[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18225":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18225":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1799","ECLI:NL:RBDHA:2026:18225","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Amsterdam\n\n Bestuursrecht\n\nZaaknummer: NL24.40471\n\nV-nummer: [V-nummer]uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1985, van Jemenitische nationaliteit, eiser\n\n(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister\n\n(gemachtigde: mr. L.A. Jager).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.\n\n1.1.. Bij besluit van 19 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken uitgevaardigd.\n\n1.2.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, M. Kurdi als tolk in de taal Arabisch-Jemenitisch en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nAsielrelaas\n\n4. Eiser is afkomstig uit de stad Sana’a, in Jemen. In 2007 is hij voor werk vertrokken naar Saoedi-Arabië, waar hij als privéchauffeur werkzaam was. Sindsdien keerde hij jaarlijks terug naar Sana’a voor ongeveer vier tot vijf maanden, omdat zijn echtgenote en twee zoons daar nog wonen.\n\n4.1.. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd. Tussen 2020 en 2023 is eiser op vijf momenten dat hij in Jemen bij zijn gezin was door de Houthi's afgeperst. De laatste keer dat eiser werd afgeperst is hij mishandeld en moest hij geld halen voor de Houthi’s. Eiser gaf aan dit niet te doen, en besloot daarop in april\u002Fmei 2022 het land definitief te verlaten. Eiser vreest bij terugkeer zowel voor de Houthi’s als voor de bombardementen in het gebied waar hij vandaan komt.\n\nBesluitvorming\n\n5. Volgens de minister bestaat het relaas uit de volgende relevante elementen:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; en,\n\n2. Problemen met de Houthi’s.\n\n5.1.. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Volgens de minister zijn de problemen met de Houthi’s niet geloofwaardig, nu eiser niet duidelijk en op chronologische wijze kan verklaren over de verschillende incidenten. Ook kan eiser niet duidelijk verklaren over de redenen waarom hij specifiek in de belangstelling zou staan. Dit betreft volgens de minister een aanname van de kant van eiser. Ook werpt de minister aan eiser tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn negatieve uitlatingen naar de Houthi’s toe. Verder acht de minister het ongerijmd dat eiser meerdere keren is teruggekeerd naar Jemen nadat de problemen waren begonnen.\n\n5.2.. Volgens de minister is op grond van het landenbeleid in heel Jemen op dit moment sprake van de ‘minder uitzonderlijke situatie’ van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het is daarom aan eiser om op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken waarom specifiek hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Volgens de minister is eiser daarin niet geslaagd. Het enkele feit dat eiser in een gebied woonde waar de Houthi’s aan de macht zijn, is daarvoor niet voldoende. Ook werpt de minister tegen dat eiser niet eerder dan met de correcties en aanvullingen naar voren heeft gebracht dat hij vreest voor bombardementen.\n\nMedisch advies\n\n6. Eiser stelt allereerst dat de minister in strijd met zijn eigen beleid en met artikel 24, eerste lid, van de Procedurerichtlijnheeft gehandeld door geen medisch advies aan te bieden. Hierdoor kan niet worden uitgegaan van de verklaringen van eiser.\n\n6.1.. De minister stelt zich echter op het standpunt dat de Procedurerichtlijn geen verplichting kent tot het afnemen van een medisch advies, maar dat de minister enkel moet kijken of eiser bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Volgens de minister betekent dit dat extra alertheid altijd geboden is. In het geval van eiser is niet gebleken dat hij niet afdoende coherent en consistent kan verklaren. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van medische problematiek. Eiser heeft aangegeven dat hij in staat was het gehoor te doen. Verder is door de gehoormedewerker gevraagd of het goed met hem ging en er zijn pauzes genomen.\n\n6.2.. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 24 van de Procedurerichtlijn de minister moet beoordelen of een vreemdeling die om internationale bescherming verzoekt, bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Artikel 24, eerste lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd in artikel 3.108b van het Vb. Daarin is bepaald dat voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag wordt beoordeeld of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.108b van het Vb kan worden afgeleid dat het erom gaat dat medewerkers van de INDalert zijn om signalen te herkennen dat de vreemdeling ondersteuning behoeft. Uit de toelichting volgt dat de besluitgever een medisch advies een belangrijk middel acht om te beoordelen of er belemmeringen zijn waarmee tijdens het horen en beslissen rekening dient te worden gehouden.De wetgever heeft echter in artikel 3.109, vijfde lid, van het Vb expliciet bepaald dat vreemdelingen van wie de eerste asielaanvraag in spoor 4 wordt behandeld, gedurende de rust- en voorbereidingstermijn een ‘medisch advies horen en beslissen’ krijgen aangeboden.Dit is niet verplicht als de vreemdeling uit een veilig land van herkomst komt.