openbare aanbesteding Specialistische Jeugdhulp Segment C en V 2027 Zaanstreek-Waterland gepubliceerd. Zij deed dit mede namens de gemeenten Purmerend, Edam-Volendam, Wormerland, Landsmeer en Oostzaan.\n\n2.2.. \n\nDe Offerteleidraad (hierna: de leidraad) houdt onder meer het volgende in:\n\n(…)4.2. \n\nContactpersonen en -gegevens\n\n(…)\n\nIndien er naar aanleiding van deze aanbestedingsleidraad nog vragen zijn, dient de gegadigde deze via TenderNed te stellen. (…) Deze vragen dienen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het op TenderNed gepubliceerde tijdstip, te zijn ingediend. Vragen die na dit tijdstip binnenkomen, worden in beginsel niet beantwoord. De gemeente behoudt zich het recht voor vragen die na dit tijdstip binnenkomen wel te beantwoorden als dat vanwege de aard van de vraag wenselijk is.\n\nBeantwoording van de vragen vindt plaats middels een nota van inlichtingen via TenderNed aan alle gegadigden. De vragen en de daarop gegeven antwoorden moeten worden beschouwd als integraal onderdeel van de aanbestedingsdocumenten en worden volgens planning gepubliceerd op TenderNed.\n\n(…)\n\n5. Beschrijving opdracht5.1. \n\nUitgangspunten, doelstellingen en voorzieningen\n\n(…)\n\nDe opdracht heeft betrekking op de gezamenlijke inkoop van specialistische jeugdhulp voor de periode 2027-2034. De inkoop richt zich op:\n\nsegment C: hoogspecialistische en\u002Fof complexe ambulante hulp;\n\nsegment V: verblijfszorg.\n\nSegmenten C en V zijn onderdeel van het jeugdzorgstelsel in de regio Zaanstreek-Waterland. Het jeugdhulpstelsel bestaat uit vijf onderdelen die segmenten worden genoemd. Segment A is de basis: lokale teams en lichte hulp die vrij toegankelijk is. Segment B biedt specialistische ambulante hulp voor enkelvoudige problemen. Segment C is voor complexe, hoogspecialistische hulp. Segment D richt zich op ernstige dyslexiezorg. Segment V omvat 24-uurs verblijf voor jeugdigen die tijdelijk niet thuis kunnen wonen.\n\n(…)\n\n6. Percelenverdeling en inkoopmethodiek\n\nDeze opdracht is onderverdeeld in drie percelen (zie tabel). Het betreft twee percelen voor segment C en één perceel voor segment V. (…)\n\n(…)6.1.2. \n\nIndeling in percelen\n\nDe inkoop van segment C is opgedeeld in twee percelen:\n\nPerceel 1A is bedoeld voor kernpartners die actief bijdragen aan de doorontwikkeling van het zorglandschap en vanaf 2030 gezamenlijk de volledige zorgvraag in segment C opvangen.\n\nPerceel 1B is bedoeld voor overige leveranciers die zonder ontwikkelverplichting een deel van de zorg leveren gedurende drie jaar tot 2030.\n\n(…)\n\nInkoopprocedure perceel 1B\n\nDe procedure voor perceel 1B bestaat uit twee fases. Inschrijvers moeten voldoen aan de\n\ngeschiktheidseisen en selectiecriteria (zie paragraaf 7.3). Na inschrijving wordt gecontroleerd of de ingediende stukken volledig en correct zijn. Vervolgens worden de inschrijvers die een juiste inschrijving hebben gedaan uitgenodigd voor de onderhandelingsgesprekken over de prijs.\n\n(…)6.2. \n\nInkoop methodiek: Segment V\n\nSegment V betreft jeugdhulp waarbij de jeugdige tijdelijk of langdurig in een woonvoorziening verblijft.\n\nDit kan een pleeggezin, gezinshuis, logeerhuis of behandelgroep zijn. Het gaat om 24-uurszorg voor\n\njeugdigen die (tijdelijk) niet thuis kunnen wonen vanwege de ernst of complexiteit van hun situatie.\n\n(…)6.6. \n\nRechtsverwerking\n\nDe aanbestedingsleidraad is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Desondanks kunnen er toch onduidelijkheden\u002Fonvolkomenheden in het document (en\u002Fof bijlagen) voorkomen.\n\nGemeente verwacht een proactieve houding van de gegadigden, wat betekent dat de gegadigden eventuele onduidelijkheden en\u002Fof onvolkomenheden in de aanbestedingsleidraad zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór de laatste nota van inlichtingen, aan Gemeente moeten melden.\n\n(…)6.7. \n\nMededeling van de gunningbeslissing\n\nDe aanbestedende dienst zal de inschrijvers gelijktijdig schriftelijk informeren over het voornemen tot gunning. De mededeling van de gunningsbeslissing bevat de relevante redenen voor die beslissing.\n\n(…)\n\nDe aanbestedende dienst neemt een termijn van 20 kalenderdagen (stand stilltermijn) in acht voordat zij de met de gunningsbeslissing beoogde raamovereenkomst sluit. De betrokken inschrijvers hebben aldus de gelegenheid om binnen 20 kalenderdagen ingaande op de dag na de verzenddatum van de mededeling van de gunningsbeslissing, tegen deze beslissing op te komen en een kort geding aanhangig te maken bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.\n\nDeze termijn, die gelijkloopt met de stand still termijn, is een vervaltermijn. Een kort geding moet voor deze termijn aanhangig zijn gemaakt.\n\nEen kort geding is aanhangig vanaf het moment dat aan de aanbestedende dienst de datum van het kort geding en de inhoud daarvan (door het toesturen van de conceptdagvaarding) is medegedeeld óf vanaf de dag dat de deurwaarder de aanbestedende dienst heeft betekend.\n\n(…)6.8. \n\nKlachtenprocedure\n\nKlachten over deze aanbestedingsprocedure kunnen op de manier zoals in onze klachtenregeling omschreven, worden ingediend bij het volgende mailadres: klachtenInkoop@zaanstad.nl.\n\n(…)7.3. \n\nGeschiktheidseisen\n\n(…)\n\nAanvullende geschiktheidseis aandeel ZZP'ers\n\nDe inschrijver toont aan dat zijn organisatie beschikt over een stabiele personele bezetting met een substantieel aandeel medewerkers in loondienst. Dit draagt bij aan continuïteit, kwaliteit en borging van zorg.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een ondertekend document toe waarin het percentage\n\nmedewerkers in loondienst wordt vermeld. Dit percentage bedraagt minimaal 80%. Dit document bevat:\n\nDe totale personeelskosten\n\nDe personeelskosten van de medewerkers in loondienst.\n\nHet berekende percentage medewerkers in loondienst ten opzichte van het totaal.\n\nEen verklaring dat dit percentage representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek- Waterland.\n\n(…).\n\nAanvullende geschiktheidseis samenstelling multidisciplinair team\n\nOpdrachtnemer heeft binnen haar organisatie een multidisciplinair team welke ter beschikking staat voor behandeling van Cliënten binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Hier stellen we de volgende eisen aan:\n\nHet team dient te bestaan uit verschillende disciplines werkzaam binnen de organisatie en bevat minimaal: een (kinder- en jeugd)Psychiater of een Arts VG, een Klinisch psycholoog\u002FGZ psycholoog of Orthopedagoog Generalist (OG-er) en een systeemtherapeut.\n\nHet team kan gezamenlijk ondersteunen. Dit ten behoeve van de vorming van een behandelplan en\u002Fof oplossingen voor vragen van de jeugdige \u002F het gezin vanuit een interdisciplinaire visie vereist, teneinde de juiste dienstverlening te matchen bij de juiste probleemstellingen bij zeer complexe casussen, waarbij intercollegiale consultatie van een enkele behandelaar niet afdoende is.\n\nHet team dient een outreachend karakter te hebben en beschikbaar te zijn.\n\nHet team omvat 10 tot 15 fte.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een document toe waarin de samenstelling van het team wordt beschreven, inclusief:\n\nFuncties en disciplines binnen het team inclusief BIG- en SKJ-registratienummers\n\nAantal FTE per discipline.\n\n(…)7.3.4. \n\nReferentie eisen\n\nWij verzoeken u om aan de hand van referenties aan te tonen dat u beschikt over de kerncompetenties die nodig zijn voor de uitvoering van deze opdracht. (…) U dient enkel een referentie in te dienen voor het perceel waarvoor u zich inschrijft. Het is ook toegestaan om referenties van een derde op te geven. In dat geval doet u een beroep op die derde, zoals bedoeld in paragraaf 10.3.4.\n\n(…)\n\nPerceel 2: Segment V\n\n Kerncompetentie 1 — Ervaring met het uitoefenen van specialistische jeugdhulp met een verblijfscomponent.\n\nDeze kerncompetentie ziet met name toe dat Inschrijver duidelijk ervaring heeft in het vakgebied verblijf gerelateerd aan de aard en inhoud zoals beschreven in de opdrachtomschrijving en programma van eisen.\n\nAan de referenties worden de volgende eisen gesteld:\n\nMet de referentie toont de Inschrijver aan voldoende ervaring te hebben met de kerncompetentie;\n\nDe referentie is in de afgelopen drie jaren uitgevoerd;\n\nDe referent toont aan minimaal 10 cliënten in een jaar gehuisvest hebben voor één opdrachtgever.\n\nDe gerefereerde opdracht is voor een gemeente en\u002Fof jeugdzorgregio.\n\nDe referentie behoeft niet naar aard, hoeveelheid of omvang en het doel van de uitgevraagde opdracht exact gelijk te zijn, maar wel op onderdelen van de opdracht vergelijkbaar, waardoor aangetoond wordt dat de Inschrijver voldoende kennis en ervaring heeft op dit gebied;\n\nDe referenties dienen een looptijd van minimaal 6 maanden te hebben gehad.\n\n(…)10.3.4. \n\nBeroep op draagkracht derde\n\nAls u een beroep wilt doen op de draagkracht van een derde om aan de geschiktheidseisen te voldoen zoals beschreven in hoofdstuk 7, dan moet u dat aan geven in deel IIC van het UEA. Hierbij moet u toelichten op welke specifieke draagkracht van de derde een beroep wordt gedaan. Daarnaast levert u bij inschrijving het door de derde ingevulde en ondertekende UEA in. Hiernaast dient u ook een ‘verklaring beroep op derde’ in, zie bijlage 13.\n\n(…)10.7.2. \n\nRechtsgang\n\nEen voorlopige selectie- of gunningsbeslissing is nog geen aanvaarding van een aanbod. De inkopende organisatie stuurt de mededeling van selectie of gunning via het aanbestedingsplatform. Is een potentiële opdrachtnemer het niet eens met een afwijzing? Dan kan hij een kort geding starten. Dat moet binnen 20 kalenderdagen na de bekendmaking van de selectie of gunning. Na die termijn vervalt het recht op bezwaar en schadevergoeding.\n\n2.3.. De Regenboog exploiteert een onderneming in de vorm van het ondersteunen en begeleiden van jeugdigen zonder verblijf (inclusief dagactviteiten) alsmede een maatschappelijke opvang met verblijf. Zij heeft op 23 maart 2026 ingeschreven op de aanbesteding voor perceel 1 B en perceel 2.\n\n2.4.. \n\nBij brief van 24 april 2026 heeft de gemeente De Regenboog de volgende beslissing meegedeeld:\n\n(…)\n\nUw inschrijving wordt uitgesloten van deelname. Uw inschrijving voldoet helaas niet aan de gestelde eisen.\n\nSegment C1b — Perceel 2\n\nWij hebben vastgesteld dat uw inschrijving niet voldoet aan twee geschiktheidseisen. Het ingediende document voor het aandeel ZZP'ers vermeldt enkel een percentage van 3%, zonder onderbouwing met personeelskosten en berekening conform pagina 24 van de offerteleidraad. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat aan de eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is voldaan.\n\nDaarnaast beschikt uw organisatie niet over een (kinder- en jeugd)Psychiater of Arts VG; een openstaande vacature volstaat hiervoor niet, een vacature toont immers niet aan dat de betreffende discipline daadwerkelijk beschikbaar en werkzaam is binnen uw organisatie (…). Daarnaast moest u bij uw inschrijving de BIG registraties overleggen van deze professionals, in geval van een vacature kan dat ook niet (…)\n\nDit komt niet voor herstel in aanmerking. Uw inschrijving is ongeldig voor segment C en komt niet in\n\naanmerking voor fase 2 noch gunning voor perceel 2.\n\nSegment V — Perceel 3\n\nConform pagina 26 van de offerteleidraad dient de referentie aan te tonen dat minimaal 10 cliënten in één kalenderjaar zijn gehuisvest voor één opdrachtgever (gemeente en\u002Fof jeugdzorgregio), binnen de afgelopen drie jaar.\n\nNa twee verduidelijkingsronden is dit niet aangetoond. In uw eerste antwoord gaf u aan meer dan 10 Zaanse cliënten te hebben bediend over meerdere jaren, maar niet gelijktijdig. In de tweede vragenronde, waarbij wij u uitdrukkelijk hebben gewaarschuwd dat het niet aantonen hiervan zou leiden tot ongeldigheid, heeft u erkend dat aantallen niet in de referentie zijn vermeld en verwezen naar contractmanagement. Dit is niet toegestaan. Bovendien ziet uw toelichting op een totaal over drie jaar, terwijl de eis betrekking heeft op minimaal 10 cliënten binnen één kalenderjaar.\n\nDit komt niet voor herstel in aanmerking. Uw inschrijving is ongeldig voor segment V en komt niet in\n\naanmerking voor fase 2 noch gunning voor perceel 3.\n\nBent u het niet eens met dit besluit?\n\nDan kunt u tot en met 14 mei 2026 bezwaar maken tegen deze beslissing. Wordt er geen bezwaar gemaakt uiterlijk op gemelde datum, dan is uw recht om dat te doen vervallen.\n\n2.5.. De Regenboog is het niet eens met de beslissing en heeft op 13 mei 2026 een bezwaarschrift ingediend bij de gemeente. Enkele minuten na het indienen van het bezwaar kreeg zij reactie vanuit de gemeente dat het bezwaar niet in behandeling genomen zou worden en dat zij hiervoor binnen de daarvoor geldende termijn een kort geding aanhangig zou moeten maken\n\n2.6.. \n\nBij brief van 14 mei 2026 heeft de advocaat van De Regenboog de rechtbank verzocht een datum te bepalen voor het kort geding. In zijn brief vermeldt hij: Ik heb de opdracht pas heden van De Regenboog ontvangen. De aanvraag moest heden (dan wel\n\nmorgen i.v.m. Hemelvaartsdag) ingediend worden.\n\nMet de wederpartij, de gemeente heb ik nog geen contact kunnen hebben. (…).\n\n2.7.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank de datum\u002Ftijd voor het kort geding bepaald en is die informatie gecommuniceerd aan de advocaat van De Regenboog, die deze informatie inclusief de concept-dagvaarding nog dezelfde dag heeft gedeeld met de gemeente.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\nDe Regenboog vordert - na eisvermeerdering - dat de voorzieningenrechter:\n\nI. de gemeente gelast om de uitsluitingsbeslissing van 24 april 2026 in te trekken, althans totdat de inschrijving van de Regenboog is herbeoordeeld, te schorsen, althans de Regenboog alsnog toe te laten tot -fase 2 van - de gunningsprocedure;\n\nII. de gemeente gelast de inschrijving van de Regenboog te herbeoordelen met in achtneming van het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel,\n\nIII. de gemeente gelast zich tot nader order te onthouden van het sluiten van overeenkomsten met andere gegadigden,\n\nIV.de gemeente primair veroordeelt in de volledige kosten van deze kortgedingprocedure\n\n(€ 3.250 excl. btw, te vermeerderen met de deurwaarderskosten en griffierechten) en subsidiair in de forfaitaire kosten van deze kortgedingprocedure, de nakosten daaronder\n\nbegrepen.\n\n3.2.. De Regenboog stelt dat de gemeente haar inschrijving ten onrechte heeft uitgesloten. Zij stelt dat de gemeente de geschiktheidseis ‘berekening personeelskosten’ onjuist heeft toegepast en wijst erop dat zij heeft voldaan aan de gestelde eisen in de leidraad, te weten een beschrijving van de functies en disciplines binnen het team, het aantal fte per discipline en een verklaring dat de beschreven teamsamenstelling representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Zij benadrukt dat uit haar inschrijving aantoonbaar blijkt dat zij ruim meer dan 15 fte in loondienst heeft, aangevuld met circa 3% zzp-inzet en dat ook de multidisciplinaire samenstelling van het team en de beschikbaarheid daarvan voldoende zijn aangetoond.\n\n3.3.. \n\nVerder stelt De Regenboog dat de eis om een psychiater in loondienst te hebben onevenredig is. Zij erkent dat zij momenteel geen psychiater in loondienst heeft en wijst erop dat zij wel een vacature open heeft staan voor 2 tot 4 uur per week, maar dat de arbeidsmarkt voor psychiaters op dit moment uiterst krap is. Zij verklaart dat zij in de tussentijd voldoet aan de psychiatrische inzet door middel van samenwerkingsverbanden met partijen die een psychiater in loondienst hebben of met vrijgevestigde psychiaters en dat strikte toepassing van de eis om een psychiater in loondienst te hebben disproportioneel is en daarom strijdig met het proportionaliteitsbeginsel als bedoeld in artikel 1.10 van de Aanbestedingswet 2012.\n\nVerder plaatst De Regenboog vraagtekens bij de juridische en praktische uitvoerbaarheid van de eis dat gedurende de gehele contractperiode 10 tot 15 fte in loondienst moet zijn, omdat arbeidsverhoudingen onderhevig zijn aan verandering. Zij voert aan dat medewerkers\n\nde organisatie kunnen verlaten, wat leidt tot openstaande vacatures op specifieke\n\ndisciplines en dat onduidelijk is of het ontstaan van een dergelijke vacature grond vormt voor beëindiging van de overeenkomst.\n\nOver het segment verblijf erkent De Regenboog dat zij abusievelijk in haar inschrijving niet het cliëntenaantal heeft vermeld. Zij benadrukt dat zij nog geprobeerd heeft deze informatie alsnog te verstrekken in de nadere onderbouwing, maar dat zij geen nieuwe informatie meer mocht aanleveren, waardoor zij alleen nog maar kon verwijzen naar contractmanagement, zodat de gemeente die informatie zelf kon nagaan. Zij benadrukt daarbij dat zij referenties had kunnen overleggen van anderen, maar dat zij tot nu toe de specialistische zorg heeft verleend onder segment B en dat het haar niet was toegestaan om haar inschrijving aan te vullen. Daarbij voert zij aan dat zij niet begrepen heeft dat met de vraag of beroep gedaan wordt op de draagkracht van een derde niet gedoeld werd op financiële draagkracht maar op professionele draagkracht. Tenslotte wijst zij er op dat zij ook heeft aangegeven dat geen beroep gedaan wordt op een onderaannemer omdat het op dit moment bij de gemeente niet mogelijk is om een aanvraag te doen met een onderaannemer.\n\n3.4.. De gemeente voert verweer. In de eerste plaats voert zij aan dat De Regenboog niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, omdat zij haar vordering te laat heeft ingesteld. De gemeente wijst er op dat de selectiebeslissing dateert van 24 april 2026 en dat de laatste dag van de termijn om daartegen op te komen 14 mei 2026 was. Op die datum heeft De Regenboog de rechtbank wel om een datum gevraagd, maar pas op 15 mei 2026 heeft De Regenboog de gemeente geïnformeerd over de gevraagde datum en de concept-dagvaarding doen toekomen.\n\n3.5.. In de tweede plaats voert de gemeente inhoudelijk verweer. Zij voert aan dat de inschrijving van De Regenboog (betreffende perceel 1B) niet voldoet aan de gestelde eisen, omdat:\n\nuit de inschrijving niet opgemaakt kan worden of aan de eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is voldaan;\n\nDe Regenboog niet beschikt over een (kinder- en jeugd)psychiater of Arts VG (een openstaande vacature volstaat niet);\n\nBIG- en registratienummers door De Regenboog zijn niet overgelegd.\n\nVerder voert de gemeente aan dat ook voor segment V de inschrijving van De Regenboog niet voldoet omdat uit de door haar aangeleverde referentie niet volgt dat minimaal tien cliënten in één jaar gehuisvest zijn voor één opdrachtgever.\n\nDe gemeente benadrukt daarbij dat er hoge eisen worden gesteld omdat het hier gaat om specialistische jeugdhulp met een meervoudig of hoogspecialistisch karakter, die niet vrij toegankelijk is en alleen beschikbaar is op basis van een verwijzing door een wettelijke verwijzer. Daarbij bestaat de doelgroep veelal uit jeugdigen met complexe problematiek, vaak in combinatie met ouders die worstelen met hun opvoedrol, mede als gevolg van eigen psychische of sociale problemen. De gemeente wijst er op dat het daarom van belang is om aan de hand van de geschiktheidseisen te kunnen vaststellen of de inschrijver geschikt is om de gevraagde opdracht uit te voeren. De eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is dan ook gesteld met het oog op borging van de continuïteit, kwaliteit en zorg en aan deze eis voldoet De Regenboog niet. Bovendien maakt vooral het feit dat De Regenboog geen psychiater in loondienst heeft, maar slechts een vacature open heeft staan, dat zij niet voldoet aan de geschiktheidseis, vooral niet nu niet is aangegeven dat een beroep wordt gedaan op de draagkracht van een derde, aldus de gemeente. Ook heeft De Regenboog niet de vereiste BIG- en registratienummers in haar inschrijving vermeld en de verwijzing naar contractmanagement is niet voldoende. De gemeente verklaart dat zij naar aanleiding van die verwijzing naar contractmanagement nog wel heeft gezocht, maar geen contract heeft aangetroffen onder segment C of V met betrekking tot De Regenboog. Zij benadrukt dat De Regenboog ook referenties van andere gemeenten of opdrachtgevers had kunnen overleggen.\n\n3.6.. Over de eisvermeerdering van De Regenboog stelt de gemeente in de eerste plaats dat deze moet worden geweigerd, omdat deze in strijd is met de goede procesorde. Daarnaast stelt zij dat de lat voor een reële proceskostenvergoeding hoog ligt en dat De Regenboog onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik van recht.\n\n3.7.. Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van de gemeente is dat De Regenboog de gemeente niet tijdig in kort geding heeft betrokken om bezwaar te maken tegen de beslissing van 24 april 2026 en daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen.\n\n4.2.. Dit verweer faalt. Vast staat dat de termijn om tegen de beslissing op te komen eindigde op Hemelvaartsdag. Dit is een in de Europese Unie erkende feestdag in Nederland. Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanbestedingswet 2012 volgt dat een opschortingstermijn na de gunningsbeslissing die eindigt op een erkende feestdag, eindigt op het laatste uur van de daarop volgende werkdag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook moet gelden voor de beroepstermijn ten aanzien van de beslissing tot uitsluiting als bedoeld in artikel 10.7.2 van de leidraad. Dit betekent dat De Regenboog deze kortgedingprocedure tijdig aanhangig heeft gemaakt.4.3.. Daarnaast heeft de gemeente in de brief met de uitsluitingsbeslissing zelf aangegeven dat er tot en met 14 mei 2026 bezwaargemaakt kon worden. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat De Regenboog door die formulering op het verkeerde been is gezet en daarom haar bezwaar in eerste instantie bij de gemeente heeft ingediend en niet direct een kortgedingprocedure is gestart. De gemeente heeft ter zitting ook erkend dat de formulering in de brief ongelukkig is geweest. Toen het voor De Regenboog duidelijk was geworden dat in de brief bedoeld is dat zij een kortgedingprocedure moest starten, heeft zij direct een advocaat ingeschakeld die op 14 mei 2026 de rechtbank verzocht om een datumbepaling. Op 14 mei 2026 was het echter Hemelvaartsdag, een algemeen erkende feestdag, waarop de rechtbank gesloten was. Hierdoor is de aanvraag om een datumbepaling niet eerder in behandeling genomen dan op 15 mei 2026. Direct na ontvangst van de dagbepaling op 15 mei 2026 is ook de gemeente hierover ingelicht onder toezending van de concept dagvaarding. Vast staat dat de gemeente tijdig - dat wil zeggen voor afloop van de termijn - op de hoogte was van het feit dat De Regenboog bezwaar wilde maken en van de gronden daarvoor. Aangezien de gemeente bovendien zelf onduidelijkheid heeft gecreëerd over de te volgen procedure, kan zij zich daarom in dit geval in redelijkheid niet beroepen op een termijnoverschrijding met slechts één dag. De Regenboog kan daarom worden ontvangen in haar vorderingen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat De Regenboog daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.5.. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.\n\nBezwaar tegen de eisvermeerdering\n\n4.6.. Het bezwaar van de gemeente, dat de eisvermeerdering in strijd zou zijn met de goede procesorde en daarom niet geaccepteerd kan worden, wordt verworpen. De Regenboog mocht haar eis nog wijzigen op de zitting, tenzij dat in strijd zou zijn met de goede procesorde. Dat is niet het geval. Het om een zeer beperkte aanvulling op de eis voor een proceskostenveroordeling. De gemeente heeft hiertegen ter zitting ook inhoudelijk verweer gevoerd, zodat zij door deze eisvermeerdering niet in haar verdediging is geschaad. De eisvermeerdering wordt toegelaten.