[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-6444":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-6444":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"629","ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F772249 \u002F HA ZA 25-1270\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\neiser,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. M.W.J. Ariëns,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende te [woonplaats 2] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 1] (1) en [gedaagde 2] (2) en samen [gedaagden 1 & 2] .,\n\nadvocaat: mr. H.C. Bijleveld,\n\n3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n [gedaagde 3] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats 2] , 4. [gedaagde 4],\n\nwonende te [woonplaats 3] ,\n\ngedaagden,\n\nhierna te noemen: afzonderlijk [gedaagde 3] (3) en [gedaagde 4] (4) en samen [gedaagden 3 & 4]\n\nadvocaat: mr. G.C. Endedijk,\n\n1. De zaak en de beslissingen van de rechtbank in het kort\n\n1.1.. \n [eiser] werkte als directielid bij [bedrijf] . Hij is vanaf 2021 verdacht geweest van het mededelen van voorwetenschap. Het naar hem in dat verband verrichte strafrechtelijk onderzoek is geëindigd in een transactie met het Openbaar Ministerie, waarbij [eiser] een boete van € 20.000,00 heeft betaald. Op [datum 1] 2024 heeft het Openbaar Ministerie daarover een anoniem persbericht op haar website geplaatst.\n\n1.2.. Op [datum 2] 2024 heeft een journalist van het FD contact opgenomen met [eiser] en aan hem medegedeeld dat op maandag [datum 5] (op de website van het FD) en dinsdag [datum 6] 2024 (in de papieren krant van het FD) een artikel zou worden gepubliceerd over onder meer voornoemde gebeurtenissen. De journalist heeft [eiser] toen ook – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan voornoemde publicatie commentaar wilde geven.\n\n1.3.. Daarop heeft [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 3] ingeschakeld als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat om hem te adviseren over de vraag of en zo ja welk commentaar hij zou moeten geven aan de journalist. Vervolgens hebben partijen verschillende conceptcommentaren uitgewisseld. In de middag van [datum 4] 2024 heeft [eiser] een commentaar aan de journalist gestuurd.\n\n1.4.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel over onder meer [eiser] verschenen. Op [datum 6] 2024 is datzelfde artikel in de papieren krant van het FD verschenen.\n\n1.5.. Intussen is [eiser] op [datum 5] 2024 door [bedrijf] op non-actief gesteld. Enige tijd later is hij op staande voet ontslagen. Na een daaropvolgend mediationtraject hebben [eiser] en [bedrijf] uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst gesloten.\n\n1.6.. Volgens [eiser] hebben [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] hem ondeugdelijk geadviseerd over het door hem aan de journalist te geven commentaar en is hij als gevolg daarvan zijn baan bij [bedrijf] kwijtgeraakt. In deze procedure stelt [eiser] [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor met verschillende vorderingen aansprakelijk.\n\n1.7.. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] af. De redenen daarvoor zijn dat i) [eiser] geen overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten en ii) niet kan worden vastgesteld dat zij als bestuurders van hun vennootschappen onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld.\n\n1.8.. De rechtbank wijst ook de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] af, omdat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat zij – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 26 juni 2025, met producties 1 – 33,\n\n- de incidentele conclusie houdende verzoek als bedoeld in artikel 195 Rv van [gedaagden 3 & 4] , met producties 1 – 2,\n\n- de conclusie van antwoord in incident, met producties 34 – 35,\n\n- de akte houdende vermindering van eis in het incident tot nihil van [gedaagden 3 & 4] ,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 1 & 2] , met producties 1 – 5,\n\n- de conclusie van antwoord van [gedaagden 3 & 4] , met producties 3 – 4,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,\n\n- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 en de daarin genoemde stukken,\n\n- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 13 mei 2026 die zich in het dossier bevinden.\n\n2.2.. Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.\n\n3. De feiten\n\nDe betrokken partijen\n\n3.1.. \n [eiser] is op 16 mei 2018 in dienst getreden bij [bedrijf] . [eiser] heeft bij [bedrijf] de functie van Algemeen Directeur [dochterbedrijf] bekleed.\n\n3.2.. \n ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] ) is getrouwd met de broer van de echtgenote van [eiser] en was werkzaam bij een bank.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is een communicatieadviseur en reputatiestrateeg, gespecialiseerd op het gebied van crisismanagement. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] .\n\n3.4.. \n [gedaagde 4] is bestuurder van [gedaagde 3] en werkt daar als advocaat.