[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-2122":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-2122":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1416","ECLI:NL:GHDHA:2026:2122","",58,"Den Haag","den-haag","2026-07-01T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-001626-20\n\nParketnummer: 10-996667-16\n\nDatum uitspraak: 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de economische kamer van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1973,\n\nadres: [woonadres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden. Tevens is beslist op het beslag, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2015\n\nte Rotterdam, in elk geval (elders) in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) opzettelijk\n\ngebruik heeft gemaakt van (een) valse en\u002Fof vervalste factu(u)r(en) gericht aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna RST ), te weten:\n\nTOS\n\n1. factuur [factuurnummer 1] van [naam bedrijf 1] gedateerd 11-08-2014 [DOC-025];\n\n2. factuur [factuurnummer 2] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 26-01-2015 [DOC-026 p.4\u002F9]; en\u002Fof\n\nTechniek\n\n3. factuur [factuurnummer 3] van [naam bedrijf 1] gedateerd 17-11-2014 [DOC-196, p.5];\n\n4. factuur [factuurnummer 4] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-196, p.44]; en\u002Fof\n\nADO\n\n5. factuur [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-219, p.17];\n\n6. factuur [factuurnummer 6] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 12-10-2015 [DOC-219, p.16]; en\u002Fof\n\nHospitality\n\n7. factuur [factuurnummer 7] van [naam bedrijf 1] gedateerd 12-11-2014 [DOC-180, p.1]; en\u002Fof\n\nFiscaal Advies\n\n8. factuur [factuurnummer 8] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-108];\n\n9. factuur [factuurnummer 9] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-118]; en\u002Fof\n\n [naam winkel]\n\n10. factuur [factuurnummer 10] van [naam bedrijf 1] gedateerd 29-10-2014 [DOC-085];\n\n11. factuur [factuurnummer 11] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-091]; en\u002Fof\n\nSponsoring\n\n12. factuur [factuurnummer 12] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-184, p.3];\n\n13. factuur [factuurnummer 13] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 08-04-2015 [DOC-184, p.6];\n\n- ( elk) zijnde (een) geschrift(en) dat\u002Fdie bestemd was\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen –\n\nals ware(n) het\u002Fdeze echt en onvervalst, dan wel dit\u002Fdeze geschrift(en) heeft afgeleverd en\u002Fof voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit\u002Fdeze geschrift(en) bestemd was\u002Fwaren voor gebruik als ware(n) die\u002Fdeze echt en onvervalst,\n\nbestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in\u002Fop dat\u002Fdie geschrift(en) de levering aan RST van de op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen of diensten was vermeld tegen de op die factu(u)r(en) vermelde bedrag(en)\u002Fprijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen en\u002Fof minder levering(en) aan RST heeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof, geen en\u002Fof minder diensten waren verricht door de\u002Fhet op die factu(u)r(en) vermelde bedrijven\u002Fbedrijf en\u002Fof tegen de op die factu(u)r(en) vermelde bedrag(en)\u002Fprijs,\n\nen\n\nbestaande dat gebruikmaken en\u002Fof afleveren (telkens) hierin dat hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) die factu(u)r(en) aan ((een) medewerker(s) van de Financiële Administratie van) RST en\u002Fof [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam medeverdachte 2] heeft\u002Fhebben toegezonden en\u002Fof ter hand gesteld, en\u002Falthans doen toekomen en\u002Fof doen ter hand stellen;\n\n2.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016\n\nte Rotterdam, Den Haag, Almere en\u002Fof Oostvoorne, althans (elders) in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof een valse hoedanigheid en\u002Fof door één of meer listige kunstgre(e)p(en) en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels,\n\nRotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ) (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en\u002Fof het teniet doen van een inschuld, te weten een totaalbedrag van (circa) afgerond EUR 2.625.000,-, althans enig(e) geldbedrag(en),\n\nhebbende hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk, listiglijk, bedrieglijk en\u002Fof in strijd met de waarheid (telkens)\n\n- één of meer factu(u)r(en) ten name van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en\u002Fof [naam bedrijf 2] . opgemaakt en\u002Falthans laten opmaken in het kader van:\n\nTOSvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 284.079,- (als opgenomen in AMB-030, dossierpagina's 000317-000318);\n\nTechniekvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 1.389.238,- (als opgenomen in AMB-028 en DOC-196, dossierpagina 000258 resp. 002587);\n\nADO skyboxvoor een totaalbedrag van (circa) EUR419.392,-\n\nHospitalityvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.800,- (als opgenomen in AMB-026, dossierpagina 000239);\n\nFiscaal adviesvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 149.423,- (als opgenomen in AMB-022, dossierpagina 000204);\n\n [naam winkel] Incentivevoor een totaalbedrag van (circa) EUR 181.197,50 (als opgenomen in AMB-019, dossierpagina 000186);\n\nSponsoringvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.297,- (als opgenomen in AMB-027, dossierpagina 000247);\n\nen\u002Fof\n\n- op die factu(u)r(en) (al dan niet gedeeltelijk) fictieve leveringen van goederen en\u002Fof diensten, en daarop gebaseerde factuurbedragen vermeld en\u002Falthans laten vermelden;\n\n- die factu(u)r(en) aan RST ter attentie van [naam medeverdachte 1] toegezonden en\u002Fof doen toekomen, en\u002Falthans aan [naam medeverdachte 2] overhandigd;\n\n- die factu(u)r(en) voor betaling gecontroleerd en\u002Fof goedgekeurd, en vervolgens aan de afdeling Financiële Administratie van RST doorgestuurd;\n\nwaardoor die RST (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);\n\nsubsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij\n\nop één of meer tijstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016\n\nte Rotterdam, Den Haag, Almere en\u002Fof Oostvoorne, althans (elders) in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n (telkens) opzettelijk één of meer goed(eren), te weten een of meer gedbedrag(en) tot een totaal van circa (afgerond) EUR 2.625.000,-,\n\ndat\u002Fdie geheel of ten dele toebehoorde(n) aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), en welk(e) goed(eren) hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) uit hoofde van zijn\u002Fhun persoonlijke dienstbetrekking en\u002Fof beroep van\u002Fals operationeel directeur en\u002Fof manager Finance & Control en\u002Fof interim projectmanager Terminal Operating System (TOS) van RST , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;\n\n3.\n\nhij\n\nop een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 6 oktober 2016\n\nte Oostvoorne, gemeente Westvoorne, en\u002Fof Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\na. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans enig(e) geldbedrag(en),\n\nheeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen en\u002Fof omgezet, en\u002Fof van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt,\n\nen\u002Fof\n\nb. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans van enig(e) geldbedrag(en),\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was\u002Fwaren, en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) van het plegen van dat feit een gewoonte heeft\u002Fhebben gemaakt.\n\nOntvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging\n\nNamens de verdachte is bepleit dat het OM niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, nu niet kan worden gesteld dat het OM het gezag heeft gevoerd over het opsporingsonderzoek en omdat geen sprake is geweest van een onafhankelijk onderzoek door het OM.\n\nHet hof stelt voorop dat, volgens vaste jurisprudentie, de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als dominus litis, een in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Het moet dan gaan om een zodanig ernstige en onherstelbare inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.