[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2023-2570":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2023-2570":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1170","ECLI:NL:GHDHA:2023:2570","",58,"Den Haag","den-haag","2023-12-20T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001647-22\n\nParketnummer: 71-148283-21\n\nDatum uitspraak: 20 december 2023\n\nTEGENSPRAAKGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,\n\nthans gedetineerd in P.I. Zwolle Zuid 2 te Zwolle.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep. Daarnaast is de maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgelegd.\n\nNamens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippen in de periode van 29 september 2013 tot en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en) in Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nheeft deelgenomen aan een (terroristische) organisatie, te weten Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN) (later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s) tot oogmerk had(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 1S7 Wetboek van Strafrecht),(te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n 2.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en) in Nederland en\u002Fof België en\u002Fof Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, telkens met het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen) te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van het misdrijf\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN) (later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep(en), althans (een)organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. met [medeverdachte] de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie (zoals JaN en IS(IS\u002FIL), althans een hieraan gelieerde strijdgroep) gecontroleerd gebied en\u002Fof\n\nD. zich samen met [medeverdachte] gevoegd bij een of meer mededader(s) en\u002Fof JaN en IS(IS\u002FIL) strijder(s), althans (telkens) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\n(gedurende enige tijd) in het (strijd)gebied in Syrië verbleven en\u002Fof is zij, verdachte (op Islamitische wijze) een huwelijk aangegaan met [medeverdachte] en\u002Fof\n\neen gezamenlijk huishouden gevoerd met [medeverdachte] die als JaN en IS(IS\u002FIL) strijder (eveneens) deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië deelgenomen aan ideologische en\u002Fof (gevechts)trainingen en\u002Fof trainingskampen en\u002Fof opleidingen bij (een) Jihadistische strijdgroep(en) en deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie JaN en IS, althans (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nF. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof afbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content;\n\nG. in Syrië (vuur)wapens gebruikt en\u002Fof gedragen en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof\n\nH. zich gevoegd \u002Faangesloten bij en\u002Fof deelgenomen aan de Khatiba Nusaybah (een vrouwenstrijdgroep\u002F-baltaljon binnen IS) en\u002Fof (daarbij) een of meer andere perso(o)n(en) fysieke training en\u002Fof onderricht gegeven, althans een of meer handelingen verricht voor en\u002Fof ten behoeve van die Khatiba Nusaybah;\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof voorwerp(en) en\u002Fof informatie al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en\u002Fof alleen begaan van dat\u002Fdie misdrijf\u002Fmisdrijven.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde onderdeel E zal worden vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde (periode beperkt tot 1 september 2017) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.\n\nMocht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan vordert de advocaat-generaal daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden overeenkomstig het reclasseringsadvies van 10 november 2023, behoudens de hierna te noemen uitzondering, en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde van het contactverbod vordert de advocaat-generaal deze op te leggen zonder de in het reclasseringsadvies geadviseerde mogelijkheid dat de verdachte met toestemming van de reclassering in contact mag treden met (een van) de bij het contactverbod genoemde personen.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nInleiding\n\nDe verdachte is op 29 september 2013 met haar (latere) echtgenoot [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte]) uitgereisd naar Syrië. Zij hebben in de jaren erna in Syrië op verschillende plekken verbleven.\n\n[medeverdachte] heeft zich in Syrië aangesloten bij achtereenvolgens Jahbat al Nusra en IS(IL). De verdachte en [medeverdachte] zijn in augustus 2017 gevangengenomen door de SDF. [medeverdachte] is overgebracht naar een gevangenis in Irak en verblijft daar nog steeds. De verdachte heeft geruime tijd verbleven in Koerdische kampen en is in juni 2021 in Nederland aangekomen.\n\nHet hof beoordeelt hierna de vragen of de verdachte heeft deelgenomen aan – kort gezegd - een (of meer) terroristische organisatie(s) en of zij voorbereidingshandelingen tot het plegen van terroristische misdrijven heeft gepleegd.\n\nFeit 1\n\nAan de verdachte is onder 1 tenlastegelegd – kort gezegd – dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een of meer terroristische organisatie(s), te weten Jabhat al-Nusra en\u002Fof IS.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de door haar overgelegde pleitaantekeningen, bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nDe raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat de verdachte heeft deelgenomen aan de onder 1 tenlastegelegde terroristische organisaties door voor hen een ondersteunende functie te vervullen. Het gedrag van de verdachte tussen 2014 en 2017 levert dan ook geen deelneming aan een terroristische organisatie op, maar hoogstens burgerschap. Voorts verzoekt de verdediging de verdachte vrij te spreken van deelneming tussen 2017 en 2021 omdat de verdachte in die tijd in detentiekampen verbleef.