[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-3462":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-3462":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1045","ECLI:NL:GHARL:2026:3462","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-01T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.601\n\nzaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn 11689496\n\nbeschikking van 1 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nhierna: [verzoeker]\n\nadvocaat: mr. F.B.A.M. van Oss\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nhierna: [geïntimeerde]\n\nadvocaat: mr. A. Hofman\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, op 14 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift tevens incidenteel appel\n\nhet verweerschrift in het incidenteel appel\n\n1.2.. Op 24 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd beschikking te geven.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of [verzoeker] op goede gronden op staande voet is ontslagen. Mocht dit niet zo zijn, dan rijst de vraag of een redelijke grond voor ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst aanwezig is.\n\n2.2.. \n [geïntimeerde] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen. [verzoeker] is hiertegen opgekomen en heeft de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen. Bovendien heeft hij verzocht [geïntimeerde] te veroordelen om hem (i) de overeengekomen werkzaamheden weer te laten verrichten, (ii) zijn loon door te betalen, (iii) zijn leaseauto terug te geven en (iv) € 450 per week te betalen over de periode vanaf 24 maart 2024 tot het moment waarop hij weer over zijn leaseauto kan beschikken. [verzoeker] heeft in een later stadium zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij nu (v) € 9.000,- in plaats van € 3.000 bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag aan loon wenst en (vi) een veroordeling van [geïntimeerde] om hem € 1.251,24 te betalen voor kosten (abonnement BMW) die hij voor zijn leaseauto heeft gemaakt.\n\n2.3.. \n [geïntimeerde] heeft een tegenverzoek gedaan voor het geval het verzoek van [verzoeker] zal worden toegewezen. Zij heeft de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] te ontbinden vanwege primair verwijtbaar handelen (artikel 7:699 lid 3 sub e BW, hierna de e-grond) en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (artikel 7:699 lid 3 sub g BW, hierna de g-grond). Verder heeft zij de kantonrechter verzocht te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding en hem te veroordelen tot betaling van in hoofdsom € 2.682,33 vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] .\n\n2.4.. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag op staande voet toegewezen en het ontslag op staande voet vernietigd. Het tegenverzoek van [geïntimeerde] is toegewezen op de e-grond. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 10 oktober 2025 ontbonden. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat [verzoeker] geen recht heeft op de transitievergoeding, omdat hij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Hij heeft evenmin recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . De vordering van [geïntimeerde] vanwege onverschuldigde betaling in verband met inhouding fiscale bijtelling met betrekking tot de leaseauto van [verzoeker] is toegewezen. Omdat de arbeidsovereenkomst per 10 oktober 2025 is ontbonden, is het verzoek van [verzoeker] om te worden toegelaten tot zijn overeengekomen werkzaamheden afgewezen. Dat geldt ook voor de vordering tot vergoeding van het hiervoor vermelde bedrag van € 450 per week en de kosten voor het abonnement voor zijn BMW. De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] met betrekking tot de loonsverhoging (€ 9.000,- in plaats van € 3.000,- bruto) afgewezen. [geïntimeerde] is veroordeeld om € 3.000,- bruto aan loon, vermeerderd met de vakantietoeslag aan [verzoeker] te betalen voor de periode van 1 maart 2025 tot 10 oktober 2025.