[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-502":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-502":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"925","ECLI:NL:GHDHA:2026:502","",58,"Den Haag","den-haag","2026-03-31T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nAfdeling Civiel recht\n\nZaaknummer : 200.347.986\n\nZaaknummer rechtbank : C\u002F10\u002F665819 \u002F HA ZA 23-819\n\narrest van 31 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nFinancieel Bureau 10 B.V.,\n\ngevestigd te Rotterdam,\n\nappellante,\n\nhierna: Bureau 10,\n\nadvocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker te Houten,\n\ntegen\n\nKonfor Home Capelle B.V.\n\ngevestigd te Capelle aan den IJssel,\n\ngeïntimeerde,\n\nhierna te noemen: Konfor Home,\n\nadvocaat: mr. I. Atar te Naarden die zich als zodanig heeft onttrokken.\n\n1. Waar het in deze zaak over gaat\n\nDoor een defecte sprinklerinstallatie in een gehuurde loods heeft Konfor Home waterschade geleden aan door haar opgeslagen meubels. De verzekeraar heeft de schade niet vergoed omdat in de polisvoorwaarden is bepaald dat de sprinklerinstallatie moet zijn gecertificeerd. De betreffende sprinklerinstallatie was dat niet. De vraag in deze zaak is of de assurantietussenpersoon, Bureau 10, aansprakelijk is voor de schade omdat zij haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden door haar onvoldoende te wijzen op de voor verzekerings-dekking cruciale verzekeringsvoorwaarde. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze zorgplicht is geschonden en heeft Bureau 10 veroordeeld tot schadevergoeding. In hoger beroep heeft Konfor Home geen verweer gevoerd. Het hof acht de grieven inzake de schending van de zorgplicht en het causaal verband gegrond en wijst de vordering van Konfor Home alsnog af.\n\n2. Het procesverloop\n\nBij exploot van 17 september 2024 is Bureau 10 in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnissen van 24 april 2024 en 28 augustus 2024. Dit hof heeft bij arrest van 7 januari 2025 een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast. Vervolgens heeft mr. Atar zich als procesvertegenwoordiger van Konfor Home onttrokken. De mondelinge behandeling heeft niet plaatsgevonden. Bij memorie van grieven heeft Bureau 10 elf grieven aangevoerd. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen, waarna Bureau 10 arrest heeft gevraagd.\n\n3. De feiten\n\nIn rechtsoverweging 2 van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met de eerste grief wordt deze vaststelling op een punt bestreden, wat (zie hierna onder 6.2) tot een kleine aanpassing leidt. Het hof gaat verder uit van dezelfde feiten als de rechtbank. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.1.. Bureau 10 is een assurantietussenpersoon. Konfor Home exploiteert een keten van meubelwinkels.\n\n3.2.. In 2019 heeft Konfor Home de verzekeringen voor haar winkels ondergebracht bij Bureau 10.\n\n3.3.. \n\nBureau 10 heeft ten behoeve van Konfor Home via een volmachtbedrijf een Bedrijven Totaalplan-pakket bij (een rechtsvoorganger van) Nationale Nederlanden (hierna: NN) afgesloten. Op de verzekering zijn de voorwaarden BB-MKB Brand bedrijven 01-2016\n\nvan toepassing verklaard (hierna: de voorwaarden). Artikel 2.13.1 onder de kop\n\n“lnventaris\u002FGoederen” van deze voorwaarden luidt, voor zover van\n\nBelang, als volgt:\n\n “2.13 Water en stoom\n\nTen aanzien van de sprinklerinstallatie bestaat uitsluitend dekking indien deze installatie op het moment van de schade is voorzien van een geldig certificaat van het Bureau voor Sprinklerbeveiliging.”\n\n3.4.. In oktober 2020 heeft Konfor Home een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een opslagloods aan het Roer 20 in Rotterdam (hierna: het magazijn). In dit pand was een sprinklerinstallatie aanwezig.\n\n3.5.. In november 2020 heeft de bestuurder van Bureau 10, [bestuur] , het magazijn op verzoek van Konfor Home bezocht. Dit bezoek vond plaats in het kader van de wens van Konfor Home om (ook) dat gebouw onder de hiervoor bedoelde verzekering te brengen.\n\n3.6.. Op diezelfde dag is het magazijn op verzoek van Bureau 10 onder de verzekeringsdekking gebracht.