[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-19889":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-19889":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"484","ECLI:NL:RBDHA:2025:19889","",56,"Amsterdam","amsterdam","2025-07-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\nBestuursrecht\n\nZaaknummers t.a.v. [eiser] : NL25.20663 (beroep)\n\n NL25.20664 (voorlopige voorziening)\n\nZaaknummers t.a.v. [eiseres] : NL25.20665 (beroep)\n\n NL25.20666 (voorlopige voorziening)\n\n [V-Nummers]\n [eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1994, eiser\u002Fverzoeker, hierna: eiser,\n\n [eiseres] ,geboren op [geboortedatum 2] 2002, eiseres\u002Fverzoekster, hierna: eiseres\n\nbeiden van Comorese nationaliteit,\n\nhierna samen te noemen: eisers,\n\n(gemachtigde: mr. V. Senczuk),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder,\n\n(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en hun verzoeken om een voorlopige voorziening.\n\n2. Bij besluiten van 28 april 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n3. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.\n\n4. De rechtbank heeft de zaken op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M.J.M. Moure als tolk in de taal Frans en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. De rechtbank beoordeelt het kennelijk ongegrond verklaren van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen gegrond zijn en vernietigt de bestreden besluiten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTen aanzien van eiser\n\nHet asielrelaas van eiser\n\n7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Comoren verlaten omdat hij problemen heeft gekregen nadat hij seks voor geld heeft gehad met een andere man. Hij is in elkaar geslagen door mensen op straat en hij is door de rechter veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Eiser vreest bij terugkeer de dood, omdat het in de Comoren niet is toegestaan om als man met mannen seksuele handelingen te verrichten.\n\nHet bestreden besluit van eiser\n\n8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nAfvalligheid;\n\nProblemen vanwege eisers toegedichte homoseksuele gerichtheid.\n\n9. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De afvalligheid en de problemen vanwege toegedichte homoseksuele gerichtheid vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft hierover namelijk op verschillende punten kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen afgelegd.\n\nTen aanzien van eiseres\n\nHet asielrelaas van eiseres\n\n10. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Volgens eiseres heeft haar verloofde, eiser, dingen gedaan die streng verboden zijn in de Comoren, omdat hij een seksuele relatie had met een man. Eiser is hierdoor opgepakt, heeft een gevangenisstraf gekregen en is ontsnapt uit de gevangenis in de Comoren. Omdat eiser nu wordt gezocht en eiseres zijn verloofde is, heeft eiseres samen met eiser de Comoren verlaten en vreest eiseres voor de autoriteiten in de Comoren. Daarnaast heeft eiseres problemen met haar familie. Zij zijn het niet eens met de verloving met eiser. Bij terugkeer vreest eiseres dat zij wordt gedood door haar vader.\n\nHet bestreden besluit van eiseres\n\n11. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:\n\nIdentiteit, nationaliteit en herkomst;\n\nProblemen vanwege eiser als verloofde.\n\n12. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De problemen vanwege eiser als verloofde vindt verweerder niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres worden namelijk beoordeeld als kennelijk vals en duidelijk onwaarschijnlijk en tegenstrijdig.\n\nDe beroepsgronden van eisers\n\n13. Eisers voeren aan dat verweerder hun asielaanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Eisers zijn telkens ten onrechte gehoord in de Franse taal, terwijl zij die taal slechts beperkt spreken; hun moedertaal is Comorees. Het horen terwijl er een taalbarrière is, is onzorgvuldig. Ook worden vermeende tegenstrijdigheden in hun verklaringen ten onrechte aan hen verweten, omdat deze door de taalproblemen kunnen zijn ontstaan. Dit geldt ook voor de discrepanties in de verklaringen over de strafbare feiten in het arrestatiebevel van eiser. Eisers moeten daarom opnieuw worden gehoord in hun moedertaal. Daarbij komt dat verweerder ook niet heeft onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om eisers te horen, bijvoorbeeld door een tolk in de Comorese taal uit Frankrijk in te schakelen.