[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-3919":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-3919":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1108","ECLI:NL:GHARL:2026:3919","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-15T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN\n\nlocatie Arnhem , afdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.362.084\n\n(zaaknummer rechtbank Gelderland 11573047)\n\nbeschikking van 15 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nStichting IrisZorg (IrisZorg),\n\ndie is gevestigd in Arnhem ,\n\nadvocaat: mr. C.M. Hermesdorf,\n\nen\n\n [verweerster] ( [de werkneemster] ),\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nadvocaat: mr. F.A.J.M. Peeters.\n\nHet verloop van de procedure in hoger beroep1.1. IrisZorg heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem , op 28 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken.Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift met bijlagen (producties), op de griffie binnengekomen op 27 november 2025\n\nhet verweerschrift met producties\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 15 april 2026 is gehouden.1.2. \n\nPartijen hebben het hof om een uitspraak verzocht die is bepaald op vandaag.\n\nDe kern van de zaak\n\n2.1. IrisZorg heeft [de werkneemster] op 31 januari 2025 tijdens ziekte op staande voet ontslagen vanwege het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming. [de werkneemster] vindt dat onterecht en wil graag terug in dienst. IrisZorg wil dat niet en heeft voorwaardelijk om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.\n\n2.2. De kantonrechter heeft op verzoek van [de werkneemster] het ontslag op staande voet vernietigd omdat er geen dringende reden was voor dat ontslag. Het in reactie daarop ingediende voorwaardelijke verzoek van IrisZorg tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, dat gelijktijdig is behandeld, is door de kantonrechter afgewezen. De arbeidsovereenkomst is dus niet geëindigd. Het hoger beroep van IrisZorg richt zich tegen de beslissing van de kantonrechter dat het ontslag op staande voet onterecht is en dat er geen reden is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.\n\nHet oordeel van het hof\n\n3.1. Het hof oordeelt dat het ontslag op staande voet van 31 januari 2025 wel geldig was. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op de datum van deze beschikking, voor zover de arbeidsovereenkomst op dat moment (nog) bestaat. Het hof licht hieronder toe hoe het tot dit oordeel is gekomen. Wat is er gebeurd?3.2. De kantonrechter heeft in zijn beschikking onder 2.1 tot en met 2.16 de relevante feiten vastgesteld. Het hof neemt die over en geeft die hieronder verkort weer, aangevuld met in hoger beroep nieuw gebleken feiten.3.3. IrisZorg is een organisatie in de verslavingszorg. [de werkneemster] is daar op 24 augustus 2019 in dienst getreden in de functie van Toezichthouder voor laatstelijk 24 uur per week. [de werkneemster] werkte uitsluitend in nachtdiensten. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de werknemer de werkgever vooraf toestemming vraagt om tijdens het dienstverband een nevenfunctie uit te oefenen.3.4. Op 16 januari 2023 heeft [de werkneemster] zich ziekgemeld na een incident op het werk. Op 24 april 2024 heeft [de werkneemster] onder meer [de leidinggevende] laten weten dat zij weer in staat was om te gaan werken en dat zij wil solliciteren naar een zorgfunctie voor 8 uur naast haar huidige functie. [de leidinggevende] heeft vervolgens de bedrijfsarts geïnformeerd over een gesprek dat hij op 22 mei 2024 met [de werkneemster] had. [de leidinggevende] citeert uit het gespreksverslag dat [de werkneemster] graag weer aan het werk wilde en dat de bedrijfsarts moest beoordelen of dat kon en of dat dan overdag of in de nacht was. Verder heeft [de werkneemster] in het gesprek aangegeven dat ze gestart is met werken in de nacht bij een andere werkgever, maar dat ze ‘nu nog niet’ wilde zeggen bij welke werkgever.\n\n3.5. Uit een second opinion van een externe bedrijfsarts van 13 augustus 2024 (aangevraagd door [de werkneemster] en gedeeld met de eigen bedrijfsarts) blijkt dat er geen beperkingen meer aan de orde zijn voor eigen werkzaamheden. [de werkneemster] wordt medisch gezien belastbaar geacht voor eigen werk. Op advies van de eigen bedrijfsarts is in september 2024 gestart met re-integratie in de eigen werkzaamheden, waaronder ook één keer in de nacht.\n\n3.6. Op 8 oktober 2024 heeft [de werkneemster] zich opnieuw ziekgemeld, ditmaal in verband met zwangerschapsgerelateerde klachten. Op 9 oktober 2024 vindt een gesprek plaats tussen [de manager bedrijfsvoering] , [de werkneemster] en een HR-medewerker. [de manager bedrijfsvoering] heeft daarvan een verslag opgemaakt dat hij ook aan [de werkneemster] heeft toegezonden. In dat gespreksverslag staat dat [de werkneemster] heeft verklaard tijdens verzuim gedurende enkele maanden bij een andere zorginstelling aan het werk geweest te zijn voor circa 8-12 uur per week. Daarvan zouden [de leidinggevende] en HR op de hoogte zijn geweest. IrisZorg heeft haar er in het gesprek op gewezen dat zij verplicht was hier melding van te maken, zeker tijdens verzuim. Er was bij [de leidinggevende] en HR maar beperkt informatie aanwezig en niet bekend was welke zorginstelling en ook niet welke periode het betrof. [de werkneemster] heeft die informatie in het gesprek niet alsnog verstrekt en zou dat later met de bedrijfsarts delen, aldus het gespreksverslag. [de werkneemster] heeft toen niet op het gespreksverslag gereageerd.