\n\nInhoudelijk\n\n4.7.. \n\nDe Regenboog heeft gesteld dat in de leidraad niet de eis is gesteld om bij inschrijving een berekening van de personeelskosten te voegen en dat de gemeente in dit stadium ten onrechte daar om heeft gevraagd. Dit betoog treft geen doel. Hoewel aan De Regenboog kan worden toegegeven dat het op basis van haar verklaring over de stabiele personele bezetting voor de gemeente voldoende duidelijk moet zijn geweest dat het percentage medewerkers in loondienst bij De Regenboog tenminste 80% bedraagt, kan dit haar niet helpen. Zoals de gemeente terecht heeft opgemerkt voldoet De Regenboog niet aan de eis dat in haar team een psychiater werkzaam is. De Regenboog heeft erkend dat zij hiervoor een vacature heeft openstaan. De Regenboog heeft gesteld dat deze eis disproportioneel is, maar hierin wordt zij niet gevolgd. Zeker gelet op de hoogspecialistische jeugdzorg waarop de aanbesteding betrekking heeft, kan niet worden geoordeeld dat de eis die de gemeente hier stelt onredelijk of disproportioneel is. De Regenboog had ervoor kunnen kiezen samen met een ander in te schrijven, of de psychiater waar zij naar eigen zeggen mee samenwerkt als onderaannemer op te voeren, maar dat heeft zij niet gedaan. Niet in geschil is dat De Regenboog in haar inschrijving heeft aangegeven dat zij geen gebruik maakt van de draagkracht van anderen. De Regenboog heeft gesteld dat zij de term ‘draagkracht’ in het UEA heeft opgevat als ‘financiële draagkracht’, maar dat komt voor haar rekening en risico. ‘Draagkracht’ is ook in relatie tot beroepsbekwaamheid een begrip uit de Aanbestedingswet 2012. Van een inschrijver mag worden verwacht dat deze daarmee bekend is. Bovendien is het begrip ook in de leidraad gebruiktin relatie tot de geschiktheidseisen.\n\nVoor zover De Regenboog heeft betoogd dat het niet mogelijk was om een psychiater als onderaannemer op te voeren omdat dit, zo begrijpt de voorzieningenrechter, in het bestaande digitale dashboard van de gemeente niet mogelijk is, had het op haar weg gelegen om daarover voorafgaande aan haar inschrijving een vraag te stellen. Zij kan zich hierover niet achteraf beklagen. Van een inschrijver in een aanbesteding wordt een proactieve houding verwacht op dit punt. Daar is De Regenboog in de leidraad ook op gewezen. Bovendien betreft de inschrijving een toekomstige opdracht en volgt uit de leidraad dat een beperkt deel van het team (maximaal 20%) kan bestaan uit onderaannemers.\n\n4.8.. Uit het betoog van De Regenboog dat zij zich afvraagt of de eis om 10-15 fte in loondienst te hebben praktisch wel uitvoerbaar is omdat arbeidsverhoudingen vaak aan verandering onderhevig zijn, komt naar voren dat De Regenboog het met die eis niet eens is. Het is echter aan de gemeente als aanbestedende dienst om de eisen te bepalen. Zoals hiervoor al is overwogen gaat het hier om hoog specialistische jeugdzorg waaraan door de gemeente als aanbestedende dienst eisen mogen worden gesteld. Deze eis, die dient om de aanwezigheid van de benodigde zorg te waarborgen, is niet disproportioneel. Voor zover De Regenboog heeft willen betogen dat het onmogelijk is om aan deze eis te voldoen, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Nog daargelaten dat zij dit dan vóór haar inschrijving aan de gemeente kenbaar had moeten maken.\n\n4.9.. Met betrekking tot haar inschrijving op segment V (logeeropvang) heeft De Regenboog erkend dat zij abusievelijk het cliëntenaantal niet heeft vermeld. Dit komt voor haar rekening en risico. De enkele verwijzing naar contractsmanagement om dit te herstellen is onvoldoende, temeer omdat De Regenboog heeft erkend dat het daarbij gaat om werkzaamheden die zij heeft uitgevoerd in een ander segment, namelijk segment B. De gemeente heeft De Regenboog terecht niet in de gelegenheid gesteld haar aanschrijving op dit punt aan te passen met nieuwe gegevens. Als aanbestedende dienst is de gemeente gebonden aan het gelijkheidsbeginsel en mag zij een inschrijver niet toestaan zijn\u002Fhaar inschrijving aan te passen of aan te vullen.\n\n4.10.. Uit het vorenstaande volgt dat de gemeente de inschrijving van De Regenboog op goede gronden heeft uitgesloten van verdere deelname. Dit betekent dat de vorderingen van De Regenboog worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.11.. \n\nDe Regenboog wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de kant van de gemeente begroot op:\n\ngriffierecht € 735,00\n\nsalaris advocaat € 1.177,00\n\nnakosten € 189,00\n\nTotaal € 2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt De Regenboog in de proceskosten van de gemeente van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n1155\n\n MvT, Kamerstukken II, 32 027, nr. 3, p.6.\n\n Artikel 3.65a Aanbestedingswet 2012\n\n Artikel 10.3.4 van de leidraad","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7506","ecli-nl-rbnho-2026-7506",{"courtName":6,"legalDomain":87,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Aanbestedingsrecht",{"id":89,"ecli":90,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":82,"fullText":91,"language":7,"source":17,"sourceUrl":92,"summary":14,"slug":93,"metadata":94},"1994","ECLI:NL:RBNHO:2026:7508","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377934 \u002F KG ZA 26-256\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. R.L.G.J. Eikelboom,\n\ntegen\n\nGEMEENTE ZAANSTAD,\n\nte Zaanstad,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: de gemeente,\n\nadvocaat: mr. M.W. Langhout.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 3\n\n- de producties 1 tot en met 3 van de gemeente - de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitnota van [eiser] - de pleitnota van de gemeente.\n\n1.2.. Voor de mondelinge behandeling op 11 juni 2026 zijn verschenen namens [eiser] de heer [betrokkene 1], echtgenoot van [eiser] en schriftelijk gemachtigd om haar ter zitting te vertegenwoordigen, bijgestaan door mr. Eikelboom voornoemd en namens de gemeente mevrouw [betrokkene 2] (contractmanager), de heer [betrokkene 3] (jurist) en de heer [betrokkene 4] (projectleider), bijgestaan door mr. Langhout voornoemd.\n\n1.3.. Tenslotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De gemeente Zaanstad heeft in december 2025 de Europese openbare aanbesteding Specialistische Jeugdhulp Segment C en V 2027 Zaanstreek-Waterland gepubliceerd. Zij treedt hierin samen op met de gemeenten Purmerend, Edam-Volendam, Wormerland, Landsmeer en Oostzaan.\n\n2.2.. \n\nDe Offerteleidraad (hierna: de leidraad) houdt onder meer het volgende in:\n\n(…)4.2. \n\nContactpersonen en -gegevens\n\n(…)\n\nIndien er naar aanleiding van deze aanbestedingsleidraad nog vragen zijn, dient de gegadigde deze via TenderNed te stellen. (…)Deze vragen dienen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk voor het op TenderNed gepubliceerde tijdstip, te zijn ingediend. Vragen die na dit tijdstip binnenkomen, worden in beginsel niet beantwoord. De gemeente behoudt zich het recht voor vragen die na dit tijdstip binnenkomen wel te beantwoorden als dat vanwege de aard van de vraag wenselijk is.\n\nBeantwoording van de vragen vindt plaats middels een nota van inlichtingen via TenderNed aan alle gegadigden. De vragen en de daarop gegeven antwoorden moeten worden beschouwd als integraal onderdeel van de aanbestedingsdocumenten en worden volgens planning gepubliceerd op TenderNed.\n\n(…)\n\n5. Beschrijving opdracht5.1. \n\nUitgangspunten, doelstellingen en voorzieningen\n\n(…)\n\nDe opdracht heeft betrekking op de gezamenlijke inkoop van specialistische jeugdhulp voor de periode 2027-2034. De inkoop richt zich op:\n\nsegment C: hoogspecialistische en\u002Fof complexe ambulante hulp;\n\nsegment V: verblijfszorg.\n\nSegmenten C en V zijn onderdeel van het jeugdzorgstelsel in de regio Zaanstreek-Waterland. Het jeugdhulpstelsel bestaat uit vijf onderdelen die segmenten worden genoemd. Segment A is de basis: lokale teams en lichte hulp die vrij toegankelijk is. Segment B biedt specialistische ambulante hulp voor enkelvoudige problemen. Segment C is voor complexe, hoogspecialistische hulp. Segment D richt zich op ernstige dyslexiezorg. Segment V omvat 24-uurs verblijf voor jeugdigen die tijdelijk niet thuis kunnen wonen.\n\n(…)\n\n6. Percelenverdeling en inkoopmethodiek\n\nDeze opdracht is onderverdeeld in drie percelen (zie tabel). Het betreft twee percelen voor segment C en één perceel voor segment V. (…)\n\n(…)6.1.2. \n\nIndeling in percelen\n\nDe inkoop van segment C is opgedeeld in twee percelen:\n\nPerceel 1A is bedoeld voor kernpartners die actief bijdragen aan de doorontwikkeling van het zorglandschap en vanaf 2030 gezamenlijk de volledige zorgvraag in segment C opvangen.\n\nPerceel 1B is bedoeld voor overige leveranciers die zonder ontwikkelverplichting een deel van de zorg leveren gedurende drie jaar tot 2030.\n\n(…)\n\nInkoopprocedure perceel 1B\n\nDe procedure voor perceel 1B bestaat uit twee fases. Inschrijvers moeten voldoen aan de\n\ngeschiktheidseisen en selectiecriteria (zie paragraaf 7.3). Na inschrijving wordt gecontroleerd of de ingediende stukken volledig en correct zijn. Vervolgens worden de inschrijvers die een juiste inschrijving hebben gedaan uitgenodigd voor de onderhandelingsgesprekken over de prijs.\n\n(…)6.6. \n\nRechtsverwerking\n\nDe aanbestedingsleidraad is met de grootst mogelijke zorgvuldigheid samengesteld. Desondanks kunnen er toch onduidelijkheden\u002Fonvolkomenheden in het document (en\u002Fof bijlagen) voorkomen.\n\nGemeente verwacht een proactieve houding van de gegadigden, wat betekent dat de gegadigden eventuele onduidelijkheden en\u002Fof onvolkomenheden in de aanbestedingsleidraad zo spoedig mogelijk, in ieder geval vóór de laatste nota van inlichtingen, aan Gemeente moeten melden.\n\n(…)6.7. \n\nMededeling van de gunningbeslissing\n\nDe aanbestedende dienst zal de inschrijvers gelijktijdig schriftelijk informeren over het voornemen tot gunning. De mededeling van de gunningsbeslissing bevat de relevante redenen voor die beslissing.\n\n(…)\n\nDe aanbestedende dienst neemt een termijn van 20 kalenderdagen (stand stilltermijn) in acht voordat zij de met de gunningsbeslissing beoogde raamovereenkomst sluit. De betrokken inschrijvers hebben aldus de gelegenheid om binnen 20 kalenderdagen ingaande op de dag na de verzenddatum van de mededeling van de gunningsbeslissing, tegen deze beslissing op te komen en een kort geding aanhangig te maken bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.\n\nDeze termijn, die gelijkloopt met de stand still termijn, is een vervaltermijn. Een kort geding moet voor deze termijn aanhangig zijn gemaakt.\n\nEen kort geding is aanhangig vanaf het moment dat aan de aanbestedende dienst de datum van het kort geding en de inhoud daarvan (door het toesturen van de conceptdagvaarding) is medegedeeld óf vanaf de dag dat de deurwaarder de aanbestedende dienst heeft betekend.\n\n(…)6.8. \n\nKlachtenprocedure\n\nKlachten over deze aanbestedingsprocedure kunnen op de manier zoals in onze klachtenregeling omschreven, worden ingediend bij het volgende mailadres: klachtenInkoop@zaanstad.nl.\n\n(…)7.3. \n\nGeschiktheidseisen\n\n(…)\n\nAanvullende geschiktheidseis aandeel ZZP'ers\n\nDe inschrijver toont aan dat zijn organisatie beschikt over een stabiele personele bezetting met een substantieel aandeel medewerkers in loondienst. Dit draagt bij aan continuïteit, kwaliteit en borging van zorg.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een ondertekend document toe waarin het percentage\n\nmedewerkers in loondienst wordt vermeld. Dit percentage bedraagt minimaal 80%. Dit document bevat:\n\nDe totale personeelskosten\n\nDe personeelskosten van de medewerkers in loondienst.\n\nHet berekende percentage medewerkers in loondienst ten opzichte van het totaal.\n\nEen verklaring dat dit percentage representatief is voor de inzet binnen de regio Zaanstreek- Waterland.\n\n(…).\n\nAanvullende geschiktheidseis samenstelling multidisciplinair team\n\nOpdrachtnemer heeft binnen haar organisatie een multidisciplinair team welke ter beschikking staat voor behandeling van Cliënten binnen de regio Zaanstreek-Waterland. Hier stellen we de volgende eisen aan:\n\nHet team dient te bestaan uit verschillende disciplines werkzaam binnen de organisatie en bevat minimaal: een (kinder- en jeugd)Psychiater of een Arts VG, een Klinisch psycholoog\u002FGZ psycholoog of Orthopedagoog Generalist (OG-er) en een systeemtherapeut.\n\nHet team kan gezamenlijk ondersteunen. Dit ten behoeve van de vorming van een behandelplan en\u002Fof oplossingen voor vragen van de jeugdige \u002F het gezin vanuit een interdisciplinaire visie vereist, teneinde de juiste dienstverlening te matchen bij de juiste probleemstellingen bij zeer complexe casussen, waarbij intercollegiale consultatie van een enkele behandelaar niet afdoende is.\n\nHet team dient een outreachend karakter te hebben en beschikbaar te zijn.\n\nHet team omvat 10 tot 15 fte.\n\nBij inschrijving voegt de inschrijver een document toe waarin de samenstelling van het team wordt beschreven, inclusief:\n\nFuncties en disciplines binnen het team inclusief BIG- en SKJ-registratienummers\n\nAantal FTE per discipline.\n\n(…)7.3.4. \n\nReferentie eisen\n\nWij verzoeken u om aan de hand van referenties aan te tonen dat u beschikt over de kerncompetenties die nodig zijn voor de uitvoering van deze opdracht. (…) U dient enkel een referentie in te dienen voor het perceel waarvoor u zich inschrijft. Het is ook toegestaan om referenties van een derde op te geven. In dat geval doet u een beroep op die derde, zoals bedoeld in paragraaf 10.3.4.\n\n(…)10.3.4. \n\nBeroep op draagkracht derde\n\nAls u een beroep wilt doen op de draagkracht van een derde om aan de geschiktheidseisen te voldoen zoals beschreven in hoofdstuk 7, dan moet u dat aan geven in deel IIC van het UEA. Hierbij moet u toelichten op welke specifieke draagkracht van de derde een beroep wordt gedaan. Daarnaast levert u bij inschrijving het door de derde ingevulde en ondertekende UEA in. Hiernaast dient u ook een ‘verklaring beroep op derde’ in, zie bijlage 13.\n\n(…)10.7.2. \n\nRechtsgang\n\nEen voorlopige selectie- of gunningsbeslissing is nog geen aanvaarding van een aanbod. De inkopende organisatie stuurt de mededeling van selectie of gunning via het aanbestedingsplatform. Is een potentiële opdrachtnemer het niet eens met een afwijzing? Dan kan hij een kort geding starten. Dat moet binnen 20 kalenderdagen na de bekendmaking van de selectie of gunning. Na die termijn vervalt het recht op bezwaar en schadevergoeding.\n\n2.3.. \n\n [eiser] is van beroep orthopedagoog-generalist en K&J NIP in afronding.\n\nZij heeft op 23 maart 2026 namens haar onderneming Jij, Ik en Wijingeschreven op de aanbesteding voor segment C, perceel 1 B.\n\n2.4.. \n\nBij brief van 24 april 2026 heeft de gemeente [eiser] de volgende beslissing meegedeeld:\n\n(…)\n\nUw inschrijving wordt uitgesloten van deelname. Uw inschrijving voldoet helaas niet aan de gestelde eisen.\n\nWe hebben vastgesteld dat de door u ingediende bijlagen voor geschiktheidseis aandeel ZZP'ers en samenstelling multidisciplinair team niet aan de gestelde eisen voldoen. U beschikt namelijk volgens uw ingediende stukken niet over 80% eigen personeel, maar 11%.\n\nDaarnaast beschikt u over onvoldoende FTE voor de samenstelling van het multidisciplinair team zoals beschreven in de offerteleidraad. Dit komt niet voor herstel in aanmerking.\n\nDaarom is uw inschrijving ongeldig, waardoor deze niet verder wordt beoordeeld en u niet in aanmerking komt voor deelname aan fase 2 noch voor gunning.\n\nBent u het niet eens met dit besluit?\n\nDan kunt u tot en met 14 mei 2026 bezwaar maken tegen deze beslissing. Wordt er geen bezwaar gemaakt uiterlijk op gemelde datum, dan is uw recht om dat te doen vervallen.\n\n2.5.. \n [eiser] is het niet eens met de beslissing en heeft bezwaar gemaakt bij de gemeente. Op 15 mei 2026 heeft de gemeente [eiser] bericht dat het niet mogelijk is om bezwaar te maken bij de gemeente, maar dat zij hiervoor een kort geding aanhangig moest maken binnen de termijn en dat dan uiterlijk op 14 mei 2026 de conceptdagvaarding aan de gemeente toegestuurd had moeten zijn.\n\n2.6.. \n\nOmdat [eiser] ook via een andere gegadigde had gehoord dat een kort geding de aangewezen weg is, heeft haar advocaat bij brief van 14 mei 2026 de rechtbank verzocht een datum te bepalen voor het kort geding. In zijn brief vermeldt hij: Ik werd gisteravond pas verzocht door cliënte, mevrouw [eiser] - de Boer, om het kort geding aan te vragen.\n\nDat moest uiterlijk vandaag (c.q. wellicht morgen i.v.m. hemelvaartsdag). De wederpartij (gemeente Zaanstad) heb ik nog niet kunnen contacteren (…).\n\n2.7.. Op 15 mei 2026 heeft de rechtbank de datum\u002Ftijd voor het kort geding bepaald en is die informatie gecommuniceerd aan de advocaat van [eiser], die deze informatie inclusief de concept-dagvaarding nog dezelfde dag heeft gedeeld met de gemeente.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert - na eisvermeerdering - dat de voorzieningenrechter:\n\nde gemeente gelast om de uitsluitingsbeslissing van 24 april 2026 in te trekken, althans totdat de inschrijving van [eiser] is herbeoordeeld te schorsen, althans [eiser] alsnog toe te laten tot fase 2 van de gunningsprocedure,\n\nII. de gemeente gelast om de inschrijving van [eiser] te herbeoordelen met in achtneming van het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het proportionaliteitsbeginsel,\n\nIII. de gemeente gelast zich tot nader order te onthouden van het sluiten van overeenkomsten met andere gegadigden,\n\nIV.de gemeente primair veroordeelt in de volledige kosten van deze kortgedingprocedure\n\n(€ 3.250 excl. btw per zaak, te vermeerderen met de deurwaarderskosten en griffierechten) en subsidiair in de forfaitaire kosten van deze kortgedingprocedure, de nakosten daaronder\n\nbegrepen.\n\n3.2.. \n\n [eiser] stelt dat de gemeente haar uitsluitingsbeslissing onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd en dat de beslissing lijkt te berusten op een te beperkte uitleg van de\n\naanbestedingsstukken, met name waar het gaat om de betekenis van structureel beschikbare capaciteit, onderaanneming, beroep op derden en de onderscheiden positie van perceel 1B. Zij voert aan dat de afwijzingsbrief uitsluitend de uitkomst van de beoordeling vermeldt, maar niet inzichtelijk maakt:\n\na. of structureel verbonden professionals, onderaannemers of derden zijn beoordeeld,\n\nb. waarom geen nadere verificatie heeft plaatsgevonden van de opgegeven teamstructuur en beschikbare capaciteit.\n\nZij stelt dat zij daardoor niet kan controleren of de eisen juist en consistent zijn toegepast, wat temeer relevant is omdat de aanbestedingsstukken uitdrukkelijk voorzien in\n\ninschrijving als hoofdaannemer met onderaannemers, inschrijving als combinatie en beroep op draagkracht van derden. Zij wijst er in dat verband op dat in de opdrachtomschrijving is vermeld: : “Opdrachtgever heeft geen voorkeur voor de wijze waarop dit wordt georganiseerd door Opdrachtnemers. Dit kan bijvoorbeeld zijn door het versterken van eigen capaciteit, het werken met onderaannemers of het inschrijven als combinatie”waaruit blijkt dat de stukken niet uitsluitend uitgaan van één klassieke organisatievorm waarin alle relevante zorgprofessionals in loondienst zijn, maar juist erkennen dat capaciteit en deskundigheid ook via andere juridische structuren en samenwerking kan worden georganiseerd. Zij benadrukt dat zij al drie jaar samenwerkt met een groep van circa 11 zzp-ers, dat zij op die manier de zorg levert en dat dit op basis van de opdrachtomschrijving toegestaan zou moeten zijn. Zij stelt dat sprake is van volstrekte willekeur en toepassing van onduidelijke gunningscriteria, waarbij de persoonlijke voorkeuren van de vertegenwoordiger van de gemeente die daarmee is belast, naar bevind van zaken kunnen worden toegepast, wat vervolgens oncontroleerbaar is.\n\n3.3.. De gemeente voert verweer. In de eerste plaats voert zij aan dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, omdat zij haar vordering te laat heeft ingesteld. De gemeente wijst er op dat de selectiebeslissing dateert van 24 april 2026 en dat de laatste dag van de termijn om daartegen op te komen 14 mei 2026 was. Op die datum heeft [eiser] de rechtbank wel om een datum gevraagd, maar pas op 15 mei 2026 heeft [eiser] de gemeente geïnformeerd over de gevraagde datum en de concept-dagvaarding doen toekomen.\n\n3.4.. \n\nIn de tweede plaats betwist de gemeente dat sprake is van volstrekte willekeur bij het beoordelen van de inschrijvingen en al helemaal dat \"persoonlijke voorkeuren van de vertegenwoordiger van de gemeente die daarmee is belast, naar bevind van zaken kunnen worden toegepast”, zoals [eiser] heeft gesteld. De gemeente benadrukt dat de inschrijvingen zorgvuldig en door meerdere personen zijn beoordeeld, die daarbij naar eer en geweten hebben gehandeld. Verder voert de gemeente aan dat [eiser] erover klaagt dat de gunningscriteria onduidelijk zijn, maar dat zij daarover had moeten klagen voorafgaande aan haar inschrijving en dat zij haar recht om te klagen nu verwerkt heeft. De gemeente wijst er op dat van een gegadigde in een aanbestedingsprocedure proactief handelen verwacht mag worden, wat betekent dat [eiser] over onduidelijkheid van de gunningscriteria niet pas na ontvangst van de uitsluitingsbeslissing kan klagen.\n\nDe gemeente benadrukt dat er hoge eisen worden gesteld omdat het hier gaat om specialistische jeugdhulp met een meervoudig of hoogspecialistisch karakter, die niet vrij toegankelijk is en alleen beschikbaar is op basis van een verwijzing door een wettelijke verwijzer. Daarbij bestaat de doelgroep veelal uit jeugdigen met complexe problematiek, vaak in combinatie met ouders die worstelen met hun opvoedrol, mede als gevolg van eigen psychische of sociale problemen. De gemeente wijst er op dat het daarom van belang is om aan de hand van de geschiktheidseisen te kunnen vaststellen of de inschrijver geschikt is om de gevraagde opdracht uit te voeren. De eis van minimaal 80% medewerkers in loondienst is dan ook gesteld met het oog op borging van de continuïteit, kwaliteit en zorg en aan deze eis voldoet [eiser] niet. Ook heeft zij niet aangetoond dat zij voldoet aan de gestelde eis dat haar team bestaat uit 10 – 15 fte.\n\n3.5.. Over de eisvermeerdering van [eiser] stelt de gemeente in de eerste plaats dat deze moet worden geweigerd, omdat deze in strijd is met de goede procesorde. Daarnaast stelt zij dat de lat voor een reële proceskostenvergoeding hoog ligt en dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van misbruik van recht.\n\n3.6.. Op de stelling van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid\n\n4.1.. Het meest verstrekkende verweer van de gemeente is dat [eiser] de gemeente niet tijdig in kort geding heeft betrokken om bezwaar te maken tegen de beslissing van 24 april 2026 en daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen.\n\n4.2.. Dit verweer faalt. Vast staat dat de termijn om tegen de beslissing op te komen eindigde op Hemelvaartsdag. Dit is een in de Europese Unie erkende feestdag in Nederland. Uit de Memorie van Toelichting bij de Aanbestedingswet 2012 volgt dat een opschortingstermijn na de gunningsbeslissing die eindigt op een erkende feestdag, eindigt op het laatste uur van de daarop volgende werkdag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit ook moet gelden voor de beroepstermijn ten aanzien van de beslissing tot uitsluiting als bedoeld in artikel 10.7.2 van de leidraad. Dit betekent dat [eiser] deze kortgedingprocedure tijdig aanhangig heeft gemaakt.4.3.. Daarnaast heeft de gemeente in de brief met de uitsluitingsbeslissing zelf aangegeven dat er tot en met 14 mei 2026 bezwaargemaakt kon worden. Ter zitting is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser] door die formulering op het verkeerde been is gezet en daarom haar bezwaar in eerste instantie bij de gemeente wilde indienen en niet direct een kortgedingprocedure is gestart. De gemeente heeft ter zitting ook erkend dat de formulering in de brief ongelukkig is geweest. Toen het voor [eiser], op grond van een reactie van de gemeente op het bezwaarschrift van een andere inschrijver, duidelijk was geworden dat in de brief bedoeld is dat zij een kortgedingprocedure moest starten, heeft zij direct een advocaat ingeschakeld die op 14 mei 2026 de rechtbank verzocht om een datumbepaling. Op 14 mei 2026 was het echter Hemelvaartsdag, een algemeen erkende feestdag, waarop de rechtbank gesloten was. Hierdoor is de aanvraag om een datumbepaling niet eerder in behandeling genomen dan op 15 mei 2026. Direct na ontvangst van de dagbepaling op 15 mei 2026 is ook de gemeente hierover ingelicht onder toezending van de concept dagvaarding. Aangezien de gemeente zelf onduidelijkheid heeft gecreëerd over de te volgen procedure, kan zij zich in dit geval in redelijkheid niet beroepen op een (eventuele) termijnoverschrijding met slechts één dag. [eiser] kan daarom worden ontvangen in haar vorderingen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.4.