\n\n2.5.. \n\nIn (principaal) hoger beroep wenst [verzoeker] in de kern primair de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van tafel te krijgen en herstel van het dienstverband en subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen hem een billijke vergoeding te betalen van\n\n€ 582.000 en de transitievergoeding waarbij moet worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 9.000.\n\n2.6.. Het hoger beroep van [geïntimeerde] (het incidenteel hoger beroep) heeft betrekking op de vernietiging van het ontslag op staande voet. Volgens [geïntimeerde] is het ontslag op staande voet wel terecht gegeven omdat het afsluiten van een leasecontract door [verzoeker] op naam van [geïntimeerde] een dringende reden voor dit ontslag oplevert. Zij verzoekt dan ook alle aanspraken van [verzoeker] alsnog af te wijzen.\n\n2.7.. Het hof zal bepalen dat zowel het principaal hoger beroep van [verzoeker] als het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] faalt. De beschikking van de kantonrechter blijft dus in stand. [verzoeker] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep en [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, in beide gevallen volgens het liquidatietarief. Het hof licht hieronder toe hoe het tot deze uitkomst komt.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nachtergrond van het geschil\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] , geboren in 1961, is op 1 juni 2024 in dienst van [geïntimeerde]\n\n getreden voor 32 uur per week, in de functie van [functienaam] tegen een salaris van € 3.000 bruto per maand. Voor zover in hoger beroep van belang is in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst het volgende opgenomen:\n\n‘Artikel 1: Inleidende bepalingen\n\n(…)\n\nDe werknemer maakt gebruik van zijn eigen voertuig en ontvangt van werkgever een kaart om zijn voertuig op te laden, voor uitsluitend voor kilometers gereden voor werkgever.\n\nArtikel 2: Duur van de overeenkomst\n\nDeze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd ingaande 01-06-2024\n\nDeze overeenkomst is voor beide partijen opzegbaar na l jaar met een opzegtermijn van 3 maanden en na deze periode kan een verlenging worden aangeboden voor een dan te bepalen looptijd.\n\nWerknemer heeft nevenwerkzaamheden, werkgever is hiervan op de hoogte en gaat hier mee\n\nakkoord. Tevens heeft werknemer werkgever op de hoogte gebracht dat werknemer in aanraking is geweest met Justitie in verband met het niet opgeven van inkomsten uit het buitenland (…).’\n\n3.2.. \n\nOp 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van [geïntimeerde] van dezelfde datum is het volgende vermeld:\n\n‘Hierbij beëindigen wij de arbeidsovereenkomst per direct.\n\nReden is dat u in opspraak bent geraakt in meerdere zaken over oplichting en fraude zonder dat u ons daar over informeerde (…).\n\nDe in opspraak geraakte zaak in [plaats1] richt ons directe schade aan in onze bedrijfsvoering.\n\nDaarnaast is meerdere malen door afdeling HR gevraagd en gemaild naar uw ID gegevens. U heeft deze tot op heden niet verstrekt, het blijkt dat de naam op de loonstrook niet overeenkomt met de persoon waar u zich voor uitgeeft (…)\n\nOp uw verzoek heeft u in december 2024 een auto aangeschaft. Een BMW (...), waar u destijds heeft aangegeven de aanbetaling niet te kunnen voldoen, waarmee uw werkgever hiervoor akkoord heeft gegeven en deze heeft betaald en dat na aanbetaling vanwege de bijtelling en conform arbeidsovereenkomst de lease na uw onderneming overgaat [naam1] B.V. Dit is tot op heden niet gebeurd. In de arbeidsovereenkomst staat duidelijk dat er geen auto van de zaak beschikbaar is gesteld (…).\n\nDaarnaast heeft [naam2] B.V. aangegeven dal u als vertegenwoordiger tekenbevoegd zou zijn namens [naam7] B. K Zie teken document mail adres (...), hiervan was de heer [naam3] niet op de hoogte (bijlage E)’.beoordeling\n\nhet ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven\n\n3.3.. Ten aanzien van het ontslag op staande voet ligt in hoger beroep nog enkel de vraag voor of het afsluiten van het financieringscontract\u002Fleasecontract ten behoeve van een auto (BMW) voor [verzoeker] op naam van [naam7] B.V. een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert.\n\n3.4.. \n [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat zij bereid was de verschuldigde btw\u002Faanbetaling voor een door [verzoeker] aan te kopen auto voor te financieren. Zij heeft echter nooit toestemming gegeven voor het op naamvan [naam7] B.V. afsluiten van een financieringscontract\u002Fleasecontract voor het resterende aankoopbedrag. [verzoeker] heeft die toestemming ook nergens uit kunnen afleiden. Het zonder medeweten en instemming van [geïntimeerde] ondertekenen van vermeld contract voor eigen persoonlijk belang betreft een zodanige ernstige schending van het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] mocht stellen, dat dit volgens [geïntimeerde] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.\n\n3.5.. Het hof oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de werkgever die een werknemer op staande voet wil ontslaan, de arbeidsovereenkomst onverwijld zal moeten opzeggen zodra hij op de hoogte is van een dringende reden tot ontslag. Als er een vermoeden is van een dringende reden, dient het voorafgaande onderzoek en het inwinnen van advies voortvarend te gebeuren.\n\n3.6.. Of partijen, in afwijking van de arbeidsovereenkomst, zijn overeengekomen dat [verzoeker] een leaseauto zou krijgen en dat het leasecontract met (impliciete) instemming van [geïntimeerde] is afgesloten (wat [verzoeker] stelt en [geïntimeerde] betwist), kan in het midden blijven. Uit de processtukken en uit hetgeen op de mondelinge behandeling bij het hof naar voren is gekomen, blijkt immers dat al in januari 2025 bij [naam4] bekend was dat [verzoeker] een leasecontract op naam van [naam7] B.V. had afgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling antwoordde [naam4] immers desgevraagd dat op 16 januari 2025 de eerste afschrijving van de leaseovereenkomst binnen kwam, waarna partijen om de tafel zijn gaan zitten. Aan het einde van de zitting heeft [naam4] nogmaals benadrukt dat deze kwestie pas in januari 2025 aan het licht kwam. Dat strookt met zijn reactie op de geluidsopname van [verzoeker] (transcript ‘Geluidsopname 22 januari [naam5] ’) waarin [naam4] zegt dat er een conflict was tussen [naam3] ( [naam3] , toevoeging hof) over de BMW en over een factuur inzake commissies. [naam4] trad op als adviseur voor [geïntimeerde] en onderhield de contacten met [verzoeker] zodat bekendheid bij [naam4] toegerekend kan worden aan [geïntimeerde] . Pas op 11 maart 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen, terwijl [geïntimeerde] dus al in januari 2025 op de hoogte was van de reden die zij aan het ontslag op staande voet ten grondslag legt. [geïntimeerde] heeft niet gesteld dat zij in die tussenliggende periode nog nader onderzoek naar dit verwijt moest doen en zo ja, waarom dat zo lang moest duren, zodat zij te lang heeft gewacht met het geven van het ontslag. De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en om die reden geen stand kan houden.\n\nde beoordeling van de e-grond\n\n3.7.. \n\nEen arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond\n\nvoor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is (artikel 7:669 lid 3 BW). Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt (artikel 7:669 lid 1 BW). [geïntimeerde] heeft aan haar verzoek primair ten grondslag gelegd dat [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld (e-grond). Subsidiair heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond).\n\n3.8.. \n [geïntimeerde] heeft aan haar verzoek tot ontbinding op basis van de e-grond ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling bij de uitoefening van zijn taken als werknemer van [geïntimeerde] . [verzoeker] heeft met zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst gesloten met [naam8] B.V. (de groep waartoe bakkerijketen [naam6] behoorde, hierna [naam8] ) waarbij [naam1] een provisie van € 80.000,00 zou ontvangen als deze bakkerijketen door [geïntimeerde] zou worden overgenomen. In de overeenkomst tussen (de vennootschap van) [verzoeker] en [naam8] van november 2024 is opgenomen dat deze provisie zou vervallen als