[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-17582":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-17582":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"643","ECLI:NL:RBDHA:2026:17582","",58,"Den Haag","den-haag","2026-02-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nEiV\u002FDN\u002Fc\n\nRep.nr.: 11571615 RP VERZ 25-50147\n\n19 februari 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter in de zaak van:\n\n [verzoeker] ,wonende te [woonplaats] , verzoeker,\n\nhierna: [verzoeker] , gemachtigde: mr. F.A.M. van Bree,\n\ntegen\n\nHet Sultanaat Oman, in het bijzonder zijnMinisterie van Buitenlandse Zaken,\n\ngevestigd te Muscat (Oman), verweerder,\n\nhierna: Oman, gemachtigde: mr. R.M. Berendsen.1. Procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nhet verzoekschrift van 4 maart 2025 met producties 1 t\u002Fm 22;\n\nde brief van de zijde van [verzoeker] van 29 april 2025 met een vertaling van de Arabische producties;\n\nhet verweerschrift met één productie;\n\nde pleitnotitie van de zijde van [verzoeker] .\n\n1.2.. Op 20 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is gelijktijdig behandeld met de dagvaardingsprocedure onder nummer 11613769 RL EXPL 25-5453. Op de mondelinge behandeling is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Namens Oman is de heer [naam 1] (vertegenwoordiger Economische Zaken) verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde en mr. S.W.S. Blom. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.\n\n1.3.. Tot slot is de uitspraak van deze beschikking (nader) bepaald op vandaag.2. Feiten\n\n2.1.. \n [verzoeker] is vanaf 3 april 1991 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst geweest van de ambassade van Oman te Den Haag in de functie van vertaler. Het salaris bedroeg laatstelijk € 8.137,34 bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.\n\n2.2.. De oorspronkelijke arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 bevat in artikel 9 een contractuele beëindigingsvergoeding. De contractuele beëindigingsvergoeding is met de lokale medewerkers van Oman overeengekomen als extra arbeidsvoorwaarde omdat Oman geen pensioenregeling in stand hield voor zijn werknemers in Nederland. Artikel 9 onder a. en b. luidt als volgt (van Arabisch vertaald naar het Engels):\n\n9. On termination of service employee shall be entitled to compensation as follows:\n\nHalf a months salary for each year of the first five years of actual service.\n\nOne months salary for each year of service but not to exceed year and a half (18 months). Compensation is calculated on basis of salary for last month employee worked.\n\n2.3.. In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 september 2007 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nMet betrekking tot de correspondentie over de invoering van het Sociale Verzekeringsregeling voor lokale werknemers en medewerkers van de ambassade, delen wij u mee dat het ministerie heeft ingestemd met de invoering van het zogenoemde “dertiende maandsalaris”.\n\nDit wordt aan lokale werknemers en medewerkers aan het einde van elk jaar uitgekeerd als\n\nalternatief voor de “einde-diensttijdbeloning”.\n\nDe einde-diensttijdbeloning wordt aan alle werknemers uitbetaald over de voorgaande\n\ndienstperiode en de huidige arbeidsovereenkomsten worden beëindigd.\n\nNieuwe arbeidsovereenkomsten worden opgesteld in samenwerking met de afdeling\n\nPersoneelszaken en de Juridische Dienst. Deze afdeling dient op de hoogte te worden gesteld van de kosten van dc eindedienstuitkering, zodat deze na een verzoek om maandelijkse betaling aan de ambassade kunnen worden overgemaakt.\n\n2.4.. \n\nOp 23 november 2007 heeft Oman aan de werknemers van de ambassade vervolgens het volgende medegedeeld (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nWij willen u graag informeren dat de ambassade bezig is met de invoering van het dertiende maandsalaris, waarbij de eindediensttijdbeloning wordt vervangen door het dertiende maandsalaris.\n\nDaarom delen wij u mede dat uw huidige dienstverband op 31 december 2007 wordt beëindigd. Daarmee wordt uw huidige arbeidsovereenkomst voortijdig stopgezet, en worden uw financiële rechten – namelijk de eindediensttijdbeloning (vertrekvergoeding) van de voorgaande jaren en een contante vergoeding voor uw opgebouwde verlofsaldo tot en met 31 december 2007 – aan u uitbetaald.