[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-middelburg":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},62,"Middelburg","nl","first_instance","civil",[11,24,33,40,47,54,62,69,76,83,91,98,105,112,119,126,133,140,147,154],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"683","ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.35381\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser], eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. D. Schaap)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 25 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwen de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\nDeze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.\n\nToetsingskader\n\n2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo)van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo.In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.\n\n2. Op grond van het Vbkan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\n3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nk. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.\n\nPrematuur opgelegde vreemdelingenbewaring\u002Flichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring prematuur is opgelegd, omdat verweerder voorafgaand aan de inbewaringstelling eerst de overdracht aan Zwitserland had kunnen regelen en dan pas kort voorafgaand aan de overdracht tot inbewaringstelling had kunnen overgaan. Hij wijst daarbij op een andere zaak waarin eerst een concrete overdrachtsdatum met de betreffende lidstaat (Duitsland) was afgesproken en de vreemdeling daarna pas in vreemdelingenbewaring is gesteld. Niet is gebleken waarom een dergelijke handelwijze in eisers geval niet mogelijk was. Verder is onvoldoende rekening gehouden met eisers medische omstandigheden. Hij had in verband met letsel aan zijn oogkas een medische afspraak staan, die door zijn staandehouding niet kon doorgaan.\n\n7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, bestaat er een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om dit risico te ondervangen. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser meermalen heeft verklaard niet mee te werken aan zijn overdracht aan Zwitserland. Zo heeft eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026 verklaard dat hij niet van plan is om mee te werken aan de door DT&Vgeregelde overdracht en dat hij niet wil terugkeren naar Zwitserland, omdat hij daar zal worden opgepakt en in de gevangenis zal belanden.Verder volgt uit het proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026 dat eiser deze verklaringen heeft bevestigd en opnieuw heeft aangegeven niet terug te willen en kunnen keren naar Zwitserland.Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de inbewaringstelling noodzakelijk was om eisers overdracht aan Zwitserland veilig te stellen en dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarnaast blijkt uit de maatregel dat verweerder eisers medische situatie heeft betrokken bij de afweging of een lichter middel kon worden toegepast. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.\n\nAmbtshalve toets\n\n8. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1351.\n\n Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dienst Terugkeer en Vertrek.\n\n Aanmeldgehoor Dublin van 21 mei 2026, p. 7 van 7.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 25 juni 2026, p. 4 van 6.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18681","ecli-nl-rbdha-2026-18681",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"1651","ECLI:NL:RBZWB:2026:6058","2026-07-06T00:00:00.000Z","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nParketnummer: 02-261941-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2005,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,\n\nten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] ,\n\nraadsman mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261955-25) en [medeverdachte 2] (02-266502-25).2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.4. De beoordeling van het bewijs4.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.4.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging refereert zich ten aanzien van de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.4.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nAangezien verdachte een bekennende verklaring heeft afgelegd en geen vrijspraak is bepleit, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:\n\n- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de zitting van 22 juni 2026;\n\n- de aangifte van [slachtoffer] van 12 augustus 2025.4.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n1 en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht - tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en - tegen het lichaam heeft geschopt en - met een machete en\u002Fof een kapmes in de buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en - meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en - vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en - meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden in voornoemde rijdende auto, en - vervolgens achter voornoemde auto te gooien en - opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;\n\n3 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en - vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;\n\nen\n\nin de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;\n\n4 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] - meermalen een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\".\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.6. De strafoplegging6.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden.6.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden passend. De verdediging verzoekt geen voorwaardelijk strafdeel op te leggen, omdat verdachte niet instemt met de bijzondere voorwaarden.6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe aard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal, afpersing en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . Verdachte en zijn broer, [medeverdachte 1] , waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Het behoeft geen betoog dat deze feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd, hetgeen ook nog door de derde verdachte is gefilmd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de verdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben hem met zijn drieën aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles de verdachten zwaar aan.\n\nDe persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 6 juni 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van recidive. Verdachte is eerder voor geweldsfeiten veroordeeld, hetgeen in het nadeel van verdachte wordt meegewogen.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het advies van de psycholoog van 11 maart 2026 en de rapportage van de reclassering van 5 juni 2026. Bij verdachte is een lichte stoornis in cannabisgebruik en een gedragsstoornis geconstateerd. Daarnaast zijn de intellectuele capaciteiten van verdachte naar schatting op zwakbegaafd niveau. Ten tijde van de feiten werd verdachte volgens de psycholoog niet dwingend beïnvloed door de aanwezige stoornissen, waardoor geadviseerd wordt de feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie over.\n\nEr zijn geen redenen om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar de rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.\n\nDe straf\n\nGelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk deel als flinke stok achter de deur passend, zodat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw agressief te handelen of het heft in eigen handen te nemen. Bij bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met eendaadse samenloop. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden. De rechtbank ziet geen redenen om hier de geadviseerde bijzondere voorwaarden aan te verbinden, omdat verdachte heeft aangegeven hieraan niet (geheel) te willen meewerken.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.7. Het beslag\n\nDe inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat\n\nde telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp zijn voorbereid en begaan. Op de telefoon van verdachte zijn de beelden aangetroffen van de feiten en via de telefoon van verdachte is een afspraak gemaakt voor de aankoop van de scooter.8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.\n\nDe door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.\n\nTevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.\n\nDe rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.10. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en\n\nfeit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en\n\nfeit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en\n\nfeit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;\n\nBeslag\n\n-verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-G2905734, Apple) verbeurd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is\n\nuitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.\n\nMrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1 hij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof heeft gestompt, en\u002Fof - tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof heeft getrapt, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft gesneden en\u002Fof heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen, en\u002Fof - tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken; ( art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat hij\u002Fzij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en\u002Fof (vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en\u002Fof - meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam, en\u002Fof - (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en\u002Fof - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - meermalen (met kracht) te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof met een mes te snijden en\u002Fof te steken in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en\u002Fof - (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam; ( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven, en\u002Fof - (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en\u002Fof te rukken\n\nen\u002Fof\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde(n) door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\"; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6058","ecli-nl-rbzwb-2026-6058",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht",{"id":34,"ecli":35,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1653","ECLI:NL:RBZWB:2026:6062","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nParketnummer: 02-261955-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Syrië) op [geboortedag] 2006,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,\n\nten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [plaats 1] ,\n\nraadsman mr. H. Goedegebure, advocaat te Middelburg.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261941-25) en [medeverdachte 2] (02-266502-25).2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.4. De beoordeling van het bewijs4.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht bewezen dat verdachte betrokken was bij alle ten laste gelegde feiten. Meerdere bewijsmiddelen in het dossier ondersteunen dat verdachte op de avond van de feiten aanwezig was. Gelet op de aangifte en de beelden kan worden vastgesteld dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. De officier van justitie acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vier ten laste gelegde feiten.4.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit een integrale vrijspraak, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om de betrokkenheid van verdachte vast te stellen. De verklaring van de medeverdachte dat verdachte aanwezig was, is ongeloofwaardig en kan niet voor het bewijs worden gebezigd.4.3.. Het oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.4.3.2.. \n\nDe bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank neemt de aangifte van [slachtoffer] als uitgangspunt omdat deze op belangrijke onderdelen steun vindt in het dossier en de rechtbank deze aangifte dan ook betrouwbaar acht. Op basis van de aangifte en de andere bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nEr heeft een geweldsincident plaatsgevonden tegen een jongere zus van verdachte en [medeverdachte 1] . Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. De verdachten waren ervan overtuigd dat aangever [slachtoffer] bij het incident met de zus betrokken was en zij wilden aangever daarom een lesje leren. Zij hebben op 11 augustus 2025 een afspraak gemaakt met aangever, waarbij zij deden alsof zij geïnteresseerd waren in het kopen van zijn scooter. Verdachte en de medeverdachten zijn samen naar aangever gereden. Eenmaal aangekomen op de afgesproken locatie hebben verdachten een kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gelegd en hem bedreigd. Vervolgens hebben de verdachten aangever gedwongen in de auto, welke op naam van verdachte stond, plaats te nemen. Daarbij hebben zij aangever geslagen en geschopt. Verdachte was bestuurder, verdachte [medeverdachte 2] was bijrijder en verdachte [medeverdachte 1] had het kapmes vast en zat op de achterbank naast aangever. Ook is aangever in de auto geslagen. Daarnaast hebben verdachten hem gedwongen zijn horloge af te geven en hebben zij zijn telefoon afgepakt. Op de [straat] te [plaats 2] heeft verdachte de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen, waarbij door alle verdachten geweldshandelingen zijn verricht. Aangever is op enig moment ook met het kapmes gesneden. [medeverdachte 2] heeft in opdracht van de medeverdachten van dit incident beelden gemaakt. Als gevolg van de geweldshandelingen heeft aangever [slachtoffer] letsel opgelopen.\n\nVoor zover verdachte heeft gesteld dat hij niet aanwezig was die bewuste avond wijst de rechtbank erop dat zijn broer, [medeverdachte 1] , heeft verklaard dat verdachte erbij was, dat de telefoon van verdachte ten tijde van het incident aanstraalt op de plek van het incident, dat het interieur van de auto op de videobeelden overeenkomt met de auto van verdachte en dat de bestuurder op de beelden dezelfde jas heeft als die verdachte draagt en die ook op zijn kamer is aangetroffen. Het voorgaande heeft geleid tot de vaststelling dat verdachte bij het incident aanwezig was en degene was die de auto bestuurde. Hierbij heeft de rechtbank ook nog meewogen dat verdachte in het geheel niet kan aantonen waar hij de bewuste avond dan wel geweest zou zijn.\n\nVoorbedachten rade (feit 1)\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een van tevoren afgesproken plan om aangever – kort gezegd – te mishandelen en dat het niet anders kan dan dat verdachte van dit plan op de hoogte was. Immers, de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachten – naar aanleiding van een incident met hun zus – verhaal wilden gaan halen bij aangever en hem een lesje wilden leren. Zij zijn samen met [medeverdachte 2] naar de woning van aangever gereden en hebben hem aangesproken over de zus. Er was daarbij sprake van een duidelijke rolverdeling. Zo onderhield verdachte het contact met aangever en fungeerde hij als chauffeur, bedreigde [medeverdachte 1] aangever met het kapmes en heeft [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om alles te filmen. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt niet dat in zijn bijzijn tussen verdachten een gesprek heeft plaatsgevonden over deze handelingen en rolverdeling. Dit alles impliceert dat verdachten tijdens de rit naar de woning van aangever over een en ander hebben gesproken. Bovendien begon het geweld tegen aangever vrijwel direct, hetgeen er eveneens op duidt dat was afgesproken om aangever te mishandelen. Bij dat geweld was verdachte ook actief betrokken. Voor de rechtbank staat vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, gezien de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, ten aanzien van alle feiten een voldoende nauwe en bewuste samenwerking is geweest tussen verdachte en de medeverdachten. De rechtbank wijst in dat kader op de taakverdeling waarin de verdachten elkaar aanvulden en verdachte een eigen substantiële rol had. Verdachte was bovendien gedurende het hele incident aanwezig en heeft zich op geen enkel moment gedistantieerd. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.\n\nDe rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, het medeplegen van diefstal en afpersing en het medeplegen van bedreiging.4.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n1 en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht - tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en - tegen het lichaam heeft geschopt en - met een machete en\u002Fof een kapmes in de buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en - meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en - vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en - meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden in voornoemde rijdende auto, en - vervolgens achter voornoemde auto te gooien en - opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;\n\n3 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en - vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;\n\nen\n\nin de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;\n\n4 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] - meermalen een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\".\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.6. De strafoplegging6.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.6.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging verzoekt bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de jeugdige leeftijd, het beperkte strafblad en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De eis van de officier van justitie is buiten proportie en dient te worden gematigd.6.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe aard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Het behoeft geen betoog dat dit alles feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de medeverdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben met zijn drieën de aangever aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. Te meer nu verdachte in zijn geheel geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Ondanks dat het dossier meerdere bewijsmiddelen bevat die verdachte op de plaats van de feiten plaatst, blijft verdachte enige betrokkenheid bij de feiten ontkennen. De rechtbank weegt de proceshouding van verdachte in zijn nadeel mee.\n\nDe persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat er sprake is van recidive. Verdachte is eerder voor geweldsfeiten veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog van 11 februari 2026 en het rapport van de reclassering van 4 mei 2026. Bij verdachte zijn geen stoornissen geconstateerd en hij is volledig toerekeningsvatbaar. De reclassering ziet ook geen aanleiding om aan verdachte bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat verdachte een ontkennende houding heeft en niet ontvankelijk is voor een toezicht. De rechtbank volgt de reclassering in deze.\n\nEr zijn geen redenen om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar de rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte.\n\nDe straf\n\nGelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat enkel kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijk deel als flinke stok achter de deur passend, zodat verdachte ervan wordt weerhouden opnieuw agressief te handelen of het heft in eigen handen te nemen. Bij bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met eendaadse samenloop. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.7. Het beslag\n\nDe inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat\n\nde telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp is voorbereid en begaan. Op de telefoon van verdachte zijn de beelden aangetroffen van de feiten en via de telefoon van verdachte is een afspraak gemaakt voor de aankoop van de scooter.8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.\n\nDe door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.\n\nTevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.\n\nDe rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.10. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en\n\nfeit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en\n\nfeit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en\n\nfeit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;\n\nBeslag\n\n- verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-G2905735, Apple) verbeurd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is\n\nuitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.\n\nMrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1 hij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof heeft gestompt, en\u002Fof - tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof heeft getrapt, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft gesneden en\u002Fof heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen, en\u002Fof - tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken; ( art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat hij\u002Fzij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en\u002Fof (vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en\u002Fof - meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam, en\u002Fof - (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en\u002Fof - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - meermalen (met kracht) te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof met een mes te snijden en\u002Fof te steken in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en\u002Fof - (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam; ( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven, en\u002Fof - (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en\u002Fof te rukken\n\nen\u002Fof\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde(n) door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n 4 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats 2] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\"; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6062","ecli-nl-rbzwb-2026-6062",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"1652","ECLI:NL:RBZWB:2026:6060","Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats: Middelburg\n\nParketnummer: 02-266502-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 6 juli 2026\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2007,\n\ningeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,\n\nraadsman mr. I. Azarkan, advocaat te Roosendaal.1. Onderzoek op de terechtzitting\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 juni 2026, waarbij de officier van justitie mr. M. Poirters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (02-261941-25) en [medeverdachte 2] (02-261955-25).2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, poging zware mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging en diefstal dan wel afpersing van de telefoon en het horloge van [slachtoffer] .3. De voorvragen\n\nDe dagvaarding is geldig.\n\nDe rechtbank is bevoegd.\n\nDe officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.\n\nEr is geen reden voor schorsing van de vervolging.4. De beoordeling van het bewijs4.1.. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van alle ten laste gelegde feiten. Verdachte bekent ook hierbij betrokken te zijn geweest.4.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging bepleit ten aanzien van het primaire onder 1 ten laste gelegde feit vrijspraak vanwege het ontbreken van bewijs voor de voorbedachte rade. Ten aanzien van de overige feiten voert de verdediging een kwalificatieverweer. Het dossier bevat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om medeplegen vast te stellen. Van medeplichtigheid kan sprake zijn, maar nu dit niet ten laste is gelegd dient verdachte vrij te worden gesproken van de overige ten laste gelegde feiten.4.3.. Het oordeel van de rechtbank4.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.4.3.2.. \n\nDe bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nDe feiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank neemt de aangifte van [slachtoffer] als uitgangspunt omdat deze op belangrijke onderdelen steun vindt in het dossier en de rechtbank deze aangifte dan ook betrouwbaar acht. Op basis van de aangifte en de andere bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nEr heeft een geweldsincident plaatsgevonden tegen een jongere zus van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. De medeverdachten waren ervan overtuigd dat aangever [slachtoffer] bij het incident met de zus betrokken was en zij wilden aangever daarom een lesje leren. Zij hebben op 11 augustus 2025 een afspraak gemaakt met aangever, waarbij zij deden alsof zij geïnteresseerd waren in het kopen van zijn scooter. Verdachte en de medeverdachten zijn samen naar aangever gereden. Eenmaal aangekomen op de afgesproken locatie hebben verdachten een kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gelegd en hem bedreigd. Vervolgens hebben de verdachten aangever gedwongen in hun auto plaats te nemen, waarbij zij hem hebben geslagen en geschopt. Verdachte [medeverdachte 2] was bestuurder, verdachte was bijrijder en verdachte [medeverdachte 1] had het kapmes vast en zat op de achterbank naast aangever. Ook in de auto is aangever geslagen. Daarnaast hebben verdachten hem gedwongen zijn horloge af te geven en hebben zij zijn telefoon afgepakt. Op de [straat] te [plaats] is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen waarbij door alle verdachten geweldshandelingen zijn verricht. Aangever is op enig moment ook met het kapmes gesneden. Verdachte heeft in opdracht van de medeverdachten van dit incident beelden gemaakt. Als gevolg van de geweldshandelingen heeft aangever [slachtoffer] letsel opgelopen.\n\nVoorbedachten rade (feit 1)\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen blijken, is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een van tevoren afgesproken plan om aangever – kort gezegd – te mishandelen en dat het niet anders kan dan dat de verdachte van dit plan op de hoogte was. Immers, de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – naar aanleiding van een incident met hun zus – verhaal wilden gaan halen bij aangever en hem een lesje wilden leren. Zij zijn samen met verdachte naar de woning van aangever gereden. Bij aankomst (en tijdens de vrijheidsberoving) hebben de drie verdachten aangever aangesproken over de zus. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte al bij aankomst op de hoogte was van het eerdere incident met de zus van de medeverdachten. Bovendien was sprake van een duidelijke rolverdeling. Zo onderhield [medeverdachte 2] het contact met aangever en fungeerde hij als chauffeur, bedreigde [medeverdachte 1] aangever met het kapmes en heeft verdachte de opdracht gekregen om alles te filmen. Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt niet dat in zijn bijzijn tussen verdachten een gesprek heeft plaatsgevonden over deze handelingen en rolverdeling. Dit alles impliceert dat verdachten tijdens de rit naar de woning van aangever over een en ander hebben gesproken. Bovendien begon het geweld tegen aangever vrijwel direct, hetgeen er eveneens op duidt dat was afgesproken om aangever te mishandelen. Bij dat geweld was verdachte ook actief betrokken. Voor de rechtbank staat vast dat het handelen van verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Op grond van het voorgaande, en anders dan door de verdediging bepleit, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.\n\nMedeplegen (feiten 2, 3 en 4)\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nDe rechtbank overweegt met betrekking tot de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) het volgende. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten en had verdachte daarin ook een eigen rol. Verdachte en de medeverdachten zijn vanaf het moment dat aangever in de auto moest stappen tot het moment dat hij op de [straat] achter werd gelaten bij elkaar gebleven en zij hebben zich op geen enkel moment aan de situatie onttrokken. Daarbij heeft verdachte actief bijgedragen aan de intimiderende en bedreigende sfeer in de auto. Ook is, zoals blijkt uit de aangifte, door verdachte zowel tijdens als na de rit geweld gebruikt tegen aangever.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen.\n\nMet betrekking tot de diefstal en afpersing (feit 3) overweegt de rechtbank dat voor het opzet op het medeplegen van de diefstal dan wel afpersing niet is vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling zelf verrichten. De nauwe en bewuste samenwerking kan bijvoorbeeld blijken uit taakverdelingen, aanwezigheid ten tijde van het delict en het zich niet distantiëren daarvan. De rechtbank stelt vast dat de verdachten in de auto aanwezig zijn geweest en dat ieder van hen aangever heeft aangesproken op het incident met de zus van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Verdachten hebben er elk aan bijgedragen en gezamenlijk voor gezorgd dat aangever niet weg kon, waarbij hij door [medeverdachte 1] is gedwongen zijn horloge af te geven en door verdachte zijn telefoon is weggenomen. Daarnaast hebben verdachten samen voor het bedreigende karakter van de groep gezorgd waaronder de diefstal en afpersing konden plaatsvinden en heeft verdachte zelf de telefoon van aangever gepakt. De rechtbank acht het medeplegen van de diefstal en afpersing dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\nDe rechtbank overweegt met betrekking tot de bedreiging (feit 4) dat uit de bewijsmiddelen volgt dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] en verdachte in het kader van de vrijheidsberoving bedreigingen hebben geuit. Daarnaast heeft verdachte zijn hand op de mond van aangever gelegd. Tussen de verdachten bestond dan ook ten aanzien van de bedreigingen een bewuste en nauwe samenwerking. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van medeplegen.\n\n4.4.. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte\n\n1 en zijn mededaders in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen met kracht - tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en heeft gestompt, en - tegen het lichaam heeft geschopt en - met een machete en\u002Fof een kapmes in de buik en het hoofd en het lichaam heeft gesneden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat zij, verdachten, geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en - meermalen met kracht te schoppen tegen het lichaam, en - vervolgens te dwingen in een auto te stappen, en - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde rijdende auto, en - meermalen met kracht te slaan en stompen en met een mes te snijden in voornoemde rijdende auto, en - vervolgens achter voornoemde auto te gooien en - opnieuw meermalen met kracht te schoppen en te trappen tegen het lichaam;\n\n3 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn telefoon moest afgeven, en - vervolgens de telefoon uit de handen te trekken;\n\nen\n\nin de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en - vervolgens een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - daarbij de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge moest afgeven;\n\n4 in de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer] - meermalen een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en - een hand op de mond te leggen en te zeggen dat hij stil moest zijn, en - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\".\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.5. De strafbaarheid\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.\n\nVerdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.6. De strafoplegging6.1.. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden. De officier van justitie houdt in de strafmaat rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.6.2.. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nIndien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging rekening te houden met de rapporten van de psycholoog en de reclassering. De verdediging acht een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest passend. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met daaraan bijzondere voorwaarden verbonden.6.3.. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe aard en ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten, namelijk poging zware mishandeling met voorbedachten rade, wederrechtelijke vrijheidsberoving, diefstal, afpersing en bedreiging. Alle strafbare feiten zijn gepleegd tegen aangever [slachtoffer] . De verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren ervan overtuigd dat aangever betrokken was bij een incident waarbij hun jongere zus is geslagen. Deze zaak is door het Openbaar Ministerie geseponeerd. Verdachten hebben daarom het heft in eigen handen genomen en een afspraak gemaakt met aangever waarbij zij deden alsof zij interesse hadden in het kopen van zijn scooter. Eenmaal aangekomen op de afgesproken plek hebben de verdachten het kapmes getoond aan aangever, een hand op zijn mond gedaan en hem in de auto gesleurd. Hierbij is de aangever bedreigd en meermaals geslagen en geschopt. In de auto is aangever ook bedreigd met het kapmes en geslagen. Vervolgens is de auto gestopt en is aangever uit de auto getrokken. Hij is op de grond gevallen en vervolgens opnieuw geschopt en geslagen. Ook is aangever op enig moment met het kapmes gesneden als gevolg waarvan hij snijwonden had. Verdachte heeft van dit incident beelden gemaakt. Het behoeft geen betoog dat deze feiten zeer beangstigend zijn geweest voor aangever. Aangever verkeerde in de veronderstelling dat er een geïnteresseerde voor zijn scooter kwam en is uit het niets op schokkende wijze overmeesterd, mishandeld en bedreigd. Met dit handelen hebben de verdachten een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van aangever. Verder veroorzaken dit soort feiten gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachten hebben hier geen rekening mee gehouden en zich enkel bekommerd om hun eigen belang, namelijk het nemen van wraak. Het lijkt er daarbij sterk op dat zij wraak namen op de verkeerde persoon, nu een derde heeft verklaard betrokken te zijn geweest bij het incident met de zus en aangever heeft verklaard niet van een incident te weten. De rechtbank wijst erop dat ook als er wel een incident zou zijn geweest tussen aangever en de zus van de medeverdachten, eigenrichting onacceptabel is en niet kan worden getolereerd. Er is sprake geweest van ernstig geweld richting aangever. Verdachten hebben met zijn drieën de aangever aangevallen en bruut geweld toegepast waardoor aangever meerdere verwondingen heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit alles de verdachten zwaar aan.\n\nDe persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog van 23 maart 2026 en het rapport van de reclassering van 4 juni 2026. Bij verdachte is een verstandelijke ontwikkelingsstoornis en psychotrauma- of stressorgerelateerde persoonlijkheidsontwikkeling geconstateerd die hem heeft beïnvloed ten tijde van de feiten. Verdachte heeft moeite met het overzien van (complexe) situaties en het inschatten van de gevolgen van zijn handelen. Verdachte kan, mede vanuit de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, beïnvloedbaar zijn door anderen en impulsief handelen. Er is door de stoornis sprake van een verhoogde kwetsbaarheid voor spanning en stress, waardoor verdachte in complexe of spanningsvolle situaties minder goed in staat is zijn gedrag te sturen of afstand te nemen van de situatie. Geadviseerd wordt om de feiten aan hem in verminderde mate toe te rekenen. Daarnaast adviseert de reclassering om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank neemt deze adviezen over.\n\nIn het voordeel van verdachte weegt de rechtbank daarnaast zijn jeugdige leeftijd mee. De reclassering ziet enige aanwijzingen voor het (toepassen van) jeugdstrafrecht, namelijk op het gebied van handelingsvaardigheden maar dit is (naar de rechtbank begrijpt), gelet op de overige wegingsfactoren onvoldoende om toepassing van het jeugdstrafrecht te rechtvaardigen. De rechtbank zal in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat verdachte nog beperkte handelingsvaardigheden heeft. Zoals hierboven geconcludeerd handelt verdachte impulsief en is hij beïnvloedbaar. Hij overziet niet de gevolgen van zijn handelen. Verdachte heeft baat bij de praktische ondersteuning die hem door hulpverlening wordt geboden en bij continuering van zijn schoolgang. Momenteel ontvangt verdachte hulpverlening en praktische ondersteuning in het kader van een schorsingstoezicht voorlopige hechtenis. Hij komt de hieraan gestelde schorsingsvoorwaarden goed na. Verdachte lijkt een stijgende lijn te hebben ingezet. De rechtbank acht het wenselijk dat deze stijgende lijn wordt doorgezet en acht het in dat kader van belang dat het reclasseringstoezicht wordt voortgezet.\n\nDe straf\n\nBij bepaling van de strafmaat weegt de rechtbank mee dat er sprake is van eendaadse samenloop. Gelet op hetgeen hierboven overwogen, houdt de rechtbank bij bepaling van de strafmaat daarnaast rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn blanco strafblad, zijn persoonlijke omstandigheden, zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid en de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt in het kader van het schorsingstoezicht. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht passend en geboden. Aan het voorwaardelijke strafgedeelte worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering met uitzondering van het locatie ver- en gebod met elektronisch toezicht nu de rechtbank dit niet noodzakelijk acht. Gelet op de aard en de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat naast de (on)voorwaardelijke straf een taakstraf van 100 uur te vervangen door 50 dagen hechtenis passend is.7. Het beslag7.1.. \n\nDe verbeurdverklaring\n\nDe inbeslaggenomen telefoon wordt verbeurd verklaard. De telefoon is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen, omdat\n\nde telefoon aan verdachte toebehoort en de feiten met behulp van dit voorwerp zijn begaan. Met de telefoon van verdachte zijn opnames gemaakt van de strafbare gedragingen.7.2.. \n\nDe onttrekking aan het verkeer\n\nHet inbeslaggenomen wapen wordt onttrokken aan het verkeer. Het wapen is hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om dit wapen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.8. De vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 2.071,24.\n\nDe rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.\n\nDe door de benadeelde gevorderde schadevergoeding is niet (inhoudelijk) door de verdediging betwist, zij het dat er om matiging is gevraagd voor wat betreft de kosten voor de telefoon en ten aanzien van de gevorderde immateriële schade. De rechtbank acht de gevorderde schadevergoeding geheel toewijsbaar. Zij acht de gevorderde bedragen redelijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.\n\nTevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd, te weten 12 augustus 2025.\n\nDe rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. Daarom zal de rechtbank de vordering en de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald, en andersom.9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 47, 55, 282, 285, 303, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.10. Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\n- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;\n\n- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\n- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nDe eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1:medeplegen van een poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade, en\n\nfeit 2:medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, en\n\nfeit 3:diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door meer verenigde personen\n\nen\n\nafpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, en\n\nfeit 4:medeplegen van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\n- verklaart verdachte strafbaar;\n\nStrafoplegging\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;\n\n- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n* Meldplicht bij reclassering\n\ndat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;\n\n* Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden\n\ndat verdachte binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa-plus van de\n\nreclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;\n\n* Ambulante behandeling\n\nindien gedurende het reclasseringstoezicht blijkt dat ambulante behandeling noodzakelijk is, zal verdachte zich laten behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start wanneer dit gedurende het reclasseringstoezicht wordt geïndiceerd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;\n\n* Contactverbod\n\ndat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met:\n\n- Medeverdachte [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 2] ;\n\n- Medeverdachte [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 3] ;\n\n- Aangever [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 4] ;\n\n*Dagbesteding\n\nverdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk of opleiding en\u002Fof\n\nvrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;\n\n* Praktische ondersteuning\n\ndat verdachte meewerkt aan zijn huidige hulpverlening op het gebied van praktische ondersteuning bij Wijzijn en u-hulpverlening, of een soortgelijke hulpverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de ondersteuning nodig vindt;\n\n- van rechtswege gelden de volgende voorwaarden:\n\n* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;\n\n* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde\u002Fvoorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;\n\n- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast van50 dagen;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1,2,3 en 4)\n\n- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.071,24, waarvan € 571,24 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer] , € 2.071,24 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag der voldoening;\n\n- bepaalt dat bij niet betaling 20 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;\n\n- bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;\n\n- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;\n\nBeslag\n\n- verklaart de telefoon (Omschrijving: PL2000-2025211797-2916182, zwart) verbeurd;\n\n- onttrekt het wapen (Omschrijving: PL2000-2025211797-2916174, plastic replica, zwart) aan het verkeer;\n\nVoorlopige hechtenis\n\n- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.H. Nomes, voorzitter, mr. N.C.W. Haesen en mr. S.C.S. van Bree, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verdult, griffier, en is\n\nuitgesproken ter openbare zitting op 6 juli 2026.\n\nMrs. G.H. Nomes, S.C.S. van Bree en K. Verdult zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\n1 hij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging, althans alleen, aan [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft geslagen en\u002Fof heeft gestompt, en\u002Fof - tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof heeft getrapt, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam heeft gesneden en\u002Fof heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; ( art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij en\u002Fof zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen al dan niet met voorbedachten rade aan [slachtoffer] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) - tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen, en\u002Fof - tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen, en\u002Fof - met een machete en\u002Fof een kapmes, althans een mes en\u002Fof scherp voorwerp, in de buik en\u002Fof het hoofd en\u002Fof het lichaam te snijden en\u002Fof te steken; ( art 301 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n2 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door die [slachtoffer] , - in de veronderstelling te laten dat hij\u002Fzij, verdachte(n), geïnteresseerd waren in de aankoop van zijn bromfiets, en\u002Fof (vervolgens, - te bedreigen met een machete en\u002Fof een kapmes, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\", en\u002Fof - meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam, en\u002Fof - (vervolgens) te dwingen in een auto te stappen, en\u002Fof - gedurende enige tijd mee te nemen in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - meermalen (met kracht) te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof met een mes te snijden en\u002Fof te steken in voornoemde (rijdende) auto, en\u002Fof - (vervolgens) achter voornoemde auto te gooien en\u002Fof - (opnieuw) meermalen met kracht te schoppen en\u002Fof te trappen tegen het lichaam; ( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en\u002Fof gevolgd van geweld en\u002Fof bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven, en\u002Fof - (vervolgens) de telefoon uit de handen te trekken en\u002Fof te rukken\n\nen\u002Fof\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en\u002Fof bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en\u002Fof een horloge, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en\u002Fof een derde toebehoorde(n) door die [slachtoffer] - wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven, en\u002Fof - (vervolgens) een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - (daarbij) de woorden toe te voegen dat hij, [slachtoffer] , zijn horloge en\u002Fof zijn telefoon moest afgeven; ( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf\u002Fsub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n4 hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2025 tot en met 12 augustus 2025 te [plaats] , gemeente Borsele, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] - meermalen, althans eenmaal een machete en\u002Fof een kapmes te tonen, en\u002Fof - een hand op de mond te leggen en\u002Fof te zeggen dat hij stil moest zijn, en\u002Fof - de woorden toe te voegen \"mond houden anders steken we je neer\"; ( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:6060","ecli-nl-rbzwb-2026-6060",{"courtName":6,"legalDomain":32,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"1725","ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35733\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. K. Bruin).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw (Vreemdelingenwet 2000) van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Ophouding\n\nEiser voert ter zitting aan dat hij op de onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw omdat zijn identiteit niet direct kon worden vastgesteld. Na eisers aanhouding is zijn identiteit op het bureau onmiddellijk vastgesteld. Eisers identiteit was daarmee wel bekend bij verweerder. Te meer omdat hij eerder in bewaring is gesteld.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat eisers ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal van aanhouding van 27 juni 2026 volgt dat eiser ten tijde van zijn staandehouding niet beschikte over identificerende documenten en zich niet onmiddellijk kon legitimeren. In zoverre kon eisers identiteit niet onmiddellijk worden vastgesteld. Dat de verbalisanten na aankomst op het bureau in het kader van het strafrechtelijk voortraject hebben vastgesteld wie eiser is, maakt niet dat zijn identiteit daarmee onmiddellijk kon worden vastgesteld. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nMaatregel van bewaring\n\n4. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.De vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op de grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb zich voordoen.\n\n5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als gronden vermeld dat eiser:\n\na. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h) heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n6. Eiser voert aan dat de gronden van de maatregel in algemene zin onvoldoende zijn gemotiveerd. In de gronden wordt steeds verwezen naar omstandigheden uit 2024 en 2025, terwijl eiser op basis van die omstandigheden in het verleden al in bewaring is gesteld.