de deal met [geïntimeerde] niet doorgaat. [verzoeker] streefde bij de overname van bakkerijketen [naam6] door [geïntimeerde] dus een persoonlijk winstbejag na en heeft daarbij de belangen van [geïntimeerde] ondergeschikt gemaakt, aldus [geïntimeerde] . Daarnaast heeft [verzoeker] verwijtbaar gehandeld omdat hij ook voor [naam9] werkte en van [naam9] een fee ontving voor de producten die door [naam9] aan [geïntimeerde] werden verkocht, terwijl het in het belang van [geïntimeerde] was dat [verzoeker] zo goedkoop mogelijk bij [naam9] inkocht. Ten slotte heeft [verzoeker] bij de deal met betrekking tot de aankoop van de voorheen geleaste thermische ovens van bakkerij [naam6] niet transparant en daarmee verwijtbaar gehandeld.\n\n3.9.. \n\n [verzoeker] heeft erkend dat hij via zijn vennootschap [naam1] een overeenkomst heeft gesloten met [naam8] om te bemiddelen bij de verkoop van de tot de [naam8] groep behorende bakkerijketen [naam6] aan een derde partij tegen een provisie van\n\n€ 80.000. Hij heeft niet betwist dat deze overeenkomst is opgesteld met het oog op een door [geïntimeerde] te verrichten overname. [verzoeker] meent echter dat dit commercieel zo gaat en dat [geïntimeerde] van deze afspraak met [naam8] had kunnen weten, omdat [verzoeker] een prijslijst aan [geïntimeerde] heeft toegestuurd waaruit duidelijk blijkt dat [verzoeker] aan twee kanten commissie rekent. In deze prijslijst staat namelijk:\n\n‘Bemiddeling tot stand komen levering derden\u002Fbetaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’. Verder meent hij dat [geïntimeerde] wist van zijn nevenwerkzaamheden en het dienen van twee heren. Dat laatste maakt volgens [verzoeker] niet zonder meer dat sprake is van belangenverstrengeling.\n\n3.10.. \n\nHet hof is van oordeel dat [verzoeker] zich aan ontoelaatbare belangenverstrengeling heeft schuldig gemaakt bij het bedingen van een provisie (van\n\n€ 80.000) bij [naam8] als de verkoop van bakkerij [naam6] aan [geïntimeerde] zou doorgaan. [geïntimeerde] was er, gelet op de inhoud van de arbeidsovereenkomst, van op de hoogte dat [verzoeker] (via zijn bv’s) nevenwerkzaamheden verrichtte, maar dat is iets heel anders dan het bemiddelen bij een verkoop waarbij [verzoeker] óók optrad als bemiddelaar voor de verkopende partij en op deze wijze met ‘twee petten op’ handelde. Daarmee had [verzoeker] een eigen belang bij het tot stand komen van de overeenkomst, wat op gespannen voet staat met het door [verzoeker] te dienen belang van [geïntimeerde] bij wie hij in dienst was. [geïntimeerde] mocht er op vertrouwen dat bij deze bemiddelingspogingen alleen haarbelang vooropstond, wat uiteindelijk niet het geval bleek te zijn. Dat zij daarbij mogelijk geen schade heeft geleden, zoals [verzoeker] heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. Van belang is dat [verzoeker] door dit handelen het vertrouwen van [geïntimeerde] ernstig heeft beschaamd. Uit het transcript van het gesprek van 22 januari 2025 tussen [naam4] en [verzoeker] blijkt dat [verzoeker] ook wel wist dat zijn handelen ontoelaatbaar was voor [geïntimeerde] . In dat gesprek heeft [naam4] immers expliciet tegen [verzoeker] gezegd dat hij van ‘twee kantjes’ wil eten en dat hij niet ‘twee heren kan dienen’.\n\n3.11.. \n [verzoeker] meent, zoals gezegd, dat het [geïntimeerde] duidelijk was dat hij aan twee kanten commissie rekent. Het hof ziet dat anders. Uit niets blijkt dat partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] bij dergelijke bemiddelingen van beide partijen een beloning zou ontvangen. Anders dan [verzoeker] aanvoert, blijkt dat niet uit de prijslijst die hij per e-mail van 28 augustus 2024 als onderdeel van zijn voorstel voor het afsluiten van een hernieuwde overeenkomst aan [geïntimeerde] heeft gestuurd. Ten eerste is deze e-mail gestuurd in een geheel andere context. Het e-mailbericht bevat een voorstel voor een hernieuwde arbeidsovereenkomst als reactie op de mededeling van [geïntimeerde] over de niet wenselijke situatie van het naast elkaar bestaan van twee andersoortige overeenkomsten, wat mogelijk was op grond van de bestaande