\n\nJuridisch kader\n\nDeelneming aan – kort gezegd - een terroristische organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140a Sr. Alvorens te beoordelen of daarvan in dit geval sprake is, zal hierna kort worden ingegaan op enkele relevante juridische kaders.\n\nTerroristische organisatie\n\nVolgens artikel 140a, eerste lid, Sr moet het gaan om een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Het oogmerk van de organisatie - een samenwerkingsverband in al dan niet wisselende samenstelling - moet derhalve zijn gericht op het plegen van (specifieke) misdrijven die zijn opgesomd in artikel 83 Sr, mits begaan met het in artikel 83a Sr omschreven terroristisch oogmerk.\n\nOnder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.\n\nVoor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.\n\nHet gaat bij het misdrijf van artikel 140a Sr dus niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van terroristische misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van die misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van terroristische misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.\n\nDeelneming\n\nVan deelneming aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr kan slechts dan sprake zijn als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk.\n\nEen dergelijk aandeel kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar hoeven te zijn, maar wel strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Voldoende is dat betrokkene in zijn algemeenheid — in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van terroristische misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Evenmin is vereist dat betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan het plegen van misdrijven die door (leden van) de organisatie zijn of worden gepleegd.\n\nJabhat al-Nusra en IS\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet kwam tegen het regime van president Bashar al-Assad.\n\nIn de loop van 2012 wordt duidelijk dat jihadistische strijdgroepen, met zowel lokale als buitenlandse strijders in hun gelederen, in toenemende mate betrokken zijn geraakt bij de opstand in Syrië.\n\nHet gerechtshof Den Haag heeft in eerdere uitspraken al geoordeeld dat Jabhat al-Nusra en IS het oogmerk hadden om de fundamentele politieke structuur van Syrië te vernietigen en de bevolking ernstige vrees aan te jagen en dat deelneming aan de gewapende strijd in Syrië aan de zijde van Jabhat al-Nusra en IS met zich meebrengt het plegen van terroristische misdrijven.\n\nStrijdgroepen als Jabhat al-Nusra en IS bereikten in de tenlastegelegde periode hun doelen, waaronder het vervangen van de bestaande politieke structuur door een structuur gebaseerd op de sharia, mede door dood en verderf te zaaien onder ieder die hun extreem fundamentalistische geloof niet deelde. Zij kunnen aldus worden aangemerkt als organisaties die tot oogmerk hebben het plegen van terroristische misdrijven, als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nBeoordeling\n\nOp grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de wettige bewijsmiddelen stelt het hof de navolgende feiten en omstandigheden vast.\n\nDe verdachte is zich in 2013 gaan verdiepen in de Islam, onder meer via internet. Tevens sprak zij met anderen in haar omgeving in Gouda. De verdachte leerde de begrippen Jihadisme, Kalifaat en Islamitische staat kennen en nam kennis van de strijd in Syrië en van het feit dat in die periode regelmatig personen uit Nederland naar Syrië uitreisden. De verdachte is de jihadistische ideologie gaan aanhangen en – zo blijkt uit de in die periode verstuurde berichten via Twitter - actief gaan uitdragen. De verdachte is, gelet op haar uitlatingen tegenover de wijkagent, een voorstander geworden van de gewapende strijd in Syrië en zag het als een plicht voor iedere moslim om te strijden voor een kalifaat, een Islamitische staat. Eind augustus 2013 leerde de verdachte via Facebook [medeverdachte] kennen, die ook bezig was met het geloof. Zij kenden beiden mensen die naar Syrië waren vertrokken en besloten dat ook te doen.\n\nDe verdachte is, zoals vermeld, op 29 september 2013 samen met [medeverdachte] via Turkije uitgereisd naar Syrië.\n\nIn Turkije gingen zij van Antalya naar Antakya waar zij door een smokkelaar werden opgehaald die hen in Syrië naar Kafr Hamra bracht, een dorp in de provincie Aleppo. Eenmaal daar aangekomen, heeft [medeverdachte] zich aangesloten bij Jabhat al-Nusra.\n\nIn november 2013 zijn de verdachte en [medeverdachte] naar islamitisch recht getrouwd. Vanaf dat moment voerden zij daar gezamenlijk een huishouden. Diezelfde maand heeft de verdachte via een chatbericht aan haar in Nederland achtergebleven nicht en vriendinnen onder meer bericht dat hijrah (het verlaten van familie en land ten behoeve van de jihad) verplicht is, dat zij dat heeft gedaan, dat zij nu in Syrië is en gelukkig getrouwd met een broeder, dat zij en haar man nu leven onder de sharia, dat er jihad qital (gewapende strijd) is, dat de broeders strijden op het slagveld en dat de jihad er zal zijn tot het einde der tijden. In dit bericht zegt de verdachte dat zij haar vriendinnen hetzelfde gunt als zichzelf, te weten het paradijs, en maant zij hen dat ze niet alleen moeten lezen maar ook moeten praktiseren en gehoorzamen.\n\nIn december 2013 zijn de verdachte en [medeverdachte] verhuisd naar Taftanaz, een stad in de provincie Idlib, waar zij tot april 2014 hebben verbleven. Vanwege een conflict tussen [medeverdachte] en Jabhat al-Nusra verhuisden de verdachte en [medeverdachte] in april 2014 naar Al Bab, waar IS de feitelijke macht had. Zij kregen daar van IS een huis toegewezen. Op 26 mei 2014 is [medeverdachte] lid geworden van IS. Uit een registratieformulier van IS volgt dat hij zich toen als strijder heeft aangemeld en dat hij eerder had meegedaan aan de jihad bij Jabhat al-Nusra. [medeverdachte] was in dienst bij de Shorta (de politie) van IS en ontving een salaris van 100 dollar per maand. De verdachte en [medeverdachte] hadden een vuurwapen in huis, dat op verscheidene plaatsen (niet in een kluis) in huis lag en eigendom was van [medeverdachte], die het gebruikte voor zijn werk voor IS.