[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-4034":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-4034":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1158","ECLI:NL:GHARL:2026:4034","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht, handel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.536\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 11765438)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWaterschap Drents Overijsselse Delta\n\ngevestigd in Zwolle\n\nverzoekster in hoger beroep bij de kantonrechter: verweerster\n\nhierna: het Waterschap\n\nadvocaat: mr. M.J. Kolijn-Van der Merwe te Zwolle\n\ntegen\n\n [verweerder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nverweerder in hoger beroep\n\nbij de kantonrechter: verzoeker\n\nhierna: [verweerder]\n\nadvocaat: mr. D. Warnink te Kampen\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nHet Waterschap heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 7 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift van 6 januari 2026;\n\nhet verweerschrift van 17 april 2026;\n\nde op 1 mei 2026 door het Waterschap ingediende productie 28;\n\nde op 7 mei 2026 door [verweerder] nog ingediende productie 6;\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 mei 2026 is gehouden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [verweerder] is op staande voet ontslagen, in essentie vanwege wat het Waterschap betitelt als urenfraude\u002Fdagdieverij. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het niet onverwijld was verleend en niet berustte op een dringende reden en heeft ook de bij het voorwaardelijk tegenverzoek verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen.2.2. Het Waterschap wil met een beslissing van het hof alsnog het einde van de arbeidsovereenkomst bewerkstelligen. [verweerder] wil dat de beslissing van de kantonrechter in stand blijft en anders wil hij, indien mogelijk, een billijke vergoeding.\n\n2.3. Het hof wijst de verzoeken van het Waterschap af en zal die beslissing hierna motiveren, nadat eerst de relevante feiten zijn vastgesteld. Aan de voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder] komt het hof niet toe.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten:\n\n3.1. \n [verweerder] , geboren in 1964, is [sinds] 1994 in dienst van het Waterschap dan wel van een van zijn rechtsvoorgangers. [verweerder] is aangesteld als muskusrattenvanger en is steeds als zodanig werkzaam geweest. Zijn loon bedroeg, inclusief toelagen, in 2025 ongeveer € 3.500,- bruto per maand bij een 36-urige werkweek.\n\n3.2. \n [verweerder] is in 2024, tot 2 september 2024, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest vanwege klachten voortvloeiende uit darmkanker waarvoor hij was behandelend en vanwege schouderklachten. [verweerder] is daarnaast bekend met ADHD waarvoor hij medicijnen voorgeschreven krijgt.\n\n3.3. Voor [verweerder] is vanaf 1 januari 2025, een ‘ontzie-maatregel’ getroffen. Dit houdt in dat hij per week 5 uur minder hoeft te werken, bij gelijkblijvend loon, pensioen en vakantie-uren.\n\n3.4. Muskusrattenbestrijders moesten wekelijk urenbriefjes invullen en verwerken in een computerprogramma met de naam AllSolutions.\n\n3.5. \n\nDe teamleider van het team van de Muskusrattenbestrijders (het MURA-team) was [naam1] (verder: [naam1] ). De verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] was slecht. In het jaargesprek (door het Waterschap aangeduid als het Goede Gesprek) van 16 oktober 2023 is dit benoemd.\n\nDaarin staat verder onder meer:\n\n“ [naam1] [ [naam1] , hof] verwacht van [verweerder] [ [verweerder] , hof] niet de productie die hij verwacht van een jongere bestrijder dat mag wel 30- 40% minder zijn maar de werkwijze kan universeel zijn dat staat los van de leeftijd. Als hij kijkt naar het aantal uren wat [verweerder] maakt is de productie van het aantal kilometers speuren minder dan bij de gemiddelde bestrijders. Daarnaast schrijft [verweerder] iedere week gemiddeld 8-9 uur organisatie en administratie. [verweerder] geeft aan dat hij de uren die hij rijdt onder dit vlak zet. [naam1] geeft aan wel een keer met [verweerder] een week mee te willen gaan om te zien hoeveel kilometer je op een dag kunt afspeuren. (…). [naam1] geeft aan dat [verweerder] wel goed tijd schrijft. [naam1] geeft aan dat [verweerder] regelmatig naar het hoofdkantoor gaat of aansluit bij andere bijeenkomsten hier heeft [naam1] nog nooit wat van gezegd maar wordt niet gemeld terwijl hier wel afspraken over zijn. Als je niet in je eigen gebied bezig bent dan geef je dat door dat doen anderen ook.”