\n\n3.7. In de WIA-aanvraag van 30 oktober 2024 die [de werkneemster] indient, is vermeld dat zij van januari 2020 tot en met januari 2023 ook een tijdelijk contract als zorgmedewerker in opleiding heeft gehad bij een andere werkgever ( [naam1] ). [de werkneemster] heeft bij de vraag in de WIA-aanvraag waarom zij het oneens is met de re-integratiedocumenten ingevuld dat zij al vier maanden niet aan het werk mocht, zij daarom met UWV heeft gebeld voor advies en dat zij aan het werk mocht. Het UWV zou dat goed hebben gevonden als zij het maar bij IrisZorg zou melden en toestemming zou krijgen, waarop [de werkneemster] in de aanvraag schrijft: ‘Dat heb ik gekregen’en ‘Sinds ik bij IrisZorg mocht reïntegreren ben ik daar gestopt’.\n\n3.8. Uit een verslag van een gesprek van 23 januari 2025 tussen [de werkneemster] en IrisZorg volgt dat IrisZorg heeft verteld dat, naar aanleiding van een bericht van het UWV over het dagloon van [de werkneemster] , onderzoek is gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat [de werkneemster] tijdens arbeidsongeschiktheid bij [naam2] van 27 mei 2024 tot en met 26 december 2024 een dienstverband heeft gehad voor 40 uur per week. Volgens [de werkneemster] waren alle nevendienstverbanden bij IrisZorg bekend en dateren ze van voor 2019; zij zegt dat zij dat per mail aan IrisZorg heeft bevestigd. [de werkneemster] heeft verder o.a. bevestigd dat zij naast IrisZorg ook bij [naam2] werkt en dat zij in totaal veel meer werkt dan 40 uur per week, ook tijdens verzuim. Ook staat in het verslag dat zij heeft verklaard bij [naam2] meer dan 40 uur per week te werken. IrisZorg heeft [de werkneemster] de gelegenheid geboden, ondanks dat IrisZorg de gestelde e-mailbevestiging van de nevenwerkzaamheden niet kende, om bewijs aan te leveren dat IrisZorg volledig op de hoogte was van deze nevenwerkzaamheden en de omvang daarvan. Ook op dit gespreksverslag heeft [de werkneemster] toen niet gereageerd.3.9. \n [de werkneemster] heeft geen bewijsstukken aangeleverd en na nader onderzoek heeft IrisZorg op 31 januari 2025 ontslag op staande voet gegeven. Daaraan zijn (tezamen en in onderling verband maar ook afzonderlijk) vier gedragingen ten grondslag gelegd: (i) het in strijd met de arbeidsovereenkomst en gedragscode niet vooraf vragen van toestemming voor het dienstverband bij [naam2] , (ii) het niet volledig verstrekken van informatie over de aard van het werk, de werktijden en de duur van de werkzaamheden, (iii) het in strijd met de waarheid verklaren op 9 oktober 2024 en in de WIA-aanvraag en (iv) het handelen in strijd met Poortwachterverplichtingen door de bedrijfsarts niet te informeren over de nevenwerkzaamheden.\n\n3.10. Het UWV heeft op 27 februari 2025 de WIA-aanvraag van [de werkneemster] afgewezen omdat zij per 13 augustus 2024 volledig hersteld was. Het bezwaar van IrisZorg tegen deze beslissing is ongegrond verklaard, waarin IrisZorg heeft berust.\n\n3.11. Met de beslissingen van de kantonrechter van 28 augustus 2025 is de arbeidsovereenkomst blijven bestaan. [de werkneemster] is onverminderd arbeidsongeschikt gebleven. Op 9 april 2026 heeft IrisZorg [de werkneemster] opnieuw op staande voet ontslagen. Aanleiding daarvoor zijn (nachtelijke) observaties van handelingen van [de werkneemster] die door IrisZorg zijn gekwalificeerd als het ongeoorloofd verrichten van nevenwerkzaamheden.\n\nTerecht ontslag op staande voet3.12. Naar het oordeel van het hof had IrisZorg op 31 januari 2025 een dringende reden voor het geven van een ontslag op staande voet. Dat ontslag op staande voet is onverwijld gegeven en de reden daarvoor is ook onverwijld meegedeeld. Daarvoor is het volgende van belang.\n\nwel een dringende reden3.13. IrisZorg heeft aangevoerd dat zij een dringende reden had op 31 januari 2025. [de werkneemster] heeft geen openheid van zaken gegeven en er zelfs over gelogen voor welke werkgever zij nevenwerkzaamheden verrichtte en uit hoeveel uren dat nevenwerk bestond. Zij heeft meermalen de gelegenheid daarvoor gehad, maar is (stelselmatig) niet transparant geweest, zonder steekhoudende verklaring daarvoor. Nevenwerkzaamheden zijn binnen IrisZorg niet ongebruikelijk maar dat is anders als a) de werknemer al arbeidsongeschikt is bij de start van het tweede dienstverband en b) de nevenwerkzaamheden zodanig omvangrijk zijn (40 uur) dat dit ingewikkeld of zelfs onmogelijk te combineren is met een dienstverband bij IrisZorg van 24 uur met onregelmatige diensten. De focus moet liggen op re-integratie: [de werkneemster] geeft aan graag weer te willen werken bij IrisZorg maar dat strookt niet met het tegelijkertijd aanvaarden van een tweede dienstverband elders voor 40 uur per week. Ten onrechte is verder bij IrisZorg een plicht gelegd om [de werkneemster] te bewegen tot openheid, want [de werkneemster] heeft daarin ook een eigen verantwoordelijkheid. Na de mededeling van [de werkneemster] op 22 mei 2024 was er voor IrisZorg geen reden om te twijfelen over de omvang van het tweede dienstverband, dus was er evenmin aanleiding om navraag te doen. Op 9 oktober 2024 is ten onrechte door [de werkneemster] gezegd dat het om 8-12 uur per week ging en in de WIA-aanvraag van 30 oktober 2024 gaf zij ten onrechte aan maar voor één werkgever te werken, aldus IrisZorg.