\n\n3.7.. De sprinklerinstallatie in het magazijn is niet gecertificeerd.\n\n3.8.. Op 11 mei 2021 is de hoofdleiding van de sprinklerinstallatie in het magazijn gesprongen. Daardoor is schade ontstaan aan de in het magazijn aanwezige voorraad van Konfor Home. De schade is door een onafhankelijke expert vastgesteld op € 52.498,50 inclusief btw.\n\n3.9.. Nationale Nederlanden heeft dekking geweigerd wegens het ontbreken van een geldig certificaat voor de sprinklerinstallatie (artikel 2.13.1 van de voorwaarden).\n\n4. De procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. In eerste aanleg heeft Konfor Home gevorderd i) te verklaren voor recht dat Bureau 10 haar zorgplicht jegens Konfor Home heeft geschonden en aansprakelijk is voor de schade, ii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 52.498,50 te vermeerderen met de wettelijke rente, iii) Bureau 10 te veroordelen tot betaling van € 1.299,99 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente, en iv) Bureau 10 te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n\nBij mondeling tussenvonnis van 24 april 2024 heeft de rechtbank Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij door Bureau 10 niet is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Aansluitend aan deze mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft de rechtbank de al op de zitting aanwezige getuigen gehoord. Op een later moment is, in contra-enquête, nog een getuige gehoord. Bij eindvonnis van 28 augustus 2024 is Bureau 10 veroordeeld tot betaling van\n\n€ 42.887,19 te vermeerderen met de wettelijke rente, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, door de rechtbank begroot op € 1.203,87 en tot betaling van de proceskosten.\n\n5. De vordering en het verweer in hoger beroep\n\n5.1.. Bureau 10 vordert het eindvonnis van 28 augustus 2024 te vernietigen en Konfor Home te veroordelen tot betaling van al hetgeen naar aanleiding van dat vonnis door Bureau 10 reeds is betaald, zijnde ten minste € 53.881,94, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2024, althans vanaf 27 mei 2025 en Konfor Home te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n5.2.. Konfor Home heeft geen memorie van antwoord genomen.\n\n6. De beoordeling in hoger beroep\n\nDevolutieve werking\n\n6.1.. Het hof stelt voorop dat, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, de grieven moeten worden beoordeeld mede met inachtneming van hetgeen Konfor Home in eerste aanleg heeft aangevoerd.\n\nDe feiten (eerste grief)\n\n6.2.. Met de eerste grief komt Bureau 10 op tegen de door de rechtbank in het eindvonnis onder 2.6 opgenomen datum van het bezoek van de bestuurder van Bureau 10 aan het magazijn. In het vonnis is vermeld dat dit bezoek op 17 november 2020 heeft plaatsgevonden. Volgens Bureau 10 was dat op 12 november 2020. Nu het bezoek ingevolge de stellingen van partijen hoe dan ook in november 2020 heeft plaatsgevonden, heeft het hof hiervoor onder 3.5 het feit in die zin aangepast, zodat de eerste grief geen verdere bespreking behoeft en niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.\n\nDe zorgplicht (grieven twee tot en met vijf)\n\n6.3.. De tweede tot en met de vijfde grief richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden.\n\n6.4.. De zorgplicht van een assurantietussenpersoon houdt in dat hij tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122). De reikwijdte van de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht is afhankelijk van de aard en inhoud van de opdracht, de belangen van de cliënt voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.\n\n6.5.. De rechtbank heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat (ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv) op Konfor Home de stelplicht en de bewijslast rusten van de omstandigheden die zij ten grondslag legt aan haar stelling dat Bureau 10 is tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht. Van Bureau 10 mag worden verwacht dat zij haar betwisting voldoende motiveert door aan te voeren wat zij ter voldoening aan haar zorgplicht heeft gedaan, maar bewijzen hoeft zij deze motivering niet.