\n\nDe verdenking van [eiser]\n\n3.5.. De vader van ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] (hierna: [de vader van schoonzus] ) heeft op enig moment gebeld met een vermogensbeheerder van Van Lanschot Bankiers en gezegd dat hij aandelen in [bedrijf] wilde kopen, omdat hij van zijn dochter had begrepen dat er goede kwartaalcijfers en een deal met een Chinese entiteit aan zaten te komen. Voornoemde vermogensbeheerder heeft dit telefoongesprek vervolgens gemeld bij de Autoriteit Financiële Markten (hierna: de AFM).\n\n3.6.. In maart 2021 heeft de AFM aangifte gedaan bij het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap.\n\n3.7.. Naar aanleiding van die aangifte is het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart naar onder meer [eiser] . Eind september 2021 heeft het OM aan [eiser] laten weten dat hij werd verdacht van het mededelen van en handelen met voorwetenschap. Het strafrechtelijk onderzoek naar [eiser] is uitgevoerd door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna: de FIOD).\n\n3.8.. In een brief van 15 november 2021 heeft [bedrijf] [eiser] onder meer gewaarschuwd voor het meermaals overtreden van het interne Reglement Voorwetenschap van [bedrijf] . In deze brief staat verder het volgende:\n\n“Daarnaast heeft u recent met [naam 1] [de chief executive officer (CEO) van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] en met [naam 2] [ compliance officer van [bedrijf] , toevoeging rechtbank] besproken dat u door het Openbaar Ministerie verdacht wordt van het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap. U heeft in dat gesprek uitdrukkelijk aangegeven dat deze verdenking onterecht is, en dat u ter dezer zake geen enkel verwijt treft. Indien in de toekomst toch mocht blijken dat deze bevestiging van uw zijde onjuist was en\u002Fof dat u wel degelijk betrokken bent bij het wederrechtelijk mededelen van voorwetenschap die betrekking heeft op [bedrijf] NV, dan wel indien in het kader van het strafrechtelijke traject andere zaken naar voren komen die het in u gestelde vertrouwen nog verder beschadigen, zal zulks niet zonder gevolgen voor uw dienstverband kunnen blijven. Wij behouden ons voor die gevallen alle rechten voor, het recht tot onmiddellijke beëindiging van uw dienstverband daaronder uitdrukkelijk begrepen.”\n\n3.9.. Begin december 2023 is [eiser] met het OM een transactie aangegaan. Als onderdeel daarvan heeft hij een boete van € 20.000,00 betaald.\n\n3.10.. Op [datum 1] 2024 heeft het OM een persbericht op haar website gepubliceerd waarin onder meer het volgende staat:\n\n“Geldboetes voor handel met voorwetenschap\n\n(…)\n\nHet Openbaar Ministerie (OM) heeft voor het opzettelijk mededelen van voorwetenschap en het opzettelijk handelen met voorwetenschap twee zaken buitengerechtelijk afgedaan met geldboetes van 25.000 euro en 20.000 euro.\n\nAanleiding strafzaak\n\nDoor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is in maart 2021 bij het Functioneel Parket van het OM aangifte gedaan van een vermoedelijke overtreding van het verbod op handel met voorwetenschap. De AFM had van een oplettende vermogensbeheerder een melding (…) binnengekregen over een cliënt met opvallend beleggingsgedrag. Uit een opgenomen telefoongesprek bij de bank waar de vermogensbeheerder werkzaam was, bleek dat er mogelijk sprake was van het mededelen van voorwetenschap door een persoon binnen een Nederlands beursgenoteerd bedrijf.\n\nOnderzoek FIOD\n\nUit het strafrechtelijk onderzoek dat is uitgevoerd door de FIOD is gebleken dat er tussen de persoon bij het beursgenoteerde bedrijf, die daar een managementfunctie vervulde, en bij degene die handelde in de aandelen van dat bedrijf familiaire banden bestonden. Het door het OM verweten mededelen van voorwetenschap en daarop gevolgde handelen zag op kwartaalcijfers van het bedrijf en het bekendmaken van een deal met een buitenlandse partij.”\n\nHet eerste contact tussen [eiser] en een journalist van het FD\n\n3.11.. Op vrijdag [datum 2] 2024 heeft een journalist van het Financieele Dagblad (hierna: het FD) – de heer [naam 3] (hierna: [naam 3] ) – contact opgenomen met [eiser] . Hij heeft toen aan [eiser] medegedeeld dat op maandag [datum 5] 2024 op de website van het FD en op dinsdag [datum 6] 2024 in de papieren krant van het FD een artikel zou verschijnen over onder meer de verdenking van [eiser] en de door hem gesloten transactie met het OM. [naam 3] heeft [eiser] – in het kader van wederhoor – gevraagd of hij voorafgaand aan de publicatie van het artikel commentaar wilde geven.\n\nHet eerste contact tussen partijen\n\n3.12.. Op zaterdag [datum 3] 2024 heeft [eiser] gebeld met [gedaagde 2] en daarbij gevraagd te adviseren over de vraag of en zo ja, welk commentaar hij zou moeten geven met betrekking tot het door [naam 3] aangekondigde artikel. [gedaagde 2] heeft zich daartoe bereid verklaard.\n\n3.13.. Diezelfde dag heeft [gedaagde 2] – met instemming van [eiser] – [gedaagde 4] gebeld en hem gevraagd of hij bereid en beschikbaar was om zaterdag [datum 3] en zondag [datum 4] 2024 [eiser] mede te adviseren. [gedaagde 4] heeft zich daartoe bereid en beschikbaar verklaard. Daarna heeft [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 een opdrachtbevestiging vanuit [gedaagde 3] aan [eiser] gemaild.\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 3] 2024\n\n3.14.. In de middag van [datum 3] 2024 hebben partijen een telefonisch groepsgesprek gevoerd.