\n\n3.14. \n\n [de werkneemster] heeft zich erop beroepen dat zij haar leidinggevende [de leidinggevende] op 22 mei 2024 heeft geïnformeerd over haar voornemen om eind mei 2024 bij een andere werkgever aan de slag te gaan. Naar aanleiding daarvan heeft IrisZorg niets gedaan. Ook heeft [de werkneemster] de bedrijfsarts geïnformeerd over haar nevenwerkzaamheden. [de werkneemster] heeft bevestigd tussen 27 mei 2024 en 26 december 2024 in dienst te zijn geweest bij [naam2] op de [locatie] in [plaats1] , waar zij tot haar uitval door ziekte op 8 oktober 2024 werkzaamheden heeft verricht. Tijdens het gesprek op 9 oktober 2024 heeft [de werkneemster] verteld dat haar nevenwerkgever [naam2] was, maar zij betwist te hebben gezegd dat zij daar slechts 8-12 uur werkte. De gespreksverslagen geven de gesprekken niet juist weer. Ook betwist [de werkneemster] dat zij de WIA-aanvraag onjuist heeft ingevuld: ten tijde van die aanvraag was zij weer uitgevallen en verrichtte ze geen werkzaamheden voor [naam2] . Vanaf 13 augustus 2024 is [de werkneemster] weer arbeidsgeschikt verklaard, dus heeft zij haar re-integratie niet belemmerd. Bovendien zijn het oordeel van de second opinion-arts en de afwijzing van de WIA-aanvraag door het UWV een bevestiging dat [de werkneemster] al geruime tijd arbeidsgeschikt was. Ter zitting heeft [de werkneemster] daaraan toegevoegd dat omdat IrisZorg haar ondanks herstel niet aan de slag wilde laten, zij zich wilde ‘bewijzen’ in het andere dienstverband. Tenslotte heeft [de werkneemster] gewezen op de zwaarwegende persoonlijke omstandigheid dat zij zwanger was ten tijde van het gegeven ontslag op staande voet. Bovendien is het ontslag op staande voet disproportioneel, aldus [de werkneemster] .\n\n- nevenwerkzaamhedenbeding geldig3.15. \n\nHet hof stelt voorop dat partijen bij de kantonrechter hebben gediscussieerd over de rechtsgeldigheid van het nevenwerkzaamhedenbeding in de arbeidsovereenkomst. Daarover heeft de kantonrechter geen expliciet oordeel gegeven, maar in de beschikking ligt besloten dat van de rechtsgeldigheid daarvan is uitgegaan. Er is door IrisZorg geen bezwaar gericht tegen de (impliciete) beslissing op dit onderdeel van het partijdebat, zodat het hof uit zal gaan van de rechtsgeldigheid. Dat is overigens ook juist. Artikel 7:653a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt (kort gezegd) namelijk dat een beding nietig is als het de werknemer verbiedt voor anderen te werken buiten de werktijden bij de eigen werkgever, tenzij het beding kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. In het nevenwerkzaamhedenbeding van [de werkneemster] staat geen expliciet verbod op nevenwerkzaamheden, maar is een verplichting opgenomen om vooraf toestemming te vragen om nevenwerkzaamheden te gaan verrichten. Ook zo’n beding valt onder de werkingssfeer van artikel 7:653a BW. IrisZorg kan toestemming alleen weigeren als daar een objectieve reden voor bestaat. Een beding waarvoor geen objectieve rechtvaardiging gegeven is of gegeven kan worden is nietig.In dit geval heeft IrisZorg erop gewezen dat met de nevenwerkzaamheden zoals [de werkneemster] die verrichtte de normen van de Arbeidstijdenwet zijn overtreden, wat een objectieve rechtvaardiging vormt om toestemming (als die gevraagd zou zijn) te mogen weigeren. Het nevenwerkzaamhedenbeding is dus geldig.\n\n- verschillende terechte verwijten3.16. Voor de beoordeling van de verschillende gedragingen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd zijn mede de gespreksverslagen van belang. Vast staat dat pas in hoger beroep en alleen in het algemeen de juistheid van de (citaten uit de) gespreksverslagen van het gesprek van 22 mei 2024 en van 9 oktober 2024 wordt betwist. [de werkneemster] heeft niet betwist dat zij de gespreksverslagen destijds heeft ontvangen. Zij heeft na ontvangst daarvan daar niet op gereageerd noch heeft zij eventuele onjuistheden laten corrigeren. Omdat zij ook nu niet concreet maakt waarom die gespreksverslagen onjuist zijn (terwijl zij naar eigen zeggen in elk geval op 22 mei 2024 arbeidsgeschikt was zodat een psychische belemmering niet aannemelijk is) passeert het hof de stelling van onjuistheid van de gespreksverslagen. De enige toegespitste betwisting (ook al bij de kantonrechter), namelijk dat [de werkneemster] op 9 oktober 2024 niet heeft gezegd dat het dienstverband bij [naam2] maar voor 8-12 uur is, acht het hof onvoldoende gelet op de e-mail van [de werkneemster] van 24 april 2024 aan IrisZorg waarin ze het heeft over in mei ‘solliciteren naar een zorg functie voor 8 uur naast mijn huidige’en het uitblijven van enige reactie toentertijd op het verslag van het gesprek van 9 oktober 2024.