\n\nU wordt aansluitend opnieuw geplaatst bij de ambassade in dezelfde functie, met behoud van uw huidige salaris en toelagen. Per 1 januari 2008 zal hiervoor een nieuwe arbeidsovereenkomst worden aangegaan.\n\n2.5.. Oman heeft eind 2007 aan [verzoeker] een eenmalige uitkering gedaan ter hoogte van 14,5 maandsalarissen. In 2008 heeft [verzoeker] een dertiende maand ontvangen.\n\n2.6.. Op 1 juni 2009 hebben partijen een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten. Deze arbeidsovereenkomst bevat geen contractuele beëindigingsvergoeding en geen recht op een dertiende maandsalaris, en bevat in artikel 1 onder b de volgende bepaling:\n\nThe Second Party is entitled to vacation allowance which is 8% of his\u002Fher salary. The vacation allowance will be paid with the salary of the month May of each year.2.7.. In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 23 juni 2009 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nMet verwijzing naar ambassadememorandum nr. 421 van 15 juni 2009, betreffende de\n\nimplementatie van het socialezekerheidsstelsel voor werknemers en arbeiders per 1 juni 2009 wil het ministerie u graag het volgende meedelen:\n\n1 - Het ministerie heeft een kopie van het nieuwe contract naar de juridische afdeling gestuurd voor juridisch advies. De Juridische afdeling verklaarde dat er geen juridische bezwaren zijn, zolang de contractvoorwaarden volledig in overeenstemming zijn met de Nederlandse lokale wet- en regelgeving, en dat de Omaanse ambassade beter bekend is met deze wet- en regelgeving (een kopie van het memorandum van de juridische afdeling is bijgevoegd).\n\n2 - Aangezien het huidige contract per 1 juni 2009 wordt vervangen door een nieuw contract, conform de Nederlandse wet- en regelgeving, dienen de diensten van medewerkers die onder dit systeem vallen, te worden beëindigd met ingang van 31 mei 2009, als einddatum van het huidige contract.\n\n3 - “De einde-diensttijdbeloning” wordt uitbetaald op basis van het dertiende salaris over de\n\nperiode van 01 januari 2009 tot en met 31 mei 2009.\n\n(…)\n\n2.8.. In een document afkomstig van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 augustus 2017 aan de ambassade staat het volgende (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nVerwijzend naar ambassadememorandum nr. (314) van 09 augustus 2017, waarin\n\nverduidelijkingen zijn opgenomen met betrekking tot de opmerkingen van het ministerie over de concept-arbeidsovereenkomst voor lokale werknemers, die is aangepast aan de Nederlandse arbeidswetgeving.\n\nHet ministerie wil u het volgende meedelen:\n\n1. Het is het eens met de punten in het memorandum van de ambassadeur, mits deze voldoen aan de Nederlandse wetgeving.\n\n2. Er moeten twee contracten worden opgesteld: één voor bestaande lokale werknemers\n\nen één voor nieuwe werknemers (met vermelding van vakantie, zwangerschapsverlof en\n\ncontractduur).\n\n3. Verstrek het ministerie, indien mogelijk, de wettelijke bepalingen die de werkzaamheden\n\nvan lokale werknemers reguleren, voor zover deze in overeenstemming zijn met de\n\nNederlandse arbeidswetgeving.\n\n4. (…)\n\n5. Overgangsvergoeding: Graag nadere toelichting. In het antwoord werd aangegeven dat de\n\nkwestie van toepassing was van 2015 tot en met 2020, terwijl elders werd aangegeven dat deze in behandeling is bij het parlement.\n\nEr is sprake van een overlapping tussen de “overgangsvergoeding” en de “einde-\n\nDiensttijdbeloning”. De verwijzing op pagina 3, in de laatste alinea, vermeldt dat indien het\n\ncontract op verzoek van de werkgever wordt beëindigd om een andere reden dan een noodgeval of vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, de werknemer recht heeft op een “einde-diensttijdbeloning” en tegelijkertijd op een overgangsvergoeding. Dit is in tegenspraak met artikel 12.2 van het conceptcontract, waarin staat: “Dit artikel is niet van toepassing op een werknemer die de pensioengerechtigde leeftijd in Nederland heeft bereikt.\n\n6. Hoe verplicht is de overgangsvergoeding?\n\n7. Hoe wordt de einde-diensttijdbeloning berekend volgens het Nederlandse recht die in de\n\narbeidsvoorwaarden wordt opgenomcn?\n\n8. (…)\n\nBestudeer daarom de opmerkingen en stel het contract volledig op in overeenstemming met\n\ndeze, en stuur het vervolgens zo snel mogelijk naar het ministerie.