\n\nVolgens opgave van de verdachte verhuisde het gezin in 2016 naar Aktarin vanwege de onrust en vele bombardementen in Al Bab. Vervolgens zijn ze naar Manbij gegaan en in juni 2016 werd [medeverdachte] door IS overgeplaatst naar Tabqa, gelegen in de provincie Raqqa. Op 22 juni 2016 werd [naam zoon], de oudste zoon van de verdachte en [medeverdachte], geboren. Ook in Tabqa zat [medeverdachte] bij de Shorta.\n\nOp 16 juli 2016 ontving de verdachte een WhatsApp bericht van Oum Ayoub Asariah met de inhoud: “Zuster, je bent geweer bij ons vergeten.”\n\nIn de winter van 2016 ging [medeverdachte] in dienst bij de Hisba, de religieuze politie van IS.\n\nOp 30 november 2016 heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar zus onder meer bericht dat ze ervoor heeft gekozen de Jihad bij te staan, dat ze niet ongelukkig is omdat ze weet waarom ze is gekomen, dat het verplicht is, dat ze al zo vaak tegen haar zus heeft gezegd om hiernaartoe (het hof begrijpt: naar Syrië) te komen, dat de verdachte en haar man bereid waren om geld en een smokkelweg te regelen, maar dat haar zus haar telkens heeft genegeerd en dat het in het nadeel van haar zus is als ze daar (het hof begrijpt: in Nederland) blijft. Diezelfde dag heeft de verdachte via een spraakbericht aan haar tante onder meer bericht dat ‘je voelt we helpen de ummah (de moslimgemeenschap)’ en dat zij hoopt dat haar familie zal komen.\n\nOp 14 januari 2017 heeft de verdachte in een groepsapp aan haar familie onder meer bericht dat zij en haar man onderdeel zijn van Dawla Islamia (het hof begrijpt: IS) en dat ze zich nog nooit zo gelukkig heeft gevoeld.\n\nIn maart 2017 vestigde het gezin zich in Raqqa. In Raqqa zette [medeverdachte] zijn werkzaamheden bij de Hisba voort.\n\nMedio 2017 verslechterde de situatie in Raqqa voor IS. De stad werd omsingeld door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF) en op 25 april 2017 ging de SDF Tabqa binnen. Op 10 mei 2017 meldde de SDF de volledige herovering van Tabqa en de Tabqa dam op IS. De verdachte en [medeverdachte] hebben op 29 augustus 2017 Raqqa verlaten en zich overgegeven aan Koerdische troepen van de SDF, waarop zij door deze zijn gevangengenomen.\n\nTussenconclusie ten aanzien van [medeverdachte]\n\n[medeverdachte] heeft in Syrië in de tenlastegelegde periode deelgenomen aan de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en daarna IS. Hij was bij deze organisaties aangesloten en heeft gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Bij IS was [medeverdachte] werkzaam bij de politie, en later bij de religieuze politie. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is het hof van oordeel dat [medeverdachte] ook gedragingen heeft verricht ten behoeve van de jihad voor Jabhat al-Nusra; dit leidt het hof af uit het hiervoor genoemde registratieformulier van IS, waaruit volgt dat hij al eerder had meegedaan aan de jihad, en wel bij Jabhat al-Nusra.\n\nDeelneming door de verdachte\n\nHet hof is van oordeel dat ook de verdachte heeft deelgenomen aan deze organisaties, en zal hierna uiteenzetten waarom.\n\nUit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte, terwijl zij kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd, met die overtuiging samen met [medeverdachte] is afgereisd naar Syrië en zich aldaar samen met hem onder het gezag – en de daaraan verbonden regels van de sharia - heeft gesteld van de terroristische organisaties Jabhat al-Nusra en (vervolgens) IS. De verdachte en [medeverdachte] zijn daar gehuwd en hebben daar een gezamenlijk huishouden gevoerd, terwijl [medeverdachte] actief heeft deelgenomen aan beide organisaties en met zijn verdiensten daaruit de kostwinner was. De verdachte heeft door haar handelen, ingegeven door haar bewuste keuze om – in haar eigen woorden - ‘de jihad bij te staan’, de invloedssfeer van deze organisaties telkens getalsmatig versterkt. Daarnaast heeft de verdachte samen met [medeverdachte] een vuurwapen voorhanden gehad. Dat ook de verdachte over dat wapen kon beschikken valt af te leiden uit het feit dat zij op enig moment erop werd gewezen dat zij het wapen bij iemand had laten liggen. Ten slotte blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte de jihadistische ideologie van deze organisaties actief heeft uitgedragen en dat zij meermalen anderen heeft aangespoord ook naar Syrië te gaan. De verdachte heeft aldus gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het terroristische oogmerk van deze organisaties. Dit terwijl uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat de verdachte van het terroristische oogmerk van deze organisaties in zijn algemeenheid op de hoogte was. Illustratief hiervoor zijn haar hiervoor weergegeven uitlatingen over de gewapende strijd tegenover de wijkagent, het chatbericht aan nicht en vriendinnen hierover en ook heeft zij ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij tijdens haar verblijf in Syrië op de hoogte was van de onthoofdingen die plaatsvonden. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan deze terroristische organisaties heeft deelgenomen als bedoeld in artikel 140a Sr.\n\nMedeplegen\n\nHet hof is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat bij het voorgaande sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte], die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden verklaard.\n\nConclusie feit 1\n\nHet hof is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte in de periode van 29 september 2013 tot\n\n29 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] heeft deelgenomen aan twee organisaties die tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven, te weten Jabhat al-Nusra en IS, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd.\n\nFeit 2\n\nAan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat zij, alleen dan wel in vereniging met een ander of anderen, voorbereidings- dan wel bevorderingshandelingen heeft verricht om misdrijven te plegen als brandstichting, doodslag en\u002Fof moord met een terroristisch oogmerk.\n\nDe raadsvrouw heeft overeenkomstig haar pleitaantekeningen aangevoerd dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van dit feit. Volgens de raadsvrouw ontbreekt voor het grootste deel van de onder A tot en met H tenlastegelegde gedragingen het bewijs. Voor zover de verdachte deze gedragingen wel heeft verricht, strekten deze volgens de raadsvrouw niet tot het opzettelijk met een (terroristisch) oogmerk voorbereiden of bevorderen van brandstichting, doodslag en moord.\n\nVoorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven\n\nDe in artikel 96, tweede lid, Sr beschreven voorbereidings- en bevorderingshandelingen zijn strafbaar ongeacht het resultaat ervan. Vereist is dat de dader de gedraging onderneemt met het oogmerk het betreffende terroristische misdrijf voor te bereiden of te bevorderen.\n\nVoorwaardelijk opzet op de voorbereiding of bevordering van een terroristisch misdrijf volstaat niet. Het misdrijf dat wordt voorbereid of bevorderd zal in zoverre moeten vaststaan dat kan worden bepaald of het een misdrijf betreft waarvan de voorbereiding en bevordering als bedoeld in artikel 96, tweede lid, Sr strafbaar is. Tijd, plaats en wijze van uitvoering zullen dus enigszins concreet moeten vaststaan. De verweten voorbereidings- en bevorderingshandelingen kunnen in onderlinge samenhang worden beschouwd. Ook indien op zichzelf staande handelingen geen strafbare voorbereiding opleveren, kan uit de combinatie van alle handelingen en het gedachtegoed van de verdachte tezamen het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van een misdrijf worden afgeleid.\n\nBeoordeling\n\nMet de rechtbank en aansluitend op de overwegingen met betrekking tot feit 1 overweegt het hof als volgt.\n\nGelet op de hiervoor reeds weergegeven feitelijke vaststellingen in samenhang met de overige door het hof gehanteerde bewijsmiddelen acht het hof de onder A, B, C, D, F en G opgesomde gedragingen wettig en overtuigend bewezen, zoals aangegeven in de bewezenverklaring.\n\nNaar het oordeel van het hof volgt bovendien uit de bewijsmiddelen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen kan worden.\n\nDoor aldus te handelen heeft de verdachte samen met [medeverdachte] zichzelf of anderen gelegenheid, middelen en inlichten verschaft tot het plegen van de in de tenlastelegging onder 2 genoemde terroristische misdrijven en – door het voorhanden hebben van een vuurwapen – een voorwerp voorhanden gehad waarvan zij wist dat deze bestemd was tot het plegen van een dergelijk misdrijf.\n\nUit de combinatie van de onder A, B, C, D, F en G bewezenverklaarde gedragingen in onderlinge samenhang beschouwd, kan tenslotte het oogmerk van de verdachte op het voorbereiden van deze misdrijven worden afgeleid.\n\nHet hof komt dan ook tot het oordeel dat de verdachte zich in de periode van 1 januari 2013 tot 29 augustus 2017 tezamen en in vereniging met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan de bevordering en voorbereiding van terroristische misdrijven.\n\nDaarmee komt het hof tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.\n\nDeelvrijspraken\n\nPeriode vanaf 29 augustus 2017\n\nVrijwel overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en bepleit door de verdediging zal het hof de verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde periode vanaf 29 augustus 2017 vrijspreken, daar de verdachte zich toen heeft overgegeven aan de Koerden (SDF).\n\nHet onder 2 tenlastegelegde onderdeel E\n\nNet als de rechtbank en overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal zal het hof de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde onderdeel E vrijspreken, nu er geen concreet bewijs voorhanden is betreffende deelname van de verdachte aan – kort gezegd – gevechtstrainingen en trainingskampen bij Jihadistische strijdgroepen dan wel deelname aan de gewapende Jihadstrijd.\n\nHet onder 2 tenlastegelegde onderdeel H\n\nDe verdachte wordt onder het onder 2 tenlastegelegde onderdeel H verweten – kort gezegd - dat zij zich heeft gevoegd\u002Faangesloten bij en\u002Fof heeft deelgenomen aan de IS-vrouwenstrijdgroep Khatiba Nusaybah (hierna ook: het Nusaybah bataljon).\n\nDe verdachte heeft betrokkenheid bij dit bataljon steeds ontkend.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet Amerikaanse Federal Bureau of Investigation (FBI) heeft in deze zaak verschillende keren informatie verstrekt aan het Nederlandse opsporingsteam. Dit betreft onder meer informatie over [medeverdachte] in de periode dat hij zich in gevangenschap bevond. In het eerste “informatiepakket” was te lezen dat [medeverdachte] op\n\n26 oktober 2017 tegenover het Amerikaanse Department of Defence (DOD) heeft gesproken over het Nusaybah Bataljon en de rol van de verdachte hierbij. Het tweede “informatiepakket” bevatte een memorandum van de FBI d.d. 25 april 2022 met daarin de vermelding dat [medeverdachte] op 15 februari 2018 door de FBI in Bagdad is ondervraagd en welke informatie hij daarbij heeft verstrekt. Ook hier zou hij hebben gesproken over onder meer (de rol van de verdachte bij) het Nusaybah Bataljon. [medeverdachte] is in de strafzaak tegen de verdachte niet gehoord; het in hoger beroep op verzoek van de verdediging horen van de in Irak gedetineerde [medeverdachte] is niet gelukt.\n\nDe FBI special agent, die op 15 februari 2018 met\n\n[medeverdachte] heeft gesproken, is op 14 november 2023 ter terechtzitting in hoger beroep als getuige gehoord.