[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2025-1430":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2025-1430":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1208","ECLI:NL:GHARL:2025:1430","",60,"Arnhem","arnhem","2025-03-12T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003130-22\n\nUitspraak van 12 maart 2025\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 19 juli 2022 met parketnummer 05-780013-20 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1978,\n\nwonende te [adres] .\n\nHet hoger beroep\n\nDe officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 februari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.\n\nHet hof heeft daarnaast kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,\n\nmr. E. Manders, naar voren is gebracht.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de advocaat van de benadeelde partijen, mr. P.M. Breukink.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nVerdachte is door de rechtbank vrijgesproken van alle ten laste gelegde vormen van betrokkenheid bij de dood van zijn partner [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank heeft – kort gezegd – geoordeeld dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van het door verdachte samendrukken van haar hals. De rechtbank heeft echter overwogen dat aannemelijk is geworden dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overlijden van [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin, en dat sprake is geweest van een ongeluk.\n\nDe benadeelde partijen, [moeder slachtoffer] en [dochter slachtoffer] , de moeder respectievelijk de dochter van [slachtoffer] , zijn als gevolg van deze integrale vrijspraak in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHet hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.\n\nDe tenlastelegging\n\nAan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\nprimair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden;\n\nmeer subsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten kneuzingen aan het hoofd, halsspierbloedingen en\u002Fof uitgebreide stuwingsverschijnselen, heeft toegebracht, door op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;\n\nmeest subsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, op het hoofd en\u002Fof de hals en\u002Fof de borst van deze [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) heeft toegepast\u002Fuitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.\n\nStandpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Hij heeft daarom vrijspraak gevorderd van de primair ten laste gelegde moord.\n\nHij heeft betoogd dat wel bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nHij heeft daartoe aangevoerd dat uit de deskundigenrapportages volgt dat het slachtoffer door samendrukkend geweld op de hals, ook wel: verwurging, om het leven is gekomen.\n\nNu verdachte de enige persoon is die bij het slachtoffer aanwezig was in het tijdsbestek waarin het fatale letsel moet zijn ontstaan, gaat de advocaat-generaal ervan uit dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gewurgd.\n\nDe advocaat-generaal acht de verklaringen van verdachte en het door hem geschetste alternatieve scenario niet alleen onvoldoende om het letsel te verklaren maar ook volstrekt ongeloofwaardig. Bij gebreke van een aannemelijke verklaring van verdachte moet volgens de advocaat-generaal worden geconcludeerd dat het verwurgen van het slachtoffer zodanig op de dood gericht is geweest dat het niet anders kan dan dat verdachte dat gevolg willens en wetens heeft aanvaard.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het slachtoffer opzettelijk om het leven heeft gebracht.\n\nDe combinatie van extreme GHB-intoxicatie, een fysieke interactie waarbij verdachte probeerde zijn partner in bedwang te houden en de daarmee gepaard gaande mogelijkheid van een verstikkingshouding, maken het scenario aannemelijk dat sprake is geweest van een ongeluk.\n\nBovendien ontbreken objectieve aanknopingspunten die duiden op een motief voor verdachte om het slachtoffer te doden en het door hem gepleegde geweld vervolgens te verhullen, aldus de raadsman.\n\nDe verklaring van verdachte\n\nVerdachte is op 9 april, 13 april, 14 april, 15 april, 14 mei, 29 mei, 23 juli en 24 juli 2020 en op 20 april 2021 door de politie verhoord.\n\nOp de zitting van de rechtbank op 16 juni 2022 heeft verdachte voor het eerst een verklaring afgelegd over de momenten waarop hij het slachtoffer voor het laatst in leven heeft gezien. Hij heeft deze verklaring op de zitting van het hof van 6 februari 2025 herhaald en op sommige punten aangevuld.\n\nDe verklaring van verdachte houdt in de kern het volgende in.\n\nVerdachte en het slachtoffer hebben vanaf zondag 5 april 2020 tot donderdag 9 april 2020 samen veel drugs (GHB en amfetamine), lachgas en alcohol gebruikt en weinig geslapen. Zij deden dit in “de kantine”, zoals zij een ruimte in hun woning aan [straat] in [plaats] noemden.\n\nOp 9 april 2020 zag verdachte op een gegeven moment dat het slachtoffer voor hem op de grond zat en dat zij “bijna outging”, waarmee verdachte bedoelt dat zij heel erg druk was, begon te blazen en te kreunen, onsamenhangend sprak en alsmaar extra GHB wilde pakken.\n\nVerdachte wilde het slachtoffer tegen zichzelf in bescherming nemen. Om te voorkomen dat zij opnieuw GHB zou innemen, heeft hij haar toen beetgepakt. Verdachte deed dit door van de bank op te staan, naar beneden te reiken om het op dat moment nog op de grond zittende slachtoffer van achteren met zijn armen rond haar middel en om haar armen te omklemmen, haar tegen zich aan omhoog te trekken en, nadat hij zelf in zittende houding op de bank was gekomen, haar op de bank te leggen.\n\nTijdens deze handelingen hield verdachte het slachtoffer omklemd omdat zij bleef tegenstribbelen, wild om zich heen sloeg en opnieuw GHB wilde pakken.\n\nVerdachte is vervolgens op de bank in slaap gevallen terwijl hij, denkt hij, het slachtoffer nog altijd vasthield. Hij heeft op dat moment niet gezien dat zij in slaap viel. Verdachte heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat zijn arm tijdens het op de bank trekken van het slachtoffer in de richting van haar hals is verschoven, waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor hyperextensie is veroorzaakt die enige tijd heeft aangehouden, zoals door de rechtbank is overwogen. Hierdoor zouden de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen dan zijn ontstaan. Verdachte heeft aan het naar boven verschuiven van zijn arm richting de hals van het slachtoffer echter geen herinnering.\n\nToen verdachte wakker werd, is hij naar de wc gegaan. Toen hij daarvan terugkwam, probeerde hij het slachtoffer wakker te maken. Toen zij niet reageerde, maakte verdachte zich in eerste instantie nog geen zorgen omdat hij dacht dat ze nog outwas (waarmee hij in deze context bedoelt dat zij sliep door de GHB).\n\nVerdachte heeft het slachtoffer opgepakt en heeft haar vervolgens naar de slaapkamer getild, omdat hij weg wilde uit het “junkenhok” zoals hij de kantine op dat moment typeerde.\n\nToen verdachte het slachtoffer optilde, merkte hij dat ze koud en klam was en niet meewerkte. Ook reageerde ze niet op pijnprikkels.\n\nNadat verdachte haar naar de slaapkamer had gebracht en haar op het bed had gelegd, zag hij dat het slachtoffer er “rood, blauw of misschien wel paars” uitzag en constateerde hij voor het eerst dat ze letsel aan haar hoofd had en dat er bloed uit haar neus kwam.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer, nadat hij haar had beetgepakt en op de bank had gelegd, op enig moment wakker is geworden, opnieuw GHB heeft gepakt en mogelijk “laveloos tegen een muur aan is gelopen”. Verdachte vermoedt dat de letsels aan het gezicht op dat moment zijn ontstaan, maar hij weet dat niet zeker.\n\nVerdachte heeft het slachtoffer mond-op-mondbeademing gegeven. Toen dat geen effect had, realiseerde hij zich dat het “foute boel” was en dat het slachtoffer mogelijk was overleden. Verdachte is toen gedurende enige tijd naast haar gaan liggen en heeft afscheid van haar genomen. Ook heeft hij haar omgekleed, het bed verschoond, de wasmachine aangezet en de kantine opgeruimd. Daarna heeft verdachte eerst zijn ouders en vervolgens het alarmnummer gebeld.\n\nBewijsmiddelen\n\nInleiding\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte en het slachtoffer dagen achter elkaar (vanaf zondag 5 april 2020 tot en met donderdag 9 april 2020) samen veel drugs (in het bijzonder amfetamine en grote hoeveelheden GHB) en daarnaast (veel) lachgas hebben gebruikt.