\n\n6.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister in strijd met het Vb ten onrechte geen medisch advies heeft aangeboden aan eiser nu zijn asielaanvraag in spoor 4 is behandeld. Dat volgt ook uit de eigen werkinstructie van de minister. De rechtbank is van oordeel dat het niet aanbieden van een medisch advies in eisers geval leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming.\n\n6.4.. Dat eiser door deze werkwijze niet in zijn belangen is geschaad, volgt de rechtbank niet en legt dat hierna uit. De rechtbank citeert de volgende relevante passages uit het nader gehoor:\n\n“Wanneer was dat precies?\n\nWeet ik niet.\n\nWeet u misschien in welke maand dit had plaatsgevonden?\n\nWeet ik ook niet zo goed. Wij werken niet met datums daar. We onthouden geen datums daar. Wij besteden geen aandacht aan datums, daarom heb ik een papiertje met datums.\n\n(…)\n\nHet tweede incident was het incident dat u op de cat markt werd aangesproken. Dat is een ander verhaal? Kunt u dit toelichten?\n\nIk heb moeite met de datum. Dan was het de eerste keer dat ik me heb uitgelaten met vrienden. de tweede keer was ik met de wijkhoofd. De derde keer was het de cat-markt. De vierde keer was het bij de college [naam] .\n\nIk kan me nog wel ergens voorstellen dat het lastig om precieze datums terug te halen. Echter, ik vind het nu wel lastig om te plaatsen dat u gebeurtenissen omhusselt. Kunt u toelichten waarom u dit doet?\n\nHet kan wel eens voorkomen dat mensen dingen door elkaar halen. Ik weet soms niet eens wat ik gisteren heb gegeten. We praten nu over 2020-2021. Ik raak een beetje in de war.\n\nOpmerking rapporteur: ik merk dat betrokkene wat verward kijkt.\n\n(…)\n\nWaardoor komt het dat u soms helemaal in de war raakt en het helemaal niet meer weet?\n\nMisschien vergeetachtigheid. Ik weet het niet. Psychische druk al twee jaar. Ik zie mijn gezin niet, alleen op mijn mobiele telefoon. Het tast alles aan in je hoofd.”\n\n6.5.. De aangehaalde passages wekken bij de rechtbank de indruk dat eiser moeite heeft met tijdsaanduiding. Ook geeft eiser aan in de war te zijn. De rechtbank merkt op dat tijdsbenadering de belangrijkste tegenwerping van de minister vormt in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank leest net als de minister in het verslag van het gehoor dat eiser drie keer over een ander incident heeft verklaard als reden voor zijn vertrek. Echter, zonder vast te hebben gesteld of bij eiser beperkingen speelden die ertoe hebben geleid dat hij niet goed kon verklaren over zijn asielrelaas, kan de minister deze verklaringen niet aan eiser tegenwerpen. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat eiser door het zorgvuldigheidsgebrek in zijn belangen is geschaad.\n\nLandenbeleid voor Jemen\n\n7. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat uit landeninformatieblijkt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen en specifiek in de hoofdstad Sana’aniet lijkt te zijn veranderd sinds het sluiten van het bestand. In 2023 steeg het aantal burgerslachtoffers. Ook wijst eiser erop dat door aanvallen van Israël de Houthi’s agressiever zijn geworden.\n\n7.1.. De rechtbank zal, alvorens deze beroepsgrond te bespreken, het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nJuridisch kader\n\n8. In de uitspraak van 17 juli 2024heeft de Afdelinghet toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y.van het Hofuiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.\n\n8.1.. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y. en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:\n\nuitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;\n\nrelatief hoger niveau van willekeurig geweld; en,\n\nrelatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\n8.2.. Het Hof heeft in het arrest CF en DN van 10 juni 2021, elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:\n\nde vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\nde vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\nde vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\nde vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\nde intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,\n\nde aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\nHet landenbeleid voor Jemen ten tijde van het besluit van 19 september 2024\n\n9. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In de Kamerbrief van 18 maart 2024 heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpassing van het landenbeleid ten aanzien van Jemen.In deze brief licht de minister toe dat er aanleiding bestaat om niet langer uit te gaan van de hoogste mate van willekeurig geweld in Jemen. Aanleiding hiervoor was dat uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen van september 2023 blijkt dat het de facto bestand over de hele verslagperiode heeft geleid tot een substantiële daling van gevechtshandelingen. Dit heeft geleid tot een relatief laag aantal doden en gewonden onder de burgerbevolking. Volgens de minister speelden humanitaire omstandigheden in deze beoordeling slechts een rol als sprake is van de uitzonderlijke situatie dat strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek en dit onderdeel is van het willekeurig geweld. In dit beleid maakte de minister geen onderscheid tussen de verschillende regio’s in Jemen.\n\nUitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025\n\n10. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft namelijk in de globale beoordeling ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen niet kenbaar betrokken. Uit actuele landeninformatie blijkt dat de daling van het aantal burgerslachtoffers sinds het de facto bestand onder druk is komen te staan en dat de intensiteit van het gewapende conflict tussen diverse strijdende actoren weer is toegenomen. Ook is de minister in de beoordeling niet expliciet ingegaan op de daadwerkelijke bestemming of woongebied bij terugkeer.\n\n10.1.. De Afdeling heeft verder geoordeeld dat de minister in deze beoordeling ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden heeft betrokken die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen. Daarbij acht de Afdeling relevant dat uit het ambtsbericht volgt dat Houthi-rebellen toegang tot humanitaire hulp weigeren, dat toegang daartoe in sommige gevallen non-existent is en dat er veel incidenten plaatsvinden waarbij humanitaire toegang wordt gehinderd. Naar het oordeel van de Afdeling zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie. Slechts humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. Deze kunnen een rol spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM.\n\nHet bestreden besluit van 19 september 2024\n\n11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan beleid dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 geen stand kan houden. De rechtbank verklaart het beroep mede daarom gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2024.\n\n11.1.. De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting het standpunt ingenomen dat hierdoor weliswaar sprake is van een motiveringsgebrek, maar dat de herbeoordeling naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 en het meest recente Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025 niet heeft geleid tot de conclusie dat voor Jemen alsnog moet worden uitgegaan van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft daarom verzocht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.\n\n11.2.. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister in beroep alle relevante feitelijke omstandigheden in zijn globale beoordeling heeft betrokken en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Jemen, en daarbij specifiek de stad Sana’a, sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (de minder uitzonderlijke situatie).\n\nGewijzigd landenbeleid Jemen en Sana’a stad\n\n12. Naar aanleiding van het nieuwe Algemeen Ambtsbericht van 18 april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 heeft de minister het landgebonden beleid voor Jemen op 17 oktober 2025 gewijzigd.In de kamerbrief van 8 oktober 2025en de daarin genoemde bijlage 15c beoordeling Jemen, heeft de minister de wijzigingen toegelicht. Anders dan in het vorige landgebonden beleid is voor elke provincie in Jemen afzonderlijk beoordeeld welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen. De nieuwe beoordeling heeft er niet toe geleid dat een hoger niveau van willekeurig geweld (de meest uitzonderlijke situatie) voor Jemen wordt aangenomen. De minister neemt voor Sana’a (stad) aan dat er sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.\n\nBeoordeling rechtbank\n\nTen aanzien van de humanitaire omstandigheden\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen deugdelijke beoordeling heeft gemaakt van de humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen en overweegt daartoe als volgt. Allereerst is de minister uitgegaan van een onjuiste interpretatie van de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en heeft hij daarmee een te beperkt toetsingskader gehanteerd. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat niet aannemelijk is dat handelingen die slechts indirect gevolgen hebben voor de humanitaire situatie, wanneer zij globaal in de beoordeling worden betrokken, tot een fundamenteel andere weging zullen leiden. De minister wijst erop dat de voorbeelden die de Afdeling zelf noemt handelingen zijn die directe gevolgen hebben voor de humanitaire omstandigheden die plaatsvinden in het kader van willekeurig geweld. De rechtbank acht deze uitleg te strikt. De rechtbank kan de minister volgen voor zover hij zich op het standpunt stelt dat humanitaire omstandigheden niet zonder meer doorslaggevend zijn. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en vormen humanitaire omstandigheden slechts één van de elementen die in samenhang beoordeeld moeten worden. Elk van deze elementen kan in de uiteindelijke afweging meer of minder gewicht in de schaal leggen.De rechtbank leest echter nergens in de uitspraak van 16 juli 2025 dat handelingen die slechts indirecte gevolgen hebben, per definitie minder zwaar wegen in de beoordeling dan handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire situatie. Dat de Afdeling in haar uitspraak enkel voorbeelden noemt van handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire omstandigheden, betekent niet dat uitsluitend dergelijke directe gevolgen relevant kunnen zijn. Indirecte gevolgen van het handelen van strijdende partijen, zoals de vernietiging van wegen, havens of andere infrastructuur waardoor humanitaire hulp de bevolking niet bereikt, kunnen immers in de praktijk eenzelfde effect hebben als het rechtstreeks blokkeren van hulpverlening.\n\n13.1.. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van de minister dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn een temporele beperking geldt. De rechtbank leest in de kamerbrief en het verweerschrift dat de minister humanitaire omstandigheden als gevolg van de cumulatieve gevolgen van een al jarenlang voortdurend conflict of de nasleep daarvan na beëindiging niet betrekt bij de beoordeling.Op de zitting is dit standpunt aldus toegelicht dat volgens de minister uit punten 40, 42, 43, 44 en 45 van het arrest X en Y. volgt dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden het voornamelijk moet gaan om een actieve actor die gedurende de verslagperiode invloed uitoefent op de humanitaire situatie. Aan omstandigheden die in het verleden zijn ontstaan kent de minister minder gewicht toe. De rechtbank leest in het arrest X en Y., noch in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, terug dat het bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn om een actieve actor moet gaan. Uit de rechtspraak volgt slechts dat humanitaire omstandigheden die in het geheel geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, buiten deze beoordeling kunnen blijven. De rechtbank merkt hierbij op dat voor de andere elementen uit het arrest CF en DN ook geen temporele beperking geldt. De rechtbank ziet niet in waarom een dergelijk onderscheid voor humanitaire omstandigheden wel zou gelden.\n\n13.2.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet goed heeft gemotiveerd in welke mate de slechte humanitaire omstandigheden in Jemen te wijten zijn aan de strijdende partijen. Op pagina 1 tot en met 3 van de bijlage 15c beoordeling Jemen zet de minister de humanitaire situatie in Jemen uiteen en concludeert dat in sommige situaties de humanitaire situatie direct wordt beïnvloed door de gehanteerde oorlogsmethoden van de strijdende partijen, maar ook dat de slechte humanitaire omstandigheden gezien moet worden in de context dat Jemen al voor de start van de burgeroorlog een slechte humanitaire situatie kende en ook toen al werd gezien als het meest kwetsbare land in het Midden-Oosten.De rechtbank acht deze motivering niet deugdelijk en zal dit hieronder aan de hand van het Algemeen Ambtsbericht van 18 april 2025 en de overige in de bijlage opgenomen landeninformatie nader toelichten.\n\n13.3.. De rechtbank leest in het algemeen ambtsbericht dat Jemen een land is dat gedurende een lange periode geteisterd is door gewapend conflict, armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise.Bovenop de al lange tijd bestaande en voortdurende humanitaire kwetsbaarheden die hieruit voortvloeiden, meldt het ambtsbericht dat de leefomstandigheden tijdens de verslagperiode verder verslechterden door de crisis in de Rode Zee. De militaire escalatie daar leidde tot een aanzienlijke daling van aantallen vrachtschepen die Jemen aandeden. Dit gold zowel voor het gebied onder controle van de IRGals van de Houthi-beweging. Volgens data van de Integrated Food Security Phase Classification waren eind 2024 meer dan 600.000 Jemenitische kinderen in het door de IRG gecontroleerde deel van het land ernstig ondervoed en bijna 120.000 kinderen acuut ondervoed - een stijging van 34 procent vergeleken met 2023. Beide delen van Jemen kampten met een blijvend hoge voedselinstabiliteit. Het percentage inwoners dat leed onder onvoldoende voedselconsumptie lag volgens een rapportage van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VNin december 2024 in regeringsgebied iets hoger (52,3%) dan in Houthi-gebied (43,0%).