[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-6634":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-6634":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"494","ECLI:NL:RBAMS:2026:6634","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773119 \u002F HA ZA 25-1326\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHOUTKOPER VASTGOED B.V.,\n\ngevestigd in Lienden,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nhierna te noemen: Houtkoper,\n\nadvocaat: mr. O.B. Schoemaker,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\n1. [gedaagde 1] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde 2] ,\n\ngedaagde partijen in conventie,\n\neisende partijen in (voorwaardelijke) reconventie,\n\nadvocaat: mr. G.A. van Gorcom.\n\n1. De kern van de zaak\n\n1.1.. Houtkoper heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingeschakeld voor het aanbrengen van gietvloeren en wandafwerkingen in meerdere vakantiewoningen. Houtkoper vindt het eindresultaat niet goed. Dat komt volgens expert TBA wat betreft de wandafwerking grotendeels doordat de ondergrond slecht was. Houtkoper verwijt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij niet vooraf hebben gewaarschuwd voor de gevolgen van die ondergrond. Houtkoper wil dat de rechtbank de overeenkomst met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontbindt en bepaalt dat zij de door Houtkoper betaalde facturen van ongeveer € 46.000,- en schadevergoeding van ongeveer € 99.000,- moeten (terug)betalen.\n\n1.2.. \n [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat de overeenkomst gesloten is met [gedaagde 1] en niet ook met (de eenmanszaak van) [gedaagde 2] . [gedaagde 1] vindt dat zij voldoende gewaarschuwd heeft voor de gevolgen van de ondergrond. Die gevolgen komen daarom voor rekening van Houtkoper. Daarnaast gaat het slechts om een aantal esthetische punten die eenvoudig konden worden opgelost, maar Houtkoper heeft [gedaagde 1] daarvoor geen gelegenheid geboden. Met de gietvloeren is volgens [gedaagde 1] niets mis. De vordering van Houtkoper moet dus worden afgewezen. Als de vordering (deels) wordt toegewezen beroept [gedaagde 1] zich op haar algemene voorwaarden en verrekening met de openstaande factuur. Als niet wordt verrekend vordert [gedaagde 1] ongeveer € 18.000,- aan nog openstaande aanneemsom min de volgens [gedaagde 1] maximale herstelkosten en de kosten die Houtkoper voor expert TBA heeft gemaakt.\n\n1.3.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper een overeenkomst heeft gesloten met [gedaagde 1] en niet ook met [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft onvoldoende duidelijk gewaarschuwd voor de gevolgen van de slechte ondergrond, terwijl zij dat wel had moeten doen. De rechtbank ontbindt daarom de overeenkomst voor wat betreft de wandafwerking. Als gevolg hiervan moet [gedaagde 1] het deel dat Houtkoper daarvoor heeft betaald aan Houtkoper terugbetalen. Daarnaast moet [gedaagde 1] een deel van de gevorderde vertragingsschade, kosten voor TBA en buitengerechtelijke incassokosten vergoeden. De rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden van [gedaagde 1] niet van toepassing zijn op de overeenkomst. De overige vorderingen van partijen worden afgewezen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 17 juli 2025, met producties,\n\nde conclusie van antwoord tevens eis in reconventie,\n\nde conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties,\n\nhet tussenvonnis van 21 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,\n\nhet verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 24 april 2026 en de daarin genoemde stukken.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Houtkoper ontwikkelt een recreatiepark genaamd [naam villapark] .\n\n3.2.. \n [gedaagde 1] is onder andere actief in de (giet)vloerenbranche. De enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] is [bedrijf 1] B.V. Daarvan is [gedaagde 2] op zijn beurt enig aandeelhouder en bestuurder.\n\n3.3.. \n [gedaagde 2] is daarnaast eigenaar van de eenmanszaak [bedrijf 2] . [bedrijf 2] houdt zich bezig met de verkoop en applicatie van naadloze, waterdichte en elastische biopolymeer wandafwerking systemen.\n\n3.4.. Houtkoper is akkoord gegaan met de offerte van 21 maart 2024 voor het aanbrengen van [bedrijf 2] wandafwerking en [gedaagde 1] gietvloeren in twaalf vakantiewoningen op het recreatiepark. Houtkoper had voor het project vooral contact met [gedaagde 2] en [naam] .\n\n3.5.. \n\nOp 30 april 2024 heeft een vooropname plaatsgevonden op het recreatiepark. [gedaagde 2] heeft hiervan op 1 mei 2024 een kort verslag per e-mail aan Houtkoper gestuurd. Daarin staat:\n\n“(…) Alle wanden moeten nog even door de stukadoor nagelopen worden. Dit houdt in dat het e.e.a. nog geschuurd moet worden en aansluitingen plafond en op de vloer strak, glad en gesloten. Verder volgen wij dan de gladheid \u002Fonvlakheid van de ondergrond. (…) De nog te stucen delen (tegels en\u002Fof gipsplaat) mag direct met Ardex Ri, (cement stuk is niet nodig) gedaan worden, graag glad en strak. (…)”3.6.. In mei 2024 zijn de werkzaamheden gestart.\n\n3.7.. Houtkoper heeft de facturen van 13 mei 2024 en 27 mei 2024 van in totaal € 46.164,- betaald. De laatste factuur van 19 juni 2024 van € 23.909,05 heeft Houtkoper niet betaald.\n\n3.8.. Houtkoper heeft zich herhaaldelijk tot [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gericht over de (kwaliteit) van de uitgevoerde werkzaamheden. Daarna zijn meermaals herstelwerkzaamheden uitgevoerd.\n\n3.9.. \n\nIn opdracht van Houtkoper heeft Technisch Bureau Afbouw (TBA) op 30 juli 2024 onderzoek gedaan naar de uitgevoerde werkzaamheden en daarvan een rapport opgesteld. In het rapport van 5 augustus 2024 staat als conclusie:\n\n“De door [gedaagde 1] geleverde- en aangebrachte pu-gietvloer voldoet aan de overeenkomst en van afkeur is op basis hiervan, en naar alle redelijkheid en billijkheid, geen sprake. Voor wat betreft de door [gedaagde 1] geleverde- en aangebrachte [bedrijf 2] wandafwerking dient gesteld te worden dat deze technisch gezien, voor zover als zicht- en\u002Fof meetbaar, voldoende van kwaliteit is aangebracht. Esthetisch gezien (…) bevat deze wandafwerking een aantal gebreken. Deze gebreken komen voort vanuit de gestucte ondergrond waarop het [bedrijf 2] wandsysteem is aangebracht. (…)”\n\n4. De vorderingen over en weer\n\nde vorderingen van Houtkoper (in conventie)\n\n4.1.. \n\nHoutkoper vordert na wijziging van eis dat de rechtbank:\n\nI. de overeenkomst tussen partijen ontbindt, in die zin dat Houtkoper de openstaande factuur van € 23.909,05 en de al betaalde facturen niet (meer) verschuldigd is en de door Houtkoper betaalde facturen van in totaal € 46.174,- worden terugbetaald door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 54.024,77 als schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nIII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.560,- aan schadevergoeding voor het schoonmaken van kozijnen, vermeerderd met btw en de wettelijke rente,\n\nIV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 43.447,- aan vertragingsschade, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nV. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 1.776,98 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente,\n\nVI. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proces- en nakosten.\n\nHoutkoper verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\nde tegenvordering van [gedaagde 1] (in voorwaardelijke reconventie)\n\n4.2.. \n [gedaagde 1]\n vordert dat de rechtbank Houtkoper veroordeelt tot betaling van € 17.989,70 voor zover deze vordering niet door verrekening in conventie teniet is gegaan, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 19 juli 2024 en de proces- en nakosten. Dit bedrag is gebaseerd op de openstaande factuur van € 23.909,05, min de kosten voor TBA en de maximale herstelkosten. Ook [gedaagde 1] verzoekt de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\n5.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van beide partijen behandelt de rechtbank ze gezamenlijk.\n\n [bedrijf 2] \u002F [gedaagde 2] is geen contractspartij\n\n5.2.. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper en [gedaagde 1] een overeenkomst hebben gesloten voor het aanbrengen van gietvloeren en wandafwerkingen in de vakantiewoningen. Houtkoper vindt dat zij de overeenkomst ook is aangegaan met [bedrijf 2] (en daarmee [gedaagde 2] als eigenaar van deze eenmanszaak). Houtkoper wijst in dat kader op het logo van [bedrijf 2] op de offerte en de facturen, en dat ook vanuit [bedrijf 2] is gemaild. De overeenkomst is tot stand gekomen omdat Houtkoper [bedrijf 2] , niet [gedaagde 1] , op een beurs zag staan. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vinden dat steeds vanuit [gedaagde 1] is gehandeld. [bedrijf 2] wordt alleen als naam gebruikt van het product voor de wandafwerking.\n\n5.3.. De rechtbank oordeelt dat [bedrijf 2] (en dus [gedaagde 2] ) geen partij is bij de overeenkomst. Daarvoor heeft de rechtbank gekeken naar wat partijen tegen elkaar hebben gezegd en hoe zij zich hebben gedragen, en wat zij daaruit over en weer mochten afleiden. Ook omstandigheden van na het sluiten van de overeenkomst zijn daarbij betrokken.\n\n5.4.. Partijen hebben elkaar ontmoet op een beurs, waar op een stand het [bedrijf 2] product werd gepresenteerd, waarbij [gedaagde 2] en [naam] aanwezig waren. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] werden daarop ook gietvloeren van [gedaagde 1] gepresenteerd. In maart 2024 heeft Houtkoper contact met [naam] die vanaf een emailadres van [bedrijf 2] mailt ( [e-mailadres] ). [naam] stuurt een mailwisseling van hem en [gedaagde 2] mee. [gedaagde 2] mailt ook vanaf een emailadres van [bedrijf 2] . De mail van [gedaagde 2] wordt afgesloten met de bedrijfsgegevens van [gedaagde 1] . De mail van [naam] wordt afgesloten met de bedrijfsgegevens van [bedrijf 2] . Vervolgens heeft Houtkoper een offerte gekregen die zij telefonisch heeft geaccepteerd. Met welke contractspartij de overeenkomst werd gesloten is toen niet expliciet besproken. Houtkoper heeft op de zitting gezegd dat zij zich toen niet heeft bezig gehouden met de vraag of sprake was van meer dan één contractspartij. Op de offerte van 21 maart 2024 staat zowel het logo van [gedaagde 1] als dat van [bedrijf 2] en het adres waar volgens de KvK-inschrijvingen beide bedrijven gevestigd zijn. De offerte wordt niet afgesloten met de naam van een contractspartij of een bestuurder en is niet ondertekend. In de offerte wordt zowel [bedrijf 2] (voor de wandafwerking) als [gedaagde 1] (voor de gietvloeren) als productnaam gebruikt: “ [bedrijf 2] wandsystemen en [gedaagde 1] gietvloeren hebben een bijzonder lange levensduur, ze gaan gemakkelijk meer dan 10 jaar mee.”In de offerte staat ook: “Wat uw wensen ook zijn, [gedaagde 1] maakt ze waar (…) [gedaagde 1] ontwerpt, ontwikkelt en realiseert unieke gietvloeren en wandsystemen.”. Op nadien gestuurde facturen staan de logo’s en het adres van beide bedrijven, het KvK-nummer van [gedaagde 1] en worden beide namen als productnaam gebruikt.\n\n5.5.. De rechtbank concludeert hieruit dat [gedaagde 1] de uitvoerder is van de overeengekomen werkzaamheden en de overeenkomst met haar is gesloten. Houtkoper heeft uit de verklaringen en gedragingen van [gedaagde 1] , [naam] en [gedaagde 2] niet kunnen en mogen afleiden dat de overeenkomst met twee partijen en dus ook met [bedrijf 2] is gesloten. De offerte en de e-mails bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Voor zover er vooraf onduidelijkheid was of er met [bedrijf 2] of [gedaagde 1] gecontracteerd werd, is die onduidelijkheid weggenomen met de bewoordingen in de offerte dat [gedaagde 1] de gietvloeren en de wandsystemen realiseert. De vorderingen tegen [gedaagde 2] worden daarom afgewezen. De rechtbank beoordeelt de vorderingen van Houtkoper hierna alleen voor zover gericht tegen [gedaagde 1] .\n\nDe overeenkomst wordt gedeeltelijk ontbonden\n\n5.6.. Houtkoper vordert onder andere ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding. Voor beide vorderingen is in elk geval nodig dat [gedaagde 1] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen en dat [gedaagde 1] in verzuim is, tenzij nakoming blijvend onmogelijk is.\n\n [gedaagde 1] is wat betreft de wandafwerking tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst\n\n5.7.. Houtkoper stelt dat [gedaagde 1] op diverse punten tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Het grootse punt is de wandafwerking: TBA heeft geconcludeerd dat de wandafwerking niet goed was, (deels) door de slecht gestucte ondergrond. [gedaagde 1] heeft niet gewaarschuwd voor de ondeugdelijkheid van deze ondergrond terwijl ze dat wel had moeten doen. Ook de gietvloeren zijn niet deugdelijk aangelegd. Daarnaast lijkt het erop dat voor de gietvloeren en de wandafwerking verkeerde producten zijn gebruikt. Zij verwijst daarbij naar overgelegde foto’s en technische datasheets. Bij de herstelwerkzaamheden van [gedaagde 1] zijn er klodders van het wandmateriaal op de plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen terecht gekomen. Bovendien had [gedaagde 1] het werk op 23 of 24 juni 2024 moeten opleveren en heeft ze dat niet gedaan.\n\n5.8.. \n [gedaagde 1] vindt dat zij de werkzaamheden goed volgens afspraak heeft uitgevoerd. Voor zover sprake is van uiterlijke (‘esthetische’) gebreken aan de wandafwerking komt dat door de ondergrond die Houtkoper zelf door de stukadoor heeft laten aanbrengen. Dit komt dus voor haar rekening. Bovendien heeft [gedaagde 1] voldaan aan haar waarschuwingsplicht doordat zij Houtkoper erop heeft gewezen dat het werk van de stukadoor onvoldoende vlak was en de glad- en vlakheid van de ondergrond gevolgd zou worden. Volgens [gedaagde 1] was Houtkoper hier als professionele vastgoedpartij mee bekend en heeft zij te laat een stukadoor laten langs komen. Daar komt bij dat [gedaagde 1] met een extra laag [bedrijf 2] het eindresultaat, ondanks de ondergrond, alsnog netjes zou hebben kunnen maken. Met de gietvloeren is niets mis, zo heeft ook TBA geconcludeerd. [gedaagde 1] is alleen bekend met klachten over vervuiling op de kozijnen, de overige plekken weet zij niets van. Over de kozijnen heeft Houtkoper te laat geklaagd, bovendien is dat eenvoudig te herstellen. Partijen zijn geen fatale termijn overeengekomen voor het opleveren van het werk, dus ook op dat punt is geen sprake van een tekortkoming.