\n\n3.17. Het hof oordeelt vervolgens dat verschillende verwijten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd terecht zijn. Omdat het nevenwerkzaamhedenbeding geldig is, had [de werkneemster] vooraf aan IrisZorg toestemming moeten vragen voor het mogen gaan verrichten van nevenwerkzaamheden bij [naam2] . Dat zij dat niet heeft gedaan, heeft [de werkneemster] niet betwist. Op 22 mei 2024 heeft zij blijkens het gespreksverslag (zie 3.4) gemeld dat zij is gestart met het werken bij een andere werkgever. Dat is niet vooraf en dat is niet het vragen om toestemming. Als haar mededeling betrekking had op haar dienstverband bij [naam2] , dan is weliswaar de startdatum bij [naam2] 27 mei 2024, maar [de werkneemster] heeft in eerste aanleg aangegeven al een aantal weken daaraan voorafgaand scholing bij [naam2] te hebben gevolgd. Ook om die reden is niet vooraf om toestemming gevraagd. Op 9 oktober 2024 heeft [de werkneemster] verklaard gedurende enkele maanden bij een andere zorginstelling aan het werk geweest te zijn voor circa 8-12 uur per week (zie 3.6). Ook dat is niet vooraf en niet het vragen om toestemming. IrisZorg heeft erkend dat het niet ongebruikelijk was dat werknemers nevenwerkzaamheden verrichtten, maar door [de werkneemster] is niet concreet en onderbouwd gesteld dat dat werd goedgevonden zonder voorafgaande toestemming, wat ook niet is gebleken. Haar nevenwerkzaamheden bij [naam1] zijn bijvoorbeeld ook met toestemming verricht.\n\n3.18. Ook het tweede verwijt, namelijk het niet transparant zijn is terecht. [de werkneemster] heeft geen volledige informatie verstrekt over waar ze werkte, de aard van het werk, de werktijden en de duur van de werkzaamheden. Dat heeft zij niet uit zichzelf gedaan in de gesprekken op 22 mei 2024 en 9 oktober 2024 terwijl dit wel op haar weg lag. Omdat zij al nevenwerkzaamheden verrichtte zonder toestemming vooraf had zij op zijn minst openheid van zaken moeten geven toen zij het nevenwerk ter sprake bracht. [de werkneemster] heeft zich er nog op beroepen dat IrisZorg wist van de nevenwerkzaamheden en die zonder verder protest goed heeft gevonden. Het is juist dat op 22 mei 2024 door [de werkneemster] is gezegd dat het om nevenwerkzaamheden ging bij een zorginstelling in de nacht, maar zoals IrisZorg ter zitting heeft toegelicht was niet bekend welke zorginstelling dat was en voor hoeveel uur zij werkte. [de werkneemster] heeft op geen enkel moment duidelijk gemaakt dat de werkzaamheden 40 uur in de week bedroegen en dat had ze wel moeten doen. Bovendien bleek tijdens de zitting bij het hof dat het bij [naam2] om werkzaamheden overdag ging en niet in de nacht, en dat zij werkte op de [locatie] in [plaats1] en niet bij een zorginstelling. IrisZorg heeft bij het hof uitgelegd dat als zij had geweten dat de omvang 40 uur was, zij geen toestemming voor de nevenwerkzaamheden zou hebben gegeven, onder meer gelet op de maximale arbeidstijden, minimale rusttijden en regels rond nachtwerk uit de Arbeidstijdenwet. Dat had ook voor [de werkneemster] zonder meer duidelijk moeten zijn.3.19. Verder neemt het hof over dat [de werkneemster] niet eerlijk is geweest in het gesprek op 9 oktober 2024. Uit het gespreksverslag blijkt dat zij toen 8-12 uur per week heeft genoemd, wat aansluit bij haar e-mail van 24 april 2024 waarin [de werkneemster] het in mei solliciteren op een functie voor 8 uur per week noemt. Op 9 oktober 2024 was [de werkneemster] echter al maanden voor 40 uur per week bij [naam2] aan het werk geweest, zodat zij met haar mededeling in het gesprek een verkeerd beeld bij IrisZorg heeft geschetst. Ter zitting heeft [de werkneemster] niet aannemelijk kunnen maken dat zij niet 40 uur per week heeft gewerkt. Zij heeft genoemd dat zij in het begin elke paar dagen vooral toetsen moest maken, dat zij geen 40 uur hoefde te werken maar dat zij wel een fulltime salaris kreeg. Dat heeft zij verder niet concreet onderbouwd en past, naar het oordeel van het hof, eerder bij haar opmerking dat zij voor de start van het dienstverband eerst scholing kreeg.\n\n3.20. Ook is [de werkneemster] niet eerlijk geweest in de WIA-aanvraag. Zij heeft geschreven dat zij toestemming had voor het verrichten van nevenwerkzaamheden terwijl dat niet zo was. Bovendien is onjuist wat [de werkneemster] schreef namelijk dat toen zij startte met de re-integratie (september 2024), zij zou zijn gestopt (zie 3.7). [de werkneemster] was namelijk nog gewoon voor 40 uur per week in dienst bij [naam2] terwijl zij toen (september 2024) naar eigen zeggen ook niet arbeidsongeschikt was. Het hof gaat voorbij aan de stelling van [de werkneemster] tijdens de mondelinge behandeling dat IrisZorg de WIA-aanvraag voor haar zou hebben ingevuld. Vast staat dat zij dat samen met iemand van HR van IrisZorg heeft gedaan, waarbij [de werkneemster] echter de verantwoordelijkheid voor de juistheid droeg, terwijl niet is gebleken dat zij op dat moment last had van zodanige medische belemmeringen dat zij dat invullen niet volledig en naar waarheid zou kunnen.\n\n3.21. \n [de werkneemster] heeft haar stelling dat zij de bedrijfsarts heeft geïnformeerd over haar nevenwerkzaamheden bij [naam2] niet concreet gemaakt, bijvoorbeeld wat ze heeft verteld en wanneer zij dat met de bedrijfsarts heeft gedeeld. Uit de verslagen van de bedrijfsarts van april, mei, september en oktober 2024 blijkt niet dat de bedrijfsarts op de hoogte was van de nevenwerkzaamheden (of de daaraan voorafgaande scholing), de aard daarvan of de omvang. Andere aanwijzingen dat de bedrijfsarts door [de werkneemster] is geïnformeerd zijn er ook niet. Het hof passeert daarom die stelling.