arbeidsovereenkomst. [verzoeker] mocht er dan ook niet op vertrouwen dat [geïntimeerde] uit deze e-mail met verwijzing naar een prijslijst begreep dat [verzoeker] provisie van twee kanten kreeg. Ten tweede is het bij een voorstel gebleven en niet is gebleken dat [verzoeker] dit voorstel heeft geaccepteerd. Ten derde, ook al zou [verzoeker] een beroep mogen doen op de prijslijst, dan nog kan hieruit niet afgeleid worden dat [verzoeker] bij het tot stand komen van een overeenkomst\u002Fdeal van beide partijencommissie zou ontvangen. Dat leest het hof niet in de prijslijst, die overigens niet uitblinkt in duidelijkheid. Onder het kopje ‘Bemiddeling tot stand komen levering derden\u002Fbetaling door zowel leverancier als wederverkoper (detailhandel)’, gaat het veeleer om provisie die [verzoeker]van[geïntimeerde] ontvangt over bijvoorbeeld levering van zuivel\u002Fbrood\u002Fgebak (€ 0,10 per artikel) of bij bemiddeling verkoop exploitatie (5% van de verkoop) ennietover provisie die [verzoeker] van de wederpartij ontvangt.\n\n3.12.. Uit het voorgaande volgt dat een redelijke ontslaggrond aanwezig is. Het ‘dienen van twee heren’ kwalificeert het hof als een ontoelaatbare belangenverstrengeling, waardoor [verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [geïntimeerde] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De twee andere door [geïntimeerde] aangevoerde verwijtbare handelingen behoeven geen bespreking meer. Herplaatsing van [verzoeker] ligt niet in de rede, omdat de arbeidsovereenkomst is ontbonden op de e-grond (artikel 7:699 lid 1 BW).\n\nfiscale bijtelling\u002F afgedragen loonheffing\n\n3.13.. Over de periode december 2024 tot en met februari 2025 heeft [verzoeker] een auto van de zaak genoten. [verzoeker] meent dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld een bedrag van € 2.682,33 aan [geïntimeerde] te betalen, vanwege door [geïntimeerde] afgedragen loonheffing met betrekking tot de met de auto verband houdende bijtelling. Volgens [verzoeker] heeft hij inzichtelijk gemaakt dat het privégebruik van de leaseauto onder de 500 km per jaar is gebleven en van een fiscale bijtelling is dan geen sprake. Het betoog van [verzoeker] faalt. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat de door [verzoeker] zelf bijgehouden kilometerregistratie niet overeenkomt met de digitale rittenregistratie van de leaseauto, in die zin dat op aanzienlijk meer data door [verzoeker] privéritten zijn afgelegd dan door hem opgegeven. Hiervoor heeft zij verwezen naar de ‘Rapportage Ritregistratie met dagtotalen’. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft [verzoeker] onvoldoende aangevoerd (ook niet op de mondelinge behandeling) om ervan uit te gaan dat er geen bijtelling zou moeten plaatsvinden.\n\ngeen billijke vergoeding\n\n3.14.. \n\nVolgens [verzoeker] heeft hij recht op een billijke vergoeding omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] is immers zonder voorafgaand gesprek of waarschuwing overgegaan tot het zwaarste middel, het ontslag op staande voet, terwijl daar geen reden voor was. Deze handelwijze heeft de arbeidsverhouding zwaar onder druk gezet.\n\nHet hof volgt [verzoeker] niet in zijn betoog. [geïntimeerde] heeft namelijk aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd dan aan het ontslag op staande voet. Uit wat hiervoor in 3.7. e.v. is overwogen, volgt dat het hof de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond gerechtvaardigd acht. Dat heeft niets te maken met een ten onrechte gegeven ontslag op staande voet. Als hierdoor de arbeidsverhoudingen al zijn verstoord, zoals [verzoeker] betoogt, dan zou dat mogelijk een rol kunnen spelen bij de ontbinding op de g-grond, maar niet bij de ontbinding op de e-grond vanwege verwijtbaar handelen van [verzoeker] waarvan hier sprake is. Voor een billijke vergoeding op grond van artikel 7: 671b BW lid 9 onder c is daarom geen plaats.