\n\n2.9.. Op 1 november 2021 heeft een groep van werknemers van de ambassade een brief gestuurd aan de ambassadeur van Oman, waarin zij onder meer het volgende schrijven:\n\nMet deze brief verzoeken wij Uwe Excellentie om de juridische status van onze\n\narbeidsovereenkomsten als lokale medewerkers bij de ambassade te verduidelijken, vooral\n\nomdat sommigen van ons de wettelijke pensioenleeftijd naderen en de status van onze\n\narbeidscontracten en uitkeringen aan het einde van het dienstverband voor ons onduidelijk\n\nblijft. We vragen al lange tijd om deze situatie aan te pakken.\n\nOm het u gemakkelijker te maken, presenteren wij u hieronder een vereenvoudigde uitleg van\n\nde huidige stand van zaken van ons werk op de ambassade met betrekking tot\n\narbeidsovereenkomsten, vanaf 2008, het jaar waarin de contractstatus veranderde, tot nu.\n\n1. In 2007 werden wij schriftelijk door het toenmalige Hoofd Financiële Administratie van de\n\nambassade op de hoogte gesteld van het voornemen van de ambassade om ons op te nemen in\n\nhet Nederlandse belastingstelsel, om nieuwe arbeidsovereenkomsten aan te gaan ter\n\nvervanging van de oude en om de einde-diensttijdbeloning te vervangen door het dertiende\n\nsalarissysteem, dat aan het einde van elk jaar wordt uitbetaald.\n\n2. De nieuwe arbeidsovereenkomsten werden in 2009 opgesteld en naar de Nederlandse\n\nbelastingaccountant van de ambassade gestuurd. Deze heeft de contracten aan de ambassade\n\nterug gestuurd en haar schriftelijk via een officiële brief nr. (7947\u002F701 D) van 09 november\n\n2009 laten weten dat enkele clausules in dc overeenkomst niet in overeenstemming waren met\n\nhet Nederlands recht. De accountant deed aanbevelingen over de vorm van deze posten,\n\nwaaronder de wijze van beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer en de wet op\n\nhet ziekteverlof. Naar aanleiding van deze brief heeft de ambassade kopieën van de contracten\n\nvan de medewerkers ingetrokken, zodat er nieuwe contracten konden worden opgesteld die aan\n\nde Nederlandse wet voldoen. Maar zoals later bleek, bewaarde ze een kopie in haar\n\npersoneelsdossier.\n\n3. Er vond een aantal correspondentie plaats tussen de ambassade en het Omaanse ministerie\n\nvan Buitenlandse Zaken over het opstellen van een arbeidsovereenkomst conform Nederlands\n\nrecht, zoals aanbevolen door de accountant. Deze correspondentie resulteerde begin 2017 in de\n\ngoedkeuring van het ministerie om een Nederlands advocatenkantoor te machtigen uitsluitend\n\njuridische arbeidsovereenkomsten op te stellen, zonder verdere juridische diensten in dit\n\nverband aan te vragen.\n\n4. Op basis hiervan sloot de ambassade in 2017 een contract met Russel Advocaten, een\n\ngerenommeerd advocatenkantoor in Amsterdam, dat de overeenkomst opstelde. Vervolgens\n\nvond er een ronde van discussie, overleg, navraag, uitleg en wijzigingen plaats met betrekking\n\ntot de context en voorwaarden van het contract, zonder af te wijken van de oorspronkelijke\n\ntekst, via correspondentie (waarvan kopieën beschikbaar zijn tussen de ambassade, het\n\nministerie en het advocatenkantoor). Het ministerie verzocht bovendien om overlegging van de Nederlandse wetgeving waarop het contract was gebaseerd en om vertaling van de relevante teksten in het Arabisch. Dit is gebeurd. Eind 2018 was een definitieve versie van de contracten bereikt. Er werden twee versies\n\nopgesteld: één voor huidige medewerkers die hun dienstverband voortzetten en één voor\n\neventuele toekomstige nieuwe medewerkers.\n\n5. Zijne Excellentie Ambassadeur [ambassadeur] ,\n\ndestijds de ambassadeur van het Sultanaat in Den Haag, overhandigde in september2019\n\nkopieën van deze contracten aan de Adviseur, dhr. [naam 2] , de zaakgelastigde\n\ndie hem opvolgde, om de zaak verder te onderzoeken. Dhr. [naam 2] stuurde de contracten\n\nvervolgens terug naar het ministerie en vroeg of ze goedgekeurd konden worden ter\n\nondertekening.\n\n6. Gezien het bovenstaande en de aanhoudende onzekerheid sinds 2009 tot nu hebben\n\nwerknemers te maken gehad met psychische stoornissen en angsten in die mate dat het\n\nhun mentale en praktische activiteiten heeft beïnvloed. Sinds 2009 hebben ze namelijk\n\nhet dertiende salaris niet ontvangen dat hen schriftelijk was beloofd als alternatief voor\n\nde eindedienstregeling. Bovendien zijn er geen nieuwe contracten afgesloten waarin de\n\neinde-diensttijdbeloning, het dertiende salaris of het pensioenstelsel zijn vastgelegd,\n\nevenals eventuele contractuele rechten of wettelijke aanspraken bij het bereiken van de\n\npensioengerechtigde leeftijd bij beëindiging van de dienstbetrekking.