[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2023-7980":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2023-7980":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1754","ECLI:NL:RBAMS:2023:7980","",56,"Amsterdam","amsterdam","2023-12-08T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK AMSTERDAM\n\nAfdeling Publiekrecht\n\nTeams Strafrecht\n\nParketnummer: 13\u002F104210-23\n\nDatum uitspraak: 8 december 2023\n\nVonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,\n\nvolgens de Basisregistratie Personen ingeschreven op het adres:\n\n [adres 1] , [woonplaats] ,\n\nthans gedetineerd te: [detentieadres] .\n\n1. Onderzoek ter terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 november 2023.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. H. Hoekstra, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.H.B. Budde, naar voren hebben gebracht.\n\n2. Tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam [slachtoffer] , door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , (die [slachtoffer] ) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het lichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] ;\n\n(art 242 Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] , door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten het afsluiten van de woning en\u002Fof het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en\u002Fof het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en\u002Fof het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , (die [slachtoffer] ) heeft gedwongen tot het plegen en\u002Fof dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten\n\n- het tongzoenen, althans zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het zoenen in de nek en\u002Fof het zoenen van de borsten, althans het zoenen van het lichaam van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\u002Fof\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] ;\n\n(art 246 Wetboek van Strafrecht)\n\n2. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door, (na binnenkomst in de woning gelegen aan [adres 2] ) die woning (gelegen aan [adres 2] ) af te sluiten en\u002Fof de deur van die woning op slot te doen en\u002Fof (daarna) de sleutel van de (buiten)deur weg te halen;\n\n(art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3. hij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een pil met amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt;\n\n(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 8 juli 2022 en\u002Fof 9 juli 2022 te Amsterdam, een ander, te weten [slachtoffer] , door geweld of enige andere feitelijkheid en\u002Fof door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, (die [slachtoffer] ) wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en\u002Fof te dulden, te weten de inname van amfetamine, althans de inname van een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, door haar een pil met (deze) amfetamine toe te dienen, althans door haar te dwingen een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en\u002Fof te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt.\n\n(art 284 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht)\n\n3. Waardering van het bewijs\n\n3.1. Standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 en 3 primair. De feiten kunnen worden bewezen op grond van de verklaring van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), die wordt ondersteund door het whatsappgesprek tussen [slachtoffer] en verdachte en de verklaringen van getuigen die kort na het feit contact met [slachtoffer] hebben gehad en beschrijven dat zij zeer geëmotioneerd was. Verdachte heeft daarnaast verklaard de deur op slot te hebben gedaan. Bij de rechter-commissaris volgens hem om te voorkomen dat vreemden binnenkomen. Nog daargelaten dat een deur van buitenaf niet geopend kan worden zonder sleutel, verklaart hij ter zitting weer anders over de reden om de deur op slot te doen. Verder is er een NFI rapport waaruit blijkt dat er in [slachtoffer] bloed amfetamine is aangetroffen.\n\n3.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 3 primair.\n\nVoor feit 1 is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De seks heeft op vrijwillige basis plaatsgevonden. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de ten laste gelegde feitelijkheden ervoor hebben gezorgd dat [slachtoffer] is gedwongen tot de seksuele handelingen. Opzet daarop ontbreekt. Voor seksueel binnendringen is eveneens onvoldoende wettig bewijs, nu dit slechts volgt uit de verklaring van [slachtoffer] . Uit onderzoek van de NFI volgt juist dat geen DNA van verdachte is aangetroffen op de binnenste en buitenste schaamlippen en ook niet diep vaginaal. Over feit 2 is aangevoerd dat verdachte dit feit ontkent en in ieder geval geen opzet heeft gehad op wederrechtelijke vrijheidsberoving. Over feit 3 is primair aangevoerd dat [slachtoffer] daar wisselend over heeft verklaard. Op het cruciale punt, de dwang, spreekt zij zichzelf tegen. Subsidiair is ten aanzien van dit feit aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van mishandeling, omdat niet kan worden vastgesteld dat sprake was van pijn of letsel; ten aanzien van de ten laste gelegde dwang heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1. Oordeel over feit 1\n\nZedenzaken kenmerken zich over het algemeen door het feit dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: de verdachte en degene bij wie de verdachte strafbare seksuele handelingen zou hebben gepleegd. Het is dan ook vaak het woord van de een tegen het woord van de ander. Indien de verdachte ontkent, is er meestal maar één getuige van de seksuele handelingen, namelijk degene bij wie de feiten zouden zijn gepleegd.\n\nIn deze zaak verklaren zowel verdachte als [slachtoffer] dat zij hadden afgesproken en dat [slachtoffer] daarvoor naar Amsterdam was afgereisd. Nadat verdachte haar bij metrostation [metrostation] had opgehaald, zijn zij naar zijn woning gegaan. Verdachte en [slachtoffer] verklaren beiden dat daar seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Volgens verdachte vond dit plaats met wederzijdse instemming; volgens [slachtoffer] is dit tegen haar wil gebeurd.\n\nBewijsminimum in zedenzaken\n\nArtikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat de rechter niet uitsluitend op de verklaring van één getuige kan aannemen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Niet vereist is echter dat het bedoelde steunbewijs betrekking heeft op alle onderdelen van de tenlastelegging. Ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen geldt dat de feiten en omstandigheden die in een getuigenverklaring (aangifte) worden genoemd, ook voldoende steun kunnen vinden in het overige bewijsmateriaal als dat geen betrekking heeft op de ten laste gelegde gedragingen. Er mag evenwel geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband tussen de verklaring en dat overige bewijsmateriaal. Het vereiste van voldoende steun wordt wel omschreven als een eis van inhoudelijk verband die er vooral toe strekt dat de rechter in het concrete geval feiten en omstandigheden benoemt die op relevante wijze in verband staan met de inhoud van de verklaring van de getuige.\n\nBeoordeling van feit 1\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] kort na het ten laste gelegde driemaal een verklaring heeft afgelegd. [slachtoffer] heeft meteen na het ten laste gelegde contact gezocht met haar begeleiders en is met de trein van Amsterdam naar [plaats] gereisd. Als zij die nacht in [plaats] uit de trein stapt, wordt zij benaderd door de politie en haar begeleider bij [psychologisch en pedagogisch adviesbureau] , [persoon 1] . [slachtoffer] verklaart ter plaatse dat zij via datingapp [datingapp] had afgesproken met een man genaamd [voornaam verdachte] om wat in Amsterdam te gaan drinken. Zij hadden afgesproken bij metrohalte [metrostation] , waar [voornaam verdachte] haar heeft opgehaald. [slachtoffer] is met [voornaam verdachte] meegegaan naar zijn woning. Daar heeft hij de deur van zijn woning op slot gedraaid en haar gezoend en betast. Dit wilde zij niet.\n\nKort daarna is [slachtoffer] telefonisch in contact gebracht met de zedenpolitie. Tijdens dit gesprek heeft zij verklaard dat zij op 8 juli 2022 is uit gestapt bij halte [metrostation] . Zij is met [voornaam verdachte] meegegaan naar zijn woning aan [adres 2] in Amsterdam. [voornaam verdachte] deed de deur van de woning op slot. Hij heeft de kleding van [slachtoffer] uitgetrokken. [slachtoffer] verklaart dat zij heeft gezegd dat zij dit niet wilde en wilde weggaan. [voornaam verdachte] lag bovenop [slachtoffer] . Hij heeft een pilletje in haar mond gestopt en daarna gevraagd of zij haar mond wilde openen, om te controleren of zij haar pil had doorgeslikt. [voornaam verdachte] heeft haar ook overal op haar lichaam aangeraakt. Ook heeft hij haar borsten gekust, bij de vagina gevoeld en zijn vingers naar binnen gebracht. Dit wilde zij niet.