\n\n13.4.. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat de strijdende partijen doelbewust aanvallen uitvoerden op landbouwgebieden, irrigatiewerken, vee, levensmiddelenopslag, waterinfrastructuur en vissersboten en -uitrusting. De toegang tot water en voedsel werd daarmee voor de bevolking van de getroffen gebieden ernstig bemoeilijkt. De Houthi’s zouden rond frontlijnen op grote schaal landmijnen hebben verspreid in bewoonde gebieden en in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie. Ook legden zij op grote schaal restricties op aan humanitaire hulpverlening, waaronder voedseldistributie. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat strijdende partijen de toegang tot humanitaire hulp dwarsbomen. Uit bronnen komt volgens het algemeen ambtsbericht het beeld naar voren dat met name de Houthi-beweging de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp, als wapen in de strijd gebruikten. Ook in het volledig door de Houthi-beweging gecontroleerde deel van Jemen bleef zij tijdens de verslagperiode de toegang van burgers tot humanitaire hulp dusdanig bemoeilijken, dat het hun voedselzekerheid negatief beïnvloedde. Daarbovenop pasten zij restricties toe op vrouwelijke hulpverleners. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (World Food Programme, WFP) pauzeerde vanaf december 2023 een groot deel van de voedselhulp in Houthi gebied voor zes maanden.De levering van humanitaire goederen werd verder bemoeilijkt doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden, waaronder de havens van Al Hudayda en Saleef, de luchthaven van Sana’a en energie installaties - waardoor steden als Sana’a en Al Hudayda langere tijd geen elektriciteit hadden. De haven van Al Hudayda, de belangrijkste aanvoerhaven voor humanitaire goederen, functioneerde nog slechts op 30% van zijn operationele capaciteit.\n\n13.5.. De rechtbank overweegt dat in de kamerbrief en de daaraan ten grondslag liggende bijlage niet inzichtelijk is gemotiveerd op welke wijze de hiervoor genoemde informatie is betrokken bij de conclusie dat de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate is veroorzaakt door de handelingen van de strijdende partijen. Uit de beschikbare informatie blijkt onder meer dat deze partijen de toegang tot voedsel en water ernstig beperken, de toegang tot humanitaire hulpverlening op grote schaal belemmeren en voedsel- en watervoorzieningen aanvallen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, hoewel Jemen te maken heeft met natuurlijke fenomenen zoals droogte en overstromingen, het feit dat de helft van de Jemenitische bevolking te kampen heeft met voedselonzekerheid vooral lijkt samen te hangen met het handelen van de strijdende partijen. Jemen importeert, net zoals meer landen in die regio, 80% van zijn voedselbehoefte waardoor het land kwetsbaar is voor aanvallen op voedselvoorzieningen en havens. Handelingen van strijdende partijen in een land dat al kwetsbaar is, hebben een grotere impact op de humanitaire situatie. De minister heeft nagelaten dit te betrekken bij zijn beoordeling. In dit verband heeft de rechtbank op de zitting ook gewezen op recente informatie van Human Rights Watch van 8 januari 2026waaruit volgt dat de Houthi-autoriteiten de afgelopen 18 maanden ten minste 69 VN-medewerkers en tientallen medewerkers van maatschappelijke organisaties willekeurig hebben vastgehouden. De toename van het aantal arrestaties van leden van maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen door de Houthi's dreigt de humanitaire hulpcrisis in Jemen te verergeren. Verder meldt Human Rights Watch dat het Wereldvoedselprogramma en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen dat de al kritieke acute voedselonzekerheid naar verwachting verder zal verslechteren in de prognoseperiode (november 2025 tot mei 2026), waarbij delen van de bevolking in vier districten onder controle van de Houthi's naar verwachting met een catastrofe te maken zullen krijgen.