\n\n7. Ik verzoek u daarom vriendelijk de bevoegde autoriteiten van het geachte ministerie opdracht\n\nte geven deze kwestie op te lossen en een einde te maken aan de psychologische druk en\n\nonzekerheid over de toekomst van hun werk bij de ambassade — een situatie die al twaalf jaar\n\nvoortduurt door arbeidsovereenkomsten te sluiten waarin hun rechten zijn vastgelegd,\n\nwaaronder het recht op een dertiende maand en een eind-diensttijdbeloning.\n\n2.10.. In een verzameldocument met het onderwerp ‘Aanpak van de situatie van lokaal personeel bij de ambassade van het Sultanaat in Den Haag worden de volgende relevante stukken genoemd (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\nOpmerking\n\nBron van Opmerking\n\nDatum\n\nAan het hoofd van de afdeling\n\nTer beoordeling en begeleiding\n\nDe ambassade stelt dat alle medewerkers van wie de contracten moeten worden gewijzigd conform Nederlands recht geen bezwaar hebben tegen de voorlopige berekening van beëindiging van de bestaande contracten.\n\n(…)\n\n1809, Financiële afdeling,\n\nMissies begrotingsbureau\n\n03-07-2022\n\n09:51:50 uur\n\nAan: Afdeling Financiën\u002FInterne Audit\u002FAmbassade van het Sultanaat in Den Haag\n\nTer informatie zoals hierboven vermeld, zin de bijgevoegde bedragen een voorlopige schatting en kunnen ze worden gewijzigd basis van de datum van beëindiging van het dienstverband (…)\n\nWij verzoeken de ambassade daarom de lokale medewerkers op de hoogte te stellen van de kwestie, hun initiële goedkeuring te verkrijgen en, indien zij akkoord gaan, de bijgevoegde verklaring te ondertekenen. Vervolgens overleggen we met een advocaat om een overeenkomst met de werknemers op te stellen, en hun situatie juridisch te regelen.\n\n1685, Afdeling Personeelszaken, Bureau Lokaal Personeel in Missies\n\n16-06-2022\n\n16:06:25\n\nAan de Ambassade van het Sultanaat Oman in Den Haag\n\nWij bevestigen hierbij de kosten met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten van lokale\n\nmedewerkers. Wij verzoeken u de betreffende medewerkers te informeren en hun voorlopige instemming\n\nte verkrijgen met de beëindiging van hun contract op\n\nbasis van de vermelde bedragen. Houd er rekening mee dat\n\nde berekeningen zijn gebaseerd op de situatie per 31 mei\n\n2022.\n\n(…)\n\nWij verzoeken u de nodige stappen te ondernemen in\n\noverleg met de lokale medewerkers en in aanwezigheid\n\nvan de advocaat van de ambassade tot het bereiken van\n\neen overeenkomst. Dit ter afronding van de juridische\n\nprocedures, het afsluiten van nieuwe arbeidsovereenkomsten en het correct rapporteren van het\n\nvolledige salaris aan de bevoegde autoriteiten.\n\n1685, Afdeling Personeelszaken, Bureau Lokaal Personeel in Missies\n\n24-05-2022\n\n14:46:05 uur\n\n2.11.. \n\nIn een overzicht van 12 mei 2022 ‘Voorbereid door de eerste secretaris van de ambassade Abeer Al Siyabi’ wordt de eindediensttijdbeloning van [verzoeker] vastgesteld op\n\n€ 50.424,00 (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\n2.12.. In juni 2024 hebben Oman en [verzoeker] met elkaar gesproken over het naderende pensioen van [verzoeker] en de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door [verzoeker] voort te zetten. [verzoeker] heeft naar aanleiding van dit gesprek op 2 oktober 2024 de volgende brief gestuurd aan Oman (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\n“[…]. Daarnaast wil ik mijn oprechte interesse uitspreken in een tijdelijke verlenging van mijn ambtstermijn. Met betrekking tot het voorstel van het ministerie betreffende het sluiten van een nieuwe tijdelijke arbeidsovereenkomst, verwelkom ik dit voorstel, mits het geen invloed heeft op de rechten en aanspraken die ik in mijn voorgaande diensttijd heb verworven,\n\nIk wil tevens benadrukken dat deze tijdelijke overeenkomst de rechten en aanspraken die voortvloeien uit eerdere contracten, inclusief eindedienstbonus of uitkering, niet tenietdoet. Het betreft een tijdelijk contract voor bepaalde tijd, los van eerdere arbeidsovereenkomsten en brengt geen andere financiële of juridische verplichtingen met zich mee dan na het maandsalaris.\n\nIk kijk ernaar uit mijn eindediensttijdbeloning te ontvangen, zowel vóór als na afloop van het nieuwe contract.”