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\n4.5.. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.\n\nBezwaar tegen de eisvermeerdering\n\n4.6.. Het bezwaar van de gemeente, dat de eisvermeerdering in strijd zou zijn met de goede procesorde en daarom niet geaccepteerd kan worden, wordt verworpen. [eiser] mocht haar eis nog wijzigen op de zitting, tenzij dat in strijd zou zijn met de goede procesorde. Dat is niet het geval. Het om een zeer beperkte aanvulling op de eis voor een proceskostenveroordeling. De gemeente heeft hiertegen ter zitting ook inhoudelijk verweer gevoerd, zodat zij door deze eisvermeerdering niet in haar verdediging is geschaad. De eisvermeerdering wordt toegelaten.\n\nIs de uitsluitingsbeslissing voldoende inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd?\n\n4.7.. \n\n [eiser] heeft gesteld dat de beslissing niet voldoende inzichtelijke en deugdelijk gemotiveerd is en dat niet blijkt of daarbij structureel verbonden professionals, onderaannemers of derden zijn beoordeeld. De gemeente heeft haar beslissing in de brief aan [eiser] als volgt toegelicht:\n\nWe hebben vastgesteld dat de door u ingediende bijlagen voor geschiktheidseis aandeel ZZP'ers en samenstelling multidisciplinair team niet aan de gestelde eisen voldoen. U beschikt namelijk volgens uw ingediende stukken niet over 80% eigen personeel, maar 11%.\n\nDaarnaast beschikt u over onvoldoende FTE voor de samenstelling van het multidisciplinair team zoals beschreven in de offerteleidraad. Dit komt niet voor herstel in aanmerking.\n\n4.8.. \n\nUit wat de gemeente naar voren heeft gebracht blijkt dat zij heeft gekeken naar de opgave van de door [eiser] ingeschakelde derden en de toelichting daarbij bij haar inschrijving, maar dat [eiser] de vraag of zij een beroep doet op de draagkracht van derden met ‘nee’ heeft beantwoord. Uit haar als bewijsstuk bijgevoegde lijst van het team waarmee zij de zorg verleent, blijkt dat dit team bestaat uit 1 regiebehandelaar ([eiser] zelf) en 8 zelfstandig werkende professionals. [eiser] heeft in haar toelichting zelf vermeld dat het aandeel zelfstandig werkende professionals circa 89% bedraagt.\n\nAan de hand van de uitleg van [eiser] heeft de gemeente vastgesteld dat [eiser] voor 89% een beroep doet op zzp-ers en dus hooguit 11% eigen personeel heeft om de gevraagde zorg te verlenen. Hiermee voldoet [eiser] niet aan de eis dat de inschrijver aantoont dat minimaal 80% van de betrokken medewerkers in loondienst is bij de inschrijver om zo de continuïteit, kwaliteit en zorg te borgen. Ook heeft de gemeente er terecht op gewezen dat uit de opgave van de door [eiser] in te schakelen zzp-ers niet kan worden afgeleid voor hoeveel fte per discipline deze personen kunnen bijdragen aan de zorg. De gemeente heeft er terecht op gewezen dat het hier gaat om zelfstandig opererende professionals, van wie het aannemelijk is dat zij er ook een eigen praktijk op na houden en dat niet is gebleken dat zij allen fulltime werken.\n\n4.9.. \n\nOok heeft [eiser] niet samen met anderen ingeschreven, om het samenwerkingsverband duidelijk te maken. Daarbij heeft de gemeente benadrukt dat ook als [eiser] de vraag of zij een beroep doet op de draagkracht van derden met ‘ja’ zou hebben beantwoord, ieder van de leden van het opgegeven team zelf ook een formulier had moeten indienen om de gemeente in staat te stellen te beoordelen of de afzonderlijke ‘teamleden’ aan de gestelde geschiktheidseisen voldoen. Omdat niet gezamenlijk is ingeschreven zijn die formulieren niet ingediend en kon de gemeente dit niet meenemen in haar beoordeling.\n\n [eiser] heeft nog betoogd dat zij dacht dat met ‘draagkracht’ financiële draagkracht werd bedoeld, maar dat komt voor haar rekening en risico. ‘Draagkracht’ is ook in relatie tot beroepsbekwaamheid een begrip uit de Aanbestedingswet 2012. Van een inschrijver mag worden verwacht dat deze daarmee bekend is. Bovendien is het begrip ook in de leidraad gebruiktin relatie tot de geschiktheidseisen.\n\n4.10.. \n [eiser] heeft nog gesteld dat de gemeente haar in de gelegenheid had moeten stellen om haar inschrijving hierop aan te passen, maar zoals de gemeente terecht heeft opgemerkt, is dat in een aanbesteding niet toegestaan. Het staat de gemeente niet vrij om een afzonderlijke inschrijver in de gelegenheid te stellen een inschrijving aan te passen of aan te vullen met nieuwe gegevens. Dat is in strijd met het gelijkheidsbeginsel waaraan de aanbestedende dienst gebonden is.\n\n4.11.. Tenslotte heeft [eiser] nog gesteld dat zij met haar team van zzp-ers wel gekeken heeft of zij gezamenlijk konden inschrijven, maar dat dit niet mogelijk bleek omdat men ook een referentie moest overleggen dat eerder voor de gemeente gewerkt was en de gemeente die referenties alleen wilde verstrekken als men als hoofdaannemer voor de gemeente actief was geweest, wat niet het geval was.\n\n4.12.. Wat hier ook van zij, [eiser] heeft ervoor gekozen om niet gezamenlijk met anderen in te schrijven en haar inschrijving voldeed niet aan de door de gemeente gestelde geschiktheidseisen. Dat zij ervan uit ging dat zij met de vermelding van haar team van zzp-ers wel aan de eis zou voldoen, maakt dit niet anders. De leidraad is op dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter duidelijk. Die misvatting moet daarom voor rekening en risico van [eiser] blijven.\n\n4.13.. Uit het vorenstaande volgt dat de gemeente de inschrijving van [eiser] op goede gronden heeft uitgesloten van verdere deelname. Hieruit volgt dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.14.. \n\n [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure tot op heden aan de kant van de gemeente begroot op:\n\ngriffierecht € 735,00\n\nsalaris advocaat € 1.177,00\n\nnakosten € 189,00\n\nTotaal € 2.101,00\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de gemeente van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n1155\n\n MvT, Kamerstukken II, 32 027, nr. 3, p.6.\n\n Artikel 3.65a Aanbestedingswet 2012\n\n Artikel 10.3.4 van de leidraad","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7508","ecli-nl-rbnho-2026-7508",{"courtName":6,"legalDomain":87,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":96,"ecli":97,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":98,"fullText":99,"language":7,"source":17,"sourceUrl":100,"summary":14,"slug":101,"metadata":102},"1256","ECLI:NL:RBNHO:2026:7709","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Bewind\n\nlocatie Alkmaar\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11884838 \\ CV EXPL 25-3312\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVerstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nProfile Tyrecenter Groet B.V.,mede handelend onder de naam Profile Tyrecenter Den Helder\n\nte Den Helder\n\nde eisende partij\n\ngemachtigde: mr. G. David\n\ntegen\n\n [gedaagde]\n\nte [plaats]\n\nde gedaagde partij\n\nniet verschenen\n\n1. De verdere procedure\n\n1.1.. Bij tussenvonnis van 21 januari 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om de toepasselijke algemene voorwaarden te overleggen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de daarin opgenomen bedingen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.\n\n2. De verdere beoordeling\n\nAmbtshalve toetsing van de algemene voorwaarden\n\n2.1.. Uit de akte blijkt dat op de overeenkomst(en) de volgende algemene voorwaarden van de eisende partij van toepassing zijn verklaard: ‘Algemene voorwaarden consumenten van Vereniging VACO’ (hierna: de algemene voorwaarden).\n\n2.2.. Artikel 8 onder c van de algemene voorwaarden betreft een rente- en incassokostenbeding. Dat luidt als volgt: ‘c. Ingeval van wanbetaling van de consument heeft de VACO-leverancier het recht om aan de consument vanaf het moment van verzuim wettelijke rente in rekening te brengen. De consument is tevens incassokosten verschuldigd indien aan een schriftelijke aanmaning van de VACO-leverancier met een termijn van minimaal 14 dagen door de consument geen gehoor wordt gegeven, de incassokosten bedragen minimaal € 40,- en maximaal € 6.775,-, het exacte bedrag van de incassokosten vermeldt de VACO-leverancier in de aanmaning.’\n\n2.3.. Hoewel het beding enigszins onduidelijk is geformuleerd omdat in het algemeen spraakgebruik de term ‘incassokosten’ niet alleen gebruikt wordt in de zin van de wettelijke regeling voor incassokosten (artikel 6:96 lid 2 sub c BW en de leden 5 en 6 van datzelfde artikel) en de term ‘incassokosten’ in de wettelijke regeling ook niet voorkomt, blijkt uit de formulering van het beding voldoende dat de eisende partij heeft beoogd om daarmee aan te sluiten bij de wettelijke regeling. Daarom wordt er niet afgeweken van de wettelijke regeling en is het beding niet onredelijk bezwarend. De kantonrechter volgt de eisende partij dan ook in haar standpunt dat het beding niet oneerlijk is.\n\n2.4.. Het beding is ook een rentebeding. Dat gedeelte van het beding is door de kantonrechter getoetst en evenmin oneerlijk bevonden.\n\nWat is toewijsbaar?\n\n2.5.. Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 1.455,23 aan hoofdsom toewijsbaar (€ 1.819,04 x 0.80).\n\n2.6.. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 218,28.\n\n2.7.. De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.2.8.. De gedaagde partij wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor het opstellen van de akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n3.1.. veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 1.673,51, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.455,23 vanaf 9 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;3.2.. \n\nveroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 120,78;\n\ngriffierecht € 385,00;\n\nsalaris gemachtigde € 217,00;\n\n3.3.. verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.4.. wijst de vordering voor het overige af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.P.E. Oomens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7709","ecli-nl-rbnho-2026-7709",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":104,"ecli":105,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":98,"fullText":106,"language":7,"source":17,"sourceUrl":107,"summary":14,"slug":108,"metadata":109},"1415","ECLI:NL:RBNHO:2026:7434","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12108488 \\ CV EXPL 26-1065\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] (China),\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. C.P. Bean,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, NINA.CARE B.V.,\n\nte Haarlem,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Nina.Care,\n\nverschenen bij haar directeur-eigenaar, mw. [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 10 februari 2026 met productie(s); - de conclusie van antwoord van 25 februari 2026 met productie(s);\n\n- het bericht van 17 mei 2026 met productie(s) van [eiser]; - het bericht van 28 mei 2026 met productie(s) van Nina.Care; - de mondelinge behandeling van 28 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de pleitnota van [eiser].\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. Nina.Care is een platform gericht op au pair-matching.\n\n2.2.. \n [eiser] heeft van oktober 2022 tot september 2023 als au pair in Nederland gewerkt via Nina.Care.\n\n2.3.. \n\n [eiser] is sinds 1 januari 2024 bij Nina.Care in dienst als International Agent. In de arbeidsovereenkomst staat (onder meer):\n\n“5. Working hours and workplaceThe employee works part-time for (26) hours per week. Employee works at the office at least TWO(2) times a week. The other days the employee works from home or where he\u002Fshe can work comfortably.\n\n6. Salary and holiday allowanceThe Employee’s gross monthly salary based on a 40 hour working week is €3.672 and is paid out on a pro-rata basis of (26) hours. The salary is paid on the 26th of every month, net of the statutory and any agreed deductions, by transfer to a bank account specified by the Employee. (…)\n\n7. Holidays\n\nThe Employee is entitled to 25 days paid holiday per calendar year on the basis of a 40-hour working week (…)”\n\n2.4.. Voorafgaand aan het tekenen van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] op 21 december 2023 aan Nina.Care geschreven:\n\n“(…) So in the contract I’m doing 26 hours part time (I understand actually it’s 40 hours) so based that can I still get 25 holidays or it’s less? (…)”\n\n2.5.. \n [gemachtigde] (HR en Finance Manager bij Nina.Care) heeft hier als volgt op gereageerd:\n\n“(…) 1. Office Attendance: I understand the challenges you may face. This is our standard contract, but of course we agree to work remotely full time! If you can come to the office then, super nice!\n\n2. Holidays: Because you will work 40 hours, you also receive 25 days! But I can not put that in the contract!(…)”\n\n2.6.. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is per 1 januari 2025 verlengd voor de duur van 12 maanden, waarbij de contracturen zijn gewijzigd van 26 uur naar 25,5 uur per week en het salaris van € 2.386,00 naar € 2.491,98 (gebaseerd op een bruto maandsalaris van € 3.909,00 voor 40 uur per week).\n\n2.7.. In juli 2025 heeft [eiser] op verzoek van Nina.Care drie weken onbetaald verlof opgenomen, omdat het financieel slecht ging met het bedrijf.\n\n2.8.. \n [eiser] heeft over de maand juli 2025 een bedrag van € 404,44 aan salaris ontvangen.2.9.. De arbeidsovereenkomst is per 1 september 2025 op initiatief van [eiser] beëindigd.2.10.. Bij e-mail van 27 augustus 2025 heeft [eiser] Nina.Care verzocht om tot betaling van het achterstallige loon over juli 2025 over te gaan. Nina.Care heeft op 13 oktober 2025 aan [eiser] laten weten dat zij geen loon meer verschuldigd is over juli 2025.\n\n2.11.. Bij brief van 20 november 2025 heeft (de gemachtigde van) [eiser] Nina.Care gesommeerd tot betaling van het achterstallige salaris over juli 2025 én overige achterstallige loon over de periode dat [eiser] bij Nina.Care in dienst was.\n\n2.12.. Op 4 december 2025 is [eiser] akkoord gegaan met een aanbod van Nina.Care tot betaling van € 1.731,31, onder de voorwaarde dat Nina.Care al het beeldmateriaal van [eiser] op de sociale media, brochures en website van Nina.Care zou verwijderen. Omdat betaling uitbleef en het beeldmateriaal online bleef staan, heeft [eiser] de schikking ontbonden.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Nina.Care tot betaling van het achterstallig loon over juli 2025 (€ 1.731,31 netto) en over de periode van januari 2024 tot en met juni 2025 (€ 27.368,78 bruto), te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Daarnaast vordert [eiser] dat Nina.Care veroordeeld wordt om binnen tien dagen na betekening van dit vonnis al het beeldmateriaal van [eiser] op de website, brochures en\u002Fof sociale media van Nina.Care te verwijderen, op straffe van een dwangsom. Dit alles met veroordeling van Nina.Care in de buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.\n\n3.2.. Nina.Care voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nLoonvordering juli 2025\n\n4.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] in juli 2025 op verzoek van Nina.Care drie weken (van maandag 7 juli 2025 tot en met vrijdag 25 juli 2025) onbetaald verlof heeft opgenomen. Volgens [eiser] zijn partijen daarbij overeengekomen dat [eiser] per week onbetaald verlof, één dag betaald zou krijgen (in totaal dus drie dagen). Nina.Care heeft het bestaan van deze afspraak niet betwist, zodat dit als vaststaand zal worden aangenomen. Ook staat als onbetwist vast dat [eiser] voorafgaand aan het onbetaalde verlof vier dagen heeft gewerkt (van dinsdag 1 juli tot en met vrijdag 4 juli 2025).\n\n4.2.. Ter discussie staat de vakantie die [eiser] na afloop van het onbetaalde verlof heeft opgenomen (van maandag 28 juli tot en met donderdag 31 juli 2025). Nina.Care heeft in dit verband gesteld dat drie van de vier vakantiedagen als TOIL (‘time off in lieu’, ook wel: compensatieverlof) moeten worden aangemerkt. [eiser] heeft volgens Nina.Care echter niet aangetoond op welke momenten zij extra (over)uren zou hebben gewerkt, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een positief compensatieverlofsaldo. Het ontbreken van een positief compensatieverlofsaldo heeft tot gevolg dat de opgenomen vrije dagen moeten worden aangemerkt als onbetaald verlof. [eiser] heeft hiertegen aangevoerd dat zij (op verzoek van Nina.Care) wel eens extra zaterdagen heeft gewerkt, in ruil waarvoor zij vrije dagen (TOIL) zou krijgen. De gewerkte (over)uren gaf zij door aan de HR-afdeling van Nina.Care, die de uren vervolgens in het HR-systeem ‘HiBob’ registreerde.\n\n4.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Het is aan Nina.Care als werkgever om een deugdelijke urenregistratie bij te houden. Nu Nina.Care geen urenoverzicht of andere administratie heeft overgelegd waaruit blijkt welke uren zijn opgebouwd, opgenomen of nog openstonden, kan haar stelling dat geen compensatieverlofsaldo bestond niet zonder meer worden gevolgd. Het door Nina.Care overgelegde overzicht van geaccordeerde vakantieaanvragen is in dit verband onvoldoende, omdat hieruit geen urensaldo blijkt. De gevolgen van het ontbreken van een deugdelijke registratie van het verlofsaldo komen voor rekening van Nina.Care.\n\n4.4.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] over de maand juli 2025 recht heeft op een salaris gelijk aan 11 werkdagen. Dit komt volgens [eiser] neer op een bedrag van € 2.135,55 bruto (naar rato berekend). [eiser] heeft echter slechts een bedrag van € 404,44 netto uitbetaald gekregen. Dat betekent dat [eiser] nog recht heeft op uitbetaling van het netto equivalent van € 2.135,55 bruto minus € 404,44 netto. [eiser] vordert het verschil tussen deze bedragen, zonder het bruto bedrag eerst naar een netto bedrag te herleiden. De vordering berust daarmee op een onjuiste vermenging van bruto- en nettobedragen. De vordering wordt daarom in zoverre toegewezen dat het bruto bedrag van € 2.135,55 wordt toegewezen, onder inhouding van de wettelijk verplichte loonheffingen en onder verrekening van het reeds betaalde bedrag van € 404,44 netto.\n\n4.5.. Omdat Nina.Care zich bereid heeft getoond om het achterstallig salaris over juli 2025 te voldoen, maar zij door financiële redenen de uiterste betaaldatum heeft gemist en er dus geen sprake is van betalingsonwil, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.\n\n4.6.. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd.\n\nOmvang dienstverband\n\n4.7.. De volgende vraag die voorligt is of partijen een fulltime dienstverband van 40 uur per week zijn overeengekomen en of [eiser] gedurende haar dienstverband feitelijk structureel 40 uur per week heeft gewerkt. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is. Daartoe wordt als volgt overwogen.\n\n4.8.. \n [eiser] heeft ter zitting verklaard dat [gemachtigde] (medeoprichtster van Nina.Care) haar tijdens een gesprek op het kantoor van Nina.Care in Amsterdam heeft verteld dat de functie waarvoor [eiser] in aanmerking kwam een fulltime functie van 40 uur per week betrof. Omdat voor kennismigranten echter een minimumsalaris geldt en Nina.Care dat salaris niet kon bieden, zou in de arbeidsovereenkomst een kleinere arbeidsomvang (namelijk 26 uur) worden opgenomen. Op die manier zou [eiser] alsnog in aanmerking komen voor een visum en verblijfsvergunning als kennismigrant in Nederland. [eiser] heeft met deze constructie ingestemd, omdat dit volgens Nina.Care ook zo bij andere werknemers werd toegepast. Na ontvangst van de arbeidsovereenkomst heeft [eiser] nog wel een aantal vragen gesteld aan (de HR afdeling van) Nina.Care over (onder meer) de verwachte (fysieke) aanwezigheid op kantoor en het aantal vakantiedagen bij de arbeidsomvang. In reactie daarop heeft Nina.Care bij e-mail van 21 december 2023 aan [eiser] laten weten dat zij, omdat zij 40 uur per week zou gaan werken, recht had op 25 vakantiedagen, maar dat dit niet in het contract kon worden opgenomen. Daarnaast heeft zij bevestigd dat [eiser] fulltime vanuit huis mocht werken (zie 2.5).\n\n4.9.. De stelling van Nina.Care dat zij met de opmerking “Because you will work 40 hours, you also receive 25 days” (slechts) heeft bedoeld dat er in bepaalde periodes (rondom evenementen en in piekperiodes) een grote mate van flexibiliteit en beschikbaarheid van [eiser] werd verwacht, maar dat zij nooit van [eiser] heeft gevraagd om structureel 40 uur per week te werken, acht de kantonrechter tegenover het gemotiveerde betoog van [eiser] onaannemelijk. De kantonrechter gaat daarom aan dit verweer voorbij.\n\n4.10.. Ook de stelling van Nina.Care dat [eiser] feitelijk onmogelijk 40 uur per week voor Nina.Care kan hebben gewerkt omdat zij het grootste deel van de tijd in het buitenland verbleef, treft geen doel. Het was [eiser] immers expliciet door Nina.Care toegestaan om fulltime op afstand (en dus ook vanuit het buitenland) te werken. De door Nina.Care overgelegde verklaringen van [betrokkene 1] (leidinggevende van [eiser]), [betrokkene 2] (data-analist bij Nina.Care), [betrokkene 3] (medeoprichtster van Nina.Care) en [betrokkene 4] (HR medewerker bij Nina.Care) kunnen haar evenmin baten. Deze verklaringen zijn namelijk uitsluitend gebaseerd op persoonlijke observaties met betrekking tot de flexibiliteit waarmee [eiser] haar werkzaamheden en werktijden inrichtte, en haar (regelmatige) verblijf in het buitenland. Deze omstandigheden sluiten een 40-urige werkweek echter niet uit en zeggen niets over de feitelijke omvang van de verrichte arbeid. Bovendien heeft [eiser] op haar beurt óók verklaringen van (oud-)collega’s overgelegd, die hebben verklaard dat [eiser] juist wél 40 uur per week heeft gewerkt.\n\n4.11.. Het had op de weg van Nina.Care gelegen om haar verweer met nadere bewijsstukken (zoals timesheets, login-data, urenregistraties of werkroosters) te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. De conclusie is dan ook dat Nina.Care de stelling(en) van [eiser] inhoudende dat de in de arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsomvang van 26 uur dan wel 25,5 uur per week slechts een administratieve formaliteit betrof, onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. De kantonrechter zal daarom uitgaan van een arbeidsomvang van 40 uur per week.\n\nKlachtplicht\n\n4.12.. \n [eiser] heeft gedurende haar dienstverband een salaris ontvangen op basis van 26 uur (2024) dan wel 25,5 uur (2025) per week, berekend naar rato van een 40-urige werkweek. Omdat hiervoor is geoordeeld dat moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 40 uur per week, heeft [eiser] in beginsel nog recht op nabetaling van de overige 14 c.q. 15,5 uur per week.\n\n4.13.. Nina.Care heeft gewezen op het geruime tijdsverloop tussen het einde van het dienstverband en het instellen van de vorderingen door [eiser]. De kantonrechter begrijpt dat Nina.Care hiermee een beroep doet op de klachtplicht.De ratio van de klachtplicht is het behoeden van de schuldenaar tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, en tegen vorderingen waarop hij zich, gezien het tijdsverloop niet meer behoefde in te stellen. Gelet op de gedachte van ongelijkheidscompensatie en bescherming van de werknemer die ten grondslag ligt aan het dwingendrechtelijk karakter van titel 10 van boek 7 Burgerlijk Wetboek, dient een beroep van de werkgever op schending van de klachtplicht door de werknemer terughoudend te worden getoetst.\n\n4.14.. \n [eiser] heeft op de zitting aangegeven dat zij pas na het inwinnen van juridisch advies over haar rechtspositie ten aanzien van haar vordering met betrekking tot juli 2025 heeft begrepen dat de door Nina.Care gehanteerde constructie niet was toegestaan en dat zij recht had op loon over haar volledige arbeidsomvang. [eiser] komt uit China en heeft geen kennis van het Nederlandse arbeidsrecht. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de kantonrechter dat in redelijkheid niet van [eiser] kon worden verwacht dat zij hierover eerder bij Nina.Care had geklaagd. Het beroep op de klachtplicht wordt daarom verworpen.