\n\n5.9.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst voor zover het gaat om de wandafwerking, omdat [gedaagde 1] niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. De gevolgen van de ondeugdelijke ondergrond voor de wandafwerking komen daarom voor rekening van [gedaagde 1] . Houtkoper heeft de andere gestelde tekortkomingen onvoldoende onderbouwd.\n\nWandafwerking: Schending waarschuwingsplicht\n\n5.10.. Uit artikel 7:760 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat als het werk niet goed is vanwege ongeschiktheid van de ondergrond van de opdrachtgever dat in beginsel voor rekening van de opdrachtgever komt. Dit is anders als de aannemer niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht als bedoeld in artikel 7:754 BW. Dat artikel schrijft voor dat een aannemer verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht. Ook als een opdrachtgever voldoende deskundig is om de gevolgen van bepaalde werkzaamheden in een opdracht te kunnen overzien, brengt dat nog niet mee dat de aannemer is ontslagen van zijn waarschuwingsplicht.Het is aan de aannemer om te stellen en (zo nodig) te bewijzen dat hij heeft gewaarschuwd.Een waarschuwing moet voldoende concreet en duidelijk zijn, zodat de opdrachtgever de risico’s kan inschatten en kan bepalen of hij bereid is die risico’s te lopen.\n\n5.11.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] in dit geval een waarschuwingsplicht had. Uit het rapport van TBA blijkt dat de uiterlijke gebreken in de wandafwerking het gevolg zijn van de slechte ondergrond. [gedaagde 1] heeft dit ook erkend. [gedaagde 1] had Houtkoper daar van tevoren voor moeten waarschuwen. De rechtbank vindt dat [gedaagde 1] dat onvoldoende heeft gedaan. [gedaagde 1] zegt dat zij Houtkoper mondeling tijdens de vooropname erop heeft gewezen dat de wanden niet in orde waren en beter gestuct moesten worden. Houtkoper zegt zich dit niet te kunnen herinneren, dat dit mogelijk aan de orde is geweest, maar zij in dat geval daar toen de urgentie niet van heeft ingezien. In de e-mail van 1 mei 2024 schrijft [gedaagde 1] aan Houtkoper: “Alle wanden moeten nog even door de stukadoor nagelopen worden. Dit houdt in dat het e.e.a. nog geschuurd moet worden en aansluitingen plafond en op de vloer strak, glad en gesloten. Verder volgen wij dan de gladheid\u002F onvlakheid van de ondergrond. (…) “De nog te stucen delen (…) graag glad en strak. (…)”.\n\n5.12.. Ook als de rechtbank er vanuit gaat dat een soortgelijke mededeling als in de e-mail ook al bij de vooropname is gedaan, heeft [gedaagde 1] daarmee niet aan haar waarschuwingsplicht voldaan, omdat die waarschuwingen onvoldoende concreet en duidelijk zijn. [gedaagde 1] had Houtkoper expliciet op de mogelijke gevolgen van een onvoldoende vlakke ondergrond moeten wijzen en zich ervan moeten vergewissen dat die gevolgen voor Houtkoper duidelijk waren. [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij dat heeft gedaan. In tegendeel; [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat toen zij mondeling aan Houtkoper meldde dat de wanden niet in orde waren en beter gestukt moesten worden. Houtkoper zei toen dat ze dan wel iets anders met de wanden zou doen. De zin in de e-mail is volgens [gedaagde 1] zo geformuleerd om Houtkoper wat te temperen. De rechtbank leidt daaruit af dat er voor [gedaagde 1] juist aanknopingspunten waren te denken dat Houtkoper van het werk zou afzien als [gedaagde 1] de waarschuwing te scherp formuleerde. Voor zover er een mondelinge mededeling is gedaan en die scherper geformuleerd was dan de e-mail, is die dus ingehaald en afgezwakt door het bericht in de e-mail. Ook uit de reactie van Houtkoper en het feit dat zij naar aanleiding van de e-mail de stukadoor de opdracht heeft gegeven om een en ander bij te werken, kan niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan. Houtkoper heeft namelijk ook gezegd dat zij ervan uitging dat alles netjes was bijgewerkt. Van [gedaagde 1] mocht worden verwacht dat zij op het moment dat zij de wandwerkzaamheden daadwerkelijk gingen uitvoeren en zag dat de ondergrond nog steeds onvoldoende vlak was, bij Houtkoper zou navragen of het haar bedoeling was dat het werk op deze ondergrond zou worden voortgezet, ondanks de gevolgen voor het eindresultaat. Dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan, waarmee zij Houtkoper de kans heeft ontnomen om voor een andere oplossing te kiezen. Dat Houtkoper deskundig zou zijn op het gebied van wandafwerking (wat zij heeft betwist) neemt zoals gezegd de waarschuwingsplicht van [gedaagde 1] niet weg.\n\n5.13.. Omdat uit het rapport van TBA blijkt dat de wandafwerking esthetische gebreken heeft door de ondeugdelijke ondergrond en [gedaagde 1] ten aanzien van die ondergrond niet aan haar waarschuwingsplicht heeft voldaan, levert dit een tekortkoming in de nakoming op.\n\n5.14.. \n [gedaagde 1] heeft op de zitting verklaard dat zij ongeacht de ondergrond alsnog tot een goed en deugdelijk werk had kunnen komen, omdat zij een tweede laag [bedrijf 2] kan aanbrengen en hiermee de slechte ondergrond kan worden hersteld. Wat daar ook van zij, die stelling doet niet af aan de conclusie van TBA, die ook door [gedaagde 1] wordt onderschreven, dat de wandafwerking uitgevoerd door [gedaagde 1] esthetisch gezien zeer matig tot onvoldoende was als gevolg van de slechte ondergrond, en de voorgaande vaststelling dat [gedaagde 1] daarvoor had moeten waarschuwen, maar dat niet (voldoende) heeft gedaan.\n\nAndere tekortkomingen: onvoldoende onderbouwd\n\n5.15.. De overige door Houtkoper gestelde tekortkomingen heeft [gedaagde 1] betwist en Houtkoper onvoldoende onderbouwd. Die tekortkomingen kunnen daarom niet worden vastgesteld. De rechtbank legt dit per gestelde tekortkoming uit.\n\n5.16.. Houtkoper stelt dat de gerealiseerde gietvloeren gebrekkig zijn, omdat er bijvoorbeeld (dode) vliegen op de vloeren aanwezig waren en de verhoging van de douchevloeren doorschenen. Dit heeft zij onvoldoende onderbouwd, omdat het door [gedaagde 1] wordt betwist en niet wordt ondersteund door het rapport van TBA. Daarin staat namelijk dat de gietvloer aan de overeenkomst voldoet, meer specifiek dat tijdens de inspectie geen insecten in de gietvloer zijn vastgesteld en ook het doorschijnen van de gietvloer niet is geconstateerd. Ook de foto’s die Houtkoper heeft overgelegd, vormen onvoldoende onderbouwing voor gebreken aan het werk. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat na het nemen van die foto’s nog herstelwerkzaamheden zijn verricht en deze punten toen zijn verholpen, zodat het daarom niet in het rapport van TBA is genoemd. Houtkoper heeft dit onvoldoende weersproken.\n\n5.17.. Houtkoper stelt dat het er alle schijn van heeft dat niet de producten zijn gebruikt die in de offerte staan en waar een wandproduct gebruikt had moeten worden een vloerproduct is gebruikt (en mogelijk andersom). Zij heeft daarbij gewezen op foto’s waarop geopende emmers te zien zouden zijn. Die foto’s zijn gemaakt toen er aan de wanden werd gewerkt, maar nog niet aan de vloeren. Uit de productnaam en de datasheets blijkt dat in de geopende emmers een vloerproduct zit, maar een ander product dan in de offerte staat, zo zegt steeds Houtkoper.\n\n5.18.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper hiermee onvoldoende heeft onderbouwd dat op dit punt sprake is van een tekortkoming in de nakoming. Uit de foto’s kan de rechtbank niet afleiden dat het om geopende emmers gaat en dat het materiaal daarin ten onrechte gebruikt zou zijn op de wanden. Wat daar verder ook van zij; TBA heeft geen gebreken aan de vloeren geconstateerd en geen andere gebreken aan de wanden dan hiervoor is besproken. Zelfs als wel zou kunnen worden vastgesteld dat ander materiaal is gebruikt, heeft Houtkoper daarom onvoldoende toegelicht waarom dat een tekortkoming in de nakoming oplevert.\n\n5.19.. Over de uitgevoerde (herstel)werkzaamheden heeft Houtkoper gesteld dat als gevolg daarvan diverse plekken in de vakantiewoningen beschadigd zijn geraakt door vervuiling. [gedaagde 1] heeft dit weersproken. Houtkoper verwijst in dit kader naar een aantal foto’s, maar de rechtbank kan daaruit niet opmaken dat de plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen vervuild zijn geraakt, op welk moment en door wie. Daar komt bij dat enige sporen van het werk te verwachten zijn en een opdrachtgever daar rekening mee moet houden, binnen de grenzen van wat gebruikelijk en aanvaardbaar is. Voor zover er dus sporen van het werk aanwezig zijn, levert dit niet direct een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst op.\n\n5.20.. Tenslotte heeft Houtkoper ook de gestelde te late oplevering onvoldoende onderbouwd. [gedaagde 1] betwist dat partijen een fatale termijn hebben afgesproken. Houtkoper wijst op de offerte waarin staat dat de werkzaamheden voor de wanden en vloeren in totaal vier weken zouden duren. De rechtbank oordeelt dat hieruit niet kan worden afgeleid dat partijen een fatale termijn zijn overeengekomen. In de offerte is slechts een indicatie gegeven van hoe lang de werkzaamheden ongeveer zouden duren en in welke weken: “Uitvoeringsdatum: voornemens week 22-23 wanden, week 24-25 vloeren (in overleg) (…)”. Dat partijen hebben afgesproken dat het werk op een bepaalde datum uiterlijk af moest zijn (‘fatale termijn’) blijkt dus niet uit de offerte. Houtkoper heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat partijen bedoeld hebben een fatale termijn overeen te komen. Daarom is er dus ook geen sprake van een tekortkoming op dit punt.\n\nDe tekortkoming rechtvaardigt de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst\n\n5.21.. Houtkoper wil dat de overeenkomst in zijn geheel ontbonden wordt, gezien de tekortkomingen die zij heeft gesteld. In het verlengde daarvan vordert zij terugbetaling van de betaalde aanneemsom van € 46.174,-. Als de rechtbank alleen voor de wandafwerking een tekortkoming vaststelt, vordert Houtkoper dat alleen dat deel van de overeenkomst wordt ontbonden en terugbetaling van bedrag dat zij daarvoor al heeft betaald.\n\n5.22.. \n [gedaagde 1] vindt dat de gebreken te klein zijn om de (hele) overeenkomst te ontbinden, omdat het om esthetische gebreken gaat die makkelijk kunnen worden verholpen.\n\n5.23.. De rechter kan op verzoek van een partij de ontbinding van een overeenkomst uitspreken als sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de wederpartij, tenzij die tekortkoming daarvoor te beperkt is.De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een zodanig beperkte tekortkoming. [gedaagde 1] heeft verzuimd (voldoende) te waarschuwen voor de gevolgen van de slechte ondergrond. Daarmee heeft zij Houtkoper de mogelijkheid ontnomen andere keuzes te maken. De stelling van [gedaagde 1] dat de gebreken eenvoudig verholpen kunnen worden, doet zoals gezegd niet af aan het niet nakomen van de waarschuwingsplicht en maakt die tekortkoming dus niet beperkt.\n\nNakoming is blijvend onmogelijk\n\n5.24.. Houtkoper stelt dat door het niet nakomen van de waarschuwingsplicht het verzuim direct intreedt. Daarnaast heeft zij [gedaagde 1] in gebreke gesteld en voldoende mogelijkheden tot herstel geboden. Ook daarom is [gedaagde 1] volgens Houtkoper dus in verzuim.\n\n5.25.. \n [gedaagde 1] voert aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om de gebreken zoals genoemd in het rapport van TBA te herstellen en zij daarom niet in verzuim is geraakt.\n\n5.26.. De rechtbank oordeelt dat verzuim hier niet nodig is omdat juiste nakoming van de overeenkomst in dit geval betekent dat [gedaagde 1] wel op tijd zou hebben gewaarschuwd voor de ondeugdelijke ondergrond, en dat kan niet meer. (Juiste) nakoming is dus blijvend onmogelijk, waardoor Houtkoper bevoegd is de overeenkomst te ontbinden.\n\nDe gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst over de wandafwerking\n\n5.27.. Door de gedeeltelijke ontbinding hoeven partijen op grond van artikel 6:271 BW de gemaakte afspraken over de wandafwerking niet meer na te komen. Dit betekent dat [gedaagde 1] voor zover de wandafwerking nog niet af was, dat niet meer hoeft af te maken, en Houtkoper de nog niet betaalde aanneemsom die ziet op de wandafwerking niet meer hoeft te betalen. Verplichtingen die partijen al zijn nagekomen, moeten ongedaan worden gemaakt. Als ongedaanmaking niet kan, zoals bij de werkzaamheden van [gedaagde 1] , komt daarvoor een waardevergoeding in de plaats. Uit artikel 6:272 lid 2 BW volgt dat als de prestatie niet aan de verbintenis beantwoordt, zoals hier, de waardevergoeding wordt beperkt tot de waarde die de prestatie voor Houtkoper in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad. De achterliggende gedachte van artikel 6:272 BW is dat de ontvanger van een prestatie ongerechtvaardigd zou worden verrijkt door wél de prestatie die hij uit de overeenkomst wilde, te ontvangen, maar na de ontbinding zijn eigen prestatie (volledig) kan terugvorderen.\n\nDe waarde van het verrichte werk\n\n5.28.. Volgens Houtkoper moet de waarde die het verrichte werk aan de wandafwerking voor haar heeft gehad worden vastgesteld op nul. Zij vordert daarom terugbetaling van het bedrag dat zij voor de wandafwerking aan [gedaagde 1] heeft betaald. Daartoe stelt Houtkoper dat zij aan een planning voor het project was gebonden en zij vanwege de ondeugdelijke uitvoering van het werk uiteindelijk wandpanelen heeft moeten plaatsen. Daardoor heeft de wandafwerking geen waarde voor Houtkoper.