\n\nDiezelfde nacht heeft een informatief gesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [slachtoffer] verklaard dat zij op 8 juli 2022 in Amsterdam had afgesproken met [voornaam verdachte] om wat te gaan drinken en daarna naar een nachtclub te gaan. Zij is afgereisd naar Amsterdam en kwam rond 21.45 uur aan. [voornaam verdachte] stelde voor om naar zijn woning te gaan. Dit voelde niet goed, maar zij is toch meegelopen. [voornaam verdachte] woont op het adres [adres 2] in Amsterdam. Eenmaal in de woning aangekomen, deed hij de deur meteen op slot. In eerste instantie liet hij de sleutel in de deur zitten, maar later zag [slachtoffer] dat de sleutels er niet meer in zaten. [voornaam verdachte] heeft de kleding van [slachtoffer] uitgetrokken en begon haar op een gegeven moment te zoenen. [slachtoffer] wilde dit niet en bevroor. Vervolgens heeft hij haar kleding uitgedaan en haar op allerlei plekken aangeraakt. Verder heeft hij haar in haar nek, op haar mond en op haar borsten gezoend. Ook heeft hij haar gebeft en gevingerd, waarbij hij met zijn vingers in haar vagina is gegaan. [slachtoffer] heeft verder verklaard dat zij een pilletje moest innemen terwijl zij dit niet wilde. [voornaam verdachte] heeft vervolgens gecontroleerd of zij het pilletje had doorgeslikt. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat zij tegen [voornaam verdachte] heeft gezegd dat zij weg wilde; daarop zei hij dat zij moest blijven en dat ze over een halfuur zouden gaan. Uiteindelijk heeft [slachtoffer] voorgesteld om een rondje te lopen. Toen ze eenmaal buiten waren is zij weggerend, waarna zij een begeleider bij [psychologisch en pedagogisch adviesbureau] , [persoon 2] , heeft gebeld.\n\nDe begeleider van [slachtoffer] , [persoon 2] , is later door de politie gehoord als getuige. Zij heeft verklaard dat zij de betreffende avond werd gebeld door [slachtoffer] en direct hoorde dat zij in paniek was. [slachtoffer] vertelde dat ze in Amsterdam had afgesproken met een jongen die ze kende via datingapp [datingapp] , dat de jongen haar had opgesloten en aangeraakt en dat ze iets, vermoedelijk een pil, tegen haar wil had ingenomen. Tijdens het telefoongesprek met getuige [persoon 2] huilde [slachtoffer] en was ze aan het hyperventileren.\n\n [slachtoffer] is kort na het ten laste gelegde opgehaald op Centraal station [plaats] door een andere begeleider, [persoon 1] . Ook [persoon 1] is later de politie gehoord als getuige. [persoon 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] paniekerig was toen zij op het station aankwam en aan het hyperventileren was. Ook die nacht en nog lang daarna is [slachtoffer] paniekerig geweest. [persoon 1] heeft verklaard dat zij van [slachtoffer] heeft gehoord dat zij een date had en dat de jongen – eenmaal in de woning aangekomen – de deur op slot heeft gedaan, haar wilde aanraken en dingen wilde doen die [slachtoffer] niet wilde. De jongen is in ieder geval met zijn handen bij de vagina van [slachtoffer] geweest. Daarnaast heeft [slachtoffer] verklaard dat de jongen iets in haar drinken heeft gedaan en dat zij dit moest opdrinken. Dit was ‘een hele pil van iets’. [slachtoffer] wilde dit niet, maar heeft dit uiteindelijk wel gedaan.\n\nOp 9 juli 2022 wordt bloed afgenomen bij [slachtoffer] . Het bloed wordt onderzocht en daaruit volgt dat de aanwezigheid van amfetamine is aangetoond.\n\nTussen [slachtoffer] en verdachte zijn via Whatsapp berichten uitgewisseld. [slachtoffer] heeft deze berichten beschikbaar gesteld aan de politie. Uit de berichten die zijn uitgewisseld volgt dat verdachte voorstelt om af te spreken bij metrohalte [metrostation] in Amsterdam. [slachtoffer] vraagt vervolgens meermalen of het mogelijk is om in [plaats] af te spreken. De eerste keer antwoordt verdachte dat dit niet kan, maar dat hij een leuke plek in Amsterdam kent waar zij kunnen afspreken in de buurt van metrohalte [metrostation] . Verdachte vraagt vervolgens aan [slachtoffer] of zij al weet welke jurk ze zal aantrekken en dat ze bonuspunten krijgt als zij een rok of jurk aantrekt. Als [slachtoffer] vervolgens vraagt of het goed is als zij alleen wat gaan drinken in een café, antwoordt verdachte bevestigend. Kennelijk na afloop van de date vraagt verdachte aan [slachtoffer] of zij zijn nummer kan verwijderen uit haar contactenlijst. Ook vraagt hij haar het Whatsapp gesprek te verwijderen.