\n\nLoonvordering januari 2024 tot en met juni 2025\n\n4.15.. Het voorgaande brengt mee dat [eiser] over 2024 (januari tot en met december) nog recht heeft op € 1.388,02 bruto per maand (inclusief vakantiegeld), en over 2025 (januari tot en met juni) op € 1.530,37 bruto per maand (inclusief vakantiegeld). Dit is het verschil tussen het in de arbeidsovereenkomst opgenomen voltijdsalaris minus het daadwerkelijk betaalde maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag.\n\n4.16.. De conclusie is dat de kantonrechter over de periode vanaf januari 2024 tot en met juni 2025 een bedrag van € 27.368,78 bruto aan achterstallig salaris zal toewijzen.\n\n4.17.. Hoewel het beroep op de klachtplicht niet slaagt, ziet de kantonrechter het lange tijdsverloop in deze zaak wel als een aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.\n\n4.18.. De wettelijke rente wordt toegewezen zoals gevorderd.\n\nVerwijderen beeldmateriaal\n\n4.19.. Tussen partijen is niet in geschil dat Nina.Care al het beeldmateriaal waarop [eiser] te zien is van haar website, van haar sociale media en uit haar brochures moet verwijderen. Nina.Care heeft zich daartoe ook bereid verklaard. Tijdens de zitting is gebleken dat er (ondanks de poging(en) van Nina.Care om al het materiaal waarop [eiser] te zien is te verwijderen) toch nog een aantal foto’s op Instagram stond. Nina.Care heeft toegezegd dat zij die foto’s nog diezelfde dag zou verwijderen. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit inmiddels is gebeurd.\n\n4.20.. Indien er toch nog beeldmateriaal van [eiser] openbaar toegankelijk blijkt te zijn, ligt het op de weg van [eiser] om Nina.Care daar concreet op te wijzen, bijvoorbeeld door toezending van een link. Nina.Care wordt veroordeeld om het betreffende beeldmateriaal vervolgens binnen drie dagen na de hiervoor bedoelde melding te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n4.21.. \n [eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.\n\nProceskosten\n\n4.22.. Nina.Care is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Nina.Care niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.154,00\n\n(2 punten × € 577,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\nTotaal\n\n€\n\n1.391,00\n\n4.23.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 2.135,55 bruto aan achterstallig loon over juli 2025 aan [eiser] te betalen, onder inhouding van de wettelijk verplichte loonheffingen en onder verrekening van het reeds betaalde bedrag van € 404,44 netto, vervolgens te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente over het totaalbedrag vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.2.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 27.368,78 bruto aan achterstallig loon over januari 2024 tot en met juni 2025 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% en de wettelijke rente over het totaalbedrag vanaf 10 februari 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n5.3.. veroordeelt Nina.Care om beeldmateriaal waarop [eiser] herkenbaar voorkomt van haar website, brochures en sociale media te verwijderen, binnen drie dagen nadat zij door [eiser] op dat concrete beeldmateriaal is gewezen (bijvoorbeeld onder verwijzing van een link),\n\n5.4.. veroordeelt Nina.Care om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.3 voldoet, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt Nina.Care om een bedrag van € 1.294,85 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen,\n\n5.6.. veroordeelt Nina.Care in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.7.. veroordeelt Nina.Care tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.8.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7434","ecli-nl-rbnho-2026-7434",{"courtName":6,"legalDomain":78,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":111,"ecli":112,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":98,"fullText":113,"language":7,"source":17,"sourceUrl":114,"summary":14,"slug":115,"metadata":116},"1479","ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 12055610 \\ CV EXPL 26-209\n\nUitspraakdatum: 24 juni 2026\n\nVonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde stichting\n\nStichting voor Educatie en Beroepsonderwijs (ook genoemd ROC Nova College)\n\ngevestigd te Haarlem\n\neiseres\n\nverder te noemen: Nova College\n\ngemachtigde: [gemachtigde] B.V.\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1], wonende te [plaats 1], 2. [gedaagde 2], wonende te [plaats 2],\n\ngedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden]\n\ngedaagde sub 1 procederend in persoon, mede namens gedaagde sub 2.\n\n1. Het procesverloop\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - het mondelinge antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [gedaagden] zijn vennoten in de vennootschap onder firma “[bedrijf]” (hierna: de vof).2.2.. Gedaagde sub 1 heeft zich via de website van het Nova College aangemeld voor de VAVO voor het studiejaar 2024-2025 (hierna: de opleiding).2.3.. Op 15 oktober 2024 heeft gedaagde sub 1 verzocht om de factuur met betrekking tot de studiekosten op naam van de vof te laten stellen. In dat verband heeft hij namens de vof een ‘machtiging voor de betaling van cursusgeld door werkgever of instantie’ ondertekend.2.4.. De vof heeft de factuur onbetaald gelaten.2.5.. De vof is per 21 mei 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.3. Het geschil\n\n3.1.. Nova College vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt tot betaling van € 833,92, vermeerderd met de (verdere) rente en de proceskosten.3.2.. Nova College legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat de vof tekort is geschoten in haar betalingsverplichting.3.3.. Gedaagde sub 1 erkent de hoofdsom, maar betwist dat zijn broer (gedaagde sub 2) de vordering moet betalen. Ook betwist hij de verschuldigdheid van de bijkomende kosten.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.4. De beoordeling\n\nDe ambtshalve toetsing van het consumentenrecht\n\n4.1.. De kantonrechter stelt voorop dat de onderwijsovereenkomst tussen Nova College en gedaagde sub 1 in beginsel onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten) en Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU (betreffende consumentenrechten) valt. Met de beslissing tot inschrijving ontstaat tussen instelling en student een overeenkomst waarbij voor beide partijen rechten en plichten ontstaan, zoals die in onder andere de onderwijs- en examenregeling (OER) van de opleiding en het studentenstatuut zijn vermeld. Dit betekent dat de bepalingen van het overeenkomstenrecht van toepassing zijn. Dat de overeenkomst op grond van de Les- en cursusgeldwet verplicht tot inschrijving maakt dit niet anders. Nova College is een handelaar in de zin van artikel 6:230g sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voornoemde richtlijnen zijn van toepassing op alle handelaren, ongeacht of zij publiek of privaat zijn.\n\n4.2.. Op de onderhavige overeenkomst zijn dus consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of die zijn nageleefd. Zo niet, dan moet de kantonrechter daar, ook ambtshalve, consequenties aan verbinden.\n\nAmbtshalve toetsing van informatieplichten\n\n4.3.. De kantonrechter moet allereerst ambtshalve beoordelen of Nova College de nodige informatie aan [gedaagde 1] heeft verstrekt. In dit geval, waarin de overeenkomst online is gesloten, zijn de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v BW van toepassing.\n\n4.4.. Uit de aard van de overeenkomst vloeit voort dat Nova College heeft voldaan aan de op haar rustende informatieplichten.\n\nAmbtshalve toetsing van algemene voorwaarden:Algemene verkoopvoorwaarden Nova\n\n4.5.. De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of in de overeenkomst en de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden bedingen zijn opgenomen, die onredelijk bezwarend zijn voor consumenten als bedoeld in artikel 6:233 onder a BW. In artikel 3.2 van de algemene voorwaarden staat een rente- en incassobeding opgenomen:\n\n“3.2. Indien een Opdrachtgever in verzuim is, is deze de wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) over het openstaande bedrag verschuldigd. Daarnaast is Nova bij verzuim van de Opdrachtgever gerechtigd buitengerechtelijke incassokosten in rekening te brengen volgens het “Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten”.\n\n4.6.. Uit de formulering van dit beding volgt dat dit beding suggereert dat vanaf het moment van verzuim direct incassokosten verschuldigd zijn, terwijl dat pas het geval is nadat er een veertiendagenbrief is verstuurd als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. Hiervan mag niet worden afgeweken. De conclusie is dat sprake is van een oneerlijk beding en daarom wordt dit beding vernietigd.\n\nDe verdere beoordeling\n\n4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat gedaagde sub 1 op 11 november 2024 namens de vof een derdenmachtiging heeft ondertekend. Daarmee heeft hij rechtsgeldig verklaard dat de vof het cursusgeld voor de opleiding van gedaagde sub 1 zal betalen. Bij een vof zijn alle vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor alle bedrijfsschulden. Dat blijft ook zo na opheffing van de vof.\n\n4.8.. Uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat zowel gedaagde sub 1 als gedaagde sub 2 volledig bevoegde vennoten van de vof zijn. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagden] dat gedaagde sub 2 slechts als ‘stille vennoot’ aan de onderneming zou zijn verbonden. Dat betekent dat niet alleen gedaagde sub 1, maar ook zijn broer (gedaagde sub 2) kan worden aangesproken voor de volledige schuld van de vof aan Nova College. De conclusie is dan ook dat de vordering tot betaling van de hoofdsom (en de wettelijke rente daarover) toewijsbaar is.\n\n4.9.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden (gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) afgewezen.4.10.. De veroordelingen uit dit vonnis worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.5. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling aan Nova College van € 711,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 672,00 vanaf 17 december 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;5.2.. \n\nveroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Nova College tot en met vandaag vaststelt op:\n\ndagvaarding € 146,14\n\ngriffierecht € 350,00\n\nsalaris gemachtigde € 288,00 ;\n\n5.3.. \n\nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Zie artikel 2 sub c van Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG overweging 16 van Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU\n\n Artikel 17 Wetboek van Koophandel.\n\n Artikel 18 Wetboek van Koophandel.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7457","ecli-nl-rbnho-2026-7457",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":118,"ecli":119,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":98,"fullText":120,"language":7,"source":17,"sourceUrl":121,"summary":14,"slug":122,"metadata":123},"1928","ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F377432 \u002F KG ZA 26-238\n\nVonnis in kort geding van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats 1],\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. E. Bongers,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nte [plaats 1],\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. S.R. Baetens.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n\n [eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus en hebben samen een recreatiewoning van hun moeder geërfd. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 juni 2025 (het vonnis) geoordeeld dat de woning te koop moet worden aangeboden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid krijgt de woning over te nemen tegen een waarde die gelijk is aan het hoogst uitgebrachte bod.\n\n [eiser] meent dat de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst heeft geleid en wil dat [gedaagde] meewerkt aan verkoop voor een zo hoog mogelijke opbrengst en op zo’n kort mogelijke termijn, waarbij zij eventueel het hoogste bod mag evenaren. Ook vordert [eiser] staking\u002Fschorsing van de uitvoering van de veroordeling tot betaling van dwangsommen aan haar. [gedaagde] meent dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Omdat [eiser] daar niet aan meewerkt, vordert zij een veroordeling ex artikel 3:300 BW, althans om haar vervangende toestemming te verlenen om tot verdeling te komen. Er is volgens haar geen aanleiding om de executie van dwangsommen te staken of schorsen. Zij vordert juist een verhoging van de dwangsommen om [eiser] mee te laten werken aan de uitvoering van het vonnis.\n\n1.2.. \n\nGelet op de omstandigheden tijdens de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling en op het feit dat in het vonnis is overwogen dat [eiser] er belang bij had dat de waarde van de woning werd bepaald door de woning (aan derden) te koop aan te bieden, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat het verkoopproces niet heeft geleid tot vaststelling van een marktprijs, waartegen [gedaagde] de woning over zou mogen nemen. [gedaagde] zal daarom, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring, worden veroordeeld om de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten, totdat in rechte is vastgesteld dat zij recht heeft op toedeling van de woning.\n\nOmdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning overeenkomstig 5.2. en 5.3. van het vonnis. Ook zal [gedaagde] worden veroordeeld om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, op straffe van een dwangsom. Deze twee veroordelingen zullen geclausuleerd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, om aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen recht te doen. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met 35 producties\n\n- de conclusie van antwoord in kort geding tevens houdende eis in reconventie met 12 producties\n\n- de akte in het geding brengen productie tevens aanvulling eis van de kant van [eiser]\n\n- de aanvullende productie 36 van de kant van [eiser]\n\n- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt - de pleitnota van de kant van [eiser].\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Partijen zijn de kinderen en de (enige) twee erfgenamen van de op 12 januari 2024 overleden [erflaatster] (hierna: erflaatster.\n\n3.2.. Tot de nalatenschap van erflaatster behoort (onder meer) een recreatiewoning, gelegen aan de [adres 1] [plaats 2] (hierna: de woning).\n\n3.3.. Aan de woning is een hypothecaire geldlening verbonden van circa € 144.000,-.\n\n3.4.. De WOZ-waarde van de woning op peildatum 1 januari 2023 is (na bezwaar) € 310.000,-, op peildatum 1 januari 2024 € 300.000,- en op peildatum 1 januari 2025 € 395.000,-.\n\n3.5.. In februari 2025 is een vergelijkbare woning, aan de [adres 2], verkocht voor een koopprijs van € 400.000,-. De vraagprijs bedroeg € 395.000,-. De woning heeft maar kort te koop gestaan.\n\n3.6.. Bij vonnis van 11 juni 2025 (hierna: het vonnis) heeft deze rechtbank de volgende veroordeling tussen partijen uitgesproken:\n\nin conventie\n\n5.1.. gelast de wijze van verdeling van de tot de nalatenschap van erflaatster behorende woning op de wijze zoals in het navolgende vermeld;\n\nin reconventie\n\n5.2.. veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan het verstrekken van een opdracht aan makelaar [bedrijf] om de woning te koop te zetten conform de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden, waarbij [gedaagde] de gelegenheid heeft om binnen vijf werkdagen na de dag van kennisneming van de biedingen mede te delen dat zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde die gelijk is aan de hoogste bieding, waarbij de overdracht aan dient plaats vinden binnen een termijn die niet meer is dan één maand langer dan die waartegen de hoogste bieder de woning zou kunnen afnemen;\n\n5.3.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.2 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie, verder\n\n5.4.. veroordeelt , binnen twee weken na het verstrekken van de opdracht aan de makelaar in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis, om:\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de door de makelaar gestelde verkoopvoorwaarden, zoals het openstellen van de woning voor bezichtigingen, het hanteren van een vraag- en laatprijs, zoals door de makelaar wordt geadviseerd, en alle overige activiteiten die door de makelaar zinvol worden geacht om tot een verkoop van de woning te komen, waarbij voorts kan worden gedacht aan het in schone, opgeruimde, verzorgde en representatieve staat te laten bevinden van de woning, een en ander volgens de aanwijzingen van de makelaar;\n\nmedewerking te verlenen aan alle verkoopduidingen die op het perceel en\u002Fof de woning door de makelaar zullen worden aangebracht;\n\n5.5.. veroordeelt - voor het geval (in overeenstemming met het bepaalde in 5.2 van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van , zijn medewerking te verlenen aan het notarieel transport van zijn aandeel in de woning aan , mits de akte in overeenstemming is met hetgeen in dit vonnis is bepaald en geen bepalingen inhoudt die afwijken van wat in de gegeven omstandigheden gebruikelijk is, zulks ter beoordeling van de notaris ten overstaan van wie de akte gepasseerd wordt;\n\n5.6.. veroordeelt - voor het geval niet (in overeenstemming met het bepaalde in van dit vonnis) heeft medegedeeld dat zij de woning aan zich wil laten toedelen - om, steeds binnen twee weken na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van :\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een verkoopovereenkomst;\n\nuiterlijk twee dagen voor de dag waarop de woning aan de kopende partij moet worden geleverd, de in zijn bezit zijnde sleutels ter vrije beschikking aan de kopende partij, althans de passerend notaris te stellen;\n\nalle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële levering van de woning, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen akte van levering op het overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nen bepaalt dat de netto verkoopopbrengst (na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, zoals de makelaarskosten) bij helfte aan partijen wordt overgemaakt;\n\n5.7.. veroordeelt tot betaling aan van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan dat niet aan de veroordeling in 5.4, 5.5 en\u002Fof 5.6 van dit vonnis voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.8.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. Met het oog op de verkoop van de woning hebben partijen een opdracht tot dienstverlening verstrekt aan [bedrijf] B.V (hierna: de makelaar) voor een vraagprijs van € 449.500,- kosten koper, waarin is opgenomen dat de verkoop zal plaatsvinden conform vonnis en volgens de NVM-Richtlijn Inschrijvingsvoorwaarden verkoop bij inschrijving. Ook is vermeld dat inschrijfformulieren in gesloten envelop afgegeven kunnen worden op het kantoor van de makelaar of per e-mail aan de makelaar, waarbij beide verkopers pas na sluiting inschrijvingstermijn tegelijkertijd op de hoogte worden gebracht van alle biedingen.\n\n3.8.. Bij brief van 4 september 2025 hebben de advocaten van partijen een gezamenlijk verkoopvoorstel aan de makelaar voorgelegd. Dit hield onder meer in dat de makelaar het sluitingstijdstip (voor de biedingen) zou bepalen en dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Verder is in het voorstel – voor zover relevant – opgenomen:\n\nBiedingen worden door geïnteresseerden in een gesloten enveloppe bij u op kantoor ingediend, zodat de biedingen voor zowel verkopers als u niet transparant zijn gedurende het biedingsproces. Dit om beïnvloeding te voorkomen;\n\nDe enveloppen worden in het bijzijn van beide partijen geopend;\n\n [gedaagde] wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen vijf werkdagen te laten weten of zij de woning aan zich wil laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding;\n\nBesluit [gedaagde] de woning niet aan zich te laten toedelen tegen de waarde van de hoogste bieding, dan zal de woning worden verkocht aan de hoogste bieder;\n\n3.9.. De woning is vervolgens in verkoop gebracht. Op de website van de makelaar en op Funda was vermeld dat biedingen tot uiterlijk 31 oktober 2025 uitgebracht konden worden.\n\n3.10.. De enveloppen met biedingen zouden in eerste instantie op dinsdag 4 november 2025 worden geopend, maar op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen zijn de datum en het tijdstip gewijzigd in vrijdag 31 oktober om 12.00.\n\n3.11.. Bij het openen van de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 bleken er twee biedingen te zijn gedaan. Eén door [gedaagde] voor € 300.000,- en één door [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]), een vriendin van [gedaagde], voor € 302.500,-.\n\n3.12.. De makelaar heeft partijen diezelfde dag om 23.00 uur via whatsapp geïnformeerd dat hij ‘s avonds op zijn kantoor een nieuwe envelop met een biedingsformulier had aangetroffen. Het was een bieding van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) voor € 400.016,-.\n\n3.13.. De makelaar heeft op 3 november 2025 per email aan partijen onder meer het volgende geschreven:\n\nIk vermoed dat het volgende is gebeurd. Wij hebben op de website en verstrekte\n\nbiedingsformulieren gemeld dat de uiterlijke termijn om een eenmalig voorstel te doen per gesloten enveloppe op 31 oktober zou zijn. In de week voorafgaand aan 31 oktober hebben wij alle kandidaten die een bezichtiging in de agenda hebben gehad per email benaderd dat de inschrijving 31 oktober 12 uur sloot. Begin oktober hebben jullie ook mee gedaan aan de NVW open huizenroute. De derde bieder zal hoogstwaarschijnlijk een bezoeker van het open huis zijn geweest en daarom later het bod hebben bezorgd aan ons kantoor.\n\n(…).\n\nIk wil van jullie allebei per email bevestigd zien hoe we met de 3 biedingen omgaan en of [gedaagde] eventueel de woning zelf afneemt en tegen welke prijs. Ik ga er niet tussen zitten. Ik heb er ook geen mening over, jullie moeten dit zelf bepalen middels het vonnis van de rechtbank.\n\n3.14.. \n [gedaagde] heeft via haar advocaat het standpunt ingenomen dat de bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven, omdat die te laat is binnengekomen. In de email van 6 november 2025 heeft de advocaat bevestigd dat [gedaagde] de toedeling van de woning verlangt tegen het hoogste bod van € 302.500,- en onder dezelfde voorwaarden als door de hoogste bieder zijn gedaan. In de email is een financieringsvoorbehoud van 12 weken genoemd en dat de levering zo spoedig mogelijk plaatsvindt, doch niet later dan 1 april 2026.\n\n3.15.. Op 18 november 2025 heeft [eiser] via zijn advocaat aan [gedaagde] laten weten dat het bod van [betrokkene 2] wel tijdig, namelijk voor 31 oktober 2025 24.00 uur, is uitgebracht. Hij constateert dat [gedaagde] de gelegenheid heeft gehad die bieding te evenaren, maar die ongebruikt heeft gelaten, zodat de makelaar geïnstrueerd moet worden om een koopovereenkomst op te stellen tussen [betrokkene 2] en partijen.\n\n3.16.. Nader overleg tussen partijen heeft er toe geleid dat zij op 30 december 2025 de makelaar hebben verzocht om [betrokkene 2] te vragen of hij nog bereid was de woning voor het door hem geboden bedrag af te nemen. [betrokkene 2] heeft de makelaar daarop bericht dat hij al had besloten om van de koop af te zien.\n\n3.17.. \n [gedaagde] heeft bij een notaris een concept akte van verdeling op laten maken en heeft via haar advocaat op 26 februari 2026 [eiser] gevraagd om zijn medewerking te verlenen aan het passeren daarvan op 12 maart 2026. De advocaat schrijft ook dat het vonnis al eerder is betekend en [eiser] vanaf 13 maart € 250,- per dag aan dwangsom verschuldigd is als hij geen medewerking verleent. [eiser] heeft zijn medewerking niet verleend.\n\n3.18.. \n [eiser] heeft op 12 maart 2026 [gedaagde] via zijn advocaat gesommeerd om akkoord te gaan met verkoop van de woning op zo’n kort mogelijke termijn tegen een zo hoog mogelijke opbrengst. Daarbij is aangegeven dat een clausule kan worden toegevoegd die [gedaagde] het recht geeft om binnen 24 uur na het uitbrengen van een bieding die door de makelaar acceptabel wordt geacht, bedoelde bieding qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden te evenaren. [gedaagde] heeft hier niet op gereageerd.