\n\ngeen transitievergoeding\n\n3.15.. Het hof vindt de handelwijze van [verzoeker] waarbij hij bij de deal rondom bakkerij [naam6] ‘twee heren’ heeft gediend niet alleen verwijtbaar maar ook ernstig verwijtbaar. Het gedrag van [verzoeker] heeft ernstig afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat [geïntimeerde] in [verzoeker] als commercieel medewerker\u002Fmanager mocht hebben. [geïntimeerde] moet er immers van op aan kunnen dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn functie volledig in haar belang handelt en niet daarnaast uit is op eigenbelang. Dat betekent dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW)..\n\ngeen vergoeding vervangende huurauto en abonnement BMW\n\n3.16.. \n [verzoeker] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat hij onder dwang de leaseauto heeft moeten inleveren. Omdat hij van de ene op de andere dag geen beschikking meer over een auto had, heeft hij kosten voor de huur van een vervangende auto moeten maken. Die kosten komen neer op een bedrag van € 450 per week (totaal € 1.800), exclusief btw. Hij verwijst hiervoor naar een factuur van 20 april 2025.\n\n3.17.. \n\nHet hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van deze factuur gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens [geïntimeerde] is de factuur afkomstig van ‘ [naam10] ’, maar de naam\u002Fadres\u002Fwoonplaats van deze afzender ontbreken, evenals het KvK-nummer. Daarnaast heeft [verzoeker] niet aangetoond dat hij deze factuur heeft betaald, nu de factuur is gericht aan [naam1] . Gelet op deze betwisting heeft [verzoeker] niet voldoende onderbouwd gesteld dat hij kosten van € 450 exclusief btw per week voor de huurauto heeft gemaakt. Bovendien heeft [verzoeker] , in het kader van zijn schadebeperkingsplicht, niet inzichtelijk gemaakt dat hij voor privéritten deze huurauto nodig had en geen gebruik van een ander vervoermiddel (bijvoorbeeld een taxi voor de ritten naar het ziekenhuis met zijn echtgenote) kon maken.\n\nDatzelfde geldt voor de kosten van het abonnement dat [verzoeker] voor zijn BMW heeft aangeschaft. Niet alleen blijkt uit de door [verzoeker] overgelegde factuur van dit abonnement dat het abonnement door zijn vennootschap [naam1] is afgesloten (en de hiermee gepaard gaande kosten door BMW kennelijk bij [naam1] in rekening zijn gebracht) maar in ieder geval is gesteld noch gebleken dat [verzoeker] met toestemming van [geïntimeerde] dit abonnement heeft afgesloten. De kosten ervan blijven dus voor rekening van [verzoeker] .\n\nloon € 3.000\n\n3.18.. \n\n [verzoeker] meent dat hij met ingang van 1 februari 2025 recht heeft op loon van € 9.000 per maand omdat dit met [naam4] is afgesproken. Ter onderbouwing hiervan heeft hij verwezen naar gevoerde e-mailcorrespondentie in januari 2025 tussen hem en [naam4] . [verzoeker] heeft in de tekst van een e-mail van 29 januari 2025 van [naam4] opmerkingen gemaakt. In deze e-mail is het volgende te lezen (waarbij de onderstreepte tekst door [verzoeker] (‘ [verzoeker] ’) is geschreven):\n\n‘Dag [verzoeker] ,\n\nAfgelopen woensdag hebben we overleg gehad inzake de winkels [naam6] die overgenomen zijn waar een afspraak is gemaakt van 5%, maar de termijn was mijn onduidelijk (…).\n\nAls aangesteld commissaris per l november 2024 is mij niet helemaal duidelijk wat de afspraken zijn met jou bedrijf en [naam7] inzake deal [naam6] en andere zaken. de afspraken met [naam7] zijn in 4 overeenkomsten vastgelegd en hebben we beide met ons volle verstand getekend (…)\n\nDaar mijn salaris hoog was, is het opgedeeld:\n\n1 de eerste overeenkomst staan dus de taken in.\n\n2 De bestaande provisie overeenkomst die voordat ik werd aangenomen 3% was is naar 5% gegaan en is ook zo uitbetaald 1e helft 2024 (provisie was voor omzet wat ik binnen zou halen. (...)