\n\nOfschoon geen van de aan het niet-ontvankelijkheidsverweer ten grondslag liggende argumenten voldoende en concreet zijn onderbouwd, overweegt het hof het volgende. Duidelijk is dat de Fiod, onder gezag van de officier van justitie, naar aanleiding van de aangifte mede op basis van het onderzoek van [naam advocatenkantoor] en [naam zakelijke dienstverlener] (zie hierna onder het kopje ‘Feiten en omstandigheden’), een eigen en zelfstandig onderzoek heeft gevoerd waarbij (digitale) stukken zijn in beslag genomen, welke stukken aan, onder andere, de verdachten zijn voorgehouden, een fors aantal getuigen is gehoord en ook verdachte is verhoord. Er is derhalve sprake van een zelfstandig en onafhankelijk onderzoek onder leiding van de officier van justitie, waarbij de officier van justitie als gebruikelijk de omvang van dat onderzoek heeft bepaald. Noch uit het dossier noch uit hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht zijn aanwijzingen af te leiden dat sprake is geweest van een inbreuk, laat staan een ernstige en onherstelbare, op het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het voegen van het [naam zakelijke dienstverlener] -rapport aan het strafdossier kan niet als zodanige aanwijzing worden aangemerkt, ook niet als dat rapport het resultaat is van een beperkte onderzoeksopdracht. Ook de beslissing van de officier van justitie om de tegen de verdachte ingestelde ontnemingsvordering in te trekken nadat hem was gebleken dat RST tegen de verdachten een civiele procedure was gestart ter verhaal van de geleden schade, is niet zo’n aanwijzing, onder meer nu aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering kunnen worden gebracht op het in een ontnemingsprocedure vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel (vgl art. 36e lid 9 Sr).\n\nHet hof concludeert uit het voorgaande dat geen sprake is van enig vormverzuim in het vooronderzoek in de zin van artikel 359a lid 1 Sv waaraan enig rechtsgevolg moet worden verbonden. Het OM is ontvankelijk in zijn vervolging.\n\nHet hof verwerpt het ter zitting gedane voorwaardelijke verzoek om de behandelend officier van justitie te horen nu de noodzaak daartoe ontbreekt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nGebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs\n\nNamens de verdachte is – op gronden zoals vermeld in pleitnota van de raadsman – bepleit dat de verklaringen van aangever RST en alle medewerkers van RST mede gelet op de destijds aanwezige bedrijfscultuur, naar de mening van de verdachte veroorzaakt en in stand gehouden door algemeen directeur [naam algemeen directeur] , onbetrouwbaar zijn en niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.\n\nHet hof overweegt te dien aanzien dat er geen enkele aanleiding bestaat om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de genoemde getuigen. Niet vanwege de bedrijfscultuur en evenmin om andere redenen. Zie nader hierna bij de overwegingen van het hof naar aanleiding van het tweede feit (de oplichting).\n\nWaardering van het bewijs en bespreking van de verweren\n\nFeiten en omstandigheden\n\n [naam verdachte] werd vanaf 1 september 2013 door RST ingehuurd voor het begeleiden van de implementatie van nieuwe Terminal Operating Software (hierna:TOS). In eerste instantie werd hij ingehuurd via zijn eenmanszaak [naam bedrijf 1] , later via zijn vennootschap [naam bedrijf 2] . i\u002Fo. en [naam bedrijf 2] . (hierna beiden: [naam bedrijf 2] ). [naam 1] (een nichtje van [naam verdachte] ) is oprichter en bestuurder van [naam holding] Op de facturen van [naam bedrijf 1] staat vermeld dat betaald dient te worden op een bankrekening ten name van [naam 1] [naam 2] (de zus van [naam verdachte] ).\n\nIn de jaren 2013 tot en met 2016 ontvangt RST in totaal 315 facturen van deze ondernemingen. Verder is nog van belang dat op het TOS-projectdoor drie verschillende bedrijven werd ingeschreven. Eén daarvan was [naam bedrijf 3] . De onderneming [naam bedrijf 4] , waarvan [naam directeur bedrijf 4] directeur was, was aandeelhouder van [naam bedrijf 3] . Verschillende verklaringen in het dossier wekken de suggestie dat [naam bedrijf 3] de TOS-opdracht heeft verworven nadat [naam bedrijf 4] had beloofd aan acht managers van RST een bedrag van € 75.000,00 te geven dan wel bij die acht managers verbouwingen ter waarde van € 75.000,00 uit te voeren waarvoor niet betaald hoefde te worden.\n\nEind februari 2016 heeft de accountant van Rotterdam Short Sea Terminals (hierna:\n\nRST ) de kasadministratie gecontroleerd en geconstateerd dat onregelmatige facturen zijn ingediend op naam van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Vervolgens is in opdracht van [naam bedrijf 5] (hierna: [naam bedrijf 5] ), de moedermaatschappij van RST , een nader onderzoek ingesteld naar de betalingen op facturen aan [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Dit onderzoek werd uitgevoerd door [naam advocatenkantoor] , die daarbij [naam zakelijke dienstverlener]\n\n (hierna: [naam zakelijke dienstverlener] ) heeft ingeschakeld. Naar aanleiding van de bevindingen is namens RST aangifte gedaan op 2 juni 2016 en hierbij is het concept rapport van [naam zakelijke dienstverlener] overgelegd. In de periode van 2013 tot en met begin 2016 zouden vanuit [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] voor miljoenen euro's facturen zijn verstuurd voor niet-geleverde diensten. Op basis van de aangifte is door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD) een strafrechtelijk onderzoek gestart. In dit onderzoek heeft de FIOD onder andere [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) en verdachte als verdachten aangemerkt en gehoord.\n\nNa het indienen van de aangifte is RST reeds op 16 juni 2016 een civiele procedure gestart tegen acht partijen waar onder de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] . Bij vonnis van 15 december 2021 is in de civiele procedure uitspraak gedaan. Naar aanleiding van deze civiele uitspraak heeft het openbaar ministerie de aanvankelijk tegen [naam medeverdachte 1] ingestelde ontnemingsvordering ingetrokken. [naam medeverdachte 1] en [naam verdachte] zijn ook in de civiele zaak tegen de uitspraak van de rechtbank in beroep gegaan, op welk hoger beroep ten tijde van dit arrest nog niet is beslist. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] waren in de ten laste gelegde periode in dienstbetrekking werkzaam bij RST . Zij maakten deel uit van het managementteam van RST ; [naam medeverdachte 1] als operationeel directeur en [naam medeverdachte 2] als manager Finance & Control.\n\nOp 18 maart 2016 wordt naar aanleiding van de bevindingen van KPMG aan [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] de toegang tot het RST -kantoor ontzegd. Op 19 maart 2016 vindt op Zestienhoven een overleg plaats waarbij ondermeer [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] aanwezig waren. Eveneens op 19 maart 2016 had [naam medeverdachte 1] een persoonlijk gesprek bij en met algemeen directeur [naam algemeen directeur] , in aanwezigheid van de advocaat van RST . In dit gesprek erkent hij dat hij, aldus de op 21 maart aan [naam medeverdachte 1] verzonden ontslagbrief, samen met [naam verdachte] facturen heeft opgesteld voor niet geleverde diensten, zaken, verschotten, en die facturen samen met een ander heeft geaccordeerd waarna de betalingen vervolgens door RST zijn verricht. Op 20 maart 2016 zendt [naam medeverdachte 1] een e-mail aan [naam algemeen directeur] waarin hij aanbiedt 200.000 terug te betalen en de rest in termijnen en verzoekt de kwestie intern te regelen. Op 21 maart 2016 worden [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] op staande voet ontslagen en wordt de interim overeenkomst met [naam bedrijf 2] opgezegd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft kort samengevat het volgende aangevoerd. Tegenover elke door [naam verdachte] aan RST verzonden factuur stond steeds een prestatie. RST wist hiervan en wist eveneens dat de facturen vals waren en kon daardoor dus niet misleid worden. RST , althans haar aandeelhouder, beschikte over een fraudeverzekering. Deze verzekering bevat een uitsluitingsclausule voor het geval de directeur bij de fraude is betrokken. Om deze reden is door RST \u002F [naam zakelijke dienstverlener] onvoldoende onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van de algemeen directeur bij de fraude. Daardoor is niet alleen het [naam zakelijke dienstverlener] onderzoek (te) eenzijdig, maar ook het daarop gebaseerde strafrechtelijk onderzoek.