\n\n14. Eiser merkt op dat afvalligheid geen asielmotief van hem is.\n\n15. Eiseres betoogt dat verweerder haar verklaringen over doodsbedreigingen en vervolging onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van artikel 3 van het EVRM.\n\n16. Tot slot voeren eisers aan dat hun asielaanvragen ten onrechte als kennelijk ongegrondzijn afgewezen, omdat zij verweerder hebben misleid met een vals visum. Het gebruik van een vals visum betekent niet dat hun hele asielrelaas ongeloofwaardig is.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nKon verweerder eisers horen in de Franse taal?\n\n17. De vreemdeling wordt gehoord in een taal waaraan de vreemdeling de voorkeur geeft, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren.Het beleid van verweerderhoudt als uitgangspunt aan dat de vreemdeling wordt gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan. Daaronder vallen onder andere de officiële talen van het land van herkomst.\n\n18. Eisers zijn gehoord met gebruikmaking van een registertolk Frans. Uit openbare bronnen blijkt dat Frans een officiële taal is van de Comoren.Eisers mochten daarom in beginsel in het Frans worden gehoord, indien geen tolk in het Comorees beschikbaar was. Verweerder heeft onweersproken toegelicht dat er geen Comorese tolk beschikbaar is. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdelingen het Frans onvoldoende machtig zijn.\n\n19. De rechtbank constateert dat de informatie over het taalgebruik en taalbegrip van de verschillende bevolkingsgroepen op de Comoren niet eenduidig is.Wel staat vast dat eiser tot zijn veertiende of vijftiende jaar onderwijs in het Frans heeft gevolgden dat eiseres na de middelbare school nog drie jaar universitaire opleiding heeft gehad in de Franse en Comorese taal. Deze omstandigheden geven aanleiding om aan te nemen dat zij enige Franse taalvaardigheid hebben. De vraag is echter of die taalvaardigheid voldoende was om helder en volledig hun asielrelaas naar voren te kunnen brengen.\n\n20. Om te beoordelen of hun Franse taalvaardigheid voldoende was, geven de rapporten van de gehoren inzicht. Uit die rapporten komt een wisselend beeldnaar voren over de Franse taalvaardigheid van eisers. Daardoor is niet zonder meer duidelijk of eisers de Franse taal voldoende machtig waren om in die taal te worden gehoord. Verweerder betoogt dat dat wel zo is, maar de rechtbank ziet aanleiding om dat te betwijfelen. Enerzijds verklaarden eisers dat zij de tolk goed konden verstaan, anderzijds gaven zij aan de tolk niet altijd goed te begrijpen. Eisers verklaarden herhaaldelijkdat zij slechts “een beetje” Frans verstaan en begrijpen. Daarnaast verklaarde eiser: “Ik heb ook aangegeven dat ik veel te vertellen heb maar dat Frans moeilijk is”en verklaarde eiseres: “Het is een beetje moeilijk voor mij om alles goed uit te leggen omdat ik niet zo goed Frans spreek”. De (oud-)gemachtigde van eisers heeft voorafgaand aan het nader gehoor expliciet verzocht om een tolk in de Comorese taal, omdat eisers de Franse taal onvoldoende machtig zijn.Desgevraagd heeft de gemachtigde van eisers op de zitting nog toegelicht dat de communicatie met eisers niet vanzelf ging. Voor eiser wordt zijn beperkte Franse taalbegrip bovendien bevestigd in een medisch advies van 18 april 2025, waarin is opgemerkt dat eiser de Franse taal niet goed kan begrijpen.\n\n21. De rechtbank ziet, anders dan verweerder, dat de Franse taalvaardigheid van eisers tot communicatieproblemen leidde tijdens de gehoren. Zo moest de tolk een paar keer de verklaringen van eiser samenvatten tijdens het nader gehoor, wat wijst op moeizame communicatie. Daarnaast is een opmerking van de rapporteur illustratief dat de rapporteur het over “ik en mijn” heeft, maar eiser “we en ons” noemde. Eiser gaf aan dat hij bij het zoeken naar woorden soms de verkeerde woorden gebruikte en dat de tolk hem dan hielp, door bijvoorbeeld te vragen: “bedoel je dit?”. Dit ondersteunt de stelling van eiser dat hij de Franse taal onvoldoende beheerst.\n\n22. Ook bij eiseres verliep de communicatie merkbaar stroef. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt dat zij de tolk regelmatig vroeg om vragen te herhalen of te verduidelijken en dat de tolk haar soms niet goed begreep. De rapporteur noteerde onder andere:\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en verduidelijkt hem.\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw vraagt aan de tolk de vraag te herhalen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk begrijpt mevrouw niet, ze vraagt mevrouw om\n\nhet te herhalen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk legt de vraag uit aan mevrouw en noemt\n\nvoorbeelden.