[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-1787":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-1787":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1016","ECLI:NL:GHARL:2026:1787","",60,"Arnhem","arnhem","2026-03-24T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummers gerechtshof 200.342.410 en 200.350.966\n\nzaaknummers rechtbank Midden-Nederland 543811 en 549648\n\narrest van 24 maart 2026\n\nin de hoofdzaak met zaaknummer 200.342.410 van\n\n [appellante]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\nhierna: [appellante]\n\nadvocaat: mr. J.M.M. Menu\n\nen\n\nHandelmaatschappij [naam] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestiginsplaats]\n\nhierna: [naam]\n\nadvocaat: mr. J.G. Kabalt\n\nen in de vrijwaringszaak met zaaknummer 200.350.966 van\n\nHandelmaatschappij [naam] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestiginsplaats]\n\nadvocaat: mr. J.G. Kabalt\n\nen\n\n1. KS Notarissen\n\ndie is gevestigd in Putten\n\n2. [geïntimeerde]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nhierna gezamenlijk: de notaris\n\nadvocaat: mr. M.C.J. Höfelt\n\n1. Het verloop van de procedures in hoger beroep\n\n1.1.. \n [appellante] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de hoofdzaak dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 14 februari 2024 tussen haar en [naam] heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven tevens akte wijziging van eis\n\nde memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep\n\nde memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 20 november 2025 is gehouden.\n\n1.2.. \n [naam] heeft op haar beurt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van dezelfde rechtbank en dezelfde datum in de vrijwaringszaak, tussen haar en de notaris. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep\n\nde memorie van grieven\n\nde memorie van antwoord\n\nhet verslag van de mondelinge behandeling die op 20 november 2025 is gehouden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [appellante] was sinds 1 maart 2016 erfpachter van een recreatiewoning met bijbehorende grond op het bungalowpark van [naam] . In het najaar van 2021 heeft [naam] de erfpachters laten weten dat zij de blote eigendom van de recreatiewoningen met bijbehorende percelen (hierna te noemen: de recreatiewoningen) aan de erfpachters wilde verkopen, mits minimaal 70% van de erfpachters bereid was te kopen. Nadat meer dan 70% van de erfpachters bereid was gebleken hun recreatiewoning te kopen, heeft verkoop en levering aan de overige erfpachters plaatsgevonden (in april\u002Fmei 2022). Tussen [naam] en [appellante] was echter een discussie ontstaan over de erfgrens van het perceel van [appellante] . Zij hebben geprobeerd daarover een regeling te treffen. Omdat [appellante] niet binnen de door [naam] gestelde termijn had gereageerd op een e-mail van [naam] , heeft [naam] afgezien van verkoop van de recreatiewoning aan [appellante] . [appellante] heeft nog wel de eerder van de notaris ontvangen koopovereenkomst ondertekend en aan de notaris gestuurd. Daarna heeft ook de notaris, namens [naam] , die overeenkomst ondertekend.\n\n2.2.. In de hoofdzaak gaat het om de vraag of tussen [appellante] en [naam] een koopovereenkomst tot stand is gekomen. [appellante] stelt van wel en [naam] betwist dat. In de vrijwaringszaak stelt [naam] zich op het standpunt dat als een koopovereenkomst wordt aangenomen, dat te wijten is aan een beroepsfout door de notaris. De notaris betwist dat.\n\n2.3.. \n [appellante] vordert in deze procedure dat [naam] wordt veroordeeld tot nakoming van die overeenkomst en tot betaling van onder meer de contractuele boete. Voor het geval wordt aangenomen dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen, stelt [naam] dat zij die overeenkomst heeft vernietigd of ontbonden. Zij vraagt (voorwaardelijk) een verklaring voor recht waarin dat wordt bevestigd.\n\n2.4.. In de vrijwaringszaak vordert [naam] , voor zover de vordering van [appellante] toewijsbaar is, dat de notaris wordt veroordeeld tot betaling aan [naam] van al datgene waartoe [naam] in de hoofdzaak jegens [appellante] wordt veroordeeld, vermeerderd met de kosten van [naam] .\n\n2.5.. De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen. De vordering van [naam] in de vrijwaringszaak, die niet inhoudelijk beoordeeld hoefde te worden, is daarom ook afgewezen. [appellante] wil dat haar vordering in hoger beroep alsnog wordt toegewezen. Voor het geval dat zou gebeuren, is [naam] ook in hoger beroep gekomen tegen de afwijzing van haar vordering in vrijwaring.\n\n2.6.. Het hof is van oordeel dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen die nog steeds van kracht is. Het zal de vordering van [appellante] daarom grotendeels toewijzen. In de vrijwaringszaak zal de vordering worden afgewezen omdat geen causaal verband bestaat tussen de schade van [naam] en het handelen van de notaris. Deze beslissingen zullen hierna worden toegelicht (de hoofdzaak onder 3 en de vrijwaringszaak onder 4).