\n\n3.15.. Daarna is een WhatsApp-groep tussen partijen aangemaakt. In een groepsgesprek hebben zij onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 3] -2024, 16:04:39] [gedaagde 4]: Concept\n\nGeachte heer [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet zich schuldig gemaakt aan de genoemde strafbare feiten. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, wilde besparen heb ik, hoewel ik absoluut van mening ben dat ik zou worden vrijgesproken, ingestemd met een schikking. Hiermee konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak afuiten en door met ons leven. Ook mijn werkgever heeft aangedrongen op het aanvaarden van de schikking omdat zij publicataire schade vreesde. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ik hoop dat u zo prudent wilt zijn mijn naam niet of niet volledig te vermelden omdat ik anders online tot in de lengte der dagen vindbaar ben met iets dat ik niet heb gedaan. De officier van justitie is hiervoor ook gevoelig gebleken en heeft ingestemd met een anoniem persbericht. Ik hoop dat u dit wilt respecteren. Uiteraard ben ik graag tot een nadere (telefonische) toelichting bereid.”\n\n[ [datum 3] -2024, 16:05:23] [gedaagde 4]: Dit is maar een opzet uiteraard die ook moet worden afgestemd met jouw advocaat en mogelijk moet worden veranderd naar gelang de vragen van [naam 3] .\n\n[ [datum 3] -2024, 16:07:07] [gedaagde 4]: Maar dan hebben we vast een 'werktekst'”\n\nDe correspondentie tussen partijen: [datum 4] 2024\n\n3.16.. In de ochtend van zondag [datum 4] 2024 heeft [naam 3] [eiser] onder meer als volgt bericht:\n\n“Ha [eiser] , ik zou graag antwoord krijgen op de volgende vragen, vóór vandaag 17u.\n\n1. Je reactie op de betaling van €25.000 aan justitie vanwege delen van voorkennis?\n\n2. Wat is het gevolg geweest van de voorkennis-affaire voor jouw dienstverband met [bedrijf] ?\n\nEn\u002Fof werk je er nog?\n\n3. Wat was voor jou de reden om de koersgevoelige informatie over de deal met China en\n\nkwartaalcijfers te delen met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] en\u002Fof haar vader?\n\n4. Bij welke gelegenheid en op welke datum heb je die informatie met hen gedeeld?\n\n5. waarom heeft [bedrijf] geen melding gemaakt van het justitiële onderzoek en de handel met voorkennis? Was [bedrijf] daartoe niet verplicht?”\n\n3.17.. \n [eiser] heeft voornoemd bericht van [naam 3] per WhatsApp aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] doorgestuurd. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 11:25:32] [eiser]: FYI mijn boet was 20k\n\n[ [datum 4] -2024, 11:26:00] [gedaagde 4]: Yes maar hij heeft veel kennis. Kennelijk heeft hij het\n\ndossier.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:28:37] [eiser]: Ja ik denk een gedeelte blijkbaar. Want in het gehele\n\ndossier komt na getuigen verklaringen etc wel naar voren dat delen van cijfers zo goed als niet mogelijk was.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:29:17] [eiser]: Maar goed, ik wacht even op jullie reactie.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:30:19] [gedaagde 2]: We gaan het antwoord even ombouwen en\n\nverzakelijken. [naam 3] [ [naam 3] , toevoeging rechtbank] weet te veel dus kunnen het niet zomaar afdoen.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:31:25] [eiser]: Begrijp ik. En fyi mbt de handel met China dat was al gepubliceerd in de half jaar verslagen van [bedrijf] paar maanden daar voor die publieke zijn.\n\n[ [datum 4] -2024, 11:57:54] [gedaagde 2]: Geachte heer [naam 3] , Naar aanleiding van uw vragen\n\nbericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat\n\nonhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.”\n\n3.18.. Intussen heeft [eiser] het commentaar– zoals opgenomen in voornoemd bericht van [gedaagde 2] van 11:57:54 – per WhatsApp met zijn broer – [broer eiser] – gedeeld. In reactie daarop heeft [broer eiser] de passage “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” rood omcirkeld en aan [eiser] gevraagd: “Ik ken het dossier onvoldoende maar is dit niet toch bekennen?” [eiser] heeft die vraag van [broer eiser] vervolgens doorgestuurd aan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .\n\n3.19.. Daarna hebben partijen onder meer als volgt gecorrespondeerd:\n\n“[ [datum 4] -2024, 12:30:23] [gedaagde 2]: dan zetten we er ‘kennelijk’ voor. Dan nemen we nog meer afstand. En dat je het weet moge wel duidelijk zijn na deze zaak: Naar aanleiding van uw vragen bericht ik u als volgt. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen u beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden ik en de hiervoor bedoelde personen de zaak snel afsluiten. Een en ander is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij u terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat u prudent met mijn personalia zult omgaan.\n\n[ [datum 4] -2024, 12:45:43] [eiser]: Hi [gedaagde 2] [ [gedaagde 2] , toevoeging rechtbank],\n\n (…)\n\n1: kan je nog een keer het gehele final bericht in apart appje sturen zodat het een geheel is\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 12:47:17] [eiser]: Laatste vraag: is schoonzus wel het juiste woord? Is dat ook schoonzus of iets meer in de richting van aangetrouwde familie om meer afstand te creëren?