[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-3333":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-3333":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"444","ECLI:NL:GHARL:2026:3333","",60,"Arnhem","arnhem","2026-05-26T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.503\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 455472\n\narrest in kort geding van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n1. Becedo Vastgoed IV B.V.\n\ndie is gevestigd in Didam\n\n2. [appelante sub 2] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\neisende partijen bij de voorzieningenrechter\n\nhierna samen: Becedo c.s.\n\nadvocaat: mr. A.A. al Khatib\n\nen\n\ngemeente Doesburg\n\ndie zetelt in Doesburg\n\ngedaagde partij bij de voorzieningenrechter\n\nhierna: de gemeente\n\nadvocaat: mr. E.M.M. Vendrig\n\nen\n\nEkoma Onroerend Goed B.V.\n\ndie is gevestigd in Apeldoorn\n\ntussenkomende partij bij de voorzieningenrechter\n\nhierna: Ekoma\n\nadvocaat mr. H. Doornhof.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. Becedo c.s. heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, (hierna: de voorzieningenrechter) op 1 december 2025tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep met grieven, met producties\n\nde memorie van antwoord van de gemeente\n\nde memorie van antwoord van Ekoma\n\neen akte overlegging producties van Becedo\n\neen nadere productie van Becedo\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 31 maart 2026 is gehouden\n\n1.2.. Hierna hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof daarvoor een datum bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n\nDe gemeente heeft het voornemen tot overdracht (via een grondruil) van een perceel grond gelegen in de wijk Beinum in Doesburg (hierna te noemen: Perceel Gemeente) aan Ekoma die daar een supermarkt wil vestigen. Ekoma heeft een perceel grond in dezelfde wijk waarop een supermarkt is gevestigd (hierna te noemen: Perceel Ekoma), welk perceel zij wil overdragen aan de gemeente.\n\nBecedo c.s. vindt dat zij ook moet kunnen meedingen naar verkrijging van het Perceel Gemeente. Volgens haar had de gemeente potentiële gegadigden voor de verkrijging van het Perceel Gemeente mededingingsruimte moeten bieden door middel van een openbare selectieprocedure. Naar haar mening handelt de gemeente in strijd met artikel 3:14 BW en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door dit perceel op de voorgenomen wijze aan Ekoma over te dragen. Daarnaast stelt Becedo c.s. dat er sprake is van (verboden) staatssteun door de gemeente aan Ekoma doordat zij het Perceel Gemeente overdraagt tegen een te lage, niet marktconforme, prijs. Haar vorderingen in eerste aanleg waren erop gericht te voorkomen dat de gemeente een definitieve overeenkomst met Ekoma zou sluiten en het Perceel Gemeente aan Ekoma zou overdragen zonder eerst een openbare selectieprocedure te doorlopen. De gemeente heeft zich daartegen verweerd en gewezen op haar “Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. grondruil van gemeentegrond” van juli 2025. Daarin heeft zij toegelicht dat Ekoma de enige serieuze gegadigde voor het perceel is en dat daarom een openbare selectieprocedure achterwege kon blijven.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Becedo c.s. afgewezen. Kort gezegd heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente in het kader van die ontwikkeling Ekoma heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde. Tot slot heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil (verboden) staatssteun oplevert.\n\n2.3.. De bedoeling van het hoger beroep is dat de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van Becedo c.s. worden toegewezen. Kort gezegd komen de vorderingen van Becedo c.s. in hoger beroep erop neer dat ze wil dat de gemeente wordt veroordeeld tot het intrekken van de publicatie over haar voornemen tot overdracht van het Perceel Gemeente aan Ekoma, haar wordt verboden om het Perceel Gemeente aan Ekoma te verkopen en te leveren zonder selectieprocedure en wordt geboden om een eventuele verkoop c.q. grondruil aan Ekoma ongedaan te maken. Deze laatste vordering richt zich ook tot Ekoma. Becedo c.s. vordert tevens oplegging van een dwangsom en een proceskostenveroordeling.\n\n2.4.. Het hof is voorshands van oordeel dat de keuze voor de wijze van herontwikkeling van het centrum van Beinum valt binnen de beleidsvrijheid van de gemeente en dat de gemeente Ekoma in dat kader heeft kunnen aanmerken als enige serieuze gegadigde voor het Perceel Gemeente. Het hof zal echter het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet aannemelijk is geworden dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil staatssteun oplevert, vernietigen de gemeente veroordelen in de proceskosten van Becedo c.s. in beide instanties. De proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma zal het hof in beide instanties compenseren. Ten behoeve van de leesbaarheid van het dictum zal het hele vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Ekoma is eigenaar van Perceel Ekoma, gelegen in het centrum van de wijk Beinum in Doesburg . Op Perceel Ekoma exploiteert Dekamarkt, gelieerd aan Ekoma, een supermarkt.\n\n3.2.. De gemeente is eigenaar van de omliggende percelen in het centrum van de wijk Beinum, met uitzondering van een perceel dat is gelegen naast het Perceel Ekoma waarop een snackbar wordt geëxploiteerd en een perceel met vijver van het Waterschap Rijn en IJssel.\n\n3.3.. De gemeente is sinds 2016 voornemens om het centrum van Beinum te herontwikkelen. Dit voornemen is opgenomen in de Ruimtelijke Structuurvisie Doesburg 2030 van 22 juni 2016. Ten behoeve van de herontwikkeling heeft de gemeente een participatieproces ingericht en is een projectgroep opgericht. In deze projectgroep zaten verschillende deskundigen, adviseurs en belanghebbenden waaronder een vertegenwoordiger van Ekoma\u002FDekamarkt. De eigenaar van de snackbar is uitgenodigd voor deelname aan de projectgroep, maar heeft daar niet aan deelgenomen.