\n\nIn de avond van woensdag 8 april 2020 en in de nacht van woensdag 8 op donderdag 9 april 2020 hebben beiden ook alcohol gedronken.\n\nDit gebruik heeft plaatsgevonden in één van de ruimtes in de woning aan [straat] in [plaats] , in het proces-verbaal aangeduid als “de kantine”.\n\nUit de verklaringen van verdachteen de bevindingen van het onderzoek aan de telefoon van het slachtoffervolgt dat zij op woensdag 8 april 2020 nog in leven was.\n\nHet hof zal daarom hierna enkel ingaan op de (relevante) gebeurtenissen van ná 8 april 2020.\n\nFeiten en omstandigheden op donderdag 9 april 2020\n\nUit onderzoek aan de telefoon van het slachtoffer (een Samsung Galaxy S10) volgt dat daarmee – voor zover relevant – op donderdag 9 april 2020 de volgende handelingen zijn verricht:\n\n- om 00.00 uur is een WhatsAppbericht gelezen;\n\nom 02.11 uur is het toestel ontgrendeld, en is onder andere de Marktplaatsapplicatie gebruikt;\n\nom 09.09 uur registreerde de telefoon surfgedrag dat gekoppeld is aan de activiteitentijdslijn van Google;\n\nom 12.43 uur is het toestel uitgeschakeld door handelen van de gebruiker. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer haar telefoon zelf heeft uitgezet omdat zij geen zin had om [naam] [het hof begrijpt: haar ex-partner, [naam] ]te woord te staan die op dat moment belde;\n\nom 18.09 uur is het toestel weer ingeschakeld;\n\ntussen 18.47 uur en 18.53 uur is er in totaal negen keer een foutief toestelwachtwoord opgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment probeerde in de telefoon van het slachtoffer te komen zodat hij het nummer van de huisarts kon opzoeken.\n\nOp 9 april 2020 tussen 18.56 uur en 19.20 uur is op de laptop (een Apple MacBook) via Googlegezocht naar de zoekterm “huisarts [plaats] ”.Verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die deze handeling heeft verricht.\n\nOp 9 april 2020 om 19.14 uur heeft verdachte met de vaste telefoonlijn naar huisarts [huisarts 1] gebeld.Verdachte belde naar eigen zeggen voor advies naar de huisarts, nadat hij had geconstateerd dat het slachtoffer niet meer reageerde, ook niet op pijnprikkels, en dat zij er “rood, blauw of misschien wel paars” uitzag en koud was. Verdachte heeft de huisarts niet gesproken.\n\nUit de verklaring van verdachte volgt verder dat hij zag dat er bloed op het shirt van het slachtoffer zat. Hij heeft het shirtje en broekje van het slachtoffer vervolgens uitgetrokken, een ander shirt en een ander broekje gepakt en deze bij haar aangedaan. Tijdens het omkleden voelde het slachtoffer volgens verdachte “hard”, “klam” en “heel stijf”, en het was alsof zij “tegendruk” gaf.\n\nDe politie heeft geconstateerd dat er over de rand van de wasmand een wit topje en een kussensloop hingen. Aan de voorzijde van het topje zat bloed.\n\nOok zag verdachte dat er bloed op het onderlaken van het bed zat. Hij heeft het beddengoed daarom in de wasmachine gedaan en de wasmachine aangezet.\n\nDe politie heeft geconstateerd dat de wasmachine ingeschakeld was. De stand van de wasmachine stond op: “Snel & Mix” en “40 graden”, de status stond op “einde”.\n\nDe wasmachine was gevuld met een theedoek, een kussensloop, een dekbedovertrek, een gastendoekje en drie hoeslakens. De goederen voelden vochtig aan.\n\nVerder heeft verdachte verklaard dat hij na het omkleden van het slachtoffer en het verschonen van het beddengoed in afwachting van de ouders van [slachtoffer] en de politie nog wat heeft opgeruimd door de gebruikte lachgasballonnen en wat andere rommel onder de bank in de kantine te schuiven.\n\nDoor de medewerkers van de afdeling Forensische Opsporing is onderzoek in de woning aan [straat] verricht. Op een aantal foto’s die naar aanleiding van dit onderzoek in de garage van de woning zijn gemaakt, is een lachgas-cilinder zichtbaar. Die cilinder was afgedekt met een doek. De wijze van aantreffen maakte op de verbalisant een zorgvuldig opgeruimde indruk waarvoor de tijd was genomen.\n\nVijftig minuten nadat verdachte het nummer van de huisarts had opgezocht (maar deze niet had gesproken), om 20.04 uur, heeft verdachtezijn ouders gebeld.Hij heeft verklaard dat hij op dat moment al wist dat het slachtoffer was overleden.\n\nOmstreeks 20.05 uur heeft verdachte gebeld naar het alarmnummer 112. Tijdens het gesprek met de centralist van de meldkamer heeft verdachte gezegd dat zijn vrouw raar deed, dat ze heel slecht ademde en dat het leek alsof ze blauw zag. Verder heeft verdachte gezegd dat ze buiten bewustzijn leek en dat hij haar middenrif niet meer op en neer zag gaan.\n\nOm 20.08 uur kreeg getuige [getuige] als burgerhulpverlener een melding van een reanimatie. Hij is ter plaatse gegaan en liep achter een man aan de woning binnen, naar een kamer waar het helemaal donker was. Naast het bed lag een vrouw op de grond. [getuige] heeft de man gevraagd een lamp aan te doen. Toen hij de reanimatie wilde starten, constateerde hij dat de vrouw ijskoud aanvoelde, dat haar arm stijf was en dat ze een gestuwd bovenlichaam had.\n\nDe politie arriveerde omstreeks 20.15 uur. Zij zagen in de slaapkamer het levenloze lichaam van een vrouw liggen. Van de ambulancemedewerkers hoorden zij dat reanimeren geen zin meer had omdat het slachtoffer al was overleden en koud aanvoelde.\n\nOmstreeks 21.30 uur arriveerde de huisarts [huisarts 2] . Na onderzoek aan het slachtoffer deelde de huisarts mee dat hij gelet op het aantal bevindingen geen verklaring van natuurlijk overlijden wilde afgeven en hij de zaak wilde overdragen aan een forensisch arts.\n\nOp 9 april 2020 omstreeks 22.00 uur is door de politie forensisch onderzoek verricht. De verbalisanten zagen dat het slachtoffer forse stuwing in het gezicht en de hals vertoonde. Verder zagen zij dat er bloed in het rechterneusgat zichtbaar was en dat er twee bloedspoortjes vanaf de neus naar het rechteroor liepen. Ook zagen de verbalisanten in de huid van het hoofd petechiae (puntbloedingen) en vibices (puntvormige veranderingen).\n\nDe verbalisanten constateerden dat de temperatuur van het slachtoffer op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur 27.3 °C bedroeg bij een omgevingstemperatuur van 18.0 °C.\n\nBij een afname van ongeveer 10.0 °C, uitgaande van een normale lichaamstemperatuur van 37.0 °C, zou het postmortale interval volgens de verbalisanten zeer waarschijnlijk aanzienlijk groter zijn dan de tijd tussen de melding van het overlijden en het uitvoeren van de meting.\n\nOp basis van de gemeten temperatuur van het slachtoffer, de omgevingstemperatuur en het geschatte gewicht van het slachtoffer, is geconcludeerd dat het tijdstip van overlijden hoogstwaarschijnlijk tussen donderdag 9 april 2020 om 05.30 uur en donderdag 9 april 2020 om 14.30 uur heeft gelegen.\n\nHet slachtoffer is geïdentificeerd als [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1980.\n\nForensische bevindingen\n\nOp 10 april 2020 omstreeks 01.18 uur heeft schouwarts [schouwarts] in het bijzijn van de politie een lijkschouw verricht. Bij deze schouw werden diverse hematomen en huidbeschadigingen op de linkerzijde van het voorhoofd en bij de haargrens geconstateerd.\n\nDaarnaast vertoonde het gelaat forse stuwing en had het slachtoffer petechiae in de slijm-\u002Fbindvliezen van beide ogen, in het oogwit van het linkeroog en in de slijmvliezen in de mond.\n\nOp 11 april 2020 heeft patholoog dr. [patholoog 1] (hierna: [patholoog 1] ) samen met patholoog [patholoog 2] sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. De voorlopige conclusie naar aanleiding van deze sectie houdt in dat het intreden van de dood van het slachtoffer verklaard kan worden door het volgende:\n\n1. Uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging).\n\nBij de sectie werden inwendige letsels (bloeduitstortingen) in de schuine halsspieren beiderzijds vastgesteld, reikend tot aan beide sleutelbeenderen.\n\nOok werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwing vastgesteld. Deze letsels\u002Fbevindingen zijn ontstaan ten gevolge van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Samendrukkend geweld op de hals leidt doorgaans tot zuurstofgebrek in de hersenen (cerebrale hypoxie).\n\n2. ( (Samen)drukken van de mond en neus (smoren).\n\nBij de sectie werden letsels aan de neus en de onderlip vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld (zoals door stoten, vallen, slaan, tegen iets aankomen), (samen)drukken van de mond en neus (smoren) of een combinatie van voornoemde oorzaken.\n\n3. Mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg).\n\nBij de sectie werden uitwendige letsels van de borst vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, mogelijk deels comprimerend geweld en deels zuigend geweld (zuigen aan de borstklieren).\n\nHiermee wordt gedacht aan drukuitoefening (traumatische mechanische compressie) op de borst zoals door stompen, zitten, duwen tegen de borst. Dit kan hebben geleid tot zuurstofgebrek en de dood.\n\nDe combinatie van geweld op de mond\u002Fneus (smoren) en drukuitoefening op de borst (traumatische mechanische compressie) kan gelijktijdig hebben plaatsgehad, ook wel ‘burking’ genoemd.\n\nTeneinde een toxicologische mede-doodsoorzaak of beïnvloeding te onderzoeken, is een toxicologisch onderzoek uitgevoerd.\n\nUit het rapport van toxicoloog drs. [toxicoloog] volgt dat in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer de volgende stoffen zijn aangetoond:\n\n Ethanol (alcohol): 0,86 mg\u002Fml in het femoraalbloed.\n\nDe gemeten ethanolconcentratie in het femoraalbloed is een concentratie waarbij, bij een gematigde gebruiker, onder andere opgewektheid, enige ontremming, verhoogde spraakzaamheid, verstoorde waarneming en vertraagde reactietijd kunnen optreden;\n\n GHB: 530 mg\u002Fl.\n\nDe gemeten GHB-concentratie in het femoraalbloed is een hoge concentratie waarbij toxische verschijnselen kunnen optreden, waaronder diepe coma-achtige slaap. Gelijktijdig gebruik van dempende stoffen (GHB en ethanol) leidt tot een sterker dempend effect op het centraal zenuwstelsel dan de stoffen afzonderlijk doen. In dit geval kunnen de effecten van GHB worden versterkt door de aanwezigheid van ethanol;\n\nBenzodiazepinen: diazepam en omzettingsproduct desmethyldiazepam in lage concentraties (0,019 mg\u002Fl en 0,013 mg\u002Fl);\n\nAmfetamine in een lage concentratie.\n\nDe toxicoloog heeft verder het volgende gerapporteerd.\n\nIn het hartbloed is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van salicylzuur (dat is een stof met een pijnstillende, koortsverlagende, ontstekingsremmende werking), maar het is niet met zekerheid in het hartbloed aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van andere geneesmiddelen, drugs en\u002Fof bestrijdingsmiddelen.\n\nDe gemeten GHB-concentratie is volgens de toxicoloog een concentratie die beter past bij GHB-concentraties die zijn gemeten bij personen die zijn overleden aan een GHB-overdosis dan bij GHB-concentraties gemeten bij personen die niet zijn overleden.\n\nDe effecten zijn echter afhankelijk van de mate van gewenning aan GHB. De toxicoloog concludeert dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel, en kan bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak het overlijden verklaren.\n\nUit het definitieve sectierapport van 11 september 2020 van patholoog [patholoog 1] volgt onder andere het volgende.\n\nBij sectie werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwingsverschijnselen vastgesteld, met rood-paarse verkleuring van het gelaat en de hals, talrijke puntvormige bloeduitstortingen (petechiae) onderhuids in het gelaat, grotere bloeduitstortingen (ecchymosen) in de bindvliezen en het oogwit boven- en onderwaarts beiderzijds en puntvormige bloeduitstortingen in het tandvlees rechtsboven.\n\nDoorgaans worden stuwingsverschijnselen (petechiae en ecchymosen en rode verkleuring van het gelaat en de hals) opgeleverd door:\n\nbij leven doorgemaakt uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging). De halsspierbloedingen passen hier ook goed bij;\n\neen plotse (acute) hartdood (maar daar was gezien de sectiebevindingen geen sprake van), en\n\nintensieve reanimatie door medici (maar daar was gezien de verkregen informatie geen sprake van).\n\nBij leven opgelopen samendrukkend geweld op de hals (verwurging) dient, mede gezien de halsspierbloedingen en de uitgebreidheid van de stuwingsverschijnselen, daarom als oorzaak voor de stuwingsverschijnselen te worden overwogen.\n\nIndien dat aan de orde is geweest, wordt verwurging aangewezen als (mede)oorzaak van of als bijdrage aan het overlijden.\n\nMevrouw [patholoog 1] heeft verder gerapporteerd dat, indien er geen sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals (verwurging) als oorzaak van de stuwingsverschijnselen, het volgende als zeldzame, maar niet uitgesloten oorzaak moet worden overwogen (mede gelet op de houding van de overledene (rondom\u002Fkort na het overlijden) en de uitkomsten van het uitgebreid toxicologisch onderzoek).\n\nIn het licht van de omstandigheden dat:\n\nde overledene gezien de uitkomst van het toxicologisch onderzoek bij leven\u002Frondom het overlijden onder invloed van dempende stoffen is geweest (dat, al of niet gecombineerd met de hoofdletsels, tot een verminderd bewustzijn kan hebben geleid);\n\nde overledene in deze toestand mogelijk gedurende een bepaalde tijd in verminderd bewustzijn en in een bepaalde houding heeft gelegen (posturale asfyxie: bijvoorbeeld rugligging of buikligging met omlaag afhangen van het hoofd\u002Fde hals (denk bijvoorbeeld aan met het hoofd langs de rand van een bank of bed, waarmee ook de distributie van lijkvlekken kan worden verklaard; echter de uitgebreidheid van de beiderzijds in de hals vastgestelde bloeduitstortingen past daar niet goed bij)), en\n\ner mogelijk sprake is geweest van gebruik van aspirine (aspirine is niet met zekerheid aanwezig geacht door de toxicoloog; aspirine heeft mede een effect op de bloedplaatjes waardoor bloedverdunning kan zijn ontstaan en daardoor de uitgebreidheid en grootte van de petechiae en ecchymosen (enigszins) kan zijn beïnvloed); kan het gehele beeld van stuwing ook worden verklaard zonder dat er sprake geweest is van samendrukkend geweld (verwurging) als oorzaak.\n\nDe patholoog vat haar bevindingen als volgt samen.\n\nHet intreden van de dood kan goed en volledig worden verklaard op toxicologische gronden, namelijk door de effecten van een hoge concentratie GHB.\n\nHet overlijden kan op grond van de sectiebevindingen echter op traumatische gronden, namelijk door samendrukkend geweld op de hals (verwurging), niet worden uitgesloten.\n\nVanwege het totale beeld van letsels\u002Fbevindingen die bij leven waren ontstaan (waaronder kneuzingen aan het hoofd, de halsspierbloedingen en de uitgebreide stuwingstekenen met onder andere vele petechiën), die niet kunnen worden verklaard op grond van een intoxicatie, gaat voor wat betreft de doodsoorzaak de voorkeur in het onderhavige geval uit naar geweldpleging door een andere persoon door middel van samendrukkend, toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon (waarbij GHB-intoxicatie een bijdrage kan hebben gehad).\n\nNaast de hiervoor weergegeven bevindingen heeft de patholoog tijdens de sectie talloze overige letsels vastgesteld:\n\n Letsels hoofd uitwendig (voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd: letsels A,B, CenN):\n\nA: Aan het voorhoofd links en deels aan het behaarde hoofd links waren er 3 letsels\n\nbestaande uit roodbruine tot zwarte huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen met plaatselijk indroging en geringe oppervlakkige\n\nhuidbeschadiging. De grootste was maximaal 2 bij 1,1 centimeter. Wonddateringsonderzoek toonde aan dat dit letsel vitaal was (dus bij leven opgeleverd) met een reactie passend bij een meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.\n\nB: Verspreid aan de neus waren circa 14 kleine oppervlakkige huidbeschadigingen\n\nmet roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen, maximaal circa 0,3 bij 0,1 centimeter.\n\nC: In het slijmvlies van de onderlip (onder de lipriem) en daarnaast rechts waren in\n\ntotaal 3 bloeduitstortingen.\n\nN: Aan het behaarde hoofd links, aan het voorhoofd links, doorlopend tot aan het\n\nlinkeroor voorwaarts, was er letsel met een bepaald patroon. Het betrof een gebied\n\nvan circa 20 bij 7,5 centimeter met daarin circa 37 oppervlakkige krasvormige huidbeschadigingen van circa 4 bij 0,1 centimeter met roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen. Ze lagen op een onderlinge afstand van circa 0,2-1,4 centimeter en verliepen iets schuin op de lengteas van het lichaam.\n\nWonddateringsonderzoek van dit letsel toonde geen overtuigende kenmerken van vitaal (bij leven opgeleverd) letsel, maar wel lichtmicroscopisch plaatselijk uitgetreden rode bloedcellen (extravasatie van erythrocyten). Macroscopisch\n\nwas bij sectie evident vitaal letsel zichtbaar. De uitkomst van wonddateringsonderzoek van dit letsel is dus niet in lijn met datgene dat\n\nmacroscopisch is vastgesteld (mogelijke oorzaken van deze discrepantie zijn:\n\ninadequate bemonstering van het letsel of rondom het overlijden ontstaan letsel met\n\ndaardoor uitblijven van zichtbare wondreactie). Letsel hoofd inwendig: in relatie met de letsels AenNwas er een uitgebreide bloeduitstorting binnenwaarts in de schedelhuid links, in het botvlies en in een groot deel van de linkerslaapspier.