[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2025-2836":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2025-2836":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"738","ECLI:NL:GHDHA:2025:2836","",58,"Den Haag","den-haag","2025-12-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-24\u002F740 tot en met 24\u002F750\n\nUitspraak van 17 december 2025\n\nin het geding tussen:\n\n [X B.V.] , c.s.te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: B.F.M. de Koning)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 juli 2024, nummers SGR 23\u002F2304 tot en met SGR 23\u002F2314.\n\nProcesverloop\n\n1.1.. Belanghebbende heeft over de periode van maart 2020 tot en met januari 2022 elf keer een maandaangifte omzetbelasting ingediend waarin een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting is gedaan. In die aangiften zijn de volgende verzoeken om teruggaaf gedaan:\n\nTijdvak\n\nTeruggaaf\n\nMaart 2020\n\n€ 280.200\n\nAugustus 2020\n\n€ 265.733\n\nDecember 2020\n\n€ 388.064\n\nJuni 2021\n\n€ 457.631\n\nJuli 2021\n\n€ 570.682\n\nAugustus 2021\n\n€ 266.509\n\nSeptember 2021\n\n€ 95.168\n\nOktober 2021\n\n€ 155.335\n\nNovember 2021\n\n€ 271.424\n\nDecember 2021\n\n€ 202.329\n\nJanuari 2022\n\n€ 199.371\n\n1.2.. De Inspecteur heeft de verzoeken om teruggaaf bij beschikkingen afgewezen.\n\n1.3.. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de bezwaren tegen de beschikkingen afgewezen.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.5.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 559. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 17 oktober 2025 een nader stuk ingediend.\n\n1.6.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof op 6 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. Belanghebbende is een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). In de periode waar de verzoeken om teruggaaf op zien, bestond belanghebbende uit [Holding B.V.] (Holding) en haar beide dochtermaatschappijen [Handel B.V.] ( [Handel] ) en [Beheer B.V.] (Beheer).\n\n2.2.. \n\nOp 30 november 2022 is het faillissement van [Handel] uitgesproken. Vanaf dat moment\n\nbestaat belanghebbende nog uit Holding en Beheer.\n\n2.3.. De ondernemingsactiviteiten van [Handel] bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit:\n\n- Groothandel in ferrometalen en -halffabricaten;\n\n- Handelsbemiddeling in brandstoffen, ertsen, metalen en chemische producten;\n\n- Het in- en verkopen van oude metalen; en\n\n- Het optreden als commissionair op het gebied van oude metalen.\n\n2.4.1.. Belanghebbende heeft in haar maandaangiften de in 1.1 vermelde verzoeken om teruggaaf gedaan. De Inspecteur heeft op 9 oktober 2020 (tijdvak augustus 2020), 4 februari 2021 (tijdvak december 2020), 9 augustus 2021 (tijdvak juni 2021), 13 september 2021 (tijdvak juli 2021), 11 oktober 2021 (tijdvak augustus 2021), 9 november 2021 (tijdvak september 2021), 15 december 2021 (tijdvak oktober 2021), 11 januari 2022 (tijdvak november 2021), 9 februari 2022 (tijdvak december 2021) en 9 maart 2022 (tijdvak januari 2022) verzocht om aanvullende informatie bij de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting. In antwoord daarop heeft belanghebbende hem onder meer alle facturen toegezonden die op de transacties in de genoemde elf maanden betrekking hebben. De facturen maken melding van transacties tussen [Handel] en de volgende vier ondernemers:\n\n- [B.V. 1]\n\n- [B.V. 2]\n\n- [B.V. 3]\n\n- de heer [A] , handelende onder de naam [Bedrijf 4]\n\nBelanghebbende verzoekt om een teruggaaf van in totaal € 3.152.446. De verdeling van de voorbelasting van € 3.152.446 per tijdvak en ondernemer is als volgt:\n\nTijdvak\n\nvoorbelasting\n\nondernemer\n\nMaart 2020\n\n€ 280.200\n\n [B.V. 1]\n\nAugustus 2020\n\n€ 265.733\n\n [B.V. 1]\n\nDecember 2020\n\n€ 388.064\n\n [B.V. 1]\n\nJuni 2021\n\n€ 457.631\n\n [B.V. 2] en [B.V. 3]\n\nJuli 2021\n\n€ 570.682\n\n [B.V. 2] en [B.V. 3]\n\nAugustus 2021\n\n€ 266.509\n\n [B.V. 3]\n\nSeptember 2021\n\n€ 95.168\n\n [B.V. 3]\n\nOktober 2021\n\n€ 155.335\n\n [B.V. 3] en [Bedrijf 4]\n\nNovember 2021\n\n€ 271.424\n\n [Bedrijf 4]\n\nDecember 2021\n\n€ 202.329\n\n [Bedrijf 4]\n\nJanuari 2022\n\n€ 199.371\n\n [Bedrijf 4]\n\n2.4.2.. Volgens de facturen hebben de genoemde vier ondernemers in de vermelde maanden steeds zowel aan [Handel] leveringen verricht, als goederen van [Handel] betrokken. De facturen voor de leveringen aan [Handel] werden door [Handel] opgesteld (‘self-billing’). De facturen ter zake van de leveringen door [Handel] aan de genoemde vier ondernemers werden eveneens door [Handel] opgesteld.