\n\nDeze opmerkingen bevestigen dat de communicatie tussen eiseres en de tolk moeizaam verliep.\n\n23. Verweerder betoogt dat er voldoende waarborgen waren die maakten dat eisers hun asielrelaas naar voren konden brengen met behulp van een tolk in de Franse taal. Volgens verweerder is op verschillende momenten gevraagd of het goed gaat en hebben eisers, kort gezegd, verschillende keren de kans kregen om taalproblemen te melden. Ook heeft de gemachtigde van eisers geen belangrijke correcties en aanvullingen gedaan na het nader gehoor.\n\n24. De rechtbank is echter van oordeel dat deze waarborgen niet toereikend zijn gebleken. Bij signalen van eisers dat zij de Franse taal “een beetje” begrijpen en verstaan, werd onvoldoende doorgevraagd tijdens het nader gehoor van eisers. Onvoldoende is onderzocht wat eisers precies moeilijk vonden. Ook heeft verweerder niet onderzocht hoe eisers beter ondersteund hadden kunnen worden, bijvoorbeeld door het inschakelen van een (digitale) tolk in de Comorese taal, een buitenlandse tolk in de Comorese taal of het toepassen van een dubbele tolkconstructie (van Comorees naar Engels of Frans, en van daaruit naar het Nederlands).De enkele stelling van verweerder dat er in Nederland geen Comorese tolk beschikbaar is, ontslaat hem niet van de plicht om andere mogelijkheden te onderzoeken. Dat heeft verweerder ten onrechte nagelaten.\n\n25. De rechtbank merkt bovendien op dat ook op de zitting duidelijk werd dat eisers het Frans onvoldoende beheersen. Dit bevestigt het beeld dat tijdens de gehoren geen sprake was van volwaardige communicatie in een taal waarin eisers zich helder konden uitdrukken.\n\n26. Gezien de communicatieproblemen tijdens de gehoren, de verklaringen van eisers over hun beperkte Franse taalvaardigheid, de observaties van de rapporteur, het medisch advies van eiser en het gebrek aan voldoende doorvragen of ondersteuning, ziet de rechtbank voldoende concrete aanwijzingen dat eisers de Franse taal onvoldoende beheersen en zich daarin niet helder kunnen uitdrukken. De rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat de door verweerder aangevoerde tegenstrijdigheden zijn ontstaan doordat eisers zijn gehoord in een taal die zij onvoldoende beheersen.\n\n27. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers niet kon horen in de Franse taal. Aangezien de afwijzende bestreden besluiten zijn gebaseerd op de verklaringen zoals die zijn afgelegd tijdens de gehoren in de Franse taal, zijn deze besluiten onzorgvuldig tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt.\n\n28. De rechtbank draagt verweerder op om eisers opnieuw te horen, ditmaal in hun moedertaal (de Comorese taal), zodat zij in staat worden gesteld hun asielrelaas helder toe te lichten. Gelet daarop zal de rechtbank niet ingaan op de overige beroepsgronden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n29. De beroepen zijn gegrond. De bestreden besluiten worden dan ook vernietigd. Verweerder wordt opgedragen om eisers te horen in hun moedertaal – de Comorese taal, rekening houdend met alternatieve tolkmogelijkheden zoals genoemd in overweging 24 van deze uitspraak als in Nederland geen tolk in de Comorese taal beschikbaar is. Het is vervolgens aan verweerder om opnieuw te beoordelen of al dan niet van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers kan worden uitgegaan en op basis van die nieuwe beoordeling, nieuwe besluiten te nemen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zestien weken.\n\n30. Omdat de rechtbank op de beroepen heeft beslist, bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken daartoe worden daarom afgewezen.\n\n31. De rechtbank stelt vast dat de zaken van eiser met de zaaknummers NL25.20663 en NL25.20664 en de zaken van eiseres met de zaaknummers NL25.20665 en NL25.20666 op dezelfde zitting zijn behandeld, dat daarin dezelfde gemachtigde rechtsbijstand heeft verleend, dat deze in beide zaken nagenoeg gelijkluidende beroepsgronden heeft aangevoerd en dat in beide zaken gemeenschappelijke rechtsvragen aan de orde zijn. Daarom is sprake van samenhangende zaken die voor de berekening van de proceskostenveroordeling worden beschouwd als één zaak. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoekschriften en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank in de zaken geregistreerd onder zaaknummers NL25.20663 en NL25.20665:\n\n- verklaart de beroepen gegrond;\n\n- vernietigt de bestreden besluiten;\n\n- draagt verweerder op om eisers opnieuw te horen in de Comorese taal, en binnen zestien weken nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.\n\nDe voorzieningenrechter in de zaken geregistreerd onder zaaknummers NL25.20664 en NL25.20666:\n\n- wijst de verzoeken af.\n\nDe rechtbank en de voorzieningenrechter, in alle zaken:\n\n- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.721,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.\n\nBijlage\n\nSchema [eiser]\n\nAanmeldgehoor Dublin van\n\n10 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa, een beetje.\n\nAls de tolk langzaam praat, is dat beter voor u?\n\nJa, dat gaat beter.\n\nGeeft u het alstublieft aan als u een vraag niet begrijpt, dan stel ik de vraag in\n\nandere bewoordingen.\n\nJa, dat zal ik doen.\n\nPagina 8\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa, sommige vragen waren was lastig, andere niet, omdat ik wel Frans spreek maar niet heel veel. Uiteindelijk hebben we elkaar begrepen.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nAanmeldgehoor van\n\n14 april 2025\n\nPagina 2\n\nDe beveiliger vertelde dat u vroeg of uw partner ook mee mocht. Ik heb later vandaag een gesprek met uw partner.\n\nOké. Ik spreek een beetje Frans.\n\nWelke taal spreekt u het beste?\n\nComoor. Maar jullie hebben niemand die Comoor spreekt.\n\nSpreekt u ook nog andere talen?\n\nNee.\n\nIs naast Comoor de Franse taal wat u het beste spreekt?\n\nJa.\n\nKunt u zich goed uitdrukken in het Frans?\n\nEen beetje, niet helemaal goed.\n\nKunt u dit gesprek verder wel voeren in het Frans?\n\nJa.\n\nAls u een vraag niet begrijpt, geef het vooral aan.\n\nOké.\n\nPagina 3\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa. Een beetje, beetje.\n\nAls u de tolk niet goed begrijpt of verstaat, geeft u dat dan aan?\n\nOké.\n\nDan zal ik deze voor u uitprinten. Kunt u Frans lezen?\n\nJa.\n\n(…)\n\nIk heb de heer [eiser] medegedeeld dat het belangrijk is dat hij de waarheid spreekt en volledig dient te antwoorden op de vragen die ik stel. Ik heb de heer [eiser] uitgelegd dat, als blijkt dat hij niet de waarheid heeft gesproken of belangrijke informatie heeft achtergehouden, zijn aanvraag om die reden afgewezen kan worden.\n\nMijn zorg is dat ik niet volledig antwoord kan geven, omdat ik slecht Frans spreek.\n\nAls u een vraag niet goed kunt beantwoorden omdat u dit niet kunt vertellen in het Frans, wilt u dit dan aangeven?\n\nOké.\n\nPagina 5\n\nBegrijp ik het goed dat u deze talen niet spreekt?\n\nKlopt. Ik spreek alleen Comoor en een beetje Frans.\n\nKunt u nu lezen en schrijven in uw eigen taal?\n\nIk kan wel lezen. Schrijven is lastig. Het onderwijs was niet in het Comorees, maar in het Frans.\n\nPagina 11\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee. Het was goed, heel goed.\n\nNader gehoor van\n\n22 april 2025\n\nPagina 2\n\nZoals u merkt is er vandaag een tolk Frans aanwezig. Er is helaas geen tolk in de taal Comorees beschikbaar voor de IND, ik heb dit voordat we begonnen nogmaals nagevraagd.\n\nDe tolk die vandaag aanwezig is heeft eerder voor u getolkt tijdens het aanmeldgehoor van 14 april 2025. Ik las in de vorige verslagen dat het toen lukte om in het Frans te communiceren.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vertaalt rustig en duidelijk door goed te articuleren en langzaam te praten.\n\nKunt u de tolk goed begrijpen en goed verstaan?\n\nJa.\n\nAls u de tolk niet goed begrijpt of verstaat op enig moment, geeft u dat dan aan?\n\nJa.\n\nPagina 4\n\nWaar bent u precies zenuwachtig over?\n\nOmdat ik veel wil vertellen, maar ik kan niet makkelijk praten.\n\nPagina 7\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vat samen en verifieert in het Frans met\n\nbetrokkene of hij het verhaal goed heeft begrepen alvorens de tolk het\n\nvertaalt.\n\nPagina 8\n\nOpmerking rapporteur: de tolk vat samen en verifieert in het Frans met betrokkene of hij het verhaal goed heeft begrepen alvorens de tolk het vertaalt.\n\nPagina 10\n\nHebt u ooit persoonlijke problemen ondervonden vanwege uw seksuele\n\ngerichtheid en\u002Fof genderidentiteit?\n\nOpmerking rapporteur: ik leg de vraag uit.\n\nPagina 11\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en goed verstaan?\n\nEen beetje.\n\nHoe gaat het met uw Frans?\n\nHet is niet makkelijk omdat ik niet normaal kan praten.\n\nIk vind dat u best veel en duidelijk hebt kunnen vertellen in het Frans vanmorgen. Uw verhaal was goed te volgen.