[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-18457":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-18457":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"689","ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","",60,"Arnhem","arnhem","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.11567\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege zijn vriendschap met [persoon A] terecht ongeloofwaardig geacht. Ook heeft de minister terecht de seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991, heeft de Jordaanse nationaliteit, behoort tot de Palestijnse bevolkingsgroep en tot de Alzoubi-stam. Hij is vrienden geworden met een meisje, [persoon A] genaamd, uit een andere stam, de Alkhaldi-stam. Eiser is samen met haar betrapt door de neef van het meisje. Daarna kreeg eiser problemen. Er is toen een aanval op zijn huis gepleegd. Vervolgens is eiser vogelvrij verklaard door de Alkhaldi-stam. Zijn eigen stam heeft hiermee ingestemd. Ook is eiser biseksueel, waardoor hij problemen heeft gekregen in Jordanië.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak;\n\n3. de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.\n\n4.1.. \n\nDe minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief acht de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Tenslotte werpt de minister aan eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft.Ten aanzien van het asielmotief seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen is de minister van oordeel dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en is dit asielmotief niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook hier werpt de minister eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval.\n\nNiet is gebleken dat eiser een vluchteling is en dat hij uit Jordanië komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen.\n\nHeeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?\n\n5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024\u002F6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van de WI 2014\u002F10. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser is gehandeld in strijd met de WI 2014\u002F10, omdat daaruit blijkt dat het relaas van een asielzoeker voor waar moet worden aangenomen wanneer de asielzoeker alle vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord. Hiervoor geldt dat het relaas op hoofdlijnen consistent en niet-onaannemelijk moet zijn en in lijn moet zijn met wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. Dit is bij eiser het geval, wat de minister heeft miskend.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024\u002F6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen.Hierbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.\n\nHeeft de minister de documenten die eiser heeft overgelegd voldoende betrokken bij de besluitvorming?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister de door hem ingebrachte documenten onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van zijn gestelde problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak. Eiser heeft een originele verklaring van zijn moeder overgelegd, welke verklaring zijn moeder bij de plaatselijke Sheikh heeft afgelegd. De minister heeft ten onrechte overwogen dat deze verklaring geen objectief verifieerbaar document is. Deze verklaring is te vergelijken met een aangifte bij de politie of een verklaring bij de notaris. Om die reden heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit document niet inhoudelijk is betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft dit document ten onrechte niet in onderlinge samenhang beoordeeld met de verklaring van eiser over zijn asielrelaas. Hetzelfde geldt voor het door eiser ingebracht videofragment waarop de beschieting van de auto te zien is. Ook hierbij is door de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet inhoudelijk betrokken is bij de besluitvorming en dit videofragment had in onderlinge samenhang met het asielrelaas moeten worden beoordeeld. In beroep heeft eiser aanvullende documenten overgelegd: de verklaringen van zijn buren over de vogelvrijverklaring en de bedreigingen van eiser.\n\n6.1.. De rechtbank stelt voorop dat dit asielmotief ziet op de problemen die eiser heeft ondervonden met de Alkhaldi-stam. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser dat asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. De door eiser overgelegde verklaring van zijn moeder is niet objectief verifieerbaar, omdat het om de moeder van eiser gaat en het dus geen objectief persoon betreft. Dat laatste geldt volgens de minister ook voor de verklaringen van de buren, zodat ook deze verklaringen geen objectief verifieerbare documenten betreffen. Het videofragment dat eiser heeft overgelegd waarop de beschieting te zien is, is ook niet objectief verifieerbaar. De minister heeft terecht gesteld dat het enkele feit dat op dit fragment een auto te zien is waarvan de zijruiten zijn verbrijzeld, onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiser het slachtoffer is geweest van een aanval of om zijn problemen met de Alkhaldi-stam geloofwaardig te achten. Ten aanzien van de verklaring van moeder van eiser en het videofragment heeft de minister op zitting gesteld dat deze documenten, die niet kunnen dienen als onderbouwing van het asielmotief, wel zijn meegenomen in de beoordeling. Ten aanzien van de verklaringen van de buren, die in beroep zijn overgelegd, heeft de minister zich op zitting nog op het standpunt gesteld dat deze de beoordeling van het asielrelaas niet anders maken. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister op zitting aldus dat hij de door eiser overgelegde documenten, hoewel hij deze niet voldoende achtte ter onderbouwing van het asielmotief in het kader van stap 2a van WI 2024\u002F6, wel heeft betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestaat eiser het voordeel van de twijfel te geven als bedoeld in stap 2b van die werkinstructie. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn niet nader onderbouwde betoog dat de minister de documenten niet in samenhang met zijn verklaringen over het asielrelaas heeft beoordeeld.\n\n6.2.. Nu dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daar geen goede verklaring voor.\n\nHeeft de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig mogen achten?\n\n7. Eiser betoogt dat de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank bespreekt hierna de beroepsgronden die zijn gericht tegen het standpunt van de minister dat het relaas van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de tegenwerping dat het onlogisch is dat hij na vijf jaar vriendschap problemen kreeg met [persoon A]. Voorts zal de rechtbank ingaan op de vraag of eiser zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\nProblemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] zijn vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch7.1.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser heeft in de zienswijze alsnog de naam van de neef en van het café waar de betrapping plaatsvond genoemd. Hij wijst erop dat de gebeurtenissen twee jaar eerder hebben plaatsgevonden, waardoor eiser zich de namen niet kon herinneren. De minister heeft ten onrechte niet doorgevraagd, bijvoorbeeld over zijn bekendheid met het café en de frequentie van zijn bezoeken daaraan. Eiser kwam niet vaker in dit café en het risico dat hij daar gezien kon worden was te verwaarlozen, aangezien Amman een stad is met meer dan vier miljoen inwoners. Eiser heeft duidelijk verklaard dat het enkele feit dat hij samen met [persoon A] uit een café kwam lopen aanleiding was van de problemen met de Alkhaldi-stam. In de Jordaanse cultuur van eiser is het niet toegestaan dat een man alleen met een vrouw erop uitgaat. Nadat eiser en [persoon A] betrapt waren, hebben zij elkaar niet meer gezien. Eiser betoogt verder dat de minister zijn verklaring dat het leek alsof hij en [persoon A] seks hadden te letterlijk neemt. Dit heeft eiser enkel verklaard om duidelijk te maken dat het ongebruikelijk is om in het openbaar met een vrouw af te spreken. Eiser kent de namen van de familieleden van de Alkhaldi-stam niet. Hem kan dan ook niet worden verweten dat hij de namen niet kent van de personen die hem (telefonisch) hebben bedreigd. In veel gevallen waar mensen worden bedreigd is enkel bekend vanuit welke hoek de bedreigingen komt, niet wie de bedreigers precies zijn. Dit is bij eiser ook het geval aangezien duidelijk is dat de bedreigingen afkomstig zijn uit de Alkhaldi-stam.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’.\n\n7.3.. Het voorgaand in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de problemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser stelt dat de neef van [persoon A] hen betrapt heeft bij een café in Amman, maar kan niet gedetailleerd over deze neef verklaren nu hij zijn naam niet kan noemen. Ook kan eiser de naam van het betreffende café niet noemen. De minister stelt terecht dat dat wel van eiser verwacht had mogen worden, nu dit de kern van het asielrelaas van eiser is. Het enkele feit dat het bezoek in 2019 plaatsvond maakt dit niet anders. Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser in de zienswijze alsnog de naam van zowel de neef als van het café noemt, heeft de minister terecht gesteld dat eiser hierover tijdens gehoor gedetailleerd had dienen te verklaren en niet pas in de zienswijze. De minister heeft verder terecht gesteld dat eiser niet nader heeft onderbouwd hoe het enkel samen met [persoon A] verlaten van het café is uitgelegd als een aanwijzing dat hij en [persoon A] seks met elkaar hebben gehad dan wel dat deze omstandigheid voor problemen heeft gezorgd. De eigen verklaringen van eiser bieden daarvoor geen steun, nu daaruit niet volgt dat reeds het enkele samen verlaten van het café tot problemen met de Alkhaldi-stam heeft geleid. De enkele stelling van eiser dat het in de Jordaanse cultuur niet is toegestaan dat eiser alleen op pad gaat met een vrouw is hiervoor namelijk onvoldoende. Dit is verder ook niet onderbouwd. Voorts heeft de minister terecht gesteld dat eiser onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over de persoon door wie hij is bedreigd, nu eiser wel heeft verklaard veel telefoontjes te hebben gehad maar niet heeft kunnen aangeven van wie deze afkomstig waren. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het onlogisch is dat eiser niet de precieze naam van de vader van [persoon A] kan benoemen, terwijl hij zo intensief met zijn dochter is omgegaan, of van de andere Sheiks waar hij voor stelt te vrezen.\n\nWisselende verklaringen over wanneer eiser vogelvrij is verklaard7.4.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. Aan het eind van het gehoor begon de hoormedewerker opnieuw over het vogelvrij verklaren van eiser. Eiser heeft toen een ander jaartal, 2018, genoemd dan eerder in het gehoor toen het hierover ging. In de rest van het nader gehoor heeft eiser consistent verklaard dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Het kan eiser niet worden verweten dat hij tijdens een ruim zes uur durend gehoor, vol met spanningen, een fout maakt. Eiser kon zich niet meer herinneren wat er gebeurde. Na dag twee van het gehoor heeft eiser een hartinfarct gekregen, waaruit blijkt dat zijn fysieke situatie tijdens dag twee van het gehoor niet goed was. Tijdens het gehoor heeft eiser niet aangegeven dat de spanning te groot was, omdat het gehoor dan zou worden uitgesteld en hij weer lang moest wachten.\n\n7.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. In het nader gehoor geeft eiser aan dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Verderop in het nader gehoor verklaart eiser dat hij in 2018 vogelvrij is verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij in 2019, samen met [persoon A], is betrapt door haar neef. Het is dan ook niet logisch dat eiser in 2018 vogelvrij is verklaard. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk dat hij vogelvrij is verklaard omdat hij de eer van de familie van [persoon A] heeft geschonden door met haar samen te zijn. Dit is niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het slecht voorstelbaar is dat eiser eerst vogelvrij is verklaard en daarna problemen heeft ervaren met de familie van [persoon A]. Het nader gehoor is de plek waar eiser zijn asielrelaas naar voren dient te brengen. Het enkele feit dat het nader gehoor zes uur duurde maakt niet dat eiser niet volledig hoefde te zijn. Aan eiser is meermaals gevraagd of het nog ging en ook zijn er pauzes gehouden. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om aan te geven dat hij gespannen was en even een pauze nodig had.\n\nDe summiere en tegenstrijdige verklaringen van eiser over [persoon A]7.6.. Eiser betoogt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij zijn relatie met [persoon A] niet persoonlijk heeft gemaakt. Het was een geheime relatie tussen studiegenoten en dit moest geheim worden gehouden voor anderen. Zij spraken vooral telefonisch met elkaar, waarin de frequentie van het contact was aangepast aan de omstandigheden. Onder de omstandigheden waar eiser en [persoon A] zich in bevonden is het bespreken van de namen van familieleden niet een primaire bezigheid. Het is zeer de vraag of er meer te zeggen is over de relatie tussen eiser en [persoon A]. Het was een relatie waaraan maar beperkt vorm kon worden gegeven omdat er anders problemen zouden ontstaan. In de aanvullende gronden van 20 februari 2026 voert eiser aan dat de band met [persoon A] vriendschappelijk was, maar dat zij incidenteel betrokken raakte bij een trio. Dit betekent echter niet dat eiser een seksuele relatie onderhield met [persoon A]. Bovendien is eiser niet uitgenodigd om uitgebreider over zijn relatie met [persoon A] te verklaren, waardoor de summiere verklaringen niet aan hem kunnen worden tegengeworpen.\n\n7.