\n\n2.5.. Tot de stukken van het geding behoren overeenkomsten tussen [Handel] en de vier ondernemers op grond waarvan maandelijks de op de aan- en verkoopfacturen vermelde en over en weer verschuldigde bedragen werden verrekend.\n\n2.6.. De Inspecteur heeft aanvankelijk de verzoeken om teruggaaf geweigerd, omdat volgens hem de vier hiervoor genoemde ondernemers btw-fraude hadden gepleegd en [Handel] wist of had moeten weten dat zij met de aan- en verkoop van deze goederen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, althans dat zij niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verlangd om ervoor te zorgen dat zij door de handelingen die zij verrichtte niet betrokken raakte bij belastingfraude.\n\n2.7.. \n\nMet dagtekening van 15 november 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende laten weten voor de beoordeling van de bezwaarschriften, die belanghebbende tegen de weigering had ingediend, nadere informatie nodig te hebben en heeft hij haar gevraagd om:\n\n“ - Alle correspondentie en schriftelijke vastlegging met betrekking tot de quotaties van de orders, de kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of [Handel] , de inspectie van de goederen, vastlegging van het land van herkomst van de goederen en vastlegging van tijdstip en plaats van de leveringen;\n\n- Alle informatie, correspondentie en overige stukken over de wijze waarop deze leveringen tot stand zijn gekomen;\n\n- Alle interne en externe correspondentie met betrekking tot deze leveringen;\n\n- De schriftelijke vastlegging van de leveringen aan [Handel] ;\n\n- Indien is afgeweken van de algemene voorwaarden de schriftelijke vastlegging hiervan;\n\n- Indien mondeling afspraken zijn gemaakt de schriftelijke vastlegging hiervan.”\n\n2.8.. In de e-mail van 25 november 2022 liet de Inspecteur in reactie op een bericht van belanghebbende van de dag ervoor weten dat zijn verzoek om informatie betrekking had “op de beoordeling van de voorbelasting in kwestie” en bood hij haar de gelegenheid alsnog aan het verzoek om informatie te voldoen. Belanghebbende heeft in haar e-mail van 29 november 2022 aan de Inspecteur laten weten dat hij wat haar betreft uitspraak op de bezwaarschriften kon doen op basis van het dossier zoals hem dat op dat moment ter beschikking stond. De daaropvolgende uitnodigingen van de Inspecteur voor een hoorzitting zijn zonder reactie gebleven.\n\n2.9.1.. Bij brief van 3 februari 2023 aan de curator van [Handel] kondigde de Inspecteur aan de bezwaarschriften te zullen afwijzen en gaf hij de motivering daarvoor. In deze brief stelde hij voorop:\n\n“Ik kom tot de conclusie dat [Handel] geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. [Handel] heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de materiële vereisten van artikel 15 Wet OB is voldaan. Meer specifiek neem ik het standpunt in dat [Handel] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de goederen daadwerkelijk zijn geleverd aan [Handel] .”\n\n2.9.2.. Voorts handhaafde de Inspecteur, subsidiair, zijn standpunt dat [Handel] had moeten weten dat haar leveranciers btw-fraude pleegden, althans niet alles had gedaan dat redelijkerwijs van haar verwacht had kunnen worden om niet bij dergelijke fraude betrokken te raken. De Inspecteur heeft de bezwaren vervolgens afgewezen.\n\nOnderzoek [naam onderzoek]\n\n2.10.. Het Team Financieel-economische Criminaliteit van de Politie heeft onderzoek gedaan naar onder meer de (handels)activiteiten van [Handel] en de bij deze onderneming betrokken personen en handelspartners.\n\n2.11.. Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:\n\n“Samenvatting\n\nDoor [Handel] worden grote sommen geld (in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000) overgemaakt naar de [buitenlandse] bankrekening van [Ltd. 5] uit [buitenland 1] (hierna te noemen: \" [Ltd. 5] \"). De documentatie doet vermoeden dat deze betalingen zien op goud- en kabelaankopen door [Handel] bij [Ltd. 5] . Op haar beurt lijkt [Ltd. 5] goud en kabel te kopen van [Ltd. 6] (hierna te noemen: \" [Ltd. 6] \") van de [buitenland 2] . [Handel] verkoopt het goud en kabel vervolgens door aan een viertal bedrijven in Nederland (en éénmaal aan een bedrijf in [buitenland 3] ). [Handel] koopt