\n\nOké.\n\nPagina 15\n\nWat vindt u ervan dat zij wel in de Islam gelooft?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk verduidelijkt de vraag.\n\nPagina 16\n\nIk wil u iets voorhouden. Ik heb vanmorgen gelezen wat u bij de KMAR hebt\n\nverklaard. U verklaarde toen dat u niet terug kon naar de Comoren omdat u\n\nKatholiek bent.\n\nDe politie heeft mij niet goed begrepen, misschien heeft de tolk mijn mening\n\nniet goed begrepen. Toen de politie mij vroeg kond e tolk mij niet goed\n\nverstaan. Toen vroeg de politie asiel en toen zei de tolk dat die mij ergens\n\nnaartoe stuurde voor asiel. Naar de IND.\n\n(…)\n\nDit lijkt mij een duidelijk verhaal, waar zat de miscommunicatie hier volgens\n\nu?\n\nIk denk dat de tolk niet goed de vraag had begrepen, ik had verteld dat\n\nmoslims het mij wel en dat de katholieken het mij niet hebben aangedaan. Ik\n\nheb niet gezegd dat ik katholiek was. Misschien heeft hij dat niet goed\n\nbegrepen.\n\n(…)\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en verstaan?\n\nEen beetje.\n\nPagina 19\n\nHoe onderhield u contact met Hassan?\n\nOpmerking rapporteur: ik hoor meneer de tolk voorbeelden van communicatiemiddelen opnoemen.\n\nPagina 20\n\nHeeft u op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of over de tolk?\n\nNee.\n\nHeeft u de tolk goed begrepen en goed kunnen verstaan?\n\nJa. Een beetje.\n\n(…)\n\nIs er iets waar u zelf op wil terugkomen of waar u nog over hebt nagedacht?\n\nNee.\n\nPagina’s 26 en 27\n\nKunt u de tolk nog steeds goed begrijpen en verstaan?\n\nJa, een beetje.\n\nBlijft u het vooral aangeven als u een vraag niet goed verstaat of begrijpt, dan zal ik de vraag uitleggen of anders stellen. Goed?\n\nJa.\n\nPagina 29\n\nDat begrijp ik, maar als ik een verhaal over mezelf vertel dat heb ik het over\n\n‘ik en mijn’ maar u noemde ‘we en ons’.\n\nDat is een fout die ik misschien heb gemaakt. Ik was alleen. We waren niet\n\nsamen. Het gebeurt ook als ik in een ander woord of verkeerde woorden zeg\n\nen andere dingen bedoel. Het is alsof ik zoek, dan geeft de tolk woorden aan\n\nvan bedoel je dit? En dan zeg ik dat bedoel ik. Ik heb ook aangegeven dat ik\n\nveel te vertellen heb maar dat Frans moeilijk is.\n\nPagina 33\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa, een beetje.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nSchema [eiseres]\n\nAanmeldgehoor van\n\n14 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa. Een beetje.\n\nWelke taal spreekt u het beste?\n\nComoor.\n\nSpreekt u goed genoeg Frans om dit gesprek te voeren in het Frans?\n\nJa.\n\nPagina 9\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nJa.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nNee.\n\nNader gehoor van\n\n22 april 2025\n\nPagina 2\n\nKunt u de tolk goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nIk begrijp het wel een beetje.\n\nBegrijpt u het goed genoeg om vandaag dit gehoor te doen?\n\nIk begrijp wel wat u zegt.\n\nPagina 3\n\nIk heb mevrouw [eiseres] uitgelegd dat mijn vragen wellicht kritisch kunnen\n\noverkomen, maar dat ze bedoeld zijn om het relaas te verduidelijken.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt dit voor mevrouw.\n\nPagina 5\n\nBent u in het bezit van documenten –anders dan al aangegeven tijdens het\n\naanmeldgehoor - die uw verklaringen over uw identiteit, nationaliteit,\n\nreisverhaal en\u002Fof asielrelaas onderbouwen?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag\n\n(…)\n\nU krijgt nu de gelegenheid in uw eigen woorden te vertellen wat de directe\n\nredenen zijn waarom u uw land van herkomst hebt verlaten. Ik wil u daarbij\n\nvragen om zoveel mogelijk in chronologische volgorde te vertellen en waar u\n\nkunt namen, plaatsen en data te noemen.\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt dit stukje.\n\nPagina 8\n\nVoor wie vreest u?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw begrijpt de vraag niet, de tolk herhaalt de vraag.\n\nHoe hebt u uw verloofde leren kennen?\n\nIk moet zeggen dat mijn Frans niet zo goed, is. Ik ga proberen uit te leggen.\n\nPagina 9\n\nHoe ging uw relatie hierna verder?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en stelt hem net iets anders.\n\nIk begrijp het niet.\n\nBegrijpt u niet wat ik bedoel met de vraag?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\n(…)\n\nHoe ging de verloving? Wat gebeurt er dan?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw vraagt aan de tolk om de vraag te herhalen.