\n\n3 een arbeidsovereenkomst met een bruto salaris van €3.000,- volgens de cao 32 uur in de week. januari is cao verhoging door gevoerd, dus salaris is iets hoger\n\n4 een overeenkomst met [naam1] B.V. van € 2.100,- excl per maand\n\nOm dit tot een werkbare oplossing te krijgen en tot afronding van de doorstart [naam6] , is denk goed dit project, project matig vast te stellen hoe de commissie wordt vastgesteld en uitgekeerd over de periode de komende 60 maanden (…)\n\nMijn voorstel is [naam6] winkels:\n\nVanaf 1 februari 2025 tot 1 februari 2030 wordt op basis van bovenstaand een maandelijks voorschot wordt € 9000,- euro ex btw betaald, en na 12 maanden door onafhankelijke accountant (…) vastgesteld welke omzet en winst is gedraaid op bovengenoemde locaties door [naam3] ( [naam3] , toevoeging hof) geleverd (…)\n\nCommissie overeenkomst vast € 2100,-:\n\nOok is mij niet duidelijk waarvoor en om problemen te voorkomen, is wel zaak dat hier een goede overeenkomst vast te stellen voor welke werkzaamheden en verwachtingen\n\nhier is mijns inziens geen onduidelijkheid over, zie de door ons beide getekende overeenkomsten.\n\n3.19.. \n\nVolgens [geïntimeerde] was de strekking van de e-mail van [naam4] niet om [verzoeker] een onvoorwaardelijk voorstel te doen, maar om ontstane plooien glad te strijken en te bezien of de samenwerking voor de toekomst op meer gestructureerde basis kon plaatsvinden. Die plooien waren ontstaan doordat [verzoeker] via zijn vennootschap [naam1] een provisiefactuur van bijna € 48.000 aan [naam7] had gestuurd vanwege werkzaamheden in verband met de overname [naam6] door [geïntimeerde] .\n\nMaar ook als hetgeen in deze mail staat als een (bindende) afspraak zou moeten worden aangemerkt, dan nog heeft het door [naam4] genoemde voorschot van € 9.000 per maand geen betrekking op het salaris van [verzoeker] uit hoofde van zijn dienstverband, maar op een voorschot op provisie op grond van overeenkomsten die [verzoeker] via zijn vennootschap(pen) met [geïntimeerde] heeft gesloten. Dit blijkt niet alleen uit het feit dat deze e-mail is gestuurd naar aanleiding van een bespreking die had plaatsgevonden na het sturen van genoemde provisiefactuur, maar ook wordt in het e-mailbericht melding gemaakt van ‘overeenkomsten tussen jou bedrijf en [naam7] ’. Bovendien is het maandelijkse voorschot van € 9.000 als een bedrag exclusief btw vermeld wat niet gebruikelijk is bij arbeidsloon.\n\nDit betekent dat voor het loon dat [geïntimeerde] nog aan [verzoeker] verschuldigd is, moet worden uitgegaan van het in de arbeidsovereenkomst overeengekomen bedrag van € 3.000.\n\nslotsom en proceskosten\n\n3.20.. Het principaal hoger beroep van [verzoeker] slaagt niet. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt evenmin. [verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal hoger beroep worden veroordeeld. [verzoeker] is het niet eens met de compensatie van de proceskosten in het verzoek in eerste aanleg omdat het ontslag op staande voet geen stand heeft gehouden. Dit ziet het hof anders. Weliswaar is het ontslag op staande voet vernietigd, maar vervolgens is de arbeidsovereenkomst ontbonden terwijl [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Op dat punt brengt de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz van de Kring van kantonrechters mee dat de proceskosten voor rekening van de werknemer ( [verzoeker] ) kunnen komen. Ook heeft [verzoeker] op het punt van zijn verhoogde aanspraak op loon ongelijk gekregen. Al met al acht het hof een compensatie van kosten, net als de kantonrechter, redelijk. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.\n\n3.21.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing in het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\nHet hof:\n\nin het principaal hoger beroep\n\n4.1.. verwerpt het beroep van [verzoeker] ;\n\n4.2.. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [geïntimeerde] bepaald op € 851 griffierecht en € 2.580,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 punten x tarief II);\n\nin het incidenteel hoger beroep\n\n4.3.. verwerpt het beroep van [geïntimeerde] ;\n\n4.4.. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van [verzoeker] bepaald op € 1.290,- voor salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (1 punt x tarief II);\n\nin het principaal en in het incidenteel hoger beroep\n\n4.5.. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, M.E.L. Fikkers en A. Elgersma en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3462","ecli-nl-gharl-2026-3462",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]