\n\n6.6.. Konfor Home heeft gesteld dat zij tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 aan Bureau 10 heeft gevraagd om een deugdelijke verzekering af te sluiten voor de door haar opgeslagen goederen in het magazijn. Vervolgens heeft Bureau 10 de verzekering afgesloten bij (de rechtsvoorganger van) NN. Konfor Home betoogt niet bekend te zijn met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie waar NN een beroep op doet. Daardoor wist Konfor Home niet dat het ontbreken van een certificaat voor de sprinklerinstallatie reden tot afwijzing van de claim zou zijn. Bureau 10 heeft Konfor Home niet geïnformeerd over deze voorwaarde, aldus Konfor Home (in haar inleidende dagvaarding bij de rechtbank) en Bureau 10 was blijkens een e-mailbericht van een van haar medewerkers ( [medewerker] ) zelf ook niet op de hoogte van deze voorwaarde.\n\n6.7.. De rechtbank heeft overwogen dat, anders dan voor wat betreft de op deze verzekering van toepassing zijnde clausules, voor wat betreft de toepasselijke voorwaarden (waaronder de hier in het geding zijnde voorwaarde dat de sprinklerinstallatie gecertificeerd moet zijn) uit de stukken niet kan worden afgeleid dat Bureau 10 Konfor Home over de inhoud daarvan heeft geïnformeerd. De toepasselijkheid van de voorwaarden is op zichzelf wel vermeld op het aanvraagformulier en op het polisblad, maar die stukken bieden geen informatie over de inhoud van de voorwaarden. Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft Bureau 10 bovendien erkend dat zij alleen het polisblad en niet ook de toepasselijke voorwaarden aan Konfor Home heeft gemaild. Bureau 10 heeft ook niet gesteld dat zij tijdens het doornemen van het aanvraagformulier of op een ander moment, bijvoorbeeld toen later in 2020 ook het magazijn onder de verzekering werd gebracht, heeft gesproken over de toepasselijkheid en de inhoud van die voorwaarden (zie overweging 4.5 van het vonnis).\n\n6.8.. Bureau 10 heeft betoogd dat haar bestuurder tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 uitdrukkelijk tegen de bestuurder van Konfor Home heeft gezegd dat certificering van de sprinklerinstallatie een voorwaarde is voor verzekeringsdekking. De rechtbank heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 Konfor Home in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling dat zij niet door Bureau 10 is geïnformeerd over de noodzaak een gecertificeerde sprinklerinstallatie te hebben, een en ander om voor dekking onder de schadeverzekering in aanmerking te komen. Ter uitvoering van die bewijsopdracht zijn aansluitend aan de mondelinge behandeling als getuigen gehoord [magazijnbeheerder] (als magazijnbeheerder en hoofd logistiek in dienst van Konfor Home), [huurincassospecialist] (huurincassospecialist) en [bestuurder] (de bestuurder van Konfor Home). In contra-enquête is als getuige gehoord [bestuur] (de bestuurder van Bureau 10). Later, op 17 juni 2024, is ook als getuige gehoord [magazijnmedewerker] (magazijnmedewerker in dienst van Konfor Home).\n\nDe getuigenverklaringen\n\n [magazijnbeheerder]6.9.. heeft verklaard niet steeds bij het gesprek aanwezig te zijn geweest, maar voor zover hij er bij was, is het niet gegaan over een certificaat voor de sprinklerinstallatie. Daarover heeft hij ook achteraf niets gehoord.\n\n [huurincassospecialist]6.10.. \n\n [huurincassospecialist] heeft verklaard aanwezig te zijn geweest tijdens het hele bezoek door Bureau 10 in november 2020 aan het magazijn. Hij blijft bij hetgeen hij in zijn e-mail van 18 mei 2023 heeft geschreven. In die mail staat, voor zover relevant:\n\n“Terwijl ik aankwam zag ik Dhr [bestuur] op de locatie, ik kan goed herinneren dat Dhr [bestuurder] ons opwachtte en we gingen een rondje maken door het bedrijfspand. Het eerste wat mij opviel was de grootte van het pand ten tweede wat mij opviel was het dringend advies direct door Dhr [bestuur] aan Dhr [bestuurder] op met hele hoge spoed vlonders aan te leggen door het pand heen waar de voorraad op kan staan ipv direct op de vloer van het pand. Dit ter voorkoming van schade ivm lekkage en waterschade en ook vereisten vanuit de verzekering.\n\nDhr [bestuur] heeft dit zeker 4 keer benadrukt aan Dhr [bestuurder] . Dusdanig dat ik zelfs als bezoeker het heb kunnen onthouden.