[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-21478":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-21478":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1785","ECLI:NL:RBDHA:2025:21478","",58,"Den Haag","den-haag","2025-11-11T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nEnkelvoudige Kamer\n\nRekestnummers: FA RK 24-1213 (echtscheiding) en FA RK 24-4460 (verdeling)\n\nZaaknummer: C\u002F09\u002F661627 (echtscheiding) en C\u002F09\u002F668329 (verdeling)\n\nDatum beschikking: 11 november 2025Echtscheiding met nevenvoorzieningen\n\nBeschikking op het op 16 februari 2024 ingekomen verzoek van:\n\n [de man] ,\n\nde man,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk.\n\nAls belanghebbende wordt aangemerkt:\n\n [de vrouw] ,\n\nde vrouw,\n\nwonende op een bij de rechtbank bekend adres,\n\nadvocaat: mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest .\n\nProcedure\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:\n\n- het verzoekschrift;\n\nhet F9 formulier van 4 maart 2024 met bijlagen van de man;\n\nhet F9 formulier van 4 maart 2024 met bijlage van de man;\n\n- het formulier “verdelen en verrekenen” van 4 maart 2024 van de man;\n\n- het F9 formulier van 21 maart 2024 met bijlagen van de man;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;\n\n- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;\n\nhet F9 formulier van 31 juli 2024 met bijlagen van de man;\n\nhet F9 formulier van 25 september 2025 met bijlage van de man;\n\nhet F9 formulier van 4 oktober 2025 met bijlagen van de vrouw;\n\nhet F9 formulier van 7 oktober 2025 met bijlagen van de man.\n\nDe minderjarige [minderjarige 1] en de minderjarige [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken maar hebben daar geen gebruik van gemaakt.\n\nOp 7 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming.\n\nNa de zitting is ontvangen het F9 formulier van 10 oktober 2025 met bijlage van de vrouw.\n\nFeiten\n\n- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] .\n\n- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:\n\n- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] ,\n\n- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] .\n\n- De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw.\n\n- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.\n\n- Deze rechtbank heeft op 19 april 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende:\n\n- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats 2] aan de [adres] ( [postcode] ), met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;\n\n- dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;\n\n- dat de kinderen voorlopig bij de man zijn:\n\n- in de oneven weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 18.30 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met vrijdagavond 18.30 uur;\n\n- in de even weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 18.30 uur en van vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 20.00 uur;\n\n- dat de man aan de vrouw, met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 481,- per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.\n\nVerzoek en verweer\n\nHet verzoek zoals dat na wijziging luidt, strekt tot\n\na. echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:\n\nd. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:\n\nregulier\n\n- bij de man verblijven in de even weken van zondag 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de man de kinderen op de zondag van aanvang bij de vrouw ophaalt en de kinderen op de einddag weer bij de vrouw terugbrengt;\n\n- bij de vrouw verblijven in de even weken van zondag 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de zondag van aanvang bij de man ophaalt en de kinderen op de einddag weer bij de man terugbrengt;\n\nvakanties\n\nzomervakanties:\n\n- jaarlijks gedurende de eerste drie weken bij de man, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag drie weken later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- jaarlijks gedurende de laatste drie weken bij de vrouw, ingaande op de 3e zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag drie weken later te 17.00 uur, waarbij de man de kinderen op de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\nKerstvakanties:\n\nde even jaren\n\n- gedurende de eerste week bij de man, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- gedurende de tweede week bij de vrouw, ingaande op de tweede zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur waarbij de man de kinderen de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\nde oneven jaren\n\n- gedurende de eerste week bij de vrouw, ingaande op de laatste schooldag (vrijdag) tot en met zondag een week later te 17.00 uur, waarbij de vrouw de kinderen op de laatste omgangsdag bij de man ophaalt;\n\n- gedurende de tweede week bij de man, ingaande op de tweede zondag van de schoolvakantie te 17.00 uur tot en met zondag een week later te 17.00 uur waarbij de man de kinderen de laatste omgangsdag bij de vrouw ophaalt;\n\noverige vakanties, feestdagen en verjaardagen\n\nGedurende de overige vakanties, feestdagen en verjaardagen verblijven de kinderen bij de ouder waar zij volgens de hierboven omschreven reguliere zorgregeling zijn;\n\nsport [minderjarige 1] en [minderjarige 2]\n\nAls [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in het weekeinde dat zij volgens de hierboven bedoelde zorgregeling bij de vrouw verblijven een korfbalwedstrijd, training of een andersoortige korfbalactiviteit hebben, zal de vrouw toestaan dat zij die activiteit kunnen bijwonen. Tevens zal de vrouw er zorg voor dragen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar die betreffende activiteit gebracht en van die betreffende activiteit gehaald worden. Dit geldt eveneens ingeval [minderjarige 1] en\u002Fof [minderjarige 2] in de toekomst een andere sport mocht\u002Fmochten gaan beoefenen.