\n\n3.4.. Op 29 maart 2022 is het Projectplan Herontwikkeling Centrum Beinum voltooid. Hierin staat een beschrijving van het project die luidt:\n\n “2.1. Wat is de opgave?\n\nHet centrum van Beinum heeft een gedateerde en vervallen uitstraling. Hierdoor functioneert dit centrum onvoldoende als kloppend hart van de wijk. Dit komt mede door:\n\n de beeldbepalende en introverte sporthal en de gedateerde supermarkt en snackbar;\n\n een supermarkt die door haar huidige omvang te klein is om toekomstbestendig haar rol in de wijk te kunnen vervullen;\n\n een tussenliggend parkeerterrein dat te krap, te onoverzichtelijk en verkeersonveilig is;\n\n een groot stuk ongebruikt openbaar groen;\n\n de slechte waterkwaliteit van vijver De Brink die door de beperkte doorstromingsmogelijkheden de laatste jaren hard achteruit gegaan;\n\n het ontbreken van samenhang en groen- \u002Fverblijfskwaliteit (van belang voor een gezonde leefomgeving).\n\nHet project ziet op het aantrekkelijk maken van het centrum van Beinum zodat de locatie een toekomstbestendige bijdrage levert aan de leefbaarheid van de wijk.”\n\n3.5.. Op 8 april 2022 is het in opdracht van de gemeente uitgevoerde distributie-planologisch onderzoek (DPO) voltooid. De conclusies van dit onderzoek luiden:\n\n “Kwalitatieve uitbreiding gewenst\n\nIn de gemeente Doesburg is er nu en in de toekomst geen marktruimte voor het uitbreiden van het dagelijkse aanbod. Er is echter aanleiding om de supermarkt in de wijk Beinum uit te breiden en te moderniseren, waarmee voor de inwoners van de wijk een toekomstbestendige boodschappenlocatie gerealiseerd wordt.\n\nEffecten afhankelijk van omvang supermarkt\n\nEen dergelijke ontwikkeling past binnen het gemeentelijk detailhandelsbeleid, mits de uitbreiding geen afbreuk doet aan de algehele detailhandelsstructuur van de gemeente. Het centrum van Doesburg is hét hoofdwinkelgebied en de enige bovenlokale boodschappenlocatie in de gemeente. Om deze positie niet te ondermijnen is het belangrijk dat de supermarkt in Beinum geen bovenlokale aantrekkingskracht krijgt. Er wordt dan ook geadviseerd een uitbreinding van de supermarkt tot maximaal 1.200 m2 wvo toe te staan. Dit is een iets ruimere maat dan in de Detailhandelsstructuurvisie opgenomen (maximaal 1.000 m2 wvo). Deze verruiming is te onderbouwen door de inmiddels doorgezette trend van schaalvergroting in de supermarktsector. Een supermarkt van 1.200 m2 wvo vervult nog steeds een wijkverzorgende functie. DTNP adviseert hierbij een maximale brutovloeroppervlakte (bvo)* van 1.500 m2 aan te houden. (…)\n\n* De totale ruimte van een winkel bestaat uit winkelvloeroppervlak en niet voor consumenten toegankelijke ruimten (opslag, kantine, etc.). (…)”\n\n3.6.. Op 2 augustus 2022 heeft Becedo c.s. een brief geschreven aan de gemeente waarin zij interesse toont in het realiseren van een supermarkt op de locatie van de huidige sporthal in Beinum. De gemeente heeft hierop geantwoord dat zij bezig is met de planontwikkeling voor woningbouw in het centrum van Beinum en dat hierbij ook de huidige functies in het gebied worden betrokken. Ook schrijft zij dat zij bij gronduitgifte het Didam-arrest zal naleven en dat daarom in voorkomend geval ofwel een openbare selectieprocedure zal worden gestart ofwel bekend zal worden gemaakt dat er sprake is van één serieuze gegadigde. Daarop heeft Becedo c.s. geantwoord dat zij ervan uitgaat in alle situaties uitgenodigd te zullen worden voor een openbare aanbesteding of selectieprocedure omdat zich een situatie dat er sprake is van één serieuze gegadigde zich niet zal voordoen.\n\n3.7.. Op 14 oktober 2022 heeft de gemeenteraad de Nota van Uitgangspunten voor de Herontwikkeling centrum Beinum vastgesteld. Hierin staat dat er nog geen harde omlijning is van het plangebied. Als kernpunten worden genoemd het realiseren van ten minste veertig appartementen en een supermarkt van 1.600 m2 inclusief laden en lossen (inpandig), maar geen extra winkels.\n\n3.8.. De gemeente heeft op basis van de Nota van Uitgangspunten een ontwerpstudie laten uitvoeren. Vervolgens zijn drie schetsontwerpen voor de herontwikkeling gepresenteerd tijdens een wijkbijeenkomst. In één van deze ontwerpen is een supermarkt ingetekend op de huidige plek van de Dekamarkt; in de andere twee ontwerpen staat een supermarkt op een andere plek in het plangebied ingetekend.\n\n3.9.. Op 6 juni 2023 heeft Becedo c.s. de gemeente nogmaals verzocht om geïnformeerd te worden over plannen voor de ontwikkelingen betreffende supermarkten in Doesburg .\n\n3.10.. Op 5 juli 2023 zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten vastgesteld waarin is bepaald waaraan het definitieve ontwerp moet voldoen. Vervolgens is het voorlopig ontwerp van het Hart van Beinum in november 2023 voltooid, resulterend in een definitief ontwerp- en beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum in april 2024. Dit definitieve ontwerp is op 29 mei 2024 in de gemeenteraad vastgesteld.\n\n3.11.. In april 2024 heeft Arcadis in opdracht van de gemeente een residuele grondwaardeberekening uitgevoerd van het Perceel Gemeente. Arcadis concludeert tot een grondprijs van € 1.701.500.\n\n3.12.. Teneinde het plan volgens het vastgestelde definitieve ontwerp te kunnen uitvoeren is de gemeente in overleg getreden met Ekoma over de voorwaarden voor verkoop c.q. grondruil van het Perceel Ekoma en de verplaatsing van de Dekamarkt. Dit heeft geresulteerd in een concept-koopovereenkomst tussen de gemeente en Ekoma in juni 2025. Hierin staat, voor zover van belang:\n\n “Artikel 7: Aan- en verkoop bouwgrond\n\nAankoop Nieuwe Locatie door Ondernemer van Gemeente\n\n1. Ondernemer koopt van de Gemeente de Nieuwe Locatie in bouwrijpe staat. De koopsom bedraagt € 1.231.500. Dit bedrag is gebaseerd op een winkelvloeroppervlak van 1200 m2 (bruto oppervlak van circa 2.000 m2) én de realisatie van parkeerplekken op het dak van de Supermarkt.