bij deze bedrijven juist andere metalen in en verkoopt deze vervolgens door aan [Ltd. 5] , die het op haar beurt weer aan [Ltd. 6] verkoopt. Deze goederenstroom loopt derhalve in tegengestelde richting aan de goud- en kabelstroom. Alle partijen in deze keten hebben overeenkomsten van verrekening met hun handelspartners gesloten. De verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van goud en kabel worden op basis hiervan verrekend met de verschuldigde betalingen voor de aan- en verkopen van andere metalen. Vereenvoudigd is deze keten als volgt schematisch weer te geven:\n\n[Afbeelding verwijderd in verband met pseudonimisering]\n\nHet ziet er naar uit dat [Handel] , ook na verrekening, meer verschuldigd is aan [Ltd. 5] dan andersom. Over de periode medio 2019 tot en met begin 2022 maakt [Handel] immers in totaal bijna EUR 26 miljoen en USD 825.000 over naar [Ltd. 5] . In diezelfde periode zijn slechts drie overboekingen van [Ltd. 5] naar [Handel] geweest van totaal ruim GPS 252.000. Hierbij dient te worden opgemerkt dat [Handel] en [Ltd. 5] ook contante betalingen kunnen hebben gedaan, maar hierover is op dit moment nog niets te zeggen.\n\nEr zijn echter diverse aanwijzingen dat de goud- en kabel(door-)leveringen in het geheel niet hebben plaatsgevonden of in ieder geval niet in de omvang zoals die wordt voorgesteld:\n\n1. [Handel] heeft geen bedrijfseconomische reden voor de aan- en verkoop van goud, omdat de winst marginaal is;\n\n2. Het door [Handel] aan derden geleverde goud wordt niet doorverkocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;\n\n3. De door derden aan [Handel] geleverde andere metalen worden niet ingekocht, althans dit is niet te zien op de bankrekeningen van deze derden;\n\n4. Weegbonnen en transportdocumenten ontbreken;\n\n5. Het door [Handel] ingekochte goud ligt al op de werf van [Handel] ;\n\n6. Transport van andere metalen van [Ltd. 5] naar [Ltd. 6] moet naar het adres van een schoenzolenfabrikant in [buitenland 4] ;\n\n7. Transporten van andere metalen hebben niet plaatsgevonden, dus de goud- en kabeltransporten waarmee wordt verrekend vermoedelijk ook niet;\n\n8. [Ltd. 6] betaalt aan [FZE 7] van [B] (die zoals eerder beschreven in Encrochat en Sky ECC voorkomt met betrekking tot witwassen en verdovende middelen en over geld in [buitenland 5] wil beschikken);\n\n9. [Ltd. 6] betaalt aan [FZCO 8] en [FZCO 9] . Alle drie de bedrijven komen voor in Sky ECC met betrekking tot gefingeerde goudcontracten;\n\n10. [Ltd. 5] komt in Sky ECC onder andere voor met betrekking tot de aankoop van suiker, terwijl [Ltd. 5] en [Handel] niet in suiker handelen.”\n\n2.12.. Het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] vermeldt onder meer:\n\n“ [Handel B.V.] levert op papier metalen aan [Ltd. 5] , een\n\nonderneming van [C] . Deze metalen moeten in opdracht van [Ltd. 5] worden vervoerd naar het vestigingsadres (postbus) van de onderneming [SRO 10] in [buitenland 6] , welke op papier onder leiding staat van [D] . Transporteurs die door [Ltd. 5] voor deze transporten zijn ingeschakeld betreffen transportondernemingen in [buitenland 6] . Zij zijn benaderd door de autoriteiten in [buitenland 6] en geconfronteerd met de transportdocumenten. Zij ontkennen dat de transportdocumenten van hen zijn en dat zij de transporten hebben uitgevoerd. Zij geven ook aan geen zakelijke relatie met [Ltd. 5] en\u002Fof [Handel B.V.] te onderhouden.\n\n [Ltd. 5] heeft op papier de metalen doorverkocht aan [Ltd. 6] , een onderneming welke op papier onder leiding staat van [D] .\n\n [Ltd. 5] verkoopt goud aan [Handel B.V.] . Er zijn wel facturen en afleverbewijzen aangetroffen van deze verkopen maar geen transportdocumenten. Gebleken is dat [Handel B.V.] dit goud heeft doorverkocht aan ondernemingen in Nederland. De Belastingdienst heeft getracht deze handel te verifiëren in de administraties van deze ondernemingen maar de administraties van deze ondernemingen zijn niet aangetroffen, onvolledig en\u002Fof verdwenen.\n\nUit analyse van de bankrekeningen van deze ondernemingen zijn geen ontvangsten uit de verkopen van goud gebleken. Daarmee wordt het vermoeden versterkt dat goudleveringen niet hebben plaatsgevonden. Voornoemde Nederlandse ondernemingen zijn veelal ook de ondernemingen waar [Handel B.V.] haar metalen heeft ingekocht die zij doorverkoopt aan [Ltd. 5] .