\n\n3.22. \n\nDoordat niet vaststaat dat [de werkneemster] de primaire bedrijfsarts heeft geïnformeerd over de aard van het nevenwerk bij [naam2] , de plaats, de omvang en de periode (27 mei tot 8 oktober 2024) daarvan, is niet uit te sluiten dat de bedrijfsarts in mei of september 2024 de actuele belastbaarheid van [de werkneemster] niet goed heeft kunnen beoordelen. Zo schrijft de bedrijfsarts bijvoorbeeld op 24 mei 2024 dat het doel van de re-integratie terugkeer is in passend werk, dat in de komende tijd mogelijkheden zullen zijn bijvoorbeeld voor 2 x 2u en dat zij, met de informatie die zij toen had, geen goed oordeel kon geven over de mogelijkheden, de beperkingen en de prognose ervan. [de werkneemster] heeft er terecht op gewezen dat zij op 13 augustus 2024 door de second opinion-arts arbeidsgeschikt is bevonden. Niettemin vereisen de Poortwachterverplichtingen dat zij al in mei 2024 de bedrijfsarts had moeten informeren. Als de bedrijfsarts toen had geweten van nevenwerkzaamheden voor 40 uur in de week was misschien de re-integratie anders vormgegeven of was het tot een hersteldverklaring door de bedrijfsarts gekomen. Dat klemt des te meer omdat de second opinion-arts blijkens diens oordeel wel was geïnformeerd over nevenwerkzaamheden en hij [de werkneemster] , mede op basis daarvan, arbeidsgeschikt verklaarde. Dat de bedrijfsarts daarna de second opinion niet met [de werkneemster] heeft besproken maakt een en ander niet anders.\n\n- weging van de omstandigheden3.23. \n [de werkneemster] heeft nog gewezen op een aantal bijzondere omstandigheden die het hof meeweegt. Dat [de werkneemster] op 31 januari 2025 zwanger was is hier geen bijzondere omstandigheid die aan het geven van het ontslag op staande voet in de weg staat. Zwangerschap levert bij een ontslag op staande voet geen opzegverbod op en bovendien heeft die zwangerschap op geen enkele manier een rol gespeeld als grond voor het ontslag op staande voet. Dat [de werkneemster] haar arbeidsgeschiktheid wilde bewijzen in een ander dienstverband, vanwege de weigering van (de bedrijfsarts van) IrisZorg haar hersteld te verklaren, acht het hof geen rechtvaardiging voor haar handelen. Los nog van het feit dat het om werken overdag gedurende 40 uur in ander werk gaat, de weg om het oordeel over arbeidsgeschiktheid of niet te laten toetsen is het aanvragen van een deskundigenoordeel bij het UWV, en niet het verrichten van nevenwerkzaamheden. Ten slotte neemt het hof niet over dat het hier om een disproportionele maatregel gaat. Dat een lichtere maatregel mogelijk is maakt nog niet dat een werkgever daarvoor hoeft te kiezen als hij van mening is dat er sprake is van daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer die ten gevolge hebben dat redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij komt dat als het alleen om overtreding van de re-integratievoorschriften zou gaan een loonmaategel weliswaar eerder is aangewezen, maar hier gaat het om een samenstel van (ook) andere redenen.3.24. Op grond van het bovenstaande in onderlinge samenhang bezien (het niet vooraf vragen van toestemming hoewel daartoe verplicht, het niet transparant zijn op verschillende momenten terwijl dat wel had gemoeten, het niet informeren van de bedrijfsarts waardoor re-integratiemogelijkheden niet goed konden worden ingeschat) oordeelt het hof dat op 31 januari 2025 sprake was van een dringende reden voor IrisZorg voor het geven van een ontslag op staande voet. Het bezwaar van IrisZorg tegen de beschikking van de kantonrechter op dit punt slaagt dus.\n\nonverwijld ontslag3.25. In eerste aanleg heeft [de werkneemster] aangevoerd dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is opgezegd en de dringende reden niet onverwijld is meegedeeld, terwijl de wet dat wel vereist (artikel 7:677 lid 1 BW). IrisZorg heeft dat betwist: het ontslag is volgens haar onmiddellijk gegeven nadat IrisZorg de ernst en omvang van de gedragingen volledig heeft kunnen vaststellen en [de werkneemster] voldoende in de gelegenheid heeft gesteld voor hoor en wederhoor.\n\n3.26. Naar het oordeel van het hof is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven en is de dringende reden onverwijld meegedeeld. Uit het gespreksverslag van 23 januari 2025 en de ontslag op staande voet-brief van 31 januari 2025 blijkt duidelijk dat IrisZorg vooral ook het aantal uur dat [de werkneemster] in haar nevenfunctie werkte van belang vond. De omvang van de nevenfunctie bleek pas in januari 2025 en daarop heeft IrisZorg [de werkneemster] gehoord en haar een redelijke termijn van één week gegeven om haar verweer op dat punt te onderbouwen. Toen die onderbouwing uitbleef en (onbetwist) na nader onderzoek heeft IrisZorg onverwijld op 31 januari 2025 ontslag op staande voet gegeven waarbij de dringende reden ook onverwijld is meegedeeld. conclusie3.27. Omdat er een dringende reden bestaat en het ontslag ook onverwijld is gegeven en de dringende reden onverwijld is meegedeeld, was er op 31 januari 2025 sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft in zijn beschikking dus ten onrechte het ontslag op staande voet vernietigd.\n\nRechtsgevolg onterechte vernietiging ontslag op staande voet3.28. \n\nIn artikel 7:683 lid 6 BW staat (kort gezegd) dat als het hof oordeelt dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet heeft vernietigd, het hof bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat in hoger beroep geen einde van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht is toegestaan. In de toelichting op artikel 7:683 BW is opgemerkt:\n\n“Alle geschillen op grond van de arbeidsrechtelijke verhouding tussen werknemer en werkgever kunnen aan de kantonrechter in eerste aanleg worden voorgelegd. Tegen diens beslissing staan hoger beroep en cassatieberoep open, waarbij de normale regels van het civiele procesrecht van toepassing zijn voorzover in artikel 7:683 BW niet in een aantal bijzondere aspecten van hoger beroep en cassatieberoep wordt voorzien.