\n\n2. (…)\n\n3. De prijs voor de Nieuwe Locatie is conform artikel 4.1 sub 3 residueel bepaald met als aanvullende voorwaarden:\n\na. Voor het parkeren op het dak is gerekend met een onrendabele top van\n\n€ 10.000 per parkeerplaats, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen. De uiteindelijke meer\u002Fminder te realiseren parkeerplaatsen worden verrekend op basis van voornoemd bedrag van € 10.000.”\n\n3.13.. Op 21 juli 2025 heeft de gemeente het voornemen tot verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma of een aan haar gelieerde onderneming gepubliceerd in het Gemeenteblad (hierna: de publicatie). De publicatie luid als volgt:\n\n“Bekendmaking van voornemen tot verkoop c.q. ruil van gemeentegrond\n\nDe Hoge Raad heeft op 26 november 2021 het Didam-arrest gewezen. Daarin is bepaald dat een overheidslichaam bij de verkoop van onroerende zaken, of een uitgifte anderszins, gelegenheid moet bieden aan (potentiële) gegadigden om:\n\n1. mee te dingen naar deze onroerende zaak, of;\n\n2. in ieder geval kennis te nemen van het voornemen dat deze onroerende zaak wordt uitgeven aan één specifieke partij of persoon.\n\nEnige serieuze gegadigde\n\nDe Gemeente Doesburg is voornemens om bouwgrond (voor de realisatie van een supermarkt met aangrenzend parkeerterrein) (…) te verkopen aan Ekoma (…) of een aan haar gelieerde onderneming.\n\nDe Gemeente Doesburg is van oordeel dat Ekoma op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria de enige serieuze gegadigde is die voor de aankoop van de percelen in aanmerking komt. De Gemeente komt tot die conclusie op grond van de volgende criteria:\n\n1. De gemeente wenst het centrum van Beinum te transformeren in een aantrekkelijk verblijfsgebied voor de wijk Beinum. Daarvoor zijn op 29 mei 2024 de ruimtelijke kaders door de gemeenteraad van Doesburg vastgesteld (onder meer een definitief ontwerp en een beeldkwaliteitsplan Hart van Beinum);\n\n2. Ekoma beschikt over gronden binnen het transformatiegebied. Indien de gemeente niet beschikt over deze gronden van Ekoma, kan het door de raad vastgestelde plan voor het centrum van Beinum niet worden gerealiseerd. Ekoma is slechts bereid haar gronden te verkopen indien zij de (voornoemde) percelen in eigendom verkrijgt;\n\n3. Met deze verkoop c.q. grondruil wordt het mogelijk om de door de Gemeente gestelde doelen voor het centrum van Beinum te behalen. Door de positie van Ekoma en de omstandigheid dat zij beschikt over gronden die de Gemeente nodig heeft voor de transformatie, is Ekoma – in het kader van de grondruil – aan te merken als enige serieuze gegadigde. Zonder de medewerking van Ekoma kan het plan voor het centrum van Beinum niet gerealiseerd worden. (…)”\n\n3.14.. Becedo c.s. heeft de gemeente gesommeerd de publicatie in te trekken en een openbare selectieprocedure voor de verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente te starten. Dit heeft de gemeente geweigerd.\n\n3.15.. In maart 2026 heeft Kendes Rentmeesters Veenendaal B.V. (hierna: Kendes) in opdracht van de gemeente de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd. Bij de taxatie is rekening gehouden met het uitgangspunt dat het bouwrijpe grond is, bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt tevens dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van 1.600 m2 zal kennen en een winkelvloeroppervlakte van circa 1.200 m2. De taxateur heeft zowel de comparatieve methode als de residuele grondwaardemethode gebruikt bij de taxatie. De taxateur concludeert (na middeling van de uitkomsten van beide methodes) tot een grondwaarde van het perceel van afgerond € 1.500.000.\n\n3.16.. In maart 2026 heeft Baken B.V. (hierna: Baken) in opdracht van Becedo c.s. de waarde van Perceel Gemeente getaxeerd. Ook Baken gaat uit van bouwrijpe grond bestemd voor de realisatie van een supermarkt inclusief parkeerdek. Het taxatierapport benoemt dat de te realiseren supermarkt een brutovloeroppervlakte van maximaal 2.000 m2 zal kennen. Ook Baken heeft zowel de comparatieve als de residuele taxatiemethode gebruikt. Baken concludeert tot een grondwaarde van afgerond € 2.000.000.\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nSpoedeisend belang4.1.. Becedo c.s. heeft ook in hoger beroep nog een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen.\n\nDe Didam arresten en de toepassing daarvan4.2.. In het Didam-arrestheeft de Hoge Raad kort gezegd beslist dat wanneer een overheidslichaam voornemens is een onroerende zaak te verkopen, het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat dit overheidslichaam mededingingsruimte moet aanbieden door het houden van een selectieprocedure om zodoende aan potentiële gegadigden gelijke kansen te bieden om de onroerende zaak te verwerven.4.3.. De mededingingsruimte hoeft volgens de Hoge Raad alleen dan niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop (hierna: uniciteit). In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt.\n\n4.4.. In het Didam II-arrestheeft de Hoge Raad overwogen dat de regels uit het Didam-arrest de aan het overheidslichaam toekomende ruimte om ontwikkelingsplannen en ruimtelijke plannen vast te stellen in beginsel onverlet laten, maar dat op het moment dat zo’n plan leidt tot (het voornemen tot) verkoop van een onroerende zaak door het overheidslichaam, het overheidslichaam de Didam-regels zal moeten toepassen. Ook in het geval dat een overheidslichaam een plan heeft ontwikkeld waarin zakelijke (objectieve) voorwaarden zijn gesteld waaraan volgens het overheidslichaam slechts één partij zal kunnen voldoen, zal het overheidslichaam zich tijdig voorafgaand aan de verkoop aan deze regels moeten houden. Het Didam-arrest strekt zich volgens vaste jurisprudentie ook uit tot grondruil.