\n\nsport [minderjarige 3]\n\nAls [minderjarige 3] in het weekeinde dat hij volgens de hierboven bedoelde zorgregeling bij de vrouw verblijft zwemmen of voetballen heeft, zal de vrouw toestaan dat hij die activiteit kan bijwonen. Tevens zal de vrouw er zorg voor dragen dat [minderjarige 3] naar die betreffende activiteit gebracht en van die betreffende activiteit gehaald wordt. Dit geldt eveneens ingeval [minderjarige 3] in de toekomst een andere sport mocht gaan beoefenen;\n\nf. bepaling dat als peildatum voor de omvang en samenstelling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zal gelden 16 februari 2024;\n\ng. bepaling dat als peildatum voor de waardering van de (bestanddelen van de) ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de datum van verdeling (uitspraak) zal gelden;\n\nh. benoeming van [makelaarskantoor] te Leiden als deskundige die de waarde van de onroerende zaak staande en gelegen aan het adres [adres] te [plaats 2] zal taxeren, alsmede bepaling dat de deskundige bij de vaststelling van de waarde rekening houdt met de terugkoopregeling en inzichtelijk maakt op welke wijze de terugkoopregeling is verdisconteerd in de waarde;\n\ni. bepaling dat de kosten van de sub h bedoelde deskundige op basis van 50%-50% door ieder der partijen als eigen schuld zullen worden gedragen;\n\nj. bepaling dat de in sub h bedoelde woning tegen de in sub h bedoelde waarde bindend tussen partijen in de verdeling wordt betrokken, als ook bepaling dat die woning tegen die waarde aan de man wordt toebedeeld, een en ander op voorwaarde dat de vrouw door de hypotheekhouder wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen;\n\nk. veroordeling van de vrouw om binnen drie maanden vanaf de datum van de te dezen af te geven beschikking haar volledige medewerking te verlenen en alle noodzakelijke feitelijke en\u002Fof rechtshandelingen te verrichten ten behoeve van de goederenrechtelijke overdracht van haar onverdeelde aandeel in de in sub h bedoelde woning aan de man, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel de vrouw in gebreke blijft aan een daartoe veroordelende beschikking uitvoering te geven.\n\nl. bepaling dat de man – onder de voorwaarde dat hij de financiering daarvoor kan krijgen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire verplichtingen uit de hypothecaire geldleningen bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] zal kunnen ontslaan – op zich zal nemen en als eigen schuld zal voldoen gerekend vanaf de datum waarop het onverdeelde aandeel van de man de in sub h bedoelde onroerende zaak goederenrechtelijk aan hem zal zijn overgedragen;\n\nm. bepaling dat indien de vrouw als gevolg van de in sub j jo sub l bedoelde verdeling wordt onderbedeeld, de man haar een onderbedelingsvergoeding dient te betalen van 50% van de onderwaarde;\n\nn. bepaling dat indien de vrouw als gevolg van de in sub j jo sub l bedoelde verdeling wordt overbedeeld, zij aan de man een onderbedelingsvergoeding dient te betalen van 50% van de onderwaarde;\n\no. bepaling dat alle notariële, kadastrale en andere kosten die verband houden met de goederenrechtelijke overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de in sub h bedoelde onroerende zaak aan de man, door ieder van partijen bij gelijke helften (50%-50%) wordt gedragen;\n\np. bepaling dat de rechten en plichten uit de Dela Natura en Levensverzekeringen NV met polisnummer [nummer 2] aan de man worden toebedeeld;\n\nq. bepaling dat:\n\n - de en\u002Fof betaalrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] ;\n\n - de betaalrekening ten name van de man bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] ;\n\naan de man worden toebedeeld, als ook bepaling dat de vrouw ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de man aan haar van de helft van de creditsaldi zoals die luiden per 16 februari 2024, althans dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van de debetsaldi zoals die luiden per 16 februari 2024;\n\nr. bepaling dat de betaalrekening ten name van de vrouw bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] aan de vrouw wordt toebedeeld, als ook bepaling dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van het creditsaldo zoals dat luidt per 16 februari 2024, althans dat de man de helft van het debetsaldo zoals dat luidt per 16 februari 2024 aan de vrouw dient te vergoeden;\n\ns. veroordeling van de vrouw om binnen twee dagen na betekening van de te dezen af te geven beschikking deugdelijk en inzichtelijk dagafschriften aan verzoeker te verstrekken waaruit het saldo van de naar de rechtbank begrijpt in sub r bedoelde bankrekening per 16 februari 2024 blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw aan een daartoe veroordelende beschikking geen uitvoering geeft, zulks met een maximum van € 5.000,-.\n\nt. bepaling dat de cryptoportefeuille bij Bitvavo aan de vrouw wordt toebedeeld, als ook bepaling dat de man ten titel van onderbedeling aanspraak heeft op betaling door de vrouw aan hem van de helft van de waarde van deze portefeuille zoals dat per de peildatum luidt;\n\nu. veroordeling van de vrouw om binnen twee dagen na betekening van de te dezen af te geven beschikking een deugdelijk en inzichtelijk afschrift aan de man te verstrekken waaruit de waarde van de naar de rechtbank in sub t bedoelde cryptoportefeuille per de peildatum blijkt, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat de vrouw aan een daartoe veroordelende beschikking geen uitvoering geeft, zulks met een maximum van € 5000,-;\n\nv. bepaling dat de auto van het merk Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] zonder nadere verrekening van de waarde aan de vrouw wordt toebedeeld;\n\nw. bepaling dat de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst betreffende de in sub v bedoelde auto aan de vrouw worden toebedeeld;\n\nx. veroordeling van de vrouw tot betaling aan de man van € 391,42 per maand en met ingang van 16 februari 2024 tot aan de datum van de goederenrechtelijke overdracht van de woning aan het adres [adres] te [plaats 2] aan hem, althans aan een derde, een en ander ten titel van haar 50% aandeel in de hypotheekrente en aflossing ter zake van de hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] ;\n\nz. bepaling:\n\nprimair:\n\n dat de man en de vrouw ieder 50% van de restantschuld aan mevrouw [naam 2] voor zijn\u002Fhaar rekening zal nemen en ieder het 50% deel als eigen schuld aan mevrouw [naam 2] zal voldoen met vrijwaring van de ander daarvoor;\n\nsubsidiair:\n\n bepaling dat, voor zover de man meer dan de helft van de restantschuld aan mevrouw [naam 2] zal hebben voldaan, de vrouw tot betaling van dat meerdere aan de man, naar de rechtbank begrijpt gehouden is.\n\n- vaststelling van een gebruiksvergoeding overeenkomstig het gestelde in naar de rechtbank begrijpt onderdeel 79 van het verweerschrift op zelfstandig verzoek, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding, alsook bepaling dat de vrouw die gebruiksvergoeding aan de man dient te voldoen met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk tot aan de datum van goederenrechtelijke overdracht van de woning aan de man, althans aan de vrouw, althans aan de nieuwe eigenaar\u002Feigenaren;\n\n- aanhechting van het ouderschapsplan aan de af te geven beschikking, met de bepaling dat de inhoud daarvan integraal deel uitmaakt van de af te geven beschikking;\n\n- bepaling dat de vrouw wordt veroordeeld om aan de man een bedrag van € 6.187,94 (zijnde 50% van € 12.375,88) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;\n\neen en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft de man zijn verzoek sub c. om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen ingetrokken.