\n\n3.19.. Op 22 april 2026 is [eiser] bij deurwaardersexploot aangezegd dat hij dwangsommen heeft verbeurd van 13 maart 2026 tot en met 21 april 2026 tot een maximum van € 10.000,00, met bevel tot betaling en aankondiging van beslaglegging.\n\n3.20.. \n [eiser] heeft [gedaagde] op 24 april 2026 gesommeerd te verklaren dat zij de aangekondigde executie zal staken\u002Fopschorten totdat tussen partijen in rechte vast staat dat zij op basis van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde biedprocedure recht heeft op toedeling van de woning aan haar en op de dwangsommen. [gedaagde] heeft niet op de sommatie gereageerd.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert, samengevat, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\n [gedaagde] te veroordelen om haar medewerking te verstrekken aan een (standaard) opdracht tot dienstverlening aan makelaar [bedrijf], althans een andere door de voorzieningenrechter aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [naam], gericht op verkoop van de woning, waarbij partijen zich verplichten de instructies van de makelaar gericht op het bereiken van een zo hoog mogelijke opbrengst op zo’n kort mogelijke termijn te volgen, (subsidiair) met dien verstande dat [gedaagde] het recht heeft om binnen 24 uur na ontvangst van een kennisgeving van de makelaar van een door een derde uitgebrachte bieding die door hem qua prijs, overdrachtsdatum en ontbindende voorwaarden acceptabel wordt geacht, middels een schriftelijk bericht aan de makelaar en [eiser] kenbaar te maken dat zij die bieding wil evenaren en de woning toegedeeld wil krijgen tegen dezelfde prijs of dezelfde of betere voorwaarden als bedoelde bieder aan zijn bod verbonden had;\n\n [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, te voltooien of af te ronden;\n\n [gedaagde] te veroordelen na totstandkoming van een koopovereenkomst (met een derde) alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan het notarieel transport, waaronder alle handelingen die nodig zijn om de door de notaris op te stellen leveringsakte op het met de koper overeengekomen tijdstip te doen passeren;\n\nstaking of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 11 juni 2025, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis,\n\neen en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat zij na betekening van het te wijzen vonnis nalaat aan één van de verzochte veroordelingen onder 1 tot en met 4 te voldoen;\n\n5. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering het ten grondslag dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om de bieding van [betrokkene 2] te evenaren. Omdat [betrokkene 2] door toedoen en tegenwerking van [gedaagde] is afgehaakt en zijn bod niet meer gestand wil doen, heeft de verkoop bij inschrijving niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Dat is ook het geval als aangenomen zou worden dat het bod van [betrokkene 2] te laat was uitgebracht, gelet op de samenspanning tussen [gedaagde] en [betrokkene 1], aldus [eiser]. Aangezien [gedaagde] al tijdens de rechtbankprocedure in 2025 heeft laten weten dat als de woning aanmerkelijk meer waard zou zijn dan uit de toen door haar in het geding gebrachte taxaties zou blijken, zij deze niet wil overnemen. Partijen kunnen daarom slechts één ding doen: de woning via de gebruikelijke route verkopen, met als doel op zo’n kort mogelijke termijn een zo hoog mogelijke opbrengst te bereiken, aldus nog steeds [eiser].\n\n4.3.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, omdat deze volgens haar overbodig zijn gemaakt. Als de voorzieningenrechter één of meer vorderingen toewijst, verzoekt zij om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat dit zal leiden tot een onomkeerbaar resultaat, namelijk verkoop van de woning aan een derde. Het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze voorlopige voorziening te kunnen procederen, weegt zwaarder dan het niet door [eiser] onderbouwde spoedeisende belang om direct na een te wijzen vonnis tot een gedwongen verkoop te kunnen komen, aldus nog steeds [gedaagde].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert onder meer aan dat zij op juiste wijze het hoogste bod heeft geëvenaard en dat de woning voor dat bedrag aan haar moet worden toegedeeld. Er is daarom geen aanleiding om de executie van dwangsommen (jegens [eiser]) te staken of schorsen. Het is niet [gedaagde], maar [eiser] die tekortschiet in de nakoming van het door de rechtbank gewezen vonnis, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.6.. \n [gedaagde] vordert om, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nte verstaan dat het maximum van € 10.000,- aan verbeurde dwangsommen ter zake van de veroordeling, als opgelegd aan [eiser] bij vonnis van 11 juni 2025 is bereikt;\n\n [eiser] te veroordelen om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag dat hij, na betekening van het te wijzen vonnis, niet aan de nakoming van een onderdeel van het vonnis van 11 juni 2025 voldoet en daarbij te bepalen dat daaraan een maximum wordt verbonden van € 150.000,-, althans, een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht;\n\nte bepalen dat, wanneer het maximum van het in dit vonnis opgelegde dwangsommen is bereikt zonder tijdige nakoming door [eiser] van het vonnis van 11 juni 2025, dit vonnis op grond van art. 3:300 lid 2 BW in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering (productie 6), die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de recreatiewoning aan [gedaagde] te komen;\n\nalthans aan [gedaagde] vervangende toestemming te verlenen om namens [eiser] over te gaan tot de ondertekening van de verdelingsakte, die is overgelegd als productie 5, die eventueel na op initiatief van de notaris tot stand gekomen wijzigingen naar diens professionele overtuiging kan worden gepasseerd en voor zover deze wilsuitingen benodigd zijn om tot eigendomsoverdracht van zijn aandeel in de woning aan [gedaagde] te komen;\n\n [eiser] te veroordelen in de kosten van dit geding in reconventie, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening.\n\n4.7.. \n [gedaagde] legt aan de vordering ten grondslag dat de rechtbank in het vonnis een wijze van verdeling heeft gelast waar uitvoering aan is gegeven. [eiser] werkt echter niet mee aan de laatste stap: medewerking aan de notariële akte van verdeling van woning aan haar. Het dwangmiddel dat de rechtbank heeft opgelegd is niet voldoende om [eiser] te bewegen aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling te voldoen. Zij vordert daarom verhoging van de dwangsommen. Voor het geval [eiser] ook dan niet nakomt, vordert zij dat het vonnis in de plaats komt van alle schriftelijke wilsverklaringen van [eiser] in de notariële akte van levering en meer subsidiair vervangende toestemming om namens [eiser] over te gaan tot ondertekenen van de verdelingsakte.\n\n4.8.. \n [eiser] voert verweer. [eiser] concludeert dat toewijzing van het in conventie gevorderde impliceert dat de vorderingen van [gedaagde] in reconventie niet toewijsbaar zijn.\n\n4.9.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en reconventie\n\nSpoedeisend belang\n\n5.1.. Tussen partijen is sprake van een geschil over de uitvoering van de in het vonnis gelaste wijze van verdeling van de woning. Een verschil van inzicht over de uitkomst van het biedingsproces heeft tot een impasse geleid. Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat zij de offerte die zij heeft liggen voor het overnemen van de woning maar een beperkte geldigheidsduur heeft, en haar mogelijk daarna niet nogmaals een aanbod wordt gedaan of tegen ongunstiger voorwaarden. Hiermee is het spoedeisend belang gegeven van zowel de vorderingen van [eiser] in conventie als die van [gedaagde] in reconventie.\n\nin conventie en in reconventie\n\nStaking \u002F schorsing executie dwangsommen\n\n5.2.. In dit geding gaat het in de kern om de vraag of, zoals [gedaagde] stelt, zij conform het vonnis heeft gehandeld en de voorwaarden waaronder de dwangsom door [eiser] is verschuldigd, zijn vervuld. Om die vraag te kunnen beantwoorden moet eerst beoordeeld worden of [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet aan die voorwaarden is voldaan, en dat, gelet op bij de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis aan het licht gekomen feiten, niet van hem gevergd kan worden dat hij zijn medewerking verleent aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\nIs conform vonnis gehandeld?\n\n5.3.. \n [eiser] stelt dat niet het bod van [betrokkene 1], maar het bod van [betrokkene 2] het hoogste bod was dat is uitgebracht en dat [gedaagde] de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om dat bod te evenaren. Daarom is volgens hem niet aan de voorwaarden voldaan om de woning aan [gedaagde] toe te delen. [gedaagde] betwist dat en voert aan dat het bod van [betrokkene 2] niet als een bieding kan worden gezien, omdat het biedingstraject al was geëindigd.\n\n5.4.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] niet kan volhouden dat het biedingsproces na op 31 oktober 2025 12.00 nog doorliep. Partijen hebben de makelaar in hun brief van 4 september 2025 (3.8) de opdracht gegeven om het sluitingstijdstip te bepalen en slechts aangegeven dat dit uiterlijk 31 oktober 2025 zou zijn. Op initiatief van de makelaar en met instemming van partijen is besloten om de enveloppen op 31 oktober 2025 om 12.00 te openen (3.10). Daarmee is het biedingstraject die dag om 12.00 gesloten. Dat vervroeging van het tijdstip mogelijk voor [betrokkene 2] niet kenbaar is geweest, doet daar niet aan af. Het gaat immers om de tussen partijen in onderling overleg ter uitvoering van het vonnis gemaakte afspraken. Dat brengt mee dat die bieding van [betrokkene 2] buiten beschouwing moet blijven en voorshands uitgangspunt is dat het bod van [betrokkene 1] van € 302.500,- het hoogste bod is dat is uitgebracht. Daarmee is aan de orde de vraag of [gedaagde] door tijdig mee te delen dat zij de woning tegen die waarde aan zich wil laten toedelen, aan de voorwaarden heeft voldaan waaronder [eiser] medewerking aan toedeling moet verlenen.\n\n5.5.. \n [eiser] heeft dat betwist met de stelling dat (hem) is gebleken dat er tussen [gedaagde] en [betrokkene 1] onderlinge afstemming heeft plaatsgehad over de door beide uitgebrachte biedingen. Volgens hem heeft de verkoop daarom niet tot een bruikbare uitkomst geleid. Het ging immers om de vaststelling van een marktprijs door derden te vragen een bieding uit te brengen en daar is – zo begrijpt de voorzieningenrechter zijn stelling – geen sprake van wanneer biedingen met de belanghebbende bij de uitkomst van dat proces zijn beïnvloed. [gedaagde] heeft betwist dat daarvan sprake is geweest.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat er afstemming tussen haar en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft immers niet betwist dat zij met betrekking tot de biedingsmogelijkheid en het biedproces contact met [betrokkene 1] heeft gehad, die een vriendin van haar is en peettante van haar dochter. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat zij beide dezelfde versie van het biedingsformulier hebben gebruikt, een versie die qua lay-out afwijkt van het biedingsformulier dat de makelaar gebruikt. Wat er ook zij van dat laatste, uit een verklaring van [betrokkene 1] van 1 mei 2026 blijkt dat zij het formulier voor zichzelf en [gedaagde] heeft uitgeprint. Ook heeft zij verklaard dat [gedaagde] haar erop heeft gewezen dat de woning beschikbaar was voor aankoop en dat het haar bekend was dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen. De verklaring luidt als volgt:\n\nHierbij verklaar ik. [betrokkene 1] dat ik interesse had in de recreatiewoning [adres 1] te [plaats 2]. Ik heb de woning op 29 september 2025 bezichtigd met de makelaar. Hierna heb ik op 13 oktober 2025 een bod van € 302.500, uitgebracht in een gesloten envelop.\n\nIk ben enige tijd daarvoor door [gedaagde] op de hoogte gebracht van de beschikbaarheid van de woning. Ik zag de aankoop van de recreatiewoning als een mooie investering. Ik heb zelf de hoogte van mijn bod bepaald: ik heb deze gebaseerd op de WOZ-waarde die € 300.000.- bedroeg. Ik wist dat [gedaagde] zelf ook een bod wilde uitbrengen en heb haar daarvoor een biedingsformulier gegeven. Ik heb het biedingsformulier van de makelaar op 29 september ontvangen en uitgeprint vanuit Outlook.live.com: het was een docx document; mogelijk is de lay out daardoor bij het printen wat versprongen. Ik heb niets aan de inhoud of tekst gewijzigd.\n\nOp 27 oktober vernam ik van de makelaar dat de inschrijving sloot op 31 oktober 12.00 uur en ik heb mijn bod uiterlijk die dag nog tot 12.00 kon inleveren, waarna de enveloppen samen met de verkopers geopend zouden worden.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter acht het bod van [betrokkene 1] gelet op de vraagprijs van € 449.500,- opvallend laag, namelijk € 2.500,- boven de WOZ-waarde van € 300.000,-. Ook is opmerkelijk dat [gedaagde] de WOZ-waarde heeft geboden, terwijl zij in de eerder gevoerde bodemprocedure nog bereid was de woning op basis van taxaties voor € 310.000,- respectievelijk € 322.500,- over te nemen en een gelijksoortige woning inmiddels voor € 400.000,- was verkocht (3.5). De voorzieningenrechter acht in dat verband de verklaring van [gedaagde] niet geloofwaardig dat als zij [betrokkene 1] had laten weten dat ze zelf zou meebieden, zij een nog veel lager bedrag zou hebben genoemd. Daarbij komt dat [gedaagde] in de voorbereiding van het verkoopproces veel belang hechtte aan een gesloten proces met geheimhouding en onbekendheid van alle betrokkenen met de biedingen. Dat verhoudt zich niet met het feit dat zij zelf informatie heeft uitgewisseld met iemand van wie ze wist dat zij zou gaan bieden. Als uitleg voor het contact met [betrokkene 1], heeft [gedaagde] verklaard dat zij bang was dat [eiser] misbruik zou maken door een kennis ook mee te laten bieden. Feitelijk heeft [gedaagde] dat zelf gedaan en daarmee de door haar zelf overeengekomen nadere procedureafspraken geschonden. Het vonnis van 11 juni 2025 strekt er evidentelijk toe om een zuiver proces van marktconsultatie in te richten. Aan het proces zoals dat feitelijk is gevoerd kleven voldoende smetten om te oordelen dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling. Onder die omstandigheden kan [gedaagde] niet van [eiser] vergen dat hij meewerkt aan toedeling van de woning aan [gedaagde] voor € 302.500,-.\n\n5.8.. Dit brengt mee dat de vordering van [eiser] in conventie onder 4, om [gedaagde] te veroordelen de aangekondigde executie van dwangsommen op te schorten totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] recht heeft op toedeling van de woning toewijsbaar is. Deze zal uitvoerbaar bij voorraad worden toegewezen.\n\n5.9.. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als gevorderd, maar wordt beperkt zoals in de beslissing vermeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.10.. Gelet op het oordeel in conventie, dat erop neerkomt dat [gedaagde] toedeling van de woning aan zichzelf voor een waarde van € 302.500,- vooralsnog niet kan afdwingen, zullen alle vorderingen in reconventie worden afgewezen.\n\nin conventie verder\n\n5.11.. Omdat de conclusie vooralsnog is dat niet op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de in het vonnis gelaste wijze van verdeling, zal [gedaagde] worden veroordeeld om mee te werken aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning, echter overeenkomstig het vonnis van 11 juni 2025. De vordering onder 1 van [eiser] zal in die zin worden toegewezen. Dat betekent dat [eiser] zich ook ditmaal zal moeten houden aan de in het vonnis aan hem opgelegde verplichtingen. Partijen kunnen het elkaar makkelijker maken door in overleg met de makelaar een vraagprijs vast te stellen die ertoe kan leiden dat de belangstelling in de markt voor de woning wat groter wordt zonder dat [gedaagde]’s kansen op succesvol matchen geheel verdwijnen. (Uiteraard staat het hen ook overigens vrij om afspraken te maken die zonder verder gedoe tot afwikkeling van deze kwestie kunnen leiden.)\n\n5.12.. De vordering onder 2, dat [gedaagde] zich zal onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces belemmeren en\u002Fof potentiële kopers kort gezegd kunnen afschrikken, zal ook worden toegewezen. De voorzieningenrechter acht toewijzing van deze vordering met dwangsom gepast, gelet op de niet weersproken feiten dat [gedaagde] Funda met succes heeft gesommeerd de woning van de site te halen en briefjes op de ramen van de woning heeft geplakt en na verwijdering is blijven plakken met daarop teksten dat de woning niet te koop is en verwijzing naar het vonnis van 11 juni 2025. De dwangsom wordt beperkt tot € 500,- per dag met een maximum van € 20.000,-.\n\n5.13.. De voorzieningenrechter zal de toewijzing van vordering 1 en 2 ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Aan het belang van [gedaagde] om in twee instanties over deze kwestie te procederen zal recht worden gedaan door te bepalen dat [eiser] aan deze uitvoerbaar bij voorraad verklaring geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt.\n\n5.14.. De vordering onder 3, die ziet op medewerking van [gedaagde] aan alle handelingen die nodig zijn voor de levering van de woning na totstandkoming van een koopovereenkomst, zal worden afgewezen. Gelet op de inhoud van het vonnis van 11 juni 2025 heeft [eiser] bij die vordering geen belang.\n\nin conventie en in reconventie\n\nProceskosten\n\n5.15.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen in conventie en reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. veroordeelt [gedaagde] om de op 22 april 2026 aangekondigde executie op te schorten, voor zover dit ziet op de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de dwangsom vermeld in 5.7. van het vonnis, en de deurwaarder dienovereenkomstig te instrueren, totdat in rechte is vastgesteld dat [gedaagde] als uitkomst van de in september\u002Foktober 2025 gevolgde inschrijvingsprocedure recht heeft op toedeling van de onverdeelde helft van de woning,\n\n6.2.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere keer of elke dag dat zij niet aan de hoofdveroordeling onder 6.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om medewerking te verlenen aan het opnieuw in verkoop brengen van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2], overeenkomstig het hiervoor sub 3.6 aangehaalde vonnis,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, om zich te onthouden van alle activiteiten die het verkoopproces van de woning aan het [adres 1] te [plaats 2] belemmeren en\u002Fof potentiële kopers er van kunnen weerhouden om een koopovereenkomst voor de woning te sluiten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde], na betekening van dit vonnis, nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 20.000,-,\n\n6.5.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n6.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, en bepaalt dat [eiser] aan de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de onder 6.3 en 6.4 genoemde beslissing geen rechten kan ontlenen indien en zolang [gedaagde] toezegt dat zij de aan de woning verbonden vaste lasten volledig betaalt en die toezegging ook in de praktijk brengt,\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.8.. wijst de vorderingen van [gedaagde] af,\n\n6.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n1621","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7505","ecli-nl-rbnho-2026-7505",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":125,"ecli":126,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":127,"fullText":128,"language":7,"source":17,"sourceUrl":129,"summary":14,"slug":130,"metadata":131},"1430","ECLI:NL:RBNHO:2026:7436","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12049496 \\ CV EXPL 26-165\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde stichting I RESPECT ANIMALS (SIRA)\n\ngevestigd te Lisserbroek,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: SIRA,\n\ngemachtigde: [gemachtigde].\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. \n [eiser] heeft via SIRA een herdershond genaamd Sombra gekocht voor een bedrag van € 535,00. In de koopovereenkomst staat (onder meer): “(…) Koper verklaart tevens:* Bekend en akkoord te zijn met de op deze overeenkomst van toepassing zijnde voorwaarden en verklaart een kopie van de voorwaarden en het en herroepingsformulier te hebben ontvangen.\n\n(…) Indien sprake is van een verkoop op afstand attenderen wij u op uw herroepingsrecht: U heeft recht op 14 dagen bedenktijd voor het retourneren, zonder opgaaf van redenen vanaf het moment van overdracht van de hond.”2.2.. In de plaatsingsvoorwaarden staat (voor zover relevant):\n\n“Herroeping\n\nDe wet ziet een dier helaas als een ding en daarmee kunt u dus gebruik maken van uw herroepingsrecht.\n\nUitleg herroepingsrecht: U heeft het recht om binnen een termijn van 14 dagen zonder opgave van redenen de overeenkomst te herroepen vanaf de datum van overdracht.\n\nOm gebruik te maken van uw herroepingsrecht kunt u het product (het dier) inclusief het ingevulde en ondertekende herroepingsrecht binnen uiterlijk 14 dagen na de overdracht dat u een beroep doet op uw herroepingsrecht terugsturen\u002Fgeven.\n\nTerugbetaling\n\nIn geval van een herroeping ontvangt u alle gemaakte kosten door het asiel inclusief leveringskosten en heenzending, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 14 dagen nadat u heeft aangegeven gebruik te willen maken van het herroepingsrecht.\n\nU heeft maximaal 14 dagen de tijd om het product (het dier) te retourneren aan Stichting I Respect Animals nadat u dat kenbaar heeft gemaakt.\n\nU draagt zelf de kosten voor de retourzending.\n\nDeze kosten bedragen €450,00 inclusief btw (retour Spanje of Portugal) en worden verrekend met de aankoopsom.”2.3.. Op 14 november 2025 heeft [betrokkene] (medewerkster van SIRA) aan [eiser] geschreven:\n\n“Goedemorgen, ben je wakker? Ze hebben me net gebeld van de dierenarts waar Sombra was. Gisterenmiddag toen ze haar aan me meegaven, was een van de medewerkers die er vandaag wel is, er niet. Hij heeft me gezegd dat ze twee kleine bultjes op haar buik heeft. Dat toen ze werd gered, ze dermatitis had en door het krabben heeft ze die bultjes gekregen, maar tot nu toe waren ze niet teruggekomen. En de medewerker van de dierenarts heeft gezien dat ze gisteren begonnen terug te komen. Hij heeft mij er niets over gezegd omdat hij dacht dat ik haar vandaag pas zou meenemen en hij het me dan wilde vertellen.\n\nJe weet dat ik de dingen graag goed doe. Hij heeft gezegd dat hij vanmorgen een verslag voor me maakt. Ik vind het niet prettig om honden te sturen die iets hebben zonder het te zeggen ☹. Als je wilt kan ik met het transport praten en haar ophalen, en wanneer ze helemaal genezen is kan ze reizen. Maar mijn dierenarts zegt dat het vanzelf weer opgenomen wordt.\n\nHet spijt me, het schijnt door het krabben te komen en het zal vanzelf weer wegtrekken, maar ik doe de dingen graag goed. Als ik Sombra moet ophalen, ga ik, geen probleem. Het spijt me echt dat ik het niet heb opgemerkt, je weet dat ik dingen altijd graag goed doe.”\n\n2.4.. \n [eiser] heeft de koopovereenkomst nog dezelfde dag ontbonden met een beroep op haar herroepingsrecht.2.5.. SIRA heeft een bedrag van € 85,00 aan [eiser] gerestitueerd.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] stelt dat zij recht heeft op volledige terugbetaling van het aankoopbedrag van de hond, en vordert daarom veroordeling van SIRA tot betaling van € 450,00.\n\n3.2.. SIRA voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser]. Zij voert aan dat Sombra zich ten tijde van de herroeping reeds in transit naar Nederland bevond. [eiser] is conform de ondertekende overeenkomst en bijbehorende voorwaarden verantwoordelijk voor de kosten van de retourzending.\n\n3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar (SIRA) en een consument ([eiser]). Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de bepalingen van Boek 6, titel 5, afdeling 2B van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat houdt onder meer het volgende in.