\n\n2.13.. In een interne memo van 11 november 2024 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Oman aan de ambassade bericht dat goedkeuring wordt verleend om [verzoeker] met ingang van 3 januari 2025 te ontslaan vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daarnaast geeft het ministerie aan de ambassade mee welke (procedurele) stappen doorlopen moeten worden om een vervanger te benoemen.\n\n2.14.. Oman heeft vervolgens op 11 november 2024 de volgende brief gestuurd aan [verzoeker] (van Arabisch vertaald naar het Nederlands):\n\n“De ambassade wil u graag meedelen dat uw arbeidsovereenkomst met de ambassade eindigt op 2 januari 2025, aangezien u op 3 januari 2025 de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd bereikt.\n\nBij deze gelegenheid wil ik mijn oprechte dank en waardering uitspreken voor uw jarenlange trouwe dienst en grote toewijding. U bent een voorbeeld van toewijding en betrokkenheid geweest en hebt tijdens uw hele carrière bij de ambassade een blijvende indruk achtergelaten. De ambassade wenst u het allerbeste en veel geluk in uw toekomst.[…].”\n\n2.15.. \n [verzoeker] heeft vanaf 3 januari 2025 geen werkzaamheden meer voor Oman verricht. Oman heeft aan [verzoeker] een eindafrekening uitbetaald, maar zonder een vergoeding wegens beëindiging van het dienstverband toe te kennen.\n\n3. Verzoek, grondslag en verweer\n\n3.1.. \n\n [verzoeker] verzoekt (verkort en anders weergegeven) dat de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Oman in de proceskosten:\n\nprimair\n\n- Oman veroordeelt tot betaling van de contractuele beëindigingsvergoeding van € 131.475,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, althans een in goede justitie te bepalen bedrag voor de contractuele beëindigingsvergoeding of de dertiende maand, vermeerderd met voornoemde verhoging en rente;\n\nsubsidiair\n\n- Oman veroordeelt tot betaling van de op 12 mei 2022 overeengekomen beëindigingsvergoeding van € 50.424,- netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en met een bedrag van € 24.412,02 bruto voor de dertiende maand over de jaren 2022, 2023 en 2024;\n\nzowel primair als subsidiair\n\n- Oman veroordeelt tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 26.364,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.3.2.. Oman concludeert tot afwijzing van de verzoeken met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.\n\n3.3.. Op de door partijen over en weer ingenomen standpunten en weren wordt, voor zover relevant, hierna ingegaan.\n\n4. Beoordeling\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n4.1.. Omdat Oman een buitenlandse staat is, bevat deze procedure een internationaal element, zodat de kantonrechter ambtshalve moet toetsen of zij bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De vorderingen vinden hun grondslag in een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. De overeengekomen arbeid werd gewoonlijk verricht op de ambassade in Den Haag. De kantonrechter is daarom in deze procedure bevoegd op grond van artikel 1 jo. 6 sub b Rv.\n\n4.2.. De kantonrechter dient ook ambtshalve vast te stellen welk recht op het geschil van toepassing is (art. 10:2 BW). Partijen hebben niet gesteld dat een uitdrukkelijk rechtskeuzebeding is overeengekomen. De arbeidsverhouding tussen partijen is tot stand gekomen vóór 17 december 2009, zodat het toepasselijk recht wordt beheerst door het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO-verdrag). Op grond van artikel 6 lid 2 sub a van dat verdrag is het recht van het land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht van toepassing. In dit geval is dat Nederland. De kantonrechter zal de vorderingen daarom naar Nederlands recht beoordelen. De kantonrechter stelt vast dat partijen ook zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.