\n\nPagina 10\n\nIk hoor u een aantal keer aan de tolk vragen om de vraag te herhalen. Wat vindt u lastig? Het Frans of de vraag?\n\nHet is een beetje moeilijk omdat ik het Frans niet zo goed begrijp.\n\nIk zag dat u tot aan de universiteit naar school bent gegaan en dat u daar in het Frans onderwijs hebt gehad. Hoe komt het dat u het toch lastig vindt?\n\nComorees en Frans wordt tegelijk gesproken maar als ik op school ben en de les wordt in het Frans gegeven en als ik het niet begrijp gaat de docent gelijk in Comorees praten. Dat is de reden dat ik het wel begrijp maar het is niet dat ik alles begrijp. Als ik iets niet begrijp wordt het automatisch in het Comorees gesproken.\n\nHebt u tot nu toe de vragen begrepen?\n\nJa een beetje een beetje.\n\nPagina 11\n\nWat vindt u leuk aan uw verloofde?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 13\n\nKunt u tot nu toe de tolk nog goed verstaan en begrijpen?\n\nJa een beetje.\n\nU verklaart in hele zinnen en u lijkt niet naar woorden te hoeven zoeken want de zinnen komen vloeiend en aan een stuk door. Kan ik daaruit opmaken dat het u lukt om in het Frans te verklaren?\n\nIk begrijp een beetje.\n\nIs er iets geweest waarvan u denkt, ‘dat heb ik toch niet helemaal goed begrepen’?\n\nNee, het gaat goed.\n\nPagina 14\n\nU hebt nu ook problemen hierdoor, u kunt niet meer terug naar de Comoren. U\n\nbent nu ook in Nederland en vraagt vanwege de problemen van uw verloofde\n\nasiel aan. Wilt u niet meer weten hierover?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nPagina 16\n\nU zei eerder dat uw verloofde u belde en zei dat hij in het ziekenhuis was, nu\n\nzegt u dat hij belde en zei dat hij bij een woning was verstopt. Hoe komt het\n\ndat dit verschilt?\n\nIk heb gezegd dat mijn verloofde in het ziekenhuis was omdat zijn pols kapot\n\nwas, hij moest zich laten helpen. Mijn verloofde heeft mij gebeld en we zijn\n\nlater naar Tanzania gegaan om zijn arm te laten verzorgen. We zijn\n\nteruggekomen naar de Comoren en toen bleek dat de politie nog steeds naar\n\nhem op zoek was en ze hebben hem opgepakt.\n\nToen werd hij opgepakt door de politie en in de gevangenis gestopt. Hij is\n\nontsnapt van de gevangenis en hij was ergens in een huis verstopt. Hij heeft\n\nmij gebeld om te vertellen dat hij was ontsnapt.\n\nIk heb zelf problemen met mijn familie en mijn verloofde heeft zijn eigen\n\nproblemen met de autoriteiten en zo. Het is een beetje moeilijk voor mij om\n\nalles goed uit te leggen omdat ik niet zo goed Frans spreek.\n\nPagina 17\n\nHeb ik goed begrepen dat toen u terugkeerde uw verloofde weer werd opgepakt?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 18\n\nUw verloofde werd gearresteerd, wat gebeurde er toen met hem?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 20\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nEen beetje.\n\nWas er een vraag\u002Fvragen die u niet goed hebt begrepen?\n\nEen beetje.\n\nAls u niets noemt ga ik ervanuit dat tot nu toe alles duidelijk was, klopt dat?\n\nIk begrijp een beetje omdat ik begrijp meer, maar mijn Frans is niet zo goed,\n\nik kan niet zeggen dat ik alles goed begrepen heb.\n\nAls u vanavond iets bedenkt wat u toch niet begrepen hebt mag u daar morgen\n\naltijd nog op terugkomen.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nIk was tevreden.\n\nPagina 21\n\nVandaag is dezelfde tolk weer aanwezig. Kunt u haar nog goed verstaan en begrijpen in het Frans?\n\nJa.\n\nAls een vraag onduidelijk is of als u moeite hebt met een vraag, wilt u dat dan aangeven?\n\nOké.\n\n(…)\n\nWilt u nog op iets terugkomen wat we gisteren hebben besproken?\n\nNee.\n\n(…)\n\nEerst nog over toen u vanuit Tanzania terugkeerde naar de Comoren. Waar ging u toen naartoe?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag op verzoek van mevrouw.\n\nPagina 23\n\nUiteindelijk kwam uw verloofde wel naar u en uw vriendin in [plaats 1] . Hoe lang\n\nna de ontsnapping was dat?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag. De tolk telt hierbij op haar\n\nvingers als voorbeeld hoeveel dagen na de ontsnapping.\n\nPagina 24\n\nHoe bent u uit de Comoren vertrokken?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag.\n\nPagina 25\n\nWat vond uw familie voor die dag van de verloving?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en verduidelijkt hem.\n\nPagina 27\n\nKunt u de tolk nog goed verstaan en begrijpen?\n\nEen beetje.\n\nEen beetje? Ik krijg het idee dat het best goed gaat, u verstaat de meeste vragen.\n\nEen beetje.\n\nGeeft u het aan als u het niet verstaat?\n\nJa.