\n\nDhr. [bestuur] heeft ook direct advies gegeven over het aanleggen van brandveiligheid instrumenten door het pand heen en ook advies gegeven omtrent alarmering.\n\nDus 3 aspecten:\n\nDe voorraad mag de directe vloer niet raken. Brandveiligheid instrumenten moeten aangelegd worden. En iets over klasse alarm bepaalde specifieke klasse die Mr [bestuurder] moest hebben.”\n\nOp de vraag van de rechtbank aan [huurincassospecialist] of het ook is gegaan over certificering van de sprinklerinstallatie heeft hij als getuige verklaard:\n\n“Mijn antwoord is ja, het ging vooral over de partij die bepaalde werkzaamheden zou gaan verrichten, het was belangrijk dat het niet zomaar een willekeurige partij zou zijn, want het ging om de certificering omwille van de verzekering. Het woord certificering is echt genoemd, dat weet ik heel zeker.”\n\n [bestuurder]6.11.. heeft verklaard [bestuur] te hebben gewezen op de sprinklerinstallatie en dat er geen certificering is. Volgens [bestuurder] heeft [bestuur] daarop gezegd: “Dat is geen probleem, we gaan dat oplossen”. Het gesprek is verder meer gegaan over pallets. Hij heeft verder niets gehoord over certificering.\n\n [bestuur]6.12.. heeft verklaard tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 te hebben gesproken over de noodzaak om de sprinkler te laten certificeren. Hij heeft verklaard te hebben gesproken over brandveiligheid, alarm, calamiteitenplan en vlonders. Dat zijn vaste onderdelen als hij bij een klant op inspectie gaat. Het punt van de certificering van de sprinkler hoort bij het onderwerp brandveiligheid. Volgens [bestuur] heeft [bestuurder] tijdens dat bezoek niet gezegd dat de sprinklerinstallatie niet gecertifieerd was.\n\n [magazijnmedewerker]6.13.. heeft als getuige verklaard tijdens het bezoek van Bureau 10 aan het magazijn in november 2020 aan het werk te zijn geweest. Op de vraag of hij heeft gezien dat [huurincassospecialist] tijdens dat bezoek ook aanwezig was heeft hij verklaard dat er niemand anders bij het gesprek aanwezig was. [bestuur] en [bestuurder] waren er met zijn tweeën.\n\n6.14.. De rechtbank heeft in overweging 4.6 geconcludeerd dat de getuigenverklaringen lijnrecht tegenover elkaar staan. Vervolgens heeft de rechtbank in overweging 4.7 overwogen dat bij de verdere beoordeling van de schending van de zorgplicht in het midden kan worden gelaten of de bestuurder van Bureau 10 tijdens het bezoek aan het magazijn in november 2020 nu wel of niet heeft gewezen op de noodzaak van certificering van de sprinklerinstallatie. Zelfs indien dat het geval zou zijn, dan nog is de rechtbank van oordeel dat Bureau 10 haar zorgplicht heeft geschonden. In dat geval is het bezoek in november 2020 het enige moment geweest waarop Bureau 10 Konfor Home heeft gewezen op de in de voorwaarden opgenomen dekkingsvoorwaarde van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, aldus de rechtbank.\n\n6.15.. In hoger beroep is door Bureau 10 (zie randnummers 2.34 en 2.35 memorie van grieven) aangevoerd dat ook bij de totstandkoming van de verzekering Konfor Home door Bureau 10 niet alleen is geïnformeerd over de in het polisblad opgenomen clausules, maar ook uitgebreid is geïnformeerd over de pijlers Brand & Veiligheid, waarbij Konfor Home expliciet erop is gewezen dat alle installaties, waaronder de sprinklerinstallatie, gekeurd en gecertificeerd moeten zijn. Zij voegt daaraan toe dat Bureau 10 in totaal vier zakelijke verzekeringen voor de vier (aparte) vestigingen van Konfor Home heeft afgesloten, drie van deze vier vestigingen (ook) heeft bezocht en Konfor Home telkenmale heeft geïnformeerd over de door de verzekeraar gehanteerde clausules, daaronder valt in alle gevallen de eis van een gecertificeerde sprinklerinstallatie, en (algemene) voorwaarden. Deze laatste stelling is in eerste aanleg niet gevoerd en is in hoger beroep niet weersproken. Konfor Home heeft in eerste aanleg gesteld dat zij niet bekend was met de polisvoorwaarde ten aanzien van de certificering van de sprinklerinstallatie en dat zij door Bureau 10 hierover niet is geïnformeerd, maar zij is daarmee niet ingegaan op de mededelingen waarop Bureau 10 zich nu aanvullend beroept, in het bijzonder die in het kader van de andere verzekeringen die, zoals vaststaat, aan de overeenkomst