\n\n3.6. Op 15 november 2024 heeft het volgende Goede Gesprek plaatsgevonden. In het daarvan door [naam1] opgemaakte verslag (niet door [verweerder] ondertekend) is onder meer opgenomen:\n\n“ [verweerder] geeft aan wel ander werk te willen doen of iets naast de bestrijding, tegen [verweerder] gezegd dat dit nog niet zo gemakkelijk is en erover na moeten denken wat dan. We kunnen niet een functie waar geen formatie voor is invullen. [verweerder] zou wel iets met de rivierkreeften willen doen maar dat is geen wettelijke taak van het waterschap en doen we momenteel nog niet, ook werk voor de bever zou hij we willen doen maar is nu nog niet benodigd. Werken met de bosmaaier of exotenbestrijding wordt lastig gezien de problemen met de schouder, dan blijft er weinig over als we naar de functies binnen het waterschap kijken.\n\nHeb [verweerder] afgelopen jaar gevraagd om de functie van bode te gaan doen dan zou ik daar contact over opnemen, [verweerder] heeft mij aangegeven dat dit niet iets is wat bij hem past omdat hij een buitenman is.\n\nTen aanzien van de werkzaamheden in het veld maak ik me wel een beetje zorgen over de gemaakte velduren in relatie tot het aantal gespeurde kilometers. Gezien het aantal velduren zou [verweerder] met die uren een grotere oppervlakte en kilometers aan watergangen moeten kunnen speuren. Tegen [verweerder] al vaker gezegd dat hij van mij niet zo hard hoeft te lopen als een jonge bestrijder, al haal je 60% van de productie van een jongere collega dan ben ik al dik tevreden. Wanneer je met structuur je werk doet wat los staat van je leeftijd en de dag erop weer verder gaat waar je de dag ervoor bent gestopt met speuren dan moet het mogelijk zijn om 10 kilometer per dag te speuren en het gebied wat jou is toegewezen twee keer te speuren. Jouw collega’s helpen je nu anders was dat niet gelukt dit jaar om het gebied twee keer te speuren. Gezien het aantal vangsten in jouw gebied en het aantal vaste vangmiddelen en conibearklemmen gaat daar de tijd niet in zitten, er genoeg tijd om te speuren. Structuur in het werk help je bij de voortgang dat zie je bij de collega’s die zo werken. [verweerder] wordt dit jaar 60, het duurt nog zeven jaar voor hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. [verweerder] heeft het afgelopen jaar problemen gehad met zijn schouder en een paar jaar geleden gelukkig weer genezen van een niet te noemen ziekte het is te hopen voor [verweerder] dat hij de komende jaren gevrijwaard is van deze fysieke problemen.”\n\n3.7. Op 3 maart 2025 heeft [naam1] aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Dit is gebeurd voor de periode 19 augustus 2024 tot en met 26 februari 2025. Daarna heeft [naam1] deze gegevens geplaatst naast de urenbriefjes en AllSolutions-registraties van [verweerder] en verwerkt in een deels in zijn vrije tijd gemaakt Excel schema. Deze gegevens zijn op 17 maart 2025 aan [verweerder] gepresenteerd waarbij een vervolggesprek is aangekondigd waarbij [verweerder] werd aangeraden juridische bijstand in de arm te nemen. Op 26 maart 2025 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden met de advocaat van [verweerder] erbij, waarbij het Waterschap vragen heeft gesteld. Op die dag is per e-mail aan de advocaat van [verweerder] bericht dat [verweerder] “tot en met volgende week woensdag is vrijgesteld van werk” (dat is tot en met 2 april 2025). Deze non-actiefstelling is vervolgens tweemaal verlengd tot en met 18 april 2025. Ook zijn er op 2 april 2025 schriftelijk aanvullende vragen aan (de advocaat van) [verweerder] gesteld.