\n\n(…)\n\nIn het geval bedoeld in het vijfde lid, bepaalt de rechter op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt - een ontbinding met terugwerkende kracht is niet toegestaan -, waarbij het hem vrijstaat een billijke (additionele) vergoeding aan de werknemer toe te kennen. In de gevallen bedoeld in het zesde lid bepaalt de rechter in hoger beroep of cassatie op welk toekomstig tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Daarbij is het de appel- of cassatierechter niet toegestaan om een beschikking van de kantonrechter houdende een vernietiging van de opzegging te vernietigen, omdat de opzegging zelf dan zou herleven, hetgeen per saldo zou neerkomen op een (door het nieuwe stelsel niet beoogde) einddatum in het verleden.”3.29. Het hof moet het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt dus bepalen op de datum van deze beschikking of daarna. Doordat IrisZorg [de werkneemster] echter voor een tweede keer op staande voet heeft ontslagen, op 9 april 2026, is de arbeidsovereenkomst tussen hen al geëindigd. Op dit moment bestaat tussen partijen dus geen arbeidsovereenkomst waarvan het hof de einddatum kan bepalen. [de werkneemster] heeft op de mondelinge behandeling van het hof aangekondigd ook vernietiging van dat ontslag op staande voet te verzoeken bij de kantonrechter. Dit maakt dat IrisZorg belang heeft bij een voorwaardelijk einde van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:683 lid 6 BW.\n\n3.30. Ter zitting is aan partijen gevraagd welke invloed het tweede ontslag op staande voet heeft op de verzoeken in deze procedure. IrisZorg heeft toegelicht dat haar verzoeken in hoger beroep als voorwaardelijk moeten worden gezien. Haar primaire verzoek om de beslissing van de kantonrechter over het ontslag op staande voet te vernietigen wordt gedaan onder de voorwaarde dat het tweede ontslag op staande voet geen stand houdt. Als het hof dat standpunt niet zou honoreren dan verzoekt IrisZorg (subsidiair) om aanhouding van de zaak totdat is beslist over de rechtsgeldigheid van het tweede ontslag op staande voet. [de werkneemster] heeft aangegeven dat de subsidiaire variant een lange weg is, terwijl zij wil herstellen en rust wil.3.31. De vraag rijst of een voorwaardelijk einde van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:683 lid 6 BW binnen het systeem van de wet mogelijk is. Het hof meent van wel. Deze situatie wijkt af van de Mediantzaak waarin de Hoge Raad (HR) prejudiciële vragen heeft beantwoord.In die kwestie was de werknemer op staande voet ontslagen. De werknemer verzocht bij de kantonrechter om vernietiging van het ontslag op staande voet, waarna de werkgever zelfstandig een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst indiende. Daarbij is voorwaardelijke ontbinding verzocht ‘te weten voor zover de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld’. De werknemer heeft in dat zelfstandig verzoek een tegenverzoek ingediend gericht op toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De kantonrechter heeft in die zaak het vernietigingsverzoek en het voorwaardelijk ontbindingsverzoek met tegenverzoek gesplitst. In het vernietigingsverzoek is een bewijsopdracht gegeven, in het voorwaardelijk ontbindingsverzoek met tegenverzoek zijn prejudiciële vragen gesteld. Voor zover hier relevant heeft de kantonrechter aan de HR gevraagd of een werkgever in zijn verzoek tot voorwaardelijke ontbinding kan worden ontvangen indien de werknemer een verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet heeft ingediend en op dat verzoek nog niet is beslist (bijvoorbeeld omdat een bewijsopdracht is gegeven), en of bij de beantwoording van die vraag onderscheid gemaakt dient te worden naar gelang de formulering van de voorwaarde, te weten: (a) de voorwaarde ‘dat de arbeidsovereenkomst in hoger beroep wordt hersteld’ en (b) de voorwaarde ‘indien en voor zover het verzoek van de werknemer tot vernietiging van de opzegging (het gegeven ontslag op staande voet) wordt afgewezen’?\n\n3.32. De HR heeft geantwoord dat een werkgever onder het huidige ontslagrecht nog steeds de mogelijkheid heeft een verzoek te doen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd, maar dat de voorwaarde die aan het verzoek kan worden verbonden evenwel beperkt is. De HR overweegt in rechtsoverwegingen (rov.) 3.6.1-3.6.2 dat, in het licht van de doelstellingen van de Wet werk en zekerheid (namelijk vereenvoudiging en bevordering van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid) en wat in de parlementaire geschiedenis is opgemerkt bij artikel 7:686a lid 3 BW, uitgangspunt moet zijn dat geschilpunten omtrent een ontslag op staande voet en ontbinding van de arbeidsovereenkomst die geheel of overwegend betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex maar onderwerp zijn van verschillende zaken die gelijktijdig aanhangig zijn, verknocht zijn (artikel 285 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Rv).