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die verweerder aan de maatregel van bewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee kan worden aangenomen dat er een risico bestaat op onderduiken en dat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Lichter middel\n\n8. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen bij het opleggen van de maatregel van bewaring en dat onvoldoende is gemotiveerd waarom verweerder niet heeft kunnen volstaan met een lichter middel. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring is opgeheven na een belangenafweging en verweerder heeft niet heeft beoordeeld of deze belangen nog actueel zijn.\n\n9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om het risico op onderduiken te ondervangen. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder alle door eiser naar voren gebrachte omstandigheden betrokken. Eiser heeft ter zitting niet geconcretiseerd welke belangen verweerder anders had moeten betrekken bij deze beoordeling. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.\n\nAmbtshalve toets\n\n10. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.Conclusie\n\n11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18570","ecli-nl-rbdha-2026-18570",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":55,"ecli":56,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":58,"language":7,"source":17,"sourceUrl":59,"summary":14,"slug":60,"metadata":61},"685","ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.55758\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18456","ecli-nl-rbdha-2026-18456",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":65,"language":7,"source":17,"sourceUrl":66,"summary":14,"slug":67,"metadata":68},"708","ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.22282\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R. Deniz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).\n\nProcesverloop\n\nIn het besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een mvvongegrond verklaard.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J. Metselaar. Ook waren aanwezig referent [referent] en de [tolk] .\n\nOverwegingen\n\n1. Middels besluit van 25 april 2023 is referent in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van asiel.Op 8 juni 2023 heeft referent voor zijn vrouw en biologische kinderen een aanvraag ingediend om verlening van een mvv. Op dezelfde dag heeft referent voor eiser bij verweerder ook een aanvraag ingediend voor een mvv in het kader van nareis. De aanvraag voor zijn vrouw en biologische kinderen is ingewilligd. Eiser is het gestelde kind van [broer van referent] (broer van referent) en [persoon] . Referent is de gestelde oom en pleegvader van eiser.\n\n2. In het besluit van 8 januari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is de identiteit van de biologische moeder van eiser en de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet aangetoond. De pleegrelatie en feitelijke gezinsband tussen eiser en referent hebben zij ook niet aannemelijk gemaakt. Tenslotte is er ook geen toestemmingsverklaring van de biologische vader overgelegd.\n\n3. Eiser heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Referent is op 10 februari 2025 door verweerder gehoord over het bezwaar. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder alsnog de identiteit van de biologische moeder van eiser aannemelijk geacht. De familierechtelijke relatie met zijn biologische ouders is nog altijd niet aannemelijk gemaakt, maar er is wel een begin van bewijs geleverd. Ditzelfde geldt voor de pleegrelatie tussen eiser en referent. De feitelijke pleegsituatie is nog altijd niet aannemelijk gemaakt.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert daartoe aan dat aan de overgelegde stukken meer bewijswaarde moet worden toegekend dan verweerder in het besluit toekent. De familierechtelijke relatie zou wel zijn aangetoond, net als de pleegrelatie en de feitelijke gezinsband. Verder acht eiser het besluit onlogisch en onduidelijk. Tenslotte wijst eiser op de belangen van het kind en artikel 8 van het EVRMen vindt hij dat de motivering daartoe zeer summier is.\n\n5. In het verweerschrift heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit juist is en dat terecht in het bestreden besluit de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt, zodat nader onderzoek zinledig is. Volgens verweerder heeft hij de belangen van het kind voldoende meegewogen in het besluit en heeft hij gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6. Uit wet- en regelgevingvolgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin\n\nvan een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij verweerder indienen. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Verweerder betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval:(-) de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn\u002Fhaar biologische ouders; (-) de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; (-) de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; (-) in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; (-) of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Ook komt het pleegkind niet in aanmerking voor nareis als er een positieve verplichting onder artikel 8 van het EVRM bestaat om de biologische ouders te herenigen met het pleegkind in Nederland.\n\n7. Verweerder heeft in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom\n\nde familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn biologische ouders niet is aangetoond met de door eiser overgelegde documenten. Verweerder heeft daarbij ook terecht het standpunt ingenomen dat nader onderzoek niet aangeboden hoeft te worden. Ook indien de familierechtelijke relatie zou worden vastgesteld, kan dit niet leiden tot de afgifte van een mvv. Er wordt namelijk niet voldaan aan de voorwaarde dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser is aangetoond. De rechtbank zal deze voorwaarde hierna verder bespreken.\n\n8. Niet in geschil is dat eiser vanaf zijn 4e levensjaar tot aan het vertrek van de\n\noverige gezinsleden van referent naar Nederland (in 2024) gewoond heeft bij het gezin van referent. Op zichzelf is het enkele verblijf binnen het gezin niet voldoende om de feitelijke gezinsband aan te nemen. Verweerder heeft terecht alle omstandigheden meegewogen in de integrale beoordeling. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024\u002F4 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. Verweerder heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder en vader van eiser nog steeds in beeld zijn en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn biologische ouders duurzaam is verbroken. Uit de inhoud van de overgelegde documenten, waaruit volgt dat de biologische vader bij de rechtbank is verschenen om toestemming te verlenen en een verklaring af te leggen, blijkt dat de vader nog in beeld is en zich uitlaat over de zorg die verleend wordt aan eiser. Ook heeft eiser zelf verklaard dat zijn vader hem bezoekt op islamitische feestdagen. De gestelde medische problematiek van zijn biologische vader is niet onderbouwd met medische documenten. Verweerder mocht dit wel van eiser verwachten, nu referent ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is om contact te leggen met de biologische vader. Hoewel de biologische moeder woonachtig is bij haar ouders, is er niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor eiser kan zorgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid naar referent en zijn echtgenote. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.\n\n9. Verweerder heeft daarbij met verwijzing naar C2\u002F4.1.2.2. van de Vc terecht\n\nmeegewogen dat niet aannemelijk is dat het contact tussen eiser en zijn biologische ouders zo beperkt is dat er geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het EVRM zou ontstaan om eiser met zijn biologische ouders te herenigen in Nederland.\n\n10. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 7, 8 en 9 is overwogen heeft verweerder\n\nzich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen nader onderzoek hoefde te verrichten naar: (-)de familierechtelijke relatie tussen de biologische ouders en eiser, (-)de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde pleegouders en (-)de toestemmings-verklaringen.\n\n11. Eiser heeft tenslotte nog gewezen op het belang van het kind. Verweerder heeft\n\ngemotiveerd deze belangen meegewogen in het bestreden besluit. Daarbij is terecht meegewogen dat het in het belang van eiser is dat hij niet ongewenst wordt onttrokken aan het ouderlijk gezag. Bovendien heeft verweerder uitgelegd waarom eiser niet in schrijnende omstandigheden achterblijft in Jemen. Hij wordt verzorgd door de zus van referent en haar man, hij woont nog in hetzelfde huis, gaat naar school en referent heeft dagelijks contact met hem. Hiermee heeft verweerder voldoende kenbaar de belangen van eiser meegewogen in het bestreden besluit.\n\n12. Verder verwijst verweerder referent terecht naar de reguliere procedure voor een\n\ntoetsing aan artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804) volgt dat artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb van toepassing is in nareiszaken en dat verweerder in elke nareiszaak deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM of, als de betreffende vreemdeling in het buitenland is, een mvv met het oog op die vergunning. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als hij daarin heeft toegelicht waarom hij in bepaalde gevallen geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik maakt. In het bestreden besluit is enkel gewezen op de aanwezigheid van een reguliere procedure voor de aanvraag van eiser en dat verweerder deze nationale procedure niet wil overslaan door direct aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. Verweerder heeft met deze algemene motivering niet in eisers individuele geval toegelicht waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om door te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Ook heeft verweerder niet verwezen naar toepasselijk beleid. Daarom is er sprake van een motiveringsgebrek. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een nadere individuele motivering gegeven voor het niet ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM. Hij heeft verwezen naar het peilmoment en naar de ingebrachte medische stukken. Hiermee heeft verweerder alsnog voldaan aan het motiveringsvereiste zoals de Afdeling dit vereist. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.\n\n13. Het beroep is ongegrond.\n\n14. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb veroordeelt de rechtbank\n\nverweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor\n\nhet verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.\n\n Machtiging tot voorlopig verblijf.\n\n Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.\n\n Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vw, in samenhang met paragraaf C2\u002F4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), geldig tot 12 juni 2026.\n\n Zie paragraaf C2\u002F4.1.2.2 van de Vc, geldig tot 12 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18498","ecli-nl-rbdha-2026-18498",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":70,"ecli":71,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":72,"language":7,"source":17,"sourceUrl":73,"summary":14,"slug":74,"metadata":75},"1756","ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.34707\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 22 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vween vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nVerweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een beeldverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nNa afloop van de zitting hebben partijen desgevraagd een aanvullende schriftelijke reactie ingediend. De rechtbank heeft na ontvangst hiervan het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiser is op 21 juni 2026 om 13.51 uur aangekomen op Schiphol, waar hij vervolgens om 20.30 uur op grond van artikel 4.6 van het Vbeen aanwijzing heeft gekregen om zich gedurende één nacht op te houden in de internationale lounge. Hij heeft op dezelfde dag zijn asielwens kenbaar gemaakt, waarvan op 22 juni 2026 een M35-H formulier is opgemaakt. Verweerder heeft diezelfde dag het besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vbwordt deze vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\nGeschiktheid van de screeningslocatie\n\n4. Eiser voert aan dat de screening niet heeft plaatsgevonden op een toereikende en geschikte locatie als bedoeld in de Screeningsverordening, gelezen in samenhang met de (nieuwe) Opvangrichtlijn.De procedure is feitelijk aangevangen bij zijn aankomst op Schiphol, waar hij door de Koninklijke Marechaussee is ondervraagd en vervolgens in een ruimte en later, op grond van de loungemaatregel, in de internationale lounge heeft verbleven onder sobere omstandigheden, waaronder een overnachting op een stoel en beperkte verstrekking van voedsel. Schiphol kan onder deze omstandigheden niet als een toereikende en geschikte locatie worden aangemerkt. Daarbij wordt erop gewezen dat de screening onder het Asiel- en Migratiepact meerdere dagen kan duren en dat een dergelijke locatie daarom moet voorzien in mogelijkheden tot overnachting, waaraan de internationale lounge niet voldoet.\n\n5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2018volgt dat een verblijf in de internationale lounge gedurende maximaal 24 uur in beginsel aanvaardbaar is. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat dit de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact tot een ander oordeel leidt. Verder volgt uit de stukken dat eisers vlucht op 21 juni 2026 om 13:51 uur op Schiphol is geland en dat hij op 22 juni 2026 om 14:00 uur is overgebracht naar het aanmeldcentrum Schiphol.De rechtbank acht het, gelet op deze tijdstippen en de gebruikelijke gang van zaken na aankomst van een vlucht waardoor het eerste contact met de KMar pas na enige tijd zal plaatsvinden, aannemelijk dat eisers verblijf op Schiphol minder dan 24 uur heeft geduurd.\n\nOok hetgeen eiser heeft aangevoerd over de omstandigheden waaronder hij gedurende zijn verblijf in de internationale lounge heeft verbleven, maakt het voorgaande niet anders. Mede gelet op de duur van het verblijf ziet de rechtbank daarin onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat Schiphol in dit geval niet als een toereikende en geschikte screeningslocatie kon worden aangemerkt.\n\nZorgvuldigheid van de processen-verbaal\n\nAlgemeen\n\n6. Eiser voert aan dat diverse processen-verbaal in het dossier onzorgvuldigheden\u002F slordigheden bevatten.\n\n7. De rechtbank stelt voorop dat aan eiser zonder meer kan worden toegegeven dat diverse processen-verbaal in het dossier op onderdelen onvolledig en\u002Fof slordig zijn ingevuld. Evenwel komt uit de stukken, gelezen in onderlinge samenhang, voldoende duidelijk en overtuigend naar voren wat de feitelijke gang van zaken is geweest.\n\nOndertekening van de processen-verbaal\n\n8. Eiser voert aan dat zowel het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 als het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 niet zijn ondertekend. Daardoor is onduidelijk welke waarde aan deze stukken kan worden gehecht en kan niet worden gecontroleerd of de daarin beschreven gang van zaken zich daadwerkelijk op die wijze heeft voorgedaan.\n\n9. De rechtbank overweegt als volgt. Naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, heeft zij verweerder verzocht om nadere informatie betreffende de (al dan niet) ondertekening. Verweerder heeft vervolgens een reactie ingediend. Daarbij is een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2026 overgelegd, waarin wordt toegelicht dat het ontbreken van een zichtbare digitale handtekening onder het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 het gevolg is van een technische storing bij de omzetting van de systemen in verband met het Asiel- en Migratiepact.