\n\n4.5.. Met de hierboven gegeven feitenvaststelling is grief 1 voldoende besproken. De overige klachten in grief 1 over de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter betreffen stellingen en gevolgtrekkingen van Becedo c.s. waarvoor geen plaats is in het overzicht van de tussen partijen vaststaande feiten. In zoverre is de grief ongegrond.\n\nTijdigheid4.6.. De gemeente heeft op 21 juli 2025 haar voornemen om Perceel Gemeente over te dragen aan Ekoma bekendgemaakt. Dit heeft zij gedaan via de publicatie van dat voornemen in het Gemeenteblad. De gemeente heeft gegadigden twintig kalenderdagen na publicatie de tijd geboden om een kort geding tegen de voorgenomen overdracht aanhangig te maken en gedurende die periode heeft de gemeente geen uitvoering gegeven aan haar voornemen om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep was er ook nog geen definitieve overeenkomst met Ekoma gesloten. Het hof is voorlopig van oordeel dat de gemeente haar voornemen daarmee tijdig en op zodanige wijze bekend heeft gemaakt dat een ieder daarvan kennis kon nemen en daartegen kon opkomen. Aan de door de Hoge Raad in het Didam-arrest gestelde voorwaarde van tijdige bekendmaking is voldaan.\n\n4.7.. Volgens Becedo c.s. had de gemeente reeds in de planfase ruimte voor mededinging moeten creëren en heeft de gemeente ten onrechte geen mogelijkheid aan marktpartijen geboden om een alternatief plan te presenteren. In die zin is er volgens Becedo c.s. geen sprake van een tijdige publicatie.\n\n4.8.. Becedo c.s. gaat er hierbij vanuit dat de gemeente al vanaf maart 2022 een exclusief partnerschap met Ekoma is aangegaan door Ekoma wél en anderen niet deel uit te laten maken van de projectgroep. Het standpunt dat er sprake was van een exclusief partnerschap vanaf maart 2022 vindt echter onvoldoende steun in de feiten, althans is onvoldoende aannemelijk geworden. Een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt is inderdaad in 2022 toegetreden tot de projectgroep. Volgens de gemeente is dit het logische gevolg van de grondpositie van Ekoma in het plangebied. Op dit punt verschilt de situatie ook van de situatie die voorlag in de zaak waarin dit hof op 4 april 2023 arrest heeft gewezen. In die zaak was de gemeente Didam exclusieve onderhandelingen aangegaan met een partij die nog geen grondpositie had.\n\n4.9.. Voorshands oordelend is de keuze van de gemeente om een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt toe te voegen aan de projectgroep logisch en verdedigbaar en past dit binnen haar beleidsruimte op het punt van het inrichten van het participatieproces. Om dezelfde reden zijn het betreffende waterschap, eigenaar van de vijver, en de eigenaar van de snackbar benaderd voor de projectgroep. De eigenaar van de snackbar heeft daarvan vervolgens afgezien. De gemeente heeft onbetwist aangevoerd dat er daarnaast meerdere openbare inspraakavonden en wijkbijeenkomsten zijn gehouden waarop Ekoma wél en Becedo c.s. niet is verschenen. In zoverre is Becedo c.s. inspraak geboden. Hoe de gemeente de participatie \u002F inspraak organiseert, valt binnen haar beleidsruimte. De deelname van een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt aan de projectgroep doet naar het voorshands oordeel van het hof niet af aan de tijdigheid van de publicatie van 21 juli 2025.\n\nUniciteit4.10.. Vervolgens is de vraag of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de gemeente terecht heeft aangenomen dat er sprake is van uniciteit.\n\n4.11.. Becedo c.s. stelt dat de herontwikkeling naar Ekoma is toegeschreven. Becedo c.s. voert ter onderbouwing daarvan aan dat alleen een vertegenwoordiger van Ekoma deel heeft genomen aan de projectgroep en er ook andere plannen denkbaar zijn om de publieke doelen van de gemeente te realiseren. De gemeente heeft Perceel Ekoma ook niet nodig volgens Becedo c.s.; de gewenste huisvesting kan ook op andere locaties binnen het plangebied. De verkoop c.q. grondruil is bovendien disproportioneel. De verhuizing van de supermarkt wordt niet gedragen door redelijke, objectieve en toetsbare criteria die maken dat de verkoop c.q. grondruil noodzakelijk is en daarmee sprake is van uniciteit.\n\n4.12.. De gemeente en Ekoma betwisten dat de plannen zijn toegeschreven naar Ekoma. Zij wijzen erop dat de gemeente met betrekking tot het centrum van Beinum al in 2016 beleid heeft vastgesteld met als doel de herontwikkeling van dit centrum. Ze wilde appartementen bouwen in het plangebied en het supermarktaanbod verbeteren zonder daar winkels aan toe te voegen.\n\n4.13.. De gemeente heeft als het gaat om gebiedsontwikkeling een grote mate van beleidsruimte. Het door de gemeente opgestelde beleid blijkt uit de stukken waarnaar zij heeft verwezen en die hiervoor onder de feiten zijn opgesomd. De Didam-regels strekken zich naar het voorshands oordeel van het hof niet uit tot de keuze van de gemeente voor de omvang van het plangebied. Die keuze valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt bij het inrichten van de omgeving. De gemeente heeft op voorhand voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen overdracht gekoppeld kan worden aan vastgesteld beleid. Het is, is in het licht van het hiervoor beschreven beleid vanaf 2016, niet aannemelijk gemaakt dat het beleid en de selectiecriteria naar Ekoma zijn toegeschreven. Het is juist dat een vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt deel uit heeft gemaakt van de projectgroep en anderen, zoals de eigenaar van de snackbar en een vertegenwoordiger van Becedo c.s. niet, maar het beleid dateert al van vóór het oprichten van de projectgroep en de uiteindelijke beslissing is niet aan de projectgroep, maar aan de gemeenteraad en ook door de gemeenteraad genomen. Dat een grondeigenaar betrokken is bij de projectgroep is voorshands oordelend onvoldoende om te concluderen dat het plan naar Ekoma is toegeschreven. Het is in het kader van dit kort geding ook niet aannemelijk geworden dat de invloed van de vertegenwoordiger van Ekoma \u002F Dekamarkt de keuze voor het definitieve ontwerp heeft bepaald.