\n\nOp de zitting heeft de man ingetrokken zijn verzoek sub b. om aan hem het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te kennen, zijn verzoek sub e. om vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen kinderalimentatie, en zijn verzoek sub y. tot veroordeling van de vrouw tot betaling van haar aandeel in de maandpremies van de Dela Natura en Levensverzekeringen NV.\n\nDe vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om:\n\n1. de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:\n\n2. vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw;\n\n3. vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen:\n\n- in de oneven weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 19.00 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met vrijdagavond 19.00 uur bij de man verblijven en in de naar de rechtbank begrijpt even weken op donderdagmiddag uit school tot en met donderdagavond 19.00 uur en vrijdagmiddag uit school tot en met zondagavond 19.00 uur;\n\n- een deel van de vakantie- en feestdagen bij de man verblijven, waarvan maximaal twee aaneen in de zomervakantie;\n\n- de man de kinderen uit school ophaalt en hen naar de vrouw terugbrengt. Als er geen schooldag is (vakantie- en feestdagen) zal de vrouw de kinderen naar de man brengen en de man de kinderen terugbrengen naar de vrouw;\n\n4. vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 503,- per maand of wel 168,- per maand per kind, met ingang van de datum van de beschikking;\n\n6. vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform het voorstel van de vrouw:\n\n a. ten aanzien van de echtelijke koopwoning het zogenaamde spoorboekje hanteren:\n\ni. de vrouw stelt binnen een week na de zitting drie makelaars voor aan de man. De man zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nii. partijen zullen gezamenlijk aan de gekozen makelaar, uiterlijk drie weken na de zittingsdatum, de opdracht verstrekken om de woning te laten taxeren, waarbij alle omstandigheden, waaronder eventuele bouwplannen in de omgeving van de echtelijke woning, die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning, worden meegenomen. Bij het bepalen van de waarde wordt rekening gehouden met de subsidie-\u002Fterugkoopregeling als ook hoe dat is verantwoord in de taxatie. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen;\n\niii. de vrouw dient binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk aan te tonen dat zij in staat is de toebedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan haar te financieren door overname van de hypothecaire geldlening en de verpande polis bij Dela en hiervoor de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de vrouw daarin slaagt, zal de vrouw de woning aan haar toebedeeld krijgen, waarbij zij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde plus de waarde polis levensverzekering minus de hypothecaire geldlening) aan de man moet voldoen;\n\niv. de kosten in verband met de taxatie en toedeling van de echtelijke woning aan de vrouw dienen door partijen bij helfte te worden gedragen;\n\nv. slaagt de vrouw er niet in om de toebedeling van de woning aan haar te financieren, dan kan de man desgewenst de woning, onder diezelfde voorwaarden, overnemen dan wel zal die, zo de man dat niet kan of niet wil, door partijen te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.\n\nb. de kosten van de levering als ook de notariële akte met betrekking tot de woning wordt bij helfte wordt gedragen tussen partijen;\n\nc. de man moet met ingang van 16 februari 2024 voor de helft bijdragen in de aflossingen van de hypotheek bij Aegon ( [nummer 1] ). Die worden later nader berekend.\n\ne. de en\u002Fof rekening bij Knab bank [rekeningnummer 1] (en bijbehorend saldo) wordt aan de man toegedeeld onder verrekening van de saldi op de peildatum en hij dient de helft van dat bedrag aan de vrouw te betalen (credit), dan wel de vrouw dient aan hem de helft te betalen (debet);\n\nf. de rekening van de man bij ING Bank [rekeningnummer 2] (en bijbehorend saldo) wordt aan de man toegedeeld onder verrekening van het saldo op de peildatum en hij dient de helft van dat bedrag aan de vrouw te betalen (credit), dan wel de vrouw dient aan hem de helft te betalen (debet);\n\ng. de man dient een jaaroverzicht 2023 van de\u002Fzijn ING rekening aan de vrouw te verstrekken;\n\nh. de ABN AMRO rekening [rekeningnummer 3] (en bijbehorend saldo) wordt aan de vrouw toegedeeld onder verrekening van het saldo op de peildatum en zij dient de helft van dat bedrag aan de man te betalen (credit), dan wel de man dient aan haar de helft van dat bedrag te betalen (debet);\n\ni. de account en het saldo bij broker Bitvavo op de peildatum wordt aan de vrouw toegedeeld en met veroordeling van de vrouw om de helft van het saldo op 16 februari 2024 aan de man over te maken;\n\nj. de rechten en de plichten uit de leaseovereenkomst met betrekking tot de auto van de zaak worden aan de vrouw toegedeeld;\n\nk. voor recht te verklaren dat de huisraad en inboedel reeds is verdeeld;\n\n7. het meer of anders verzochte af te wijzen;\n\nmet uitvoerbaarverklaring bij voorraad.\n\nDe vrouw heeft op de zitting ingetrokken haar verzoek sub 5. om vaststelling van een door de man aan haar te betalen partneralimentatie en ook haar verzoek sub 6.d. om te bepalen dat de man moet voor de helft bijdragen in de kosten van de verzekering bij Dela Natura en Levensverzekeringen NV.\n\nDe man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.\n\nBeoordeling\n\nEchtscheiding\n\nOntvankelijkheid\n\nDe rechtbank constateert dat geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 tweede lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken is geformuleerd, heeft de rechtbank de bevoegdheid beide partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan niet kan worden overgelegd (artikel 815 zesde lid Rv).\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is uit de overgelegde stukken en wat is besproken op de zitting voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Daarom zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.\n\nInhoudelijke beoordeling\n\nPartijen hebben beiden gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding kunnen daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.