\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof in de hoofdzaak\n\nGeen schriftelijkheidsvereiste\n\n3.1.. De rechtbank heeft geoordeeld dat, omdat [appellante] handelde als consument, artikel 7:2 BW voorschrijft dat een koopovereenkomst op schrift moet zijn gesteld. [appellante] is het daar niet mee eens. Zij voert aan dat nog voordat de koopovereenkomst door haar en de notaris op 6 mei 2022 werd ondertekend, al een mondelinge koopovereenkomst tot stand was gekomen. Een professionele verkoper als [naam] kan zich niet beroepen op het schriftelijkheidsvereiste, aldus [appellante] .\n\n3.2.. Het hof oordeelt als volgt. [appellante] voert terecht aan dat [naam] , als professionele verkoper, ook aan een mondelinge koopovereenkomst is gebonden. De Hoge Raad heeft in een arrest van 9 december 2011, onder verwijzing naar de wetgeschiedenis, namelijk uitgemaakt dat naast de particuliere koper alleen de particuliere verkoper (en dus niet de professionele verkoper) zich erop mag beroepen dat aan mondelinge overeenstemming over de koop van een woning (een tot bewoning bestemde onroerende zaak) geen rechtsgevolg toekomt. Hierna zal het hof ingaan op de vraag of tussen mondelinge overeenstemming is bereikt over de koop van de recreatiewoning.\n\nAanbod tot koop op 21 april 2022\n\n3.3.. \n [appellante] heeft verschillende momenten aangewezen waarop door aanbod en aanvaarding een koopovereenkomst tot stand zou zijn gekomen. [naam] heeft dat ten aanzien van al die momenten betwist.\n\n3.4.. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [naam] (pas) op 21 april 2022 een aanbod in de zin van artikel 6:217 BW gedaan. Voor de overwegingen dat vóór die datum tussen [naam] en [appellante] niet een overeenkomst door aanbod en aanvaarding tot stand was gekomen verwijst het hof naar, en sluit zich aan bij, de overwegingen van de rechtbank in 3.8 tot en met 3.11 van het vonnis. In het kort komt het erop neer dat de toezending van de niet ingevulde conceptkoopovereenkomst en -leveringsovereenkomst voorafgaand aan de voorlichtingsbijeenkomst van 9 november 2021 moet worden aangemerkt als een uitnodiging om in onderhandeling te treden, en dat ook op 20 december 2021 en 17 februari 2022 geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Daar voegt het hof nog aan toe dat [appellante] , naar aanleiding van de gerezen discussie over de erfgrens en het ontbreken van een heg, in haar email van 28 maart 2022 [naam] sommeerde de kwestie te regelen, waarbij zij opmerkte: “Voor de goede orde merk ik op dat wij deze kwestie sowieso opgelost willen hebben, ongeacht de verkoop of voortzetting erfpacht.”Dat onderschrijft dat [appellante] op dat moment ook zelf niet van mening was dat al een koopovereenkomst was gesloten.\n\n3.5.. De notaris, die op de hoogte was van de erfgrenskwestie, mailde op 5 april 2022 aan [appellante] dat hij, voordat zou worden overgegaan tot verdere werkzaamheden, in afwachting was van de aanvullende afspraken ten aanzien van de grenscorrectie. Een dag later stelde [appellante] aan [naam] voor dat [naam] € 1.000 in mindering zou brengen op de koopsom (voor kosten kadastrale grensmeting en het planten van de heg), met welk voorstel [naam] in een e-mail van dezelfde dag (6 april 2022) akkoord is gegaan. [appellante] heeft nog gesteld dat er op 20 april 2022, tijdens een telefoongesprek tussen [appellante] en de notaris, een koopovereenkomst gesloten zou zijn, maar dat is door [naam] gemotiveerd betwist.\n\n3.6.. \n\nWel is op 21 april 2022 namens [naam] een aanbod in de zin van artikel 6:217 BW gedaan. Op die datum stuurde de notaris de definitieve stukken aan [appellante] , inclusief een op naam van [appellante] ingevulde koopovereenkomst, waarin ook de koopprijs was ingevuld: € 118.621. Bij die stukken zat ook een brief van de notaris van 28 maart 2022, waarin stond:\n\n“Geachte heer en mevrouw [appellante] ,\n\nIn samenspraak met de heer [naam] en de bewoners commissie zenden wij u hierbij de Koopovereenkomst met Bijlagen, voor de eigendom van het perceel grond aan de [straat] , waarvan u reeds erfpachter bent.\n\nAls u besloten heeft om de aankoop te laten plaats vinden door anderen (…) geeft u dat per mail aan ons door (…)\n\nDe inhoud van de Bijlagen is de afgelopen weken besproken met leden van de commissie.\n\nNadat wij de door u ondertekende koopovereenkomst per post of per mail hebben ontvangen, nemen wij met u contact op om het volgende te bespreken:\n\n• komt u persoonlijk langs voor ondertekening of zullen wij een volmacht voor u opstellen? (…)”\n\nOok volgens [naam] gold de toezending van stukken op 21 april 2022 als een aanbod (zo merkt zij op in de memorie van antwoord onder 71). Op dat moment was ook al duidelijk dat was voldaan aan de voorwaarde dat minimaal 70% van de kavels moest worden verkocht. Dat dit aanbod door [appellante] is aanvaard blijkt hieronder.