\n\nWas er voor de pauze iets wat u niet goed hebt verstaan?\n\nOpmerking rapporteur: Mevrouw is even stil. De tolk herhaalt de vraag.\n\nIk had het een beetje begrepen.\n\nWat vond u lastig aan deze vraag?\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw is stil en lijkt na te denken.\n\nIk heb gezegd dat de politie mijn verloofde had gepakt. U heeft gevraagd waar heeft de politie de verloofde gebracht. Ik begreep de vraag niet.\n\nIk ga even kijken welke vraag u bedoelt.\n\nOpmerking rapporteur: ik zoek in het gehoor naar de vraag die mevrouw\n\nmogelijk bedoelt.\n\nWe zijn terug van Tanzania en mijn verloofde gaat naar het dorpje en ik blijf in\n\nde hoofdstad en de politie is gekomen er is een vraag, ik begrijp de vraag niet.\n\nBedoelt u de vraag waar u en verloofde heen gingen toen u terugkwam uit\n\nTanzania?\n\nIk heb gezegd dat we kwamen van Tanzania, mijn verloofde is naar het dorpje\n\ngegaan ik was moe en bleef in de stad. De volgende vraag was. Waar heeft de\n\npolitie je verloofde gebracht.\n\nWilt u hier meer duidelijkheid over? Of wilt u hier iets aan toevoegen?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nIk wilde weten wat er met uw verloofde gebeurde toen de politie hem had\n\nopgepakt. Is hij ergens naartoe meegenomen? Of gebeurde er iets anders?\n\nDat was niet de vraag, de vraag was, waar heeft de politie je verloofde\n\nopgepakt.\n\nHet was een vraag van vandaag?\n\nJa vandaag.\n\nIk heb u niet gevraagd waar de politie uw verloofde heeft opgepakt zie ik. Ik heb wel gevraagd waar uw verloofde naartoe ging toen hij was ontsnapt.\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 28\n\nOpmerking rapporteur: de tolk oppert dat het misschien de vraag was:\n\nwaarom is je vriend naar het dorpje gegaan terwijl hij wist dat de politie achter\n\nhem aanzat? Ze vraagt of ze dit aan mevrouw mag vragen. Ik geef aan dat het\n\ngoed is. Mevrouw geeft aan dat dat de vraag is die ze bedoelt.\n\n(…)\n\nIn het aanmeldgehoor hebt u verklaard dat u toen u terugkeerde vanuit\n\nTanzania naar de Comoren in [plaats 1] en in [plaats 2] verbleef. Dat klinkt alsof u er\n\nlanger of vaker hebt verbleven. Waarom hebt u dat zo verklaard?\n\nDe persoon heeft verkeerd vertaald.\n\n(…)\n\nU zei voor de pauze, dat de autoriteiten u zagen toen u de discussie had met\n\nuw vader en dat zij toen dachten als u er bent uw verloofde er ook zou zijn.\n\nHoe weet u dat ze dit dachten?\n\nOpmerking rapporteur: mevrouw vraagt aan de tolk de vraag te herhalen.\n\nPagina 29\n\nWelke autoriteiten vroeg aan u waar uw verloofde was?\n\nDe autoriteiten van het dorp.\n\nWat moet ik me daarbij voorstellen? Is het de politie, gemeenteambtenaar, iemand anders?\n\nDe mensen van het dorpje, de persoon van het dorp. De persoon die daar\n\nwonen.\n\nBedoelt u dan gewoon burgers?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nU zei dat iemand van de autoriteiten van het dorp aan u vroegen waar uw verloofde was. Wat voor iemand is dat? Welke functie heeft diegene van welke autoriteit?\n\nIk begrijp het niet.\n\n(…)\n\nBent u persoonlijk benaderd door de autoriteiten van de Comoren, bijvoorbeeld de politie, vanwege wat uw verloofde had gedaan?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nIs iemand van de politie van de Comoren bij u langsgekomen?\n\nOpmerking rapporteur: De tolk begrijpt mevrouw niet, ze vraagt mevrouw om het te herhalen.\n\nPagina 30\n\nUw verloofde heeft verklaard dat u contact hebt gezocht met een kennis van\n\nde universiteit die u heeft geholpen om het visum te krijgen. Hoe komt het dat\n\nu hier zelfs niets over hebt verklaard?\n\nIk begrijp het niet.\n\nHebt u zelf iemand die u kent van de universiteit gevraagd om u te helpen met\n\nhet visum?\n\nDe vriend van mijn verloofde is van de universiteit en hij heeft een cybercafé\n\ndat heb ik verteld.\n\nHoe kan het dan dat uw verloofde heeft gezegd dat ú de persoon kent van de\n\nuniversiteit?\n\nIk begrijp het niet.\n\nWat begrijpt u niet aan deze vraag?\n\nIk begrijp de vraag niet.\n\nPagina 31\n\nHoe heet de persoon die u heeft geholpen?\n\nIk begrijp het niet.\n\n(…)\n\nKunt u tot nu toe de tolk nog verstaan en begrijpen?\n\nJa.\n\nHeb ik goed begrepen dat voordat u naar Tanzania ging, uw verloofde door de\n\nautoriteiten is opgepakt en mishandeld aan zijn arm?\n\nIk snap het niet.\n\n(…)\n\nWat mij nog niet duidelijk is, is wat u bedoelt met autoriteiten van het dorp.\n\nWaarom zijn die anders dan de autoriteiten van de Comoren of de politie?\n\nIk begrijp het niet.