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:19] [gedaagde 4]: Aangetrouwd familielid?\n\n[ [datum 4] -2024, 12:49:23] [gedaagde 4]: Ook prima.\n\n(…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:30:23] [gedaagde 2]: Aangepast statement: Beste [naam 3] ,\n\nNaar aanleiding van jouw vragen bericht ik je het volgende. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan hetgeen jij beweert. Door een wat onhandige gang van zaken ben ik, samen met een aangetrouwd familielid, enkele jaren geleden verdachte geworden en heeft een onderzoek plaatsgevonden. Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek. Omdat ik mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever, een jarenlange procedure wilde besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade, heb ik ingestemd met een schikking. Ik wil wel benadrukken dat ik van mening ben dat ik in een procedure uiteindelijk zou worden vrijgesproken. Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever. Alles is uitdrukkelijk geschied zonder schulderkenning en ook onder de voorwaarde dat daaraan geen ruchtbaarheid zou worden gegeven. Ik constateer nu dat deze vervelende zaak toch bij jou terecht is gekomen en dat betreur ik. Ook omdat de officier van justitie heeft ingestemd met een geanonimiseerd persbericht. Dat was voor mij een belangrijke voorwaarde om deze schikking aan te gaan. De boete was overigens 20.000 euro. Ik ga ervan uit dat je met respect voor mijn privacy met mijn naamgegevens zult omgaan.\n\n (…)\n\n[ [datum 4] -2024, 13:33:14] [gedaagde 4]:\n\n[ [datum 4] -2024, 13:36:05] [eiser]: Thanks\n\n[ [datum 4] -2024, 13:40:05] [eiser]: Done.”\n\n3.20.. Intussen heeft [eiser] de tekst zoals opgenomen in het WhatsApp-bericht van [gedaagde 2] van 13:30:23 – met uitzondering van de woorden “Aangepast statement” – aan [naam 3] doorgestuurd.\n\nHet artikel in het FD\n\n3.21.. In de middag van [datum 5] 2024 is op de website van het FD een artikel verschenen dat onder meer als volgt luidt:\n\n“OM beboet [bedrijf] - directeur en ABN AMRO-bankier in voorkenniszaak\n\nEen directeur van de groothandelstak van [bedrijf] en een afdelingshoofd van ABN Amro zijn door het Openbaar Ministerie bestraft voor handel met voorkennis. Er werd koersgevoelige informatie gedeeld over kwartaalcijfers en een op handen zijnde distributiedeal van het beddenconcern in China in 2020.\n\nNa onderzoek heeft het OM de zaak buiten de rechtbank om afgedaan met geldboetes. De [bedrijf] - manager , die leiding geeft aan dochterbedrijf [dochterbedrijf] , betaalt €20.000 voor het opzettelijk delen van voorwetenschap. De ABN Amro-bankier, een familielid van de directeur , betaalt €25.000 vanwege handelen met voorkennis. De twee erkennen geen schuld. ABN Amro heeft de vrouwelijke bankier ontslagen, en een melding gedaan bij de tuchtcommissie voor banken.\n\nHet OM maakte de boetes afgelopen week bekend via een geanonimiseerd persbericht. Uit onderzoek van het FD blijkt dat de zaak draait om het onlangs van de beurs gehaalde [bedrijf] en [eiser] , die bij [dochterbedrijf] nog altijd verantwoordelijk is voor de internationale uitbreiding van het beddenconcern.\n\n [eiser] bevestigt na vragen van deze krant dat hij een schikking heeft getroffen met justitie. ‘Om zo mijzelf, mijn naasten en mijn werkgever een jarenlange procedure te besparen, die gepaard zou gaan met grote kosten, onzekerheid en reputatieschade’, legt hij uit.\n\nDe directeur schuift de schuld grotendeels op het bord van de bankier: ‘Door een wat onhandige gang van zaken, ben ik samen met een aangetrouwd familielid enkele jaren geleden verdachte geworden.’ Volgens hem ‘was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.’\n\nMet de informatie heeft de bejaarde vader van de bankier gehandeld in aandelen van [bedrijf] . Het aandeel steeg 10% op een dag in oktober 2020 nadat het bedrijf een deal in China had bekendgemaakt. De zaak tegen de nu 77-jarige vader is geseponeerd vanwege ‘persoonlijke omstandigheden’, bevestigt het OM.\n\n [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij in een rechtszaak zou worden vrijgesproken. ‘Maar door te schikken konden we de zaak snel afsluiten. Dit is afgestemd met mijn werkgever.’ Een woordvoerder van [bedrijf] stelt dat het concern geen reactie kan geven, omdat sprake is van een privékwestie.”\n\n3.22.. Op [datum 6] 2024 is voornoemd artikel ook in de papieren krant van het FD verschenen.\n\nHet einde van het dienstverband van [eiser] bij [bedrijf]\n\n3.23.. In de ochtend van [datum 5] 2025 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] .