\n\nAanvaarding van dat aanbod op 5 mei 2022\n\n3.7.. \n\nTussen partijen staat vast dat [appellante] het aanbod van 21 april 2022 niet onmiddellijk heeft aanvaard. [appellante] en [naam] zijn doorgegaan met hun correspondentie over de erfgrens van het perceel van [appellante] . Op 29 april 2022 hebben partijen per e-mail gediscussieerd over de inhoud van de op 6 april 2022 gemaakte afspraak (met name de vraag of tegenover de korting van € 1.000 de verplichting voor [appellante] stond om op haar kosten een heg op de erfgrens te plaatsen en te zorgen voor de kadastrale inmeting). [appellante] liet weten geen verplichting op zich te hebben genomen. Volgens haar hield de afspraak in dat [naam] die kosten niet voor haar rekening hoefde te nemen en dat zij zelf met de buren tot overeenstemming over erfgrens en erfafscheiding zou proberen te komen. Zij verzocht om toezending van de door [naam] ondertekende koopovereenkomst, waarbij de koopprijs met € 1.000 was verlaagd. De advocaat van [naam] antwoordde op vrijdag 29 april 2022 om 14:33 uur:\n\n“als u mij niet vóór maandag 2 mei a.s. te 9:00 uur schriftelijk bevestigt dat u zelf de Kadastrale meting en plaatsing van de heg (al dan niet tezamen met de buren) regelt en de kosten daarvan draagt tegenover de korting van € 1.000,--, wenst cliënte niet (langer) aan u te verkopen en acht zij zich tevens vrij de bloot eigendom aan een derde partij te verkopen en te leveren.”\n\n3.8.. \n\nOp maandag 2 mei om 11:57 uur schreef de advocaat van [appellante] aan de advocaat van [naam] :\n\n“Tot mijn wendde zich mevrouw [appellante] , hierna te noemen cliënte, met het verzoek haar belangen te behartigen inzake de kwestie [adres1] [nummers] .\n\nIn reactie op uw onderstaande e-mailbericht van vrijdag jl. bevestig ik bij dezen dat cliënte de kadastrale inmeting inmiddels heeft aangevraagd.\n\nDonderdag a.s. zal ter plaatse nader overleg tussen cliënte, de buurman en een hovenier plaatsvinden over de vraag of op de erfgrens een heg zal worden geplaatst en, zo ja, wanneer en op welke wijze dat zal plaatsvinden en welke kosten daaraan zullen zijn verbonden. Vervolgens zal ik u vrijdag a.s. per e-mailbericht uitsluitsel geven over de tussen uw en mijn cliënte gerezen discussie.”\n\n3.9.. Daarop antwoordde de advocaat van [naam] op 3 mei 2022 aan de advocaat van [appellante] dat [appellante] de haar geboden termijn ongebruikt heeft laten verstrijken, zodat [naam] volledig vrij is om wel of niet aan [appellante] te verkopen. Op diezelfde dag liet de makelaar van [naam] aan de notaris weten dat [appellante] niet meer kon kopen en dat de andere erfpachters tot 15 mei 2022 de tijd kregen om de koopovereenkomst te tekenen. Daarna zou het aanbod aan de overige erfpachters vervallen. Op 5 mei 2022 schreef de advocaat van [appellante] aan de advocaat van [naam] dat er door aanbod en aanvaarding al overeenstemming was bereikt over de essentialia van de koopovereenkomst. Verder schreef hij dat [appellante] , om de levering van het verkochte op korte termijn toch doorgang te laten vinden, haar eerdere eis tot plaatsing van een heg op de erfgrens laat vallen, de feitelijke situatie accepteert en ook afziet van de eerder door haar voorgestelde afkoopsom. Als onbetwist staat vast dat de levering van de recreatiewoningen aan de overige erfpachters in mei 2022 heeft plaatsgevonden.\n\n3.10.. Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat [appellante] niet binnen de in de e-mail van 29 april 2022 gestelde termijn heeft gereageerd op de door [naam] gevraagde bevestiging dat zij de kosten van de kadastrale inmeting en de plaatsing van een heg zal dragen. Partijen twisten echter onder meer over de vraag of [naam] deze termijn redelijkerwijs mocht stellen.\n\n3.11.. \n [appellante] stelt zich op het standpunt dat voor zover er op 29 april 2022 en\u002Fof 3 mei 2022 nog geen overeenstemming bestond over de essentialia van de koopovereenkomst, [naam] in strijd met de precontractuele redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door op vrijdag 29 april 2022 een nieuwe aanvullende eis te formuleren, met een deadline voor aanvaarding op maandagochtend 2 mei 2022 9:00 uur. Die eis week af van de op 21 april 2022 toegezonden koopakte, terwijl de termijn voor ondertekening daarvan (15 mei 2022) nog niet was verstreken. Verder was ook de ultrakorte termijn volgens [appellante] onredelijk en maakte die het [appellante] onmogelijk om deugdelijke juridische ruggenspraak te plegen, omdat de tussenliggende dagen in het weekend vielen.\n\n3.12.. \n [naam] stelt dat de voorwaarden van haar voorstel van 29 april 2022 helder waren en dat zij, nu [appellante] niet tijdig bevestigend had geantwoord, ervoor mocht kiezen om niet meer aan haar te verkopen. Volgens [naam] brengt de contractsvrijheid met zich dat zij mag bepalen met wie zij een overeenkomst afsluit en of zij de onderhandelingen stopt als partijen er niet uitkomen.