\n\nVerdachte heeft op zitting verklaard dat, toen hij met [slachtoffer] in de woning was, het gesprek aanvankelijk niet soepel verliep. Hij heeft een naar zijn zeggen ‘goedlopend techniekje’ ontwikkeld dat hij vervolgens heeft toegepast. Hij heeft de hand van [slachtoffer] vastgepakt en daarna hebben zij even gepraat. Op een gegeven moment heeft [slachtoffer] haar kleding uitgetrokken. Volgens verdachte was [slachtoffer] erg geïnteresseerd in hem en is zij ingegaan op zijn voorstel om naar de slaapkamer te gaan; zij gaf hem een ‘ja’-signaal. Tegelijkertijd heeft verdachte verklaard dat hij in de woonkamer wilde blijven om nog even te praten. Over het dwingen tot het innemen van een pil heeft verdachte verklaard dat hij zijn medicatie innam en dat [slachtoffer] hem op dat moment ook om een pil vroeg. Verdachte ontkent haar te hebben gedwongen een pil in te nemen. Over het afsluiten van zijn deur verklaart hij wisselend. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte hierover verklaard dat hij niet wil dat vreemden bij hem kunnen binnenkomen. Op zitting heeft verdachte echter verklaard dat hij uit gewoonte zijn sleutels in het slot laat, zodat hij ze niet kwijtraakt. Daarnaast verklaart hij dat hij de deur nooit afsluit als hij met iemand in huis is en dat dat ook nu het geval was. Op de vraag waarom de sleutels zich volgens [slachtoffer] in tweede instantie niet meer in de deur bevonden antwoordt verdachte eerst dat hij dit niet weet en vervolgens dat de sleutels dan in zijn zak moeten hebben gezeten.\n\nOp basis van het voorgaande overweegt de rechtbank als volgt. De verklaringen van [slachtoffer] zijn direct afgelegd en consistent en vinden ondersteuning in andere bewijsmiddelen. De begeleiders van [slachtoffer] hebben haar kort na het ten laste gelegde aan de telefoon gesproken en gezien. Zij verklaren beiden dat [slachtoffer] in paniek was en hyperventileerde. Ook heeft bloedonderzoek uitgewezen dat in haar bloed amfetamine is aangetroffen. Deze omstandigheden sluiten aan op wat [slachtoffer] heeft verklaard over het ten laste gelegde. Daartegenover heeft verdachte een warrige en wisselende verklaring afgelegd. Zijn verklaring vindt geen steun in het overige bewijs. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring die [slachtoffer] over de situatie heeft afgelegd.\n\nGelet op de gehele gang van zaken, zoals hiervoor is omschreven, is de rechtbank van oordeel dat het kennelijk de bedoeling van verdachte is geweest om af te spreken zodat hij seks kon hebben met [slachtoffer] . Uit de berichten die voorafgaand aan de afspraak zijn uitgewisseld maakt de rechtbank op dat het de bedoeling van verdachte is geweest [slachtoffer] naar zijn woning te krijgen. Verdachte persisteerde bij het afspreken bij metrohalte [metrostation] en stuurde haar berichten over de kleding die zij zou aantrekken naar de date. Ook stuurde hij tweemaal het bericht “I know an awesome place you're going to love”. Op zitting heeft verdachte verklaard dat dit een standaardzin is die hij stuurde en dat deawesome placezijn huis was. In de woning heeft hij een gesprekstechniek toegepast naar eigen zeggen opgedaan door begeleiding van date- en\u002Fof sekscoaches. Anders dan verdachte hierover heeft verklaard ziet de rechtbank dit niet als een middel om vriendschap te sluiten, maar als middel om tot seks te komen.\n\nDoor na de aankomst in zijn woning de deur op slot te doen, de kleding van [slachtoffer] uit te trekken en haar daarna te betasten heeft verdachte haar gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen die daarna hebben plaatsgevonden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer] heeft verklaard dat zij bevroor en heeft aangegeven dat zij het niet wilde en dat verdachte toch doorging. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat verdachte haar heeft gezoend, in de nek en op de borsten. Ook heeft hij haar gebeft en is hij met zijn vingers in haar vagina geweest. Deze laatste handelingen vallen onder seksueel binnendringen.\n\nGelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verkrachting.\n\n3.3.2. Oordeel over feit 2\n\nDe rechtbank heeft hierboven al overwogen dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over het afsluiten van zijn woning. Daarnaast is onder de bespreking van feit 1 overwogen dat de rechtbank uitgaat van de verklaring van [slachtoffer] en dat haar verklaring wordt ondersteund door ander bewijs. [slachtoffer] heeft drie verklaringen afgelegd over het ten laste gelegde. Daarin heeft zij telkens verklaard dat [voornaam verdachte] de deur van zijn woning op slot heeft gedaan. [slachtoffer] heeft bovendien verklaard dat zij [voornaam verdachte] heeft gezegd dat zij weg wilde gaan, waarop hij antwoordde dat zij over een halfuur zouden vertrekken. Dit laatste sluit aan op de verklaring die verdachte bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Door op deze manier te handelen heeft verdachte willens en wetens de kans aanvaard dat hij daarmee [slachtoffer] weerhield van weggaan en zich dus schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving. Met andere woorden: er is sprake van voorwaardelijk opzet.