\n\nDe aangifte van RST en de verklaringen van de RST -getuigen zijn daarom onbetrouwbaar.\n\nRST heeft geprobeerd verschillende RST getuigen te beïnvloeden, hetgeen er eveneens toe heeft geleid dat de RST getuigen onbetrouwbaar zijn. Daarom het voorwaardelijk verzoek [naam 3] (destijds hoofd HR) en mr [naam 4] (destijds advocaat van RST ) als getuige te horen.\n\nTen onrechte zijn de RST pijlen alleen gericht op [naam verdachte] als toeleverancier van producten en diensten. RST heeft de (inmiddels overleden) heer [naam 5] , een andere toeleverancier, ‘gevrijwaard’ van aansprakelijkheid. Mogelijk kan de zoon van de heer [naam 5] meer vertellen over deze vrijwaring en daarom wordt (voorwaardelijk) verzocht ook hem als getuige te horen.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nDe ten laste gelegde facturen betreffen facturen van [naam bedrijf 1] dan wel van [naam bedrijf 2] . Sommige [naam bedrijf 1] facturen vermelden onderin een bankrekening ten name van “ [naam 1] ” (facturen 1 en 7 genoemd in de tenlastelegging). Dit is een nichtje van [naam verdachte] . Andere [naam bedrijf 1] facturen vermelden onderin een bankrekeningnummer ten name van [naam 2] (facturen 3, 8, 10 en 12). Dit betreft de zus van [naam verdachte] . De overige in de tenlastelegging genoemde facturen betreffen facturen van [naam bedrijf 2] (facturen 2, 4, 5, 6, 9, 11 en 13) en noemen twee verschillende rekeningen op naam van [naam bedrijf 2] (eindigend op respectievelijk [eindcijfers 1] en [eindcijfers 2] ). Aldus liet [naam verdachte] de door of namens hem aan RST gezonden facturen uitbetalen op vier verschillende rekeningen.\n\nDe FIOD heeft op basis van de verklaring van onder andere [naam administratief medewerker] (administratief medewerkster RST ) beschreven hoe de werkwijze was bij RST met betrekking tot de facturering en betaalbaarstelling. [naam administratief medewerker] heeft onder andere verklaard dat de facturen over de periode tot 2015 binnen kwamen via de secretaresse bij de boekhouding. Daar werden de facturen vervolgens ingeboekt.De facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] kwamen volgens [naam administratief medewerker] echter niet per post (via de secretaresse) binnen, maar via [naam medeverdachte 2] . Hij kreeg de facturen van [naam verdachte] . Vanaf de invoering van het administratiesysteem Basware (1 januari 2015) werden de digitaal ontvangen facturen eerst op de desbetreffende afdelingen geaccordeerd door [naam getuige 2] , [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam algemeen directeur] . Vervolgens werden ze door [naam administratief medewerker] in de administratie verwerkt. Toen [naam administratief medewerker] navraag deed bij [naam medeverdachte 2] over de verschillende werkzaamheden waarvoor gefactureerd werd door [naam verdachte] namens [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] , verklaarde [naam medeverdachte 2] dat [naam verdachte] verschillende bedrijven had die werkzaam waren bij RST. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] waren vervolgens degenen die veruit de meeste facturen vervolgens controleerden en accordeerden. [naam zakelijke dienstverlener] heeft vastgesteld dat van de 2015-facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] 100% van de facturen van [naam bedrijf 1] en 78% van de facturen van [naam bedrijf 2] werden gecontroleerd en goedgekeurd door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .Voor [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] geldt dat zij bijna alle facturen tekenden.\n\nVoorts heeft [naam zakelijke dienstverlener] vastgesteld dat tussen het moment van goedkeuren van de facturen door [naam medeverdachte 1] en het moment waarop [naam medeverdachte 2] de facturen controleerde veelal slechts enkele seconden zaten. Op 11 maart 2015 heeft [naam medeverdachte 1] op verzoek van [naam verdachte] zelfs zijn inloggegevens aan [naam medeverdachte 2] gegeven.\n\nFeit 1: valsheid in geschrift\n\nIn de strafprocedure heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen om 13 facturen op te\n\nnemen in de tenlastelegging als dwarsdoorsnede van het totaal aantal facturen dat is\n\ningediend door [naam bedrijf 1] dan wel [naam bedrijf 2] bij RST en die ook door RST zijn\n\nuitbetaald. Deze 13 facturen zijn in feit 1 onderverdeeld in 7 categorieën en zullen hieronder\n\nnader worden besproken in dezelfde volgorde als in de tenlastelegging.\n\nTOS project\n\nDe eerste factuur op de tenlastelegging is van [naam bedrijf 1] , gedateerd 11 augustus 2014 en met\n\nnummer [factuurnummer 1] . De factuur heeft als omschrijving 'bezoek terminal buitenland voor\n\nTOS project week 30, 31 en 32' en betreft een bedrag van € 13.019,68.Aan de factuur zijn de volgende bijlagen gevoegd:\n\n- een schrijven van [naam reisbureau] gericht aan [naam verdachte] met de tekst:\n\n“Van 19 juli tot 11 aug 2014 – TOS PROJECT\n\nTotaal bedrag ticket plus hotel Curaçao € 7.393,90\n\nTotaal bedrag ticket plus hotel Paramaribo van € 5.626,38”en\n\n- een voucher op naam van [naam verdachte] voor een verblijf van 3 tot en met 9 augustus 2014 het hotel [naam hotel 1] in Curaçao.\n\nUit de e-mails van [naam reisbureau] van 2 en 13 juni 2024 volgt dat voor het\n\ngezin van [naam verdachte] vliegtickets zijn geboekt voor het traject Amsterdam-Paramaribo-Curaçao in de periode van 28 juli tot en met 9 augustus 2024. Uit de e-mail van 2 juni 2014 volgt dat de totale kosten € 3.968,70 bedroegen.\n\nPer e-mail van 9 augustus 2024 verzoekt [naam verdachte] aan het reisbureau [naam reisbureau] om een nieuwe factuur te maken en de omschrijving en het bedrag van de factuur aan te passen naar de tekst zoals in de hiervoor genoemde bijlage is vermeld.Het totaalbedrag van de reizen is door [naam verdachte] aanzienlijk verhoogd ten opzichte van de in de -mails vermelde kosten. Hierop antwoordt [naam reisbureau] diezelfde dag:Ik begrijp wat je vraagt en ik wil je uiteraard graag van dienst zijn, maar ik kan niet zomaar nieuwe facturen maken naast de bestaande.”Hierna stuurt [naam reisbureau] op 10 augustus 2014 de hiervoor genoemde bijlage met vermelding van de kosten van de reizen naar Curaçao en Suriname.\n\nIn een WhatsApp-gesprek op 9 en 10 augustus 2014 tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] schrijft [naam verdachte] : \" [naam medeverdachte 2] ik krijg een factuur voor min vak maar die wordt opgesteld onder het TOS-project \"; [naam verdachte] vraagt aan [naam medeverdachte 2] de factuur te tekenen en\n\ndeze verklaart zich hiertoe bereid, waarop [naam verdachte] als verdeling appt: \"13k dan geef ik jou\n\n5k. Kan je wat leuks halen voor je vrouwtje \". Met de woorden\"haha deal\"accepteert\n\n [naam medeverdachte 2] het aanbod.\n\nDe bij RST ingediende en door RST betaalde factuur doet het derhalve voorkomen alsof de reiskosten zijn gemaakt in het kader van het TOS-project, terwijl de reis in werkelijkheid een vakantiereis van het gezin [naam verdachte] betrof en een deel van het bedrag aan [naam medeverdachte 2] werd geschonken. De factuur is vals.\n\nDe tweede tenlastegelegde factuur, genummerd [factuurnummer 2] en met als datum 22 oktober\n\n2015, is van [naam bedrijf 2] heeft referentie “Tos terminal visit Dec” en als omschrijving'Aantal 4 Tos team business trip terminal bezoek Singapore ivm demo tos systeem en verbluf [naam hotel 2] in Dec 2015'.Als totaalbedrag staat vermeld € 20.998,34. Uit e-mail wisseling tussen [naam verdachte] en [naam reisbureau] over deze reis volgt dat het gaat om een privé vakantie reis. [naam verdachte] noemt in de e-mail 24 augustus 2015 de namen van zijn gezinsleden en [naam reisbureau] geeft een prijsgave voor een double room waar je met vier personen in mag.\n\nMeerdere personen hebben verklaard dat [naam verdachte] met zijn gezin op vakantie naar\n\nSingapore is geweest en dat [naam verdachte] voor het TOS-project niets in Singapore te zoeken\n\nhad.Voor [naam verdachte] geldt bovendien dat hij ter zitting heeft bekend dat de omschrijving\n\nvan deze factuur niet klopt. Hij is in die periode met zijn gezin op vakantie geweest in\n\nSingapore en heeft dat met een andere omschrijving gefactureerd aan RST .