\n\n13.6.. Ook merkt de rechtbank op dat in de enige bron in de bijlage die duidt op een verbetering van de humanitaire situatie, wordt verwezen naar informatie van de ngo ACAPSdie tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp constateerde: in 2024 gaf ACAPS Jemen het cijfer 4 (‘zeer hoge toegangsbeperkingen’) en in 2023 was het nog een 5 geweest (‘extreme toegangsbeperkingen’).De rechtbank leest niet in de kamerbrief terug hoe de minister deze informatie heeft afgewogen tegen de onder 12.4. tot en met 12.6. opgenomen informatie. Ook valt het de rechtbank op dat in deze bron tegelijkertijd staat vermeld dat toegang tot humanitaire hulp in Jemen niet is verbeterd of verslechterd, maar hetzelfde is gebleven als in 2023.Bovendien blijkt uit recente informatie van het ACAPS van 1 april 2026dat Jemen weer een 5 op een schaal van 0 tot 5 scoort. Dit duidt volgens ACAPS op ernstige en aanhoudende belemmeringen voor humanitaire toegang, waaronder incidenten van onveiligheid, controleposten en toegangsweigeringen die het verkeer door het land beperken en waarschijnlijk zullen verergeren na mogelijke escalaties. Het ACAPS meldt dat Jemen wereldwijd één van de meest humanitair ontoegankelijke gebieden blijft.\n\n13.7.. De rechtbank overweegt ten aanzien van Sana’a stad dat de minister in de Kamerbrief en de onderliggende stukken weliswaar ingaat op de algemene humanitaire situatie in Jemen, maar in strijd met het arrest CF en DN onvoldoende kenbaar heeft beoordeeld of de humanitaire omstandigheden specifiek in Sana’a stad maken dat daar sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister is pas in het verweerschrift ingegaan op de humanitaire situatie in de stad. Daarin licht de minister toe dat Sana’a in het ambtsbericht niet wordt genoemd als één van de provincies die het meest met voedselonzekerheid kampen. Ook betrekt de minister dat in 2024 volgens ACAPS een lichte verbetering van toegankelijkheid humanitaire hulp heeft plaatsgevonden en dat uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat met name de zuidelijke provincies over het geheel genomen betere toegang hebben van hulporganisaties. Deze aanvullende motivering houdt gelet op hetgeen hiervoor staat onder 13.4.-13.7. geen stand. De minister dient bij een nieuw te maken beoordeling inzichtelijk te motiveren hoe de humanitaire situatie in Sana’a stad moet worden gewogen in het licht van de recente en dreigende escalaties, de aanvallen op kritieke infrastructuur, en dat de toegang tot humanitaire hulp in Sana’a beperkt en in sommige gevallen non-existent is.\n\n13.8.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister met de enkele overweging dat Jemen ook voor de burgeroorlog in 2015 een slechte humanitaire situatie kende, niet deugdelijk in kaart heeft gebracht in hoeverre de humanitaire situatie is gecreëerd, in stand gehouden dan wel verergerd door het direct of indirect handelen en\u002Fof nalaten van de strijdende partijen. De rechtbank merkt ook op dat de minister niet kenbaar in is gegaan op de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 oktober 2024waarin aan de minister is meegegeven acht te slaan op het rapport van The World Organisation Against Torture van september 2022, waarin wordt geconcludeerd dat “Yemen’s cataclysmic humanitarian situation is entirely manufactured”.\n\nTen aanzien van de algehele veiligheidssituatie\n\n14. De rechtbank is verder van oordeel dat naast dat de minister opnieuw dient te motiveren hoe de humanitaire omstandigheden in Jemen meewegen in de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, de minister daarbij ook opnieuw een beoordeling van de actuele geweldssituatie dient te verrichten. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het jaarrapport van 2025 van het CIMPvolgt dat tussen 1 januari en 31 december 2025 sprake was van een significante stijging van het aantal burgerslachtoffers (2.653) in Jemen, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2024 (1.201). Het gaat om het op twee na hoogste aantal dat CIMP ooit heeft geregistreerd. Uit het rapport volgt dat deze stijging verband hield met een toename van de vijandelijkheden in de Rode Zee en de bredere regio. Vooral luchtaanvallen zorgden voor veel slachtoffers. De bombardementen vonden niet voortdurend plaats, maar keerden wel steeds terug in reactie op nieuwe escalaties in de regio.Bij een nieuw te verrichten beoordeling moet de minister de verdubbeling van het aantal slachtoffers en de toename van vijandelijkheden in de regio, in samenhang met andere elementen van het arrest CF en DN, betrekken.