\n\n3.8. \n\nOp 11 april 2025 heeft de advocaat van [verweerder] de vragen beantwoord, daarna is [verweerder] opgeroepen voor een gesprek op 17 april 2025. Op die dag heeft het Waterschap [verweerder] op staande voet ontslagen en hem een 10 pagina’s tellende ontslagbrief uitgereikt.\n\nDaarin staat aan het eind:\n\n“Voornoemde feiten en omstandigheden in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude. We rekenen je dit zwaar aan, omdat je op grond van het personeelshandboek en de gedragscode wist of behoorde te weten dat dergelijk gedrag niet past bij hetgeen van een werknemer van het waterschap wordt verwacht. Bovendien zijn er in 2023 twee van je collega's ontslagen wegens urenfraude. Van een goed werknemer mag worden verwacht dat zijn geschreven (werk)uren overeenkomen met de werkelijkheid. Daar komt nog eens bij dat we ervan uitgaan dat je zelf wist dat je meer uren schreef dan je daadwerkelijk werkte en je in de weekbrieven een ander beeld hebt geschetst dan de werkelijkheid. De verklaringen die je hiervoor hebt gegeven zijn niet afdoende. Eén en ander kan niet worden verklaard door een slordige administratie, problemen met systemen, gesprekken met de vertrouwenspersoon\u002Fbedrijfsmaatschappelijk ondersteuner (danwel het uitvoeren van opdrachten) en lichamelijke klachten. Bovendien zien we inconsistenties in je verklaringen. Daar komt bij dat er steeds in jouw voordeel is geschreven en niet in het voordeel van de werkgever. Dat samen maakt je verklaringen niet geloofwaardig. Je hebt in de gesprekken en in de schriftelijke verklaringen niet aangegeven spijt te hebben of op enige andere wijze excuses aangeboden. (…)\n\nJouw persoonlijke omstandigheden, zoals onder meer de gevolgen die het ontslag voor jou zal hebben, hebben wij afgewogen tegen de aard, ernst en omvang van de dringende redenen. Gelet op de duur van je dienstverband zijn wij van mening dat je als ervaren ambtenaar wist of behoorde te weten dat meer uren schrijven dan je daadwerkelijk werkt een goed ambtenaar niet betaamt en ernstig plichtsverzuim oplevert. (…)\n\nUitsluitend uit coulance en onder het uitdrukkelijke voorbehoud van alle rechten verlenen wij dit ontslag op staande voet onder de opschortende voorwaarde dat je vóór dinsdag 22 april 2025 om 16.00 uur zelf je arbeidsovereenkomst schriftelijk en met ingang van 1 augustus 2025 hebt opgezegd”\n\n3.9. \n [verweerder] heeft niet zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd. Hij heeft wel op 22 april 2025 de bedrijfseigendommen bij het Waterschap ingeleverd.\n\n3.10. Op 16 oktober 2025, nadat de kantonrechter het ontslag op staande voet had vernietigd heeft het afdelingshoofd van de afdeling waaronder het team MURA viel en de bedrijfsjurist van het Waterschap een bespreking gehad met het hele team MURA – zonder [verweerder] – over de uitspraak van de kantonrechter en de terugkeer van [verweerder] . Daarbij is onder meer de medische situatie van [verweerder] besproken en is aangekondigd dat voor [verweerder] een verbetertraject geldt en is aangegeven wat er in dat traject zal worden opgenomen. Van deze bespreking – waarbij ook ongepaste grappen werden gemaakt over de stoelgangproblemen van [verweerder] – is een opname gemaakt die in het bezit is geraakt van [verweerder] .\n\n3.11. \n [naam1] is inmiddels met pensioen en opgevolgd door [naam2] als teamleider die met ingang van december 2025 het verbetertraject ter hand heeft genomen. Nadat op 16 januari 2026 nog een aanvaring tussen hen beiden is geweest heeft [verweerder] zijn werkzaamheden (in een ander zoekgebied) hervat en verricht hij zijn werkzaamheden naar tevredenheid van [naam2] .\n\n4. De beslissing van de kantonrechter\n\n4.1. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het ontslag niet onverwijld was gegeven, dit omdat het Waterschap had gesteld dat de signalen van ‘urenfraude’ al in november 2024 bij het Waterschap bekend waren en er geen verklaring is gegeven waarom het onderzoek daarna pas op 3 maart 2025 is gestart.\n\n4.2. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat ook materieel gezien geen sprake was van een dringende reden. De kantonrechter had niet de overtuiging dat sprake was van urenfraude, terwijl het op de weg van het Waterschap had gelegen om eerst [verweerder] te waarschuwen over de onjuiste wijze waarop uren werden weggeschreven. Ook heeft het Waterschap onvoldoende rekening gehouden met de invloed van (fysieke en andere) beperkingen van [verweerder] op de uitvoering van het werk en heeft het [verweerder] in een moeilijke situatie gebracht door met terugwerkende kracht een nadere verklaring van [verweerder] te verlangen voor de door hem verrichte werkzaamheden vanaf augustus 2024, terwijl het Waterschap verder onvoldoende rekening heeft gehouden met het arbeidsverleden van [verweerder] .\n\n4.3. De kantonrechter heeft het subsidiaire ontbindingsverzoek van het Waterschap afgewezen omdat het ernstige verwijtbare handelen niet is komen vast te staan, het onterechte wantrouwen van het Waterschap in [verweerder] onvoldoende is voor een ontbinding op de g-grond, en alles tezamen ook onvoldoende is voor een ontbinding op de i-grond.\n\n5. De beoordeling door het hof\n\nDe verzoeken in hoger beroep5.1. Het Waterschap verzoekt het hof om voor recht te verklaren dat het op 17 april 2025 verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en, naar het hof de vordering begrijpt, alsnog een moment vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Subsidiair verzoekt het Waterschap het hof om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de -e- dan wel g- dan wel de i-grond.\n\n5.2. \n [verweerder] verzoekt het hof om de uitspraak van de arbeidsovereenkomst te bekrachtigen, dan wel – als het hof uitgaat van een geldig ontslag op staande voet – ten minste een termijn van vier maanden na arrestdatum aan te houden voor het einde van de arbeidsovereenkomst. Ingeval het hof tot ontbinding overgaat verzoekt [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van ruim € 150.000, en bij ontbinding op de i-grond op een cumulatievergoeding van 50% van de transitievergoeding.\n\nHet beoordelingskader5.3. Het hof schetst allereerst het juridische toetsingskader voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De werkgever heeft op grond van artikel 7:677 BW de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Artikel 7:678 BW bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daarvan ook voorbeelden. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\nOnverwijldheid5.4. Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De ‘onverwijldheidsklok’ begint te lopen wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor het ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens dringende reden overweegt, enig, maar niet veel, respijt (bijvoorbeeld voor het verrichten van enig onderzoek) voordat daadwerkelijk tot ontslag wordt overgegaan.\n\n5.5. Het kernverwijt dat het Waterschap [verweerder] maakt – het hof komt daarop hierna in rov. 5.12 en volgende op terug – is dat [verweerder] feitelijk minder uren werkt voor het Waterschap dan uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeit en hij op zijn tijdschrijfformulieren dan wel in het programma AllSolutionsheeft verantwoord. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het Waterschap zelf heeft gesteld dat het Waterschap ten tijde van het ‘Goede Gesprek’ van 15 november 2024 beschikte over signalen dat [verweerder] zijn uren niet maakte en dat het Waterschap niet helder heeft uitgelegd waarom zij daar pas begin maart 2025 onderzoek naar heeft ingesteld. Het Waterschap heeft zich wel beroepen op nieuwe signalen ontvangen kort voor 3 februari 2025, maar heeft dat niet concreet gemaakt.\n\n5.6. \n\nIn hoger beroep voert het Waterschap aan dat er na november 2025 nieuwe signalen van collega’s van [verweerder] bij de toenmalige teamleider [naam1] binnenkwamen dat de auto van [verweerder] bij zijn huis was gezien, terwijl hij nog niet was afgemeld voor werk, en dat die signalen reden waren voor het onderzoek naar de black box van de dienstauto. Het Waterschap wil niet meedelen van wie die signalen afkomstig waren omdat anonimiteit zou zijn beloofd.