\n\nAanhechten ouderschapsplan\n\nHet verzoek van de man om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten, zal de rechtbank afwijzen omdat er geen door beide partijen ondertekend ouderschapsplan is overgelegd.\n\nHoofdverblijf\n\nDe rechtbank zal het verzoek van de vrouw om het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet.\n\nVerdeling van de zorg- en opvoedingstaken\n\nReguliere zorgregeling\n\nOp de zitting is gebleken dat de ouders het gedeeltelijk met elkaar eens zijn over de invulling van de reguliere zorgregeling. Deze gedeeltelijke overeenstemming houdt in dat de kinderen bij de man zullen zijn de ene week van donderdag uit school tot vrijdagavond 19.00 uur en de andere week van donderdag uit school tot zondagavond 19.30 uur. Tussen partijen is in geschil gebleven of de kinderen al op woensdag na het eten naar de man kunnen gaan en bij hem blijven overnachten zoals de man wenst of dat op dit punt de regeling zoals die nu loopt gehandhaafd blijft, waar de vrouw voorstander van is.\n\nDe man stelt dat er geen redenen zijn waarom de kinderen niet al op woensdag naar hem toe kunnen komen, zij overnachten op andere momenten ook bij hem en bovendien hebben de kinderen zelf aangegeven een 50-50 regeling te willen.\n\nDe vrouw heeft aangevoerd dat zij, op de extra overnachting van donderdag op vrijdag na, zoveel mogelijk de huidige regeling wil handhaven omdat er nu rust en duidelijkheid is voor de kinderen en het goed met hen gaat. Daarbij speelt voor de vrouw ook mee dat de communicatie tussen haar en de man niet prettig verloopt en de kinderen als zij dat willen vaker van haar naar de man mogen gaan, maar zij dat in de praktijk niet doen. [minderjarige 1] heeft inderdaad aangegeven een 50-50 regeling te willen en deze wens is begrijpelijk in het kader van de loyaliteit die [minderjarige 1] voelt richting haar beide ouders, aldus de vrouw.\n\nDe rechtbank ziet geen redenen om de zorgregeling niet verder uit te breiden met de woensdag. Daarbij komt dat [minderjarige 1] heeft aangegeven dat zij graag een 50-50 regeling wil. De bezwaren die de vrouw heeft geuit maken het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderen bij de man zullen zijn de ene week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot vrijdagavondavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man) en de andere week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot zondagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man). Het meer of anders verzochte ten aanzien van de reguliere zorgregeling zal de rechtbank afwijzen.\n\nVakanties en feestdagen\n\nZomervakantie\n\nOp de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over de zomervakantie. Deze overeenstemming houdt in dat de kinderen het ene jaar de eerste drie aaneengesloten weken bij de man zullen zijn en laatste drie aaneengesloten weken bij de vrouw en dit het andere jaar andersom zal zijn. De rechtbank zal aldus beslissen.\n\nKerstvakantie\n\nHet verzoek van de man ten aanzien van de Kerstvakantie  in de even jaren zijn de kinderen gedurende de eerste week bij de man en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren is dit andersom  zal de rechtbank als niet weersproken toewijzen, nu zij deze regeling in het belang van de kinderen vindt. Over de feestdagen in deze vakantie wordt hieronder beslist.\n\nOverige vakanties en feestdagen\n\nDe man verzoekt om te bepalen dat de kinderen tijdens de overige vakanties en feestdagen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn, waarbij de man uitging van een week op week af regeling. De vrouw verzoekt om te bepalen dat de kinderen een deel van de vakanties en feestdagen bij de man zijn. Op de zitting heeft de vrouw te kennen gegeven dat zij de overige vakanties ook om het jaar zou willen verdelen.\n\n- Herfst- en voorjaarsvakantie\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank ten aanzien van de herfst- en voorjaarsvakantie bepalen dat de kinderen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de man zullen zijn en in de herfstvakantie bij de vrouw en in dat dit in de oneven jaren andersom zal zijn.\n\n- Meivakantie\n\nTen aanzien van de meivakantie zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zullen zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw, met dien verstande dat dit in de oneven jaren andersom zal zijn.\n\n- Kerstdagen en Oud en Nieuw\n\nOp de zitting is gebleken dat de ouders de afgelopen twee jaren tijdens de Kerstdagen en Oud en Nieuw in overleg aan een regeling uitvoering hebben gegeven waarbij de kinderen het ene jaar Kerstavond en eerste Kerstdag bij de ene ouder verblijven en tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de andere ouder en het andere jaar andersom. De rechtbank zal aldus beslissen nu zij deze regeling in het belang van de kinderen vindt.\n\n- Overige feestdagen\n\nTen aanzien van de overige feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de kinderen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn, zoals de man heeft verzocht en waar de vrouw geen verweer tegen heeft gevoerd.\n\nSport\n\nTen aanzien van de sportactiviteiten van de kinderen zal de rechtbank bepalen dat de ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling verblijven er zorg voor zal dragen dat de kinderen daaraan kunnen deelnemen.\n\nKinderalimentatie\n\nBij de vaststelling van de alimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.\n\nBehoefte\n\nDe rechtbank zal voor de behoefte van de kinderen uitgaan van de behoefte zoals is berekend in de voorlopige voorzieningenprocedure, te weten € 1.448,- per maand in 2023. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van deze berekening aangezien partijen in de onderhavige procedure geen andere inkomensgegevens hebben overgelegd. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.638,- per maand, of wel € 546,- per maand per kind.\n\nDe rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.\n\nDraagkracht vrouw\n\nDe rechtbank zal de (meest recente) draagkrachtberekening van de man als uitgangspunt nemen, nu de vrouw deze berekening, behoudens de inhoudingen die daar nog niet in zijn opgenomen, niet heeft betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 39.398,- (inclusief 8% vakantietoeslag).\n\nHet kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 50,88 per maand, zoals volgt uit de na de zitting door de vrouw overgelegde pro forma salarisstrook.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 3.719 per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nOmdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [3.719 – (1.116 + 1.310)] = € 905,- per maand.