\n\nHierbij heeft de special agent onder meer verklaard over hetgeen [medeverdachte] tegen hem heeft gezegd over betrokkenheid van de verdachte bij Kathiba Nusaybah.\n\nHet hof stelt vast dat de verklaring van deze getuige in zoverre een verklaring van horen zeggen (de-auditu) is. Voor een de-auditu verklaring geldt in beginsel dat deze betrekkelijke waarde heeft en met uiterste behoedzaamheid dient te worden beschouwd.\n\nIn dit geval vindt de verklaring van de getuige voor wat betreft betrokkenheid van de verdachte bij Kathiba Nusaybah geen steun in enig ander bewijs, dan de hiervoor weergegeven informatie van de FBI. Dit betreft echter niet meer dan een schriftelijke weergave van wat dezelfde FBI-agent en (kennelijk) een medewerker van de DOD\n\n[medeverdachte] heeft horen zeggen. Nader door het Openbaar Ministerie uitgevoerd onderzoek naar deelname door de verdachte aan het Nusaybah bataljon – door onderzoek in de administratie van het bataljon en het horen van een getuige over het bataljon – heeft niets opgeleverd.\n\nBij deze stand van zaken ziet het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor deelname door de verdachte aan het Khatiba Nusaybah bataljon. Het hof zal de verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijspreken.\n\nTen overvloede overweegt het hof nog als volgt.\n\nDe verdediging heeft – kort gezegd - aangevoerd dat het gebruik van de verklaring van [medeverdachte] voor het bewijs in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM, omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen en dit onvoldoende compensatie vindt in het horen van de FBI-agent ter terechtzitting. Ook het Openbaar Ministerie heeft het toetsingskader van het EHRM ten aanzien van niet-ondervraagde getuigen ten grondslag gelegd aan zijn (andersluidende) opvatting dat wèl voldoende compensatie is geboden.\n\nHet door de partijen gebezigde toetsingskader geldt echter voor gevallen waarin de verdachte niet een (adequate en behoorlijke) gelegenheid heeft gehad tot het ondervragen van een getuige à charge, die een belastende verklaring heeft afgelegd. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. [medeverdachte] heeft in deze zaak geen verklaring afgelegd. Het gaat hier om de verklaring van de FBI-special agent, en die heeft (ter terechtzitting in hoger beroep) wel een verklaring afgelegd, waarbij de verdediging aanwezig was en vragen heeft kunnen stellen die ook beantwoord zijn.\n\nGelet hierop en uiteraard vanwege de hiervoor weergegeven vrijspraak overwegingen, zal het hof de door de partijen in dit verband naar voren gebrachte standpunten niet nader bespreken.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nDe raadsvrouw heeft voorwaardelijk verzocht [medeverdachte] als getuige te horen, indien het hof zijn verklaring(en) bruikbaar acht voor het bewijs.\n\nHet hof bezigt de bedoelde uitlatingen van [medeverdachte] niet voor het bewijs, zodat het verzoek geen nadere bespreking behoeft.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippenin de periode van 29 september 2013 tot29 augustus 2017en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en)in Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en), althans alleen,\n\nheeft deelgenomen aan een (terroristische)organisaties, te weten Islamitische Staat (IS), dan welIslamic State of Iraq and Shaam (ISIS) ofIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (JaN)(later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie(s)tot oogmerkhad(den) en\u002Fof heeft\u002Fhebben het plegen van terroristische misdrijven, te weten,\n\nA. het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 1S7 Wetboek van Strafrecht),(te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof\n\nB. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nC. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289\u002F289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nD. de samenspanning en\u002Fof opzettelijke voorbereiding van en\u002Fof bevordering tot eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en\u002Fof 289a en\u002Fof96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\nE. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en\u002Fof munitie van de categorieën II en\u002Fof III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en\u002Fof met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals bedoeld in artikel 55 lid 1 en\u002Fof lid 5 van de Wet wapens en munitie)\n\n 2.\n\n zij\n\nop één of meerdere tijdstippenin de periode van 1 januari 2013 tot29 augustus 2017en met 05 juni 2021 in één of meer plaats(en)in Nederland en\u002Fof België en\u002Fof Syrië,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en), althans alleen, telkensmet het oogmerk om ter voorbereiding en\u002Fof ter bevordering van de\u002Fhet (meermalen)te plegen misdrij(f)(ven):\n\n- het opzettelijk brand stichten en\u002Fof een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft,(te)begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 157 jo 176a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht) en\u002Fof\n\n- moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel 289 jo 83 van het Wetboek van Strafrecht)\n\n- een ander heeft trachten te bewegen om het misdrijf te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en\u002Fof\n\n- gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf aan zichzelf of aan anderen heeft verschaft en\u002Fof\n\n- eenvoorwerpenvoorhanden heeft gehad waarvan zij wist datzijditbestemdwasrentot het plegen van het misdrijf\n\nimmers heeft\u002Fhebben zij, verdachte, en\u002Fof haar mededader(s)\n\nA. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd met een terroristisch oogmerk, gevoerd door de (terroristische) organisatie zoals de Islamitische Staat (verder IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) ofIslamic State of Iraq and Levant (ISIL) en Jabhat al Nusra (verder JaN)(later Ha'yat Tahrir al-Sham (HTS) of Jabhat Fateh Al-Sham), althans (telkens) een aan IS en Al Qaida (verder AQ) gelieerde organisatie(s), althans (een) aan voornoemde organisatie(s) gelieerde Jihadistische strijdgroep(en), althans (een)organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan, eigen gemaakt en\u002Fof\n\nB. zich laten informeren over het afreizen naar en\u002Fof verblijven in het strijdgebied in Syrië en\u002Fof Irak en\u002Fof\n\nC. met [medeverdachte] de reis naar Syrië gemaakt teneinde zich te begeven naar het strijdgebied, althans naar een, door een terroristische organisatie (zoals JaN en IS(IS\u002FIL), althans een hieraan gelieerde strijdgroep) gecontroleerd gebieden\u002Fof\n\nD. zichsamen met [medeverdachte]gevoegd bij een of meer mededader(s) en\u002Fof JaN en IS(IS\u002FIL) strijder(s), althans (telkens) perso(o)n(en) gelieerd aan (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\n(gedurende enige tijd)in het(strijd)gebied in Syrië verbleven en\u002Fofis zij, verdachte (op Islamitische wijze) een huwelijk aangegaan met [medeverdachte] en\u002Fof\n\nheeft zijeen gezamenlijk huishouden gevoerd met [medeverdachte] dieals JaN en IS(IS\u002FIL) strijder (eveneens)deelnam aan een terroristische organisatie die de gewapende Jihadstrijd voorstaat en\u002Fof\n\nE. met één of meer mededader(s) in Syrië deelgenomen aan ideologische en\u002Fof (gevechts)trainingen en\u002Fof trainingskampen en\u002Fof opleidingen bij (een) Jihadistische strijdgroep(en) en deelgenomen en\u002Fof bijgedragen aan de gewapende Jihadstrijd gevoerd door de (terroristische) organisatie JaN en IS, althans (een) terroristische organisatie(s) die de gewapende Jihadstrijd voorstaat\u002Fvoorstaan en\u002Fof\n\nF. zich (middels internet\u002Fsocial mediakana(al(en)\u002Fmediaplatform(s)) geuit en\u002Fof met (een) ander(en) perso(o)n(en) gechat\u002Fgecommuniceerd en\u002Fof berichten en\u002Fof afbeeldingen geplaatst en\u002Fof gedeeld, met betrekking tot en\u002Fof inhoudende (onder meer) (gewelddadig) jihadistisch getinte en\u002Fof (pro)IS-gerelateerde content en;\n\nG. in Syrië een(vuur)wapens gebruikt en\u002Fofgedragen en\u002Fof voorhanden gehaden\u002Fof\n\nH. zich gevoegd \u002Faangesloten bij en\u002Fof deelgenomen aan de Khatiba Nusaybah (een vrouwenstrijdgroep\u002F-baltaljon binnen IS) en\u002Fof (daarbij) een of meer andere perso(o)n(en) fysieke training en\u002Fof onderricht gegeven, althans een of meer handelingen verricht voor en\u002Fof ten behoeve van die Khatiba Nusaybah;\n\nin welke gewapende Jihadstrijd moord en\u002Fof doodslag en\u002Fof brandstichting en\u002Fof het teweegbrengen van ontploffingen worden gepleegd, telkens met een terroristisch oogmerk;\n\nwelke gedragingen en\u002Fof voorwerp(en)en\u002Fof informatie al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd waren tot het in vereniging en\u002Fof alleen begaan vandat\u002Fdiemisdrijf\u002Fmisdrijven.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven,\n\nmeermalen gepleegd.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van met het oogmerk om opzettelijk brand stichten en\u002Fof ontploffingen teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en\u002Fof levensgevaar voor een ander te duchten is en\u002Fof dit feit iemands dood ten gevolge heeft, en\u002Fof moord en\u002Fof doodslag, telkens te begaan met een terroristisch oogmerk, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, zich of anderen gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van het misdrijf verschaffen en\u002Fof een voorwerp voorhanden hebben waarvan zij weet dat het bestemd is tot het plegen van het misdrijf.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte is op 29 september 2013 samen met [medeverdachte], met wie zij in november 2013 is getrouwd, naar Syrië gereisd. In de periode van 29 september 2013 tot 29 augustus 2017 heeft de verdachte samen met [medeverdachte] in Syrië deelgenomen aan achtereenvolgens Jabhat al-Nusra en IS, organisaties die in de bewezenverklaarde periode tot oogmerk hadden het plegen van terroristische misdrijven.\n\nJihadistische groeperingen als de onderhavige hebben zich structureel schuldig gemaakt aan bloedig, angstaanjagend geweld en grove mensenrechtenschendingen in Syrië. Zij hebben vele doden op hun geweten en zijn mede verantwoordelijk voor de verschrikkelijke vernietiging dan wel vernielingen van huizen, landbouw en infrastructuur. Hun terreurdaden hebben een ontwrichtende werking op de samenleving gehad, de sektarische strijd aangewakkerd en bijgedragen aan ondraaglijk lijden en angst van velen. Geterroriseerde inwoners zijn vanwege dit hiervoor beschreven geweld op de vlucht geslagen en hebben alles achter moeten laten.\n\nToen de verdachte naar Syrië reisde, was het kalifaat nog niet uitgeroepen, maar ook in die periode was er al veel bekend over de door IS en Jabhat al-Nusra gepleegde ernstige mensenrechtenschendingen en overige wandaden. De verdachte wist in het algemeen hiervan, maar is niettemin uitgereisd, hetgeen het hof de verdachte uiterst kwalijk neemt. Haar bewuste keuze hiervoor heeft niet alleen voor haar, maar ook voor haar in Syrië geboren kinderen onomkeerbare gevolgen gehad. Zij hebben de eerste jaren van hun leven moeten doorbrengen in oorlogsgebied.\n\nOok heeft de verdachte zich samen met [medeverdachte] in de bewezenverklaarde periode schuldig gemaakt aan voorbereidings- en\u002Fof bevorderingshandelingen gericht op het plegen van onder meer moord en doodslag met een terroristisch oogmerk. Vanwege de inhoudelijke samenhang van dit feit met het hiervoor genoemde feit, legt dit feit voor wat betreft de op te leggen straf geen extra gewicht in de schaal.\n\nTerroristische misdrijven als hier aan de orde dienen op krachtige wijze te worden tegengegaan. Vergelding en algemene preventie moeten bij de keuze van strafsoort en - duur van de op te leggen straf voorop staan.\n\nNaar het oordeel van het hof kan dan ook niet anders gereageerd worden dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.