\n\nHet hof stelt vast dat er volgens het Waterschap zowel voor november 2025 als daarna signalen bij de teamleider binnengekomen waren die er kort gezegd op neerkwamen dat [verweerder] zijn uren niet maakte. Waarom die signalen in november 2024 geen reden waren voor een nader onderzoek maar in maart 2025 wel, heeft het Waterschap niet goed uitgelegd. Het Waterschap stelt wel dat de eerdere signalen tijdens het Goede Gesprek van 15 november 2024 door [naam1] met [verweerder] zijn besproken, maar [verweerder] bestrijdt dit en in het - redelijke uitvoerige - verslag dat van dit gesprek is opgenomen staat niets over het (mogelijk) niet maken van zijn uren door [verweerder] , laat staan iets over een daarvoor gegeven waarschuwing.\n\nHet hof verwerpt dan ook het bezwaar van het Waterschap en is het met de kantonrechter eens dat het Waterschap niet onverwijld heeft gehandeld doordat zij, hoewel er volgens haar zelf in november 2025 als signalen waren dat [verweerder] minder uren werkte dan hij zou moeten, daar pas in maart 2025 nader onderzoek naar te doen.\n\nHet onderzoek naar de black box5.7. Het Waterschap heeft op 3 maart 2025 aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Volgens het Waterschap mag zij dit doen bij het vermoeden van onregelmatigheden. Het Waterschap heeft daartoe het ‘Reglement track and trace digitale rittenregistratiesystemen Waterschap Drents Overijssels Delta 2020’ in het geding gebracht. In artikel 3 van dat reglement zijn de doeleinden van gegevensverwerking opgenomen. Dit zijn:\n\nhet kunnen voldoen aan fiscale wet- en regelgeving inzake een sluitende rittenregistratie (kort gezegd: onderscheid werk- dan wel privégebruik);\n\nhet optimaliseren van de bedrijfsvoering van het Waterschap door de analyse van vervoersbewegingen;\n\nhet onderzoeken van rechtmatig gebruik van het rijdend en varend materieel in relatie met het functioneren van medewerkers, indien sprake is van gerede twijfel;\n\nhet kunnen traceren van materieel zoals bij diefstal en eventuele vermissing van medewerkers.\n\n5.8. Het hof stelt vast dat geen van deze doeleinden ziet op het gebruik van de black box als een soort prikklok om vast te stellen of een medewerker zijn uren wel maakt, ook die genoemd onder het derde gedachtestreepje niet waarop het Waterschap zich heeft beroepen. Daar gaat het om het onrechtmatig gebruik van het dienstvoertuig. Daarvan is in het geval van [verweerder] geen sprake noch een vermoeden. Het hof heeft in de regeling ook geen bepaling aangetroffen dat een dergelijk onderzoek wel mogelijk is als de directeur bedrijfsvoering en\u002Fof de voorzitter van de ondernemingsraad daarvoor toestemming geeft.\n\n5.9. Het hof is het met [verweerder] eens dat het Waterschap niet heeft kunnen uitleggen waarom, als er eind februari\u002Fbegin maart 2025 signalen bij het Waterschap zijn binnengekomen dat de auto van [verweerder] ‘te vroeg’ (dus onder werktijd) bij zijn huis stond, hem niet diezelfde week is gevraagd daarover tekst en uitleg te verschaffen, in plaats van de gegevens van de black box uit de periode vanaf augustus 2024 (toen [verweerder] nog niet eens hersteld was gemeld) uit te lezen, te analyseren en [verweerder] om een verklaring te verzoeken voor daaruit volgens het Waterschap geconstateerde onregelmatigheden in die hele periode. Het op deze wijze verrichten van onderzoek is niet zorgvuldig of onverwijld te noemen. Dit alles betekent dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt overeind blijft.\n\nDe meegedeelde dringende reden5.10. Naar vaste rechtspraak wordt de ontslaggrond gefixeerd door (de inhoud van) de opzeggingsbrief. Andere gronden, ook als die zich zouden hebben voorgedaan, kunnen daarmee geen reden voor het ontslag op staande voet vormen. Als meerdere redenen voor het ontslag op staande voet zijn meegedeeld, moet, eveneens volgens vaste jurisprudentie, de werkgever stellen en aannemelijk maken dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij niet meer gronden zou hebben gehad dan in rechte zijn komen vast te staan. Dit laatste moet voor de werknemer in het licht van de gehele aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk zijn geweest.