\n\nDraagkracht man\n\nDe rechtbank zal de (meest recente) draagkrachtberekening van de man als uitgangspunt nemen, nu de vrouw deze berekening, behoudens de opgevoerde advocaatkosten, niet betwist en met dien verstande dat als bruto jaarinkomen een bedrag van € 44.587,- in aanmerking genomen moet worden, zoals volgt uit de door de man overgelegde pro forma loonstrook en ook namens de man op de zitting is bevestigd.\n\nOp basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 3.005,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.\n\nDe man stelt dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden moet worden met een aflossing op een schuld van € 200,- per maand. Deze schuld ziet op de advocaatkosten van de man. Het gaat volgens de man om een niet vermijdbare en niet verwijtbare schuld die daarom aangemerkt dient te worden als noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting. De vrouw betwist dat rekening gehouden moet worden met de advocaatkosten van de man. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het om vermijdbare kosten gaat en ook dat er voldoende liquide middelen zijn om deze te betalen.\n\nDe rechtbank overweegt als volgt. Anders dan de vrouw die met een toevoeging procedeert maakt de man advocaatkosten. Deze kosten en de afbetalingsregeling zijn door de man onderbouwd en er is niet gebleken dat de man over spaargeld beschikt. De rechtbank acht de schuld bij de advocaat onvermijdbaar en niet verwijtbaar en zal daarom rekening houden met deze maandelijkse aflossing.\n\nOmdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. Rekening houdend met een correctie van € 200,- per maand, berekent de rechtbank de draagkracht van de man dan op: 70% x [3.005 – (902 + 1.310 + 200)] = € 415,- per maand.\n\nGezamenlijke draagkracht - tekort\n\nDe draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.320,- per maand (€ 905,- + € 415,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien.\n\nDe rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 318,- per maand.\n\nZorgkorting\n\nDe man maakt aanspraak op zorgkorting. Omdat de man gezien de te bepalen zorgregeling gemiddeld drie dagen per week de zorg zal hebben voor de kinderen, geldt een percentage van 35. De zorgkorting bedraagt dan € 573,- per maand ((35% van € 1.638,-).\n\nOmdat sprake is van een tekort van € 318,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 414,- per maand\n\n(€ 573,- -\u002F- € 159,-),\n\nHet aandeel van de man in de kosten van de kinderen bedraagt dan nihil (€ 415,- -\u002F- € 414,-.)\n\nConclusie\n\nGelet op het bovenstaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie afwijzen.\n\nVerdeling\n\nPartijen zijn gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] . Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen partnerschaps- of huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, moet gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (tekst tot 1 januari 2018) worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Uitgangspunt bij verdeling van deze gemeenschap is een verdeling tussen partijen bij helfte.\n\nPeildatum\n\nAnders dan op zitting besproken is de peildatum voor de bepaling van de omvang van de gemeenschap 16 februari 2024, dit is de datum van indiening van het verzoekschrift. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt de datum waarop de verdeling feitelijk wordt uitgevoerd, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken. Dit laatste is niet gesteld of gebleken.\n\nSamenstelling gemeenschap\n\nDoor partijen zijn de volgende vermogensbestanddelen genoemd die mogelijk in de verdeling betrokken dienen te worden:\n\nde echtelijke woning [adres] te [plaats 2] met de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] en de daaraan gekoppelde polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] ;\n\nde gezamenlijke en\u002Fof betaalrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] ;\n\nde betaalrekening ten name van de man bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] ;\n\nde betaalrekening ten name van de vrouw bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] ;\n\nde cryptoportefeuille bij Bitvavo;\n\nde auto Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] en de rechten en plichten uit de leaseovereenkomst;\n\nschuld uit geldlening bij mevrouw [naam 2] ten bedrage van € 8.485,74\n\nAd 1) Echtelijke woning en hypothecaire geldlening\n\nPartijen willen allebei de echtelijke woning toegedeeld krijgen. De Rechtbank kan dat begrijpen, te meer nu de zorg gelijkwaardig is verdeeld tussen de ouders en ieder dus regelmatig met de kinderen is, terwijl de alternatieven voor de koop van de echtelijke woning in de huidige woningmarkt niet voor het oprapen liggen. De rechtbank zal toch de echtelijk woning in eerste instantie aan de man toedelen. De man heeft aangevoerd dat de vrouw de financiële middelen niet heeft om de woning over te nemen en hij heeft gewezen op het tijdelijke arbeidscontract – voor zeven maanden – en de proeftijd die de vrouw heeft. De vrouw heeft ten aanzien van de financiering van de woning daar niets tegenover gesteld. De rechtbank heeft ook ambtshalve uit het dossier opgemaakt dat de kans dat de vrouw de woning kan kopen, nihil is. Er is een contract voor 7 maanden met een proeftijd, en er is niet gebleken dat er ergens spaargeld aanwezig is. De rechtbank begrijpt dat de vrouw de woning graag wil kopen, maar haar het eerste recht toekennen zou feitelijk neerkomen op een onnodige vertraging in de afhandeling van de verkoop van de woning. Beide partijen hebben baat bij financiële duidelijkheid en financiële zekerheid op een zo kort mogelijke termijn, zodat de rechtbank die vertraging wil voorkomen. Daarom beslist de rechtbank dat de man mag gaan uitzoeken of hij de woning kan overnemen. Als het de man niet lukt om de financiering rond te krijgen, moet de woning worden verkocht aan een derde.\n\nDe rechtbank zal de wijze van verdeling vaststellen volgens het in het dictum vermelde spoorboekje en daarbij het voorstel dat de vrouw heeft gedaan (sub 6 onder a en b van haar zelfstandig verzoek) volgen, met de volgende aanpassingen:\n\nstap i. wordt aangepast in die zin dat de man binnen een week na de zitting drie makelaars voorstelt aan de vrouw. De vrouw zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nstap ii. wordt aangepast in die zin dat de rechtbank nietopneemt: “Bij het bepalen van de waarde wordt rekening gehouden met de subsidie-\u002Fterugkoopregeling als ook hoe dat is verantwoord in de taxatie”.