\n\nDe arbeidsovereenkomst van 3 april 1991\n\n4.3.. Aan het verzoek tot betaling van een bedrag van € 131.475,28 aan contractuele beëindigingsvergoeding heeft [verzoeker] primair de arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 ten grondslag gelegd. [verzoeker] verzoekt dus nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst van 3 april 1991 en meer in het bijzonder van de contractuele beëindigingsvergoeding in artikel 9. Daartoe heeft [verzoeker] aangevoerd dat Oman de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009, waarin noch de beëindigingsvergoeding noch de dertiende maand is opgenomen, heeft ingetrokken. Partijen hebben vervolgens geen nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten, zodat de initiële arbeidsovereenkomst uit 1991 is blijven gelden. Daarnaast heeft [verzoeker] aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 door bedreiging tot stand is gekomen en – zo begrijpt de kantonrechter – moet worden vernietigd. Volgens [verzoeker] is hij namelijk onder dreiging van ontslag gedwongen deze arbeidsovereenkomst te ondertekenen. Oman heeft dit alles, kort gezegd, betwist.\n\n4.4.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt. Niet in geschil is dat partijen op 1 juni 2009 een gewijzigde arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Dit betekent dat de rechtsverhouding tussen partijen in beginsel wordt beheerst door hetgeen in deze arbeidsovereenkomst is bepaald. De ondertekende arbeidsovereenkomst levert tussen partijen dwingend bewijs op.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] er niet in is geslaagd de rechtsgeldigheid van deze arbeidsovereenkomst aan te tasten. [verzoeker] heeft zijn stelling, dat Oman de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 heeft ingetrokken, niet met concrete feiten onderbouwd. Omdat [verzoeker] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, wordt aan deze stelling voorbij gegaan. Ook de stelling van [verzoeker] , dat de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 door bedreiging tot stand is gekomen, kan hem niet baten. Op grond van artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Een overeenkomst kan in dat geval worden vernietigd, omdat sprake is van een gebrek in de wilsvorming. Volgens de Hoge Raad kan ook een arbeidsovereenkomst worden vernietigd op grond van een wilsgebrek.Artikel 3:49 BW bepaalt dat vernietiging van een vernietigbare rechtshandeling plaatsvindt door hetzij een buitengerechtelijke verklaring, hetzij een rechterlijke uitspraak. Dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 buitengerechtelijk heeft vernietigd, is gesteld noch gebleken. Evenmin heeft [verzoeker] vernietiging van de arbeidsovereenkomst verzocht.\n\n4.5.. \n [verzoeker] heeft geen andere stellingen ingenomen die de rechtsgeldigheid van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 aantasten. Dit betekent dat partijen een bindende overeenkomst hebben gesloten, waarvan [verzoeker] de inhoud in beginsel jegens zich moet laten gelden.\n\nDe gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009\n\n4.6.. \n [verzoeker] heeft aangevoerd dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. De beëindigingsvergoeding in de gewijzigde arbeidsovereenkomst is enkel vervangen door een vakantietoeslag van 8% in de veronderstelling dat deze wijziging conform de Nederlandse wet was. Nu dit niet het geval bleek te zijn, mocht [verzoeker] erop vertrouwen dat zijn recht op de contractuele beëindigingsvergoeding bij het einde van de arbeidsovereenkomst zou worden geëerbiedigd al dan niet in de vorm van een dertiende maand.\n\n4.7.. Volgens Oman is met de overeengekomen vakantietoeslag van 8% aan de verplichting tot betaling van een contractuele beëindigingsvergoeding dan wel een dertiende maand voldaan. [verzoeker] is door het overeenkomen van een jaarlijkse vakantietoeslag van 8% namelijk feitelijk bevoordeeld, omdat in de jaren voor 2009 geen vakantietoeslag werd uitgekeerd. Oman betwist verder dat [verzoeker] aanspraak kan maken op de contractuele beëindigingsvergoeding uit de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 dan wel op een dertiende maand. Volgens Oman heeft [verzoeker] door ondertekening van de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 afstand gedaan van zijn rechten uit eerdere overeenkomsten.