\n\n3.13.. Het hof is het op dit punt eens met [appellante] . Gezien de omstandigheden van het geval was het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [naam] op 29 april 2022 nadere voorwaarden verbond aan haar aanbod van 21 april 2022 en dat aanbod op 3 of 5 mei 2022 herriep (introk). Dat partijen het niet eens bleken over de inhoud van de afspraak van 6 april 2022, maakte die herroeping ook niet aanvaardbaar. Het hof baseert dit oordeel op de volgende feiten en omstandigheden:\n\n [appellante] heeft, blijkens de e-mail van haar advocaat van 5 mei 2022, het aanbod van [naam] op die datum volledig en onvoorwaardelijk aanvaard; daarmee golden voor haar dezelfde koopvoorwaarden als voor de overige erfpachters;\n\nde (overige) erfpachters hadden tot 15 mei 2022 de tijd gekregen om de koopovereenkomst te ondertekenen; [appellante] heeft het aanbod dus ook binnen die termijn aanvaard;\n\n [naam] heeft [appellante] een onredelijk korte termijn gegeven voor een antwoord op de nadere eis van 29 april 2022 (namelijk van vrijdagmiddag 14:33 uur tot maandagochtend 9:00 uur), waardoor [appellante] onvoldoende tijd had om een advocaat te raadplegen; dat zij zelf advocaat is, maakt niet dat haar geen redelijke termijn voor een reactie moet worden gegund;\n\nniet is gesteld of gebleken dat [naam] schade heeft geleden door de (latere) aanvaarding door [appellante] ;\n\nhet enkele gegeven dat [naam] geïrriteerd is geraakt door de houding van [appellante] weegt niet op tegen het belang van [appellante] om de recreatiewoning te kunnen kopen; dat belang is des te groter omdat gepoogd wordt om permanente bewoning op het park mogelijk te maken.\n\n3.14.. Het voorgaande betekent dat met de aanvaarding door (de advocaat van) [appellante] op 5 mei 2022 op die datum overeenstemming is bereikt over de (voorwaarden van de) verkoop van de recreatiewoning aan [appellante] . De contractsvrijheid wordt hiermee niet beperkt omdat [naam] zich daarvóór had gebonden aan haar voorstel.\n\nDe koopovereenkomst is niet vernietigd of vernietigbaar\n\n3.15.. Het door [naam] gedane beroep op vernietiging\u002Fvernietigbaarheid wegens bedrog en\u002Fof misbruik van omstandigheden is gegrond op de stelling dat [appellante] , wetende dat er geen sprake was van overeenstemming, bij de notaris ten onrechte de indruk heeft gewekt dat er een akkoord was.\n\n3.16.. Uit het voorgaande is gebleken dat die stelling niet juist is: er bestond op 5 mei 2022 wél overeenstemming over de koop. Daarom moet de door [naam] gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is vernietigd worden afgewezen en kan het hof haar voorwaardelijke reconventionele vordering tot vernietiging niet toewijzen.\n\nDe koopovereenkomst is niet ontbonden en kan niet worden ontbonden\n\n3.17.. \n [naam] heeft, meer subsidiair, een beroep gedaan op ontbinding van de overeenkomst omdat in artikel 8 lid 3 van de op 21 april 2022 toegezonden koopovereenkomst staat: “Verkoper heeft het recht deze overeenkomst te ontbinden wanneer vóór 15 december 2021 niet 70% van de kavels is verkocht”en het quotum van 70% pas ná 15 december 2021 is gehaald.\n\n3.18.. Vaststaat dat [naam] voor het eerst op 11 mei 2022, dus na de totstandkoming van de koopovereenkomst, de ontbinding van de koopovereenkomst heeft ingeroepen. Vaststaat ook dat [naam] zich ten opzichte van de overige erfpachters niet op de gelijkluidende bepaling heeft beroepen. [naam] heeft niet toegelicht dat (en waarom) het haar op 11 mei 2022 of daarna nog vrij stond om een of meer koopovereenkomsten alsnog te laten vervallen – waarmee zij het overigens in de hand zou hebben dat haar 70%-voorwaarde wel of niet zou worden vervuld. Het hof is met [appellante] van oordeel dat het in ieder geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [naam] tegenover [appellante] op 11 mei 2022 nog een beroep op die ontbindende voorwaarde deed. Daarbij weegt het hof mee dat het op dat moment voor beide partijen duidelijk was dat het quotum was behaald: het bewonerscomité mailde dat al op 25 februari 2022 en op 3 mei 2022 liet de makelaar aan [naam] en de notaris met toezending van een lijst van kopers weten dat de koop definitief doorging en dat overgegaan kon worden tot het inplannen van transporten. Feitelijk ís ook aan meer dan 70% van de erfpachters de blote eigendom verkocht en geleverd, zo blijkt achteraf. De koopovereenkomst kon en kan dus niet meer op die grond worden ontbonden.\n\nVerklaring voor recht dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen\n\n3.19.. Als koopprijs van de recreatiewoning was afgesproken € 118.621 (zo is ook opgenomen in de op 21 april 2022 toegezonden koopovereenkomst). Vordering 1, een verklaring voor recht dat tussen [appellante] en [naam] een koopovereenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat [appellante] de blote eigendom van de recreatiebungalow voor dat bedrag koopt, kan dan ook worden toegewezen.\n\nLeveringsverplichting\n\n3.20.. Op [naam] rustte ook (vanaf 5 mei 2022) de verplichting tot levering. Ook vordering 2 zal daarom worden toegewezen: de veroordeling van [naam] om binnen tien (naar het hof zal bepalen: werk-) dagen na betekening van het arrest mee te werken aan de levering van de recreatiewoning van [appellante] . De gevorderde dwangsom van € 5.000 per dag dat [naam] nalaat aan de levering haar medewerking te verlenen, zal worden afgewezen omdat [appellante] daarbij onvoldoende belang heeft. Zij heeft immers ook gevorderd dat het arrest in de plaats treedt van de – naar het hof begrijpt – notariële leveringsakte. Die vordering zal (op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW) worden toegewezen indien, zoals gevorderd, [naam] binnen dertig dagen na betekening van het arrest haar medewerking aan de levering nog steeds niet heeft verleend.