\n\n4.14.. Uiteindelijk is het de keuze van de gemeenteraad geweest om woningen te willen realiseren op de huidige plek van de supermarkt. Ook als het juist zou zijn dat er hiervoor alternatieven waren, zoals Becedo c.s. stelt, valt de keuze voor de wijze van inrichten van het plangebied binnen de beleidsruimte van de gemeente. Het gevolg van deze keuze is dat de gemeente Perceel Ekoma, wil verwerven voor woningbouw én daarmee ontstaat de noodzakelijkheid van het verplaatsen van de supermarkt. Ekoma, als grondeigenaar, is immers bereid hieraan mee te werken onder de voorwaarde van grondruil. De inzet van eigen grondposities voor het realiseren van beleidsdoelen valt binnen de beleidsruimte die de gemeente toekomt. Dát er slechts plaats is voor één supermarkt in het centrum van Beinum volgt uit het beleid van de gemeente evenals de behoefte aan het realiseren van woningen. Ook maakt deel uit van het beleid dat de supermarkt in Beinum moet worden vernieuwd en uitgebreid.\n\n4.15.. De vraag is vervolgens of er alternatieven zijn om het door de gemeenteraad vastgestelde definitieve ontwerp met inachtneming van het beleid, te realiseren, zoals Becedo c.s. stelt. Die alternatieven zijn niet aannemelijk gemaakt. Uitgaande van de keuze voor woningbouw op de plek van de huidige supermarkt, de noodzaak tot herontwikkeling van de huidige supermarkt, de ruimte voor hooguit één supermarkt in Beinum én de grondpositie van Ekoma, is de voorgestelde verkoop c.q. grondruil de enige mogelijkheid. Daar komt bij dat de Didam-regels de gemeente niet dwingen om voor onteigening te kiezen. De alternatieven van Becedo c.s. waarbij Ekoma niet uitgekocht wordt, komen neer op een situatie dat er twee supermarkten in Beinum zullen zijn. Dat is echter in strijd met het gemeentelijke beleid, zodat naar het voorshands oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden dat dat een reëel alternatief is.\n\n4.16.. Het hof acht, voorlopig oordelend, de privaatrechtelijke medewerking van Ekoma als eigenaar van een perceel dat deel uitmaakt van het te herontwikkelen centrum van Beinum, een objectief, toetsbaar en redelijk criterium. Tegen deze achtergrond heeft de gemeente naar het voorlopig oordeel van het hof ook redelijkerwijs mogen aannemen dat Ekoma is aan te merken als de enige serieuze gegadigde voor de verwerving van het Perceel Gemeente.\n\nMotivering publicatie4.17.. Volgens Becedo c.s. is de publicatie gebrekkig gemotiveerd omdat de vindplaats van de genoemde plannen niet genoemd worden en uit de gegeven toelichting niet blijkt waarom daaruit volgt dat Ekoma de enige gegadigde is. Ook volgt uit de publicatie niet waarom het Perceel Ekoma essentieel is voor de herontwikkeling van het centrum van Beinum, benoemt de publicatie niet of alternatieven zijn onderzocht voor het realiseren van de herontwikkeling en benoemt de publicatie niet waarom op basis van objectieve, toetsbare en redelijke criteria is gekozen voor het alternatief waarbij de supermarkt naar de nieuwe locatie verhuist. Tot slot benoemt de publicatie niet waarom dit perceel geschikt is voor grondruil, terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma, aldus Becedo c.s.\n\n4.18.. Aan Becedo c.s. kan worden toegegeven dat de motivering van de publicatie, mede gelet op wat de gemeente in deze procedure naar voren heeft gebracht en de stukken waarnaar zij in dat verband heeft verwezen, uitgebreider en concreter had kunnen zijn, maar de Didam-regels gaan niet zover dat het overheidslichaam de vindplaatsen van alle stukken hoeft te noemenof dat uit de publicatie moet blijken of alternatieven zijn onderzocht. Ook hoeft daarin niet te staan waarom het perceel geschikt is voor grondruil terwijl het meer dan drie keer zo groot is als Perceel Ekoma. De gemeente moet wel goed en toetsbaar uitleggen dat er slechts één serieuze gegadigde is. De ratio van de Didam-regels is immers dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om na te gaan waarom het overheidslichaam van plan is de onroerende zaken aan een bepaalde gegadigde te verkopen in plaats van een openbare selectieprocedure te organiseren en om tegen dat voornemen op te kunnen komen als die redenen volgens die belanghebbenden niet voldoen aan het Didam-arrest.\n\n4.19.. Voorshands kan niet geoordeeld worden dat de publicatie zo summier is dat de gemeente daarmee niet kon volstaan. Naar het voorlopig oordeel van het hof benoemt de publicatie de criteria op grond waarvan de gemeente tot de conclusie is gekomen dat Ekoma de enige serieuze gegadigde is. Deze criteria zijn in dit geval (i) dat de gemeente het centrum van Beinum wil herontwikkelen binnen de ruimtelijke kaders die de gemeenteraad heeft vastgesteld (ii) dat Ekoma een bestaande grondpositie in het plangebied heeft en zonder deze gronden de herontwikkeling niet gerealiseerd kan worden; de gemeente heeft de medewerking van Ekoma nodig (iii) dat Ekoma alleen bereid is tot verkoop c.q. grondruil - medewerking - indien zij Perceel Gemeente verkrijgt. Becedo c.s. is ook in staat gebleken haar bezwaren tegen het voornemen van de gemeente in dit kort geding naar voren te brengen.\n\nOverige argumenten van Becedo c.s.4.20.. Becedo c.s. stelt dat de gemeente afwijkt van haar beleid en naar een uitbreiding van Dekamarkt toeschrijft door een supermarkt toe te staan met een bovenwijks karakter als gevolg van de grootte. Of de te vestigen supermarkt door haar grootte een bovenwijks karakter zal hebben, is echter niet van belang voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen. Het is ook niet relevant voor de beantwoording van de vraag of er uniciteit is. De centrale vraag is immers of er objectieve, toetsbare en redelijke criteria zijn om Perceel Gemeente aan Ekoma over te dragen. Die vraag is hiervoor reeds beantwoord. Hetzelfde geldt voor het aantal parkeerplaatsen.