\n\nDaarnaast heeft [naam medeverdachte 1] bij [naam reisbureau] een prijsopgave gevraagd voor een wintersportvakantie. Op 20 oktober 2015 schrijft [naam reisbureau] in een e-mail aan [naam medeverdachte 1] dat zij het hotel [naam hotel 3] voor hem kan boeken. [naam medeverdachte 1] antwoordt: “Super. Gaarne de superior suite de luxe + de comfort tweepersoonskamer. Nota richten aan [naam bedrijf 2] [naam verdachte] , met omschrijving businesstrip ivm TOS Singapore. (Gegevens heb je van hem gaf hij me zojuist aan) Zie de boekingsbevestiging tegemoet.”\n\nDe bij RST ingediende en door RST betaalde factuur doet het derhalve voorkomen alsof de kosten zijn gemaakt in het kader van het TOS-project, terwijl de reis\u002Freizen in werkelijkheid een vakantie betrof(fen). De factuur is vals.\n\nTechniek\n\nDe derde factuur op de tenlastelegging is een factuur van [naam bedrijf 1] met nummer\n\n [factuurnummer 3] , gedateerd 17 november 2014 en met als factuurbedrag € 36.096,72.De factuur vermeldt “Betreft Doorbelasting [omschrijving] div kraanlassen sep, okt en nov” en heeft als omschrijving'doorbelasting lassen div kranen'.\n\nAls vierde factuur op de tenlastelegging staat een factuur van [naam bedrijf 2] met nummer [factuurnummer 4] , gedateerd 26 januari 2015. De referentie luidt “Boot opdr kraan 302” en de omschrijving luidt 'analyse plus noodlas krn 302'.Het betreft een bedrag van € 9.064,55.\n\nOp de telefoon van [naam medeverdachte 2] zijn WhatsApp-gesprekken tussen hem en [naam verdachte]\n\naangetroffen die over deze facturen gaan. Zo wordt er op 26 januari 2015 een foto gestuurd\n\nvan een handgeschreven briefje met diverse omschrijvingen zoals 'analyse kr. 302 +las'\n\nmet een getal van 7.500.[naam medeverdachte 2] geeft in het gesprek aan dat deze omschrijving gelezen\n\nmoet worden als 'Boot opdr kraan 302 analyse en noodlas'. Deze omschrijving komt\n\novereen met de referentie en de beschrijving die op de factuur met nummer [factuurnummer 14] is vermeld. Voor [naam verdachte] geldt dat hij bovendien ter zitting heeft bekend dat de omschrijvingen van de techniek-facturen niet kloppen.\n\nGetuige [naam getuige 1] (hoofd technische dienst RST ) heeft verklaard dat RST altijd vaste partijen heeft voor de op de factuur genoemde werkzaamheden en dat [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] niet tot de vaste partijen behoren.Kraan 302 is dan ook rond 26 januari 2015 daadwerkelijk gerepareerd door een bedrijf genaamd [bedrijf 1] en [naam getuige 1] heeft daarvan een factuur overgelegd aan de FIOD.De omschrijvingen doen het voorkomen alsof sprake is van een reparatie van kranen, terwijl met deze facturen in werkelijkheid privéreizen van [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam verdachte] zijn betaald. Beide tenlastegelegde facturen zijn vals.\n\nADO\n\nDe factuur met nummer [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] , gedateerd 26 januari 2015, is als\n\nvijfde factuur opgenomen in de tenlastelegging. De factuur heeft als referentie 'hospitality'\n\nen als nadere omschrijving ‘Hospitality Ado Jan’. Het bedrag is € 9.068,10 (inclusief BTW).In een WhatsApp-gesprek tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] wordt de totstandkoming van deze factuur besproken. [naam verdachte] stuurt op 26 januari 2015 een foto van een rekenschermpje met het getal 3.494,3 en vraagt:\"Dit zijn de kosten voor hospitality\", \"Wat moet ik er dan van maken?\".[naam medeverdachte 2] vindt hetvervolgens\"ok\"dat [naam verdachte] er 3.000 bovenop gooit. [naam medeverdachte 2] geeft daarnaast, aan de hand van een foto met nadere toelichting, een omschrijving\"hosp box\"en een bedrag van € 4.000,00 door aan [naam verdachte] .De bedragen € 3.494,30 en € 4.000,00 —exclusief BTW — bij elkaar opgeteld maken samen – nagenoeg - het factuurbedrag van € 7.494,00 exclusief BTW. De omschrijving suggereert dat het hele bedrag is gespendeerd aan hospitality met betrekking tot de ADO skybox, terwijl in werkelijkheid € 4.000 van het bedrag is geschonken aan [naam medeverdachte 2] . De factuur is vals.\n\nDe zesde factuur is ook van [naam bedrijf 2] en heeft nummer [factuurnummer 6] . De factuur\n\nbedraagt € 19.965,00 en is gedateerd 12 oktober 2015.Deze factuur heeft als referentie ‘Verhuur box’ en als omschrijving omschrijving'Verhuur skybox ivm vergaderingen incl eten & drinken juli\u002Faug\u002Fsept '. Volgens verschillende getuigen hebben nooit vergaderingen plaatsgevonden in de ADO-box.\n\nHospitality\n\nDe zevende factuur met nummer [factuurnummer 7] , gedateerd 12 november 2014, ziet op de\n\nfamiliedag bij RST . De factuur vermeldt ‘Betreft voorschotnota Familiedag RST 2015’ en als nadere omschrijving 'Familiedag RST 2015’'en bedraagt € 96.800,00.Getuige [naam getuige 2] , destijds hoofd P&O bij RST , heeft verklaard dat in het kader van de Roparun een familiedag in 2015 was gepland, maar dat zij deze heeft afgelast. Het volledige op deze factuur genoemde bedrag is echter aan [naam bedrijf 1] betaald zonder enige aanwijzing van (gedeeltelijke) terugbetaling. Integendeel, uit een WhatsApp-gesprek van 13 november 2014, waarin [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] het bedrag dat is meegenomen\"in die grote nota \"bespreken volgt dat een groot deel van de netto 80.000 euro tussen – in ieder geval – [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] werd verdeeld:\"De nota was 80K minus 3x10 is 50k \",zodat eenieder\"hetzelfde\"krijgt.Dat met deze factuur de reeds gemaakte kosten werden gedekt volgt niet uit het dossier. Er is in dit kader slechts gebleken van facturen van € 5.309\n\naan ' [bedrijf 2] 'en € 5.218 van` [bedrijf 3] 'Nu in ieder geval een groot deel van dit bij RST gefactureerde en door RST aan [naam bedrijf 1] betaalde bedrag geen betrekking heeft op de kosten van een familiedag is deze factuur vals.\n\nFiscaal advies\n\nDe achtste en negende factuur op de tenlastelegging zien op de facturen met nummer\n\n [factuurnummer 8]\n van [naam bedrijf 1] , gedateerd 27 oktober 2014, en [factuurnummer 9]van [naam bedrijf 2]\n\nFacts, gedateerd 30 juni 2015. De omschrijvingen hebben betrekking op fiscale adviezen die gegeven zouden zijn in ‘Q2 en Q3’ van 2014 respectievelijk ‘jan tot jun’ 2015.Uit het dossier blijkt dat [naam verdachte] geen fiscale adviezen gaf en geen derden inhuurde voor fiscale adviezen aan RST .De facturen zijn derhalve vals. Voor [naam verdachte] geldt dat hij\n\nter zitting heeft bekend dat deze facturen valselijk zijn opgemaakt.\n\n [naam winkel]\n\nOp de tenlastelegging staan onder de nummers 10 en 11 twee facturen voor leveringen door\n\nde kledingwinkel [naam winkel] . Dit betreffen de facturen met nummer [factuurnummer 10]van [naam bedrijf 1]\n\ngedateerd 29 oktober 2014 - en nummer [factuurnummer 11]van [naam bedrijf 2] - gedateerd\n\n30 juni 2015. Zij hebben als referentie ‘Betreft doorbelasting incenticve’ respectievelijk ‘ [naam winkel] incentive’ en als omschrijving ‘Incentive Q2’rechtepctievelijk ‘Doorbelasting [naam winkel] incentive Q2’. Uit het dossier volgt echter dat [naam winkel] rechtstreeks aan RST factureerde\n\nen niet via [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] .Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft bekend dat deze facturen vals zijn.Beide facturen zijn vals.\n\nSponsoring\n\nDe twaalfde factuur is van [naam bedrijf 1] en heeft als nummer [factuurnummer 12] . De factuur heeft als\n\ndatum 27 oktober 2014 en bedraagt € 25.803,25. De factuur vermeldt ‘Betreft kleding wielerploeg RST \u002FUMT’ en als omschrijving '55 x Kleding (jas, shirt, en broek) wielerploeg ( [naam 5] ) diverse materialen en onderhoud .\"\n\nDe dertiende factuur is van [naam bedrijf 2] en heeft als nummer [factuurnummer 13] . Deze factuur\n\nbedraagt € 18.107,65 en heeft als datum 8 april 2015. De factuur vermeldt als referentie ‘Kleding + materiaal Amstelgoldrace’ en als omschrijving 'aanschaf 28 set kleding plus materiaal voor wielerploeg amstelgold op 18-4-2015'.Getuigen hebben verklaard dat sponsoractiviteiten altijd direct aan RST werden gefactureerd, zonder tussenkomst van [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] .. Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft verklaard dat hij de sponsoring deed van voetbalteams, maar niet van fietsen\u002Fwielerploegen. In de administratie van [naam verdachte] zijn geen uitgaven of kosten aangetroffen die samenhangen met sponsoractiviteiten in opdracht van RST.