\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving en beroofd houden van [slachtoffer] .\n\n3.3.3. Oordeel over feit 3\n\n [slachtoffer] heeft drie verklaringen afgelegd over het ten laste gelegde. Daarin heeft zij telkens verklaard dat zij van verdachte een pil moest innemen. Ook heeft zij verklaard dat hij daarna heeft gecontroleerd of zij de pil daadwerkelijk had ingeslikt. Het bloed van [slachtoffer] is onderzocht en daaruit volgt dat de aanwezigheid van amfetamine is aangetoond. Daarmee wordt haar verklaring ondersteund.\n\nDe vraag is of dit een strafbaar feit oplevert en zo ja, als welk strafbaar feit dit kan worden gekwalificeerd.\n\nPrimair is dit ten laste gelegd als mishandeling. Voor mishandeling is vereist dat sprake is van pijn en\u002Fof letsel. Uit het dossier volgt niet dat [slachtoffer] pijn of letsel heeft ondervonden als gevolg van het innemen van de pil. Zij heeft juist verklaard dat zij hierna geen effect opmerkte. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.\n\nSubsidiair is dit ten laste gelegd als dwang. De rechtbank overweegt dat in de gegeven omstandigheden de bovengenoemde handelingen hebben veroorzaakt dat [slachtoffer] de pil heeft ingenomen. Daarmee is sprake geweest van dwang. Het subsidiair ten laste gelegde kan daarmee worden bewezen.\n\n4. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in bijlage I opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 1 primair:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam [slachtoffer] , door een andere feitelijkheid, te weten het op slot doen van de deur van de woning gelegen aan [adres 2] en het uittrekken van de kleding van die [slachtoffer] en het (zonder toestemming) betasten van die [slachtoffer] , die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten\n\n- het zoenen op de mond van die [slachtoffer] en\n\n- het zoenen in de nek en het zoenen van de borsten van die [slachtoffer] en\n\n- het oraal binnendringen van de vagina van die [slachtoffer] en\n\n- het met zijn vingers binnendringen van de vagina van die [slachtoffer];\n\nten aanzien van feit 2:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door na binnenkomst in de woning gelegen aan [adres 2] de deur van die woning op slot te doen en daarna de sleutel van de deur weg te halen;\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nop 8 juli 2022 te Amsterdam een ander, te weten [slachtoffer] , door enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander, die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten een pil met amfetamine, zijnde een verdovende en\u002Fof schadelijke stof, in te nemen en te controleren of die [slachtoffer] de pil daadwerkelijk had doorgeslikt.\n\n5. Strafbaarheid van de feiten\n\nDe bewezen verklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.\n\n6. Strafbaarheid van verdachte\n\n6.1. Advies van de deskundigen\n\nDe deskundigen B. Fokkink, arts in opleiding tot specialist (psychiatrie), heeft onder supervisie van psychiater S.C.J. Frehe, verdachte onderzocht. Dit geldt eveneens voor R.A. Sterk, psycholoog. Naar aanleiding daarvan hebben beide deskundigen een rapport uitgebracht.\n\nSamenvattend komen de deskundigen tot de conclusie dat verdachte lijdt aan schizofrenie, een autismespectrumstoornis en misbruik van dexamfetamine. Daarnaast wordt in het psychiatrisch rapport een alcoholstoornis vastgesteld. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het bewezen verklaarde.\n\nHet gedrag van verdachte werd ten tijde van het bewezen verklaarde rechtstreeks en vrijwel volledig bepaald door de beperkingen voortkomend uit de vastgestelde stoornissen. Daarvan kan worden gesteld dat er in ieder geval sprake is van een zeer significant doorwerken en waarschijnlijk een volledige doorwerking in het bewezen verklaarde. Als gevolg van de geconstateerde problematiek lijkt verdachte in het geheel niet in staat geweest om zijn wil in vrijheid te kunnen bepalen. Geadviseerd wordt om het bewezen verklaarde in het geheel niet toe te rekenen.\n\n6.2. Standpunten\n\nDe officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt dat het bewezen verklaarde, in overeenstemming met de over hem uitgebrachte rapporten, niet aan verdachte kan worden toegerekend. Hij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n6.