\n\nOp grond van artikel 6:230m lid 1 onder h BW moet de consument erop worden gewezen dat hij het recht heeft om de overeenkomst binnen veertien dagen te ontbinden. Daarbij moet worden gewezen op de voorwaarden, termijn en modaliteiten voor het herroepingsrecht en dient het modelformulier verstrekt te worden. Daarnaast moet de consument op grond van artikel 6:230m lid 1 onder i BW worden gewezen op de kosten van terugzending van zaken bij ontbinding.\n\n4.2.. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] het herroepingsrecht tijdig heeft ingeroepen. Dat betekent dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden en [eiser] in beginsel recht heeft op volledige terugbetaling van het aankoopbedrag van de hond. Het antwoord op de vraag of sprake is van dwaling en of non-conformiteit, kan dan ook in het midden blijven.\n\n4.3.. De volgende vraag die voorligt, is of [eiser] de retourkosten van € 450,- aan SIRA dient te vergoeden. SIRA heeft in dit verband verwezen naar de plaatsingsvoorwaarden, waarin staat dat de koper bij retourzending verantwoordelijk is voor de kosten daarvan (zie 2.2). De kantonrechter overweegt daarover als volgt.\n\n4.4.. Op grond van het Tiketa-arrestmag precontractuele informatie (zoals informatie over de kosten bij retourzending) weliswaar in de (algemene) voorwaarden worden opgenomen, maar dan moet de consument daar wel op actieve wijze zijn of haar goedkeuring aan verlenen en moet die informatie op duidelijke en begrijpelijke wijze ter kennis van de consument worden gebracht. Dat betekent dat de consument erop moet worden gewezen dát (en waar) deze informatie in de algemene voorwaarden te vinden is. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. [eiser] is tijdens het aankoopproces onvoldoende concreet gewezen op het feit dat (en waar) voormelde informatie over de kosten bij retour in de plaatsingsvoorwaarden te vinden is. Ook is in de schriftelijke koopovereenkomst geen informatie (en\u002Fof een concrete verwijzing naar een onderdeel van de plaatsingsvoorwaarden) te vinden over de kosten in het geval van een retourzending. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de retourkosten niet zijn verschuldigd. De conclusie is dan ook dat SIRA de retourkosten ten onrechte heeft verrekend met de te ontvangen terugbetaling.\n\n4.5.. De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen.\n\n4.6.. SIRA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n148,04\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\nTotaal\n\n€\n\n241,04\n\n4.7.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt SIRA om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 450,00,\n\n5.2.. veroordeelt SIRA in de proceskosten van € 241,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SIRA niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. veroordeelt SIRA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n HvJ EU 24 februari 2022, ECLI:EU:C:2022:112.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7436","ecli-nl-rbnho-2026-7436",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":133,"ecli":134,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":127,"fullText":135,"language":7,"source":17,"sourceUrl":136,"summary":14,"slug":137,"metadata":138},"1638","ECLI:NL:RBNHO:2026:7578","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 11961316 \\ CV EXPL 25-7568\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser 1], 2. [eiser 2],\n\nbeiden wonende te [plaats 1],\n\neisende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [eisers],\n\ngemachtigde: mr. L.C. Pitters,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde 1] H.O.D.N. [bedrijf 1],\n\nwonende en zaakdoende te [plaats 2],\n\nprocederend in persoon,\n\n2. [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3],\n\nbeiden wonende te [plaats 1],\n\ngemachtigde: mr. E. Aslan,\n\n gedaagde partijen,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2].\n\nDe zaak in het kort\n\n [eisers] en [gedaagde 2] zijn buren. In 2019 is bij verbouwingswerkzaamheden aan de woning van [gedaagde 2] een schoorsteen verwijderd. Dit is gedaan door [gedaagde 1], die door [gedaagde 2] was ingeschakeld als aannemer. Volgens [eisers] is door het verwijderen van de schoorsteen een ventilatiekanaal van zijn woning afgesloten, waardoor hij ventilatieproblemen ervaart en schade lijdt. [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] zijn volgens [eisers] aansprakelijk voor deze schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij betogen allebei dat er door het verwijderen van de schoorsteen geen schade kan zijn toegebracht aan een ventilatiekanaal van de woning van [eisers].\n\nDe kantonrechter concludeert dat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het gestelde schadeveroorzakende feit niet is komen vast te staan en wijst de vordering daarom af.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 4 november 2025 met producties 1-34 - het mondeling antwoord van [gedaagde 1] van 12 november 2025 - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 7 januari 2026 met producties 1-8 - de akte houdende eisvermeerdering tevens akte houdende overleggen aanvullende productie met productie 35, door de griffie ontvangen op 11 mei 2026\n\n- het tussenvonnis van 11 februari 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die namens [eisers] en [gedaagde 2] zijn voorgedragen.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eisers] is sinds 2014 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats 1]. [gedaagde 2] is sinds 2019 eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaats 1]. Deze partijen zijn buren van elkaar.\n\n2.2.. \n [gedaagde 1] heeft in 2019 in opdracht van [gedaagde 2] de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] verwijderd.\n\n2.3.. \n\nIn opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 2] op 27 november 2023 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. [betrokkene 1] van [bedrijf 2] heeft in zijn rapport van 30 november 2023 dat aan de hand van dat onderzoek is opgesteld, geconcludeerd dat nader onderzoek geboden was. Verder staat in het rapport van [bedrijf 2] (p. 8-9):\n\n“(…) het is mogelijk (ook nog niet uit te sluiten) dat de verminderde werking van de ventilatie opening in de kelder het gevolg is van de werkzaamheden aan de schoorsteen van de buren.\n\nOndergetekende heeft het mogelijk verband hiertussen nog niet kunnen vaststellen. Hiervoor dient het dak van de woning veilig te worden betreden.\n\nOp basis van de bouwkundige tekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand. Ondergetekende houdt het nog voor mogelijk dat bij het verwijderen van de schoorsteen op nummer [adres 2] vuil in het kanaal terecht is gekomen. Dit is echter niet vastgesteld door ondergetekende. Uiteraard is ook op andere wijze verstopping of gedeeltelijke afdichting van het kanaal mogelijk, bijvoorbeeld gedierte(…)”.2.4.. Op 19 maart 2024 is een vervolgonderzoek gepland. In het e-mailbericht van [betrokkene 2] van [bedrijf 2] van 15 april 2024 staat: “(…) Op dinsdag 19 maart 2024 heeft er een aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de vochtproblematiek in de woning van familie [eisers] te [plaats 1]. Hierbij het dak aan de achterzijde, voor zover dat mogelijk was, geïnspecteerd met een lange ladder. Daarbij is de woning binnen geïnspecteerd. Ter plaatse van de badkamer op de 2e verdieping, de overloop op de 1e verdieping en de trapkast, allen ter plaatse van de woningscheidende muur, zijn geen vocht gerelateerde problemen waargenomen.Op basis van de gedane waarnemingen kan er worden geconcludeerd dat er geen vocht gerelateerde problemen aanwezig zijn in de woning. Ik zie derhalve niet de noodzaak om een aanvullend onderzoek uit te voeren, waarbij een maatregel, zoals het plaatsen van een steiger, dient te worden getroffen om het dak nader te inspecteren.(…)”.\n\n2.5.. In opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) op 29 augustus 2024 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. In het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024, pagina 3, staat: “(…)Vraag 1. Werkt de onluchting\u002Fventilatie in de eensteensmuur in de kelder naar behoren?Antwoord:(…) Uit ons onderzoek naar het bouwdossier van de woning hebben wij vastgesteld dat de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast van partij 1[[eisers], kantonrechter].(…)Als bewijs dienen de volgende bouwtekeningen, zie ook debijlagen 1 tot en met 3:(…)”.\n\n{afbeelding 1}\n\nTer onderbouwing van het antwoord op vraag 1 zijn in het rapport van [bedrijf 4] de volgende afbeeldingen opgenomen:\n\nVerder staat in het rapport van [bedrijf 4], meer specifiek op pagina 5 in antwoord op vraag 3: “Op basis van de door ons gewonnen informatie uit het bouwdossier en de in de woning van partij 1 geconstateerde routes van de ventilatiekanalen, achten wij een causaal verband aangetoond tussen de ontstane gebrekkige ventilatie en het handelen van partij 2 en\u002Fof haar aannemer.”\n\n2.6.. \n [eisers] heeft [gedaagde 2] (onder meer) op 1 april 2025 per brief aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 2] is gesommeerd deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 2] niet overgegaan.\n\n2.7.. \n [eisers] heeft [gedaagde 1] op 21 juli 2025 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 1] is gesommeerd om deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 1] niet overgegaan.\n\n Tekst3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eisers] vordert – na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 8.083,99, alsook veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 100,00 per maand vanaf oktober 2025, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3.2.. \n [eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Hij stelt daartoe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade hebben (laten) veroorzaken aan de woning van [eisers]. Door het op onrechtmatige wijze (laten) verwijderen van de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] is het ventilatiekanaal in de woning van [eisers] gedicht en lijdt hij schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] danwel [gedaagde 1] moet(en) deze schade aan [eisers] vergoeden. De schade bestaat uit de herstelkosten en immateriële schade bestaande uit gederfd woongenot.\n\n3.3.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Op hun verweren gaat de kantonrechter – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil in.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Voor toewijzing van de vordering is vereist dat de gedragingen en\u002Fof het nalaten van [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, waarna zij (dan wel een van hen) de schade die [eisers] door die gedraging lijdt en heeft geleden moet(en) vergoeden. Daarbij moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] en de schade die [eisers] lijdt. Omdat [eisers] zich op de stelling beroept dat sprake is van een onrechtmatige daad waardoor hij schade lijdt en heeft geleden, draagt hij daarvan de stelplicht en bewijslast.\n\nHet oorzakelijk verband ontbreekt4.2.. \n [eisers] stelt dat [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door de schoorsteen die (grotendeels) op de woning van [gedaagde 2] stond, te (laten) verwijderen. In de schoorsteen mondden volgens [eisers] twee gescheiden kanalen uit; het rookkanaal van de woning van [gedaagde 2] en het ventilatiekanaal van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen is een ventilatiekanaal van de woning van [eisers] afgedicht. Het ventilatiekanaal diende ter ventilering van de keuken, de w.c., de douche en de kelderkast van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen en het in verband daarmee afdichten van het ventilatiekanaal lijdt [eisers] schade in de vorm van onder meer schimmelvorming in zijn woning. Ter onderbouwing heeft [eisers] onder meer de rapporten van [bedrijf 2] en [bedrijf 4] overgelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had de schoorsteen geen functie voor enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] en kwam er geen ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uit in de schoorsteen.\n\n4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat door het verwijderen van de schoorsteen enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] is afgedicht. Niet is namelijk komen vast te staan dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Er kan daarom ook geen oorzakelijk verband bestaan tussen verwijdering van de schoorsteen en de (gestelde) problemen met de ventilatie in de woning van [eisers]. De vragen of sprake is van een onrechtmatige gedraging of nalaten, schade en, zo ja, in hoeverre schade aan [gedaagde 1] en\u002Fof [gedaagde 2] kan worden toegerekend, behoeven daarom geen beantwoording. De vordering is niet toewijsbaar. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.\n\n4.4.. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [eisers] gewezen op het rapport van [bedrijf 4]. Hierin is geconcludeerd dat “de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast” van de woning van [eisers]. Ter onderbouwing daarvan zijn een aantal afbeeldingen onder die conclusie in het rapport opgenomen, waaruit volgens de deskundige zou blijken dat het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] uitkomt in de schoorsteen. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat de afbeeldingen zoals opgenomen in het rapport van [bedrijf 4] een dergelijke verbinding tussen het ventilatiekanaal en de schoorsteen niet laten zien. [eisers] heeft in reactie daarop toegelicht dat de afbeeldingen in samenhang moeten worden gezien.4.5.. \n\nHoewel afbeelding 1 een ingezoomde afbeelding afkomstig uit afbeelding 2 lijkt, is deze door [eisers] gestelde samenhang zonder nadere toelichting en onderbouwing niet begrijpelijk. Weliswaar zijn op afbeelding 1 mogelijk twee kanalen te zien, maar hiermee staat niet vast dat een van deze twee kanalen een ventilatiekanaal is. In dit verband is van belang dat [gedaagde 2] gemotiveerd en met stukken onderbouwd heeft toegelicht dat op de schoorsteen alleen de rookkanalen voor de haard op de begane grond en de kachel op de eerste verdieping van de woning van [gedaagde 2] waren aangesloten en dat dit een gesloten systeem was. De twee kokers die te zien zijn op afbeelding 1 zijn volgens [gedaagde 2] waarschijnlijk de rookkanalen voor de haard en de kachel van de woning van [gedaagde 2]. Technisch is het volgens [gedaagde 2] bovendien niet mogelijk het ventilatiekanaal van de woning van [eisers] langs het rookkanaal dat was aangesloten op de schoorsteen te laten lopen. Volgens de destijds en nu geldende normen moet er namelijk een veilige afstand (van anderhalve meter) zitten tussen een ventilatiekanaal en een rookkanaal. Het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] komt volgens [gedaagde 2] uit in het dak van de woning van [eisers].\n\nOok volgens [gedaagde 1] is het technisch niet mogelijk de ventilatie voor de woning van [eisers] via het rookkanaal en de schoorsteen te laten lopen. Dit zou gevaar voor koolomonoxidevergiftiging opleveren.\n\n4.6.. Een en ander strookt met hetgeen het [bedrijf 2] heeft gerapporteerd over de opening in de kelder\u002Ftrapkast: “De oorspronkelijke functie van de opening is een natuurlijke ventilatie van de kelderruimte. De opening komt uit in een in de woning scheidende wand gemetseld ventilatiekanaal (met ruwe wanden) dat zeer waarschijnlijk uitmond onder de dakpannen van de woning (…)”.\n\n4.7.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] aan de hand van een afbeelding waarop beide woningen te zien zijn bovendien nog toegelicht dat boven de badkamer van de woning van [eisers] een ontluchting is geplaatst. [gedaagde 2] concludeert dat die uitgang boven de badkamer dient ter ventilatie. [eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat dakdekker [bedrijf 3] in 2023 de badkamerventilatie boven op het dak heeft vervangen. Dit was echter geen ventilatie, volgens [eisers] zagen de werkzaamheden op de vervanging van een ontluchtingspijp. Hoewel [eisers] een andere benaming aanhoudt, acht de kantonrechter aannemelijk dat die pijp dient als ventilatie voor de badkamer. De redenering van [eisers] dat de “ontluchtingspijp” niet dient ter ventilatie van de badkamer wordt bij deze stand van zaken daarom verworpen. Dit betekent dat de kantonrechter aanneemt dat het ventilatiekanaal van de badkamer niet uitkwam in de schoorsteen.\n\n4.8.. In het licht van de gemotiveerde betwistingen en het rapport van [bedrijf 2] had het op de weg van [eisers] gelegen nader te onderbouwen dat in de schoorsteen wel een ventilatiekanaal voor zijn woning uitkam, en dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit betoog van [eisers].\n\n4.9.. Ook afbeelding 3 van het rapport van [bedrijf 4] ondersteunt de stellingen van [eisers] niet. In die afbeelding staat “ventilatiekanalen voor keuken, w.c., douche en kelderkast opnemen in speciale B2 blokken”. Daaruit kan evenwel niet worden geconcludeerd dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] samenkwam met de rookkanalen in de schoorsteen. Op de vraag van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling of deze passage mogelijk kan zien op de functie van een apart ventilatiekanaal heeft [eisers] geantwoord dat dit deel van de tekst behoort bij de bouw van de schoorsteen. Dit betoog is door [eisers] echter niet toegelicht of onderbouwd en blijkt ook niet uit de bijlagen bij het rapport van [bedrijf 4], zodat de kantonrechter aan dit betoog voorbij gaat.\n\n4.10.. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat zij een deskundigenrapport en de onderbouwing daarvan moet kunnen begrijpen alvorens zij deze kan overnemen. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de kantonrechter voorbij gaat aan de conclusies in het rapport van [bedrijf 4], zoals opgenomen in antwoord op vraag 1 en vraag 3 van het rapport. [eisers] heeft in dit verband nog gesteld dat het rapport voor de deskundige logisch is opgesteld, omdat hij dit soort werkzaamheden dagelijks uitvoert. Dit standpunt kan hem, gelet op het voorgaande, niet baten. De kantonrechter concludeert dat uit het rapport van [bedrijf 4] niet de conclusie kan worden getrokken dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Door het verwijderen van de schoorsteen kan dus ook geen ventilatiekanaal zijn afgedicht, zodat geen oorzakelijk verband bestaat tussen het verwijderen van de schoorsteen en de (gestelde) gebrekkige ventilatie in de woning van [eisers].\n\n4.11.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter [eisers] voorgehouden dat in het rapport van [bedrijf 2] staat: “(…) Op basis van de bouwtekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand.(…)”. Ook heeft de kantonrechter de inhoud van het e-mailbericht van de inspecteur van [bedrijf 2] van 15 april 2024 aan [eisers] voorgehouden. [eisers] heeft toegelicht dat het rapport van Bureau van Bouwpathologie niet zo uitvoerig is uitgevoerd als [bedrijf 4], zodat de inhoud van het rapport van [bedrijf 4] bij de beoordeling van dit geschil als uitgangspunt moet worden genomen. Aan dit betoog gaat de kantonrechter voorbij gelet op hetgeen zij in rechtsoverwegingen 4.4. tot en met 4.10. over het rapport van [bedrijf 4] heeft overwogen.\n\n [eisers] wordt veroordeeld in de kosten4.12.. \n [eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.\n\nDe proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:\n\n- verletkosten\n\n€\n\n100,00\n\nTotaal\n\n€\n\n100,00\n\n De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n864,00\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de vorderingen van [eisers] af,\n\n5.2.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend\n\n5.3.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 2] c.s. € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n Pagina 3 van het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024.\n\n Op grond artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n Artikel 150 van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7578","ecli-nl-rbnho-2026-7578",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":140,"ecli":141,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":127,"fullText":142,"language":7,"source":17,"sourceUrl":143,"summary":14,"slug":144,"metadata":145},"990","ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknr.\u002Frolnr.: 11210520 \\ CV EXPL 24-4951\n\nUitspraakdatum: 17 juni 2026\n\nTussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:\n\n[eiser 1][eiser 2]\n\n[eiser 3]allen wonende te [plaats]\n\neisers\n\ngemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)\n\ntegen\n\nde vennootschap naar buitenlands recht\n\nSingapore Airlines Ltd.\n\ngevestigd te Singapore\n\ngedaagde\n\nhierna te noemen: de vervoerder\n\ngemachtigde: mr. J.J. Croon (Croon Aviation Lawyers)\n\n1. Het verdere procesverloop\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 27 augustus 2025;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van de vervoerder;\n\n- de akte uitlating prejudiciële vragen van eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.2. Inleiding2.1.. In het tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat er aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en dat alle beslissingen in deze procedure worden aangehouden in afwachting van het oordeel van het Hof.\n\n2.2.. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de formulering van de prejudiciële vragen die de kantonrechter in het tussenvonnis heeft voorgesteld. Eisers en de vervoerder hebben daarop bij akte gereageerd. In dit vonnis zal de kantonrechter de definitieve vragen formuleren en het Hof verzoeken om een prejudiciële beslissing te nemen .3. De feiten3.1.. Eisers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport (hierna: de luchthaven), via Singapore, naar Cebu City, Filipijnen, met vluchtcombinatie SQ323 en SQ8556.3.2.. In de periode april 2022 tot eind 2022 had de luchthaven te kampen met een personeelstekort bij de beveiligingsbalies. Hierdoor ontstonden lange wachtrijen op de luchthaven, die tot buiten de terminal reikten.3.3.. De luchthaven heeft daarom vanaf juni 2022 haar capaciteit voor het aantal vertrekkende passagiers beperkt. Van deze capaciteitsbeperking heeft zij via Airport Coordination Netherlands (hierna: ACNL) mededeling gedaan aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen.3.4.. ACNL heeft in opdracht van de luchthaven een maximumaantal vertrekkende passagiers per dag per luchtvaartmaatschappij opgelegd. Ook de vervoerder moest als gevolg hiervan op 11 juli 2022 het aantal vertrekkende passagiers beperken.3.5.. Het aantal boekingen voor vlucht SQ323 van Amsterdam naar Singapore van 11 juli 2022 (hierna: de vlucht) overschreed het maximumaantal passagiers dat door ACNL was opgelegd. De vervoerder heeft aan de reductieverplichting van ACNL voldaan door het aantal boekingen voor de vlucht in kwestie te verminderen. De vlucht is niet geannuleerd.3.6.. Op 30 juni 2022 zijn de bevestigde boekingen van eisers voor de vlucht geannuleerd en zijn zij geïnformeerd dat zij niet mee mochten vliegen met de vlucht.3.7.. Eisers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.3.8.. De vervoerder heeft niet uitbetaald.4. Het geschil\n\n4.1.. Eisers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de nakosten.4.2.. Eisers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261\u002F2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof. Eisers stellen dat de vervoerder hen vanwege een instapweigering op de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.4.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden.Hij stelt zich op het standpunt dat de verplichting van de luchthaven om het aantal passagiers op de vlucht te beperken, geldt als een redelijke grond voor de instapweigering.5. De beoordeling\n\n5.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.5.2.. Zowel de vordering van eisers als het verweer van de vervoerder zijn direct en uitsluitend gebaseerd op de Verordening. Er zijn geen nationale bepalingen op de zaak van toepassing.5.3.. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een instapweigering die recht geeft op compensatie in de zin van de Verordening, moet in dit geval uitsluitend worden beoordeeld of de vervoerder redelijke gronden had om eisers de instap te weigeren.Deze redelijke gronden kunnen onder meer redenen zijn die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging of ontoereikende reisdocumenten.Het Hof heeft geoordeeld dat het hierbij gaat om een niet-limitatieve lijst.5.4.. Een relevante nationale uitspraak betreft het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2024.Daarin oordeelde deze dat een door de luchthaven opgelegde doelstelling om het aantal passagiers te verminderen, een grond voor instapweigering betrof die te maken had met de veiligheid op de luchthaven en daarmee een redelijke grond voor een instapweigering was.5.5.. Eisers stellen dat geen sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Zij voeren aan dat het bij redelijke gronden moet gaan om redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen. In dit geval was het niet aan eisers toerekenbaar dat zij niet in mochten stappen. De vervoerder stelt dat wel sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Hij voert aan dat de door ACNL doorgevoerde capaciteitsbeperking in het belang van de veiligheid op de luchthaven was en hem niet kan worden verweten.5.6.. De kantonrechter ziet zowel aanknopingspunten voor de conclusie dat de uitleg die eisers voorstaan juist is, als voor de conclusie dat de uitleg die de vervoerder voorstaat juist is. Het Hof heeft over de context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening geoordeeld dat de bedoeling van de Uniewetgever was om het aantal passagiers dat tegen hun wil niet aan boord mocht gaan te verminderen, en dat deze daarom elke verwijzing heeft weggelaten naar de reden waarom een luchtvaartmaatschappij een passagier niet aan boord laat gaan.Tegen die achtergrond heeft het Hof de zienswijze dat enkel de gevallen van overboeking onder het begrip instapweigering vallen afgewezen, omdat die tot gevolg heeft dat passagiers die zich in een niet aan hen toerekenbare situatie zoals overboeking om economische redenen bevinden, elke vorm van bescherming verliezen.5.7.. Eveneens heeft het Hof geoordeeld dat een reorganisatie in vluchten vanwege buitengewone omstandigheden niet vergelijkbaar is met die welke uitdrukkelijk in artikel 2, sub j, van verordening nr. 261\u002F2004 zijn vermeld, aangezien deze niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen.In het licht hiervan heeft het Hof, onder verwijzing naar haar vaste rechtspraak dat uitzonderingen op bepalingen die rechten verlenen aan passagiers strikt moeten worden uitgelegd,geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat een luchtvaartmaatschappij zich kan bevrijden van haar verplichting tot compensatie bij instapweigering op de grond dat deze weigering voortvloeit uit de reorganisatie van haar vluchten wegens buitengewone omstandigheden.Dit pleit er naar het oordeel van de kantonrechter voor om het begrip ‘redelijke gronden’ strikt uit te leggen, in die zin dat daarvan alleen sprake is in het geval van redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen.5.8.. De hiervoor weergegeven context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening laten echter de mogelijkheid open van een uitleg waarbij een reden die niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen, maar ook niet verwijtbaar is aan de vervoerder, geldt als een redelijke grond als bedoeld in artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening. Een instapweigering die voortvloeit uit een aan de vervoerder door de leiding van een luchthaven opgelegde verplichting om het aantal passagiers in verband met de veiligheid te beperken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet verwijtbaar aan de vervoerder. Van een instapweigering in de zin van voormelde bepaling zou in gevallen als deze alleen sprake zijn indien geoordeeld moet worden dat de instapweigering niettemin aan de vervoerder moet worden toegerekend.5.9.. Gelet op het bovenstaande rijst de vraag hoe de begrippen ‘instapweigering’ en ‘redelijke gronden’ in de zin van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening moeten worden uitgelegd, meer specifiek of daarvan sprake kan zijn als een luchtvaartmaatschappij een passagier de instap weigert op een vlucht omdat de luchthaven hem in verband met de veiligheid op de luchthaven heeft verplicht om het aantal passagiers op die dag te verminderen.5.10.. Zoals hierboven is toegelicht volgt het antwoord niet uit de bestaande rechtspraak van het Hof en is de juiste uitleg van de Verordening niet evident. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de uitleg van de artikelen 2 en 4 van de Verordening.\n\n5.11.. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof wordt iedere verdere beslissing aangehouden.\n\n6. De beslissing De kantonrechter:6.1.. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wege van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:\n\n1. Verzet artikel 2 aanhef en onder j, gelezen in samenhang met artikel 4 van de Verordening zich tegen een uitleg waarbij van ‘instapweigering’ die recht geeft op compensatie sprake is in alle gevallen waarin de redenen van instapweigering niet toerekenbaar zijn aan de passagiers die tegen hun wil de toegang tot een vlucht is geweigerd?\n\nIndien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt:\n\n2. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden verwijtbaar zijn aan de luchtvaartmaatschappij?\n\nIndien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt:\n\n3. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden aan de luchtvaartmaatschappij moeten kunnen worden toegerekend?6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 2 aanhef en onder j, artikel 4 lid 3 en artikel 7 lid 1 aanhef en onder c van de Verordening.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 26 oktober 2023, C-238\u002F22, ECLI:EU:C:2023:815, punt 39.\n\n Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 30.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628.\n\n Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628, ro. 4.10.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 20 en 21.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 24.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 33.\n\n HvJEU 22 december 2008, C-549\u002F07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17.\n\n HvJEU 4 oktober 2012, C-22\u002F11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 38.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7233","ecli-nl-rbnho-2026-7233",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":147,"ecli":148,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":149,"fullText":150,"language":7,"source":17,"sourceUrl":151,"summary":14,"slug":152,"metadata":153},"720","ECLI:NL:RBNHO:2026:7040","2026-06-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer: 12201017 \\ VV EXPL 26-55\n\nVonnis in kort geding van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. O. Sahin,\n\ntegen\n\nBROMBEE B.V.,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Brombee,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde betekende dagvaarding van 7 mei 2026 met 8 producties;\n\nhet verweerschrift van 31 mei 2026 met 10 producties;\n\nde mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Het vonnis is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [eiser] (geboren op [geboortedatum] 1995) is sinds 9 oktober 2025 in dienst bij Brombee als medewerker klantenservice op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Haar uurloon is € 19,36 bruto all-in. De overeengekomen arbeidsomvang is 32 uur per week.\n\n2.2.. Brombee is een online rijschool. De heer [betrokkene] is de directeur\u002Feigenaar. [eiser] is de enige werknemer in loondienst.\n\n2.3.. Op 1 februari 2026 heeft [eiser] zich ziekgemeld.\n\n2.4.. Vanaf de ziekmelding heeft Brombee geen loon meer voldaan aan [eiser] . [eiser] is sinds de ziekmelding niet opgeroepen door een bedrijfsarts.\n\n2.5.. Ondanks diverse verzoeken van [eiser] , bijvoorbeeld op 6 maart 2026, en van haar gemachtigde, waaronder op 3 april 2026, heeft Brombee de loonbetalingen niet hervat en evenmin een bedrijfsarts ingeschakeld.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n [eiser] vordert - samengevat - achterstallig loon vanaf 1 februari 2026, verhoogd met de maximale wettelijke verhoging, overlegging van loonstroken op straffe van een dwangsom, toekomstig loon tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, nakoming van de re-integratieverplichtingen op straffe van een dwangsom en de proceskosten.\n\n3.2.. \n [eiser] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 7:629 BW heeft zij recht op loondoorbetaling tijdens ziekte. Uit artikel 7.2 van de arbeidsovereenkomst volgt dat zij tijdens ziekte recht heeft op in ieder geval 70% van het overeengekomen loon over de contractuele arbeidsomvang van 32 uur per week. Ook is Brombee op grond van artikel 7:658a BW verplicht om deugdelijk en zorgvuldig invulling te geven aan haar re-integratieverplichtingen.\n\n3.3.. Brombee voert het volgende aan. [eiser] is de eerste en enige werknemer van Brombee. De onderneming was ten tijde van de ziekmelding en de daaropvolgende maanden niet op de hoogte van de loondoorbetalingsverplichting tijdens ziekte. De onderneming had wegens ontbrekende kennis en beperkte middelen ook (nog) geen bedrijfsarts ingeschakeld. Brombee verkeert thans in een slechte financiële positie.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nSpoedeisend belang\n\n4.2.. Gelet op de aard van de vordering, te weten een loonvordering, is sprake van spoedeisendheid. [eiser] heeft sinds 1 februari 2026 geen inkomsten meer ontvangen terwijl zij daarvan afhankelijk is voor haar levensonderhoud.\n\nLoonvordering\n\n4.3.. Vast staat dat [eiser] sinds 9 oktober 2025 in dienst is van Brombee. [eiser] heeft zich op 1 februari 2026 ziek gemeld en Brombee betaalt sindsdien geen loon meer aan [eiser] . Het is voldoende aannemelijk dat op grond van artikel 7:629 BW in een bodemprocedure de loonvordering tijdens ziekte van [eiser] zal worden toegewezen, met dien verstande dat aannemelijk is dat 70% van het door [eiser] gevorderde loon zal worden toegewezen.\n\n4.4.. Tijdens de mondelinge behandeling is door Brombee erkend dat zij loon moet doorbetalen tijdens ziekte. De kantonrechter zal Brombee daarom veroordelen tot betaling van het gevorderde loon, met dien verstande dat conform artikel 7:629 BW 70% van het overeengekomen loon zal worden toegewezen, vermeerderd met een wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, welke zal worden gematigd tot 30%. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen, zoals hierna vermeld.\n\n4.5.. De kantonrechter zal de loonvordering tot het einde van de arbeidsovereenkomst ook toewijzen, met dien verstande dat in geval van arbeidsongeschiktheid van [eiser] die nog geen 104 weken heeft geduurd, Brombee zal worden veroordeeld tot betaling van 70% van het overeengekomen salaris.\n\nLoonstroken\n\n4.6.. \n [eiser] vordert Brombee te veroordelen tot overlegging van alle loonstroken over de periode van het gehele dienstverband op straffe van een dwangsom. Op grond van artikel 7:626 BW is Brombee verplicht [eiser] maandelijks een salarisspecificaties te verstrekken. Brombee heeft tijdens de zitting – onweersproken - verklaard dat [eiser] te allen tijde online beschikking heeft gehad tot deze stukken in het platform mijnloondossier.nl. Om deze reden ziet de kantonrechter geen aanleiding deze vordering toe te wijzen.\n\nBrombee moet [eiser] laten oproepen voor de bedrijfsarts\n\n4.7.. \n [eiser] vordert tot slot Brombee te verplichten tot het inschakelen van een bedrijfsarts. Brombee zal in afstemming met de bedrijfsarts invulling moeten geven aan de re-integratieverplichtingen (artikel 7:658a BW). Tijdens de mondelinge behandeling heeft Brombee meegedeeld hieraan gehoor te zullen geven. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding tot het opleggen van een dwangsom.\n\nProceskosten\n\n4.8.. Brombee is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n93,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n577,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n969,67\n\n4.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt Brombee, binnen één week na het wijzen van dit vonnis, aan [eiser] te betalen 70% van het overeengekomen loon over de periode 1 februari 2026 tot en met 1 juni 2026 vermeerderd met 30% wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de dag van opeisbaarheid van iedere salarisbetaling telkens tot de dag dat volledig is betaald;\n\n5.2.. veroordeelt Brombee aan [eiser] vanaf 1 juni 2026 het overeengekomen loon te betalen, en in geval van arbeidsongeschiktheid van Maudro die nog geen 104 weken heeft geduurd 70% daarvan, tot de dag dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;\n\n5.3.. veroordeelt Brombee tot het nakomen van haar re-integratieverplichtingen jegens [eiser] ;\n\n5.4.. veroordeelt Brombee in de proceskosten van € 969,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Brombee niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;\n\n5.5.. veroordeelt Brombee tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;\n\n5.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7040","ecli-nl-rbnho-2026-7040",{"courtName":6,"legalDomain":78,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":155,"ecli":156,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":157,"fullText":158,"language":7,"source":17,"sourceUrl":159,"summary":14,"slug":160,"metadata":161},"991","ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12001278 \\ EJ VERZ 25-62\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [verzoeker 1], 2. [verzoeker 2], 3. [verzoeker 3], 4. [verzoeker 4], 5. [verzoeker 5], 6. [verzoeker 6], 7. [verzoeker 7], 8. [verzoeker 8], 9. [verzoeker 9], 10. [verzoeker 10],\n\nallen wonende te [plaats],\n\nverzoekende partijen,\n\nhierna samen te noemen: [verzoekers],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n1. [VVE 1], gevestigd te [plaats],\n\nniet verschenen, 2. [VVE 2],\n\ngevestigd te [plaats],\n\ngemachtigde: mr. P.G. Bekkers,\n\nverwerende partijen,\n\nhierna te noemen: [VVE 1] dan wel [VVE 2].\n\nDe zaak in het kortDe verzoeken tot nietigheid dan wel vernietiging van de besluiten zijn niet toewijsbaar. Van strijd met de splitsingsakte is geen sprake, evenmin zijn de besluiten van de ALV van de VvE’s van 6 november 2025 in strijd met de redelijkheid en billijkheid genomen. Ook van misbruik van een meerderheidsstem in de ALV van [VVE 2] is de kantonrechter niet gebleken. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en de VvE’s.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de spreekaantekeningen die door Schreiber zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer 19243\u002F150, (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens [VVE 1] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 1] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 3], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 4] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 2] optreedt.\n\n2.4.. \n [VVE 2] is ondergesplitst in 235 appartementsrechten. In artikel 32 lid 3 van het model splitsingsreglement 1992 (hierna: splitsingsreglement 1992) die ziet op de ondersplitsing van [VVE 2] staat – voor zover van belang –: “(…) De stemmen voor het in de ondersplitsing betrokken appartementsrecht behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.(…)”.\n\n2.5.. \n [verzoekers] zijn allen eigenaars van appartementsrechten binnen het wooncomplex van [naam]. [verzoekers] zijn als eigenaars van die appartementsrechten van rechtswege lid van [VVE 3] en [VVE 2].\n\n2.6.. Op 6 november 2025 heeft een algemene ledenvergadering (hierna: ALV) plaatsgevonden in [VVE 2]. Uit de notulen van die ALV volgt dat – voor zover van belang – de volgende besluiten zijn genomen: “Besluitenlijst [VVE 2](…)8. Boetebesluit [VVE 2]8.1 De leden besluiten het boetebesluit, zoals besproken, niet vast te stellen voor de [VVE 2].9. Boetebesluit VvE Hoofdvereniging9.1 Er wordt op eensluidende wijze gestemd om de vertegenwoordiger [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit [VVE 1].10. Incassoprocesvolmacht10.2 De vergadering besluit het bestuur (in welke vorm deze zich bevind) volmacht te verlenen zoals omschreven in het belegstuk.11. Bestuursprocesvolmacht11.1 Er wordt door de vergadering geen procesvolmacht verleent aan het bestuur.12. Ontslag bestuur [VVE 2]12.1 De vergadering besluit het bestuur van [VVE 1] per direct te ontslaan.13. Benoeming bestuur [VVE 2]13.1 De vergadering besluit tegen het instellen van een intern bestuur.13.2 De vergadering besluit tegen het machtigen van het bestuur om de werving via meervoudig aanbesteden te initiëren.13.3 De vergadering besluit de externe partij, [bedrijf], te benoemen als bestuur van de [VVE 2]. Hoorne Vastgoed zal de aanvullende kosten voor dit externe bestuur op zich nemen.”\n\n2.7.. Ook op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 zijn besluiten genomen. In de besluitenlijst van die ALV staat: “Besluitenlijst [VVE 1](…)7. Incassoprocesvolmacht7.1 De leden stemmen tegen het verlenen van incassoprocesvolmacht aan haar bestuur.8. Bestuursprocesvolmacht8.1 De leden stemmen tegen het verlenen van bestuursprocesvolmacht aan haar bestuur.”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:\n\nom de besluiten van [VVE 1] en [VVE 2] zoals genomen op de ALV’s van 6 november 2025 en die zien op: 1) de afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen; en 2) de besluiten dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1]; nietig te verklaren dan wel te vernietigen,\n\nvoor recht te verklaren dat het stemrecht dat aan [VVE 2] toekomt in [VVE 1] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2],\n\nom de besluiten van [VVE 2] zoals genomen op de ALV van 6 november 2025 en die zien op: A) de afwijzing van het voorstel om een boetebesluit vast te stellen; B) het besluit om de vertegenwoordiger van [VVE 2] niet te machtigen voor wat betreft het stemmen voor het boetebesluit in [VVE 1]; C) de afwijzing van het voorstel om aan het bestuur een procesvolmacht te verlenen; D) het besluit om het bestuur van [VVE 2] direct te ontslaan; E) het besluit om (en deel van) het zittende bestuur dan wel een ander lid van [VVE 2] te benoemen als bestuur; F) het besluit om niet via een meervoudige aanbesteding een nieuw bestuur voor [VVE 2] te werven; en G) het besluit om [bedrijf] te benoemen als bestuurder van [VVE 2], waarbij Hoorne Vastgoed B.V. de aanvullende kosten op zich zal nemen; te vernietigen,\n\nom aan het bestuur van [VVE 1] een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, alsmede om aan het bestuur van [VVE 2] een procesvolmacht te verlenen, zoals verzocht op de ALV van beide VvE’s van\n\n6 november 2025,\n\n- [VVE 1] en [VVE 2] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan de verzoeken hebben [verzoekers] – voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de wijze van stemmen beroepen [verzoekers] zich op artikel 33 lid 3 van de splitsingsakte van [VVE 2], waaruit volgt dat in dit geval sprake is van een stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het besluit dat de stemmen van [VVE 2] op eensluidende wijze moeten worden meegenomen bij [VVE 1] is in strijd met de splitsingsakte en levert daarom nietigheid van dat besluit op. Verder zijn de besluiten vernietigbaar, omdat die in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn genomen. Hoorne Vastgoed B.V. (hierna: Hoorne Vastgoed) is evenals [verzoekers] lid van [VVE 2] en maakt misbruik van haar meerderheidsmacht. Hoorne Vastgoed handelt feitelijk in haar eigen belang en daarmee overduidelijk in strijd met het belang van [VVE 2], aldus [verzoekers]\n\n3.3.. \n [VVE 1] is niet in deze procedure verschenen. [VVE 2] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nBevoegdheid van de kantonrechter\n\n4.1.. Voordat de kantonrechter op de standpunten van partijen kan ingaan, zal zij eerst moeten vaststellen of hij bevoegd is om te oordelen over het primaire verzoek van verzoekers. Vernietiging van een besluit van de VvE vindt weliswaar plaats door een uitspraak van de kantonrechter, maar een beroep op de nietigheid van een VvE-besluit moet volgens de wet aan de orde worden gesteld door middel van een dagvaarding bij de rechtbank.\n\n4.2.. De kantonrechter komt tot het oordeel dat hij in dit geval bevoegd is om de verzoeken te beoordelen. Het hof Den Haag heeft in zijn arrest van 18 december 2018namelijk geoordeeld dat in een geval waarin zowel een beroep op de nietigheid van een besluit als een beroep op vernietiging van dat besluit wordt gedaan de kantonrechter bevoegd is om over beide kwesties te beslissen. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in zijn arrest van 10 juli 2020. De procedure hoeft dus niet te worden gesplitst om de nietigheid van de besluiten in een afzonderlijke dagvaardingsprocedure bij de rechtbank te laten beoordelen.\n\nOntvankelijkheid van [verzoekers]\n\n4.3.. De volgende vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of [verzoekers] ontvankelijk zijn in het verzoek. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. [verzoekers] hebben weliswaar niet betwist dat zij geen lid zijn van [VVE 1], maar dat betekent nog niet dat zij geen procedure tegen die VvE kunnen voeren. Uit de wet volgt dat iedereen die daar een redelijk belang bij heeft om vernietiging van een besluit kan verzoeken. Het is dus niet noodzakelijk om lid van de VvE te zijn, wel dat sprake is van een redelijk belang. Dat [verzoekers] als bewoners een redelijk belang hebben bij vernietiging van de besluiten staat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat het voorgaande ook geldt voor een beroep op nietigheid van een besluit. Nietigheid van een besluit betekent immers dat dat besluit geacht wordt nooit te hebben bestaan. In principe kan dus een ieder die meent dat een besluit nietig is dit mededelen aan degene die zich op dat nietige besluit beroept. Voor een verklaring voor recht is wel vereist dat de verzoeker daarbij voldoende belang heeft, maar zoals hiervoor overwogen staat dat naar het oordeel van de kantonrechter niet ter discussie.\n\nDe verzoeken tot nietigverklaring van de besluiten zijn niet toewijsbaar4.5.. Als een besluit van de VvE strijdig is met de splitsingsakte, leidt dat tot nietigheid van dat besluit. De beoordeling of het besluit al dan niet nietig is, is niet onderworpen aan een belangenafweging.\n\n4.6.. \n [verzoekers] verzoeken om het besluit tot afwijzing van het voorstel om het bestuur (de kantonrechter begrijpt: van [VVE 1]) een incassovolmacht en een procesvolmacht te verlenen, zoals genomen op de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025, nietig te verklaren. Niet is gebleken dat dit besluit is genomen in strijd met de splitsingsakte. Evenmin hebben [verzoekers] onderbouwd op welke gronden dit besluit nietig moet worden verklaard. Van nietigheid van dat besluit kan daarom geen sprake zijn. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar.\n\n4.7.. \n [verzoekers] verzoeken de kantonrechter ook om het besluit dat de stemmen van [VVE 2] eensluidend zullen worden meegeteld in de ALV van [VVE 1], nietig te verklaren. Daartoe stellen [verzoekers] dat dit besluit in strijd is met het ten behoeve van [VVE 2] opgestelde splitsingsreglement 1992. Daaruit volgt immers dat de stemmen van [VVE 2] naar rato, en dus op basis van evenredige vertegenwoordiging, moeten worden uitgebracht in [VVE 1], aldus [verzoekers]\n\n4.8.. De wetschrijft voor dat de stemmen van de leden van de onder-VvE’s (de ondersplitsingen) in de vergadering van eigenaars van de hoofd-VvE worden uitgebracht door het bestuur van de onder-VvE’s. Die stemmen behoeven niet eensluidend te worden uitgebracht.\n\n4.9.. In het onderhavige geval heeft [VVE 2] gemotiveerd betwist dat het besluit tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht in strijd is met de splitsingsakte. Uit de splitsingsakte van [VVE 1] volgt dat de wijze waarop de stemmen van [VVE 2] in de ALV van [VVE 1] worden uitgebracht, wordt overgelaten aan de splitsingsakte van [VVE 2]. In de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 is besloten dat de wijze waarop zal worden gestemd in de ALV van [VVE 1] door [VVE 2] eensluidend zal zijn. Dit is niet in strijd met het splitsingsreglement 1992 van [VVE 2], want volgens [VVE 2] volgt uit artikel 33 lid 3dat het districtenstelsel hier van toepassing is. Dit houdt in dat de stemmen die worden uitgebracht in de ALV van [VVE 2] eensluidend – oftewel unaniem – in de ALV van [VVE 1] zullen worden uitgebracht. Ter onderbouwing verwijst [VVE 2] naar een uitspraak van het hof Amsterdam van 7 april 2005, dat het betoog van [VVE 2] volgens haar ondersteunt.