\n\nStaatssteun4.21.. Volgens Becedo c.s. heeft de gemeente in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 107 lid 1 en 108 lid 3 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van verboden staatssteun. Daartegen richten zich de grieven 9 tot en met 14 van Becedo c.s., die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Centraal hierbij staat de vraag of de concept-koopovereenkomst van juni 2025 (of een deel daarvan) een steunmaatregel vormt in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die op grond van artikel 108 lid 3 VWEU had moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie (hierna: de Commissie) en wat in dat geval de gevolgen van het niet aanmelden zijn. Vaststaat dat de concept-koopovereenkomst niet is aangemeld en dat de gemeente geen contact daarover heeft gehad met het Coördinatiepunt Staatsteun van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.\n\nStaatssteun algemeen4.22.. Artikel 107 lid 1 VWEU bepaalt, voor zover hier van belang, dat steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, met de interne markt onverenigbaar zijn, voor zover zij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Ingevolge vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) is er sprake van een steunmaatregel indien aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU is voldaan. Ten eerste moet het gaan om een maatregel van de staat of om een maatregel die met staatsmiddelen is bekostigd. Ten tweede moet deze maatregel een selectief voordeel verschaffen aan de begunstigde ervan. Ten derde moet deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Ten vierde moet hij de mededinging op de interne markt vervalsen of dreigen te vervalsen.\n\n4.23.. Voor de uitleg van de in artikel 107 VWEU gehanteerde begrippen dient te worden aangesloten bij de rechtspraak van het HvJ EU. Verdere aanwijzingen voor de wijze waarop artikel 107 lid 1 VWEU door de nationale rechter dient te worden toegepast, zijn te vinden in de Mededeling van de Commissie betreffende het begrip “staatssteun” (hierna: de Mededeling).\n\n4.24.. Artikel 108 lid 3 VWEU verplicht de lidstaten om (voorgenomen) steunmaatregelen aan de Commissie te melden. Het in artikel 108 lid 3 laatste volzin VWEU vervatte verbod strekt ertoe te waarborgen dat een steunmaatregel geen gevolgen heeft voordat de Commissie een redelijke tijd heeft gehad om het voornemen te onderzoeken en, in voorkomend geval, de procedure van lid 2 van artikel 108 VWEU in te leiden. Een steunmaatregel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU die niet overeenkomstig artikel 108 lid 3 VWEU is aangemeld, wordt als een onrechtmatige steunmaatregel beschouwd. Het uitvoeren van een onrechtmatige steunmaatregel is (ook naar Nederlands recht) onrechtmatig. De nationale rechter heeft op grond van artikel 108 lid 3 VWEU tot taak de rechten van de justitiabelen te beschermen tegen niet-aangemelde steunmaatregelen; het verbod in artikel 108 lid 3 VWEU heeft rechtstreekse werking en strekt zich uit tot iedere steunmaatregel die zonder melding tot uitvoering is gebracht.Het oordeel of er sprake is van met artikel 107 VWEU onverenigbare staatssteun is exclusief aan de Commissie voorbehouden. In de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties wordt de bevoegdheidsverdeling (tussen Commissie en nationale rechters) verder uitgewerkt.\n\nToetsing4.25.. Becedo c.s. heeft gesteld dat de voorgenomen verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 107 lid 1 VWEU, zoals hiervoor onder 4.22 opgesomd, waaronder de voorwaarde dat de maatregel een selectief voordeel biedt, als deze een niet marktconform voordeel aan Ekoma verschaft. Becedo c.s. komt op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Ekoma haar stellingen over verboden staatssteun gemotiveerd heeft weersproken. Daarop is door Ekoma in hoger beroep alleen gereageerd met betrekking tot de vraag of zij Ekoma een selectief voordeel heeft verschaft. Het hof is daarom in het kader van dit kort geding voorlopig van oordeel dat inderdaad aan de bedoelde voorwaarden is voldaan met uitzondering van de vraag of met de verkoop c.q. grondruil een niet marktconform voordeel aan Ekoma wordt gegeven. Daarover zal het hof hieronder zijn oordeel geven.\n\n4.26.. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU, gaat het erom of de prijs die Ekoma voor het Perceel Gemeente betaalt, een prijs is die onder normale marktvoorwaarden, dat wil zeggen zonder overheidsingrijpen, voor aankoop door Ekoma zou zijn betaald.Beslissend daarbij is of een vergelijkbare particuliere grondeigenaar in de gegeven omstandigheden een vergelijkbare (koop)prijs zou hebben gevraagd voor (een perceel als) het Perceel Gemeente. Voor dat onderzoek worden - waar het grondtransacties betreft - in randnummer 103 van de Mededeling door de Commissie aanwijzingen gegeven, zoals :\n\n“(……) In the case of sales of land, an independent expert evaluation prior to the sale negotiations to establish the market value on the basis of generally accepted market indicators and valuation standards is in principle satisfactory.”\n\n4.27.. In dit geval heeft de gemeente op verschillende momenten taxaties van Perceel Gemeente laten verrichten, te weten in april 2024 door Arcadis en in maart 2026 door Kendes. Het object van deze taxaties was verschillend:\n\nArcadis heeft in april 2024 een residuele grondwaarde berekend voor een BVO van 1.985 m2. De getaxeerde waarde bedraagt volgens haar € 1.701.500,-\n\nKendes is in maart 2026 uitgegaan van een BVO van 1.600 m2 en waardeert die (op basis van een combinatie van twee waarderingsmethodes) op\n\n€ 1.500.000,-\n\nIn de hier ter beoordeling voorliggende concept-koopovereenkomst van juni 2025 gaat het om Perceel Gemeente van circa 2.000 m2 BVO voor een koopprijs van € 1.231.500,-.