\n\nContractuele boete\n\n3.21.. \n\nOnder 3 vordert [appellante] om [naam] te veroordelen tot betaling van € 11.862, als verbeurde contractuele boete. [appellante] heeft in dit kader gesteld dat zij [naam] bij aangetekende brief van 8 juni 2022 in gebreke heeft gesteld. In die brief schrijft haar advocaat:\n\n“(…) U hebt de afgelopen weken kenbaar gemaakt niet aan de levering van het verkochte te zullen meewerken, primair omdat volgens u geen koopovereenkomst tot stand is gekomen en subsidiair omdat u de koopovereenkomst wenst te vernietigen c.q. te ontbinden. (…) 70% van de kavels is verkocht en inmiddels ook daadwerkelijk is geleverd. (…)\n\nGelet op uw voortdurende weigering om aan de levering van het verkochte mee te werken, ziet cliënte zich thans genoodzaakt u in gebreke te stellen.\n\nMet referte aan artikel 7 van de koopovereenkomst wordt u bij dezen gesommeerd om binnen acht dagen na dagtekening van deze brief schriftelijk aan mij kenbaar te maken dat u alsnog bereid bent om onvoorwaardelijk en op de kortst mogelijke termijn aan de levering van het verkochte mee te werken ten overstaan van één van de notarissen verbonden aan Kuiper & Van 't Spijker Notariskantoor.\n\nIndien en voor zover u tijdig en positief reageert, zal cliënte in samenspraak met u en de notaris een datum bepalen waarop de levering op de kortst mogelijke termijn zal plaatsvinden.\n\nIndien en voor zover u niet tijdig en positief reageert, zult u, door het enkele verstrijken van acht dagen na dagtekening van deze brief, een contractuele boete verbeuren van 10% van de koopprijs, zijnde € 11.862,10, onverminderd het recht van cliënte op aanvullende schadevergoeding. Vervolgens zal cliënte ten overstaan van de rechtbank vorderen dat u wordt veroordeeld tot de levering van het verkochte, de betaling van de boete ad € 11.862,10, alsmede de vergoeding van de proceskosten en de overige door cliënte geleden schade. (…)”\n\n3.22.. \n [naam] stelt zich op het standpunt dat zij geen boete is verschuldigd omdat in de brief van 8 juni 2022 geen termijn voor levering is genoemd, hetgeen ook niet kon omdat in de koopovereenkomst nog geen leveringsdatum was bepaald.\n\n3.23.. \n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nIn artikel 7 van de (op 21 april 2022 toegezonden) koopovereenkomst is bepaald:\n\n“1. Een partij is in verzuim jegens de wederpartij als hij, na in gebreke te zijn gesteld,\n\nnalatig is of blijft aan zijn verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst te voldoen. Ingebrekestelling moet schriftelijk geschieden met inachtneming van een termijn van acht dagen. Gemelde termijn kan reeds lopen voordat een partij nalatig is.\n\n2. (…)\n\n3. Wanneer het verzuim betrekking heeft op het niet meewerken aan de feitelijke en\u002Fof juridische levering danwel op de voldoening van de koopprijs, zal de nalatige partij daarnaast ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst opeisbare boete verbeuren. De hoogte van deze boete is gelijk aan tien procent van de totale koopprijs. Voor zover de wederpartij meer schade lijdt, heeft hij, naast de boete, recht op aanvullende schadevergoeding. (…)”\n\nVaststaat dat [naam] op de sommatie om binnen acht dagen kenbaar te maken dat zij bereid is mee te werken aan levering, niet heeft gereageerd. Vervolgens heeft [appellante] [naam] op 17 augustus 2022 gedagvaard om, als aangekondigd, in rechte de levering te vorderen. [naam] heeft ook daarna geweigerd om mee te werken aan de levering, terwijl de overige verkochte woningen inmiddels aan de erfpachters waren geleverd. Nog daargelaten dat het verzuim op grond van artikel 6:83 aanhef en onder c BW zonder ingebrekestelling intreedt wanneer uit een mededeling van de schuldenaar moet worden afgeleid dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten, geldt dat de sommatie om binnen acht dagen te laten weten dat [naam] aan haar verplichting tot levering zal meewerken, wel degelijk een ingebrekestelling inhoudt. Zolang [naam] zou volharden in haar weigering was het immers niet zinvol al een leveringsdatum bij de notaris in te plannen. Op grond van artikel 7 lid 1 van de overeenkomst is [naam] vanaf 17 juni 2022 in verzuim. Op grond van artikel 7 lid 3 van de overeenkomst is daarom de gevorderde boete van € 11.862 (10% van de koopprijs) toewijsbaar. Ook de (met ingangsdatum 17 juni 2022) gevorderde wettelijke rente over de boete is gezien het voorgaande en bij gebrek aan afdoende betwisting toewijsbaar.