\n\n14.1.. In het verweerschrift heeft de minister uiteengezet dat de door ACLED geregistreerde aantallen gevechten in Sana’a in 2023 en 2024 minimaal bleven en dat niet is gebleken van recente wijzigingen in de veiligheidssituatie in Sana’a stad.De rechtbank heeft echter ter zitting gewezen op recente cijfers uit het CIMP-jaarrapport 2025. Daaruit volgt dat Sana’a stad in 2025 voor het eerst het gouvernement was met het hoogste aantal burgerslachtoffers, namelijk 724. In 2024 lag dit aantal nog op 47 slachtoffers.Daarmee kende Sana’a stad het hoogste aantal burgerslachtoffers van het land. Daarnaast vermeldt het rapport dat in Sana’a stad de luchtaanvallen in 2025 zijn geïntensiveerd, hetgeen heeft geleid tot schade aan infrastructuur, waaronder havens, elektriciteitscentrales en luchthavens.Voorts blijkt uit het rapport dat Sana’a stad en de omliggende gebieden verantwoordelijk waren voor bijna driekwart (73 procent) van de burgerslachtoffers in Jemen die in woningen werden geregistreerd, namelijk 536 slachtoffers. Dit hield voornamelijk verband met toenemende luchtaanvallen op dichtbevolkte stedelijke gebieden.De minister dient bij de nieuwe beoordeling van de veiligheidssituatie in Sana’a stad rekening te houden met de meer dan 15-voudige toename van het aantal burgerslachtoffers, alsmede met recente informatie waaruit blijkt dat dichtbevolkte stedelijke gebieden in toenemende mate doelwit zijn van aanvallen.\n\nIndividuele omstandigheden bij een relatief hoger niveau van willekeurig geweld\n\n15. Eiser stelt zich op het standpunt dat, ook al zou geen sprake zijn van de meest uitzonderlijke situatie, de minister ten onrechte stelt dat geen sprake is van een individuele situatie en persoonlijke omstandigheden op grond waarvan eiser risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Uit het algemeen ambtsbericht van april 2025 volgt namelijk dat de situatie van terugkeerders uit Europa naar Jemen nog steeds onbekend is.\n\n15.1.. De rechtbank constateert dat de minister voor het eerst in het verweerschrift de daadwerkelijke bestemming van terugkeer van eiser heeft benoemd, te weten Sana’a stad. Daarmee is het bestreden besluit in het licht van het arrest CF en DN niet deugdelijk gemotiveerd. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verzocht dit gebrek te passeren dan wel de rechtsgevolgen in stand te laten. De minister stelt zich op het standpunt dat een individueel risico niet aannemelijk is, omdat eiser sinds 2007 elk jaar naar Jemen is teruggekeerd en in 2023 legaal naar EU-gebied is gereisd. Volgens de minister zijn deze omstandigheden aanwijzingen dat eiser niet bijzonder kwetsbaar is.\n\n15.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee onvoldoende is ingegaan op de landeninformatie over terugkeerders uit Europa en de Golfstaten, en daarmee niet alle voor de beoordeling relevante feitelijke omstandigheden heeft betrokken. De rechtbank overweegt dat de minister onvoldoende is ingegaan op de informatie uit het algemeen ambtsbericht waaruit volgt dat er nauwelijks tot geen concrete informatie beschikbaar is over uitgeprocedeerde asielzoekers die vanuit Europa of andere westerse landen naar Jemen terugkeren, noch over personen die vanuit het buitenland zakelijke belangen hebben en regelmatig tijdelijk naar Jemen terugreizen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser heeft gesteld dat hij geen werk meer heeft in Saoedi-Arabië en derhalve geen inkomen meer geniet. Dit terwijl de rechtbank ambtshalve bekend is met informatie van VluchtelingenWerk Nederland waaruit volgt dat terugkeerders in Jemen te maken kregen met dezelfde omstandigheden als ontheemden en bijna volledig afhankelijk zijn van humanitaire hulp.Verder blijkt uit een brief van VluchtelingenWerk Nederlanddat Jemenitische arbeiders in Saoedi-Arabië die gedwongen terugkeren wegens werkloosheid of uitzetting, bij terugkeer worden geconfronteerd met geweld en een verhoogde kwetsbaarheid voor mensenhandel. Volgens [persoon] kunnen terugkeerders uit de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië te maken krijgen met veiligheidsproblemen en kunnen ze verdacht worden in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden. In dit kader is relevant dat eiser verklaart problemen te hebben met Houthi’s omdat ze af wisten van zijn werk in Saoedi-Arabië en eiser betichtten van spionage.\n\nConclusie 15c-beoordeling\n\n16. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN alles tezamen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen, specifiek de hoofdstad Sana’a, geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister onvoldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser kunnen leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.\n\nArtikel 3 van het EVRM\n\n17. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 door niet te beoordelen of de humanitaire omstandigheden in Jemen die geen verband houden met willekeurig geweld, strijd opleveren met artikel 3 van het EVRM. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede of natuurlijke verschijnselen, zoals droogte, dan kan slechts sprake zijn van een schending van artikel 3 EVRM in “very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling”. Wanneer natuurlijke verschijnselen echter hebben bijgedragen aan erbarmelijke humanitaire omstandigheden, maar deze voornamelijk zijn te wijten aan directe en indirecte acties van de partijen bij een conflict dan moet de minister beoordelen of een vreemdeling bij terugkeer in staat zal zijn: “to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.”De verwijzing van de minister ter zitting naar de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn volstaat niet, nu de toets onder artikel 3 van het EVRM een autonome beoordeling betreft en de minister in de 15c-beoordeling niet is ingegaan op de vraag of eiser in staat zal zijn “to cater for his most basic needs”.\n\nConclusie en gevolgen\n\n18. De rechtbank is concluderend van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om deze gebreken te passeren of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Eiser moet namelijk medisch onderzocht worden en vervolgens opnieuw gehoord worden. Bij het opnieuw beslissen op de asielaanvraag van eiser moet de minister rekening houden met de omstandigheid dat eiser tijdens het nader gehoor van 28 mei 2024 heeft aangegeven niet goed te kunnen verklaren omdat hij in de war was. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken.\n\n19. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op\n\n € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.Beslissing\n\nDe rechtbank,\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit;\n\n- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en,\n\n-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, voorzitter, en mr. Y. Moussaoui en mr. N. Boonstra, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Richtlijn 2013\u002F32\u002FEU.\n\n Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Immigratie- en Naturalisatiedienst.\n\n Nota van toelichting, p. 23-25; Stb. 2015, 294.\n\n Zie ook Werkinstructie 2024\u002F9: Medische problematiek en horen en beslissen in de asielprocedure.\n\n Artikel 3.109ca, eerste lid, van het Vb.\n\n Pagina 11.\n\n Pagina 15.\n\n Pagina 16.\n\n Brief VluchtelingenWerk Nederland, Jemen – algemene veiligheidssituatie,4 april 2025; Brief VluchtelingenWerk Nederland, Jemen – Veiligheid- en humanitaire situatie Sanaa (hoofdstad\n\nen provincie), 29 januari 2026.\n\n Amanat al Asimah (Sana’a stad) Sana’a (district Amanat al Asimah) is de hoofdstad van Jemen en staat sinds september 2014 onder controle van de Houthi-beweging. Sana’a is geen provincie maar een onafhankelijk bestuurlijk district, zie pagina 32 van het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2927.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:EU:C:2023:843.\n\n Hof van Justitie van de Europese Unie.\n\nZie Kamerstukken II2023-24, 19 637, nr. 3211, en paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000).\n\n ECLI:EU:C:2021:472.\n\n Kamerbrief van 18 maart 2024, met kenmerk 19637, nr. 3215, de daarbij horende beslisnota, en WBV 2024\u002F9.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:3153.\n\n Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.\n\n Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n WBV 2025\u002F20.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n Punten 40 en 45.\n\n De minister wijst op een bron van het UNHCR, “Yemen crisis explained”, 27 maart 2025, waarin staat opgenomen: “Even before the current crisis, Yemen was the most vulnerable country in the Middle East. It regularly ranked among the world’s worst in malnutrition rates with half of its population living in povertya and without access to safe water.”\n\n Pagina 12 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Internationaal erkende regering.\n\n Verenigde Naties.\n\n Pagina 13 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Pagina 14 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n World Food Programme, ‘Impact of rising food prices on household food security in Yemen’, 31 augustus 2008.\n\n Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis-Hit Yemen’, 8 januari 2026.\n\n Assessment Capacities Project.\n\n Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.\n\n ACAPS, Humanitarian access overview 2024, pagina 5.\n\n ACAPS, Yemen: Possible escalation pathways and anticipated humanitarian impacts, 1 april 2026.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:17489.\n\n Civilian Impact Monitoring Project.\n\n CIMP, 2025 annual report, 1 January – 31 December 2025, pagina 2 en 5.\n\n De minister verwijst hiervoor naar ACLED, incidenten in Sana’a stad tussen maart 2025 en oktober 2025).\n\n Pagina 5.\n\n Pagina 2.\n\n Pagina 8.\n\n Brief VluchtelingenWerk Nederland, “Jemen – Humanitaire situatie”, 29 januari 2026.\n\n Brief VluchtelingenWerk Nederland, “terugkeer uit het buitenland (Westen en Golfstaten)”, 9 januari 2026.\n\n Zie onder andere pagina 5 van het verslag nader gehoor.\n\n Overwegingen 278, 282 en 283.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18225","ecli-nl-rbdha-2026-18225",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]