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en neemt deze op dit punt over. De rechtbank is op grond van de rapporten van oordeel dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd als gevolg van de bij hem vastgestelde schizofrenie en een autismespectrumstoornis, zodat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n7. Motivering van de maatregel\n\n7.1. Eis van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 primair, 2 en 3 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging. Daarnaast is gevorderd dat de maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd.\n\n7.2. Standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht te volstaan met oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden. Daartoe is aangevoerd dat tbs met dwangverpleging een contraproductieve werking zal hebben op het herstel van verdachte, zo volgt uit de rapporten van de deskundigen.\n\n7.3. Oordeel van de rechtbank\n\nDe hierna te noemen afdoening van de zaak is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op zitting is gebleken.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft [slachtoffer] voor een date meegenomen naar zijn woning. Hij heeft de deur van zijn woning op slot gedaan, heeft [slachtoffer] uitgekleed en haar betast. Daarmee heeft hij haar gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen die hij vervolgens heeft verricht. Dit levert verkrachting op. Een verkrachting betekent per definitie een ernstige, grove aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. In zijn algemeenheid is verkrachting een schokkende, ingrijpende en beangstigde gebeurtenis die vaak langdurig fysieke, psychische en\u002Fof emotionele gevolgen voor het slachtoffer heeft. Dat die gevolgen ook daadwerkelijk zijn ingetreden volgt uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer] , die op zitting is voorgelezen.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . Verdachte heeft de woning op slot gedaan en er daarmee voor gezorgd dat [slachtoffer] niet vrij was om de woning te verlaten. Toen [slachtoffer] tegen verdachte zei dat zij weg wilde, heeft verdachte daar geen gehoor aan gegeven en heeft [slachtoffer] nog geruime tijd tegen haar zin in de woning moeten blijven. Dat aan de situatie uiteindelijk een einde is gekomen, ligt niet aan verdachte, maar komt doordat [slachtoffer] voorstelde om samen naar buiten te gaan voor een wandeling, waarna zij is weggerend.\n\nTot slot heeft hij [slachtoffer] gedwongen een pil amfetamine in te nemen. Hiermee heeft hij eveneens een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .\n\nPersoon van de verdachte\n\nPsychische stoornis\n\nZoals hiervoor onder 6 overwogen blijkt uit de rapporten van de deskundigen dat verdachte lijdt aan schizofrenie en een autismespectrumstoornis en dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.\n\nRisico taxatie\n\nOver het risico op recidive rapporteert de psychiater – zakelijk weergegeven – onder meer dat bij het uitblijven van adequate behandeling het risico op delicten, waaronder gewelds- en zedendelicten, wordt ingeschat op hoog tot zeer hoog. De psycholoog schat deze kans in als hoog.\n\nInterventieadvies\n\nOver het interventieadvies rapporteert de psychiater – zakelijk weergegeven – onder meer dat het functioneren van verdachte in het heden en verleden moet worden gezien in het kader van de twee ernstige stoornissen die met elkaar verweven zijn en elkaar voortdurend beïnvloeden. Gezien het huidige toestandsbeeld is van belang dat als eerste stap de psychotische belevingen\u002Fwanen worden behandeld door middel van antipsychotica in een adequate dosering. Dit zal voor langere periode, en mogelijk zelfs levenslang, nodig zijn. Na de stabilisatie op medicatie is verdachte erbij gebaat om in een stabiele, veilige woonsetting te verblijven en te beschikken over een zinvolle, passende dagbesteding. Ook is verdachte erbij gebaat zijn ziekte-inzicht te vergroten. In het rapport is geadviseerd de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen, aangevuld met een zorgmachtiging voor een farmacologische dwangbehandeling. In het rapport wordt omschreven dat de tbs-maatregel met dwangverpleging niet aangewezen is, omdat dat bij verdachte veel frustratie en weerstand zal oproepen, hetgeen een averechtse werking kan hebben op de behandeling.