met betrekking tot het magazijn Roer 20 voorafgingen. Ook de bewijslevering van Konfor Home had hierop geen betrekking. Zo deze stellingen al niet als onvoldoende weersproken vaststaan, is in elk geval sprake van een nadere motivering van het door Bureau 10 gevoerde verweer (betwisting) tegen de stelling van Konfor Home. Die motivering wordt ook niet ontkracht of ongeloofwaardig gemaakt door het enkele e-mailbericht van [medewerker] . Uit dat bericht kan niet worden afgeleid dat niemand bij Bureau 10, en dus ook niet ook degenen die de aanvraag hebben behandeld en die de bezoeken aan de locaties hebben afgelegd, van de certificeringseis op de hoogte was.\n\n6.16.. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de schending van de zorgplicht niet is komen vast te staan. Dat Bureau 10 tijdens het bezoek aan Roer 2020 niet heeft gewezen op de certificeringseis kan, gelet op de lijnrecht tegenover elkaar staande getuigenverklaringen en het ontbreken van ander bewijs, niet als afdoende bewezen worden aangenomen. Als Konfor Home, zoals Bureau 10 heeft aangevoerd, al veelvuldig, bij meerdere gelegenheden, mondeling was gewezen op de noodzaak van certificering voor een sprinklerinstallatie, was het niet nodig om dat (na het bezoek aan het magazijn) nog een keer in een e-mail of WhatsApp bericht te zetten. Een assurantietussenpersoon is ook niet zonder meer verplicht achteraf nog te controleren of de verzekerde zijn advies daadwerkelijk heeft opgevolgd (zoals Bureau 10 ook heeft betoogd). Periodieke controles volstaan doorgaans. Het hof ziet geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken waaruit Bureau 10 had moeten afleiden dat Konfor Home ondanks de gedane mededelingen nog niet van de hoed en de rand wist en nog onvoldoende van de noodzaak van certificering was doordrongen. Konfor Home heeft nog gesteld dat zij Bureau 10 bij het bezoek aan Roer 20 heeft gewezen op het ontbreken van een certificering en daarbij heeft verzocht om een passende verzekering, waarop Bureau 10 (volgens [bestuurder] als getuige) zou hebben gezegd dat zij dit zou oplossen. Bureau 10 heeft dit alles echter betwist en het bewijs van deze stelling is, ook door de in eerste aanleg gehoorde getuigen, niet geleverd. Omdat Konfor Home in hoger beroep geen nadere uitwerking aan deze stelling heeft gegeven en ook geen nader bewijs aanbiedt, gaat het hof aan deze stelling voorbij. Dat Bureau 10 na het bezoek in november 2020 aan het magazijn Konfor Home via WhatsApp wel heeft herinnerd aan het plaatsen van de meubels op pallets en het installeren van een alarm, maar de noodzaak van een gecertificeerde sprinklerinstallatie daarbij niet heeft genoemd, heeft Bureau 10 (onweersproken) verklaard door aan te voeren dat Bureau 10 had geconstateerd dat een alarm geheel ontbrak en dat dit punt van de pallets nieuw was; anders dan de noodzaak van certificering die al herhaaldelijk was besproken.\n\n6.17.. Al met al heeft Bureau 10 in hoger beroep ter betwisting van de stelling van Konfor Home Bureau 10 voldoende aangevoerd om de conclusie te kunnen dragen dat geen sprake is van schending van haar zorgplicht. Zo al kan worden gezegd dat Konfor Home voldoende tegenover dit verweer heeft gesteld – het hof is van oordeel dat dat niet het geval is – moet in elk geval worden geconcludeerd dat Konfor Home haar stelling niet heeft bewezen en dat zij geen specifiek aanbod heeft gedaan om dit bewijs alsnog te leveren.\n\n6.18.. De conclusie is dat de grieven twee tot en met vijf doel treffen.\n\nCausaal verband tussen schending zorgplicht en de schade (grieven zes en zeven)\n\n6.19.. Nu het hof van oordeel is dat de zorgplicht niet is geschonden, komt het in beginsel niet toe aan de vraag of er sprake is van causaal verband tussen de tekortkoming van Bureau 10 (de schending van de zorgplicht) en de schade. Niettemin ziet het hof aanleiding te overwegen dat ook wanneer zou moeten worden aangenomen dat de zorgplicht wel is geschonden, de vordering strandt, maar dan op het ontbreken van causaal verband. Daarvoor is het volgende redengevend.