\n\n [naam verdachte] heeft verklaard dat de tenlastegelegde facturen inderdaad vals zijn nu de omschrijvingen daarvan niet kloppen met de werkelijkheid. Hij wijst er echter op dat [naam algemeen directeur] aan hem doorgaf welke omschrijvingen hij moest gebruiken en dat het verwerken van valse facturen en vervolgens het onderling verdelen van de gefactureerde bedragen ter besteding aan reizen, luxe producten en dergelijke binnen de bedrijfscultuur de normaalste zaak van de wereld was en hij zich daaraan niet heeft kunnen onttrekken.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\n [naam verdachte] heeft aan [naam medeverdachte 1] als ‘lening’ € 120.000,00 betaald. Hiermee betaalde hij aan [naam medeverdachte 1] maandelijks een bedrag als gevolg van afspraken gemaakt rondom het gunnen van de TOS-opdracht. Dit bedrag werd tevens gebruikt om een overstand (het bedrag waarmee de door RST toegestane debetstand werd overschreden) van € 80.000,00, die [naam medeverdachte 1] had op zijn zakelijke credit card, te betalen. De betaling van deze overstand is vervolgens (in ieder geval deels) opnieuw door valse facturen aan RST doorberekend, zodat RST in feite de overstand (deels) nogmaals heeft betaald. Ook de rest van de ‘lening’ is afkomstig uit de opbrengst van aan RST gefactureerde valse facturen. Beide sponsoring facturen zijn vals.\n\nHet hof stelt op grond van al het voorgaande vast dat de in de tenlastelegging onder feit 1 genoemde facturen vals zijn. Het hof acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.\n\nFeit 2: Oplichting\n\nIs RST door het inbrengen van de valse facturen in het betalingssysteem van RST opgelicht?\n\nHet hof dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of RST met het in het betalingssysteem van de valse facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]\n\nwerd bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen en of daarbij een oplichtingsmiddel werd gebruikt.\n\nDe valse facturen van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] - waaronder de facturen onder feit 1 genoemd - zijn ook daadwerkelijk uitbetaald door RST op rekeningen waarover [naam verdachte] feitelijk de beschikking had, zoals de rekeningen op naam van zijn zus, zijn nichtje en op naam van [naam bedrijf 2] .Deze facturen bevatten steeds een onjuiste omschrijving die het deed voorkomen alsof de geleverde goederen of diensten een zakelijk karakter hadden. RST is daardoor tot betaling bewogen.\n\nDoor omschrijvingen te gebruiken die wezen op een zakelijk karakter van de gefactureerde diensten en door de facturen via andere partijen bij RST in te dienen en door vervolgens die facturen (blind) goed te (laten) keuren heeft [naam verdachte] , met zijn medeverdachten, op listige wijze verhuld dat het in werkelijkheid ging om het verlenen van privé-diensten en\u002Fof het doen van schenkingen. RST is daardoor om de tuin geleid.\n\nUit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof dat er sprake is van oplichting van RST , omdat aan RST , in strijd met de waarheid, is voorgespiegeld dat er prestaties voor RST zijn verricht die een zakelijk karakter hadden. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] maakten deel uit van het reguliere controle- en goedkeuringssysteem en hebben ook daadwerkelijk in het overgrote merendeel van de gevallen de facturen goedgekeurd. Vervolgens zijn de valse facturen doorgezet naar de administratie van RST en uitbetaald. Daardoor is op een listige manier gebruik gemaakt van de controle- en uitbetalingsprocedures binnen RST en is er aldus voor gezorgd dat de facturen werden uitbetaald. Door de valse facturen op deze manier in het betaalsysteem van RST te brengen, is RST bewogen tot afgifte van de geldbedragen.\n\nDoor de verdediging is aangevoerd dat in ieder geval van een aantal facturen niet\n\nbewezen kan worden dat zij onderdeel waren van oplichting en\u002Fof verduistering. Ten eerste\n\nzou het bewijs van de onjuistheid van de urenfacturen volgens de verdediging niet geleverd\n\nzijn. Het hof overweegt dat aangenomen moet worden dat een gedeelte van de uren die door [naam verdachte] zijn gemaakt wel rechtmatig gefactureerd zijn. Het hof stelt echter vast dat deze facturen blijkens het in de tenlastelegging genoemde bedrag onder `TOS' en gelet op AMB-030 (p. 300 en 301 e.v.), niet zijn meegenomen bij de verdenking van oplichting. Zij zitten ook niet bij de facturen die zijn opgenomen in de tenlastelegging onder feit 1. Van de wel in de tenlastelegging begrepen facturen is in het onderzoek genoegzaam komen vast te staan dat deze vals zijn en dat die facturen dus ten onrechte door RST zijn uitbetaald zodat RST hierdoor is opgelicht.\n\nTen tweede stelt de verdediging zich op het standpunt dat er geen bewijs is geleverd van de\n\noplichting en\u002Fof verduistering ten aanzien van de ADO-facturen. Het hof overweegt\n\nhierover het volgende. Voor [naam verdachte] geldt dat hij ter zitting heeft bekend dat hij valse\n\nomschrijvingen heeft gebruikt op facturen om zijn geld te krijgen, waaronder de\n\nverwijzingen naar de ADO-skybox. Hij heeft voor verschillende werknemers van RST dure\n\nluxe goederen aangeschaft, zoals horloges en wijnen, en bracht dit bij RST in rekening door\n\nhet sturen van facturen met valse omschrijvingen.\n\nVan de twee ADO-facturen die onder feit 1 zijn ten laste gelegd is reeds vastgesteld dat deze vals zijn. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de wijze van goedkeuring en betaalbaarstelling, is in elk geval in zoverre sprake van oplichting.\n\nIn het dossier bevinden zich nog meer ADO-facturen. In eerste aanleg is een Excelbestand aangeleverd ter onderbouwing van zijn op de zitting naar voren gebrachte\n\nstelling dat deze facturen niet (allemaal) vals zijn. In het Excelbestand wordt bij een deel\n\nvan de bedragen verwezen naar facturen en bij een deel van de facturen niet. Het\n\nsubstantiële deel waarbij niet wordt verwezen naar facturen zouden \"zwarte\" betalingen\n\nzijn, hetgeen zou betekenen dat [naam verdachte] contante betalingen heeft gedaan aan zangers, dj's\n\nen andere entertainers om feestjes in de skybox bij ADO te organiseren. Dit Excelbestand\n\nvindt het hof echter onvoldoende om een bedrag van € 840.460 - het totaalbedrag dat\n\nvoor de ADO-box in rekening is gebracht aan RST- te rechtvaardigen en\u002Fof te\n\nonderbouwen. De aannemelijkheid van in elk geval een substantieel deel van de kosten\n\nis niet en\u002Fof niet voldoende onderbouwd. Ook in zoverre is sprake van oplichting.\n\nDat bij elke factuur van [naam verdachte] sprake was van het leveren van bepaalde goederen of diensten neemt niet weg dat de omschrijving van die goederen vals was en RST door die valse omschrijving en de “blinde” goedkeuring van de facturen is bewogen tot betaling van de facturen.\n\nUit de aangifte van RST en het daarbij gevoegde [naam zakelijke dienstverlener] rapport blijkt zonneklaar dat RST niet instemde met de gepleegde malversaties. Het enkele feit dat medewerkers binnen RST van de malversaties af wisten brengt nog niet mee dat RST daarvan afwist en niet misleid kon worden.\n\nNoch het dossier noch hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht levert een aanwijzing op dat RST getuigen niet betrouwbaar zouden zijn. Het enkele feit dat RST medewerkers, die niet zijn vervolgd, mogelijk betrokken zijn geweest bij de malversaties betekent niet dat RST getuigen onbetrouwbaar zijn. Datzelfde geldt voor een eventuele betrokkenheid van de algemeen directeur en voor een (eventueel) gegeven vrijwaring, wat daarvan ook zij. Van enige beïnvloeding van getuigen waardoor deze in hun verklaringsvrijheid zijn beperkt is het hof evenmin gebleken.\n\nHet hof is dan ook van oordeel dat verklaringen van RST medewerkers voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat geen noodzaak bestaat voor het horen van de getuigen [naam 3] , [naam 4] en (de zoon van) [naam 5] .\n\nEn tenslotte brengt ook de suggestie dat de aandeelhouder van RST op de hoogte zou zijn geweest van de malversaties en van de “bedrijfscultuur” binnen RST , wat daarvan ook zij, niet mee dat het handelen van de verdachte niet strafbaar is.\n\nFeit 3: Witwassen\n\nAls derde feit is (gewoonte) witwassen ten laste gelegd. De vraag die het hof moet\n\nbeantwoorden is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van\n\ngewoontewitwassen. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad is het enkele onmiddellijk verkrijgen en\u002Fof voorhanden hebben van gelden of goederen die uit eigen misdrijf afkomstig zijn, in beginsel niet strafbaar als witwassen, indien het gaat om gedragingen die zich hebben voorgedaan voor de wetswijziging van 1 januari 2017. Voor strafbaarheid is in dergelijke gevallen vereist dat er sprake is van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (zie o.a. HR 26 oktober 2010, ECLINL:HR:2010:BM4440).\n\nBij de beoordeling van de vraag of sprake is van witwassen gaat het hof uit van de\n\nbedragen die zijn vermeld in een digitaal overzicht\u002Fbestand genaamd 'ing uitdraai ]jan\n\n2013 tm 29 jan 2016 '.Dit bestand betreft een draaitabel met geldstromen van alle\n\nbetalingen en ontvangsten in de periode januari 2013 tot en met eind januari 2016 op de\n\nbankrekeningen van [naam bedrijf 2] , [naam 1] en [naam 2] . [naam verdachte] had de feitelijke\n\nbeschikking over deze rekeningen.Dit wordt nog eens onderschreven door het feit dat de\n\nbankpassen van deze rekeningen zijn aangetroffen tijdens een doorzoeking in woning van\n\n [naam verdachte] .\n\nVia de bank is er door [naam bedrijf 1] \u002F [naam bedrijf 2] in totaal € 5.065.173,27 ontvangen van\n\nRST .Een deel van dit bedrag is verkregen door middel van oplichting met valse facturen.\n\nUit het digitaal overzicht\u002Fbestand genaamd 'ing uitdraai ]jan 2013 tm 29 jan 2016'blijkt\n\ndat [naam verdachte] een deel van deze ontvangsten heeft overgeboekt naar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] .\n\nHij heeft onder de omschrijving van 'lening'in totaal € 506.391,00 overgemaakt naar\n\n [naam medeverdachte 2] en in totaal € 128.200,00 (in meerdere stortingen) naar [naam medeverdachte 1] .Voor het\n\noverige geven de bankrekeningen een beeld weer dat [naam verdachte] in luxe heeft geleefd. Zo\n\nheeft hij blijkens het overzicht onder andere voor een bedrag van € 284.650,00 aan contante\n\nopnamen gedaan. Daarnaast heeft hij onder andere voor luxe merkartikelen van Louis\n\nVuitton, Prada en Bang & Olufsen creditcarduitgaven gedaan van € 200.336,00.50.Ook heeft [naam verdachte] voor een bedrag van afgerond € 895.000,00 besteed aan horloges bij [naam juwelier] .\n\nEr zijn in het strafrechtelijk onderzoek geen bescheiden naar voren gekomen waaruit opgemaakt kan worden dat [naam medeverdachte 1] leningen met [naam verdachte] is aangegaan, zoals bijvoorbeeld een geldleningsovereenkomst of e-mails waarin de afspraken hierover worden bevestigd.\n\n [naam medeverdachte 2] heeft ter zitting aangevoerd dat er sprake was van een mondelinge overeenkomst.\n\nGezien de hoogte van het bedrag acht het hof dit onaannemelijk.Dat er geen sprake\n\nwas een lening blijkt bovendien uit het WhatsApp-gesprek tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] op\n\n30 oktober 2014. Daarin stuurt [naam medeverdachte 2] onder andere \"Hoe dan oplossen? Lening kan niet\n\nzei hij \" en \"Nee, die 100k die jij naar mij gestort hebt, die moet via schenking\".Hierop\n\nantwoordt [naam verdachte] met \"Dus als het ter sprake komt voor de belasting dan geven een\n\nlening. Kunnen ze niks over zeggen \".\n\nNamens [naam verdachte] is nog betoogd dat hij de geleverde goederen en diensten vooraf heeft betaald. Dit “voorschieten” neemt niet weg dat de omschrijvingen op de facturen vals zijn, dat RST door indiening van die facturen werd bewogen tot betaling aan [naam verdachte] en dat [naam verdachte] de aldus uit misdrijf verkregen geldbedragen heeft gebruikt en heeft omgezet in luxe goederen en diensten dan wel heeft doorgesluisd naar RST medewerkers zoals [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .\n\nGezien dit alles acht het hof het niet aannemelijk dat de bedragen aan [naam medeverdachte 1] en\n\n [naam medeverdachte 2] zijn verstrekt in het kader van een lening. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] van geldbedragen - die afkomstig waren uit de oplichting middels de valse facturen - gebruik hebben gemaakt, terwijl zij wisten dat deze geldbedragen afkomstig waren van de opbrengsten van de uitbetaalde valse facturen. Daarbij is er sprake van actieve verhullingshandelingen. De verhulling zit in het overboeken van gelden naar [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] en het - met name door [naam verdachte] - opnemen van cash geld en het vervolgens doen van uitgaven aan luxe goederen die het geld uit het zicht brengen. Het geld is bij [naam verdachte] binnengekomen door het indienen en laten uitbetalen van valse facturen op de rekeningen waarover [naam verdachte] de beschikking had. Er is dus sprake van een situatie die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben van uit misdrijf verkregen gelden.\n\nGelet op de lange periode die bewezen kan worden verklaard en de wijze waarop [naam verdachte] ,\n\n [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] te werk zijn gegaan, waarbij het gaat om een zeer groot aantal\n\nfacturen, is het hof van oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.\n\nIs sprake geweest van medeplegen?\n\nHet hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.\n\nOok indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke\n\nuitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit de gedragingen die doorgaans\n\nmet medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van\n\ninlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor\n\nmedeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en\u002Fof intellectuele\n\nbijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.\n\nBij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de\n\nintensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de\n\nuitvoering of de handeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens\n\naanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe\n\ngeëigend tijdstip.\n\nHet hof overweegt tegen deze achtergrond het volgende.\n\nUit de hiervoor beschreven gang van zaken rondom de totstandkoming en indiening van de\n\nvalse facturen, de goedkeuring ten behoeve van uitbetaling hiervan en het witwassen van het\n\ngeld, blijkt dat [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hierin alle drie een substantieel aandeel\n\nhebben gehad. [naam verdachte] speelde hierin de\n\nhoofdrol, gelet op zijn voortdurende actieve betrokkenheid via [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2]\n\nbij de opstelling en indiening van valse facturen en uitbetaling daarvan op rekeningen\n\nwaarover hij kon beschikken en heeft beschikt.\n\nUit de WhatsApp-gesprekken tussen [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] volgt de betrokkenheid van [naam medeverdachte 2] bij de valse facturen. Uit die gesprekken volgt namelijk dat er overleg is geweest over de omschrijving van de facturen, de hoogte daarvan en de verdeling.[naam medeverdachte 2] is eveneens bij vonnis van 2 juli 2020 van de rechtbank Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf en is niet in hoger beroep gegaan zodat zijn betrokkenheid bij onherroepelijk vonnis vaststaat.\n\nVan de 2015-facturen is 100% van de facturen van [naam bedrijf 1] en 78% van de facturen van\n\n [naam bedrijf 2] gecontroleerd en goedgekeurd door [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] .Dat\n\n [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] binnen RST grote hoeveelheden facturen moesten (controleren en)\n\ngoedkeuren, maakt niet aannemelijk dat zij de onderhavige valse facturen te goeder trouw\n\nhebben goedgekeurd. Nog los van het formele aspect dat niet kan worden aangenomen dat\n\nhun taak op dit punt bestond uit het blind goedkeuren van alle voorgelegde facturen, maakt\n\njuist hun wetenschap van de valsheid van facturen dat zij zich hierop niet kunnen beroepen.\n\nUit de WhatsApp-gesprekken tussen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] blijkt verder over de\n\nbetrokkenheid van [naam medeverdachte 1] dat hij, om het accorderen van de valse facturen en de\n\nuitbetaling daarvan te versnellen, zijn inloggegevens heeft afgegeven aan [naam medeverdachte 2] , op\n\naangeven van [naam verdachte] .\n\n [naam medeverdachte 1] heeft volgens [naam 6] tijdens een bijeenkomst op 19 maart 2016 op Zestienhoven direct toegegeven dat hijzelf, [naam medeverdachte 2] en [naam verdachte] valse facturen hebben opgemaakt.