\n\nIn dit verband overweegt de rechtbank dat op de zitting is besproken dat partijen om de tafel moeten met de woningbouwvereniging in verband met de financiële afhandeling omdat er kennelijk uit de overwaarde nog een deel naar de woningbouwvereniging moet. Partijen moeten met de woningbouwvereniging afstemmen of de toedeling aan de man niet ook wordt gezien als een echte verkoop met een overwaarde;\n\nstap iii. wordt aangepast in die zin dat waar “vrouw” en “haar” staat dit aangepast wordt in “man” en “zijn” en waar “man” en “hem” staat dit wordt aangepast in “vrouw” en “haar;\n\nstap iv wordt aangepast in die zin dat waar “de vrouw” staat dit aangepast wordt in “de man”;\n\nstap v. wordt aangepast in die zin dat waar “vrouw” en “haar” staat dit aangepast wordt in “man” en “zijn en waar “man” en “hem” staat dit wordt aangepast in “vrouw” en “haar” en dat de rechtbank vervolgens in plaats van: “dan kan de vrouw desgewenst de woning, onder diezelfde voorwaarden, overnemen dan wel zal die, zo de vrouw dat niet kan of niet wil, door partijen te koop worden aangeboden” opnemen: “dan zal de woning door partijen aan een derde te koop worden aangeboden”;\n\nOp de zitting is naar voren gekomen dat niet duidelijk is of de polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] nog bestaat. De polis zal daarom onder die voorwaarde aan de man worden toegedeeld.\n\nAd 2) tot en met 4) bankrekeningen\n\nPartijen zijn het erover eens dat:\n\n- de gezamenlijke bankrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] moet worden opgeheven voor zover dat nog niet is gedaan waarbij het saldo tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld dan wel het tekort door partijen ieder voor de helft zal worden aangezuiverd;\n\nde op naam van de man staande bankrekening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] aan de man zal worden toegedeeld onder de verplichting voor de man om de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het tekort per de peildatum aan de man te betalen;\n\nde op naam van de vrouw staande bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] aan de vrouw zal worden toegedeeld onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo op de peildatum aan de man te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de man om de helft van het tekort per de peildatum aan de vrouw te betalen.\n\nDe rechtbank ziet verder aanleiding om de vrouw een dwangsom op te leggen voor wat betreft het verstrekken aan de man van een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening per 16 februari 2024 blijkt, zoals door de man is verzocht. De rechtbank overweegt hiertoe dat gebleken is dat de vrouw dit nu al heel lang laat liggen. Wel zal de rechtbank de dwangsom pas veertien dagen na de datum van deze beschikking in laten gaan en deze matigen naar € 25,- per dag dat de vrouw hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-.\n\nAd 5) de cryptoportefeuille bij Bitvavo;\n\nPartijen zijn het erover eens dat de cryptoportefeuille bij Bitvavo aan de vrouw wordt toegedeeld voor de waarde per 1 januari 2024, zijnde € 169,37, onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 84,69 aan de man te betalen.\n\nAd 6) auto\n\nOp de zitting is gebleken dat de vrouw de leaseauto ingeleverd heeft omdat zij inmiddels een andere baan heeft. Partijen zijn het erover eens dat alle uit de leaseovereenkomst voortkomende opbrengsten aan de vrouw worden toegedeeld onder de verplichting voor de vrouw alle uit de leaseovereenkomst voortkomende verplichtingen voor haar rekening te nemen.\n\nAd 7) schuld aan mevrouw [naam 2]\n\nDe man stelt dat partijen op 23 december 2017 een rentevrije geldlening hebben afgesloten ten bedrage van € 8.485,74 bij zijn moeder en dat hierop nog niet is afgelost. De man onderbouwt dit met een kopie van de overeenkomst, waarbij hij ter zitting een volgens hem origineel document heeft laten zien. De man onderbouwt met een aanvullende schriftelijke verklaring van zijn moeder dat de schuld nog volledig open staat.\n\nVolgens de vrouw is er een schuld maar gaat het om een lager bedrag, was deze aan de moeder en de vader van de man en is er op afgelost. De vrouw betwist de authenticiteit van de overgelegde overeenkomst en de geldigheid van de verklaring van de moeder van de man.\n\nDe rechtbank overweegt dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW.\n\nIn de onderlinge verhouding tussen de echtgenoten geldt op grond van artikel 1:100 BW het volgende. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.\n\nDe man en de vrouw hebben uiteenlopende opvattingen over het bestaan van de gestelde schuld. Voorop staat dat de beoordeling van de vraag of een derde een vordering heeft op de gemeenschap niet past in deze procedure die (mede) strekt tot verdeling in het kader van de echtscheiding. Het is aan de beweerde schuldeiser om (één van) de echtgenoten tot betaling aan te spreken, waarna het aan de aangesproken partij(en) is om de vordering te erkennen of betwisten en daarover zo nodig te procederen. Voor wat betreft de bijdrageplicht in hun onderlinge verhouding gelden de wettelijke uitgangspunten van artikel 1:100 en artikel 6:10 en volgende BW.\n\nInboedel – verklaring voor recht\n\nDe vrouw heeft verzocht om voor recht te verklaren dat de inboedel en huisraad al zijn verdeeld. Op de zitting is gebleken dat de inboedel en huisraad nog niet is verdeeld. De rechtbank zal daarom dit verzoek afwijzen.\n\nGebruiksvergoeding\n\nDe man heeft een gebruiksvergoeding voor de woning ten laste van de vrouw verzocht per de datum van ontbinding van het huwelijk van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”. De vrouw heeft op de zitting met dit verzoek van de man ingestemd, zodat dit verzoek als niet weersproken kan worden toegewezen.\n\nVordering man ter zake van hypotheekrente echtelijke woning\n\nDe man stelt dat hij de rente en aflossing voor de hypotheek betaalt en dat hij dat zal blijven doen tot de overdracht van de woning aan hem en dat hij daarom over de periode 16 februari 2024 tot aan de dag van de goederenrechtelijke overdracht van het onverdeelde aandeel van de vrouw in de woning aan hem, een vordering op haar van heeft van (€ 782,83 \u002F 2 =) € 391,42 per maand. De man onderbouwt zijn stelling met productie 23 waarin de in 2023 betaalde rente en aflossingen staan vermeld ((betaalde rente in 2023 € 5.347,46 + betaalde aflossingen in 2023 € 4.046,54). De vrouw heeft niet betwist dat zij de helft van de hypotheeklasten dient te dragen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man toewijzen en bepalen dat de vrouw over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning.\n\nRegresvorderingen man\n\nDe man stelt dat hij na de peildatum de volgende gemeenschappelijke schulden heeft voldaan:\n\nCrediteur\n\nBedrag voldaan\n\nDatum van betaling\n\nAard van de schuld\n\n1.