\n\nLetsels romp: er waren aan de borst, buik en de rechter bil enkele huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, maximaal circa 6,2 bij 2 centimeter.\n\nLetsels hals inwendig: inwendig waren in beide schuine halsspieren in lengterichting verlopende vrijwel over de gehele lengten van die spieren verlopende bloeduitstortingen, reikend tot aan beide sleutelbeenderen en hoog tot onder de kaaklijnen. Ook in de spieren langs en voorwaarts van de halswervels waren enkele bloeduitstortingen.\n\nLetsels ledematen: verspreid aan de ledematen (strek- en buigzijde, zij- en binnenwaarts) waren talloze rode, paarse, blauwe, groene huidverkleuringen en 1 gele huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstortingen (hematomen). Wonddateringsonderzoek van letsel aan de strekzijde van de rechteronderarm toonde een vitaal (bij leven ontstaan) letsel met een reactie passend bij meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.\n\nDeze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet drukkend geweld zoals door stoten (vallen, slaan, tegen iets aankomen) en hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.\n\nTen aanzien van de letsels aan het behaarde hoofd en voorhoofd (letsels AenN), die tot aan de binnenzijde van de schedelhuid en tot in het botvlies van het schedeldak en de linkerslaapspier reikten, heeft de patholoog opgemerkt dat deze letsels bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet tevens drukkend geweld zoals door hevig slaan (al of niet met een voorwerp, zie in dat kader ook het typisch patroon van letselN) of hevig vallen (waarbij gezien letselNhevig vallen op een structuur met een bepaald patroon dient te worden overwogen). Deze letsels hebben niet geleid tot letsels inwendig in de schedelholte en zijn niet van belang voor de dood, maar kunnen wel geleid hebben tot bewustzijnsstoornissen.\n\nIn een aanvullend rapport van 2 februari 2021 heeft de toxicoloog nog het volgende opgemerkt. Op basis van de snelheid van de klaring van GHB [het hof begrijpt: de snelheid waarmee het lichaam het middel verwerkt]past de hoogte van de gemeten concentratie bij een inname in de uren voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer en niet bij een inname van GHB tijdens de dag(en) daarvoor.\n\nNaar aanleiding van nader onderzoek naar de bevindingen van de patholoog en de toxicoloog heeft professor [forensisch patholoog] , forensisch patholoog, in zijn rapport van 16 juni 2021 het volgende geconcludeerd.\n\nZowel GHB als alcohol heeft een cardiorespiratoir onderdrukkend effect [het hof begrijpt: een onderdrukkend effect op het hart en de ademhaling].GHB heeft een nauwe toxische marge en een snel effect na inname. De aangetroffen GHB-concentratie in dit geval is, conform de NFI-rapportage, zeker van dien aard om het overlijden te kunnen verklaren. Er kan aldus worden besloten dat de vastgestelde GHB-concentratie, indien deze al niet fataal was, op zijn minst ernstige symptomen met een indaling van het bewustzijn moet hebben veroorzaakt. De combinatie van de vastgestelde letsels kan op zich de dood veroorzaken volgens de mechanismen van smoring, geweld op de hals, dooddrukking of een combinatie van deze mechanismen. In dit geval kan noch worden uitgesloten, noch worden bewezen, dat deze mechanismen hebben bijgedragen tot de dood. Desalniettemin kan, op basis van de huidige, aan de deskundigen beschikbaar gestelde elementen in het dossier, onvoldoende alternatieve verklaring worden gegeven voor de stuwingsverschijnselen en traumatische letsels, zoals vastgesteld bij de inwendige lijkschouwing.\n\nVerhoren van de deskundigen tijdens de zitting van 14 januari 2022\n\nOp de zitting van de rechtbank van 14 januari 2022 zijn de deskundigen [patholoog 1] , [forensisch patholoog] , [toxicoloog] en [deskundige] zeer uitvoerig gehoord over hun bevindingen. De verklaringen van de deskundigen op de zitting houden – voor zover relevant – het volgende in.\n\nDeskundige [patholoog 1] heeft meermalen benadrukt dat, waar het gaat om de vraag naar de oorzaak van de letsels, naar het geheel van de letsels moet worden gekeken en dat deze niet los van elkaar kunnen worden beoordeeld.\n\nDe verschillende vaststellingen moeten met elkaar in verband worden gebracht om daarvoor een logische, aanvaardbare en in de wetenschappelijke literatuur erkende verklaring te vinden, aldus ook deskundige [deskundige] .\n\nVolgens deskundige [forensisch patholoog] mag de discussie over de oorzaak van de bloedingen in de halsspieren niet los worden gezien van de begeleidende fenomenen, zoals de stuwingsverschijnselen: de betreffende bevindingen moeten samen worden gezien en beoordeeld.\n\nDeskundige [deskundige] heeft verklaard dat de halsspierbloedingen een traumatische oorsprong hebben. Hij meent dat, kijkend naar de forensische literatuur, de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen (zoals ze bij het slachtoffer beschreven en vastgesteld zijn) wordt gevormd door samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals. Bijkomende argumenten zijn de uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat. Vaak zijn er puntvormige bloedingen in oogbindvliezen maar in dit geval zijn ook puntbloedingen, petechiën, aangetroffen in de gelaatshuid. Dat wordt niet vaak gezien en wijst op een uitgesproken stuwing, veroorzaakt door hetzelfde mechanisme als waardoor halsspierbloedingen worden veroorzaakt, namelijk het toedrukken van de hals.\n\nDe belangrijkste reden om een stoot, een val of een stomp uit te sluiten is de aanwezigheid van puntbloedingen. Gelet op de combinatie van de halsspierbloedingen met de zeer uitgesproken stuwingsverschijnselen in het gelaat, schuift deskundige [deskundige] samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals als meest waarschijnlijke oorzaak naar voren, waarbij hij spreekt van hoogst waarschijnlijk, zijnde de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Daarbij kan niet gezegd worden of het gaat om strangulatie, een armklem of wurging.\n\nHet kan volgens deskundige [patholoog 1] , gelet op de stuwingsverschijnselen en de bloedingen in de halsspieren, niet zo zijn dat het slachtoffer zichzelf op verschillende plaatsen in de hals heeft gebotst, zichzelf halsspierbloedingen heeft toegebracht of zichzelf heeft gewurgd.\n\nWaar [patholoog 1] in het definitieve sectierapport heeft gesteld dat “de voorkeur in het onderhavige geval uit[gaat] naar geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon”, heeft zij ter zitting van de rechtbank, gevraagd naar een mate van waarschijnlijkheid van dit scenario, verklaard: “Iedereen heeft zijn eigen schaal en woorden waarmee hij iets in waarschijnlijkheden wil uitdrukken. Ik denk dat het overduidelijk is wat [deskundige] en ik bedoelen: hoogst waarschijnlijk.”\n\nOver het verband tussen de halsspierbloedingen en stuwingsverschijnselen heeft [patholoog 1] verklaard dat ze de halsspierbloedingen ziet als een onderdeel van geweld op de hals, waarbij ook het substraat van stuwing, in dit geval petechiën en ecchymosen, is ontstaan.\n\nDeskundige [deskundige] heeft hierover verklaard dat de petechiën en de halsspierbloedingen eenzelfde oorzaak hebben, wat ook impliceert dat ze tegelijk of in nauw tijdsverband met elkaar zijn ontstaan.\n\nHij heeft verder verklaard dat op basis van de bloedingen in de hals niet kan worden uitgemaakt hoe krachtig het geweld is geweest. Er kan alleen worden vastgesteld dat er samendrukkend geweld tegen de hals is geweest. De effecten van die toesnoering worden weerspiegeld in de petechiën. Men sterft dus niet aan de petechiën en ook niet aan de halsspierbloedingen, maar men sterft aan de handeling die deze verschijnselen veroorzaken, namelijk het langdurig dichtknijpen van bloedvaten in de hals.\n\nOp basis van de bevindingen kan gezegd worden dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. In de literatuur spreekt men van 15 tot 30 seconden als het om geleidelijk drukken gaat; het vraagt enige tijd. Om daaraan te sterven moet men de hals minutenlang toeknijpen. Die duur kan niet uit de geconstateerde petechiën of halsspierbloedingen worden afgeleid.