\n\nDe taxatie van Arcadis, waarin wordt uitgegaan van 1.985 m², lijkt daarbij aan te sluiten. Op de door Arcadis getaxeerde waarde hebben de gemeente en Ekoma een afslag toegepast van € 470.000,-, omdat wordt uitgegaan van de financiering door de gemeente van een onrendabele top voor het parkeren op het dak van de beoogde supermarkt, waarbij is uitgegaan van 47 parkeerplaatsen en € 10.000,- per parkeerplaats. Uiteindelijk meer of minder te realiseren parkeerplaatsen worden op basis van dit bedrag verrekend. Het hof laat hier in het midden dat niet aannemelijk is gemaakt door de gemeente waarom onrendabele top financiering nodig zou zijn en of die financiering zelf de toets aan artikel 107 VWEU kan doorstaan. Doordat de gemeente in een later stadium een van de taxatie van Arcadis afwijkende taxatie van Kendes heeft overgelegd, kan het hof in het kader van dit kort geding niet uitgaan van de juistheid van de in de taxatie van Arcadis geformuleerde uitgangspunten. De nader overgelegde taxatie van Kendes sluit niet aan bij het object van de concept-koopovereenkomst, nu daarin wordt uitgegaan van een BVO van 1.600 m². Gesteld noch aannemelijk is gemaakt dat de concept-koopovereenkomst in overeenstemming is gebracht met de taxatie van Kendes en daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, althans dat daarover tussen Ekoma en de gemeente wilsovereenstemming is bereikt. Dat betekent naar het voorlopig oordeel van het hof ten eerste dat de concept-koopovereenkomst op het punt van de door Ekoma te betalen koopprijs niet wordt onderbouwd met een taxatie die de koopprijs verklaart, terwijl de gemeente geen andere feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit die prijs wel zou voortvloeien. Weliswaar is een taxatie in de Mededeling (onder 103) niet dwingend voorgeschreven en levert het ontbreken daarvan niet (automatisch) een vermoeden van staatssteun (in formele zin) op, maar in combinatie met het ontbreken van andere aanwijzingen voor de door de gemeente in de concept-koopovereenkomst opgenomen prijs van € 1.231.500,- is dat vermoeden in dit kort geding wel aannemelijk geworden.\n\n4.28.. Daar komt bij dat de gemeente in het licht van de gemotiveerde en concrete stellingen van Becedo c.s. onvoldoende heeft betwist dat de koopprijs in de concept-koopovereenkomst, te weten € 1.231.500,- ook vanuit materieel oogpunt bekeken een niet marktconforme prijs oplevert voor Ekoma en een prijs is die de gemeente van een particuliere koper niet zou hebben ontvangen en evenmin overeenstemt met de prijs die Ekoma aan een particuliere grondeigenaar zou hebben betaald. Het hof kan de gemeente niet volgen waar zij aanvoert dat de BVO prijs per m² ongeveer gelijk is in de taxatie van Arcadis - die bepalend is geweest voor de koopprijs - en de taxatie van Kendes (€ 857,- versus € 850,- per m² BVO). Het hof komt waar het de taxatie van Kendes betreft op een BVO prijs per m² van € 937,50 (€ 1.500.000\u002F1.600 m²) en daarmee tot een meer substantieel prijsverschil.\n\n4.29.. Daaruit volgt naar het voorshands oordeel van het hof dat op grond van het bovenstaande aannemelijk is dat de concept-koopovereenkomst op het gebied van de prijs van Perceel Gemeente voorgenomen staatssteun is. Vast staat dat de concept-koopovereenkomst niet als voorgenomen steunmaatregel bij de Commissie is gemeld.\n\n4.30.. Bij deze stand van zaken behoeft het hof niet meer in te gaan op de stellingen en weren van partijen over de rol van het sleutelgeld en de financiering door de gemeente van de onrendabele top van de parkeerplaatsen, het aantal parkeerplaatsen en de vraag of deze financiering van de onrendabele top op zich ook een (meldingsplichtige) staatssteunmaatregel zou kunnen zijn, zoals Becedo c.s. betoogt.\n\n108 lid 3 VWEU4.31.. Uit de Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties (randnr. 57) volgt dat het hof als nationale rechter (nu hij voorlopig heeft geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat de concept-koopovereenkomst wat betreft de prijs op grond van artikel 107 lid 1 VWEU als staatssteun kwalificeert) vervolgens moet beoordelen of de betrokken maatregel onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU valt.\n\n4.32.. Om onder de standstillverplichting van artikel 108 lid 3 VWEU te vallen, moeten twee voorwaarden vervuld zijn: ten eerste moet de maatregel kwalificeren als nieuwe steun, (met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun) en ten tweede moet de maatregel onder de verplichting tot voorafgaande aanmelding van artikel 108 lid 3 VWEU vallen.\n\n4.33.. Gesteld noch gebleken is dat het hier zou gaan om bestaande steun. Aan de voorwaarde dat het moet gaan om nieuwe steun wordt voldaan.\n\n4.34.. Ten aanzien van de verplichting tot voorafgaande aanmelding geldt dat daarvan (in bepaalde gevallen) geen sprake is als wordt voldaan aan de voorwaarden van een Groepsvrijstelling of de De Minimis-Verordening. Ook op dit punt is door de gemeente gesteld noch is in dit kort geding op een andere wijze gebleken dat aan de voorwaarden van de (relevante) Groepsvrijstellingen of de De Minimis-Verordening wordt voldaan. Dat betekent dat de verplichting tot voorafgaande aanmelding van de voorgenomen steunmaatregel (verkoop c.q. grondruil van Perceel Gemeente aan Ekoma) naar het voorlopig oordeel van het hof in dit geval geldt. Indien het verweer van de gemeente dat geen sprake is van een voorgenomen verkoop c.q. grondruil van het perceel voor een bedrag van tenminste € 1.000.000,- te weinig, maar (subsidiair) hoogstens van minder dan € 300.000,- te weinig (het verschil tussen de prijs in de concept-koopovereenkomst € 1.231.500,- voor 2.000 m2 en de taxatie van Kendes ter hoogte van € 1.500.000,- voor 1.600 m2) gelezen moet worden als een beroep op de De-Minimisregeling, gaat dat verweer niet op. Gesteld noch gebleken of aannemelijk is gemaakt dat het totale bedrag aan De Minimis-steun dat in de lidstaat Nederland over een periode van drie jaar is verleend aan de in Ekoma gevoerde onderneming maximaal € 300.000,- heeft bedragen (vgl. artikel 3 lid 2 De Minimis-Verordening). Het lag op de weg van de gemeente, voor zover zij op deze uitzondering van de aanmeldverplichting een beroep heeft willen doen, om aannemelijk te maken dat dat bedrag in die periode niet is overschreden. Dat heeft zij niet gedaan.