\n\nErfpachtcanon\n\n3.24.. \n [appellante] heeft (na vermeerdering van eis) bij de rechtbank voorts gevorderd dat [naam] wordt veroordeeld tot betaling van in totaal € 6.657,83 aan door [appellante] ten onrechte betaalde erfpachtcanon over de periode april 2022 tot oktober 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2023 (de datum waarop zij haar eis in conventie bij akte heeft vermeerderd). Daaraan heeft [appellante] in hoger beroep nog toegevoegd de betaalde bedragen aan erfpachtcanon van € 2.362,47 en € 2.453,13 over de periode van oktober 2023 en tot oktober 2024. Over het eerste bedrag vordert zij de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2023 en over het tweede bedrag vanaf 4 april 2024. [appellante] heeft al deze bedragen onder protest betaald op door [naam] gestuurde facturen. Zij vordert verder [naam] te veroordelen tot betaling aan haar van de bedragen die zij na oktober 2024 maar voorafgaand aan het arrest heeft voldaan, ook weer vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de betaaldata. Volgens [appellante] volgt uit afspraken die [naam] in maart 2022 met het bewonerscomité heeft gemaakt dat de canon niet langer verschuldigd zou zijn. Zij verwijst naar de e-mail van 21 maart 2022 van het bewonerscomité aan de erfpachters waarin staat: “De afronding van de transacties zal plaatsvinden vanaf 3e week april (start 20 april) en tot uiterlijk eind mei 2022. Er vindt dan geen verrekening meer plaats van canon-gelden.”Omdat er al op 9 mei 2022 een door [appellante] en de notaris getekende koopovereenkomst lag, hoefde zij de canon vanaf april 2022 niet meer te betalen, aldus [appellante] . Zij vordert de betaalde bedragen primair terug op grond van onverschuldigde betaling, subsidiair als schadevergoeding vanwege de toerekenbare tekortkoming door [naam] in de nakoming van haar verplichting om tijdig aan de levering van het verkochte mee te werken, en meer subsidiair op grond van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van [naam] .\n\n3.25.. \n [naam] voert als verweer aan dat de vordering moet worden afgewezen omdat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Verder voert zij aan dat er op haar geen leveringsverplichting rustte, omdat geen leveringsdatum was bepaald. Uit het voorgaande volgt al dat deze verweren niet op gaan (zie ook overweging 3.23). Subsidiair voert [naam] aan dat [appellante] de erfpachtcanon in ieder geval verschuldigd is tot het moment van levering. Alhoewel [appellante] in beginsel erfpachtcanon verschuldigd is zolang [naam] nog eigenaar is, gaat haar verweer niet op omdat [naam] , als overwogen, vanaf 17 juni 2022 in verzuim is met de levering. Alleen daardoor is [appellante] geen eigenaar geworden. [naam] heeft niet betwist dat de overige erfpachters, aan wie in mei 2022 hun recreatiewoning is geleverd, al vanaf april 2022 (dus ook voor een periode van enkele maanden waarin zij nog erfpachters waren) geen erfpachtcanon meer hebben betaald. Doordat [naam] toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichting om de verkochte recreatiewoning tijdig aan [appellante] te leveren, heeft [appellante] schade geleden in de vorm van de betaalde erfpachtcanon. De vorderingen van [appellante] onder 4, 5 en 6 (alle ziend op de terugbetaling van de betaalde erfpachtcanon) zullen daarom op de subsidiaire grondslag worden toegewezen.\n\nOverdrachtsbelasting\n\n3.26.. Voorts stelt [appellante] schade te lijden doordat de overdrachtsbelasting per 1 januari 2023 is verhoogd van 8% naar 10,4%, wat gezien de koopprijs van € 118.621 neerkomt op een schade van € 2.864,90. Dat bedrag zal zij op het moment van de notariële levering extra moeten betalen. Bij eisvermeerdering heeft [appellante] gevorderd dat [naam] die schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2023, moet betalen. [appellante] legt daaraan ten grondslag dat [naam] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen door niet tijdig aan de levering van het verkochte mee te werken.\n\n3.27.. Ook wat betreft deze vordering heeft [naam] slechts aangevoerd dat een koopovereenkomst niet betekent dat er direct geleverd moet worden en dat [naam] , omdat er geen leveringsdatum is bepaald, niet tekort kan schieten in de nakoming daarvan. Hiervoor is al overwogen dat dit verweer faalt. Ook deze vordering (vordering 7) zal daarom worden toegewezen.\n\nTerugbetaling van de door [appellante] betaalde proceskosten\n\n3.28.. Onder 8 vordert [appellante] om [naam] op grond van onverschuldigde betaling te veroordelen tot terugbetaling van de door [appellante] op grond van het vonnis betaalde proceskosten ad € 4.542, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 (de betaaldag). Omdat het vonnis zal worden vernietigd en [naam] zal worden veroordeeld om de proceskosten bij de rechtbank te dragen, zal ook deze vordering worden toegewezen.