\n\nDe hoogte van de straf\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gekeken naar de hoogte van straffen in zaken die enigszins vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak.\n\nAls uitgangspunt voor deelneming aan een terroristische organisatie, ongeacht de bewezenverklaarde periode, geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren.\n\nDe op te leggen straf zal aanzienlijk lager zijn dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. Dit komt met name door het gegeven dat het hof – anders dan het Openbaar Ministerie - niet bewezen acht dat de verdachte betrokken is geweest bij de IS-vrouwenstrijdgroep Khatiba Nusaybah.\n\nIn strafmatigende zin zal het hof meewegen dat niet is bewezen dat de verdachte zelf heeft deelgenomen aan de gewapende strijd. Ook neemt het hof als strafmatigende factor in aanmerking dat zij na haar gevangenneming in Syrië tijdelijk in een Koerdische gevangenis en bijna vier jaar in detentiekampen in Syrië heeft verbleven en aldus reeds aanzienlijke negatieve gevolgen van haar handelen heeft ondervonden.\n\nHet hof houdt bij de bepaling van de op te leggen straf geen rekening met de mogelijkheid dat de Nederlandse nationaliteit van de verdachte wordt ingetrokken, nu hier nog geen voornemen toe ligt. Het hof ziet ook geen aanleiding in strafmatigende zin rekening te houden met door de verdediging genoemde gebeurtenissen die de verdachte gedurende haar voorlopige hechtenis in de PI Zwolle heeft meegemaakt, nu deze niet in verband staan met de bewezenverklaarde feiten.\n\nUittreksel Justitiële Documentatie\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d.\n\n31 oktober 2023, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.\n\nRapportages over de persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft kennis genomen van de zich in het dossier bevindende adviesrapporten van Reclassering Nederland van 25 april 2022 en 10 november 2023.\n\nIn het reclasseringsadvies van 25 april 2022 is onder meer het volgende vermeld.\n\nDe reclassering heeft zorgen over de leefgebieden ‘overtuiging, opvatting en ideologie’ en ‘sociale context en intentie’. Het risico op algemene en geweldsrecidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld. Deze uitkomst is hoofdzakelijk bepaald door het feit dat terugkeer naar het strijdgebied gezien de actuele situatie in Syrië en terreurgroep IS voor de verdachte geen optie is. Zij lijkt haar leven in Syrië te idealiseren en dit ideale beeld niet te willen loslaten. Ook lijkt zij selectief in haar verhaal over haar leven in de Koerdische kampen en vertelt zij opvallend weinig over haar contacten met andere vrouwen.\n\nDaarnaast scoort de verdachte hoog op de items ‘toewijding aan ideologie die geweld rechtvaardigt’. Uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van gewelddadig salafistische concepten, standpunten en overtuigingen. Ook keurt zij de democratie af omdat het tegenstrijdig is met de sharia. Regeren met andere wetgeving staat voor de verdachte gelijk aan ongeloof. Dit komt overeen met gewelddadig salafistische opvattingen over democratie en de democratische rechtsorde. Tot slot scoort zij hoog op de items ‘zoeker, gebruiker of ontwikkelaar gewelddadig extremistische informatie, ‘persoonlijk contact met gewelddadig extremisten’ en ‘gevoeligheid voor beïnvloeding, sturing of indoctrinatie’. De reclassering adviseert bij oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen, waaronder een contactverbod.\n\nHet reclasseringsadvies van 10 november 2023 houdt, voor zover hier van belang en kort weergegeven, het volgende in.\n\nDe reclassering wijkt niet af van de eerdere inschatting van de risico’s daar de verdachte nog in detentie verblijft en er geen nieuwe ontwikkelingen bij de reclassering bekend zijn die tot een andere inschatting zou kunnen leiden.\n\nTen slotte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport, triple onderzoek, betreffende de verdachte, opgemaakt door M.G.H. van Willigenburg, klinisch psycholoog, A.E. Grochowska, psychiater en\n\nJ. Volders, forensisch milieuonderzoeker d.d. 14 december 2021. De rapporteurs komen tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van ernstige sociale en emotionele achterstanden bij de verdachte in de periode voorafgaand aan haar vertrek naar Syrië. De verdachte worstelde weliswaar met identiteitsproblemen en maatschappelijke problemen, maar dat is passend bij die levensfase. Er waren geen ernstige beperkingen op het gebied van het organiseren van het eigen gedrag en inschatten van situaties. Evenmin is er psychiatrische problematiek, ontwikkelings- of persoonlijkheidsproblematiek vastgesteld bij de verdachte. De rapporteurs komen tot de conclusie dat het tenlastegelegde de verdachte kan worden toegerekend.\n\nJeugdstrafrecht - adolescentenstrafrecht\n\nDe verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan om bij een veroordeling het jeugdstrafrecht toe te passen. Het jeugdstrafrecht biedt meer maatwerk dan het volwassenstrafrecht. De verdachte was 19 jaar oud toen zij naar Syrië afreisde en 23 jaar oud toen zij zich aan de Koerden overgaf. Haar leeftijd valt hiermee precies binnen de reikwijdte van het adolescentenstrafrecht, aldus de raadsvrouw.\n\nHet hof ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een jongvolwassene, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig was, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De reclassering adviseert in het advies van 25 april 2022 toepassing van het volwassenstrafrecht omdat de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte verder is uitgerijpt, zij moeder is van twee kinderen en al lange tijd gescheiden is van haar ouders. Dit betekent dat de verdachte niet meer zal kunnen profiteren van pedagogische beïnvloeding. Ook het Pro Justitia rapport van 14 december 2021 vermeldt dat er onvoldoende argumenten zijn om tot toepassing van het jeugdstrafrecht te adviseren.