\n\nGelet op de gedragingen van [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] acht het hof het opzet\n\nop zowel hun eigen bijdrage als het misdrijf dat zij daarmee hebben ondersteund bewezen.\n\nDe bijdragen van elk van de verdachten aan de tenlastegelegde misdrijven is substantieel\n\ngeweest. Daaruit volgt naar het oordeel van het hof dat sprake is geweest van\n\nmedeplegen.\n\nBedrijfscultuur RST\n\nNamens de verdachte is – op gronden zoals nader vermeld in de pleitnota van de raadsman – bepleit dat er van oplichting van RST nooit sprake is geweest, omdat RST een bijzonder beloningssysteem had waaraan de verdachten instrumenteel waren. Hierdoor vervalt de wederrechtelijkheid.\n\nHet hof overweegt te dien aanzien als volgt. Het oordeel van het hof heeft als uitgangspunt de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Het gestelde handelen van [naam algemeen directeur] en de gestelde bedrijfscultuur van RST disculperen [naam verdachte] en [naam medeverdachte 1] niet. Voor zover er een bedrijfscultuur is geweest zoals door de verdediging geschetst, hebben [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] zich hiermee kennelijk vereenzelvigd en hebben zij zichzelf in elke geval verrijkt ten koste van RST . Dit heeft zelfs geleid tot een eigen opzet die lost staat van de gestelde bedrijfscultuur binnen RST . Daarbij kan overigens een corrumperende en criminele bedrijfscultuur nimmer een verontschuldiging zijn voor het zelf begaan van strafbare feiten.\n\nVoor [naam verdachte] geldt bovendien dat hij nieuw was bij het bedrijf. Hij kende de cultuur\n\nbinnen het bedrijf nog niet op het moment dat hij, zo stelt hij, een opdracht kon aanvaarden\n\nwaar als afspraak tegenover stond dat van de gefactureerde bedragen maandelijks een deel\n\ncash zou worden uitbetaald aan [naam algemeen directeur] en anderen. Reeds op dat moment had [naam verdachte]\n\nzich kunnen terugtrekken en hij had dat ook behoren te doen. Er is niets gebleken van enige\n\ndwang of noodzaak voor [naam verdachte] om deze evident ontoelaatbare afspraak te maken. Het\n\nenige wat [naam verdachte] in dit kader heeft opgemerkt, op zitting, is: `als ik mijn geld maar krijg'.\n\n [naam verdachte] , [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] hadden, mede gelet op de frequentie van de hier gebleken\n\nvalse facturering en daarmee gemoeide hoge geldbedragen, kunnen en moeten inzien dat hun handelwijze volstrekt ontoelaatbaar was en dat mogelijk anderen binnen RST en in ieder geval haar aandeelhouder er niet mee zouden instemmen dat aan RST kosten in rekening zouden worden gebracht waar geen prestatie tegenover stond of een prestatie die in het geheel niets met de bedrijfsvoering van RST te maken had. Dat [naam algemeen directeur] als statutair directeur hier volgens de verdediging toestemming voor heeft gegeven en er zelfs aan meedeed, doet daar niets aan af.\n\nHet verweer dat geen sprake is van wederrechtelijkheid, wordt op deze gronden verworpen.\n\nHet hof komt derhalve tot de hierna volgende bewezenverklaringen.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 oktober 2015\n\nte Rotterdam, in elk geval (elders)in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en),althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) opzettelijk\n\ngebruik heeft gemaakt van (een)valseen\u002Fof vervalstefactu(u)r(en)gericht aan Rotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna RST ), te weten:\n\nTOS\n\n1. factuur [factuurnummer 1] van [naam bedrijf 1] gedateerd 11-08-2014 [DOC-025];\n\n2. factuur [factuurnummer 2] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 26-01-2015 [DOC-026 p.4\u002F9]; en\u002Fof\n\nTechniek\n\n3. factuur [factuurnummer 3] van [naam bedrijf 1] gedateerd 17-11-2014 [DOC-196, p.5];\n\n4. factuur [factuurnummer 4] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-196, p.44];en\u002Fof\n\nADO\n\n5. factuur [factuurnummer 5] van [naam bedrijf 2] gedateerd 26-01-2015 [DOC-219, p.17];\n\n6. factuur [factuurnummer 6] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 12-10-2015 [DOC-219, p.16]; en\u002Fof\n\nHospitality\n\n7. factuur [factuurnummer 7] van [naam bedrijf 1] gedateerd 12-11-2014 [DOC-180, p.1];en\u002Fof\n\nFiscaal Advies\n\n8. factuur [factuurnummer 8] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-108];\n\n9. factuur [factuurnummer 9] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-118];en\u002Fof\n\n [naam winkel]\n\n10. factuur [factuurnummer 10] van [naam bedrijf 1] gedateerd 29-10-2014 [DOC-085];\n\n11. factuur [factuurnummer 11] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 30-06-2015 [DOC-091]; en\u002Fof\n\nSponsoring\n\n12. factuur [factuurnummer 12] van [naam bedrijf 1] gedateerd 27-10-2014 [DOC-184, p.3];\n\n13. factuur [factuurnummer 13] van [naam bedrijf 2] . gedateerd 08-04-2015 [DOC-184, p.6];\n\n- ( elk) zijnde (een)geschrift(en) dat\u002Fdie bestemdwas\u002Fwaren om tot bewijs van enig feit te dienen –\n\nals ware(n) het\u002Fdeze echt en onvervalst,endan wel dit\u002Fdeze geschrift(en)heeft afgeleverd en\u002Fofvoorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)wist(en)of redelijkerwijs moest(en)vermoeden datdit\u002Fdeze geschrift(en)bestemdwas\u002Fwaren voor gebruik als ware(n) die\u002Fdeze echt en onvervalst,\n\nbestaande die valsheid of vervalsing(telkens) hierin dat in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in\u002Fopdat\u002Fdie geschrift(en)de levering aan RST van de op die factu(u)r(en)voornoemd vermelde goederen of diensten was vermeld tegen de op die factu(u)r(en)vermelde bedrag(en)\u002Fprijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens) geen en\u002Fof minder levering(en) aan RSTheeft\u002Fhebben plaatsgevonden en\u002Fof, geen en\u002Fof minder diensten waren verricht door de\u002Fhetop die factu(u)r(en)vermelde bedrijven\u002Fbedrijfen\u002Fof tegen de op die factu(u)r(en)vermelde bedrag(en)\u002Fprijs,\n\nen\n\nbestaande dat gebruikmaken en\u002Fofafleveren (telkens) hierin dat hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)die factu(u)r(en)aan ((een) medewerker(s) van de Financiële Administratie van) RST en\u002Fof [naam medeverdachte 1] en\u002Fof [naam medeverdachte 2]heeft\u002Fhebben toegezonden en\u002Fof ter hand gesteld, en\u002Falthans doen toekomen en\u002Fof doen ter hand stellen;\n\n2.\n\n hij\n\nop één of meer tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 september 2013 tot en met 31 maart 2016\n\nte Rotterdam, Den Haag, Almere en\u002Fof Oostvoorne, althans (elders)in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met (een)ander(en),althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\n(telkens) met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof een valse hoedanigheid en\u002Fof door één of meerlistige kunstgre(e)p(en) en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels,\n\nRotterdam Short Sea Terminal B.V. (hierna: RST ) (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en\u002Fof het teniet doen van een inschuld, te weten een totaalbedrag van (circa) afgerond EUR 2.625.000,-, althans enig(e)geldbedrag(en),\n\nhebbende hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk, listiglijk, bedrieglijk en\u002Fof in strijd met de waarheid (telkens)\n\n- één of meerfactu(u)r(en)ten name van [naam bedrijf 1] , [naam bedrijf 2] en\u002Fof [naam bedrijf 2] . opgemaakt en\u002Falthans laten opmaken in het kader van:\n\nTOSvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 284.079,- (als opgenomen in AMB-030, dossierpagina's 000317-000318);\n\nTechniekvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 1.389.238,- (als opgenomen in AMB-028 en DOC-196, dossierpagina 000258 resp. 002587);\n\nADO skyboxvoor een totaalbedrag van (circa) EUR419.392,-\n\nHospitalityvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.800,- (als opgenomen in AMB-026, dossierpagina 000239);\n\nFiscaal adviesvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 149.423,- (als opgenomen in AMB-022, dossierpagina 000204);\n\n [naam winkel] Incentivevoor een totaalbedrag van (circa) EUR 181.197,50 (als opgenomen in AMB-019, dossierpagina 000186);\n\nSponsoringvoor een totaalbedrag van (circa) EUR 96.297,- (als opgenomen in AMB-027, dossierpagina 000247);\n\nen\u002Fof\n\n- op die factu(u)r(en)(al dan niet gedeeltelijk) fictieve leveringen van goederen en\u002Fof diensten, en daarop gebaseerde factuurbedragen vermeld en\u002Falthans laten vermelden;\n\n- die factu(u)r(en)aan RST ter attentie van [naam medeverdachte 1] toegezonden en\u002Fof doen toekomen, en\u002Falthans aan [naam medeverdachte 2] overhandigd;\n\n- die factu(u)r(en)voor betaling gecontroleerd en\u002Fofgoedgekeurd, en vervolgens aan de afdeling Financiële Administratie van RST doorgestuurd;\n\nwaardoor die RST (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte(n);\n\n3.