\n\nBuitengerechtelijke kosten\n\n3.29.. Met betrekking tot de onder 9 gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad € 975 overweegt het hof als volgt. Omdat de vordering niet de betaling van een geldvordering uit overeenkomst betreft, maar een vordering tot levering, is niet het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing, maar het rapport BGK-Integraal. Dat rapport bepaalt dat bij buitengerechtelijke kosten als vorm van schadevergoeding de omvang van de vergoedingsverplichting wordt bepaald door de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 onder c BW: als vermogensschade komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte in aanmerking. Daarbij geldt dat alleen kosten kunnen worden vergoed die zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit (artikel 241 Rv). De stelplicht ter zake rust op degene die de buitengerechtelijke kosten vordert.\n\n3.30.. \n [appellante] stelt dat haar advocaat in de preprocessuele fase een dossier heeft samengesteld, inlichtingen en adviezen heeft verstrekt en een verdere strategie heeft bepaald. Daarnaast zijn er volgens [appellante] sommatiebrieven verstuurd (waarbij zij verwijst naar de in 3.21 aangehaalde brief van 8 juni 2022). [naam] betwist dat de gestelde verrichtingen niet ter voorbereiding of instructie van deze procedure zijn uitgevoerd (en dus onder de proceskostenveroordeling vallen). Hier heeft [appellante] niet op gereageerd. Ook overigens heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd gesteld dat haar advocaat, behoudens het sturen van de sommatiebrief van 8 juni 2022, andere incassohandelingen heeft verricht om buiten rechte medewerking aan levering door [naam] voor elkaar te krijgen. Naar het oordeel van het hof behoort deze enkele sommatiebrief tot de verrichtingen ter voorbereiding van gedingstukken en instructie van de zaak waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding insluit. De eerdere bijstand met betrekking tot de eisen van [naam] over de inmeting van de erfgrens en de heg (zie 3.8 en 3.9), was niet bedoeld om voldoening buiten rechte te verkrijgen. Deze vordering tot vergoeding van incassokosten moet daarom worden afgewezen.\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof in de vrijwaringszaak\n\nGeen causaal verband\n\n4.1.. Het verwijt van [naam] aan de notaris ziet op het volgende. Nadat [appellante] op 6 mei 2022 de door haar ondertekende koopovereenkomst aan de notaris had gemaild, heeft de notaris op 9 mei 2022 diezelfde overeenkomst namens [naam] ondertekend en vervolgens aan [appellante] teruggezonden. [naam] stelt zich op het standpunt dat de notaris daardoor niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen (artikel 7:401 BW). Op 3 mei 2022 had [naam] immers al aan de notaris laten weten dat [appellante] de recreatiewoning niet meer mocht kopen. Volgens [naam] lijdt zij schade door de fout van de notaris. Als de notaris de overeenkomst niet ondertekend had teruggestuurd, had [appellante] zich namelijk niet kunnen beroepen op levering van de recreatiewoning. Daarom houdt [naam] de notaris aansprakelijk voor al haar schade en kosten.\n\n4.2.. De notaris betwist dat [naam] schade heeft geleden doordat hij de koopovereenkomst heeft ondertekend. Volgens hem was al voordien een bindende mondelinge koopovereenkomst tussen [naam] en [appellante] tot stand gekomen.\n\n4.3.. Het verweer van de notaris slaagt. Uit de overwegingen in de hoofdzaak blijkt dat [naam] en [appellante] op 5 mei 2022 overeenstemming hebben bereikt over de (voorwaarden van de) verkoop van de recreatiewoning aan [appellante] . Op grond daarvan had [naam] een leveringsverplichting jegens [appellante] . De schade die [naam] van de notaris vergoed wil krijgen is het gevolg van haar eigen weigering om te voldoen aan die leveringsverplichting. Die bestond al voordat de notaris het contract namens haar ondertekende. Hierop strandt de schadevordering tegen de notaris. Daarom hoeft de gestelde beroepsfout niet inhoudelijk beoordeeld te worden.\n\n5. Eindoverwegingen in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak\n\nGeen bewijslevering\n\n5.1.. Omdat partijen geen voldoende concrete feiten hebben gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering. De bewijsaanbiedingen van partijen worden daarom gepasseerd.\n\nDe conclusie\n\n5.2.. Het principaal hoger beroep in de hoofdzaak slaagt grotendeels en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep in de hoofdzaak faalt. Omdat [naam] in de hoofdzaak in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten in de hoofdzaak, zowel bij het hof in principaal en incidenteel hoger beroep als bij de rechtbank (in conventie en in reconventie). Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover.De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.3.. Het hoger beroep in de vrijwaringszaak faalt. Omdat [naam] in de hoofdzaak in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten in de vrijwaringszaak in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.\n\n5.4.