\n\n5.29.. \n [gedaagde 1] meent dat de waarde van het verrichte werk neerkomt op de aanneemsom min de maximaal redelijke herstelkosten. Zij vordert daarom op haar beurt het openstaande bedrag van de aanneemsom van € 23.909,05 min herstelkosten van maximaal € 5.000,-. [gedaagde 1] vindt dat het plaatsen van wandpanelen niet gerechtvaardigd was, omdat herstel tegen beperkte kosten mogelijk was. Die keuze van Houtkoper moet dus voor haar rekening blijven.\n\n5.30.. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rusten stelplicht en bewijslast voor het bestaan en de omvang van een waardevergoedingsvordering op grond van artikel 6:272 BW bij de schuldeiser. Houtkoper moet dus feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat de waarde van het verrichte werk aan de wandafwerking minder is dan wat zij daarvoor al heeft betaald. Tegelijkertijd geldt dat daar waar [gedaagde 1] nog betaling wil van facturen zij feiten en omstandigheden moet aandragen waaruit blijkt dat het werk aan de wandafwerking een waarde voor de Houtkoper vertegenwoordigt die hoger is dan het bedrag dat al voor de wandafwerking is betaald.\n\n5.31.. De rechtbank oordeelt dat Houtkoper voldoende heeft onderbouwd dat de wandafwerking voor haar feitelijk geen enkele waarde heeft. Houtkoper heeft als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde 1] uiteindelijk gekozen voor het laten plaatsen van wandpanelen, die over de wandafwerking heen zijn aangebracht. Daardoor heeft zij achteraf niets aan de wandafwerking gehad. [gedaagde 1] heeft niet aangevoerd dat de wandafwerking, ondanks het gebruik van de wandpanelen, voor Houtkoper toch waarde heeft. [gedaagde 1] heeft alleen gewezen op de mogelijkheid en kosten van herstel. Maar dat herstel mogelijk was, maakt voor de werkelijke waarde van de prestatie voor Houtkoper niet uit. Door de tekortkoming van [gedaagde 1] en de blijvende onmogelijkheid van correcte nakoming stond het Houtkoper vrij om de keuze te maken voor wandpanelen. Gezien die omstandigheden kan niet gezegd worden dat Houtkoper door de gevolgen van de ontbinding, namelijk het behoud van de wandafwerking zonder daarvoor een vergoeding te betalen, ongerechtvaardigd verrijkt wordt.\n\n5.32.. Omdat de werkelijke waarde voor Houtkoper nul is, moet [gedaagde 1] de bedragen die Houtkoper voor de wandafwerking heeft betaald terugbetalen. De stelling van [gedaagde 1] dat Houtkoper voor de wandafwerking nog aan [gedaagde 1] zou moeten betalen, is daarmee tegelijkertijd onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat de tegenvorderingen van [gedaagde 1] worden afgewezen.\n\n [gedaagde 1] moet € 33.184,65 aan Houtkoper terugbetalen\n\n5.33.. De oorspronkelijke overeenkomst en de facturen zien op zowel de gietvloeren als op de wandafwerking. Houtkoper heeft daarvan een deel betaald. De overeenkomst wordt alleen voor wat betreft de wandafwerking ontbonden. Voor de gietvloeren moet Houtkoper dus gewoon betalen zoals afgesproken. Om te bepalen of en zo ja welk bedrag Houtkoper meer heeft betaald dan wat zij voor de gietvloeren verschuldigd is, stelt de rechtbank eerst vast welk bedrag Houtkoper voor de gietvloeren moet betalen. Wat Houtkoper meer heeft betaald dan dat bedrag moet [gedaagde 1] aan haar terugbetalen.\n\n5.34.. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper de eerste twee termijnfacturen van in totaal € 46.174,- heeft betaald en de laatste termijnfactuur van € 23.909,05 niet. Uit de offerte blijkt dat voor de gietvloeren een tarief van € 95,- per m2 is overeengekomen. Houtkoper heeft gewezen op een rekenfout in de factuur (“97 m2 x € 95 = € 9.695”) en verzocht tot verrekening daarvan. Dat is door [gedaagde 1] niet weersproken. [gedaagde 1] heeft gesteld dat de uiteindelijke oppervlakte van de gerealiseerde gietvloeren 113 m2 is. Houtkoper heeft die meting onvoldoende weersproken. In totaal moet Houtkoper voor de gietvloeren dus 113 m2 x € 95 = € 10.735 exclusief btw betalen. Inclusief 21% btw komt het bedrag voor de gietvloeren € 12.989,35. De rest van het bedrag dat Houtkoper heeft betaald ziet dus op de wandafwerking en moet [gedaagde 1] aan haar terugbetalen. Dat komt neer op een bedrag van (€ 46.174,00 - € 12.989,35=) € 33.184,65. De vordering onder I van Houtkoper wordt tot dit bedrag toegewezen en voor het overige afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.35.. Voor zover Houtkoper heeft bedoeld in dit kader ook de betaalde kosten voor de overnachtingen terug te vorderen, wijst de rechtbank die vordering af. Partijen zijn het erover eens dat onderdeel van de afspraken tussen beiden was dat Houtkoper voor slaapgelegenheid voor [gedaagde 1] zou zorgen. Maar omdat de overeenkomst voor de gietvloeren in stand blijft en Houtkoper niet heeft gesteld dat deze kosten alleen voor de wandafwerking zijn gemaakt, heeft zij de terugvordering van dit bedrag onvoldoende onderbouwd.\n\n [gedaagde 1] moet Houtkoper een schadevergoeding betalen\n\n5.36.. Houtkoper vordert € 54.024,77, aan kosten voor het aanvankelijke stucwerk, de kosten voor het overspuiten van de plafonds alsmede het opnieuw moeten schilderen van diverse kozijnen, wanden, deuren en trappen, de kosten voor betaalde overnachtingen en de kosten voor het onderzoek van TBA (vordering II). Daarnaast vordert Houtkoper € 1.560,- voor het schoonmaken van kozijnen (vordering III). Ten slotte vordert Houtkoper vertragingsschade van € 43.447,- (vordering IV).\n\n5.37.. \n [gedaagde 1] betwist dat zij voor deze kosten (volledig) aansprakelijk is, waarbij zij zich beroept op haar algemene voorwaarden. [gedaagde 1] betwist verder de hoogte van de schade. Daarnaast vindt [gedaagde 1] dat de schade (deels) voor rekening van Houtkoper moet blijven, omdat sprake is van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW.\n\n5.38.. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] zich niet kan beroepen op haar algemene voorwaarden, dat [gedaagde 1] vertragingsschade van € 20.000,- en de kosten van het onderzoek van TBA aan Houtkoper moet betalen en dat het beroep van [gedaagde 1] op eigen schuld van Houtkoper niet slaagt. De overige schadeposten van Houtkoper worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nHet beroep van [gedaagde 1] op de algemene voorwaarden slaagt niet\n\n5.39.. \n [gedaagde 1] doet een beroep op haar algemene voorwaarden. Houtkoper betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de overeenkomst. Zouden de algemene voorwaarden al van toepassing zijn, moeten ze worden vernietigd, omdat ze niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan haar ter hand zijn gesteld.\n\n5.40.. De rechtbank oordeelt dat de algemene voorwaarden op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn. Partijen zijn het erover eens dat Houtkoper mondeling akkoord heeft gegeven op de schriftelijke offerte. Op die offerte staat onder andere dat op alle overeenkomsten van [gedaagde 1] haar algemene voorwaarden van toepassing zijn. Uit het mondelinge akkoord van Houtkoper heeft [gedaagde 1] dus mogen opmaken dat zij haar aanbod zoals verwoord in de offerte, dus inclusief de gelding van haar algemene voorwaarden, heeft aanvaard.