\n\n3.24.. In een brief van diezelfde dag is [eiser] door [bedrijf] met onmiddellijke ingang op non-actief gesteld. In die brief staat onder meer het volgende:\n\n“Deze ordemaatregel treffen wij naar aanleiding van recente ontwikkelingen rond de tegen u bestaande verdenking van het wederrechtelijk delen van voorkennis. Zoals u weet, hebben wij eind 2021 met u gesproken over die verdenking. U heeft ons toen uitdrukkelijk aangegeven dat u op dat punt geen enkel verwijt zou treffen en dat de betreffende verdenking geheel onterecht zou zijn (zie de waarschuwingsbrief van 15 november 2021). Inmiddels is ons, eind vorige week, gebleken dat u ter zake van onder meer deze verdenking een transactie bent aangegaan met het OM. Daar komt bij, dat u mij gisteren heeft bevestigd dat u wel degelijk kennis die als voorwetenschap kan worden geduid heeft gedeeld, maar dat u daarvan geen verwijt zou treffen, omdat het — ik vat het samen in mijn eigen woorden — een ongelukkige samenloop van omstandigheden is geweest, waarbij u niet “bewust” informatie heeft gedeeld, maar anderen misbruik hebben gemaakt van informatie over [bedrijf] die u hen heeft gegeven. Dit valt voor ons niet te rijmen met uw eerdere bevestiging dat u geen enkel verwijt treft en er niets ontoelaatbaars is gebeurd. We willen u graag op zo kort mogelijke termijn horen over een en ander en nodigen u daarom uit voor een gesprek op woensdag 17 januari as, om 9.00 uur bij ons op kantoor. (….)”\n\n3.25.. In een brief van 29 januari 2024 heeft [bedrijf] [eiser] op staande voet ontslagen. In die brief staat – samengevat – dat [bedrijf] het ontslag van [eiser] grondt op de volgende vijf redenen:\n\n [eiser] heeft voorkennis over [bedrijf] gedeeld met een derde.\n\n [eiser] heeft niet de waarheid verteld, toen [bedrijf] eind 2021 met hem heeft gesproken over de verdenkingen van het OM en [eiser] heeft verklaard dat die verdenkingen onterecht waren en hem ter zake geen enkel verwijt trof.\n\nIn de reactie van [eiser] op het FD is ten onrechte gesteld dat hij de transactie met het OM na afstemming met [bedrijf] heeft gesloten.\n\nOp [datum 4] 2024 heeft [eiser] een aantal e-mails met bedrijfsvertrouwelijke informatie over [bedrijf] verstuurd van zijn zakelijke e-mailaccount naar een privé e-mailaccount, waaronder een groot contract met een toeleverancier en financiële cijfers (vanaf 2020) van [bedrijf] .\n\n [eiser] heeft – in het licht van het hiervoor in 1 tot en met 4 genoemde – geen open kaart gespeeld en heeft ongeloofwaardige verklaringen gegeven en mist in ernstige mate de betrouwbaarheid die als eigenschap vereist is om als leidinggevende functionaris binnen [bedrijf] werkzaam te kunnen zijn.\n\n3.26.. Daarna heeft een mediationtraject plaatsgevonden tussen [eiser] en [bedrijf] . Dit heeft ertoe geleid dat zij op 8 mei 2024 een overeenkomst hebben gesloten, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] met wederzijds goedvinden per 1 augustus 2024 werd beëindigd.\n\nDe facturen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]\n\n3.27.. Op 18 januari 2024 heeft [gedaagde 1] € 3.025,00 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\n3.28.. Op 2 februari 2024 heeft [gedaagde 3] € 1.500,64 aan [eiser] gefactureerd. [eiser] heeft die factuur betaald.\n\nDe aansprakelijkstelling van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] door [eiser]\n\n3.29.. In brieven van 5 september 2024 en 15 november 2024 heeft [eiser] respectievelijk [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade.\n\n3.30.. \n [gedaagden 3 & 4] en [gedaagden 1 & 2] hebben in brieven van respectievelijk 22 oktober 2024 en 19 december 2024 aan [eiser] aansprakelijkheid van de hand gewezen.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nprimair:\n\nde door [eiser] met [gedaagde 3] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde door [eiser] met [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 3] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 3] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 1] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nvoor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld,\n\n [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nsubsidiair:\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 4] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van € 1.500,64, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. de door [eiser] met [gedaagde 2] gesloten overeenkomst ontbindt,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van € 3.025,00, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 4] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 4] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\n13. voor recht verklaart dat [gedaagde 2] jegens [eiser] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen,\n\n13. [gedaagde 2] veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,\n\nzowel primair als subsidiair:\n\n21. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.2.. \n [gedaagden 1 & 2] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.3.. \n [gedaagden 3 & 4] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de proceskosten, waaronder de proceskosten in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nInleiding\n\n5.1.. Het kernverwijt dat [eiser] aan [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] maakt, is dat zij hem – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – ondeugdelijk hebben geadviseerd over het door hem aan [naam 3] te geven commentaar. [eiser] heeft daartoe gewezen op de volgende passage (hierna: de passage) in dat commentaar:\n\n“Er was geen sprake van het bewust delen of gebruik maken van verboden informatie. Maar dat familielid heeft destijds zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.2.. \n [naam 3] heeft de passage verwerkt in zijn artikel dat in het FD is verschenen (zie 3.21, vijfde alinea). [eiser] heeft toegelicht dat de passage kon worden begrepen als een bekentenis dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het mededelen van voorwetenschap. Volgens [eiser] heeft [bedrijf] de passage ook zo heeft begrepen en is hij daardoor zijn baan bij [bedrijf] is kwijtgeraakt.