\n\n4.8.. De kantonrechter overweegt het volgende. Oman heeft niet weersproken dat partijen bij het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 niet de bedoeling hebben gehad het contractuele recht op een beëindigingsvergoeding ‘weg te contracteren’. De kantonrechter begrijpt uit hetgeen Oman heeft aangevoerd, dat Oman van mening is dat met de overeengekomen vakantietoeslag van 8% aan deze bedoeling is voldaan. Dit is niet juist. Op basis van de Nederlandse wetgeving heeft iedere werknemer namelijk recht op een vakantietoeslag gelijk aan (minimaal) 8% van het brutoloon.Voor zover Oman heeft bedoeld dat het opheffen van zijn eigen wanprestatie op dit punt (namelijk het niet voldoen aan de verplichting om jaarlijks een vakantietoeslag van (minimaal) 8% uit te keren) als vervanging van de contractuele beëindigingsvergoeding kan worden aangemerkt, gaat die vlieger dus niet op. Bovendien geldt dat zowel Oman als [verzoeker] er vanwege onwetendheid over de Nederlandse wet niet van op de hoogte waren dat [verzoeker] reeds bij aanvang van het dienstverband recht had op een vakantietoeslag, hetgeen een omstandigheid is die voor rekening en risico komt van Oman als werkgever.\n\n4.9.. Uit de door [verzoeker] overgelegde ambtelijke stukken blijkt dat Oman kort na het sluiten van de gewijzigde arbeidsovereenkomst ermee bekend is geworden dat de gewijzigde arbeidsovereenkomst niet in overeenstemming was met de Nederlandse wetgeving en de contractuele beëindigingsvergoeding opnieuw onderwerp van gesprek was (zie 2.7). Tevens blijkt daaruit dat op verschillende momenten (tegen de achtergrond van het aangaan van een gewijzigde arbeidsovereenkomst die wél voldoet aan de Nederlandse wetgeving) werd gesproken over uitbetaling van de beëindigingsvergoeding aan de lokale werknemers over de periode vanaf 1 januari 2009, hetgeen uiteindelijk ook heeft geleid tot het overzicht van 12 mei 2022 (zie 2.8, 2.10. en 2.11.). [verzoeker] heeft bovendien onderbouwd gesteld dat Oman in ieder geval na 1 juni 2009 aan twee medewerkers bij het einde van hun arbeidsovereenkomst de beëindigingsvergoeding heeft voldaan.\n\n4.10.. Dit alles duidt er naar het oordeel van de kantonrechter op dat de contractuele beëindigingsvergoeding nog steeds onderdeel uitmaakt van de tussen partijen geldende arbeidsvoorwaarden. Oman heeft de inhoud van de overgelegde stukken onvoldoende betwist en heeft nagelaten feiten en omstandigheden aan te voeren die nopen tot een andere uitleg. Het verweer van Oman dat de met de arbeidsovereenkomst van 1 juni 2009 [verzoeker] afstand heeft gedaan van zijn recht op de contractuele beëindigingsvergoeding, faalt dan ook.\n\n4.11.. Het primaire verzoek van [verzoeker] tot betaling van de beëindigingsvergoeding volgens de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst uit 1991 is daarmee toewijsbaar. Het subsidiaire verzoek behoeft daarom geen bespreking meer.\n\nDe hoogte van de beëindigingsvergoeding\n\n4.12.. \n [verzoeker] heeft op de zitting erkend dat het door hem verzochte bedrag verkeerd is berekend. Oman heeft ten aanzien van de berekening van de vergoeding namelijk terecht aangevoerd dat na aftrek van de uitkering van 14,5 maandsalarissen in 2007 en één heel maandsalaris in 2008 aan vergoeding resteert een bedrag gelijk aan 2,5 maal het laatstgenoten maandsalaris van [verzoeker] . Uitgaande van het laatstgenoten maandsalaris van € 8.137,34 bruto wordt daarom een beëindigingsvergoeding van € 20.343,35 bruto toegewezen.\n\nDe verzochte wettelijke verhoging en wettelijke rente\n\n4.13.. Het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW over de beëindigingsvergoeding wordt afgewezen. De beëindigingsvergoeding valt niet onder het begrip ‘loon’ in de zin van die bepaling. De verzochte wettelijke rente over de beëindigingsvergoeding wordt als onbetwist toegewezen.\n\nDe gefixeerde schadevergoeding\n\n4.14.. \n [verzoeker] verzoekt verder betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 26.364,98 bruto wegens onregelmatige opzegging. Oman betwist een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd te zijn. Oman stelt dat partijen overeen zijn gekomen dat de arbeidsovereenkomst na het bereiken van [verzoeker] van de pensioengerechtigde leeftijd eenmalig zou worden verlengd voor de periode van één jaar. De brief van Oman van 11 november 2024 moet volgens Oman daarom niet als een opzegging gelezen worden, zodat geen sprake kan zijn van een onregelmatige opzegging. [verzoeker] betwist dat partijen een verlenging van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n4.15.. Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij in juni 2024 met elkaar hebben gesproken over de mogelijkheid van (tijdelijke) voortzetting van de arbeidsovereenkomst na het bereiken van [verzoeker] van de pensioengerechtigde leeftijd. Oman stelt zich op het standpunt dat de brief van [verzoeker] van 2 oktober 2024 in het licht van die besprekingen gelezen moet worden als een aanvaarding van [verzoeker] van het aanbod tot tijdelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter volgt Oman niet in dat standpunt en licht dit als volgt toe.