\n\n5.11. \n\nDe ontslagbrief telt tien pagina’s. In die pagina’s worden door het Waterschap een groot aantal verwijten aan [verweerder] gemaakt, variërend van het te langzaam rijden met zijn auto, het met de auto speuren naar muskusratten, het stationair laten draaien van de auto, het in de ogen van het Waterschap te vaak bezoeken van het steunpunt in [plaats1] , het teveel uren besteden aan administratie en aan activiteiten als cursussen, bezoeken bedrijfsarts en gesprekken met de vertrouwenspersoon, tot het verschil tussen de gegevens uit de black box over tijdstippen van vertrek en thuiskomst en de tijdsregistratie op de formulieren \u002F in AllSolutionsvan 94 uur en 11 minuten.\n\nNa deze opsomming en bespreking vervolgt de ontslagbrief met “voornoemde feiten in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude”.\n\nDat lijkt erop te wijzen dat het Waterschap alle verwijten categoriseert als urenfraude of ‘dagdieverij’, terwijl veel van de gemaakte verwijten op uiteenlopende gedragingen zien die niet in die categorie passen. In het vervolg van de procedure wordt door het Waterschap voornamelijk ingezoomd op het laatste verwijt van de niet juist verantwoorde 94 uur en 11 minuten, maar dat neemt niet weg dat de ontslagbrief allesbehalve duidelijk is geformuleerd en dat het Waterschap niet voldaan heeft aan de hiervoor uit de vaste jurisprudentie voortvloeiende eisen die aan een ontslag met een meervoudige ontslagreden worden gesteld. Het hof is het met de kantonrechter eens dat een groot deel van de verwijten die het Waterschap aan [verweerder] maakt betrekking hebben op de wijze waarop hij functioneert – waarbij een verbetertraject is aangewezen – en geen dringende reden opleveren op grond waarvan de arbeidsovereenkomst onmiddellijk zou moeten worden beëindigd.\n\n5.12. Het hof is het ook met de kantonrechter eens dat het verschil tussen de door [verweerder] in AllSolutionsverantwoorde uren en de uren die het Waterschap heeft herleid uit de black box van de dienstauto in dit geval geen voldoende dringende reden oplevert. [verweerder] heeft gesteld dat hij thuis administratie verrichtte, werkte aan opdrachten die hij van de vertrouwenspersoon had gekregen en studeerde voor een VCA-examen (veiligheid, gezondheid en milieu) dat hij inmiddels heeft behaald. Verder heeft hij aangevoerd dat hij vanwege de doorgemaakte darmkanker problemen heeft met zijn stoelgang en vaker naar het toilet moet. Ter zitting bij het hof is ook aan de orde geweest dat hij, als hij zijn medicatie voor de ADHD niet slikte, hij soms vergat om de auto uit te schakelen. Ook heeft hij aangevoerd dat hij geen feeling had voor administratie en computers en dat het invullen van de administratie hem buitengewoon veel tijd kostte.\n\n5.13. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting rijst het beeld dat [verweerder] in de periode na het herstel van zijn darmkanker niet goed in zijn vel zat, sneller aangebrand reageerde naar collega’s toe, zijn speurwerkzaamheden niet meer juist uitvoerde (vanuit de auto in plaats van met de ter beschikking gestelde middelen als de quad), zijn gebrek aan administratief talent en computervaardigheden een te groot en tijdrovend obstakel liet worden, een slechte verstandhouding had met zijn teamleider – waarbij een weinig geslaagd sinterklaasgedicht van [naam1] bestemd voor [verweerder] de sfeer bepaald niet verbeterde – en er, kort gezegd, de kantjes wat vanaf liep. Daaruit komt echter niet het beeld naar voren dat [verweerder] opzettelijk vrij nam zonder daarvoor verlofuren op te nemen. Daar komt nog bij dat [verweerder] vanaf januari 2025 ontzie-uren heeft toegekend gekregen vanwege zijn medische situatie terwijl zijn situatie in de periode in 2024 waarop het onderzoek zich richtte niet wezenlijk verschilde van de periode na 1 januari 2025.\n\n5.14. De kantonrechter heeft ook terecht waarde gehecht aan het feit dat [verweerder] geen – bij voorkeur schriftelijke – waarschuwing heeft gekregen voor het onjuist verantwoorden van zijn uren. Het hof gaat niet mee in de redenering van het Waterschap dat het voldoende is dat het Waterschap in het verleden ook andere medewerkers op staande voet heeft ontslagen vanwege wat zij noemt dagdieverij en dat die ontslagen in de organisatie breed zijn gecommuniceerd.