\n\n5.3.. \n [eiser] stelt [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] daarvoor in deze procedure aansprakelijk en heeft daartoe verschillende vorderingen tegen hen ingesteld. Een aantal van deze vorderingen is gericht tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk. De rechtbank bespreekt hierna eerst die vorderingen en vervolgens de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] .\n\nDe vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen\n\nGeen onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] tegenover [eiser]\n\n5.4.. \n [eiser] verwijt [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onder meer dat zij onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld. In dit verband heeft [eiser] toegelicht dat hen – met name na de door hem doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – ernstig te verwijten valt dat zij hebben nagelaten bij hem door te vragen althans de passage te schrappen dan wel aan te passen.\n\n5.5.. Voor zover [eiser] met die toelichting bedoelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] in hun hoedanigheid van bestuurders van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 3] aansprakelijk zijn tegenover hem, gaat dat niet op. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan – naast de vennootschap – ook de bestuurder worden aangesproken. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De lat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid ligt dus hoog en die wordt hier niet gehaald. Het enkele feit dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] – na de door [eiser] doorgestuurde opmerking van zijn broer (zie 3.18) – de passage niet hebben geschrapt of aangepast, is daarvoor onvoldoende.\n\n5.6.. Andere omstandigheden die maken dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig tegenover [eiser] hebben gehandeld, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.7.. Al het voorgaande brengt mee dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] onrechtmatig hebben gehandeld tegenover [eiser] . De primaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op onrechtmatig handelen door [gedaagde 2] en [gedaagde 4] (zie 4.1 onder 7, 8, 11 en 12) worden daarom afgewezen.\n\nGeen overeenkomsten tussen [eiser] en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk\n\n5.8.. \n [eiser] heeft verder subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] ingesteld die gegrond zijn op door hem gestelde overeenkomsten tussen hemzelf en [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk (zie 4.1 onder 13 tot en met 20). [gedaagde 2] en [gedaagde 4] betwisten dat [eiser] overeenkomsten met hen persoonlijk heeft gesloten.\n\n5.9.. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten die strekten tot het geven van advies met betrekking tot het door hem te geven commentaar op het door [naam 3] aangekondigde artikel in het FD.\n\n5.10.. Partijen twisten evenwel over de vraag of [eiser] daartoe ook overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk heeft gesloten. De rechtbank oordeelt van niet. De facturen aan [eiser] – met betrekking tot de hiervoor bedoelde advisering – waren afkomstig van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en [eiser] heeft die ook heeft betaald (zie 3.27 en 3.28). Daarbij komt dat [gedaagde 4] op [datum 5] 2024 vanuit [gedaagde 3] een opdrachtbevestiging heeft gestuurd (zie 3.13). De rechtbank leidt uit deze gang van zaken af dat [eiser] alleen met [gedaagde 1] en [gedaagde 3] overeenkomsten heeft gesloten. Dit is ook volstrekt gebruikelijk bij dergelijke advisering. Omstandigheden die maken dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat hij (ook) overeenkomsten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk had gesloten, heeft [eiser] niet gesteld en zijn ook niet gebleken.\n\n5.11.. Het oordeel dat [eiser] geen overeenkomsten heeft gesloten met [gedaagde 2] en [gedaagde 4] persoonlijk, brengt mee dat de subsidiaire vorderingen van [eiser] die gegrond zijn op die door hem gestelde overeenkomsten (zie 4.1 onder 13 tot en met 20), moeten worden afgewezen.\n\nOok de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] worden afgewezen\n\n5.12.. \n [eiser] vordert verder i) ontbinding van de overeenkomsten tussen hem en [gedaagde 1] en [gedaagde 3] , ii) terugbetaling van de reeds door hem aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] betaalde bedragen, iii) verklaringen voor recht dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem en iv) veroordelingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] tot betaling van schadevergoedingen, nader op te maken bij staat.\n\n5.13.. \n\nDe vraag die met betrekking tot al deze vorderingen moet worden beantwoord is of\n\n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover [eiser] . De rechtbank oordeelt van niet en legt hierna uit waarom.