\n\n10. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de in rechtsoverweging 9 bedoelde vraag aan en reactie van verweerder. Voor zover de reactie van de gemachtigde van eiser betrekking heeft op de toelichting omtrent de ondertekening van het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 heeft de rechtbank deze bij haar beoordeling betrokken.\n\nVoor het overige gaat de reactie de omvang van de door de rechtbank gegeven gelegenheid te buiten. De rechtbank laat deze, alsmede de daarbij overgelegde bijlage, daarom buiten beschouwing.\n\n11. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de op ambtseed gegeven toelichting in het aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2026 te twijfelen. Evenzeer acht zij aannemelijk dat hetzelfde geldt voor de (niet-zichtbare) ondertekening van het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel.\n\nVoor zover zou gelden dat genoemde processen-verbaal niet zijn ondertekend, overweegt de rechtbank dat dit op zichzelf onvoldoende is om aan de inhoud van deze op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat eiser geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat de daarin beschreven gang van zaken onjuist is, noch een aannemelijk alternatief scenario heeft geschetst.\n\nTegenstrijdigheden in het tijdstip van het uiten van eisers asielwens\n\n12. Eiser voert aan dat het “proces-verbaal van gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vw” van 22 juni 2026 innerlijk tegenstrijdig is wat betreft het tijdstip van het uiten van zijn asielwens. Hierin is immers op dezelfde pagina vermeld dat eiser op 21 juni 2026 om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit, maar anderzijds ook dat hij dit pas om 20:30 uur heeft gedaan.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat de geconstateerde tegenstrijdigheid onvoldoende is om te concluderen dat onduidelijk is wanneer eiser zijn asielwens heeft geuit. Uit zowel de vrijheidsontnemende maatregelals het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 volgt dat eiser dit op 21 juni 2026 om 18:40 uur heeft gedaan. Weliswaar is in het proces-verbaal van gehoor tevens het tijdstip 20:30 uur vermeld, maar dit is ook het tijdstip waarop aan eiser op grond van artikel 4.6 van het Vb de aanwijzing is gegeven zich op te houden in de internationale lounge. Gelet hierop, in samenhang bezien met het tijdstip waarop eisers vlucht is aangekomen, acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser reeds om 18:40 uur zijn asielwens heeft geuit en dient het genoemde tijdstip van 20.30 uur in dit opzicht als een kennelijke verschrijving te worden aangemerkt.\n\nInname paspoort en juistheid proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel\n\n14. Eiser voert voorts aan dat het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 ook inhoudelijk onjuist is, omdat daarin niet is vermeld dat zijn paspoort reeds op 21 juni 2026 is ingenomen. Pas op 22 juni 2026 is een ontvangstbewijs voor het tijdelijk in bewaring nemen van reis- en\u002Fof identiteitspapieren opgemaakt, terwijl het paspoort toen al in bewaring was genomen.\n\n15. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat eisers paspoort is ingenomen. Dit blijkt ook onweersproken uit het ontvangstbewijs van 22 juni 2026. Dat in het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026 niet is vermeld op welk moment eisers paspoort is ingenomen, maakt niet dat eiser daardoor in zijn belangen is geschaad.\n\nInformatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel\n\n16. Eiser voert aan dat niet is voldaan aan de informatieplicht bij de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Uit zijn antwoord op de mededeling dat de toegang tot Nederland wordt uitgesteld, zijn asielaanvraag wordt behandeld in de asielgrensprocedure en hij in een gesloten detentiecentrum zal verblijven, blijkt niet dat hij de rechtsgevolgen daadwerkelijk heeft begrepen. Hij heeft slechts verklaard dat hij het “snapt”, terwijl de enkele mededeling dat hij de inhoud heeft begrepen daartoe onvoldoende is.\n\n17. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Weliswaar blijkt uit de op p. 4 in het proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026 opgenomen reactie van eiser niet zonder meer dat hij de rechtsgevolgen van de mededelingen volledig heeft begrepen, maar uit datzelfde proces-verbaal volgt dat hem om 08:00 uur voorafgaand aan de oplegging van de maatregel onder meer is medegedeeld dat zijn asielaanvraag in de asielgrensprocedure zou worden behandeld, dat hem een vrijheidsontnemende maatregel zou worden opgelegd, dat hij gedurende de behandeling van zijn aanvraag in een vreemdelingendetentiecentrum zou worden ingesloten en dat hij gedurende de screeningsprocedure geen toegang tot Nederland zou krijgen.Daarbij komt dat eiser om 08:25 uur de Engelstalige M19B-informatiefolder met betrekking tot artikel 6, derde lid, van de Vw voor ontvangst heeft ondertekend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het voor eiser voldoende duidelijk was dat hij zou worden ingesloten.\n\nWijze van registratie van de voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling\n\n18. Eiser voert ten slotte aan dat in het screeningsformulier bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, standaard het antwoord “Ja” wordt aangekruist, blijkens de vermelding “Altijd JA” tussen haakjes achter de antwoordmogelijkheden. Dit roept de vraag op of daadwerkelijk een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, nu deze vermelding suggereert dat de uitkomst reeds vaststaat.\n\n19. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op het screeningsformulier is bij de vraag of de voorlopige beoordeling van de kwetsbaarheid, overeenkomstig artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening, is uitgevoerd, het antwoord “Ja” aangekruist.Eiser heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze registratie onjuist is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nAmbtshalve toets\n\n20. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.\n\nConclusie\n\n21. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Verordening (EU) 2024\u002F1356.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346.\n\n ECLI:NL:RVS:2018:4201.\n\n Proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel van 22 juni 2026, p. 5 van 5.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 9 van 10.\n\n Beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6 derde lid, of eerste en tweede lid juncto het zesde lid van de Vw voor vreemdelingen die vallen onder de werking van de Procedureverordening (Model M19B) d.d. 22 juni 2026, p. 1 van 3.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 4 van 10.\n\n Proces-verbaal van gehoor van 22 juni 2026, p. 2 van 10 onder ‘Algemeen’.\n\n Screeningsformulier, p. 2 van 3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18229","ecli-nl-rbdha-2026-18229",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":77,"ecli":78,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":57,"fullText":79,"language":7,"source":17,"sourceUrl":80,"summary":14,"slug":81,"metadata":82},"1761","ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35072\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. H. Toonders).\n\nProcesverloop\n\nVerweerder heeft eiser op 23 juni 2026 om 14:21 uur opgehouden. Op 23 juni 2026 omstreeks 19:45 uur is de vrijheidsbeneming van eiser beëindigd omdat aan hem een bevel om zich onmiddellijk te begeven naar het grondgebied van Spanje is opgelegd.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen de ophouding.\n\nEiser heeft zich akkoord verklaard met een schriftelijke behandeling van het beroep. Op 26 juni 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 1 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 2 juli 2026 het onderzoek gesloten.\n\nOverwegingen\n\n1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Turkse nationaliteit te hebben.\n\n2. Eiser voert aan dat hij niet kan toetsen of sprake is geweest van een verkapt vreemdelingrechtelijke staandehouding, omdat het dossier te beperkt is.\n\n3. Verweerder heeft bij brief van 1 juli 2026 meegedeeld dat de vreemdelingrechtelijke ophouding volgde op een strafrechtelijke aanhouding op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Verweerder heeft hierbij een proces-verbaal van bevindingen en een proces-verbaal van aanhouding verdachte geüpload in het digitale dossier. Hierin staat dat twee verbalisanten het voertuig waarin eiser zich bevond hebben gestopt vanwege een ANPR-melding. De toelichting daarbij was dat het een voertuig van een malafide verhuurbedrijf betrof. Bij controle van het voertuig is hennep aangetroffen in het dashboardkastje. Eiser is vervolgens aangehouden vanwege het rijden onder invloed en het niet voldoen aan de vordering om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden.\n\n4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen en het proces-verbaal van aanhouding aanhouding afdoende dat sprake was van een strafrechtelijke aanleiding om eiser naar zijn identiteitsdocumenten te vragen en ook dat de verbalisanten in het kader van hun algemene politietaak hebben gehandeld. Het is niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 toegekende bevoegdheden. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is op 3 juli 2026 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18236","ecli-nl-rbdha-2026-18236",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":84,"ecli":85,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":87,"language":7,"source":17,"sourceUrl":88,"summary":14,"slug":89,"metadata":90},"690","ECLI:NL:RBDHA:2026:18462","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56603\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18462","ecli-nl-rbdha-2026-18462",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":92,"ecli":93,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":94,"language":7,"source":17,"sourceUrl":95,"summary":14,"slug":96,"metadata":97},"691","ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummer: NL26.19668\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen)\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nMet het besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nHet onderzoek ter zitting is geopend op 28 mei 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.H.P.M. Kelderman. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat partijen weliswaar tijdig en correct waren uitgenodigd, maar verweerder feitelijk niet op de hoogte bleek te zijn van de planning en de inhoud van de zaak.\n\nHet onderzoek ter zitting is hervat op 18 juni 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Hartog.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n1. Eiser is volgens zijn eigen opgave geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Iraakse nationaliteit.\n\n2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordeningis vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 1 juni 2022 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 12 februari 2026 een verzoek om terugname gezonden aan Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 17 februari 2026 aanvaard.\n\n3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft overwogen dat de gezinsband van eiser met zijn ouders en broers en zussen niet voldoende is onderbouwd. Dit standpunt heeft verweerder pas bij het bestreden besluit ingenomen zodat eiser hierop in de bestuursrechtelijke fase niet heeft kunnen reageren. Eiser overlegt in beroep alsnog kopieën van paspoorten van zijn gezinsleden, en kopieën van de aanmeldgehoren van zijn vader en zijn moeder, waaruit blijkt dat zij eiser noemen als hun zoon, die met het gezin is meegereisd naar Nederland. Er is daarom geen reden om te twijfelen aan de gezinsband tussen eiser en zijn overige in Nederland verblijvende gezinsleden. Het is in het belang van eiser en van zijn gezinsleden dat zij niet gescheiden worden. Ook overlegt eiser documenten ter onderbouwing van de medische situatie van zijn moeder; zij heeft psychische problemen als gevolg van het verlies van de oudste dochter van het gezin in Griekenland, en kan niet van eiser gescheiden worden. Door in deze omstandigheden geen toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd.\n\nEiser voert daarnaast aan dat het bestreden besluit een risico op refoulement inhoudt, nu eiser in Duitsland al eerder een negatieve beschikking heeft gekregen. Hij vreest daarom dat hij bij overdracht aan Duitsland zonder verdere inhoudelijke behandeling zal worden teruggestuurd naar zijn land van herkomst, waar hij te vrezen heeft voor zijn leven. Ook om deze reden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Het uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Bij het beantwoorden van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag kan alleen van dit uitgangspunt worden afgeweken als een asielzoeker aannemelijk maakt dat er in de verantwoordelijke lidstaat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen. Dit staat in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.\n\n5. In Eurodac staat alleen van eiser een eerdere asielaanvraag geregistreerd in Duitsland. Daarom is alleen voor eiser een terugnameverzoek aan Duitsland gezonden en worden de aanvragen van de andere gezinsleden in de nationale procedure in Nederland behandeld. Verweerder betwist niet dat eiser als onderdeel van een gezin is ingereisd, maar hecht daar geen doorslaggevende betekenis aan. Het gegeven dat een vreemdeling familie heeft in Nederland is voor verweerder niet genoeg om toepassing te geven aan zijn discretionaire bevoegdheid. Dat eiser in de beroepsfase kopieën van identiteitsbewijzen van de verschillende gezinsleden heeft overgelegd maakt het besluit daarom niet anders.\n\n6. Ter zitting is de vraag besproken in hoeverre de Dublinverordening verweerder verplicht om rekening te houden met de gezinsband, nu eiser meerderjarig is, en of dit een element is dat moet worden meegewogen bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, van de Dublinverordening. Op grond van overweging 14, van de preambule bij de Dublinverordening dient voor de lidstaten bij de toepassing van deze verordening immers de eerbiediging van het familie- en gezinsleven voorop te staan. Deze, en andere uit de preambule van de Dublinverordening voortvloeiende waarborgen met betrekking tot het familie- en gezinsleven hebben, waar deze bepalend zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat, hun weerslag gevonden in de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening. De Afdeling heeft eerder bepaald dat de genoemde waarborgen in de preambule verweerder niet verplichten om in gezinsbanden die de Dublinverordening in voormelde artikelen niet beoogt te beschermen, aanleiding te zien om de behandeling van een aanvraag onverplicht aan zich te trekken.Nu vaststaat dat eiser meerderjarig was op het moment van de indiening van de asielaanvraag in Nederland en hij daarom geen beroep kan doen op de genoemde artikelen in de Dublinverordening die de gezinsband beschermen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder op grond van de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden gehouden was gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.\n\n7. Verweerder maakt terughoudend gebruik van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.Hij beoordeelt of in het voorliggende geval sprake is van zodanige humanitaire gronden dat het in de rede ligt om het asielverzoek van de vreemdeling over te nemen. De rechter mag die beoordeling slechts terughoudend toetsen.Dit betekent dat de rechter het bestreden besluit op dit punt moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering, maar staat eraan in de weg dat de rechter bij die toetsing zijn eigen oordeel in de plaats stelt van dat van verweerder.