\n\n5.41.. \n [gedaagde 1] kan echter geen beroep doen op de algemene voorwaarden omdat het beroep van Houtkoper op de vernietiging ervan slaagt. Op grond van artikel 6:233 aanhef en onder b BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar als de gebruiker, in dit geval [gedaagde 1] , aan de wederpartij geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. In artikel 6:234 BW wordt geregeld dat die redelijke mogelijkheid is geboden als de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand worden gesteld. Dat mag ook digitaal, in een bijlage of met een link, waarbij de wederpartij de mogelijkheid moet hebben de algemene voorwaarden op te slaan voor latere kennisneming. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, volstaat dat de gebruiker van de algemene voorwaarden vóór totstandkoming aan zijn wederpartij bekendmaakt dat de algemene voorwaarden bij hem ter inzage liggen \u002F gedeponeerd zijn bij de KvK \u002F waar de algemene voorwaarden online te vinden zijn en op verzoek zullen worden toegezonden. De bewijslast dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld, of dat de wederpartij anderszins redelijke mogelijkheid is geboden daarvan kennis te nemen, rust op de gebruiker, in dit geval dus [gedaagde 1] .\n\n5.42.. \n\n [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij Houtkoper een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 1] de algemene voorwaarden niet aan Houtkoper heeft verstrekt, niet fysiek en ook niet digitaal. [gedaagde 1] heeft gewezen op deze passage onderaan de offerte: “Al deze overeenkomsten, aanbiedingen, leveringen en uitvoeringen geschieden op onze Algemene Voorwaarden. Vastgesteld door de Nederlandse Ondernemingsvereniging voor Afbouwbedrijven. Gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Utrecht onder nummer [nummer]”. [gedaagde 1] heeft daarnaast aangevoerd dat de algemene voorwaarden op haar website beschikbaar zijn. Daarmee heeft [gedaagde 1] echter niet voldaan aan de hiervoor genoemde wettelijke eisen van een redelijke mogelijkheid om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. [gedaagde 1] heeft namelijk niet gesteld dat het niet mogelijk was de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand te stellen. Ook heeft zij niet gesteld dat zij vóór totstandkoming van de overeenkomst voor de algemene voorwaarden naar haar website heeft verwezen. Dit alles brengt mee dat de algemene voorwaarden vernietigd worden en [gedaagde 1] zich daarop niet kan beroepen.\n\nDe door Houtkoper gevorderde schadeposten\n\n5.43.. Omdat [gedaagde 1] tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en nakoming van de waarschuwingsplicht blijvend onmogelijk is, komen de gevolgen van de ondeugdelijke ondergrond voor rekening van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] is daarom aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door het feit dat de wandafwerking op een ondeugdelijke ondergrond is aangebracht en daarmee zelf gebrekkig was.Om vast te stellen wat de schade van Houtkoper is vergelijkt de rechtbank de huidige situatie van de gebrekkige wandafwerking vanwege de ondeugdelijke ondergrond met de situatie waarin de ondergrond deugdelijk zou zijn geweest en daarom ook de wandafwerking geen gebreken zou vertonen.\n\nStucwerk\n\n5.44.. Houtkoper vordert € 47.544,92 aan kosten voor het stucwerk dat als ondergrond diende voor de wandafwerking. Daarvoor stelt Houtkoper dat dit werk waardeloos is geworden als gevolg van het door [gedaagde 1] ondeugdelijk aangebrachte product.\n\n5.45.. \n [gedaagde 1] vindt dat het aanbrengen van stucwerk als ondergrond hoe dan ook noodzakelijk was en dit daarom een waarde voor Houtkoper heeft gehad.\n\n5.46.. De rechtbank wijst deze schadepost af, omdat Houtkoper onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten het gevolg zijn van de gebrekkige wandafwerking. In dit kader is het criterium niet wat de daadwerkelijke waarde van het stucwerk voor Houtkoper is (zoals bij de waardevergoeding in het kader van de ongedaanmakingsverplichtingen door de ontbinding). Bij het vaststellen van de (hoogte van de) schade beoordeelt de rechtbank of Houtkoper op dit punt in een slechtere vermogenspositie is gekomen door de gebrekkige wandafwerking. Ook als de wandafwerking geen gebreken had (en daarmee de overeenkomst dus goed was nagekomen) had Houtkoper kosten voor het stucwerk moeten maken.\n\nHet overspuiten \u002F schilderen van plafonds, kozijnen, wanden, deuren en trappen\n\n5.47.. Houtkoper vordert € 4.791,60 aan kosten voor het overspuiten en schilderen van diverse plekken in de vakantiewoningen. Houtkoper stelt dat als gevolg van de (herstel)werkzaamheden diverse plekken zodanig vervuild zijn geraakt dat deze opnieuw moesten worden gespoten en geschilderd.\n\n5.48.. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.19) zijn de door Houtkoper gestelde vervuilingen en daarmee de schade waarvan Houtkoper de herstelkosten vordert, onvoldoende komen vast te staan. Het gevorderde schadebedrag wordt daarom afgewezen.\n\nBetaalde overnachtingen\n\n5.49.. Houtkoper vordert schadevergoeding voor de kosten die zij heeft gemaakt voor de overnachtingen van [gedaagde 1] van € 677,90.\n\n5.50.. \n [gedaagde 1] voert aan dat onderdeel van de gemaakte afspraken was dat deze kosten door Houtkoper zouden worden gedragen, zodat [gedaagde 1] gedurende twee weken werk slaapgelegenheid had.\n\n5.51.. De rechtbank wijst deze schadepost af, omdat Houtkoper niet heeft toegelicht waarom deze kosten schade als gevolg van de tekortkoming betreffen. Ook voor deze kosten geldt ze ook zouden zijn gemaakt als de wandafwerking geen gebreken had (en daarmee de overeenkomst dus goed was nagekomen).\n\nOnderzoek TBA\n\n5.52.. Houtkoper vordert expertisekosten voor TBA van € 1.010,35. Deze kosten heeft Houtkoper onderbouwd met de factuur van TBA. [gedaagde 1] heeft niet bestreden dat Houtkoper die kosten heeft gemaakt voor het vaststellen van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde 1] . [gedaagde 1] wijst erop dat TBA [gedaagde 1] in het rapport grotendeels gelijk geeft en dat Houtkoper het rapport onjuist kwalificeert. Daarom zouden volgens [gedaagde 1] de kosten gedeeld moeten worden. De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding. In dit vonnis wordt vastgesteld dat [gedaagde 1] aansprakelijk is tegenover Houtkoper en daarvoor heeft Houtkoper in redelijkheid TBA kunnen inschakelen. De kosten zelf vindt de rechtbank ook redelijk. Daarmee is voldaan aan de wettelijke eisen van artikel 6:96 lid 2 onder b BW en wordt het gevorderde bedrag toegewezen.