\n\nMen moet de hals dichtknijpen of samendrukken tot voorbij de grens van bewusteloosheid. Als het slachtoffer al bewusteloos is, is dat geen maatstaf. Daaruit kan niet de duur of de kracht worden vastgesteld, maar wel dat het voldoende krachtig geweest kan zijn om de dood te veroorzaken of het overlijden te verklaren.\n\nDeskundige [toxicoloog] heeft verklaard dat de gemeten concentratie GHB bij het slachtoffer heel hoog is en wordt gezien bij mensen die overleden zijn. In uitzonderlijke gevallen komt deze concentratie voor bij mensen die nog leven. Op basis daarvan is de conclusie dat de concentratie GHB het overlijden kan verklaren, indien al het andere is uitgesloten. Als in dit geval een andere meer waarschijnlijke doodsoorzaak wordt vastgesteld, dan gaat dat voor zijn bevindingen.\n\nVolgens deskundige [patholoog 1] zou het slachtoffer, gelet op het pathologisch substraat (de tekenen van samendrukkend geweld op de hals), ook zonder de GHB-intoxicatie aan het samendrukkend geweld op de hals zijn overleden.\n\nRegiebijeenkomst in de appelfase op 25 januari 2024\n\nTijdens de regiebijeenkomst bij het hof op 25 januari 2024 heeft mevrouw [patholoog 1] desgevraagd verklaard dat de kracht waarmee de letsels aan de hals zijn veroorzaakt, niet exact bepaald kan worden. Zij heeft verder verklaard dat het evident is dat er veel samendrukkend geweld is uitgeoefend op de hals, waarbij voor het slachtoffer een probleem in de hals is ontstaan. Het gaat er volgens haar om dat er behoorlijk wat kracht nodig is geweest om dit substraat te veroorzaken.\n\nDeskundigenverhoor tijdens de zitting van het hof van 6 februari 2025\n\nDe verklaring van deskundige [patholoog 1] tijdens de zitting van het hof op 6 februari 2025 houdt – voor zover relevant – het volgende in.\n\nHet door verdachte geschetste alternatieve scenario (dat door de rechtbank op pagina 16 van het vonnis is opgenomen, aangevuld en als aannemelijk is aangenomen) past volgens de deskundige niet bij de geconstateerde stuwingsverschijnselen en de letsels aan de hals, die voor het intreden van de dood van belang zijn geweest.\n\nIn het onderhavige geval is sprake van een niet-normale krachtsinwerking op de hals, ook wel verwurgen genoemd.\n\nBij de beoordeling door de rechtbank is niet de kracht betrokken waarmee de krachtsinwerking heeft plaatsgevonden. Het onder controle houden van een persoon en het daarbij even verplaatsen van een arm tegen de hals kan dit substraat van letsels, de puntbloedingen en de stuwingseffecten niet verklaren. Er moet een substantiële krachtsinwerking zijn geweest om stuwing van deze aard te veroorzaken.\n\nVerder heeft de deskundige verklaard dat door pathologen dagelijks gevallen worden gediagnosticeerd waarbij hetzelfde substraat (bloedingen, stuwingsverschijnselen) als bij het slachtoffer in deze zaak wordt vastgesteld en er geen andere mogelijke doodsoorzaak is.\n\nIn die gevallen kan worden vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals de dood heeft veroorzaakt. In het onderhavige geval is er echter nog een andere mogelijke doodsoorzaak, namelijk een oorzaak van toxicologische aard, zodat niet met zekerheid gezegd kan worden dat het samendrukkend geweld op de hals de of de enigedoodsoorzaak is geweest. Dit neemt echter niet weg dat het samendrukkend geweld op de halseendoodsoorzaak is geweest bij het slachtoffer. Daarbij geldt dat de krachtsinwerking op de hals bij leven heeft plaatsgevonden en dat de hoeveelheid GHB op dat moment dus nog niet dodelijk was.\n\nHet samendrukken van de hals zorgt voor een zuurstoftekort. De hersenen kunnen dan niet genoeg zuurstof meer aan het weefsel bieden. Daardoor vallen andere organen, zoals de longen en het hart, ook uit.\n\nNaar het oordeel van de deskundige moeten de beide doodsoorzaken dan ook niet los van elkaar worden gezien: er is sprake van geweldpleging door een persoon bij een andere zwaar geïntoxiceerde persoon.\n\nTen slotte heeft de deskundige benadrukt dat de aangetroffen (niet-dodelijke) letsels ook om een verklaring vragen. Zij heeft daarbij opgemerkt dat bij de sectie bloedingen in de linkerslaapspier en het botvlies zijn aangetoond. Dit zijn structuren die niet zomaar letsels oplopen door bijvoorbeeld tegen iets aan te vallen of tegen iets aan te komen. Daar hoort behoorlijk wat kracht bij. Het moet een stompe, botsende krachtsinwerking aan de linkerzijde van het hoofd zijn geweest.\n\nHet geconstateerde letsel bij de neus en de lip kan ook zijn ontstaan door stomp, botsend geweld, maar het kan volgens de deskundige ook een aanwijzing zijn voor het samendrukken van de mond en neus (smoren).\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nHet tijdstip van overlijden\n\nHet hof stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer op donderdag 9 april 2020 tussen 12.43 uur (het moment dat zij haar telefoon uitschakelde) en 20.04 uur (het moment dat verdachte zijn ouders belde) is overleden.\n\nDaarbij merkt het hof op dat het op basis van de gemeten lichaamstemperatuur van het overleden slachtoffer (27.3 °C op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur) aannemelijker is dat zij in de tijdsperiode kort na 12.43 uur is overleden dan dat zij in de tijdsperiode kort voor 20.04 uur is overleden.\n\nDe oorza(a)k(en) van het overlijden\n\nUit de bevindingen van de deskundigen volgt dat de dood van het slachtoffer vanuit medisch oogpunt zowel verklaard kan worden op traumatische als op toxicologische gronden.\n\nHiervoor is al aangehaald dat uit het rapport van toxicoloog [toxicoloog] blijkt dat de gemeten GHB-concentratie (530 mg\u002Fl) een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis dan bij personen die aan dezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden. [toxicoloog] heeft geconcludeerd dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking daarvan op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel.\n\nDaarnaast is door patholoog [patholoog 1] gerapporteerd dat het intreden van de dood van het slachtoffer ook verklaard kan worden door uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging), het samendrukken van de mond en neus (smoren) of mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg).\n\nVolgens deskundige [deskundige] is samendrukkend of toesnoerend geweld op de hals de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen zoals die bij het slachtoffer zijn vastgesteld. De uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat zijn bijkomende argumenten voor de stelling dat de dood van het slachtoffer in deze zaak is veroorzaakt door dergelijk samendrukkend of toesnoerend geweld.\n\nPatholoog [patholoog 1] heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat de beide voornoemde doodsoorzaken niet los van elkaar gezien en beoordeeld moeten worden. De oorzaken moeten volgens haar tezamen worden beoordeeld, in die zin dat sprake is geweest van geweldpleging bij een zwaar geïntoxiceerd persoon.\n\nHet hof neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over.\n\nOp grond daarvan stelt het hof vervolgens vast dat zich bij het slachtoffer een samendrukkende en\u002Fof toesnoerende krachtsinwerking op de hals heeft voorgedaan, terwijl zij ernstig geïntoxiceerd was met GHB en alcohol. Daarbij stelt het hof op basis van de bevindingen en verklaringen van de deskundigen vast, dat de krachtsinwerking dus bij leven heeft plaatsgevonden; er is sprake van vitaal letsel, en dat de GHB op dat moment nog niet tot haar dood kan hebben geleid.\n\nNu er naast verdachte en het slachtoffer geen derden in de woning zijn geweest op de dag dat het slachtoffer overleed en daarnaast door de deskundigen is verklaard dat een scenario waarbij het slachtoffer zichzelf het geconstateerde letsel aan de hals heeft toegebracht, niet aannemelijk is, moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat verdachte degene is die het geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast.\n\nCausaal verband\n\nOm tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld en het overlijden van het slachtoffer. Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van verdachte (het geweld) aan verdachte kan worden toegerekend.\n\nHet hof heeft hiervoor overwogen dat het intreden van de dood van het slachtoffer volgens deskundigen zowel het gevolg kan zijn geweest van – kort gezegd – de effecten van een overdosis GHB als van het door verdachte gepleegde geweld op de hals (verwurging).\n\nNu in dit geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg (de dood), is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat:\n\nwordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, en;\n\ndat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte.\n\nBij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar zijn aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat die gedraging het vermoeden wettigt dat die heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en ECLI:NL:HR:2017:585).\n\nHet hof overweegt in dit verband het volgende.\n\nDoor patholoog [patholoog 1] is vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van inwendige bloeduitstortingen in de schuine halsspieren aan beide zijden, reikend tot aan beide sleutelbeenderen, en van bij leven ontwikkelde tekenen van stuwing. Deze letsels (of bevindingen) zijn volgens de patholoog ontstaan ten gevolge van mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Zulk geweld leidt tot zuurstofgebrek in de hersenen. Door zuurstoftekort kan de hersenfunctie uitvallen die de andere organen (zoals de longen en het hart) aanstuurt, waardoor een slachtoffer komt te overlijden.\n\nDe patholoog heeft vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals ook in het onderhavige geval een doodsoorzaak kan zijn geweest.\n\nHet hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid.\n\nHet hof dient vervolgens te beoordelen of aannemelijk is dat de dood van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheiddoor de gedragingen van verdachte is veroorzaakt.\n\nHet hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.\n\nHet hof stelt voorop dat het toegepaste geweld, het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals, naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen. Dit volgt uit de bevindingen van de deskundigen en staat in deze zaak overigens ook niet ter discussie.\n\nDe deskundige [toxicoloog] heeft geconcludeerd dat de gemeten GHB-concentratie het overlijden kan verklaren indien al het andere is uitgesloten.\n\nHij heeft verder verklaard dat als in dit geval een andere, meer waarschijnlijke, doodsoorzaak wordt vastgesteld, dit voorzijn bevindingen gaat.\n\nHet hof overweegt in dit verband dat deskundigen [deskundige] en [patholoog 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was. Bovendien heeft [patholoog 1] verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie, dat de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals bij levenheeft plaatsgevonden en dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.\n\nHet hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt.\n\nGelet op het feit dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en nu aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe vraag die vervolgens door het hof moet worden beantwoord, is of verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.\n\nOpzet\n\nHet hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.\n\nOpzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Er is sprake van voorwaardelijk opzet indien verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou overlijden.\n\nVoor de vraag of sprake is van de bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschapheeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ookbewust heeft aanvaard.\n\nEr kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld.\n\nBepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van het slachtoffer, bewust heeft aanvaard.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nDeskundige [deskundige] heeft verklaard dat op basis van de bevindingen kan worden gesteld dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. Daarnaast heeft deskundige [patholoog 1] verklaard dat er “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest om het pathologisch substraat te veroorzaken. Tijdens de zitting van het hof heeft zij verklaard dat sprake geweest moet zijn van een “substantiële krachtsinwerking”. [patholoog 1] heeft verder verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.\n\nHet hof stelt vast dat verdachte een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid.\n\nNu het slachtoffer ten tijde van het toepassen van het geweld nog in leven was, schiep het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou overlijden.\n\nDaarbij is het hof van oordeel dat de specifieke gedraging van verdachte – het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals– kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.\n\nDit betekent dat verdachte naar het oordeel van het hof ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.\n\nBespreking van het alternatieve scenario\n\nHet hof acht het alternatieve scenario waarin verdachte de hals van het slachtoffer onbedoeld en onbewust, dus per ongeluk, heeft samengedrukt of toegesnoerd, niet aannemelijk.\n\nHet hof overweegt daarover het volgende.\n\nAllereerst is van belang dat verdachte heeft verklaard zelf geen herinnering te hebben aan een gang van zaken waarbij zijn arm bij het op de bank trekken van het slachtoffer richting haar hals is verschoven en waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor een hyperextensie kan zijn veroorzaakt. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij zich kan voorstellendat deze gang van zaken zich heeft voorgedaan.\n\nDaarnaast merkt het hof op dat deskundige [patholoog 1] tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel (de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen). Het even verplaatsen van een arm tegen de hals vormt geen verklaring voor het geconstateerde letsel. Er moet naar haar oordeel sprake zijn geweest van een substantiële krachtsinwerking om de vastgestelde vorm van stuwing te veroorzaken.\n\nVerder geldt dat de handelingen van verdachte en de bevindingen van de deskundigen naar het oordeel van het hof eerder steun bieden voor het scenario waarin verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk.\n\nHet hof overweegt in dit verband dat het slachtoffer naast de letsels aan haar hals ook talloze andere letsels had (letsels aan haar voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd (de hierboven beschreven letsels A, B, CenN) en aan haar romp en inwendige letsels aan het hoofd.\n\nOok deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan en zijn veroorzaakt door inwerking van mechanisch stomp botsend geweld, zoals door heftig slaan (al of niet met een voorwerp), hevig vallen of smoren.\n\nDeze letsels, in het bijzonder de inwendige letsels aan het hoofd, zijn volgens de patholoog niet ontstaan doordat het slachtoffer ergens tegenaan is gelopen of is gevallen, aangezien voor het ontstaan van deze letsels “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest. Verdachte heeft over deze letsels verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer ergens tegenaan gelopen moet zijn, maar heeft geen concrete aannemelijke verklaring voor de letsels gegeven.\n\nHet is naar het oordeel van het hof echter onwaarschijnlijk dat het slachtoffer, nadat verdachte haar op de bank had gelegd, waarbij zijn handelen in zijn lezing de doodsoorzaak zou (kunnen) hebben opgeleverd, nog kan zijn opgestaan en zichzelf letsel zou hebben kunnen toebrengen.\n\nTot slot stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte met betrekking tot het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden, niet past bij de bevindingen van de verbalisanten. Zij hebben immers geconstateerd dat het slachtoffer op basis van de gemeten lichaamstemperatuur hoogstwaarschijnlijk tussen 05.30 uur en 14.30 uur moet zijn overleden.\n\nIn ieder geval stelt het hof vast dat er geruime tijd verstreken moet zijn tussen het moment waarop verdachte constateerde dat het slachtoffer was overleden en het moment waarop hij de hulpdiensten heeft gebeld of op andere wijze om hulp heeft gevraagd.\n\nDe bevindingen van de politie over de aangetroffen situatie in de woning van verdachte duiden er verder op dat hij die middag en avond weloverwogen en rationeel heeft gehandeld en heeft geprobeerd om sporen van hetgeen zich die dag in de woning heeft afgespeeld zo veel mogelijk te wissen.\n\nZo heeft verdachte niet alleen het slachtoffer verkleed, nadat ze al was overleden, en het beddengoed verschoond en in de wasmachine gedaan maar heeft hij ook de kantine opgeruimd, rotzooi in een vuilniszak gedaan en deze weggegooid in de container. Ook heeft hij een cilinder met lachgas keurig onder een doek in de garage gezet. Toen hij uiteindelijk wel 112 belde, heeft hij gedaan alsof het slachtoffer nog in leven was terwijl hij op dat moment al geruime tijd wist dat ze was overleden.