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nin de hoofdzaak\n\n6.1.. vernietigt het vonnis in de hoofdzaak van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 februari 2024 en beslist als volgt:\n\n6.2.. verklaart voor recht dat tussen [appellante] en [naam] een koopovereenkomst tot stand is gekomen inhoudende dat [appellante] voor de koopsom van € 118.621 koopt de blote eigendom van het kadastrale perceel en de daarop staande recreatiebungalow, plaatselijk bekend als [adres2] te [postcode] [plaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer1] , groot 3.33 are, alsmede 1\u002F28e onverdeeld aandeel in het tot gemeenschappelijk gebruik bestemde terrein en water, gelegen aan en nabij de [adres1] te [postcode] [vestiginsplaats] , kadastraal bekend [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer2] , [nummer3] , [nummer4] , [nummer5] , [nummer6] , [nummer7] , [nummer8] en [nummer9] , verder onder de voorwaarden zoals opgenomen in de op 21 april 2022 door de notaris aan [appellante] verzonden koopovereenkomst;\n\n6.3.. veroordeelt [naam] om binnen tien werkdagen na betekening van dit arrest voornoemde koopovereenkomst jegens [appellante] na te komen door mee te werken aan de levering aan [appellante] van de blote eigendom van het kadastrale perceel en de daarop staande recreatiebungalow, plaatselijk bekend als [adres2] te [postcode] [vestiginsplaats] , kadastraal bekend gemeente [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer1] , groot 3.33 are, alsmede 1\u002F28e onverdeeld aandeel in het tot gemeenschappelijk gebruik bestemde terrein en water, gelegen aan en nabij de [adres1] te [postcode] [vestiginsplaats] , kadastraal bekend [gemeentenaam] , [sectie] , [nummer2] , [nummer3] , [nummer4] , [nummer5] , [nummer6] , [nummer7] , [nummer8] en [nummer9] , onder bepaling dat dit arrest in de plaats treedt van de notariële leveringsakte indien [naam] binnen dertig dagen na betekening van het arrest haar medewerking nog niet heeft verleend;\n\n6.4.. veroordeelt [naam] om aan [appellante] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 11.862 aan verbeurde contractuele boete, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\n6.5.. veroordeelt [naam] tot terugbetaling aan [appellante] van betaalde canonbedragen over de periode vanaf 1 april 2022 tot 1 oktober 2023 van in totaal € 6.657,83, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\n6.6.. veroordeelt [naam] tot terugbetaling aan [appellante] van betaalde canonbedragen betreffende de periode 1 oktober 2023 tot 1 oktober 2024, te weten € 2.362,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2023, en € 2.453,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\n6.7.. veroordeelt [naam] tot terugbetaling aan [appellante] van de canonbedragen die [appellante] met betrekking tot de periodes vanaf 1 oktober 2024 nog aan [naam] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat [appellante] de canonbedragen aan [naam] heeft betaald tot aan de dag der algehele voldoening;\n\n6.8.. veroordeelt [naam] tot vergoeding aan [appellante] van € 2.864,90 wegens verhoogde overdrachtsbelasting, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\n6.9.. veroordeelt [naam] tot terugbetaling aan [appellante] van de door [appellante] op grond van het vonnis van 14 februari 2024 betaalde proceskosten ad € 4.542, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 februari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\n6.10.. \n\nveroordeelt [naam] tot betaling van de volgende proceskosten in conventie van [appellante] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.301 aan griffierecht\n\n€ 133,49 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [naam]\n\n€ 1.228 aan salaris van de advocaat van [appellante] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II),\n\ntot betaling van de volgende proceskosten in reconventie tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 614 aan salaris van de advocaat van [appellante] (0,5 x 2 procespunten x het toepasselijke tarief II),\n\ntot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] in principaal hoger beroep:\n\n€ 798 aan griffierecht\n\n€ 135,97 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan [naam]\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van [appellante] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II),\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellante] in incidenteel hoger beroep:\n\n€ 1.290 aan salaris van de advocaat van [appellante] (0,5 x 2 procespunten x het toepasselijke tarief II);\n\n6.11.. bepaalt dat al deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.12.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.13.. wijst af wat verder is gevorderd;\n\nin de vrijwaringszaak\n\n6.14.. bekrachtigt het vonnis in de vrijwaringszaak van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 14 februari 2024;\n\n6.15.. \n\nveroordeelt [naam] tot betaling van de volgende proceskosten van de notaris:\n\n€ 2.175 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van de notaris (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);\n\n6.16.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, L.J. de Kerpel-van de Poel en P.E. Lucassen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.\n\n HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU7412\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:1787","ecli-nl-gharl-2026-1787",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]