\n\nSchoonmaken van de kozijnen\n\n5.53.. Houtkoper vordert € 1.560,- (te vermeerderen met de btw) aan kosten voor het schoonmaken van de kozijnen. Hiervoor stelt Houtkoper dat als gevolg van (herstel)werkzaamheden de kozijnen ernstig vervuild zijn geraakt door restanten van het gebruikte materiaal en dat het schoonmaken hiervan noodzakelijk was.\n\n5.54.. De rechtbank wijst deze schadepost af, gelet op wat hiervoor in 5.48 is overwogen. Dat oordeel geldt hier ook.\n\nVertragingsschade\n\n5.55.. Ten slotte vordert Houtkoper vergoeding voor vertragingsschade. Het gaat om een bedrag van € 43.447,- over de periode van 24 juni 2025 (de geplande oplevering) tot aan de oplevering van de wandpanelen op 10 november 2025. Uit de offerte volgt dat vier weken voor de uitvoering waren gepland. Uiteindelijk is [gedaagde 1] in week 22 van 2024 gestart en werd er nog herstel uitgevoerd tot en met week 29. Naast deze vertraging heeft het plaatsen van de wandpanelen ook nog eens acht weken geduurd. Gedurende deze periode liepen de rentebetalingen van de leningen van Houtkoper door. Voor de omvang van de rentelasten heeft Houtkoper verwezen naar een verklaring van haar accountant.\n\n5.56.. \n [gedaagde 1] betwist dat er sprake was van een vertraging in de planning. Voor zover daar wel sprake van is, is dit (alleen) aan Houtkoper zelf te wijten. Daarbij voert [gedaagde 1] aan dat het maanden heeft geduurd voordat de wandpanelen zijn geplaatst nadat het rapport van TBA was opgesteld. Dat moet voor rekening van Houtkoper blijven.\n\n5.57.. Zoals de rechtbank eerder onder 5.20 heeft overwogen zijn partijen geen fatale termijn overeengekomen en is op dat punt geen tekortkoming van [gedaagde 1] vastgesteld. Dat het verkoop klaar maken van de vakantiewoningen langer heeft geduurd, omdat de wandafwerking gebrekkig bleek, vindt de rechtbank op zich aannemelijk en heeft [gedaagde 1] onvoldoende betwist. Datzelfde geldt voor het daardoor langer doorlopen van de renteverplichtingen van Houtkoper. De rechtbank vindt alleen niet dat de hele periode aan vertraging zoals die door Houtkoper is berekend is toe te rekenen aan [gedaagde 1] . Omdat de berekening van deze kosten door Houtkoper niet is gespecificeerd, kan de rechtbank die berekening niet één op één toepassen op een kortere periode. De rechtbank maakt daarom gebruik van de schattingsbevoegdheid van artikel 6:97 BW en raamt de toewijsbare vertragingskosten op € 20.000,-. Daarbij heeft zij de volgende omstandigheden gewogen.\n\n5.58.. \n [gedaagde 1] is begin mei 2024 begonnen met de werkzaamheden. Uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde 1] op 19 juni 2024 de laatste factuur heeft verzonden. Daarna hebben partijen gecorrespondeerd over dat het werk nog niet was afgerond en heeft [gedaagde 1] in verband daarmee de betalingstermijn van de laatste factuur twee weken opgeschoven. Daarna heeft [gedaagde 1] nog herstelwerkzaamheden uitgevoerd en hebben partijen hierover gecorrespondeerd. Dit heeft geduurd tot eind juli 2024. Vervolgens heeft Houtkoper TBA ingeschakeld. Na ontvangst van het rapport van TBA van 5 augustus 2024 heeft Houtkoper [gedaagde 1] op 20 augustus 2024 verzocht om een creditfactuur en later om terugbetaling van het door haar betaalde bedrag. Daarna moest Houtkoper op zoek naar een (andere) oplossing, zodat zij verder kon met het project. Dat is uiteindelijk het plaatsen van de wandpanelen geweest. De wandpanelen zijn volgens de toelichting van Houtkoper op de zitting op 16 september 2024 geplaatst. De accountant van Houtkoper verklaart in de stukken dat de rentelasten van Houtkoper voor de periode 24 juni 2024 t\u002Fm 10 november 2024 totaal € 43.447,- bedragen.\n\n5.59.. \n\nDe rechtbank vindt op basis van het voorgaande dat de vertraging in de periode vanaf medio juli 2024 (herstelpogingen blijken onvoldoende) tot 16 september 2024 (plaatsing van de wandpanelen) als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst voor rekening van [gedaagde 1] komt. Voor die periode van in totaal dus ongeveer twee maanden (in plaats van de ca. 4,5 maand die Houtkoper heeft berekend) moet [gedaagde 1] de rentelasten van Houtkoper betalen. Partijen waren gezien de verlenging van de betalingstermijn door [gedaagde 1] kennelijk beiden in de veronderstelling dat het werk twee weken na 19 juni 2024 (dus op 3 juli 2024) af zou zijn. Daarna zijn er nog herstelpogingen gedaan. De rechtbank vindt dat in het hypothetische geval dat [gedaagde 1] in de twee weken daarna de wandafwerking goed zou hebben hersteld, zij de overeenkomst dan nog voldoende en vanwege het ontbreken van een fatale termijn op tijd zou zijn nagekomen. Vanaf medio juli 2024 geldt dat niet meer, omdat de herstelpogingen van [gedaagde 1] onvoldoende bleken. Vanaf dat moment komt de vertraging dus voor rekening van [gedaagde 1] . Dat in deze periode (ook) vertragingen aan Houtkoper te wijten zouden zijn is niet aannemelijk geworden. Van haar kon op dat moment niet worden verwacht al op zoek te gaan naar een andere oplossing. Pas met het TBA rapport van 5 augustus 2024 werd voor haar duidelijk welke gebreken er precies aan het werk kleefden en kon zij gaan nadenken over mogelijke oplossingen. Dat het vervolgens zoals op de zitting toegelicht tot 16 september 2024 heeft geduurd tot de wandpanelen zijn geplaatst, vindt de rechtbank niet onredelijk lang. [gedaagde 1] heeft dit niet onderbouwd. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om een deel van die periode aan vertraging voor rekening van Houtkoper te laten. De stelling van Houtkoper in de stukken dat de oplevering van de wandpanelen acht weken zou hebben geduurd, waardoor zij de vertraging tot 10 november 2024 berekent, kan de rechtbank mede gezien de toelichting van Houtkoper op de zitting niet plaatsen en wordt dus niet gevolgd.\n\nHet beroep van [gedaagde 1] op eigen schuld slaagt niet\n\n5.60.. \n [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat (een deel van) de schade voor rekening van Houtkoper moet blijven. Houtkoper heeft namelijk pas een stukadoor langs gestuurd voor aanvullende werkzaamheden nadat [gedaagde 1] was gestart met de werkzaamheden. Dat was te laat en ontregelde het werk van [gedaagde 1] . Daarnaast vindt [gedaagde 1] dat Houtkoper als professionele vastgoedpartij op de hoogte was van de slechte ondergrond.\n\n5.61.. Omdat [gedaagde 1] de stelling inneemt dat (een deel van) de schade voor rekening van Houtkoper moet blijven, moet [gedaagde 1] feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat de schade (ook) het gevolg is van omstandigheden die aan Houtkoper kunnen worden toegerekend. Dat heeft zij onvoldoende gedaan. Zoals hiervoor is overwogen (zie 5.11 en 5.12) heeft [gedaagde 1] haar waarschuwingsplicht met betrekking tot de ondergrond geschonden. Omdat [gedaagde 1] Houtkoper onvoldoende heeft gewaarschuwd, kon nu juist niet van Houtkoper worden verwacht dat zij maatregelen zou treffen. Bovendien had [gedaagde 1] , zoals gezegd, vóór aanvang van de werkzaamheden moeten controleren of de gevolgen voor haar duidelijk waren. [gedaagde 1] heeft dus onvoldoende onderbouwd dat Houtkoper zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade of de schade deels had moeten voorkomen. Het beroep op eigen schuld slaagt daarom niet.