\n\nHet hof ziet in het handelen van verdachte geen aanwijzingen dat hij, zoals hij heeft verklaard, vanaf het moment dat hij constateerde dat er iets niet in orde was met het slachtoffer, in een roes verkeerde.\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat de voornoemde omstandigheden, wanneer deze in onderling verband en samenhang worden beschouwd, verder afbreuk doen aan het alternatieve scenario van de verdediging.\n\nGelet op het voorgaande schuift het hof dit alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde.\n\nConclusie\n\nHet hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doden van het slachtoffer.\n\nDe omstandigheid dat, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat het motief van verdachte voor zijn handelen is geweest, doet hier niet aan af.\n\nVrijspraak moord\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet vaststaat dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade heeft gedood. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair tenlastegelegde moord.\n\nBewezenverklaring doodslag\n\nHet hof acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDoor wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nsubsidiair hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] ,althans in de gemeente [gemeente], [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en\u002Fof de halsen\u002Fof de borst van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld\u002Fgeweldshandeling(en) toe te passen\u002Fuit te oefenen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.\n\nOplegging van straf\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft ter zitting gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van twaalf jaar wordt opgelegd. Hij heeft daarbij gesteld dat hij die ook in eerste aanleg gevorderde straf nog steeds gerechtvaardigd vindt.\n\nDe aan het eind van de zitting door hem overgelegde schriftelijke vordering vermeldt echter een eis van zes jaar gevangenisstraf.\n\nHet hof gaat uit van de eis zoals die mondeling ter zitting is geformuleerd en beschouwt de eis van zes jaar op de schriftelijke vordering als een ongelukkige verschrijving.\n\nVerder heeft de advocaat-generaal gevorderd de gevangenneming van verdachte te bevelen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen straf moet worden opgelegd in verband met de bepleite vrijspraak.\n\nOordeel van het hof\n\nDe hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.\n\nHet hof overweegt het volgende.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag op zijn partner.\n\nNadat verdachte en het slachtoffer dagenlang drugs, lachgas en andere verdovende middelen hadden gebruikt in de kantine van hun woning, is er op 9 april 2020 abrupt een einde gekomen aan dit “feesten”, zoals verdachte hun gedrag in de dagen voorafgaand aan en op de dag van het overlijden van het slachtoffer heeft getypeerd.\n\nWat er zich die dag preciesin de woning van verdachte en het slachtoffer heeft afgespeeld en wat verdachte ertoe heeft bewogen het slachtoffer te doden, is niet duidelijk geworden.\n\nOver de gebeurtenissen rondom het overlijden van het slachtoffer en in de uren daarna heeft verdachte geen duidelijkheid verschaft, waardoor de nabestaanden deels in het ongewisse blijven omtrent de omstandigheden die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Verdachte heeft enkel verklaard dat de dood van het slachtoffer het gevolg moet zijn geweest van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, waarin hij onbewust en onbedoeld een rol heeft gespeeld.\n\nHet hof is echter van oordeel dat van een ongeluk geen sprake was maar dat verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd.\n\nNa het geweld en het overlijden van het slachtoffer heeft verdachte geprobeerd zijn sporen te wissen door het slachtoffer te verkleden, haar kleding in de wasmand en het beddengoed in de wasmachine te doen en de sporen van hun drugsgebruik in de kantine op te ruimen. Bovendien heeft verdachte het tegenover de centralist van de meldkamer doen voorkomen alsof het slachtoffer nog leefde, terwijl hij wist dat zij was overleden en hij naar eigen zeggen ook al afscheid van haar had genomen.\n\nDoor zijn handelen, waarover hij geen duidelijkheid heeft verschaft, heeft verdachte de destijds twaalfjarige dochter van het slachtoffer, [dochter slachtoffer] , haar moeder ontnomen. [dochter slachtoffer] is inmiddels zeventien jaar oud en moet haar moeder missen tijdens belangrijke ontwikkelingsfasen in haar nog prille leven.\n\nOp de zitting in hoger beroep is namens [dochter slachtoffer] aan het hof te kennen gegeven dat haar gevoelens van boosheid inmiddels hebben plaatsgemaakt voor verdriet en “rauwe rouw”. Zij spreekt hierover niet gemakkelijk met anderen, een – voor het hof invoelbare – situatie waarover bij haar naasten zorgen bestaan.\n\nDaarnaast heeft verdachte de moeder en de broer van het slachtoffer respectievelijk een dochter en een zus ontnomen. Zij kunnen slechts gissen naar het motief van verdachte om het slachtoffer om het leven te brengen en de omstandigheden waaronder dat is gebeurd.\n\nOok de overige familieleden en naaste vrienden van het slachtoffer moeten zonder haar verder. Al deze vormen van gemis zijn zonder meer tragisch te noemen.\n\nDe persoon van verdachte\n\nTot het dossier behoort een Pro Justitia-rapportage van 11 juli 2020, die inhoudt dat de persoonlijkheid van verdachte narcistische en histrionische trekken vertoont. Verdachte staat graag in het centrum van de belangstelling en wil gezien en erkend worden.\n\nHij is zelfverzekerd en heeft het gevoel dat hij zijn leven tot het moment waarop het bewezenverklaarde feit plaatsvond goed op orde had en dat hij controle had over zijn leven. Volgens de rapporteur kunnen frustraties en negatieve gevoelens vanuit een dergelijke opstelling soms lang worden ontkend, maar dan vrij plotseling doorbreken in de vorm van acting out. Bij verdachte lijkt geen sprake te zijn van een psychische stoornis, persoonlijkheidsproblematiek of problemen in de kindertijd. Ook heeft verdachte geen voorgeschiedenis van gewelddadig gedrag. Verdachtes middelengebruik is volgens de rapporteur in feite de enige factor die het recidiverisico in statistische zin negatief beïnvloedt.\n\nUit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 januari 2025 volgt dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten met politie of justitie in aanraking is geweest. Het hof constateert verder dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is in verband met twee strafbeschikkingen in 2022.\n\nVerdachte heeft tijdens de zitting van het hof verklaard dat hij zijn leven na zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis weer heeft opgepakt. De dood van het slachtoffer was voor hem een “wake-up call”, zoals hij dat ter zitting van het hof typeerde, waardoor hij nu geen drugs, anabolen en testosteron meer gebruikt.\n\nVerdachte heeft een goedlopend dakdekkersbedrijf en heeft ook personeel in dienst.\n\nHij woont samen met zijn nieuwe partner, met wie hij vorig jaar is getrouwd en met wie hij een gezin wil stichten.\n\nStrafbepaling en redelijke termijn\n\nHet hof is gelet op de ernst van het feit en de onomkeerbare gevolgen daarvan van oordeel dat een lange gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is.\n\nHet hof acht een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar in beginsel passend en geboden.\n\nHet hof heeft echter geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft op 25 juli 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof doet bij arrest van 12 maart 2025 einduitspraak.\n\nHet hof stelt vast dat de behandeling van het hoger beroep niet is afgerond binnen twee jaren.\n\nDit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in hoger beroep met acht maanden is overschreden. Het hof zal de op te leggen gevangenisstraf om die reden enigszins matigen.\n\nAlles afwegende zal het hof aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden opleggen, met aftrek van het voorarrest.\n\nTenuitvoerlegging\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nGevangenneming\n\nHet hof zal op vordering van het Openbaar Ministerie bij afzonderlijke beslissing de gevangenneming van verdachte bevelen.\n\nVordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] ( [dochter slachtoffer] )\n\nEerste aanleg\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 20.000,00, bestaande uit immateriële schade in de vorm van affectieschade. De benadeelde partij is in verband met de gegeven vrijspraak in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHoger beroep\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is ter terechtzitting in hoger beroep door haar advocaat toegelicht.