\n\n3.33. Vervolgens overweegt de HR in rov. 3.12.1-3.13.2 specifiek voor de situatie dat de rechter in hoger beroep moet oordelen over (kort gezegd) a) de situatie dat het verzoek van de werkgever om ontbinding ten onrechte is toegewezen of het verzoek van de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 3 BW) of b) de situatie dat het verzoek van de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 5 BW). Uit die overwegingen volgt dat in die gevallen de rechter in hoger beroep de bevoegdheid om (de werkgever te veroordelen) de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen in volle omvang moet kunnen uitoefenen met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee is onverenigbaar dat de kantonrechter desverlangd de voorwaardelijk verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst (ook) zou uitspreken voor het geval de rechter in hoger beroep, anders dan de kantonrechter, het op staande voet gegeven ontslag (in de woorden van het hof) onterecht zou vinden.Een verzoek tot ontbinding onder een zodanige voorwaarde, moet dus in zoverre door de kantonrechter worden afgewezen. Gelet op het systeem van het huidige recht kan in dit verband slechts als voorwaarde worden gesteld dat het op staande voet gegeven ontslag door de rechter van dezelfde aanleg wordt vernietigd, voor welk geval de rechter die tot dat oordeel komt, kan worden verzocht de overeenkomst te ontbinden.\n\n3.34. In deze zaak is er geen sprake van een situatie van artikel 7:683 lid 3 of lid 5 BW maar van een situatie van artikel 7:683 lid 6 BW. Hiervoor is al geoordeeld dat het verzoek van de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet ten onrechte is toegewezen. Daarmee wordt in hoger beroep niet meer toegekomen aan het voorwaardelijke verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. IrisZorg heeft als voorwaarde voor de behandeling van het ontbindingsverzoek in eerste aanleg genoemd: ‘indien en voor zover het ontslag op staande voet is vernietigd’ en heeft dat in hoger beroep gehandhaafd. Omdat de voorwaarde voor dat verzoek niet in vervulling is gegaan wordt ook geen oordeel gegeven of het voorwaardelijk ontbindingsverzoek door de kantonrechter ten onrechte is afgewezen.3.35. In deze situatie is een nieuwe omstandigheid het tweede ontslag op staande voet. Dat tweede ontslag op staande voet ligt niet ter beoordeling bij het hof voor, net zo min als de door IrisZorg aangevoerde omstandigheden van na de beschikking van de kantonrechter die (ex nunc) mogelijk relevant zouden zijn geweest voor de beoordeling van het voorwaardelijke ontbindingsverzoek. Hiervoor is immers overwogen dat, omdat aan de voorwaarde niet is voldaan, ook geen oordeel wordt gegeven over het voorwaardelijk ontbindingsverzoek.3.36. Een rechter kan een voorwaardelijke eindbeslissing nemen. In dit geval zal het hof het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op de datum van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst (nog) bestaat. De voorwaarde hangt samen met het tweede ontslag op staande voet dat mede is gebaseerd op een ander feitencomplex en waarover partijen kunnen procederen bij de kantonrechter en het hof. Dat wordt niet doorkruist met een voorwaardelijke eindbeslissing van dit hof ten aanzien van het eerste ontslag op staande voet. Er kunnen zich dan verschillende situaties voordoen:\n\n- Dient [de werkneemster] niet tijdig een vernietigingsverzoek in met betrekking tot het tweede ontslag op staande voet dan bestaat de arbeidsovereenkomst niet meer en staat daarmee het einde van de arbeidsovereenkomst per 9 april 2026 vast.\n\nDient [de werkneemster] wel zo’n verzoek in en zal uit een onherroepelijke beslissing op dat verzoek blijken, hetzij dat het tweede ontslag op staande voet wordt vernietigd, hetzij (in een nieuw hoger beroep) dat de kantonrechter ten onrechte het ontslag op staande voet niet heeft vernietigd, dan bestaat de arbeidsovereenkomst nog. In dat geval zal de arbeidsovereenkomst eindigen op de datum van deze beschikking.\n\nAls [de werkneemster] tijdig een vernietigingsverzoek indient en uit een onherroepelijke beslissing blijkt dat het tweede ontslag op staande voet niet wordt vernietigd, bestaat de arbeidsovereenkomst niet meer op de datum van deze beschikking en eindigt de arbeidsovereenkomst per 9 april 2026.\n\nBlijkt bij onherroepelijke beslissing (bij een nieuw hoger beroep) dat het tweede ontslag op staande voet ten onrechte door de kantonrechter is vernietigd, dan bestaat de arbeidsovereenkomst nog en eindigt de arbeidsovereenkomst op de datum van deze beschikking.\n\nLoonaanspraak bij onterecht vernietigd ontslag op staande voet3.37. \n\n Het hof neemt aan dat in het beroepschrift in de formulering van de precieze verzoeken van IrisZorg in hoger beroep (het petitum) woorden zijn weggevallen. Nu staat er:\n\n‘Te verklaren voor recht dat IrisZorg over de periode gelegen tussen 31 januari 2025 en de door uw Gerechtshof vast te stellen datum waarop de tussen IrisZorg en [de werkneemster] bestaande arbeidsovereenkomst zal eindigen en aan [de werkneemster] geen loon is verschuldigd;’\n\nDit verzoek wordt zo uitgelegd dat IrisZorg het hof verzoekt een datum vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt alsook te verklaren voor recht dat IrisZorg tussen 31 januari 2025 en de door het hof vastgestelde datum van het einde van de arbeidsovereenkomst aan [de werkneemster] geen loon verschuldigd is.