\n\n5.14.. De vraag of [gedaagde 1] – als communicatieadviseur – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (BW). In dit wetsartikel staat onder meer dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.\n\n5.15.. De vraag of [gedaagde 3] – in haar advocatenadvies – is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [eiser] , moet worden beoordeeld aan de hand van vaste rechtspraak. Uit die rechtspraak volgt dat moet worden beoordeeld of de advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Suboptimaal handelen is daarbij onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. Vereist is een duidelijk ondermaats optreden. Anders gezegd, het moet gaan om een evidente omissie van de advocaat in de wijze waarop zij haar cliënt heeft bijgestaan.\n\n5.16.. Voorop staat dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde 2] op zaterdag [datum 3] 2024 aan [eiser] heeft medegedeeld dat hij volledige en juiste informatie moest verstrekken over de feitelijke gang van zaken waarop het door [naam 3] aangekondigde artikel betrekking had, zodat kon worden bepaald of en zo ja, welk commentaar [eiser] zou moeten geven aan [naam 3] .\n\n5.17.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hebben verder toegelicht dat [eiser] – na de hiervoor geschetste mededeling van [gedaagde 2] – tijdens het telefonische groepsgesprek van zaterdag [datum 3] 2024 (zie 3.14) heeft gezegd dat hij op een familiefeestje had gesproken met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] over de kwartaalcijfers van [bedrijf] en over een op handen zijnde deal van [bedrijf] met een Chinese entiteit, maar dat deze informatie niet kwalificeerde als voorwetenschap en dat hij ook nooit opzettelijk informatie heeft gedeeld die wel als voorwetenschap kwalificeert. [gedaagde 4] heeft ter zitting verklaard dat zij hebben doorgevraagd en “hem[ [eiser] , rechtbank]hebben gevraagd bij welke gelegenheid hij dat gesprek[met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , rechtbank]dan heeft gevoerd”, dat“Alle per WhatsApp gewisselde conceptreacties aan [naam 3] tot stand zijn gekomen op basis van de toelichtingen van [eiser] .”en“Ik ben er altijd vanuit gegaan dat het klopte wat ik had begrepen. Ik ben namelijk ook nooit gecorrigeerd.”.[gedaagde 1] heeft tijdens de zitting verklaard dat [eiser] toen ook heeft gezegd dat hij voornoemde mededelingen beter niet had kunnen doen. Kort na dat telefoongesprek heeft [gedaagde 4] een eerste conceptcommentaar opgesteld en dat in het WhatsApp-groepsgesprek tussen partijen gedeeld in zijn bericht van 16:04:39 (zie 3. 15 ). De inhoud van het eerste conceptcommentaar strookt ook met wat [eiser] – volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – in het daaraan voorafgaande telefoongesprek tegen hen heeft gezegd. Daarin staat onder meer het volgende:\n\n“Door een onhandige gang van zaken ben ik, samen met mijn schoonzus, enkele jaren geleden verdacht geraakt. Er was geen sprake van het bewust wisselen of gebruik maken van verboden informatie, maar een vermogend familielid heeft destijds toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek.”\n\n5.18.. Tegenover deze door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gestelde gang van zaken, is de kale stellingname van [eiser] dat hij tijdens voornoemd telefoongesprek heeft gezegd dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] heeft besproken van onvoldoende gewicht. Dat strookt namelijk niet met de inhoud van het eerste conceptcommentaar dat is opgesteld op basis van de door [eiser] zelf aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] verstrekte informatie. Als [eiser] meende dat hij expliciet tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] gezegd had dat hij nooit de business van [bedrijf] met ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] had besproken, had het voor de hand gelegen dat hij dit – meteen nadat het eerste conceptcommentaar werd gedeeld – bij hen had aangekaart, maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n5.19.. Verder geldt dat na voornoemd eerste conceptcommentaar verschillende conceptcommentaren tussen partijen zijn uitgewisseld in hun WhatsApp-groepsgesprek en dat [eiser] daarop ook gedetailleerde input heeft gegeven.\n\n5.20.. Naar aanleiding van de door [eiser] doorgestuurde vragen van [naam 3] , heeft [gedaagde 2] op zondag [datum 4] 2024 een tweede conceptcommentaar in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld (zie 3.17). Dat tweede conceptcommentaar heeft [eiser] voorgelegd aan zijn broer, die daarop opmerkte dat de daarin opgenomen zin “Maar een familielid heeft destijds zonder mijn medeweten toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” kon worden begrepen als een bekentenis van schuld aan het mededelen van voorwetenschap (zie 3.18). [eiser] heeft die opmerking van zijn broer vervolgens in het WhatsApp-groepsgesprek gedeeld. Daarop heeft [gedaagde 2] gesuggereerd aan die zin het woord ‘kennelijk’toe te voegen, zodat die – in het derde conceptcommentaar van zijn hand – als volgt kwam te luiden: “Maar een familielid heeft destijds kennelijk zonder mijn medeweten helaas toch gehandeld op basis van een onschuldig bedoeld gesprek” (zie het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 in 3.19).