\n\n5.15. Ook heeft het Waterschap er geen blijk van gegeven dat zij de bijzondere medische toestand en de verdere persoonlijke omstandigheden van [verweerder] op juiste wijze heeft afgewogen. Het Waterschap stelt dat pas tijdens de verhoren in maart 2025 aan de orde kwam dat [verweerder] darmklachten had en voor ADHD werd behandeld en dat, bij gebreke van afdoende bewijsstukken, het Waterschap daarmee geen rekening hoefde te houden bij de beslissing om ontslag te verlenen. Dat laatste is niet juist: het Waterschap had in ieder geval kennis van deze omstandigheden toen het ontslag op staande voet werd verleend en had dus deze omstandigheden moeten afwegen. Ook het lange, eenzijdige dienstverband van [verweerder] als muskusrattenvanger – een beroep dat bijna alleen bij een waterschap kan worden uitgeoefend – heeft het Waterschap niet op juiste wijze meegewogen. Het Waterschap heeft op dat punt ten onrechte alleen aangegeven dat juist omdat [verweerder] al zo lang ambtenaar was, hij meer bewust moest zijn dat hij integer moest handelen en zijn werkuren moest maken.\n\n5.16. Het hof is het, alles afwegende, eens met het oordeel van de kantonrechter dat in dit geval geen sprake is van een dringende reden in objectieve zin.\n\n5.17. \n [verweerder] heeft nog aangevoerd dat, gelet op het feit dat het ontslag op staande voet onder opschortende voorwaarde van ontslagname per 1 augustus 2025 was gegeven, ook geen sprake is van een subjectieve dringende reden. Als [verweerder] inderdaad bij ontslagname ‘gewoon’ tot 1 augustus 2025 zou mogen blijven, is dat slecht te rijmen met een ontslag op staande voet. Uit de tekst van de ontslagbrief blijkt niet wat de bedoeling van het Waterschap was op dit punt. Ter zitting heeft het Waterschap aangegeven dat, als [verweerder] op dat voorstel in zou gaan, hij dan feitelijk niet meer zou mogen werken. Uitgaande van die uitleg zou de opschortende voorwaarde als zodanig niet aan een geldig ontslag op staande voet in de weg hebben gestaan. Van groot belang is dit verder niet meer, omdat het ontslag op staande voet niet voldoet aan de eisen van onverwijldheid en een objectieve geldige reden voor dat ontslag.\n\n5.18. De primaire verzoeken van het Waterschap stuiten hierop af.\n\nGeen voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst5.19. De wet schrijft voor dat het hof een datum bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt als het verzoek van de werkgever aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 5 BW). Ter beoordeling ligt dus allereerst voor of zich een redelijke ontslaggrond voordoet (artikelen 7:671b leden 1 en 2 BW en 7:669 lid 1 BW). Die beoordeling is uitdrukkelijk niet beperkt tot feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing van de kantonrechter, maar beslaat ook de huidige situatie.\n\n5.20. \n\nVolgens het Waterschap levert de constatering naar aanleiding van het onderzoek naar de black box dat sprake is van urenfraude ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] op en heeft de kantonrechter ten onrechte de arbeidsovereenkomst niet op de e-grond ontbonden.\n\nHet hof verwijst naar wat hiervoor over deze grond in het kader van de beoordeling van de dringende reden is overwogen. Dat [verweerder] zich aan fraude zoals het Waterschap heeft gesteld heeft schuldig gemaakt, is onvoldoende komen vast te staan.\n\n5.21. Wat de door het Waterschap gestelde verstoorde arbeidsverhouding betreft overweegt het hof dat het belang van de slechte verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] inmiddels is achterhaald omdat [naam1] met pensioen is gegaan. Voor zover het Waterschap heeft gewezen op de opname die van de bijeenkomst op 16 oktober 2025 (zie hiervoor onder 3.10) en het kwalijke karakter van heimelijke opnames in het algemeen, blijkt uit niets dat [verweerder] de hand heeft gehad in het feit dat van deze bijeenkomst – waar hij niet aanwezig was – een opname is gemaakt. Uit het door het Waterschap zelf in het geding gebrachte verslag van die bijeenkomst blijkt