\n\n(…)\n\nTransportondernemingen in [buitenland 6] ( [Transportonderneming 11] , [Transportonderneming 12] en [Transportonderneming 13] ), welke door [Ltd. 5] zouden zijn ingehuurd voor transport van handel met\u002Fvan [Handel B.V.] naar [SRO 10] , zijn geconfronteerd met transportdocumenten. Alle drie geven aan dat zij de transporten niet hebben uitgevoerd, geen relatie hebben met [Handel B.V.] en\u002Fof [Ltd. 5] en dat de stempels op de CMR documenten niet van hen zijn.\n\nEen transportonderneming in [buitenland 4] ( [Transportonderneming 14] ), welke door [Ltd. 5] zou zijn ingehuurd voor handel met [B.V. 15] naar [SRO 10] , geeft aan dat transporten wel zijn uitgevoerd maar dat de materialen zijn afgeleverd bij [B.V. 1] in Nederland en niet in [buitenland 6] zoals het CMR-document vermeldt. [E] zou de vertegenwoordiger van [Ltd. 5] zijn en hij voerde alle contacten met [Transportonderneming 14] .\n\nDe transporten in opdracht van [Ltd. 5] vermelden op de transportdocumenten dat de materialen afgeleverd moeten worden bij [SRO 16] (danwel [SRO 10] \u002F [SRO 17] ) in [buitenland 6] op het adres van deze onderneming, te weten [adres] in [buitenlandse woonplaats] . Deze locatie betreft een virtueel kantoor zonder opslagruimtes. Uit het controlesysteem voor btw-nummers (VIES) zijn geen aangiftes van goederen of diensten van de andere lidstaten voor deze onderneming gebleken. De Belastingdienst in [buitenland 6] heeft geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat transporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.”\n\n2.13.. Het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer […] vermeldt onder meer:\n\n“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [ [Handel] ] (…)\n\nTijdens deze doorzoeking is administratie in beslag genomen, waaronder administratie uit het kantoor van [F] (…).\n\nOp de grote tafel werd een stapel papieren aangetroffen en in beslaggenomen (…). Het grootste deel van deze stapel papieren betroffen 69 leveringsbonnen.\n\nDe leveringsbonnen betreffen bewijzen dat door [Handel] goederen zijn geleverd aan een afnemer. Zowel de leverancier als de afnemer dienen voor de levering te tekenen. Alle leveringsbonnen zijn blanco op de naam en de handtekening van de afnemer na. De afnemer op alle leveringsbonnen is [G-1] . Onder zijn naam staat een handtekening. Als de naam [G-2] in blauwe kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in de blauwe kleur. Als de naam [G-1] in zwarte kleur is geschreven, dan is de handtekening ook in zwarte kleur.\n\nAlle handtekeningen lijken op elkaar, met dien verstande dat meestal de handtekening uit de letters T en F bestaat en enkele malen is de volledige naam van [G] in de handtekening verwerkt.\n\nUit bovenstaande blijkt dat [G-1] kennelijk al getekend voor de ontvangst van goederen afkomstig van [Handel] die nog niet geleverd zijn.”\n\nBevindingen [B.V. 1]\n\n2.14.1.. Van 3 januari 2020 tot en met 8 april 2021 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van metalen van [B.V. 1]\n\n2.14.2.. Bestuurders van [B.V. 1] waren van 26 november 2019 tot en met 1 januari 2020 [B.V. 18] , van 1 januari 2020 tot en met 1 april 2021 de heer [G-1] en vanaf 1 april 2021 [Stichting 19] . Bestuurder van [Stichting 19] is de heer [H] .\n\n2.14.3.. Aandeelhouder van [B.V. 1] was van 26 november 2019 tot en met 23 juni 2020 [B.V. 18] en van 23 juni 2020 tot en met 1 juli 2021 [B.V. 18] voor 25% en de heer [G-1] voor 75%. Directeur en aandeelhouder van [B.V. 18] is de heer [I] .\n\n2.14.4.. \n\nOp 27 september 2021 is bij de KvK geregistreerd dat [B.V. 1]\n\n is ontbonden door middel van een ontbindingsbesluit. In het Handelsregister van de KvK is opgenomen \"op 27-09-2021 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 1-7-2021\".\n\n2.15.1.. Tijdens de doorzoeking bij [Handel] zijn diverse weegbonnen aangetroffen waarbij is aangegeven dat [B.V. 1] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar belanghebbende. Deze weegbonnen zijn blauw van kleur en er staat \"Origineel\" op geschreven. Achter diverse weegbonnen zitten witte weegbonnen met dezelfde gegevens, echter met een andere opdrachtgever dan [B.V. 1] De opdrachtgevers zijn dan [Bedrijf 20] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 21] .