\n\nDe psycholoog heeft in zijn rapport – zakelijk weergegeven – gesteld dat in de aanvang een klinische behandeltraject is aangewezen, waarbij expertise is van de problematiek die bij verdachte speelt. Naast medicamenteuze interventies zou ook psychoeducatie en gedragstherapie geboden moeten worden. Een verhoogd beveiligingsniveau is niet nodig, mits er voldoende expertise van de complexe psychische problematiek aanwezig is. In tweede instantie zou verdachte begeleid kunnen worden naar een beschermde woonvorm, waarbij eveneens expertise voor de geconstateerde psychische problematiek dient te zijn. Hierbij zal de nadruk liggen op de autismespectrumstoornis, omdat deze van grote invloed is op het niveau van zijn sociaal functioneren. Ook de psycholoog adviseert de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden in combinatie met een zorgmachtiging voor de dwangmedicatie.\n\nUit het rapport van de reclassering van 10 oktober 2023 volgt dat de verwachting is dat verdachte zich niet langdurig kan conformeren aan bijzondere voorwaarden. Daarom wordt negatief geadviseerd ten aanzien van de uitvoerbaarheid van een tbs-maatregel met voorwaarden.\n\nOp de zitting hebben de psychiater S.C.J. Frehe en psycholoog R.A. Sterk het uitgebrachte advies bijgesteld. Uit informatie afkomstig uit het PPC, waar verdachte op dit moment verblijft, volgt dat hij ervoor heeft gekozen om geen mediatie in te nemen. Medicatie is echter een noodzakelijk onderdeel van de behandeling. De eerdere overweging om geen tbs met dwangverpleging te adviseren, namelijk omdat dit een averechtse werking kan hebben op de behandeling, is daarmee achterhaald nu is gebleken dat verdachte niet te motiveren is tot medicatie inname. De deskundigen menen thans dat een tbs-maatregel met voorwaarden in combinatie met een zorgmachtiging onvoldoende kader biedt om het recidivegevaar tegen te gaan. Bij deze stand van zaken wordt geadviseerd een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.\n\nDe rechtbank constateert dat verdachte al een lange tijd zorgelijk gedrag vertoont. De politie heeft een proces-verbaal opgemaakt waarin melding wordt gemaakt van een grote hoeveelheid mutaties die dateren van 2013 tot en met juli 2022. Verdachte kent ook een lange geschiedenis in de geestelijke gezondheidszorg. Van oktober 2020 tot en met januari 2021 heeft een klinische opname plaatsgevonden in het kader van een zorgmachtiging. Vanuit de [GGD] is hij betrokken bij de Gemeentelijke aanpak PPPG: psychiatrische patiënten, potentieel gevaarlijk. Deze interventies hebben tot nu toe nog niet het gewenste resultaat gehad.\n\nGelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de tbs-maatregel met voorwaarden ontoereikend is vanwege het gebrek aan ziekte inzicht bij verdachte en de beoordeling dat een strenger (dwang)kader nodig zal zijn, in ieder geval voor het innemen van medicatie. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat ook op dit moment in het PPC problemen zijn ontstaan met betrekking tot de medicatie inname. De rechtbank ziet de terbeschikkingstelling met dwangverpleging als enig toereikend middel en zal dit gelasten.\n\nDe rechtbank overweegt dat voldaan wordt aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van de terbeschikkingstelling, te weten: bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Op de gepleegde misdrijven, te weten verkrachting (feit 1 primair) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2) is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. En tot slot eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen die maatregel.\n\nDe rechtbank overweegt dat de terbeschikkingstelling niet in duur is beperkt, nu deze onder meer wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten verkrachting.\n\nGedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel\n\nDe rechtbank ziet ook aanleiding om naast de tbs-maatregel aan verdachte een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. De rechtbank acht de oplegging van deze maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen.\n\n8. Vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer] vordert €418,12 aan vergoeding van materiële schade en €7.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe officier van justitie en de raadsman stellen zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering, voor zover het de materiële schade betreft. Volgens de raadsman is de benadeelde partij ook niet-ontvankelijk ten aanzien van de immateriële schade. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de immateriële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 1.000,-.