dat de daar aanwezige leidinggevenden minst genomen niet handig hebben geopereerd. Het hof wil wel aannemen dat dit niet de bedoeling was, maar het plenair bespreken met alle collega’s van het voorgenomen verbeterplan voor [verweerder] en zijn medische situatie geeft geen pas. Uit dat verslag en uit het dossier blijkt ook dat het ontslag van [verweerder] , ten onrechte, tot een teamaangelegenheid is geworden, waarbij het Waterschap bij het verweerschrift in eerste aanleg diverse steunbetuigingen aan [naam1] heeft ingebracht, dit naar aanleiding van de door [verweerder] overgelegde verklaring van een oud-collega die – ten onrechte – een relatie had gelegd tussen de zelfmoord van een andere collega en de handelwijze van [naam1] . Tijdens de zitting van het hof heeft het afdelingshoofd haar excuses aangeboden aan [verweerder] voor genoemde bijeenkomst en heeft [verweerder] richting [naam1] aangegeven dat het zo niet had gemoeten met de door hem ingebrachte steunverklaring van desbetreffende oud-collega.\n\n5.22. Uit het verslag van 16 oktober 2025 blijkt wel dat er op dat moment iets aan de hand was in het MURA-team en dat bij de positieve uitkomst van het medewerkerswaarderingsonderzoek waarop het Waterschap zich heeft beroepen, wel kanttekeningen zijn te maken. Dat sprake is van onherstelbaar beschadigde relaties tussen het managementteam van het Waterschap en [verweerder] danwel tussen [verweerder] en de rest van het MURA-team is het hof onvoldoende gebleken. Het Waterschap heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende pogingen heeft gedaan om die verstandhoudingen weer te verbeteren. Daarbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat het hof de indruk heeft dat de nieuwe teamleider [naam2] goed bezig is en dat tussen hem en [verweerder] (inmiddels) sprake is van goed werkbare verhoudingen. Het hof heeft er voldoende vertrouwen in dat [naam2] , als hij de nodige steun en verdere medewerking van het hogere management krijgt, de verstandhoudingen binnen het team kan normaliseren. Daarbij worden ook inspanningen van [verweerder] verwacht, in die zin dat hij blijft doorgaan op de manier waarop hij vanaf januari 2026 zijn activiteiten heeft hervat en dat hij de voorgeschreven ADHD- medicatie gebruikt.\n\n5.23. Voor een ontbinding op de i-grond acht het hof ook onvoldoende grond aanwezig. Uit het dossier blijkt dat vooral sprake is van een onvoldragen d-grond omdat [verweerder] door een aantal factoren niet meer goed functioneerde. Uit de overgelegde verslagen van het verbetertraject blijkt dat, nadat het tussen de nieuwe teamleider [naam2] en [verweerder] het medio januari 2026 nog even had geknetterd, bij [verweerder] de knop is omgegaan en hij naar behoren lijkt te functioneren en het plezier is zijn werk heeft teruggevonden en zich heeft gerealiseerd dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen.\n\n5.24. Het hof zal daarom ook, in het voetspoor van de kantonrechter, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijzen.\n\nDe slotsom5.25. De grieven van het Waterschap treffen geen doel. Het hof zal het beroep van het Waterschap ongegrond verklaren en de in hoger beroep ingestelde vorderingen afwijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof het Waterschap in de kosten van de procedure veroordelen, te begroten op het geheven griffierecht en een bedrag voor de kosten van de advocaat. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.26. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. verwerpt het beroep;\n\n6.2. wijst de vorderingen van het Waterschap af;\n\n6.3. veroordeelt het Waterschap in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 373,- aan verschotten en op € 2.580,- aan salaris advocaat (twee punten naar tarief II van het liquidatietarief) en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente en\n\n6.5. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, K. Mans en R.J.A. Dil en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 \n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4034","ecli-nl-gharl-2026-4034",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]