\n\n2.15.2.. Daarnaast werd in de kantoorruimte van [F] blanco briefpapier van [B.V. 1] aangetroffen.2.15.3.. Tijdens de doorzoeking bij belanghebbende zijn ook diverse CMR’s aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen met documentcode […] staat hierover het volgende vermeld:\n\n“Een CMR bestaat uit 4 delen:\n\nDeel 1: rode opdruk voor afzender\n\nDeel 2: blauwe opdruk voor ontvanger\n\nDeel 3: groene opdruk voor vervoerder\n\nDeel 4: zwarte opdruk voor tweede vervoerder (indien aanwezig)\n\nUit de aangetroffen CMR's blijkt dat telkens [SRO 17] de opdrachtgever is voor het transporteren van metalen naar [Handel] . De transporten zijn uitgevoerd door:\n\n(…)\n\nOpvallend is dat zowel deel 1 (bedoeld voor de afzender\u002Fopdrachtgever), deel 3 (bedoeld voor de vervoerder) en deel 4 (voor een eventuele tweede vervoerder) aanwezig waren, terwijl deel 2 (voor de ontvanger) bij verreweg de meeste CMR's ontbreken.\n\nDeel 1 zou in het bezit moeten zijn van [SRO 17] .\n\nDeel 2 zou in het bezit moeten zijn van [Handel] .\n\nDeel 3 en 4 zouden in het bezit moeten zijn van de vervoerders. (…)”\n\n2.16.. Uit de bankrekeningen van [B.V. 1] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.\n\nBevindingen [B.V. 2]\n\n2.17.. \n\nVan 1 april 2021 tot en met 26 juli 2021 heeft belanghebbende self-billing\n\nfacturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [B.V. 2] Enig aandeelhouder en bestuurder sinds de oprichting is [J] .\n\n2.18.. \n\nOp 12 december 2022 en 26 januari 2023 is [J] verhoord in het onderzoek [naam onderzoek] . [J] heeft verklaard dat hij een katvanger is en niets weet van belanghebbende. [J] verklaart dat hij niet weet wat de naam van zijn onderneming is en geeft aan de onderneming nooit te hebben gezien. [J] verklaart niets af te weten van de self-billing facturen van [Handel] . Ook verklaart hij dat de handtekeningen op de\n\ndocumenten, waaronder de afleverbonnen, niet van hem zijn. [J] geeft aan niets te weten van de handel met belanghebbende en geeft aan ook geen koopovereenkomst te zijn aangegaan met [Handel] . Hij heeft geen kennis van de leveringen van [B.V. 2] aan belanghebbende. Met betrekking tot de stempel op de overeenkomst tussen [Handel] en [B.V. 2] verklaart [J] dat hij deze stempel nooit heeft gezien.\n\n2.19.1.. In een proces-verbaal van bevindingen met BVH nummer […] staat onder meer:\n\n“Op 11 en 12 oktober 2022 vond een doorzoeking plaats bij [Handel B.V.] (hierna: [Handel] )\n\n(…)\n\nIn voornoemde kantoorruimte zijn diverse documenten aangetroffen met betrekking tot de onderneming [B.V. 2](hierna: [B.V. 2] ).\n\n(…)\n\nBlanco CMR documenten\n\nAangetroffen zijn vier originele reeds ingevulde CMR-documenten (deel 1 t\u002Fm 4) van afzender [B.V. 2] en ontvanger [Handel] met [B.V. 2] als transporteur. De documenten zijn al ondertekend door de afzender en de transporteur, zijnde [B.V. 2] .”\n\n2.19.2.. Tijdens de voormelde doorzoeking is ook een bedrijfstempel gevonden van [B.V. 2]\n\n2.20.. Uit de bankrekeningen van [B.V. 2] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.\n\nBevindingen [B.V. 3]\n\n2.21.. Van 31 maart 2021 tot en met 7 oktober 2021 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [B.V. 3]\n\n2.22.. \n\nUit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [B.V. 3] een\n\nvennootschap is, waarvan [B.V. 22] de bestuurder en enig aandeelhouder is. Van die Holding is sinds de oprichting de bestuurder en enig aandeelhouder [K] . Sinds 18 september 2020 is [Stichting 19] zelfstandig bevoegd medebestuurder van de Holding. Van die Stichting is [H] de bestuurder.\n\nDe correspondentie namens [B.V. 3] wordt gevoerd door [G-1] en [I] hoewel deze personen - op papier - geen bemoeienissen hebben met [B.V. 3] In deze correspondentie worden de verkopen en inkopen in kaart gebracht.\n\n2.23.. Uit de bankrekeningen van [B.V. 3] blijkt niets van een inkoop van metalen bij derden.\n\nBevindingen [Bedrijf 4]\n\n2.24.. Van 1 oktober 2021 tot en met 19 januari 2022 heeft belanghebbende self-billing facturen inclusief btw opgemaakt voor aankopen van [Bedrijf 4] . [Bedrijf 4] is de eenmanszaak van [A] .\n\n2.25.. \n\nOp 2 februari 2023 is [A] als getuige verhoord in het onderzoek [naam onderzoek]\n\nHij verklaart tijdens het verhoor dat de naam van belanghebbende ( [Handel] ) hem niets zegt.\n\nDaarbij geeft hij aan niet bekend te zijn met het emailadres van [Bedrijf 4] . [A] geeft aan nooit werkzaam te zijn geweest in de metaalhandel. Hij weet niets af van de omzet, de leveranciers en de afnemers van [Bedrijf 4] . [A] verklaart dat hij tegen een vergoeding van € 200 à 300 zijn handtekening zette onder documenten.