\n\n5.21.. Naar aanleiding van dat derde conceptcommentaar is het steeds gebruikte woord ‘schoonzus’ op initiatief van [eiser] gewijzigd in ‘aangetrouwd familielid’ in het vierde conceptcommentaar zoals opgenomen in het bericht van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 13:30:23 (zie 3.19).\n\n5.22.. \n [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat het door [gedaagde 2] gesuggereerde woord ‘kennelijk’in het derde conceptcommentaar, niet is overgenomen in het vierde conceptcommentaar (vergelijk de berichten van [gedaagde 2] van [datum 4] 2024 van 12:30:23 en 13:30:23 in 3.19). Volgens [eiser] had het woord ‘kennelijk’niet mogen worden weggelaten, omdat zonder dat relativerende woord de passage nog stelliger als schuldbekentenis kon worden gelezen. Voor zover [eiser] bedoelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] hierdoor zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit de brieven van [bedrijf] van 15 november 2021 en [datum 5] 2024 (zie 3.8 en 3.24) blijkt afdoende dat deze passage niet redengevend is geweest voor het ontslag.\n\n5.23.. Bovendien heeft [eiser] ook in de correspondentie over het tweede tot en met het vierde conceptcommentaar niet aan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] duidelijk gemaakt dat de inhoud en strekking daarvan volgens hem niet klopte.\n\n5.24.. \n [eiser] heeft tijdens de zitting nog verklaard dat hij dacht dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” niet zag op een gesprek tussen hemzelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] , maar op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder (zie 3.5), omdat hij gedurende het strafrechtelijk onderzoek meermaals geluidsopnamen heeft gehoord van dat gesprek.\n\n5.25.. Deze verklaring roept vragen op en is niet overtuigend. Uit de tussen partijen gewisselde conceptcommentaren en de daarover gevoerde correspondentie valt namelijk op geen enkele manier af te leiden dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder. Uit die correspondentie blijkt wel dat partijen hebben gesproken over het gebruik van het woord ‘schoonzus’(zie 3.19). Verder heeft [gedaagde 1] onweersproken toegelicht dat [eiser] een telefoongesprek met [gedaagde 2] ook over het gebruik van het woord ‘schoonzus’heeft gesproken. Partijen zijn het erover eens dat het woord ‘schoonzus’in de eerste drie conceptcommentaren werd gebruikt om ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] aan te duiden en dat dit – op initiatief van [eiser] – is veranderd in ‘aangetrouwd familielid’. Dit alles wijst erop dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op een gesprek tussen [eiser] zelf en ['schoonzus \u002F aangetrouwd familielid' eiser] . Bij deze stand van zaken valt dan ook niet in te zien dat [eiser] heeft mogen begrijpen dat het in de passage genoemde “onschuldig bedoelde gesprek” zag op het gesprek tussen [de vader van schoonzus] en zijn vermogensbeheerder.\n\n5.26.. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 3] – als respectievelijk communicatieadviseur en advocaat – zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen tegenover hem. Dit brengt mee dat de vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (zie hiervoor 4.1 onder 1 tot en met 6, 9 en 10) moeten worden afgewezen.\n\n5.27.. Gezien het hiervoor gegeven oordeel komt de rechtbank niet meer toe een bespreking van wat partijen verder nog naar voren hebben gebracht.\n\nConclusie\n\n5.28.. De conclusie is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen.\n\nDe proceskosten en de daarover gevorderde wettelijke rente\n\n5.29.. \n [eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] en [gedaagden 3 & 4] betalen.\n\n5.30.. De proceskosten van [gedaagden 1 & 2] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 4.490,00\n\n5.31.. De proceskosten van [gedaagden 3 & 4] worden begroot op:\n\n- griffierecht: € 2.995,00\n\n- salaris advocaat: € 1.959,00 (3,0 punten x tarief II: € 653,00)\n\n- nakosten: € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\n- totaal: € 5.143,00\n\n5.32.. De reden dat [gedaagden 3 & 4] een hoger bedrag aan salaris advocaat toegewezen krijgt dan [gedaagden 1 & 2] , is dat [gedaagden 3 & 4] een incidentele vordering heeft moeten instellen om de beschikking te krijgen over stukken die [eiser] desgevraagd eerder niet vrijwillig aan haar wilde verstrekken. Voor de in dat verband door [gedaagden 3 & 4] gemaakte kosten, wordt daarom één (extra) punt aan salaris advocaat toegekend.\n\n5.33.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.34.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 1 & 2] , begroot op € 4.490,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.3.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagden 3 & 4] , begroot op € 5.143,00. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten (zie 6.2 en 6.3) als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,\n\n6.5.. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6444","ecli-nl-rbams-2026-6444",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]