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n5.62.. Houtkoper vordert daarnaast € 1.776,98 aan buitengerechtelijke incassokosten; kosten die zij heeft gemaakt om haar vordering, vóór de gerechtelijke procedure, bij [gedaagde 1] te innen. Of die kosten voor vergoeding in aanmerking komen, moet in dit geval worden getoetst aan de eisen zoals geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. Kort gezegd moet het gaan om daadwerkelijk gemaakte kosten voor werkzaamheden om de vordering buiten rechte te innen, terwijl die werkzaamheden niet verwaarloosbaar zijn en niet onder de proceskostenvergoeding vallen. De rechtbank vindt dat Houtkoper voldoende gesteld heeft dat in dit geval aan genoemde eisen is voldaan. Vervolgens moeten de gevraagde kosten in redelijkheid zijn gemaakt en moet de hoogte ervan ook redelijk zijn. Of aan deze ‘dubbele redelijkheidstoets’ is voldaan, beoordeelt de rechtbank aan de hand van de vaste tarieven die voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend, die gekoppeld zijn aan de hoofdsom. Houtkoper heeft daar ook aansluiting bij gezocht, maar heeft daarbij een hogere hoofdsom als uitgangspunt genomen dan de rechtbank toewijst. De rechtbank vindt op basis van die tarieven een bedrag van € 1.316,95 redelijk, wijst dat bedrag toe en de rest van het gevorderde bedrag af.\n\nSlotsom\n\n5.63.. De slotsom van al het voorgaande is dat de rechtbank de tussen Houtkoper en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst ontbindt, voor zover deze ziet op het plaatsen van de wandafwerking. De rechtbank wijst de vordering onder I van Houtkoper tot terugbetaling van het al betaalde deel van de aanneemsom toe tot een bedrag van € 33.184,65, omdat dit deel ziet op de wandafwerking. Verder wijst de rechtbank de vordering onder IV van Houtkoper toe tot een bedrag van € 20.000,- aan schadevergoeding. Daarnaast moet [gedaagde 1] de expertisekosten van € 1.010,35 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.316,95 vergoeden. De overige vorderingen van Houtkoper worden afgewezen. De conclusie over de vordering in conventie brengt tegelijkertijd mee dat Houtkoper de openstaande factuur niet hoeft te betalen. De tegenvordering in reconventie tot betaling van de openstaande factuur (min de herstel- en expertisekosten) van [gedaagde 1] wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten\n\nin conventie\n\n5.64.. \n [gedaagde 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Houtkoper betalen. Houtkoper heeft haar vordering echter (veel) hoger ingestoken dan de rechtbank toewijst (ongeveer € 150.000 gevorderd en ongeveer € 55.000 toegewezen). Dat heeft in dit geval gevolgen gehad voor het griffierecht dat beide partijen hebben moeten betalen. Voor een vordering tot € 100.000 was het griffierecht € 2.995 (2025). Nadat Houtkoper de vordering met haar eiswijziging verhoogde tot boven de € 100.000 werd het griffierecht verhoogd naar € 7.062 (2026). De rechtbank ziet in deze gang van zaken aanleiding om [gedaagde 1] het lagere griffierecht te laten vergoeden en het door [gedaagde 1] meer betaalde griffierecht in mindering te brengen op de proceskostenvergoeding.\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n126,11\n\n- griffierecht Houtkoper\n\n€\n\n2.995,00\n\n- compensatie griffierecht [gedaagde 1]\n\n€\n\n-4.067,00\n\n(€ 7.062,00 - € 2.995,00)\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n2.580,00\n\n(2 punten × € 1.290,00)\n\n- nakosten (ook voor reconventie)\n\n€\n\n296,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.930,11\n\n5.65.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nin reconventie\n\n5.66.. \n [gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom ook de proceskosten betalen in reconventie, die vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie worden gehalveerd. De proceskosten van Houtkoper worden begroot op: € 836,00 aan kosten advocaat (2 punten x 0,5 x € 836,00).\n\n5.67.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.68.. De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop nog niet is beslist.6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1.. wijst de vorderingen voor zover gericht tegen [gedaagde 2] af,\n\n6.2.. ontbindt de tussen Houtkoper en [gedaagde 1] gesloten overeenkomst gedeeltelijk, voor zover deze ziet op het plaatsen van de wandafwerking,\n\n6.3.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan Houtkoper binnen veertien dagen na dit vonnis te betalen:\n\n€ 33.184,65 bestaande uit terugbetaling van de reeds door Houtkoper aan [gedaagde 1] betaalde facturen voor zover die zien op de wandafwerking,\n\n€ 1.010,35 aan schadevergoeding voor expertisekosten,\n\n€ 20.000,00 aan schadevergoeding voor vertragingsschade,\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over voornoemde drie bedragen als deze niet binnen veertien dagen zijn betaald, tot de dag van volledige betaling,\n\n€ 1.316,95 aan buitengerechtelijke incassokosten,\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 17 juli 2025 tot de dag van volledige betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van Houtkoper van € 1.930,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n6.5.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie\n\n6.6.. wijst de vorderingen van [gedaagde 1] af,\n\n6.7.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van Houtkoper van € 836,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.8.. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.9.. veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n6.10.. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2 t\u002Fm 6.4 en 6.7 t\u002Fm 6.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. M.E.M. James-Pater op 24 juni 2026.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat het vonnis meteen kan worden uitgevoerd, ook als de wederpartij in hoger beroep gaat, zolang daarop nog niet is beslist.\n\n Omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt stellen dat [gedaagde 2] geen contractspartij is, gaat de rechtbank er vanuit dat de eis in reconventie alleen namens [gedaagde 1] is ingesteld.\n\n Artikel 6:265 en 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Hoge Raad 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2705, r.o. 3.4.\n\n Kamerstukken II 1992\u002F93 23095, nr. 3 p. 32-33.\n\n Hof Den Bosch 13 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3144.\n\n Artikel 6:265 en 6:267 BW.\n\n Zie Conclusie A-G Van Peursem 25 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:490 r.o. 3.7.\n\n Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1394 r.o. 5.2.1.\n\n Artikel 6:74 en 7:760 BW.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6634","ecli-nl-rbams-2026-6634",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]