\n\n8. De rechtbank heeft begrip voor de wens van eiser om bij het gezin te verblijven, maar is gezien het bestreden besluit en de behandeling ter zitting van oordeel dat verweerder het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft bij de beoordeling of toepassing moest worden gegeven aan zijn bevoegdheid op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kunnen betrekken dat het verblijf van familie in Nederland geen doorslaggevende betekenis toekomt en dat ook als eisers betoog over de medische problemen van de moeder en de verdwijning van zijn oudste zus in Griekenland gevolgd wordt, dit niet tot een situatie van onevenredige hardheid leidt. De moeder krijgt in Nederland immers de behandeling die zij nodig heeft en eiser kan vanuit Duitsland contact onderhouden met het gezin.\n\n9. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar het arrest van het Europese Hof van Justitie van 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024.Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land. Eiser heeft voor dit laatste geen aanknopingspunten gegeven. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien op dit punt tot een ander oordeel te komen en nu eiser ook in beroep zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hier in het bestreden besluit onvoldoende op is ingegaan of dat de motivering van verweerder het standpunt niet kan dragen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2385, punt 5.\n\n Dit is vastgelegd in onderdeel C2\u002F5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die gold ten tijde van het beroep.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666, recent bevestigd in de uitspraak van 11 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3293.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18465","ecli-nl-rbdha-2026-18465",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":99,"ecli":100,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":101,"language":7,"source":17,"sourceUrl":102,"summary":14,"slug":103,"metadata":104},"692","ECLI:NL:RBDHA:2026:18463","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.60693\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. N. Wouters),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden. Er zijn achterstanden in de behandeling van asielaanvragen. De rechtbank acht een nadere beslistermijn van maximaal twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak redelijk. Hierbij wordt zowel recht gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen, als aan het belang van eiser om op korte termijn een beslissing te krijgen op de aanvraag.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18463","ecli-nl-rbdha-2026-18463",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":106,"ecli":107,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":108,"language":7,"source":17,"sourceUrl":109,"summary":14,"slug":110,"metadata":111},"695","ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","Uitspraak buiten zitting\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32656\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden), en\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.2\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1988 en de Turkse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 24 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.\n\nDe Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.3 Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 november 2021 in België een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. Verweerder heeft op 4 april 2026 de Belgische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Op 13 mei 2026 heeft België, na een verzoek om een second opinion, het verzoek geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening Hiermee staat de verantwoordelijkheid van België vast.\n\n1. Op grond van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n2 Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n3 Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n3. Eiser voert aan dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State5 van 23 juli 2025.6 Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in België systeemfouten bevatten, welke leiden tot een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM7 en artikel 4 van het Handvest.8 Eiser heeft gedurende zijn verblijf in België een zwervend bestaan geleid en is verstoken gebleven van opvang. Eisers psychische problemen zijn hierdoor ernstig verslechterd en hij is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. Hiervan heeft eiser geen stukken kunnen overleggen. Eiser is kwetsbaar vanwege zijn psychische problemen. Zonder garanties voorafgaand aan eisers overdracht aan België, is het voorzienbaar dat hij in dezelfde omstandigheden terecht zal komen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Een overdracht aan België getuigt in zijn geval van onevenredige hardheid gelet op zijn psychische toestand en zijn bijzondere kwetsbaarheid. Daarnaast vreest eiser te worden uitgezet naar Turkije na te zijn overgedragen aan België, zonder dat daar een inhoudelijke asielprocedure aan vooraf zal gaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\n4. Vaststaat dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uitgangspunt is verder dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit wordt gegaan dat de EU-lidstaten hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. Hoewel de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 over Dublinoverdrachten aan België heeft geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan, omdat zij geen toegang hadden tot opvangvoorzieningen, heeft verweerder met zijn verwijzing in het bestreden besluit naar de brief van 5 februari 2026 van de Belgische autoriteiten voldoende gemotiveerd dat alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten feitelijk weer toegang hebben tot een (nood)opvangplaats in België. Eiser heeft geen andersluidende informatie ingebracht. Gelet hierop is voor bedoelde uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van België geen aanleiding meer.\n\n5. Ten aanzien van eisers gestelde ervaringen in België heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze geen reden zijn om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt immers aangenomen dat eiser in België kan klagen indien de Belgische autoriteiten tekortschieten in de naleving van hun verplichtingen tegenover eiser. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. Aldus is niet aannemelijk geworden dat overdracht van eiser naar België zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.\n\n6. Voor zover eiser in dit kader nog heeft aangevoerd dat hij vreest voor indirect refoulement omdat België hem zal terugsturen naar Turkije overweegt de rechtbank als\n\n5 Afdeling.\n\n6 ECLI:NL:RVS:2025:3305.\n\n7 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n8 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\nvolgt. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 9en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van 12 juni 202410 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van België nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.\n\n7. Uit het arrest Tarakhel volgt dat verweerder, in het geval van bijzondere kwetsbaarheid van een vreemdeling, om individuele garanties kan vragen voordat verweerder de vreemdeling overdraagt. 11 Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met concrete en objectieve stukken aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties geen toegang zal krijgen tot adequate zorg- en opvangvoorzieningen in België. Voor zover eiser zich beroept op de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 4. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vermeld dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening, waar nodig en met toestemming van eiser, de relevante medische gegevens aan de Belgische autoriteiten worden overgedragen alvorens de overdracht van eiser zal plaatsvinden. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder voorafgaand aan de overdracht aanvullende individuele garanties had moeten verkrijgen.\n\n8. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening door de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijke te beoordelen. Door eiser is ook in dit verband gewezen op zijn gestelde slechte ervaringen in België. Eisers verklaringen hierover zijn beoordeeld bij de vraag of er aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 201412 is er geen aanleiding voor een beoordeling van dezelfde omstandigheden bij de vraag of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eisers van een onevenredige hardheid getuigt. Voor zover eiser zich beroept op zijn psychische toestand, overweegt de rechtbank dat eiser dit niet met objectieve stukken heeft onderbouwd.\n\n9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.\n\n10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\n9 ECLI:EU:C:2023:934.\n\n10 ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n11 ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 r.o. 100-105.\n\n12 ECLI:NL:RVS:2014:3164. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M. L. Weerkamp rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nDocumentcode: 024-573-028-293","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18468","ecli-nl-rbdha-2026-18468",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":113,"ecli":114,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":115,"language":7,"source":17,"sourceUrl":116,"summary":14,"slug":117,"metadata":118},"699","ECLI:NL:RBDHA:2026:18477","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.54004\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18477","ecli-nl-rbdha-2026-18477",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":120,"ecli":121,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":122,"language":7,"source":17,"sourceUrl":123,"summary":14,"slug":124,"metadata":125},"700","ECLI:NL:RBDHA:2026:18478","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62302\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. A. Hanna),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18478","ecli-nl-rbdha-2026-18478",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":127,"ecli":128,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":129,"language":7,"source":17,"sourceUrl":130,"summary":14,"slug":131,"metadata":132},"703","ECLI:NL:RBDHA:2026:18481","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62642\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.\n\nOverwegingen\n\nVoor het wettelijk kader en de aan de beslissing ten grondslag liggende overwegingen verwijst de rechtbank naar de aan deze uitspraak gehechte bijlage.\n\nIs de beslistermijn dan wel een eerder door de rechtbank gestelde nadere termijn overschreden?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs er een correcte ingebrekestelling en is het beroep meer dan twee weken later ingesteld?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nIs het beroep gegrond?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nBinnen welke termijn moet verweerder alsnog een besluit nemen?\n\nEr is sprake van bijzondere omstandigheden, de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is overschreden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak.\n\nIs er aanleiding om een rechterlijke dwangsom op te leggen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog is de rechterlijke dwangsom als verweerder niet binnen deze termijn beslist?(X) € 50 per dag met een maximum van € 15.000.\n\nIs er aanleiding om proceskosten vast te stellen?\n\n(X) Ja ( ) Nee\n\nHoe hoog zijn de te vergoeden proceskosten?De volgende proceskosten worden toegekend:\n\n(X) 1 punt voor het indienen van het beroepschrift\n\nmet een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n(X) verklaart het beroep gegrond;\n\n(X) vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;\n\n(X) draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;\n\n(X) bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 50 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;\n\n(X) veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nBijlage\n\nDe rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nTegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld.Het beroepschrift kan worden ingediend als het bestuursorgaan niet tijdig een besluit heeft genomen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.\n\nOp grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven. Voor zover verweerder met de WBV 2023\u002F3de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd,is de rechtbank van oordeel dat deze verlenging onvoldoende is gemotiveerd.Dit betekent dat de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging ontbreekt en dat de beslistermijnen voor dergelijke aanvragen zes maanden is. Als niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een beroep tegen niet tijdig beslissen, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.\n\nVoor zover de ingebrekestelling voor de inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken is ingediend geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, waarmee de wetgever de bestuurlijke dwangsom heeft afgeschaft in asielzaken. Dit is niet in strijd met het Unierecht.Indien de ingebrekestelling is ingediend op of na 15 april 2025 is op grond van artikel 71b van de Vw geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd.\n\nAls verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak.Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.\n\nDe rechtbank bepaalt dat verweerder bij het overschrijden van de door de rechtbank vastgestelde termijn een dwangsom verschuldigd is voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden.Dit is de rechterlijke dwangsom.\n\nAls eiser is bijgestaan door een rechtsbijstandverlener, stelt de rechtbank een vergoeding vast van zijn kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.De zaak is van licht gewicht als het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en\u002Fof een dwangsom is verbeurd.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is een ingebrekestelling echter niet vereist wanneer de bestuursrechter eerder een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet heeft gehouden.\n\n Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.\n\n Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023\u002F3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000; gepubliceerd in Staatscourant 2023 nr. 3235.\n\n Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10278.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352.\n\n Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.\n\n Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.\n\n Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18481","ecli-nl-rbdha-2026-18481",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":134,"ecli":135,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":136,"language":7,"source":17,"sourceUrl":137,"summary":14,"slug":138,"metadata":139},"704","ECLI:NL:RBDHA:2026:18485","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F1570uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot.\n\nDe rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2000 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is op 11 november 2022 Nederland ingereisd. Op 29 juni 2023 heeft hij kenbaar gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Op 5 juli 2023 is hij in de gelegenheid gesteld om een asielaanvraag te ondertekenen.\n\n2. Op 8 mei 2025 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren in Riyad, Saoedi-Arabië, en dat hij daar tot aan zijn vertrek op 9 november 2022 heeft gewoond. Ook heeft hij verklaard dat een reisbureau voor hem het Schengenvisum heeft geregeld waarmee hij Nederland is ingereisd, en de verblijfplaats bij een onbekende in Nederland waar hij heeft verbleven in de periode totdat hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Verder heeft eiser verklaard dat hij Saoedi-Arabië heeft verlaten omdat hij zijn baan is kwijtgeraakt, geen nieuwe baan kon vinden en zijn verblijfsvergunning ging verlopen. Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij niet kan terugkeren naar Jemen omdat hij daar niemand kent, omdat er een gewapende strijd gaande is en omdat hij gedwongen gerekruteerd zou kunnen worden door de Houthi’s. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij niet behoort tot een stam en dat hij de stroming Al-Wahabi binnen de Islam aanhangt, en dat dit grote obstakels zijn voor een leven in het huidige Jemen. Ook heeft eiser verklaard dat er zich in Jemen een wraakconflict afspeelt waarbij veertien leden van zijn familie zijn gedood.\n\nDe standpunten\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw), omdat eiser niet zo snel mogelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wil aanvragen. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder worden mensen die niet bij een stam horen en die de stroming Al-Wahabi aanhangen in Jemen niet vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar Jemen volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er in Jemen een relatief hoger niveau van willekeurig geweld is zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt waarom hij denkt te zullen worden gerekruteerd en hij heeft ook nooit eerder een oproep ontvangen. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het wraakconflict en niet concreet gemaakt waarom hij daarvoor te vrezen heeft, aldus verweerder. De slechte humanitaire omstandigheden in Jemen spelen hierbij volgens verweerder geen rol, omdat niet gebleken is dat deze door de strijdende partijen als oorlogsmethode worden ingezet. Het bestreden besluit geldt niet als terugkeerbesluit. Aan eiser is namelijk in afwachting van de definitieve beoordeling voorlopig uitstel van vertrek om medische redenen verleend zoals bedoeld in artikel 64 van de Vw.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen. Op 14 juni 2025 heeft eiser een arrestatiebevel overgelegd van het Jemenitische Openbaar Ministerie van 14 januari 2019, waarin staat dat hij wordt gezocht wegens godsdienstschendingen.\n\n5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd naar welke regio binnen Jemen hij zou moeten terugkeren.\n\n6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025 (AAB). Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in een aantal delen van Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, in een aantal delen een relatief lager niveau van willekeurig geweld en in een aantal delen geen van beiden. Hierbij is niet alleen gekeken naar de aantallen dodelijke slachtoffers en zijn de humanitaire omstandigheden in voldoende mate betrokken. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat van eiser kan worden verwacht dat hij zelf zijn vertrek naar Jemen voorbereidt, en dat het voor de hand ligt dat hij terugkeert naar een gedeelte van het land waar geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl.\n\n7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder zal worden ingegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nHet beoordelingskader\n\n8. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser.\n\n9. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak X. en Y. uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade.\n\n10. Verweerder heeft in onderdeel C2\u002F3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:\n\nde vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n11. In het arrest van het HvJEU van 10 juni 2021 in de zaak CF en DN, ECLI:EU:C:2021:472, is uiteengezet welke omstandigheden moeten worden meegewogen bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een ‘ernstige en individuele bedreiging’ zoals bedoeld in artikel 15c van de Krl. Het HvJEU heeft daarbij onder meer overwogen dat de daadwerkelijke bestemming van de verzoeker daarbij moet worden betrokken (punt 43).\n\n12. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.\n\nDe toepassing\n\n13. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025\u002F20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende.\n\n14. Verweerder heeft ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zelf bepaalt naar welk gebied binnen Jemen hij terugkeert. Dit is immers in strijd met punt 43 van het arrest CF en DN zoals hiervoor onder 11 aangehaald. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank nog het volgende.\n\n15. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 12 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.\n\n16. Daarnaast is het WBV 2025\u002F20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat.Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden.\n\n17. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan beoordeling van de door eiser naar voren gebrachte beroepsgronden over deze individuele elementen.\n\nDe conclusie en de gevolgen\n\n18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025, en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Ook zal verweerder deze nieuwe beoordeling moeten relateren aan het gedeelte van Jemen waarnaar eiser volgens hem moet terugkeren. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in dit gedeelte van Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder daarbij opnieuw moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en niet ongeloofwaardig geachte individuele elementen: het niet behoren tot een stam, het ontbreken van een netwerk in Jemen, het aanhangen van de geloofsstroming Al-Wahabi, het familiaire wraakconflict, het profiel dat kan leiden tot gedwongen rekrutering en het overgelegde arrestatiebevel.\n\n19. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit van 15 mei 2025;\n\n draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Het betreft met name:\n\n ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026.\n\n UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025.\n\n NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025.\n\n Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025.\n\n CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18485","ecli-nl-rbdha-2026-18485",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":141,"ecli":142,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":143,"language":7,"source":17,"sourceUrl":144,"summary":14,"slug":145,"metadata":146},"706","ECLI:NL:RBDHA:2026:18495","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F1706uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder\n\n(gemachtigden: mr. C.W.M. van Breda, mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).\n\nInleiding\n\nIn het besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.\n\nEiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nVerweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\nEiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft de op 29 oktober 2025 geagendeerde zitting van de enkelvoudige kamer geannuleerd en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot.\n\nDe rechtbank heeft de uitspraaktermijn tweemaal verlengd.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2006 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 12 april 2023 asiel aangevraagd in Nederland.\n\n2. Op 13 augustus 2024 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft onder meer verklaard dat hij in [plaats] Jemen, en dat er veel veranderde door de komst van de Houthi’s, die een machtsstrijd voeren tegen de regering. Omdat eiser niet mee wilde doen met hun activiteiten over de jihad kreeg het hoofd van de wijk een hekel aan hem en werd zijn familie slechter behandeld dan anderen. Op een avond in juli 2022 is eiser aangerand door [persoon] , de buurman van het hoofd van de wijk. Eiser heeft aangifte gedaan maar werd niet geholpen omdat hij geen bewijzen kon overleggen. Daarna is eiser door [persoon] telefonisch bedreigd en werden er op straat roddels over hem verspreid. Eiser heeft vervolgens tegen de jongens op straat verteld over de aanranding. Ook heeft hij gezegd dat het hoofd van de wijk, een Houthi, slecht is omdat hij aan de kant van [persoon] staat. Eind 2022 werd eiser door de Houthi’s gezocht, kwamen zij met een brief bij zijn moeder aan de deur en is hij ongeveer zeven dagen daarna gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer naar Jemen te worden vermoord door het hoofd van de wijk en de Houthi’s.\n\nDe standpunten\n\n3. In het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft gekregen met [persoon] en dat er een klacht\u002Farrestatiebevel van het hoofd van de wijk tegen hem is uitgevaardigd. Volgens verweerder heeft eiser dit namelijk niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft hij hierover geen samenhangende en aannemelijke verklaringen afgelegd. Volgens verweerder heeft eiser geen geloofwaardige asielmotieven naar voren gebracht die raakvlak hebben met het Vluchtelingenverdrag 1951 (Vlv). Ook loopt eiser bij terugkeer naar [plaats] volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder neemt aan dat er vanwege de algemene veiligheidssituatie sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011\u002F95\u002FEU (Krl). Eiser heeft volgens verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat hij hiervan persoonlijk slachtoffer zal worden. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Jemen.\n\n4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder ten onrechte aan hem heeft tegengeworpen dat hij zijn asielmotieven niet naar voren heeft gebracht in het aanmeldgehoor. Dit is daarvoor immers niet bedoeld. Ook voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet samenhangend heeft verklaard. Daarbij heeft verweerder te weinig rekening gehouden met zijn minderjarigheid. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, en dat de humanitaire situatie niet voornamelijk te wijten is aan de strijdende partijen.\n\n5. In de aanvulling op de beroepsgronden van 16 oktober 2025 heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, waarin is geoordeeld dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw moet beoordelen. Ook heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920, waarin is geoordeeld dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Het nieuwe landgebonden beleid dat verweerder op 8 oktober 2025 heeft bekendgemaakt, voldoet volgens eiser niet aan de opdracht van de Afdeling. Verweerder heeft daarbij volgens eiser namelijk ten onrechte alleen gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers in relatie tot de totale bevolking, en ten onrechte niet onderkend dat er oorlogsmethoden worden gebruikt die de toegang tot humanitaire hulp bemoeilijken.\n\n6. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Ten aanzien van de geloofwaardigheid ziet verweerder geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor wel in de gelegenheid is gesteld om zijn asielmotieven naar voren te brengen en omdat bij de beoordeling niet teveel is verwacht van het vermogen om te herinneren. Met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2025\u002F20 van 15 oktober 2025 is het nieuwe landgebonden beleid voor Jemen gepubliceerd. Dit is gebaseerd op de kamerbrief van 8 oktober 2025 met kenmerk 6339169 en de daarbij gevoegde beslisnota en bijlage over artikel 15c van de Krl. Deze zijn opgesteld aan de hand van het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van 18 april 2025. Uit dit nieuwe beleid volgt dat volgens verweerder in [plaats] sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.\n\n7. Eiser voert in zijn reactie op het verweerschrift aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de ernst van de algemene veiligheidssituatie in sommige delen van Jemen lager inschat dan vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Hierbij verwijst hij naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462. Uit beide uitspraken volgt dat verweerder zich had moeten uitlaten over de vraag waarom niet de hoogste gradatie van artikel 15c van de Krl zich voordoet in Jemen, mede gelet op de humanitaire omstandigheden. Ook verwijst eiser naar landeninformatie waarop hierna verder door de rechtbank zal worden ingegaan.\n\nDe rechtbank oordeelt als volgt.\n\nDe geloofwaardigheid\n\n8. Op grond van artikel 4 van de Krl, overgenomen in artikel 31 van de Vw, wordt van een asielzoeker verlangd dat hij relevante documentatie overlegt. Als deze ontbreekt, moet worden beoordeeld of daarvoor een plausibele verklaring bestaat en of de asielzoeker samenhangende en aannemelijke verklaringen heeft afgelegd over zijn asielrelaas.\n\n9. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat wat tijdens het aanmeldgehoor is verklaard over het asielrelaas geen gevolg mag hebben voor de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Dit is namelijk duidelijk neergelegd in artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en de bijbehorende Nota van toelichting (Staatsblad 2021\u002F250, pagina’s 27 en 28). Daarmee verhoudt zich niet dat verweerder eiser tijdens het aanmeldgehoor wel heeft bevraagd over zijn asielrelaas. Deze omstandigheid kan verweerder dan ook niet baten. Door aan eiser tegen te werpen dat hij tijdens zijn aanmeldgehoor niet heeft verklaard over al zijn asielmotieven heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.\n\n10. Uit verweerders werkinstructie 2024\u002F6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken, die inmiddels is opgevolgd door de werkinstructie 2026\u002F16, volgt dat verweerder het referentiekader in kaart moet brengen. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop een individuele asielzoeker in staat is om te verklaren over zijn asielrelaas. Hoewel er geen verplichting bestaat om in de beslissing op de asielaanvraag afzonderlijk uiteen te zetten wat volgens verweerder het referentiekader is, moet bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas wel altijd kenbaar rekening worden gehouden met wat gelet op het referentiekader van de betreffende asielzoeker mag worden verwacht. In deze zaak heeft verweerder van eiser verwacht dat hij gedetailleerder kan verklaren dan hij heeft gedaan. Verweerder heeft echter nagelaten uiteen te zetten waarom dit van eiser kan worden verwacht gelet op zijn referentiekader, waarbij onder meer zijn relatief jonge leeftijd van belang is. Dat eisers verklaringen in samenhang zijn bekeken en dat hij op sommige onderdelen van zijn asielrelaas wel gedetailleerd verklaart, is daarvoor onvoldoende. Ook in zoverre heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld.\n\n11. Tegen deze achtergrond heeft verweerder ten onrechte overwogen dat de door eiser gestelde problemen met [persoon] ongeloofwaardig zijn. Verweerder is daarbij uitgegaan van de aanname dat het voor eiser fysiek onmogelijk moet zijn geweest om uit de auto van [persoon] te ontsnappen. Dit is echter niet terug te voeren op de verklaringen van eiser, die heeft gezegd dat hij daartoe enkel het slot van de deur omhoog hoefde te duwen en vervolgens met de hendel de deur open kon maken. Ook is verweerder uitgegaan van de aanname dat [persoon] daarna niet zou willen roepen naar eiser omdat hij niet zou willen dat de aanranding breed bekend zou worden. Uit eisers verklaringen is echter niet op te maken dat [persoon] bij het roepen de aanranding heeft benoemd. Mede gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder verder ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet op de minuut nauwkeurig heeft kunnen benoemen hoe lang zijn moeder, broer en neef weg waren om verhaal te gaan halen bij [persoon] . Hierbij heeft verweerder geen onderbouwing gegeven van zijn stelling dat het na het meemaken van een zeer ingrijpende gebeurtenis mogelijk moet zijn om dergelijke details te onthouden. Ten aanzien van de telefonische bedreiging werpt verweerder aan eiser tegen dat hij niet kan uitleggen hoe [persoon] “makkelijk en snel” aan zijn huistelefoonnummer is gekomen. Het is echter niet terug te voeren op eisers verklaringen dat [persoon] makkelijk en snel aan het nummer is gekomen. Daarbij heeft verweerder niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat het alleen mogelijk is om gebeld te worden door mensen van wie men van tevoren weet dat diegenen over het juiste telefoonnummer beschikken. Als verweerder meent dat het niet geloofwaardig is dat [persoon] als wijkgenoot van eiser niet al bij voorbaat bekend was met het telefoonnummer, dan wel dit betrekkelijk eenvoudig kon achterhalen, had hij dat nader moeten motiveren. Verweerder heeft ook niet toegelicht waarom hij ervan uitgaat dat [persoon] of het hoofd van de wijk heeft rondverteld in de wijk over de aanranding. Hierbij is verweerder bovendien niet ingegaan op eisers verklaringen dat hij het voorval heeft gemeld bij de wijkagent. Evenmin licht verweerder toe waarom het volgens hem voor [persoon] en het hoofd van de wijk nadelig is om dit te doen. Hierbij is verweerder niet ingegaan op eisers verklaringen dat zij erop uit waren om eiser in een kwaad daglicht te stellen. Ten aanzien van de aangifte had eiser volgens verweerder moeten weten of er daarvan documenten zijn opgesteld omdat er sprake was van een heftig voorval. Dit staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie met elkaar in verband.