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser summier en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon A]. Eiser stelt vijf jaar te hebben afgesproken en telefonisch contact te hebben gehad met [persoon A], zodat van hem verwacht kon worden dat hij meer persoonlijk over haar en de relatie met haar kon verklaren, terwijl eiser is blijven steken in algemeenheden. Voorts heeft eiser tegenstrijdig verklaard doordat hij heeft verklaard dat hij af en toe een trio met [persoon A] heeft gehad, maar anderzijds heeft eiser aangegeven dat zijn band met [persoon A] puur vriendschappelijk was. Zoals eerder overwogen is het nader gehoor de plek om het asielrelaas naar voren te brengen. Eiser heeft de voldoende gelegenheid gehad om over de relatie met [persoon A] te verklaren, zodat zijn standpunt dat hij niet is uitgenodigd om uitgebreider over [persoon A] te verklaren niet opgaat.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en geen goede reden daarvoor7.8.. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond, omdat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk zou hebben ingediend. Eiser is met een toeristenvisum Nederland binnengekomen, met als doel om hier asiel aan te vragen. Dat heeft hij op Schiphol gemeld, daar zijn zijn vingerafdrukken genomen en is er een foto gemaakt. Toen eiser aankwam in Ter Apel bleek er geen plek voor hem te zijn. Eiser wijst hierbij op de onveilige situatie die destijds aan de hand was in Ter Apel, waar asielzoekers veelvuldig buiten moesten slapen en waar sprake was van veel criminaliteit. Eiser besloot daarom door te reizen naar Duitsland en uiteindelijk naar Denemarken. Dit kan hem niet worden verweten, aangezien hij in zijn eigen levensonderhoud wilde voorzien toen bleek dat Nederland hem niet kon opvangen. Eiser heeft in Denemarken een aantal maanden in de gevangenis gezeten, waardoor hij pas in april 2022 asiel kon aanvragen.\n\n7.9.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend. Dat eiser niet bekend was met de asielprocedure in Nederland en dat hij niet beschikte over middelen van bestaan is geen verschoonbare reden voor het laat indienen van zijn asielaanvraag. Van iemand die stelt dat een vrees te hebben in zijn land van herkomst mag worden verwacht dat hij zo snel mogelijk de bescherming zoekt die hij nodig heeft.\n\nTussenconclusie7.9.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig zijn.\n\nHeeft de minister de problemen van eiser over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten?\n\n8. Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt, eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan, eiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent, eiser verklaart oppervlakkig over zijn gevoelens in Nederland, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Jordanië problemen heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens en eiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland. De minister is voorts van oordeel dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft.\n\n8.1.. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn problemen over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. Eiser stelt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet uitgebreider heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan. Eiser is hier tijdens het gehoor ook niet op gewezen. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd op summiere antwoorden en niet heeft uitgelegd waarom van hem verwacht moet worden dat hij meer inzicht zou geven. Volgens eiser heeft de minister geen rekening gehouden met zijn referentiekader in de zin dat hij niet gewend is hierover te spreken en schaamte ervaart. Eiser loopt gevaar in Jordanië wanneer zijn seksuele gerichtheid daar bekend wordt. In het nader gehoor heeft eiser uitgebreid verklaard en antwoord gegeven op alle vragen. Hierbij heeft hij verteld over meerdere seksuele ervaringen. Ondanks zijn referentiekader heeft eiser het nodige verklaard over het bewustwordingsproces van zijn biseksuele gevoelens. Eiser betoogt voorts dat hij ten aanzien van zijn band met [persoon B] de vragen hierover adequaat heeft beantwoord. Eiser heeft in beroep screenshots overgelegd van de whatsappcontacten met [persoon B]. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij oppervlakkig heeft verklaard over de manier waarop hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat. De seksuele gerichtheid was voor eiser niet de reden om in Nederland asiel aan te vragen. Omdat eiser zijn biseksualiteit inmiddels verder heeft ontplooid, kan van hem niet worden gevraagd dat hij dit nog langer onderdrukt bij terugkeer naar Jordanië. Ter zake de problemen die hij in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens stelt eiser dat hij uitvoerig over de arrestatie door de moraalpolitie heeft verklaard en dat niet valt in te zien hij eiser zou moeten welke over welke informatie de moraalpolitie direct voorafgaande de arrestatie beschikte.\n\n8.2.. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep gronden heeft gericht tegen alle tegenwerpingen die ten grondslag liggen aan het standpunt van de minister dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank bespreekt deze hierna.\n\nReferentiekader8.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Bij de beoordeling van dit asielmotief heeft de minister namelijk gebruik gemaakt van de WI 2019\u002F17) waarbij is gekeken hoe eiser zich bewust werd van zijn biseksuele gerichtheid en hoe hij daarmee is omgegaan en naar zijn relaties. Dit alles is afgezet tegen zijn culturele context, waarin biseksualiteit niet wordt geaccepteerd.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt8.4.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt. Eiser heeft hierover enkel gesteld dat hij wel degelijk het nodige heeft verklaard, maar de minister stelt terecht dat eiser oppervlakkig heeft verklaard en niet inzichtelijk heeft gemaakt aan de hand van concrete voorbeelden waarom eiser zich ongemakkelijk voelde en waarom eiser angst voelde. Ook de verklaring van eiser hoe het voor hem was om tot de realisatie te komen dat hij biseksueel is, is oppervlakkig en algemeen van aard. Eiser heeft hierover alleen verklaard dat hij zich blij en meer open voelde. Ook na het meerdere keren doorvragen door de hoormedewerker blijft eiser summier en oppervlakkig. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over de seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan8.5.. De minister heeft zich voorts terecht het standpunt gesteld dat eiser summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan. Eiser heeft verklaard dat de realisatie rond zijn 18e verjaardag heeft plaatsgevonden en dat de acceptatie van zijn seksuele gerichtheid plaatsvond rond 21- of 22-jarige leeftijd. Terecht stelt de minister dat eiser hiermee niet concreet heeft gemaakt hoe het moment van realisatie naar acceptatie is verlopen. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen. De minister stelt daarbij ook terecht dat juist in een land als Jordanië waar een stigma heerst op het lhbti-gemeenschap van eiser verwacht mag worden dat hij persoonlijker kan verklaren over hoe deze ontdekking en acceptatie voor hem is geweest.\n\nEiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent8.6.. De minister stelt zich verder naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de band met [persoon B] voor hem betekent. Ook hierin blijkt eiser steken in algemeenheden en maakt hij niet concreet wat de band met [persoon B] persoonlijk voor hem betekent. Nu eiser heeft verklaard dat hij in het verleden met niemand over zijn seksuele gerichtheid kon spreken en [persoon B] de eerste persoon in Nederland was met wie hij dit wel heeft gedaan, mocht de minister van eiser verwachten dat hij zou kunnen vertellen hoe dit voor hem was en wat de band met [persoon B] voor hem betekende.\n\nEiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland8.7.. Met betrekking tot de verklaringen van eiser over hoe hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in algemeenheden blijft hangen. Eiser heeft niet concreet kunnen maken waarom hij in Nederland een mooi gevoel krijgt bij het openbaar kunnen uiten van zijn seksualiteit. Eiser heeft geen persoonlijke antwoorden kunnen geven waarbij hij inzicht heeft gegeven in zijn gedachten.\n\nEiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens8.8.. Eiser heeft gesteld dat de moraalpolitie hem heeft gearresteerd vanwege zijn biseksuele gerichtheid. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de politie bij hem binnenkwam. Eiser verklaart hierover immers dat hij denkt dat het door een anonieme tip kwam zodat zijn stelling dat hij problemen heeft ervaren vanwege zijn biseksuele gerichtheid op vermoedens rust. Bovendien weet eiser niet zeker of hij is aangehouden vanwege zijn seksuele gerichtheid. Nu eiser heeft verklaard geen andere problemen wegens zijn biseksuele gerichtheid te hebben meegemaakt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ervaren in Jordanië vanwege zijn biseksuele gerichtheid.\n\nTussenconclusie8.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen door zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan, een niet samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Uit overweging 7.9 volgt dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hiervoor geen goede reden heeft. De minister heeft dit asielmotief dan ook terecht ongeloofwaardig geacht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.\n\n Rb. Den Haag (zp. Arnhem), 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, onder 7.1.1.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","ecli-nl-rbdha-2026-18457",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]