\n\n4.10.. Scheiber c.s. hebben het voorgaande niet gemotiveerd weersproken. Voor zover [verzoekers] stellen dat in het verleden niet eensluidend is gestemd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet dat de ALV van [VVE 2] niet mag besluiten over te gaan op een dergelijke wijze van stemmen. Uit het splitsingsreglement 1992 die op [VVE 2] van toepassing is, volgt dat een dergelijke keuze weldegelijk mag worden gemaakt. De kantonrechter concludeert daarom dat geen sprake is van een besluit genomen in strijd met de splitsingsakte, zodat de verzochte nietigheid van dat besluit niet toewijsbaar is.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.11. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. Uit het verzoek volgt dat [verzoekers] voor recht wenst te verklaren dat het stemrecht dat binnen [VVE 1] toekomt aan [VVE 2] op de ALV van [VVE 1] moet worden uitgebracht conform de stemverhoudingen zoals die zijn uitgebracht op de ALV van [VVE 2]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 1] en [VVE 2] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoekers] en [VVE 2] dan wel [VVE 1]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\nHet juridisch kader omtrent vernietiging van besluiten\n\n4.12.. De kantonrechter stelt voorop dat het verzoekschrift is ingekomen op de griffie op 5 december 2025. Aangezien de ALV waarop de besluiten zijn genomen, heeft plaatsgevonden op 6 november 2025, is het verzoek tot vernietiging tijdig gedaan, namelijk binnen een maand.\n\n4.13.. De kantonrechter overweegt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens (a) strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, (b) strijd met de redelijkheid en billijkheidof (c) strijd met een reglement.Ten aanzien van een beroep op vernietiging wegens ‘strijd met de redelijkheid en billijkheid’ geldt het volgende. De toetsing door de rechter is marginaal. Dat betekent dat de vergadering een ruime mate van eigen verantwoordelijkheid toekomt. Het gaat er niet om of een ‘beter’ besluit genomen had kunnen worden, maar of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.\n\n4.14.. \n\nOf het besluit vernietigbaar is wegens misbruik van een meerderheidspositie hangt af van de vraag of het besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Feitelijk komt dit neer op de vraag of een eigenaar met doorslaggevende stem (in dit geval Hoorne Vastgoed), mede gelet op de belangen van de minderheidseigenaren, in redelijkheid tot verwerping van het voorstel kon komen. Een eigenaar mag zijn\n\nmeerderheidsmacht binnen de vergadering van de VvE gebruiken en haar belangen binnen redelijke grenzen beschermen. Een besluit van de VvE moet echter voldoen aan de eisen van redelijkheid en billijkheid die ten opzichte van de overige eigenaren in acht moet worden genomen. Vooral bij mogelijke verstrengeling van belangen moet de eigenaar met een meerderheidsbelang een hoge mate van zorgvuldigheid en openheid betrachten, waarbij hij zoveel mogelijk de verschillende belangen gescheiden moet houden. Daartegenover staat dat enkele feit dat een lid van een VvE vanwege haar meerderheidsbelang een besluit eenzijdig kan tegenhouden, niet maakt dat dat lid misbruik maakt van haar meerderheidsmacht.\n\nHet verzoek tot vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van een incasso- en procesvolmacht, alsmede de verzochte vervangende machtiging tot verkrijging daarvan zijn niet toewijsbaar\n\n4.15.. De besluiten ten aanzien van de incasso- en procesvolmacht die op 6 november 2025 in de ALV van [VVE 1] zijn genomen, zijn volgens [verzoekers] genomen ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [VVE 1] heeft een belang bij een incassomandaat, zodat zij incassomaatregelen kan treffen tegen een lid van die VvE dat haar betalingsverplichtingen niet nakomt. Hetzelfde geldt voor de procesvolmacht. Door tegen het besluit tot verkrijging daartoe te stemmen, is het voor het bestuur van [VVE 1] niet mogelijk om de regels die gelden binnen de VvE te kunnen handhaven. Daarbij komt dat misbruik wordt gemaakt van een meerderheidsmacht, omdat Hoorne Vastgoed volgens [verzoekers] enkel oog heeft voor haar eigen belangen. Het voorgaande is door [VVE 2] gemotiveerd betwist.\n\n4.16.. De kantonrechter is van oordeel dat [VVE 1] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek tot afgifte van een incasso- en procesvolmacht. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor uiteengezet is de toetsing door de rechter marginaal. In het onderhavige geval is de kantonrechter niet gebleken dat het niet verkrijgen van een incasso- en procesvolmacht voor het bestuur van [VVE 1] zodanige nadelige gevolgen heeft dat het haar onmogelijk wordt gemaakt om een debiteurenbeheer te voeren. Het betoog van [VVE 2] dat op het moment dat dergelijke incasso- of procesrechtelijke kwesties spelen er bij ALV gestemd kan worden over de voortgang van die specifieke zaak, is daarnaast door [verzoekers] niet weersproken. Dat het bijeenroepen van een ALV per incident inefficiënt is, maakt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat sprake is van een besluit dat is genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dat binnen de ALV van [VVE 1] bij de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 geen rekening is gehouden met de belangen van haar leden, is de kantonrechter niet gebleken.\n\n4.17.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om de besluiten van de ALV van [VVE 1] van 6 november 2025 tot afwijzing van verlening van een incasso- en procesvolmacht te vernietigen, zal worden afgewezen. Er is daarom ook geen grond om [verzoekers] een vervangende machtiging te verlenen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.\n\nDe verzoeken tot vernietiging van de besluiten van de ALV van [VVE 2] van 6 december 2025 zijn niet toewijsbaar\n\n4.18.. Ten aanzien van het verzoek tot vernietiging van besluit A), overweegt de kantonrechter als volgt. In dit geval is de kantonrechter niet gebleken dat in strijd is gehandeld met de belangen van de belangen van alle (in de minderheid zijnde) eigenaren. Zoals hiervoor overwogenis dit besluit niet in strijd met de splitsingsakte. De kantonrechter passeert het betoog van [verzoekers] dat sprake is van een frustratie van de besluitvorming van de ALV van 6 november 2025 door Hoorne Vastgoed, omdat dergelijke omstandigheden hem niet zijn gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed een meerderheidsbelang heeft is hiertoe in ieder geval onvoldoende. De verzochte vernietiging is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.19.. \n [verzoekers] verzoeken verder vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder B) en C). Zij stellen daartoe dat doel van het boetebesluit is om een objectief referentiekader te geven voor de inhoud van de bevoegdheid die het bestuur van [VVE 2] heeft volgens het splitsingsreglement 1992. Het niet vaststellen van het boetebesluit maakt het volgens [verzoekers] niet onmogelijk om als bestuur boetes op te leggen. Het boetebesluit is ter sprake gekomen omdat leden van [VVE 2] – in het bijzonder Hoorne Vastgoed – zich niet altijd aan de splitsingsakte houden en het bestuur van [VVE 2] een ‘stok’ wenst te verkrijgen om overtreders aan te kunnen pakken. Hoorne Vastgoed heeft tegen dit besluit gestemd uit eigenbelang, aldus [verzoekers]4.20.. De kantonrechter oordeelt dat besluit B) en C) niet zijn genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid, noch dat sprake is van misbruik van een meerderheidsmacht. In het onderhavige geval hebben [verzoekers] onomwonden gesteld dat het bestuur wordt gefrustreerd om bij toekomstige overtredingen door Hoorne Vastgoed te kunnen handhaven (de kantonrechter begrijpt) in de vorm van het opleggen van boetes conform het boetebesluit. Dat Hoorne Vastgoed tegen deze besluiten heeft gestemd, maakt onder deze omstandigheden niet dat misbruik is gemaakt van haar meerderheidsmacht. De verzochte vernietiging van die besluiten is daarom niet toewijsbaar.\n\n4.21.. Omdat van vernietiging van het besluit zoals opgenomen onder C) geen sprake is, is het verzoek tot verkrijging van een vervangende machtiging daartoe niet toewijsbaar.\n\n4.22.. \n [verzoekers] verzoeken vernietiging van de besluiten onder D) tot en met G). Zij stellen daartoe dat Hoorne Vastgoed op onredelijke wijze misbruik maakt van haar meerderheidsmacht, omdat het oude bestuur hoofdzakelijk is ontslagen wegens de stroeve samenwerking met Hoorne Vastgoed. Dat dit bestuur niet functioneerde is volgens [verzoekers] aantoonbaar onjuist. Het ontslag van het bestuur is buitenproportioneel en weerspiegelt uitsluitend de belangen van Hoorne Vastgoed. Daarbij komt dat de aanstelling van [bedrijf] in strijd is met de reeds door de ALV van [VVE 2] vastgestelde criteria waar beheerders aan moeten voldoen. Ter onderbouwing leggen [verzoekers] het document “Selectie VvE-beheerder [naam]” over, waarin – voor zover van belang – staat: “Selectie van de beoogde VvE-beheerder zal in beginsel plaatsvinden aan de hand van de volgende gunningscriteria:(…)”. [bedrijf] is een adviseur van Hoorne Vastgoed. Dat Hoorne Vastgoed daarbij de extra kosten van [bedrijf] op zich neemt is verder zeer onwenselijk, aldus [verzoekers]\n\n4.23.. \n [VVE 2] heeft hiertegen ingebracht dat een onwerkbare situatie was ontstaan tussen het oud bestuur en Hoorne Vastgoed. Een onderbouwing dat bij de totstandkoming van deze besluiten misbruik is gemaakt van de stemmeerderheid van Hoorne Vastgoed ontbreekt. Hoorne Vastgoed heeft aangeboden de meerkosten die [bedrijf] met zich meebrengt op zich te nemen, om zo de andere leden van [VVE 2] niet met hogere kosten te confronteren, aldus [VVE 2].\n\n4.24.. De verzochte vernietiging van de besluiten zoals opgenomen onder D) tot en met G) zijn niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. In een ALV kan te allen tijde besloten worden het bestuur van de VvE te ontslaan. Daarvoor is niet vereist dat het huidige bestuur niet of niet naar behoren functioneert. Verder is voor het benoemen van een nieuw bestuur binnen [VVE 2] een document opgesteld waarin de selectieprocedure wordt omschreven die in beginselmoet worden gevolgd. Daaruit volgt genoegzaam dat afwijking van die selectieprocedure mogelijk is. Uit de besluiten genomen op de ALV van [VVE 2] van 6 november 2025 volgt genoegzaam dat van die standaard selectieprocedure is afgeweken. Niet gebleken is waarom die besluiten in strijd zouden zijn met de redelijkheid en billijkheid. Evenmin is gebleken dat Hoorne Vastgoed misbruik maakt van haar meerderheidsmacht. In dit geval heeft [VVE 2] gemotiveerd uiteen gezet op welke wijze de besluiten tot stand zijn gekomen, waarbij gemotiveerd is aangevoerd welke belangen Hoorne Vastgoed en de andere eigenaren daarbij hadden. Daarbij komt dat Hoorne Vastgoed bij de besluitvorming het financieel belang van de overige eigenaren heeft meegenomen door de kosten voor inschakeling van [bedrijf] op zich te nemen. Dat daarbij sprake is van een mogelijke belangenverstrengeling, zoals [verzoekers] stellen, is de kantonrechter niet gebleken. Het enkele feit dat Hoorne Vastgoed vaker betrokken is bij een VvE waarbij [bedrijf] als bestuurder optreedt, maakt niet dat sprake is van een verstrengeling van belangen zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.14.\n\n [verzoekers] moeten de kosten betalen.\n\n4.25.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoekers] omdat zij ongelijk krijgen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. wijst de verzoeken af,\n\n5.2.. veroordeelt [verzoekers] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [VVE 2] worden vastgesteld op € 576,00 (2x € 288,00) aan salaris van de gemachtigde,5.3.. verklaart de veroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [verzoekers] een beroep doen op artikel 5:130 jo. 2:15 jo. 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:130 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in verbinding met artikel 2:15 BW.\n\n Artikel 2:14 BW.\n\n ECLI:NL:GHDHA:2018:3932.\n\n ECLI:NL:HR:2020:1275\n\n Artikel 5:130 lid 1 BW in verbinding met artikel 2:15 lid 3 BW.\n\n Vgl. artikel 3:303 BW.\n\n Op grond van artikel 2:14 jo 5:129 lid 1 BW.\n\n Artikel 5:127 lid 1 BW.\n\n Dit volgt ook uit de splitsingsakte.\n\n De kantonrechter begrijpt dat [VVE 2] hier tracht te verwijzen naar artikel 32 lid 3 van het splitsingsreglement 1992.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6340.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.\n\n Zoals vereist op grond van artikel 5:130 lid 2 BW.\n\n Die door artikel 2:8 BW worden geëist.\n\n Op grond van artikel 2:15 BW.\n\n Zie rechtsoverweging 4.5. tot en met 4.10.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7585","ecli-nl-rbnho-2026-7585",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":163,"ecli":164,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":157,"fullText":165,"language":7,"source":17,"sourceUrl":166,"summary":14,"slug":167,"metadata":168},"953","ECLI:NL:RBNHO:2026:7580","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11916323 \\ EJ VERZ 25-55\n\nBeschikking van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nte [plaats 1],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\ngemachtigde: mr. M.B. van Munster,\n\ntegen\n\n [verweerder] B.V.,\n\nte [plaats 2],\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder], gemachtigde: mr. R. Schram.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn dit geschil zijn [verzoeker] en [verweerder] uitsluitend procespartijen. [verzoeker] wordt niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vernietiging het besluit en verkrijging van een vervangende machtiging, omdat uitsluitend aan (het bestuur van) [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3] het vernietigingsrecht voor besluiten genomen in [VVE 4] dan wel het recht tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daarvan is toegekend. De verzochte voor recht verklaring is niet toewijsbaar, omdat dit verzoek niet ziet op de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder].1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van 2 oktober 2025 - het herziene verzoekschrift\n\n- het verweerschrift\n\n- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,\n\n- de pleitaantekeningen die namens [verzoeker] zijn overgelegd en voorgedragen.\n\n1.2.. \n\nDe beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Het complex [naam] bestaat uit een parkeergarage met bergingen in de kelder, winkels op de begane grond en 79 woningen op de 1e, 2e, 3e en 4e verdieping.2.2.. Bij akte van 5 juli 2005, ingeschreven in het kadaster onder nummer [kadaster nummer], (hierna: splitsingsakte) is het complex gesplitst in drie appartementsrechten, te weten 79 woningen met index A1, winkels\u002Fbedrijfsruimte(n) met index A2 en een parkeergarage met index A3. Bij de splitsingsakte is eveneens de [VVE 4] opgericht.\n\n2.3.. Binnen de [VVE 4] zijn de drie hiervoor genoemde appartementsrechten opnieuw gesplitst in verschillende appartementsrechten, waarbij namens het appartementsrecht met index A1 de [VVE 1], namens het appartementsrecht met index A2 de [VVE 2] en namens het appartementsrecht met index A3 de [VVE 3] optreedt.\n\n2.4.. \n [verzoeker] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) zijn gezamenlijk eigenaar van het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woonruimte op de eerste verdieping met berging in de kelder, gelegen aan het [adres] te [plaats 1]. [verzoeker] en [betrokkene] zijn hierdoor lid van de [VVE 1] en de [VVE 3].\n\n2.5.. \n [verweerder] is lid van de [VVE 2] en de [VVE 3].\n\n2.6.. In het e-mailbericht van [verzoeker] van 2 oktober 2025 aan de rechtbank, waarbij het verzoekschrift is overgelegd, staat onder meer: “(…) Dit verzoekschrift is pro forma omdat mijn advocaat (via Achmea RB-003932214) gelet op de korte termijn (ik wist pas afgelopen maandag dat ikzelf ook een verzoekschrift zou moeten indienen) niet in staat was op tijd een verzoekschrift in te dienen. Ik doe dit nu snel zelf. Mijn verzoek is ook om behandeling aan te houden tot mijn advocaat zich meld en de gronden van mijn verzoek heeft gecontroleerd gecorrigeerd of aangevuld.(…)”.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter: - het besluit genomen in de vergadering van eigenaars van 4 september 2025 om geen boetebesluit vast te stellen, te vernietigen; - voor recht te verklaren dat [verweerder] misbruik maakt van een meerderheidsmacht; - [VVE 4] te machtigen tot het vaststellen van het voorgestelde boetebesluit als behandeld op de vergadering van 4 september 2025; - [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Het besluit de algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van [VVE 4] van 4 september 2025 dat geen boetebesluit wordt vastgesteld moet worden vernietigd, omdat dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij komt dat een vervangende machtiging kan worden verleend, indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd. Volgens [verzoeker] is daar sprake van. Aanleiding om het boetebesluit ter besluitvorming voor te leggen is de weigering van [verweerder] om gebruikersverklaringen zoals bedoeld in artikel 42 van de splitsingsakte aan [VVE 4] af te geven. Het niet overleggen van die verklaringen belemmert het bestuur van die VvE zeer ernstig in de uitvoering van haar taken. Hoewel [verweerder] mag stemmen conform haar eigen belang, worden de individuele eigenaren zoals [verzoeker] onredelijk benadeeld, omdat een boetebesluit hen rechtszekerheid biedt en het bestuur van [VVE 4] in staat stelt de regels adequaat te handhaven.\n\n3.3.. \n [verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Op haar verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nPartij bij dit geschil zijn [verzoeker] en [verweerder]\n\n4.1.. De kantonrechter zal allereerst oordelen wie procespartijen zijn in dit geschil. In het onderhavige geval is op 2 oktober 2025 bij de rechtbank per e-mail een verzoekschrift binnengekomen, waarin uitsluitend [verzoeker] als verzoeker en [verweerder] als verweerder staan vermeld. In die e-mail is verzocht om de behandeling aan te houden tot de gronden van het verzoek zijn ‘gecontroleerd, gecorrigeerd of aangevuld’ door de gemachtigde van [verzoeker]. Op 7 oktober 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] een verzoekschrift ingediend met de titel: “Herziene versie van het verzoekschrift(…)”. Het ‘herziene verzoekschrift’ is ingediend namens [verzoeker] en [betrokkene] en richt zich tegen zowel [verweerder] als [VVE 4].\n\n4.2.. De kantonrechter begrijpt uit het betoog van [verzoeker] en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van dit geschil naar voren is gekomen dat [verzoeker] niet de wens heeft gehad het verzoek van 2 oktober 2025 in te trekken en te vervangen voor het ‘herziene verzoekschrift’. Daarom concludeert de kantonrechter dat het verzoekschrift zoals door [verzoeker] ingediend per e-mail van 2 oktober 2025 als uitganspunt moet worden genomen, zodat deze procedure per die datum aanhangig is gemaakt.\n\n4.3.. In een verzoekschriftprocedure kan een partij zich voegen of tussenkomen om de belangen van een van de bestaande procespartijen te ondersteunen. Dit kan door een incidentele vordering in te stellen.De partij die om voeging of tussenkomst vraagt moet een voldoende belang kunnen aantonen, waarna de rechter beoordeelt of voeging of tussenkomst toelaatbaar is.\n\n4.4.. In de onderhavige procedure zijn [verzoeker] en [verweerder] in ieder geval procespartij. Bij het herziene verzoekschrift heeft [verzoeker] getracht [betrokkene] en [VVE 4] zonder voeging of tussenkomst bij deze procedure te betrekken. Elke grondslag voor het wijzigen dan wel toevoegen van een verzoeker en verweerder zoals gedaan bij het ‘herziene verzoekschrift’, ontbreekt. Omdat [betrokkene] noch [VVE 4] heeft verzocht om voeging of tussenkomst in deze procedure, maken zij hier geen onderdeel van uit. De kantonrechter concludeert dan ook dat uitsluitend [verzoeker] en [verweerder] procespartij zijn bij dit geschil, en hij zal het verzoek ook als zodanig verder in behandeling nemen.\n\n [verzoeker] is niet ontvankelijk in zijn verzoeken\n\n4.5.. De kantonrechter begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat hij verzoekt om vernietiging van het besluit om geen boetebesluit vast te stellen, zoals genomen op de ALV van [VVE 4] van 4 september 2025. Ook het verzoek tot het verlenen van een vervangende machtiging voor het vaststellen van dit boetebesluit ziet op het machtigen van (het bestuur van) [VVE 4].\n\n4.6.. Het vernietigingsrecht is door de wetgevertoegekend aan de appartementseigenaar, ofwel aan de gerechtigde tot een aandeel in de goederen die in de splitsing zijn betrokken. Ook het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging is uitsluitend toegekend aan de appartementseigenaar.4.7.. Uit de splitsingsakte volgt dat [VVE 4] drie appartementsrechten kent, die in de ALV worden vertegenwoordigd door [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3]. Dit heeft tot gevolg dat uitsluitend aan (het bestuur van) [VVE 1], [VVE 2] en [VVE 3] het vernietigingsrecht voor besluiten genomen in de ALV van [VVE 4] dan wel het recht tot het verkrijgen van een vervangende machtiging is toegekend.\n\n4.8.. De kantonrechter concludeert dat [verzoeker] niet ontvankelijk is in zijn verzoeken, voor zover die verzoeken zien op de vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 4] tot afwijzing van het vaststellen van een boetebesluit zoals genomen op 4 september 2025 en het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daartoe. Dat [verzoeker] lid is van [VVE 1] en [VVE 3] leidt niet tot een ander oordeel.\n\nDe verzochte verklaring voor recht wordt afgewezen4.9. Hoewel een verklaring voor recht in beginsel ook in een verzoekschriftprocedure kan worden gegeven, is daarvoor wel vereist dat die verklaring voor recht binnen de grenzen blijft van de toepasselijke wetsbepalingen en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding tussen verzoeker en verweerder. Dat is hier niet het geval. [verzoeker] heeft toegelicht dat het door [verweerder] gemaakte misbruik van haar meerderheidsmacht hoofdzakelijk is gericht op het niet meewerken van [verweerder] aan de vaststelling van het boetebesluit binnen (naar de kantonrechter begrijpt) [VVE 4]. De verzochte verklaring voor recht ziet dan ook specifiek op de rechtsverhouding tussen [VVE 4] en (indirect) [verweerder] en niet op de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en [verweerder]. De verzochte verklaring voor recht is daarom niet toewijsbaar.\n\n [verzoeker] c.s. worden veroordeeld in de kosten\n\n4.10.. \n [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerder] worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n130,50\n\n(1,5 punten × € 87,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n43,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n174,00\n\n5. 5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. verklaart [verzoeker] niet ontvankelijk in zijn verzoeken die zien op de vernietiging van het besluit van de ALV van [VVE 4] tot afwijzing van het vaststellen van een boetebesluit zoals genomen op 4 september 2025 en het verzoek tot het verkrijgen van een vervangende machtiging daartoe,5.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 174,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.3.. verklaart deze beschikking, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n Waarbij [VVE 4] een beroep doet op onder meer artikel 5:130 jo 2:15 lid 1 sub b jo 2:8 BW.\n\n Op grond van artikel 5:121 BW.\n\n Waarbij moet worden voldaan aan de eisen van artikel 217 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).\n\n Op grond van artikel 5:140 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 5:106 leden 5 en 4 BW.\n\n Hoge Raad 31 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5319, r.o. 3.2.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:7580","ecli-nl-rbnho-2026-7580",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]