\n\n6.20.. Om te komen tot een antwoord op de vraag of de schending van de zorgplicht door Bureau 10 tot schade heeft geleid, moeten twee situaties met elkaar worden vergeleken: 1) de feitelijke situatie met de schending van de zorgplicht (waarin dekking voor de schade van Konfor Home is geweigerd door NN) en 2) de hypothetische situatie zonder die schending. In de laatste situatie gaat het om het antwoord op de vraag wat Konfor Home feitelijk zou hebben gedaan zonder de schending van de zorgplicht door Bureau 10. De stelplicht en de bewijslast van het causaal verband rusten ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op Konfor Home. Omdat Bureau 10 door haar hier tot uitgangspunt te nemen zorgplichtschending Konfor Home de mogelijkheid heeft ontnomen om daadwerkelijk te ervaren wat zonder die normschending zou zijn gebeurd, kunnen in dit verband geen al te strenge eisen worden gesteld aan de stellingen van Konfor Home.\n\n6.21.. Konfor Home heeft (in eerste aanleg) gesteld dat als zij tijdig van de noodzaak van een geldig certificaat op de hoogte was geweest, zij alsnog alles in het werk zou hebben gesteld om van de verhuurder van het magazijn een certificaat te verkrijgen. Ook zou zij er in dat geval voor hebben kunnen kiezen haar meubels in een ander pand op te slaan.\n\n6.22.. \n\nBureau 10 heeft betwist (zowel in eerste aanleg als bij memorie van grieven in hoger beroep) dat Konfor Home (tijdig) certificering van de sprinklerinstallatie had kunnen verkrijgen. Bureau 10 verwijst daarvoor naar de e-mail van de verhuurder van het magazijn, Spee Vastgoedbeheer B.V., van 29 oktober 2021 (productie 15 conclusie van antwoord) waarin staat:\n\n“Zoals u weet hebben wij i.o.m. de huurders en installateurs afgesproken dat de installatie in stand word gehouden totdat het object definitief wordt gesloopt. Dit is ook de reden dat de looptijd van de huurovereenkomsten zeer kort zijn. Certificering is op korte termijn ook helemaal niet haalbaar, want tegen de tijd dat de installatie gecertificeerd is zal het object zijn gesloopt. Overigens kunnen wij u melden dat in september 2021 het onderhoud nog is uitgevoerd.”\n\n6.23.. Naar deze mail (die dateert van een jaar na het afsluiten van de verzekering) is ook in eerste aanleg door Bureau 10 verwezen, waarop Konfor Home ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 24 april 2024 heeft betoogd dat uit een gesprek met KIWA is gebleken dat certificering op korte termijn wel mogelijk was, hetgeen ter zitting in eerste aanleg door Bureau 10 is betwist. Enig bewijs van de stelling – bijvoorbeeld een verklaring van KIWA – heeft Konfor Home niet geleverd of aangeboden. Er kan daarom niet van worden uitgegaan dat in november 2020, toen de verzekering werd afgesloten en Bureau 10 het magazijn had bezocht, nog een geldige certificering had kunnen worden verkregen. Het standpunt van de verhuurder – van wie Konfor Home in dit opzicht afhankelijk was – wijst er overigens ook niet direct op dat hij van plan was zich – voor dit te slopen pand – nog in te zetten voor het verkrijgen van een certificering.\n\n6.24.. Dat Konfor Home, bij deugdelijke voorlichting over de certificeringseis, ervoor zou hebben gekozen haar meubels in een ander pand op te slaan of bij de keuze voor een opslagruimte met deze eis rekening zou hebben gehouden, wordt betwist door Bureau 10. Daartoe wijst Bureau 10 onder meer naar de omstandigheid (zie randnummer 2.47 memorie van grieven) dat Konfor Home herhaaldelijk gebruik maakt van tijdelijke huurovereenkomsten ter voorkoming van kraak, waarbij niet (zonder meer) geldt dat de verhuurder onderhoudsverplichtingen heeft en waarbij de huurprijs aanzienlijk lager is dan bij reguliere huur van een bedrijfspand. Daaruit blijkt volgens Bureau 10 dat Konfor Home bij de selectie van een opslagruimte andere factoren, zoals de lagere kosten aan huurpenningen, zwaarder laat meewegen dan de cruciale voorwaarden die betrekking hebben op dekking onder een verzekering.