\n\n4.16.. In de brief van [verzoeker] valt niet te lezen dat hij akkoord gaat met enig (concreet) aanbod van Oman tot verlenging van de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] wijst er terecht op dat hij in die brief juist nadrukkelijk aangeeft slechts onder bepaalde voorwaarden interesse te hebben in het voortzetten van zijn dienstverband. Het is niet gesteld of gebleken dat Oman vervolgens aan [verzoeker] heeft laten weten met die voorwaarden akkoord te gaan. Integendeel, Oman heeft blijkens de overgelegde interne memo van 11 november 2024 op die brief gereageerd door toestemming aan het Ministerie te vragen voor het ontslag van [verzoeker] , welk ontslag het vervolgens met de brief van dezelfde datum aan [verzoeker] heeft aangezegd. De kantonrechter ziet niet in hoe die brief van Oman redelijkerwijs anders kan worden gelezen dan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst, te meer nu Oman daarna is overgaan tot het uitbetalen aan [verzoeker] van een eindafrekening en [verzoeker] na 3 januari 2025 ook niet meer voor Oman heeft gewerkt. Dat de ambassadeur na die datum en naar aanleiding van een brief van de advocaat van [verzoeker] met hem heeft gebeld om te vragen of hij alsnog bereid was om voor Oman te komen werken, doet niets af aan het feit dat de arbeidsovereenkomst op dat moment al was beëindigd door de opzegging van Oman.\n\n4.17.. In deze procedure staat op grond van het voorgaande vast dat Oman de arbeidsovereenkomst tussen partijen met de brief van 11 november 2024 heeft opgezegd per 3 januari 2025. Het beroep van Oman op artikel 7:669 lid 4 BW, namelijk dat het de arbeidsovereenkomst na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd mocht opzeggen met een opzegtermijn van één maand, behoeft daarom geen bespreking. Oman heeft verder niet betwist dat het daarmee de tussen partijen geldende opzegtermijn van vier maanden niet heeft nageleefd.\n\n4.18.. Oman heeft zich verder nog verweert met de stelling dat partijen er beide vanuit gingen dat de arbeidsovereenkomst door het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van rechtswege zou eindigen en daarom geen opzegging nodig was. Nog los van het feit dat deze stelling niet strookt met het gegeven dat Oman het Ministerie om toestemming voor het ontslag heeft gevraagd en vervolgens op 11 november 2024 een opzegbrief aan [verzoeker] heeft gestuurd, dient een eventuele onterechte veronderstelling over de noodzaak van een tijdige opzegging voor rekening en risico van Oman als werkgever te komen. Oman is daarom aan [verzoeker] een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd (artikel 7:672 lid 11 BW). Oman heeft de hoogte van de door [verzoeker] verzochte schadevergoeding van € 26.364,98 bruto niet betwist. Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over dit bedrag wordt als onweersproken toegewezen zoals in de beslissing weergegeven. De wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat geen sprake is van loon in de zin van artikel 7:625 BW.\n\nProceskosten\n\n4.19.. Oman is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n732,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n1.154,00\n\n(WWZ tegenspraak complex)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals in de beslissing vermeld)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.030,00\n\n5. Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. veroordeelt Oman om aan [verzoeker] de contractuele beëindigingsvergoeding te betalen van € 20.343,35 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.2.. veroordeelt Oman om aan [verzoeker] de gefixeerde schadevergoeding te betalen van € 26.364,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.3.. veroordeelt Oman in de proceskosten van € 2.030,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Oman niet tijdig aan één van de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. D. Nobel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2026.\n\n ECLI:NL:PHR:2019:1067.\n\n Artikel 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.\n\n 2,5 x € 8.137,34 bruto.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17582","ecli-nl-rbdha-2026-17582",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]