\n\nHet hof zal dan ook het volwassenstrafrecht toepassen.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten is het hof van oordeel dat niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nDe ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigt zonder meer dat de verdachte een onvoorwaardelijke detentie ondergaat die langer is dan de tijd die zij tot op heden in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nGelet op het advies van de reclassering en op het grote belang van het voorkomen van recidive, zal het hof een aanmerkelijk deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen. Met het voorwaardelijk strafdeel wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De proeftijd zal daarom op drie jaren worden vastgesteld.\n\nGelet op de inhoud van de adviesrapporten zal het hof aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals deze zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies d.d. 10 november 2023, met uitzondering van het contactverbod. Mede gelet op de te verwachten praktische problemen bij het nakomen en het controleren daarvan, daarbij betrekkende dat een deel van de betreffende personen familieleden van de verdachte zijn en dat van een deel van de personen (genoemd in de lijst in het reclasseringsadvies) relevante persoonsgegevens ontbreken, is het hof de effectiviteit en daarmee de toegevoegde waarde van het geadviseerde contactverbod in dit geval onvoldoende gebleken.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat zij bereid is om zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarden te houden.\n\nDadelijke uitvoerbaarheid\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het medeplegen van deelname aan terroristische organisaties en het medeplegen van het voorbereiden en\u002Fof bevorderen van terroristische misdrijven.\n\nHet hof slaat verder acht op het radicale gedachtengoed waarmee de verdachte zich heeft ingelaten alsmede op de omstandigheid dat uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies blijkt dat de verdachte hoog scoort op het item ‘toewijding aan ideologie die geweld rechtvaardigt’. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat uit het duidingsonderzoek is gebleken dat de verdachte zaken vanuit een gewelddadig salafistisch perspectief benadert. Zo verwerpt zij de democratie; regeren met andere wetten dan de wetten van Allah staat voor de verdachte gelijk aan ongeloof. Gelet ten slotte op het feit dat terroristische misdrijven een zeer groot risico op letselschade met zich meebrengen, is het hof – alles tezamen genomen - van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen.\n\nDaarom zal het hof bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van dat artikel uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nConclusie\n\nHet hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 96, 140a, 157, 176a, 176b, 288a, en 289a van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van4 (vier) jaren.\n\nBepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot\n\n1 (één) jaar,niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt\n\nof de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn\u002Fhaar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken\n\nof geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent de reclassering dit noodzakelijk acht. De veroordeelde dient op een constructieve wijze mee te werken aan gesprekken en openheid van zaken te geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden op de internationale luchthavens Schiphol, Rotterdam-The Hague Airport, Eelde, Eindhoven en Maastricht, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De veroordeelde dient tevens op twee (2) kilometer afstand van de landsgrenzen te blijven en gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering. De veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatieverbod.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen verplicht aanwezig is op het verblijfadres dat aangewezen wordt door de gemeente Gouda, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De veroordeelde werkt mee aan elektronische controle op dit locatiegebod. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verplicht is mee te werken aan de gedragsinterventie SOLO Inclusion, een individuele training gegeven door de reclassering, gericht op denkpatronen en -vaardigheden en het uittreden uit een extremistisch netwerk, als en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd haar medewerking dient te verlenen aan gesprekken met een door de reclassering aan te wijzen externe theologisch deskundige.\n\nStelt als bijzondere voorwaardedat de veroordeelde haar medewerking verleent aan een traject gericht op het verkrijgen en het behouden van een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nBeveelt dat bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaarzijn.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.A.J. van de Kar,\n\nmr. D.M. Thierry en mr. L.C. van Walree, in bijzijn van de griffiers mr. M.J.J. van den Broek en mr. M.T. Huynh.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 december 2023.\n\nVoor de leesbaarheid van het arrest zal het hof de tenlastegelegde organisaties Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) of Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) aanduiden met IS.\n\nZie o.a. Gerechtshof Den Haag 3 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1242; Gerechtshof Den Haag 25 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1248; Gerechtshof Den Haag 6 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3879; Gerechtshof Den Haag 18 december 2020. ECLI:NL:GHDHA:2020:2492; Gerechtshof Den Haag 6 oktober 2017, ECLI:GHDHA:2017:2855; Gerechtshof Den Haag 26 januari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:102.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2023:2570","ecli-nl-ghdha-2023-2570",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]