\n\n3.38. De HR heeft het recht op loon beoordeeld in de situatie dat de kantonrechter het verzoek van de werknemer tot vernietiging van het ontslag op staande voet toewijst maar het hof oordeelt dat dat verzoek ten onrechte is toegewezen.Die situatie is hier aan de orde. De HR heeft geoordeeld dat de aanspraak op loon moet worden bepaald aan de hand van artikel 7:627 BW (oud, kort gezegd: geen werk, geen loon) en artikel 7:628 lid 1 BW (oud, kort gezegd: geen werk, toch loon, als de oorzaak van het niet werken in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen). Bij de beoordeling van die aanspraak moeten twee periodes worden onderscheiden, te weten periode 1 (tussen het ontslag op staande voet en de beslissing van de kantonrechter waarbij de opzegging wordt vernietigd) en periode 2 (tussen de beslissing van de kantonrechter en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in hoger beroep). Voor beide periodes, zij het op andere gronden, heeft de HR bepaald dat de oorzaak van het niet werken in redelijkheid niet voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarbij biedt de maatstaf van artikel 7:628 lid 1 BW (oud) ruimte voor het oordeel dat de uitspraak van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden geheel of gedeeltelijk (wel) voor risico van de werkgever komt.\n\n3.39. In het huidig recht zijn de artikelen 7:627 en 628 lid 1 BW (oud) vervangen door artikel 7:628 lid 1 BW. Daarin is opgenomen dat de werkgever verplicht is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen indien de werknemer de overeengekomen arbeid geheel of gedeeltelijk niet heeft verricht, tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Met deze wijziging is geen inhoudelijke verandering van de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer en van de rechtspraak van de HR daarover beoogd. Het is wel aan de werkgever om te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat bij de werknemer de bereidheid ontbrak de bedongen arbeid te verrichten, alsmede dat het niet (kunnen) verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer komt.IrisZorg heeft echter niet gesteld dat of op grond waarvan bij [de werkneemster] de bereidheid om te werken ontbrak, noch dat of op grond waarvan het niet verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van [de werkneemster] komt. De verzochte verklaring voor recht kan dus niet op deze grond worden afgegeven.\n\n3.40. \n\nDe HR heeft in de Wilco-beschikking ook gewezen op de mogelijkheid om in deze situatie een beroep te doen op matiging van het verschuldigde loon met overeenkomstige toepassing van artikel 7:680a BW dan wel een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Omdat IrisZorg daarop geen beroep heeft gedaan laat staan daarvoor relevante feiten en omstandigheden heeft gesteld kan het verzoek van IrisZorg ook niet op een van die gronden worden toegewezen.\n\nConclusie\n\n3.41. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep van IrisZorg grotendeels slaagt, zodat [de werkneemster] in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld. Ook zal [de werkneemster] worden veroordeeld in de kosten van IrisZorg van de procedure bij de kantonrechter, conform de Aanbeveling schikking en proceskosten Wwz.3.42. Het hof gaat voorbij aan de bewijsaanbiedingen van partijen omdat geen zodanig concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken dat die tot een ander oordeel zouden leiden als ze zouden worden bewezen.De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 28 augustus 2025 en opnieuw rechtdoende:\n\n4.2. bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen IrisZorg en [de werkneemster] eindigt op de datum van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst (nog) bestaat;\n\n4.3. \n\nveroordeelt [de werkneemster] tot betaling van de volgende proceskosten van IrisZorg tot aan de uitspraak van de kantonrechter:\n\n€ 814 aan salaris van de advocaat van IrisZorg\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van IrisZorg in hoger beroep:\n\n€ 827 aan griffierecht\n\n€ 2.580 aan salaris van de advocaat van IrisZorg (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);4.4. bepaalt dat deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.5. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gewezen door mrs. M.J.P. Heijmans, G.A. Diebels en F.G. Laagland, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. G.A. Diebels en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026.\n\n Rechtbank Gelderland 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7172\n\nKamerstukken II2021-2022, 35 962, nr. 3 (MvT), p. 4 en 14.\n\n Productie 13 bij het aanvullend verweerschrift bij de kantonrechter.\n\n Artikel 32 lid 3 aanhef en onder c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.\n\nKamerstukken II2013-2014, 33 818, nr. 3 (MvT), p. 119-120.\n\n HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant-beschikking).\n\n Naar later door de HR is aangevuld in ECLI:NL:HR:2017:571 (Vlisco-beschikking).\n\n HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1209 (Wilco-beschikking), rov. 3.5.1. e.v. situatie (b).\n\nKamerstukken II2013-2014 33 818, nr. 3 (MvT), p. 87-88; HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:823, rov 3.2.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:3919","ecli-nl-gharl-2026-3919",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]