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“16. Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Op degene die vorenbedoeld recht op aftrek wil uitoefenen, rust in beginsel de last te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, waaronder de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting.[1]\n\n17. Eiseres heeft gesteld dat de facturen ter zake van de leveringen aan [Handel] in combinatie met de overeenkomsten van verrekening tussen [Handel] en de vier andere partijen zodanig begin van bewijs vormen dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de leveringen van goederen aan eiseres in werkelijkheid niet hebben plaatsgehad.\n\n18. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De facturen ter zake van de gestelde leveringen aan [Handel] zijn door [Handel] zelf opgesteld (‘self-billing’) en zijn naar de stelling van eiseres geheel betaald door middel van verrekening met facturen ter zake van leveringen dóór [Handel] , aan dezelfde ondernemers die volgens de facturen áán haar geleverd zouden hebben, en welke facturen eveneens door [Handel] zijn opgesteld. Gelet hierop maakt eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door verweerder, met enkel deze facturen en overeenkomsten van verrekening naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk dat is voldaan aan de materiële voorwaarde voor het aftrekrecht dat andere ondernemers aan de ondernemer ( [Handel] ) leveringen hebben verricht.\n\n19. Bovendien heeft verweerder de gestelde transacties niet slechts bloot weersproken, maar is door hem gesteld dat de door de vier ondernemers in de desbetreffende periode verantwoorde btw maar een fractie bedraagt wat het had moeten zijn op basis van de facturen; dat één van de vier ondernemers kort na de laatste (gestelde) transacties met eiseres is ontbonden en dat van de andere drie het btw-identificatienummer is ingetrokken; en dat bij de vier ondernemers ten dele dezelfde natuurlijke personen betrokken zijn.\n\n20. Eiseres heeft gesteld dat verweerder te lang heeft gedaan over het nemen van de afwijzende beschikkingen en hij pas in de bezwaarfase het standpunt heeft betrokken dat eiseres de leveringen aan [Handel] met bewijs diende te staven. Hierin volgt de rechtbank eiseres niet. Verweerder heeft eiseres bij brief van 12 oktober 2022 laten weten ter beoordeling van de bezwaarschriften nadere informatie nodig te hebben en heeft gepreciseerd welke gegevens hij in dat verband wenste te ontvangen. Dat waren alle gegevens die licht (kunnen) werpen op de totstandkoming en uitvoering van de gestelde leveringen. In zijn e-mail van 25 november 2022 heeft verweerder verduidelijkt die informatie te hebben gevraagd om het recht op vooraftrek te kunnen beoordelen. Eiseres heeft geen informatie verstrekt en heeft overigens ook niet gereageerd op de uitnodiging van verweerder voor een hoorgesprek. De uitspraak op de bezwaarschriften is er primair mee gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde leveringen aan [Handel] daadwerkelijk hebben plaatsgehad. Daarmee lag het op de weg van eiseres om de door haar gestelde leveringen met bewijs te onderbouwen.\n\n21. Voor zover eiseres met het voorgaande betoogt dat het door het handelen van verweerder voor haar onmogelijk of onevenredig moeilijk is geworden die leveringen aan te tonen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. De in de vaststellingsovereenkomsten vermelde bedragen tellen op tot leveringen aan [Handel] door de vier genoemde ondernemers van ruim meer dan € 74,5 mln. De rechtbank acht niet voorstelbaar dat transacties met een dergelijk volume niet in ruime mate voor eiseres eenvoudig beschikbare sporen zouden nalaten, mede in aanmerking genomen dat verweerder om die sporen vroeg toen nog niet drie jaar na de oudste en nog niet een jaar na de meest recente transacties waren verstreken. Wat eiseres over het handelen van de verweerder naar voren heeft gebracht, doet naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet eraan af dat zij bewijs had moeten bijbrengen van het werkelijkheidsgehalte van de door haar gestelde transacties.\n\n22. Gelet op wat hiervoor is overwogen behoeft het subsidiaire standpunt van eiseres geen behandeling en dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n(…)\n\n[1] HR 29 september 2017, nr. 15\u002F04099, ECLI:NL:HR:2017:2461.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In geschil is of de onder 1.1 genoemde teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot toewijzing van de teruggaafverzoeken. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\n5.1.. De Rechtbank heeft beslist dat de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel en de motivering die de Rechtbank daarbij in haar uitspraak in overweging 16 tot en met 21 heeft gegeven. Het Hof vult dit oordeel als volgt aan.\n\n5.2.. Belanghebbende wijst erop dat – samengevat – de Inspecteur meerdere jaren bezig is geweest met de beoordeling van haar teruggaafverzoeken en daarbij steeds wisselende standpunten heeft ingenomen. Belanghebbende verzoekt het Hof deze achtergrond tot uitdrukking te laten komen in de bewijslastverdeling.\n\n5.3.. Op grond van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, Wet OB brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden in aftrek de omzetbelasting die door andere ondernemers ter zake van door hen aan die ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht, voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat degene, die voormeld recht op aftrek wil uitoefenen, in beginsel de last heeft te bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan (HR 29 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2461). Het Hof ziet geen aanleiding om in dit geval af te wijken van voormelde bewijsregel. Dit geldt te meer gelet op hetgeen is overwogen onder 5.5.1 tot en met 5.6.5.\n\n5.4.. Ter zitting heeft belanghebbende nog aangevoerd dat zij niet meer informatie heeft met betrekking tot de leveringen waarvoor zij omzetbelasting in aftrek wil brengen omdat haar volledige administratie in beslag is genomen in verband met het strafrechtelijk onderzoek [naam onderzoek] . Bovendien heeft het lang geduurd voordat de Inspecteur vragen ging stellen over de geclaimde aftrek van omzetbelasting, aldus nog steeds belanghebbende.\n\n5.5.1.. Dat belanghebbende als gevolg van de inbeslagname van haar volledige administratie in bewijsnood verkeert, vindt het Hof niet aannemelijk. Uit het strafrechtelijk onderzoek volgt namelijk niet dat in de administratie van belanghebbende meer stukken zijn gevonden met betrekking tot de desbetreffende leveringen dan belanghebbende al heeft overgelegd. Voor zover in de administratie van belanghebbende wel andere informatie is gevonden met betrekking tot die leveringen, is op basis van die informatie niet aannemelijk dat [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] daadwerkelijk leveringen hebben verricht aan [Handel] . Daar komt bij dat de inbeslagname van de administratie heeft plaatsgevonden op 11 en 12 oktober 2022 (2.13), terwijl de Inspecteur op 15 november 2022 (2.7) heeft verzocht om meer informatie met betrekking tot de genoemde leveringen. Dat belanghebbende nu voor het eerst ter zitting van het Hof aanvoert dat sprake zou zijn van bewijsnood omdat haar administratie in beslag is genomen, is dan ook niet geloofwaardig.\n\n5.5.2.. Dat belanghebbende door toedoen van de Inspecteur in bewijsnood is gekomen omdat het lang heeft geduurd voordat de Inspecteur vragen ging stellen over geclaimde aftrek van omzetbelasting, vindt het Hof ook niet aannemelijk. De Inspecteur heeft ter zitting toegelicht, en dit volgt ook uit het dossier (2.4.1), dat hij met betrekking tot tien van de elf aangiften binnen een jaar na ontvangst van de aangifte heeft verzocht om aanvullende informatie. Vervolgens heeft hij in november 2022 (nogmaals) gelegenheid geboden aan belanghebbende om aanvullende informatie te verstrekken waaraan belanghebbende geen behoefte had (2.8).\n\n5.5.3.. Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat uit de overgelegde facturen volgt dat goederen zijn geleverd en de wijze waarop daarvoor is betaald. De Rechtbank motiveert volgens belanghebbende niet waarom deze informatie niet volstaat om het bestaan van de leveringen aannemelijk te maken.\n\n5.6.1.. Anders dan belanghebbende meent, heeft de Rechtbank in overweging 18 en 19 van haar uitspraak voldoende gemotiveerd waarom de door belanghebbende overgelegde ‘self-billing’ facturen niet volstaan om aannemelijk te maken dat [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] leveringen hebben verricht aan [Handel] .