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.\n\nOordeel van het hof\n\nOp grond van artikel 6:107, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 6:108, eerste en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan aan een beperkte kring van personen een schadevergoeding worden toegekend voor het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste.\n\nTot de kring van gerechtigden behoren – kort gezegd – de partner of levensgezel van de overledene (sub a en b), de ouders en kinderen van de overledene (sub c en d) en degenen die ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg voor de overledene heeft (sub e) dan wel degene voor wie de overledene ten tijde van de gebeurtenis duurzaam in gezinsverband de zorg heeft (sub f).\n\nDe benadeelde partij is de dochter van het slachtoffer en behoort daarmee tot de in de wet genoemde kring van vergoedingsgerechtigde personen.\n\nVerder is vereist dat het overlijden het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is. Het slachtoffer is overleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit, waarvoor verdachte aansprakelijk is.\n\nHet hof stelt vast dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding vanwege affectieschade.\n\nHet hof constateert dat het gevorderde bedrag niet is betwist. Nu het hof dit bedrag voldoende onderbouwd en niet onredelijk acht, zal de vordering worden toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] (moeder van het slachtoffer)\n\nEerste aanleg\n\nDe benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.168,13, bestaande uit € 2.668,13 aan materiële schade en € 17.500,00 aan immateriële schade in de vorm van affectieschade.\n\nDe materiële schadepost bestaat uit kosten voor de begrafenis en daarbij behorende kosten.\n\nDe benadeelde is door de rechtbank in de vordering niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHoger beroep\n\nDe benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De vordering is ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat van de benadeelde partij toegelicht.\n\nStandpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de gehele vordering moet worden toegewezen, met vermeerdering met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.\n\nOordeel van het hof\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor dit onderdeel zal worden toegewezen.\n\nAffectieschade\n\nZoals hiervoor is overwogen, geldt dat aan een beperkte kring van personen een schadevergoeding kan worden toegekend voor het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste.\n\nDe benadeelde partij is de moeder van het slachtoffer en behoort daarmee tot de in de wet genoemde kring van vergoedingsgerechtigde personen. Daarnaast geldt dat het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, waarvoor hij ook aansprakelijk is.\n\nHet hof stelt vast dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor het toekennen van een vergoeding vanwege affectieschade.\n\nHet hof constateert dat het gevorderde bedrag niet is betwist. Nu het hof dit bedrag voldoende onderbouwd en niet onredelijk acht, zal ook dit onderdeel van de vordering volledig worden toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van8 (acht) jaren en 6 (zes) maanden.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [dochter slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [dochter slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 april 2020.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.168,13 (twintigduizend honderdachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 2.668,13 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en\n\n€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.168,13 (twintigduizend honderdachtenzestig euro en dertien cent) bestaande uit € 2.668,13 (tweeduizend zeshonderdachtenzestig euro en dertien cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n19 mei 2020 en van de immateriële schade op 9 april 2020.\n\nBeveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk zal worden opgemaakt.\n\nAldus gewezen door\n\nmr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,\n\nmr. J. Corthals en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.D. Maris, griffier,\n\nen op 12 maart 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 maart 2025.\n\nmr. M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,\n\nmr. J.E. van Spanje, advocaat-generaal,\n\nmr. C.D. Maris, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Politie Eenheid [locatie] , genummerd 2020156668, Onderzoek NEPAL (met onderzoeksnummer ONRAB20003) opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , gesloten en getekend op 12 november 2020. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 684 en 685.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 680, 685, 686 en 687.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 9.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 687.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 63.\n\n Het proces-verbaal van historische gegevens telefoonnummers en telefoontoestel [verdachte] , pagina 1633, 1634 en 1637.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 9 en 10.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64.\n\n Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, pagina 2208.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64 en 65.\n\n Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, onderzoek wasruimte (ruime 2), testen verdovende middelen en uitleggen kleding, pagina 1993, 1996 en 1997.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 5.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen aantreffen fles lachgas, pagina 2249.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 mei 2020, pagina 352 en 353.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen tijdlijn gebeurtenissen in en rondom de PD, pagina 954 en 956.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 10.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen 112-melding, pagina 2573.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , pagina 667 tot en met 673.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2020, pagina 658.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1739 tot en met 1745.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2020, pagina 660.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1743 en 1744.\n\n Een geschrift, te weten een voorlopig sectierapport van 11 april 2020, opgemaakt door dr. [patholoog 1] , pagina 1809, 1810 en 1811.\n\n Een geschrift, te weten het rapport toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal [slachtoffer] van 25 juni 2020, opgemaakt door drs. [toxicoloog] , pagina 2305 tot en met 2315.\n\n Een geschrift, te weten het sectierapport van 11 september 2020, opgemaakt door dr. [patholoog 1] , pagina 2280 tot en met 2290.\n\n Een geschrift, te weten het rapport met de beantwoording van aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek van 21 februari 2021, opgemaakt door drs. [toxicoloog] .\n\n Een geschrift, te weten het definitief deskundig verslag van 16 juni 2021, opgemaakt door prof. dr. [forensisch patholoog] .\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 19, 21, 22, 28 en 42.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 14.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 12.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 13 en 26.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 36.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 28.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 15.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 30.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 27 en 28.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van de regiebijeenkomst bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 25 januari 2024 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 3.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 16.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 17.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 14.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 22.\n\n Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [patholoog 1] ), pagina 19 en 20.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2025:1430","ecli-nl-gharl-2025-1430",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht; Strafprocesrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]