\n\nhij\n\nop een of meerdere tijdstip(pen) gelegeninof omstreeksde periode van 1 december 2013 tot en met 6 oktober 2016\n\nte Oostvoorne, gemeente Westvoorne, en\u002Fof Rotterdam, althans (elders)in Nederland, tezamen en in vereniging meteen ander ofanderen,althans alleen,\n\nmeermalen, althans eenmaal,\n\na. (telkens) één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans enig(e)geldbedrag(en),\n\nheeft verworven en\u002Fof voorhanden heeft gehad en\u002Fofheeft overgedragen en\u002Fof omgezet, en\u002Fof van genoemde voorwerp(en) gebruik heeft gemaakt,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)van het plegen van dat feit een gewoonteheeft\u002Fhebben gemaakt,\n\nen\u002Fof\n\nb. (telkens) van één of meer voorwerp(en), te weten een totaalbedrag van (circa) EUR 128.200,-, althans van enig(e)geldbedrag(en),\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof verhuld, en\u002Fofheeft verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was\u002Fwaren,en\u002Fof heeft verborgen en\u002Fof verhuld wie genoemde voorwerpen voorhanden heeft\u002Fhebben gehad,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\nterwijl hij, verdachte, en\u002Fofzijn mededader(s)van het plegen van dat feit een gewoonteheeft\u002Fhebben gemaakt.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, en opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst.\n\nHet onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van oplichting.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\nmedeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders gedurende een periode van ruim 2,5 jaar schuldig gemaakt het opzettelijk gebruik maken van valse facturen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Aldus handelend hebben zij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van dergelijke documenten ernstig beschaamd. Door het inbrengen van deze facturen in de administratie van RST en het (laten) goedkeuren en uitbetalen van deze valse facturen op bankrekeningen waarover zij de beschikking hadden hebben de verdachte en zijn medeverdachten zich tevens schuldig gemaakt aan oplichting van RST . Vervolgens hebben de verdachte en zijn medeverdachten de opbrengsten van voornoemde praktijken witgewassen, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast.\n\nDe verdachte was als interim projectmanager (in verband met het TOS-project) werkzaam voor RST . Door valse facturen aan te bieden heeft hij eraan meegewerkt dat een substantieel deel van de RST -administratie bestond uit valse stukken. Dat moet kunnen worden vertrouwd op de juistheid van omschrijvingen op facturen werd ten behoeve van puur eigen gewin volkomen genegeerd. Verdachte en zijn medeverdachten hebben daardoor tenminste meegewerkt aan het in stand houden van een, zoals zij het zelf noemen, “graaicultuur” binnen RST . Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten RST groot financieel nadeel toegebracht en ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat RST in hen stelde. Ter zitting heeft de verdachte nauwelijks inzicht getoond in het laakbare van zijn handelen.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.\n\nHet hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Het hof stelt verder vast dat sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM bij de behandeling van het op 7 juli 2020 ingestelde hoger beroep, waarop nu eerst bij arrest van 1 juli 2026 uitspraak wordt gedaan. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn zal het hof in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen.\n\nOplegging van een taakstraf – zoals bepleit door de raadsman – doet naar het oordeel van het hof volstrekt onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nDe na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 1 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan, dienen – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 47, 57, 63, 225, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van30 (dertig) maanden.\n\nBeveelt de onttrekking aan het verkeervan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n- facturen (van sieraden).\n\nDit arrest is gewezen door mr. R. van der Hoeven, als voorzitter,\n\nmr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. A. de Lange, leden,\n\nin bijzijn van de griffier mr. J.C.A. [naam algemeen directeur] .\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juli 2026.\n\nMr. A. de Lange is buiten staat dit arrest te ondertekenen.\n\nVoor de leesbaarheid van dit vonnis zal het hof bij verwijzingen naar stukken uit het dossier zoveel mogelijk de door de FIOD gehanteerde indeling en nummering (AMB-001, DOC-001 etc.) hanteren. Waar in dit vonnis wordt verwezen naar overzichtsprocessen-verbaal (OPV), ambtshandelingen (AMB), verhoren van verdachten (V) en verhoren van getuigen (G), betreft het steeds processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde medewerkers van de FIOD, als bijlage opgenomen bij het proces-verbaal van de Belastingdienst\u002FFIOD, onderzoek Big Park, nummer [nummer] en welke overigens voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Waar wordt verwezen naar documenten, zijnde mails, overzichten, overeenkomsten, Kamer van Koophandel uittreksels e.d., wordt steeds bedoeld te verwijzen naar een ander geschrift als bedoeld in artikel 344 lid 1 onder 5 Sv. Tenzij anders aangegeven, zijn verwijzingen naar paginanummers verwijzingen naar de nummers van het doorlopend genummerde procesdossier.\n\nOPV-ZD p. 4.\n\nAMB-032 p. 328\n\nAMB-032 p. 327 en 328\n\nAMB-032 p. 331\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020\n\nAMB-030 p. 309, DOC-025 p. 1578.\n\n DOC-025 p. 1581\n\nDOC-025 p. 1595.\n\nDOC-002 p. 1376\n\nDOC-025 p. 1597\n\nDOC-169 p. 9 en 10.\n\nAMB-030 p. 313 en 314, DOC-026 p. 1603.\n\n Dossier p. 343 + DOC-228 (afschrijvingen mbt Singapore en Bali); pv p. 12\u002F13; V-009, p. 10\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nDOC-002 p. 1379\n\nAMB-028 p. 258 e.v., DOC-196 p. 2592.\n\nAMB-028 p. 258 e.v., DOC-196 p. 2631.\n\nDOC-169 p. 39 en 40.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\n AMB-003, p. 27, dossier p. 103\u002F104\n\nAMB-028 p. 266 en 267, DOC-033 p. 1695.\n\nAMB-029 p. 273 e.v., DOC-219 p. 2897.\n\nDOC-169 p. 2422.\n\n17 DOC-169 p. 2434.\n\n AMB-029 p. 273 e.v., DOC-219 p. 2895.\n\nAMB-029 p.287, G-002 p. 12 en G-003 p. 12 en 13.\n\nAMB-026 p. 238 e.v., DOC-180 p. 2499.\n\n DOC-180, p. 2499-2.504; AMB-026, p. 239\n\nDOC-169 p. 2409 en 2410.\n\nAMB-026, p. 242 en 243.\n\nAMB-022 p. 203 e.v., DOC-108 p. 2072.\n\nAMB-022 p. 203 e.v., DOC-118 p. 2219.\n\nAMB-022, p. 206, 207 en 209.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nAMB-019 p. 184 e.v., DOC-085 p. 2007.\n\nAMB-019 p. 184 e.v., DOC-091 p. 2017.\n\nAMB-019 p. 184 e.v., G-008.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\n AMB-027 p. 246 e.v., DOC-184 p. 2525.\n\nAMB-027 p. 246 e.v., DOC-184 p. 2528.\n\nAMB-027 p. 248 e.v., G-002.\n\nAMB-027 p. 252 e.v.\n\nProces-verbaal 18 juni 2020\n\nAMB-025 p. 235, DOC-212 p. 2802 e.v., DOC-200 p. 2693 e.v., DOC-219 p. 2877 e.v., DOC-180 p. 2501 t\u002Fm 2503, DOC-180A p. 2073 t\u002Fm DOC-123A p. 2164, DOC097 p. 2040 t\u002Fm DOC-103 p. 2060 en DOC-186 p. 2537 t\u002Fm 2545.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nOPV-ZD p. 19.\n\nDOC-164 p. 2335.\n\nAMB-034 p. 340, V-007 p. 678, V-008 p. 684.\n\nAMB-010 p. 145 en AMB-027 p. 249.\n\nAMB-034 p. 339.\n\nDOC-164 p. 2335.\n\nOPV-ZD p. 38, AMB-034 p. 341DOC-002 p. 1407 en p. 1419\n\nDOC-164 p. 2342.\n\nProces-verbaal zitting 18 juni 2020.\n\nDOC-169 p. 2408.\n\nDOC-169 p. 2409.\n\nDOC-169 p. 2392 t\u002Fm 2393, p. 2395, p. 2408 t\u002Fm 2410, p. 2422 t\u002Fm 2424 en p. 2431.\n\nAMB-032 p. 331.\n\nDOC-152 p. 2262 e.v.\n\nG002-01 p. 718.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2122","ecli-nl-ghdha-2026-2122",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]