\n\nPagina 32\n\nIs uw verloofde mishandeld door mensen uit het dorp die mensen oppakken en\n\nnaar de politie brengen?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag. Ze vraagt wie heeft de\n\nverloofde mishandeld.\n\nHet zijn de mensen die ze autoriteiten van het dorpje noemen.\n\nZijn die mensen die de autoriteiten van het dorp zijn, speciale mensen uit het\n\ndorp? Of kan iedereen het zijn?\n\nIk begrijp het niet.\n\nZijn er in uw dorp mensen aangewezen als autoriteit?\n\nZijn gewone mensen, dat zijn geen speciale mensen. Zijn gewoon normale\n\nmensen.\n\nAls het gewoon mensen zijn uit het dorp. Waarom noemt u ze dan autoriteit?\n\nIk weet niet hoe ik het moet zeggen, het zijn gewone mensen, maar ik zei\n\nautoriteit. Maar ik weet niet hoe ik ze moet noemen.\n\nPagina 35\n\nZijn er bijzondere individuele omstandigheden in Nederland waardoor u in\n\naanmerking dient te komen voor verblijf in Nederland?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk legt de vraag uit aan mevrouw en noemt\n\nvoorbeelden.\n\nPagina 36\n\nHebt u de tolk goed kunnen begrijpen en goed kunnen verstaan?\n\nEen beetje.\n\nHebt u nog op- of aanmerkingen over mijn werkwijze of die van de tolk?\n\nOpmerking rapporteur: de tolk herhaalt de vraag en legt hem uit.\n\nJa.\n\nWat wilt u opmerken?\n\nNee.\n\nuitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.\n\n Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Vw 2000.\n\n Paragraaf C1\u002F2.11 van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Zie openbare informatiebron: Constitution de l'Union des Comores | Refworld (https:\u002F\u002Fwww.refworld.org\u002Flegal\u002Flegislation\u002Fnatlegbod\u002F2001\u002Fen\u002F75023), geraadpleegd op 26 juni 2025. Refworld is een wereldwijde wetgeving- en beleidsdatabase die wordt beheerd door de UNHCR.\n\n ECLI:NL:RVS:2002:AE7653.\n\n Zie openbare informatiebron: Talen op de Comoren - Wikipedia (https:\u002F\u002Ffr.wikipedia.org\u002Fwiki\u002FLangues_aux_Comores), geraadpleegd op 26 juni 2025.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6 en 7.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6 en zittingsaantekeningen.\n\n De rechtbank heeft in de bijlage bij deze uitspraak schema’s opgenomen, waarin dit wisselende beeld is terug te zien bij eisers. De rechtbank merkt op dat deze schema’s geen volledigheid pretenderen, maar slechts een selectie betreffen van de verklaringen van eisers.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 8, Aanmeldgehoor, p. 11, Nader gehoor, p. 2.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 9, Nader gehoor, p. 2, 13, 20, 21 en 31.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 2, Aanmeldgehoor, p. 2, 3, Nader gehoor, p. 7, 8, 10, 11, 15, 16, 19, 27, 29 en 33.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 2, Nader gehoor, p. 2, 5, 7, 9, 10, 11, 13, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 25, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 35 en 36.\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor Dublin, p. 2, Aanmeldgehoor, p. 2, Nader gehoor, p. 11.\n\nTen aanzien van eiseres: Aanmeldgehoor, p. 2 en Nader gehoor, p. 2.\n\nTen aanzien van eisers: op de zitting, zie zittingsaantekeningen.\n\n Nader gehoor van eiser, p. 29.\n\n Nader gehoor van eiseres, p. 16.\n\n Correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor van eisers, gedateerd 18 april 2025.\n\n Nader gehoor, p. 7 en 8.\n\n Nader gehoor, p. 29.\n\n Nader gehoor, p. 25.\n\n Nader gehoor, p. 28.\n\n Nader gehoor, p. 8, 29.\n\n Nader gehoor, p. 35.\n\n Zoals eerder door deze rechtbank en zittingsplaats overwogen (ECLI:NL:RBAMS:2025:3832, r.o. 6.1).\n\n Ten aanzien van eiser: Aanmeldgehoor, p. 3, Nader gehoor, p. 11, 16, 20, 26 en 27. Ten aanzien van eiseres: Nader gehoor, p. 10, 20 en 36.\n\n De bestreden besluiten zijn in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n In groene tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiser de Franse taal voldoende machtig lijkt te zijn. In rode tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiser de Franse taal onvoldoende machtig lijkt te zijn.\n\n In groene tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiseres de Franse taal voldoende machtig lijkt te zijn. In rode tekst is opgenomen de verklaringen waarin de rechtbank leest dat eiseres de Franse taal onvoldoende machtig lijkt te zijn.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:19889","ecli-nl-rbdha-2025-19889",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]