\n\nImmateriële schade\n\nVast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 primair bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer] ontvankelijk is in haar vordering. Op grond van de ernst van het bewezen verklaarde, de namens de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, matigt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op €1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 8 juli 2022. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank overweegt dat vaststaat dat de benadeelde partij de gevorderde reiskosten heeft gemaakt als gevolg van het bewezen verklaarde. Bij het bepalen van de hoogte van de reiskosten is aangesloten bij artikel 11, eerste lid onder d van het Besluit tarieven in strafzaken (hierna: het Besluit), dat uitgaat van een bedrag van € 0,28 per kilometer. De rechtbank is van oordeel dat de gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan is aangevoerd namens de benadeelde partij en met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet valt onder de personen genoemd onder artikel 11, eerste lid onder d van het Besluit. Wel komt zij in aanmerking voor de standaardvergoeding van € 0,19 per kilometer. Dit betekent dat een bedrag van € 15,69 wordt toegewezen; voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.\n\nHet kan worden vastgesteld dat de ondergoed van de benadeelde partij in beslag is genomen in het kader van het opsporingsonderzoek; zij heeft dit niet teruggekregen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij daardoor schade heeft geleden en dat die schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde. De gevorderde schade wordt dan ook toegewezen.\n\nDe benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de post zorgkosten niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit bedrag ziet op toekomstige kosten en betreft daarmee geen door de benadeelde partij geleden schade. Een rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het bewezen verklaarde kan daarmee niet worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.525,69,-. Gelet op de zeer beperkte financiële draagklacht van verdachte, in verband met de huidige detentie en de opgelegde tbs-maatregel, zal de rechtbank bepalen dat bij niet-betaling maximaal 1 (één) dag gijzeling kan worden bevolen.\n\n9. Toepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 242 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. Beslissing\n\nDe rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.\n\nVerklaart het onder 3 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.\n\nVerklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nfeit 1, primair:\n\nverkrachting;\n\nfeit 2:\n\nopzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;\n\nfeit 3, subsidiair:\n\neen ander door enige andere feitelijkheid gericht hetzij tegen die ander wederrechtelijk dwingt iets te doen.\n\nTen aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair:\n\nVerklaart het bewezene strafbaar.\n\nVerklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaathemvan alle rechtsvervolgingter zake daarvan.\n\nTen aanzien van de feiten 1 primair en 2:\n\nGelast dat verdachte ter beschikkingwordtgestelden beveelt dat hijvan overheidswege wordt verpleegd.\n\nLegt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nTen aanzien van de vordering benadeelde partij:\n\nWijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van €1.525,69 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent) bestaande uit € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro) immateriële schade en € 25,69 (vijfentwintig euro en negenenzestig cent) materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juli 2022) tot aan de dag van de algehele voldoening.\n\nVeroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.\n\nVeroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.\n\nLegt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat €1.525,69 (duizend vijfhonderdvijfentwintig euro en negenenzestig cent), bestaande uit € 1.500,- (duizendvijfhonderd euro) immateriële schade en € 25,69 (vijfentwintig euro en negenenzestig cent) materiële schade, te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 juli 2023) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. A.S. Dogan, voorzitter,\n\nmrs. P.L.C.M. Ficq en K.M.A. van der Heijden, rechters,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.P. Jit, griffier,\n\nen uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2023.\n\n […]","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2023:7980","ecli-nl-rbams-2023-7980",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]