\n\n6.25.. In randnummer 2.51 van de memorie van grieven voert Bureau 10 aan dat Konfor Home eveneens heeft nagelaten een alarminstallatie aan te leggen, wat volgens Bureau 10 de conclusie rechtvaardigt dat Konfor Home ook het advies van Bureau 10 (in de hypothetische situatie zonder schending van de zorgplicht) om de sprinklerinstallatie te certificeren niet zou hebben opgevolgd. In eerste aanleg heeft Konfor Home betoogd wel achter de sprinklerinstallatie aan te zijn gegaan in het geval zij zou hebben geweten dat dit een vereiste is voor verzekeringsdekking en heeft zij, zoals de rechtbank in 4.15 heeft overwogen, toegelicht dat het aan de verhuurder was te wijten dat een eerdere verzekering wegens het niet naleven van voorschriften, is geroyeerd. Dat alles neemt echter niet weg dat nu in hoger beroep onweersproken gesteld wordt (en daarmee vaststaat) dat Konfor Home geen actie heeft ondernomen ten aanzien van de alarminstallatie (waarop Bureau 10 haar wel heeft gewezen).\n\n6.26.. Gelet op het voorstaande is het hof van oordeel dat, hoewel aan de stellingen van Konfor Home over het causaal verband geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, de stellingen van Konfor Home door Bureau 10 zodanig zijn weersproken dat een nadere toelichting of onderbouwing van haar gevergd kon worden. Omdat deze ontbreken, net als een voldoende gespecifieerd bewijsaanbod, is het vereiste causaal verband niet komen vast te staan.\n\n6.27.. De conclusie is dat ook de grieven zes en zeven gegrond zijn.\n\nOverige grieven\n\n6.28.. Het slagen van de grieven twee tot en met zeven brengt mee dat de vordering van Konfor Home alsnog - als ongegrond - moet worden afgewezen. De overige grieven inzake eigen schuld (grief acht), voordeelstoerekening (grief negen), de buitengerechtelijke incassokosten, alsmede de veeggrief 11 behoeven geen bespreking meer.\n\nNiet-ontvankelijkheid\n\n6.29.. \n\nVoor zover het hoger beroep ook is gericht tegen de mondelinge uitspraak van\n\n24 april 2024 geldt dat tegen die uitspraak geen grieven zijn gericht, zodat het hoger beroep daartegen niet-ontvankelijk is.\n\nConclusie, proceskosten en terugbetaling\n\n6.30.. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen om de vordering alsnog geheel af te wijzen. Het hof zal Konfor Home, als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n6.31.. Die kosten zullen voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Bureau 10 zullen worden vastgesteld op:\n\nGriffierecht € 2.837,00\n\nSalaris advocaat € 3.642,00(3 punten x tarief IV € 1.214,00)\n\nTotaal € 6.479,006.32.. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Bureau 10 zullen vastgesteld worden op:\n\nExplootkosten € 115,22\n\nGriffierechten € 2.175,00\n\nSalaris advocaat € 2.353,00 (1 punt x tarief IV € 2.352,00 )\n\n- Nasalaris € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 4.832,22\n\n6.33.. Het hof zal de vordering van Bureau 10 tot veroordeling van Konfor Home om terug te betalen wat zij heeft voldaan uit hoofde van het vonnis waarvan beroep toewijzen. De gevorderde wettelijke rente over het terug te betalen bedrag zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest omdat daarvoor geen sprake is van verzuim.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. verklaart Bureau 10 niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam zoals vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2024;\n\n7.2.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 augustus 2024;\n\n7.3.. wijst de vordering van Konfor Home alsnog af;\n\n7.4.. veroordeelt Konfor Home tot terugbetaling aan Bureau 10 van hetgeen zij uit hoofde van het vonnis van 28 augustus 2024 heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van dit arrest tot aan de voldoening;\n\n7.5.. veroordeelt Konfor Home in de kosten van het hoger beroep van € 4.832,22 en in die van de eerste aanleg van € 6.479,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als Konfor Home niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet Konfor Home € 98,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;\n\n7.6.. veroordeelt Konfor Home in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;\n\n7.7.. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\n7.8.. wijst af het meer of anders gevorderde.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, P.M. Verbeek en J.N. de Blécourt en ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026 door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:502","ecli-nl-ghdha-2026-502",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]