\n\n4.35.. Uit artikel 108 lid 3 VWEU vloeit voort dat het hof als nationale rechter beoordelingsvrijheid heeft om de voor de(ze) situatie meest passende maatregel te treffen om de standstillverplichting te effectueren. In dit geval, waarin de gemeente nog niet is overgegaan tot het finaliseren en uitvoeren van de concept-koopovereenkomst van juni 2025, mag de nationale rechter die uitvoering beletten. Onder punt 2. van het subsidiaire petitum heeft Becedo c.s. gevorderd dat de gemeente wordt verboden Perceel Gemeente te verkopen\u002Fte leveren aan Ekoma of enige andere aan haar gelieerde partij. Toewijzing van die vordering zou een te algemeen geformuleerd en daarmee te ruim verbod aan de gemeente opleggen. Niet kan worden uitgesloten dat de gemeente en Ekoma naar aanleiding van deze uitspraak de prijs van Perceel Gemeente aanpassen aan het juiste aantal BVO m2 en taxatie(s), dan wel een nieuwe taxatie laten uitvoeren waardoor de situatie anders komt te liggen. Het hof zal daarom het mindere toewijzen in die zin dat het de gemeente wordt verboden om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU de Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van steun of dat deze steun verenigbaar is met het VWEU. Voor het opleggen van een dwangsom om dit verbod te versterken, zoals Becedo c.s. heeft gevorderd, ziet het hof op dit moment geen aanleiding. Er zijn geen aanwijzingen dat de gemeente zich niet aan het uit te spreken verbod zal houden.\n\nBelangenafweging4.36.. Voor zover de toepassing van het VWEU in dit geval het hof als nationale rechter al ruimte zou bieden tot een belangenafweging, leidt die niet tot een ander resultaat. Zowel de gemeente als Ekoma zijn of dienen op de hoogte te zijn van het verbod op het verlenen van staatssteun, de verplichting tot het melden van voorgenomen staatssteunmaatregelen en de daaruit voortvloeiende standstillverplichting.\n\n4.37.. Partijen hebben een bewijsaanbod gedaan. Door de aard van het kort geding is in deze procedure in het algemeen geen plaats voor uitgebreide bewijslevering. Er zijn geen redenen om van dat uitgangspunt af te wijken. Het hof gaat daarom aan het (nader) bewijsaanbod van partijen voorbij.\n\nDe conclusie4.38.. Het hoger beroep slaagt. Omdat de gemeente in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de gemeente tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de voorzieningenrechter veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.39.. Ten aanzien van de vordering van Becedo c.s. tegen Ekoma bepaalt het hof dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten).\n\n4.40.. \n\nDe veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1.. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van 1 december 2025 en beslist;\n\n5.2.. verbiedt de gemeente om uitvoering te geven aan de concept-koopovereenkomst van juni 2025 met Ekoma tot het moment dat na aanmelding van de concept-koopovereenkomst op grond van artikel 108 lid 3 VWEU, de Europese Commissie heeft geoordeeld dat geen sprake is van een steunmaatregel dan wel dat deze steunmaatregel verenigbaar is met artikel 108 VWEU;\n\n5.3.. \n\nveroordeelt de gemeente tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter:\n\n€ 714,- aan griffierecht\n\n€ 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente\n\n€ 1.107,- aan salaris van de advocaat van Becedo c.s.\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van Becedo c.s. in hoger beroep:\n\n€ 851,- aan griffierecht\n\n€ 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de gemeente\n\n€ 1.177 aan salaris van de advocaat van Becedo c.s.\n\n5.4.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5.. bepaalt dat de proceskosten tussen Becedo c.s. en Ekoma worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de voorzieningenrechter en het hof;\n\n5.6.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.7.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G.J. Meijer, S.M. Evers en G.D. Hoekstra, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\n Rechtbank Gelderland 1 december 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:10505.\n\n HR 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778.\n\n HR 15 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1661.\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2796.\n\n Gerechtshof Den Haag, 18 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1368.\n\n Gerechtshof Den Haag, 18 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:476.\n\n Mededeling van de Commissie betreffende het begrip staatssteun in de zin van artikel 107 lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 2016\u002FC 262\u002F01.\n\n HvJ EU, 11 november 2015, zaak C-505\u002F14, ECLI:EU:C:2015:742, Klausner Holz.\n\n Mededeling van de Commissie over de handhaving van de staatssteunregels door nationale rechterlijke instanties, 2021\u002FC 305\u002F01.\n\n HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-39\u002F94, ECLI:EU:C:1996:285, SFEI e.a.\u002FLa Poste e.a.\n\n Verordening (EU) nr. 1407\u002F2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013).\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3333","ecli-nl-gharl-2026-3333",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]