\n\n2Divorce\u002FZorgeloosch BV\n\n€ 1.100,-\n\n26-02-2024 en 27-03-2024\n\nScheidingsbemiddeling ouderschapsplan en griffiekosten\n\n2.\n\nBelastingdienst\n\n€ 979,-\n\n07-11-2024\n\nInkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekering 2024\n\n3.\n\nBelastingsamenwerking Gouwe-Rijnland\n\n€ 2.078,-\n\nDiv. 2024-2025\n\nGemeentelijke belastingen en waterschapsbelastingen\n\n4.\n\nGGN Mastering Credit BV\n\n€ 304,97\n\n30-05-2024\n\nVattenfall incasso nutsvoorzieningen\n\n5.\n\nLAVG Gerechtsdeurwaarders BV\n\n€ 1.590,23\n\n10-05-2024\n\nZorg en Zekerheid premieachterstanden\n\n6.\n\n [crediteur]\n\n€ 995,54\n\n05-09-2025\n\nStichting Floreokids vordering\n\n7.\n\nZorg en Zekerheid UA\n\n€ 502,86\n\n10-05-2024\n\nZorgverzekeringpremies en eigen risico\n\n8.\n\nAEGON Nederland NV\n\n€ 4.824,55\n\n12-03-2024 tot en met 03-06-2024\n\nHypotheekrente en aflossing\n\nAd 1) mediation\n\nDe man stelt dat er sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 1.100,- die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen.\n\nDe vrouw stelt dat man de kosten voor het mediationtraject voor zijn rekening heeft genomen en dat dit blijkt uit een Whatsapp bericht van de man aan haar. De rechtbank stelt vast dat de vrouw het Whatsapp bericht niet heeft overgelegd. Nu de man zijn verzoek met facturen heeft onderbouwd en het gangbaar is dat de kosten worden gedeeld, had het op de weg van de vrouw gelegen om te onderbouwen dat de man de volledige rekening zou betalen. Dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 550,- aan de man moet betalen.\n\nAd 2) Inkomstenbelasting 2024\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 979,- die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw betwist dat sprake is van een gezamenlijke schuld omdat de betaling ziet op het hele jaar 2024. De rechtbank overweegt dat uit productie 27 van de man blijkt dat het inderdaad om het jaar\u002Ftijdvak 2024 gaat. Omdat de peildatum 16 februari 2024 is, komt een bedrag van € 112,96 (6\u002F52e gedeelte van € 979,-) voor rekening van partijen samen. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 56,48 aan de man moet betalen.\n\nAd 3) Gemeentelijke- en waterschapsbelastingen\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 2.078,73 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 1.039,37 aan de man moet betalen.\n\nAd 4) Vattenfall\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 304,97 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 152,49 aan de man moet betalen.\n\nAd 5) Zorg en Zekerheid premie achterstanden\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 1.590,23 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit in de onderlinge verhouding te verdelen. Volgens de vrouw gaat het om een privéschuld van de man en zijn de kosten hoger geworden omdat de man de premies te laat heeft betaald, wat ook voor zijn rekening dient te komen.\n\nDe rechtbank overweegt dat de man deze schuld, de incassokosten en het tijdvak heeft onderbouwd in productie 30. Deze kosten kunnen om die reden worden aangemerkt als schuld van de gemeenschap. Voor zover de vrouw bedoelt te stellen dat de schuld verknocht is aan de man, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen en dat heeft zij niet gedaan. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 795,12 aan de man moet betalen.\n\nAd 6) Floreokids\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 995,54 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw heeft ingestemd met dit verzoek van de man. Dit betekent dat de vrouw een bedrag van € 497,77 aan de man moet betalen.\n\nAd 7) Zorgverzekeringpremies en eigen risico\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 502,86 die hij heeft betaald. Hij verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. Volgens de vrouw gaat het om een schuld van de man van na de peildatum en gaat het hier dus niet om een schuld van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank overweegt dat uit de producties 30 en 31 blijkt dat het door de man opgevoerde bedrag uit twee delen bestaat. Het eerste deel bedraagt € 133,86 en dat gaat over drie declaraties van Zorg en Zekerheid. Nergens blijkt uit van wanneer die declaraties zijn. In het kader van de betwisting door de vrouw had het op de weg van de man gelegen om te onderbouwen dat de declaraties betrekking hebben op de periode vóór de peildatum en dat heeft hij niet gedaan. Het tweede deel bedraagt € 369,- en gaat over premies die op 1 april 2024 hadden moeten worden betaald en is van na de peildatum. Er is dus geen sprake van een vordering van de man op de vrouw. De rechtbank wijst het verzoek van de man op dit punt daarom af.\n\nAd 8) Hypotheekrente en aflossing\n\nDe man stelt dat sprake is van een gezamenlijke schuld ten bedrage van € 4.824,55  het gaat om hypotheekrente en aflossing in de periode 12 maart 2024 tot en met 3 juni 2024 dan wel 9 september 2024  die hij heeft betaald. De man verzoekt nu dit bedrag in de onderlinge verhouding te verdelen. De vrouw verweert zich hier tegen. De rechtbank verwijst naar hetgeen hierboven is bepaald ten aanzien van het verzoek van de man onder het kopje “Vordering man ter zake van hypotheekrente echtelijke woning”. Nu de vrouw met ingang van de peildatum moet meebetalen aan de betalingen van de rente en aflossing betreffende de hypotheek, zal de rechtbank het verzoek om de hier vermelde schuld in de onderlinge verhouding te verdelen, afwijzen. Immers zou de vrouw anders in 2024 een aantal maanden dubbele lasten betalen.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de man een regresrecht heeft op de vrouw ten bedrage van in totaal € 3.091,23.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n*\n\nspreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2013 te [plaats 1] ;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige kinderen:\n\n [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats] ;\n\n [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats] ;\n\nde hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;\n\n*\n\nbepaalt dat de minderjarige kinderen bij de man zullen zijn:\n\nde ene week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot vrijdagavondavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man);\n\nde andere week van woensdagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de vrouw) tot zondagavond 19.30 uur (nadat zij gegeten hebben bij de man);\n\nen dat de volgende regeling voor de vakanties en feestdagen zal gelden:\n\nzomervakantie\n\n- de kinderen zullen het ene jaar de eerste drie aaneengesloten weken bij de man zijn en de laatste drie aaneengesloten weken bij de vrouw en het