\n\n5.6.2.. Daar komt bij dat uit het onderzoek [naam onderzoek] , dat de Inspecteur in hoger beroep heeft ingebracht, volgt dat:\n\n sprake is van onregelmatigheden in de documentatie van de transporten tussen [B.V. 1] en [Handel] ;\n\n de enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 2] onder meer heeft verklaard niets af te weten van de self-billing facturen, dat de handtekeningen op de documenten, waaronder de afleverbonnen, niet van hem zijn en dat hij geen koopovereenkomst is aangegaan met [Handel] ;\n\n tijdens een doorzoeking bij [Handel] blanco CMR-documenten zijn aangetroffen die zijn ondertekend door de afzender en transporteur, zijnde [B.V. 2] ;\n\n tijdens een doorzoeking bij [Handel] een bedrijfsstempel van [B.V. 2] is gevonden en de enig bestuurder en aandeelhouder van [B.V. 2] heeft verklaard deze bedrijfsstempel nooit te hebben gezien;\n\n het onduidelijk is hoe [B.V. 1] , [B.V. 2] en [B.V. 3] aan de grote hoeveelheden metalen zijn gekomen die zij hebben verkocht aan [Handel] aangezien uit de bankrekeningen niet blijkt van inkoop van metalen bij derden;\n\n de eigenaar van [Bedrijf 4] onder meer heeft verklaard dat hij niet bekend is met [Handel] , niet bekend is met het emailadres van [Bedrijf 4] , nooit werkzaam te zijn geweest in de metaalhandel en niets afweet van de omzet, leveranciers en afnemers van [Bedrijf 4] en hij voor een vergoeding van € 200 à 300 zijn handtekening zette onder documenten.\n\n5.6.3.. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6.1 en 5.6.2 heeft de Inspecteur gemotiveerd betwist dat de leveringen aan [Handel] door [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] hebben plaatsgevonden. De door belanghebbende zelf opgestelde facturen en de overgelegde verrekeningsovereenkomsten die onder andere zijn ondertekend door zogenaamde ‘katvangers’ zijn, zoals de Rechtbank al heeft overwogen, dan niet voldoende om aannemelijk te maken dat belanghebbende aan de voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek heeft voldaan.\n\n5.6.4.. Bovendien volgt uit de algemene voorwaarden (“ [Handel] 2020 general procurement terms and conditions”) van belanghebbende dat sprake zou zijn van offertes van de orders (artikel 3 van de algemene voorwaarden), vastlegging van het land van herkomst (artikel 4 van de algemene voorwaarden), kwaliteitscontrole van de goederen door de leveranciers of belanghebbende (artikel 5 van de algemene voorwaarden), inspectie van de goederen (artikel 6 van de algemene voorwaarden), vaststelling van het tijdstip en de plaats van de leveringen (artikel 7 van de algemene voorwaarden), garanties met betrekking tot gevaarlijke stoffen (artikel 8 van de algemene voorwaarden) en de vaststelling van het gewicht en de prijs van de goederen.\n\n5.6.5.. Gelet op het standpunt van belanghebbende dat de leveringen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, de algemene voorwaarden en de bedragen waarvoor aan belanghebbende zou zijn geleverd, is het dan onbegrijpelijk dat belanghebbende niet meer stukken kan overleggen met betrekking tot de betwiste leveringen dan de facturen en verrekeningsovereenkomsten.\n\n5.6.6.. Dit geldt temeer omdat belanghebbende onder andere handelt in metalen waarop in bepaalde gevallen, genoemd in artikel 12, lid 5, Wet OB in verbinding met artikel 24 bb, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968, een verleggingsregeling geldt. In dit verband heeft belanghebbende zowel self-billing facturen opgesteld met toepassing van de verleggingsregeling als self-billing facturen waarop de verleggingsregeling niet is toegepast. Uit de door belanghebbende opgestelde facturen blijkt onvoldoende om wat voor goederen het gaat, omdat deze niet nader zijn gespecificeerd. Ook bestaan onduidelijkheden met betrekking tot het vervoer van de metalen. Hierdoor is met betrekking tot de gestelde leveringen door [B.V. 1] , [B.V. 2] , [B.V. 3] en [Bedrijf 4] aan [Handel] niet duidelijk of daarop voormelde verleggingsregeling van toepassing is. Gelet op de verschillende btw-regimes die belanghebbende toepast, mag van haar worden verwacht dat zij een zorgvuldige administratie bijhoudt van de desbetreffende leveringen door vermelde vier ondernemers. Dat heeft zij nagelaten, waardoor zij de door haar gestelde bewijsnood zelf heeft veroorzaakt.\n\nSlotsom\n\n5.7.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\n6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nR. Wijkstra L.D.M.A Reijs\n\nDe beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2025:2836","ecli-nl-ghdha-2025-2836",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":49,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]