\n\n12. Gelet hierop komt verweerders beoordeling van de geloofwaardigheid van de aanwezigheid van een klacht\u002Farrestatiebevel van het hoofd van de wijk in een ander daglicht te staan. In de besluitvorming is verweerder er namelijk van uitgegaan dat er hiervoor geen aanleiding was, terwijl dat gelet op het voorgaande ontoereikend gemotiveerd is. Verweerder heeft onderkend dat eiser in de aanvulling op zijn zienswijze alsnog diverse documenten heeft overgelegd, te weten kopieën van de aangifte tegen [persoon] , bevelen tot aanhouding en oproepen om te verschijnen. Hoewel verweerder heeft opgemerkt dat kopieën niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht, en dat eiser niet heeft toegelicht waar de originelen zijn en waarom hij de kopieën niet eerder heeft overgelegd, heeft verweerder terecht ook de inhoud van deze documenten in de beoordeling betrokken. Daartoe is hij namelijk verplicht op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478, in de zaak [naam 1] . Verweerder heeft echter ten onrechte overwogen dat deze documenten afbreuk doen aan eisers asielrelaas. De omstandigheid dat de aangifte in de ochtend is opgemaakt, betekent niet dat het document onlogisch is vanwege eisers verklaring dat hij in de avond naar de politie is gegaan. Naar algemene bekendheid is het namelijk mogelijk dat de politie op een later moment een verslag opmaakt van een aangifte. Eiser heeft verklaard dat de aanranding in juli 2022 heeft plaatsgevonden. De aangifte is gedagtekend op 29 juli 2022. Dit komt met elkaar overeen. Ook de beschrijving van de gebeurtenissen komt overeen met eisers verklaringen. De enkele omstandigheid dat niet letterlijk wordt benoemd dat het ging om een seksuele aanranding, maakt niet dat het document onlogisch is. Verder komt het overeen met eisers verklaringen dat blijkens het eerste bevel tot aanhouding en voorgeleiding sprake is geweest van belediging van een wijkhoofd. De enkele omstandigheid dat dit document spreekt over andere bevelen tot aanhouding die eiser niet heeft overgelegd, maakt niet dat dit document onlogisch is.\n\n13. Dit breng mee dat verweerder eisers asielrelaas met de gegeven motivering ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Omdat uit het navolgende zal blijken dat verweerder ook op het punt van de zwaarwegendheid een nieuw besluit moet nemen, acht de rechtbank het niet opportuun om een bindend oordeel te geven over de geloofwaardigheid zoals bedoeld in het arrest van het HvJEU van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, in de zaak Ebilum. In plaats daarvan zal de rechtbank verweerder opdragen om een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten.\n\nHet beoordelingskader bij de zwaarwegendheid\n\n14. Het verlenen van een asielvergunning kan, naast de aanwezigheid van vluchtelingschap zoals bedoeld in het Vlv, gelegen zijn in een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. In deze zaak is niet in geschil dat er geen sprake is van vluchtelingschap. De rechtbank ziet zich wel voor de vraag gesteld of de veiligheidssituatie in Jemen, meer in het bijzonder [plaats] , leidt tot een risico op ernstige schade voor eiser.\n\n15. Op grond van artikel 15c van de Krl kan ernstige schade bestaan uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In deze zaak is niet in geschil dat er in Jemen sprake is van een dergelijk conflict. Het HvJEU heeft in het arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843, in de zaak [naam 2] . en [naam 3] . uiteengezet dat willekeurig geweld in het kader van artikel 15c van de Krl verschillende gradaties kent, en dat daarbij sprake is van een glijdende schaal. Bij een lager niveau van willekeurig geweld kan sprake zijn van een reëel risico op ernstige schade als een asielzoeker met individuele elementen aannemelijk maakt dat hij een verhoogd risico loopt om daarvan slachtoffer te worden. Bij een hoger niveau van willekeurig geweld zijn er minder individuele elementen nodig om een dergelijk risico aannemelijk te maken. Alleen in de meest uitzonderlijke situaties van willekeurig geweld is de aanwezigheid in een bepaald gebied op zichzelf al voldoende voor een reëel risico op ernstige schade.\n\n16. Verweerder heeft in onderdeel C2\u002F3.3.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 vastgelegd welke aspecten hij betrekt bij het beoordelen van het niveau van willekeurig geweld:\n\nde vraag of de partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen,\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n17. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, geoordeeld dat bij de toepassing van artikel 15c van de Krl ook rekening moet worden gehouden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld binnen een binnenlands gewapend conflict.\n\nDe toepassing\n\n18. Allereerst stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit dateert van vóór het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Jemen zoals dat op 15 oktober 2025 is gepubliceerd onder WBV 2025\u002F20. Al hierom is het beroep gegrond en moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De vervolgvraag is of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Dit zou het geval kunnen zijn als de motivering met het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op een deugdelijke wijze is aangevuld. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend gelet op het volgende.\n\n19. Uit de ‘15c beoordeling Jemen’ die als bijlage bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 is gevoegd, volgt dat verweerder slechts de humanitaire omstandigheden in Jemen in zijn beoordeling heeft betrokken voor zover die worden ingezet als instrument van oorlogsvoering. In de beslisnota bij deze kamerbrief is opgenomen dat verweerder niet heeft gekeken naar de cumulatieve gevolgen van de langdurige oorlog voor de humanitaire situatie. In de hiervoor onder 17 aangehaalde Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 is echter geoordeeld dat niet alleen het bewust inzetten van de humanitaire situatie als oorlogstactiek relevant is in het kader van artikel 15c van de Krl, maar dat alle humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het gewapende conflict daarbij een rol spelen. Dit heeft verweerder ten onrechte niet onderkend.\n\n20. Daarnaast is het WBV 2025\u002F20 gebaseerd op het AAB van 18 april 2025, dat volgens pagina 6 de verslagperiode beslaat tot en met 28 februari 2025. Dit is ruimschoots vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Ook de ‘15c beoordeling Jemen’ bij de kamerbrief van 8 oktober 2025 dateert van vóór die Afdelingsuitspraak. Dit roept de vraag op in hoeverre verweerder rekening heeft kunnen houden met de opdracht die de Afdeling hem heeft gegeven. De rechtbank is niet overtuigd van het standpunt van verweerder tijdens de zitting dat dit is gebeurd. Zoals hiervoor al is overwogen, is verweerder onvoldoende gemotiveerd ingegaan op de humanitaire situatie ondanks de opdracht daartoe van de Afdeling. Verder geeft de ‘15c beoordeling Jemen’ naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende weer hoe verweerder aan de hand van het samenstel van alle relevante aspecten uiteindelijk de afweging heeft gemaakt welk niveau van willekeurig geweld volgens hem van toepassing is. Weliswaar worden de vragen die in dat kader volgens het beleid van belang zijn beantwoord, maar onvoldoende blijkt waarom daaruit volgens verweerder volgt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Daar komt nog bij dat eiser heeft gewezen op diverse recentere landenrapportages en nieuwsberichten waaruit een zeer verontrustend beeld ontstaat.Het beeld dat naar voren komt, is namelijk dat de strijd in Jemen sinds december 2025 weer is opgelaaid. Er is blijkens deze informatie een significante toename van willekeurig geweld met meer burgerslachtoffers tot gevolg, en ook van conflictgerelateerde humanitaire obstructie en ontheemding. De inschatting door verweerder van de mate van willekeurig geweld in Jemen heeft met deze recente informatie geen rekening gehouden.\n\n21. Dit brengt mee dat verweerder niet met de gegeven motivering mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in [plaats] . Daarmee kon er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat eiser individuele elementen naar voren moet brengen die aannemelijk maken dat hij van het willekeurig geweld slachtoffer zal worden.\n\nDe conclusie en de gevolgen\n\n22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank verweerder opdragen om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder zal daarbij allereerst alsnog een zorgvuldige en deugdelijk gemotiveerde geloofwaardigheidsbeoordeling moeten verrichten. Vervolgens zal verweerder alsnog een inschatting moeten maken van het niveau van willekeurig geweld in Jemen, in het bijzonder [plaats] , die voldoet aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en die rekening houdt met de recentste landeninformatie. Voor zover verweerder niet het standpunt zal innemen dat in [plaats] sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, zal verweerder moeten beoordelen hoe het niveau van willekeurig geweld zich verhoudt tot de door eiser naar voren gebrachte en geloofwaardig geachte individuele elementen.\n\n23. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart het beroep gegrond;\n\n vernietigt het bestreden besluit van 27 januari 2025;\n\n draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;\n\n veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter en voorzitter, en mr. B.F.Th. de Roos en mr. M.J. Schouw, rechters, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nHet betreft met name:\n\n ACLED, ‘Middle East Overview: January 2026’, 12 januari 2026.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘The Yemeni crisis: More complexity and many repercussions’, 5 januari 2026.\n\n Al Jazeera, ‘Saudi-backed government forces retake multiple cities in southern Yemen’, 4 januari 2026.\n\n UNHCR - UN High Commissioner for Refugees, ‘Annual report on humanitarian needs, the security situation and protection’, 30 december 2025.\n\n NOS, ‘Saudi-Arabië valt haven in Jemen aan vanwege wapenleverantie’, 30 december 2025.\n\n Global Protection Cluster, ‘Yemen Protection Impact Report: Civilian Harm and Urgent Protection Response Needs’, 21 juli 2025.\n\n CGRS-CEDOCA, ‘Jemen: Veiligheidssituatie’, 19 mei 2025.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18495","ecli-nl-rbdha-2026-18495",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":148,"ecli":149,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":150,"language":7,"source":17,"sourceUrl":151,"summary":14,"slug":152,"metadata":153},"709","ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10343\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak van\n [verzoeker] , verzoeker\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\nhangende het verzet tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 mei 2026 in het geschil tussen\n\nverzoeker\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder.\n\nInleiding\n\nIn de uitspraak van 21 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:13742, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard.\n\nVerzoeker heeft verzet (AWB 26\u002F4023 V) gedaan tegen deze uitspraak. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nDe voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.\n\n2. Volgens het besluit van 11 maart 2026 op de asielaanvraag van verzoeker moet hij worden overgedragen aan de autoriteiten van Duitsland op grond van de Verordening (EU) Nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening). Artikel 29, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat overdracht moet plaatsvinden binnen zes maanden na aanvaarding van het terugnameverzoek. De autoriteiten van Duitsland hebben op 22 januari 2026 het verzoek van verweerder om verzoeker terug te nemen aanvaard. Gelet daarop komt de uiterste overdrachtsdatum (UOD) in zicht. Daarmee is de vereiste onverwijlde spoed gegeven, zodat op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb buiten zitting uitspraak kan worden gedaan.\n\n3. Verzoeker heeft aan het verzoek om een voorlopige voorziening ten grondslag gelegd dat hij een mondelinge behandeling van het verzetschrift wenst en dat hij daarbij in persoon aanwezig wenst te zijn. Daarom verzoekt hij de voorzieningenrechter om de overdracht op te schorten totdat op het verzetschrift is beslist.\n\n4. Gelet op artikel 8:55, vierde lid, van de Awb moet het verzetschrift op een zitting worden behandeld. Verzoeker heeft een belang om daarbij aanwezig te zijn. Hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat hij niet wordt bijgestaan door een professionele rechtsbijstandsverlener. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn verzetschrift aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al over te dragen. Daarnaast betekent opschorting van de overdracht dat de UOD wordt gestuit, zodat dit in zoverre niet nadelig is voor de mogelijkheden om verzoeker over te dragen.\n\n5. Er is niet gebleken van proceskosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen voordat op zijn verzetschrift in de zaak met nummer AWB 26\u002F4023 V is beslist.\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18500","ecli-nl-rbdha-2026-18500",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":155,"ecli":156,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":86,"fullText":157,"language":7,"source":17,"sourceUrl":158,"summary":14,"slug":159,"metadata":160},"696","ECLI:NL:RBDHA:2026:18475","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Middelburg\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.56714\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [verzoeker] , verzoeker,\n\nV-nummer: [V-nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. K. Yousef),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,verweerder.\n\nProcesverloop\n\nVerzoeker heeft op 19 november 2025 opnieuw beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 25 maart 2024.\n\nOp 20 juni 2026 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag.\n\nVerzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.\n\nDe rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.\n\nOverwegingen\n\n1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb.3 Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.\n\n2. Nu verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op de aanvraag van verzoeker heeft besloten en alsnog een besluit heeft genomen op deze aanvraag hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen, is verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker tegemoetgekomen.\n\n3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op\n\n € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).\n\nDeze uitspraak is gedaan op 2 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van M. Strik, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin\n\nu uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit\n\nverzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet\n\ndeze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,\n\nkunt u dit in uw verzetschrift vermelden\n\n Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.\n\n Algemen wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18475","ecli-nl-rbdha-2026-18475",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]