andere jaar zal dit andersom zijn;Kerstvakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;herfst- en voorjaarsvakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren in de voorjaarsvakantie bij de man zijn en in de herfstvakantie bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;meivakantie\n\n- de kinderen zullen in de even jaren gedurende de eerste week bij de man zijn en gedurende de tweede week bij de vrouw en in de oneven jaren andersom;Kerstdagen en Oud en Nieuw\n\n- de kinderen zullen het ene jaar Kerstavond en eerste Kerstdag bij de ene ouder verblijven en tweede Kerstdag en Oud en Nieuw bij de andere ouder en het andere jaar andersom;\n\noverige feestdagen\n\n- de kinderen zullen bij de ouder verblijven waar zij volgens de reguliere zorgregeling zijn;\n\nen bepaalt ten aanzien van de sportactiviteiten van de kinderen dat ouder bij wie de kinderen volgens de reguliere zorgregeling verblijven er zorg voor zal dragen dat de kinderen daaraan kunnen deelnemen;\n\n*\n\nstelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:\n\nmet betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening bij Aegon Hypotheken BV met nummer [nummer 1] en de daaraan nog gekoppelde polis van Levensverzekering bij Dela Natura Levensverzekering met polisnummer [nummer 2] voor zover deze polis nog bestaat:\n\na. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:\n\ni. de man stelt binnen een week na de zitting drie makelaars voor aan de vrouw. De vrouw zal uit die drie een makelaar kiezen die de woning zal gaan taxeren;\n\nii. partijen zullen gezamenlijk aan de gekozen makelaar, uiterlijk drie weken na de zittingsdatum, de opdracht verstrekken om de woning te laten taxeren, waarbij alle omstandigheden, waaronder eventuele bouwplannen in de omgeving van de echtelijke woning, die volgens de taxateur van belang zijn voor de waardering van de woning, worden meegenomen. Deze taxatie van de makelaar is bindend tussen partijen; partijen zullen om de tafel gaan met de woningbouwvereniging in verband met de financiële afhandeling omdat er kennelijk uit de overwaarde nog een deel naar de woningbouwvereniging moet. Partijen zullen met de woningbouwvereniging afstemmen of de toedeling aan de man niet ook wordt gezien als een echte verkoop met een overwaarde;\n\niii. de man dient binnen vier maanden na ontbinding van het huwelijk aan te tonen dat hij in staat is de toebedeling van de echtelijke woning tegen de getaxeerde waarde aan hem te financieren door overname van de hypothecaire geldlening en de verpande polis bij Dela (voor zover deze polis nog bestaat) en hiervoor de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan. Indien de man daarin slaagt, zal de man de woning aan hem toebedeeld krijgen, waarbij hij de helft van de overwaarde van de echtelijke woning (de overwaarde is: de taxatiewaarde plus de waarde polis levensverzekering (voor zover deze nog bestaat) minus de hypothecaire geldlening) aan de vrouw moet voldoen;\n\niv. de kosten in verband met de taxatie en toedeling van de echtelijke woning aan de man dienen door partijen bij helfte te worden gedragen;\n\nv. slaagt de man er niet in om de toebedeling van de woning aan hem te financieren, dan zal de woning door partijen aan een derde te koop worden aangeboden via de makelaar die voormelde taxatie heeft verricht. De aanwijzingen van deze makelaar zullen voor partijen leidend zijn voor het bepalen van de vraag- en laatprijs van de woning. Alle verkoopkosten, waaronder de kosten voor de makelaar, zullen eerst van de opbrengst worden voldaan. Partijen zijn vervolgens ieder voor de helft gerechtigd tot de resterende overwaarde.\n\n de kosten van de levering als ook de notariële akte met betrekking tot de woning worden bij helfte gedragen tussen partijen;\n\nde gezamenlijke bankrekening bij KNAB met nummer [rekeningnummer 1] zal worden opgeheven voor zover dat nog niet is gedaan, waarbij het saldo tussen partijen bij helfte zal worden gedeeld dan wel het tekort door partijen ieder voor de helft zal worden aangezuiverd;\n\naan de man wordt toegedeeld:\n\n- de op naam van de man staande bankrekening bij ING Bank met nummer [rekeningnummer 2] onder de verplichting voor de man om de helft van het saldo op de peildatum aan de vrouw te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het tekort per de peildatum aan de man te betalen;\n\naan de vrouw worden toegedeeld:\n\nde op naam van de vrouw staande bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] onder de verplichting voor de vrouw om de helft van het saldo op de peildatum aan de man te betalen, dan wel bij een negatief saldo onder de verplichting voor de man om de helft van het tekort per de peildatum aan de vrouw te betalen;\n\nde cryptoportefeuille bij Bitvavo voor de waarde per 1 januari 2024, zijnde € 69,37 onder de verplichting voor de vrouw om de helft van die waarde, zijnde een bedrag van € 84,69 aan de man te betalen;\n\nalle uit de leaseovereenkomst betreffende de auto Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] voor de voortkomende opbrengsten, onder de verplichting voor de vrouw alle uit de leaseovereenkomst voortkomende verplichtingen voor haar rekening te nemen;\n\nbepaalt dat de vrouw binnen twee weken na de datum van deze beschikking een bankafschrift waaruit het saldo van haar bankrekening bij ABNAMRO Bank met nummer [rekeningnummer 3] per 16 februari 2024 blijkt aan de man dient te verstrekken, bij gebreke waarvan zij een dwangsom verschuldigd zal zijn van € 25,- per dag dat zij hier geen uitvoering aan geeft, met een maximum van € 500,-;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw, zolang zij in de echtelijke woning verblijft, vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk, een gebruiksvergoeding aan de man voldoet van 1,96% per maand van de helft van de nog vast te stellen overwaarde van de woning conform de zogenoemde “Hof-formule”;\n\n*\n\nbepaalt dat de vrouw betreffende de betaling van de rente en de aflossing van de hypotheek over de periode 16 februari 2024 tot en met 16 november 2025 een bedrag van € 8.219,82 (= 21x 391,42) aan de man moet betalen en met ingang van 16 november 2025 maandelijks een bedrag van € 391,42 aan de man moet betalen tot aan de dag van de overdracht van de woning;\n\n*\n\nbepaalt dat de man een regresvordering heeft op de vrouw in totaal ten bedrage van € 3.091,23;\n\n*\n\nverklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;\n\n*\n\nwijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 november 2025.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:21478","ecli-nl-rbdha-2025-21478",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]