[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-1905":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-1905":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1784","ECLI:NL:RBGEL:2026:1905","",60,"Arnhem","arnhem","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK Gelderland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nZaaknummer: C\u002F05\u002F451561 \u002F HA ZA 25-201\n\nVonnis van 11 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nde stichting\n\nSTICHTING ZORGWONEN BRONBEEK,\n\ngevestigd te Gilze,\n\neisende partij in de hoofdzaak,\n\neisende partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de Stichting,\n\nadvocaten: mr. E.W.J. van Dijk en mr. T.D. Rijs,\n\ntegen\n\nde publiekrechtelijke rechtspersoon\n\nGEMEENTE ARNHEM,\n\nzetelend te Arnhem,\n\ngedaagde partij in de hoofdzaak,\n\ngedaagde partij in het incident,\n\nhierna te noemen: de Gemeente,\n\nadvocaten: mr. A.M.E. van Wijk-Driessen en mr. T.E.P.A. Lam.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het tussenvonnis van 10 september 2025\n\n- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 januari 2026.\n\n1.2.. Ten slotte is bepaald dat de rechtbank vandaag vonnis wijst in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. De Gemeente is eigenaar van een perceel aan [adres] . Op dit perceel is sinds 1968 een recht van erfpacht gevestigd. Dit recht van erfpacht is in 2018 overgedragen aan de Stichting. Na een voorlopige aanwijzing door het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 23 november 2021 heeft de gemeenteraad op 16 februari 2022 een voorkeursrecht als bedoeld in de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) gevestigd op het perceel. Dit is nu een voorkeursrecht op grond van de Omgevingswet.\n\n2.2.. Deze zaak gaat over de vraag of dit voorkeursrecht in de weg staat aan vervreemding van het erfpachtrecht aan derden. De Stichting heeft namelijk bij brief van 21 november 2023 aan het college gevraagd om binnen vier weken de rechter te verzoeken om een oordeel over de prijs te geven, een en ander als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg. Het college heeft geen verzoekschrift ingediend bij de rechtbank. Volgens de Stichting heeft zij daarom, gezien artikel 13 lid 3 Wvg, de vrijheid om het perceel te vervreemden aan derden.\n\n2.3.. De Stichting heeft het erfpachtrecht eind januari 2024 verkocht aan Stichtse Advies B.V. voor € 9.300.000,00. De levering, die in februari 2024 zou plaatsvinden, is echter niet doorgegaan. Dit na een e-mail van de advocaat van de Gemeente aan de notaris waarin staat dat de Stichting niet vrij is om het erfpachtrecht te verkopen. Op 23 oktober 2025 heeft de Stichting een koopovereenkomst gesloten met REB Projects B.V. voor € 6.525.000,00. De overeenkomst bevat een ontbindende voorwaarde in verband met het voorkeursrecht die tot 1 mei 2026 kan worden ingeroepen. De voorgenomen leveringsdatum is 1 juni 2026.\n\n2.4.. In de hoofdzaak vordert de Stichting – kort samengevat – verklaringen voor recht dat zij gedurende drie jaar na 22 december 2023 vrij is om het erfpachtrecht te vervreemden en dat de Gemeente onrechtmatig handelt door te stellen dat dit niet zo is en aldus de verkoop daarvan tegen te houden. Zij vordert ook een verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die de Stichting lijdt en een veroordeling om die schade te vergoeden, op te maken bij staat. Zij vordert verder een bevel dat de Gemeente zich onthoudt van handelen dat de verkoop van het perceel belemmert of frustreert.\n\n2.5.. De Stichting heeft, tot slot, een provisionele vordering ingesteld, mede met het oog op de verkoop van het erfpachtrecht aan REB Projects (zie hierna in 4.1-4.3).\n\n2.6.. De Gemeente vindt dat alle vorderingen moeten worden afgewezen.\n\n2.7.. De rechtbank is van oordeel dat de Stichting niet vrij is om het erfpachtrecht aan derden te vervreemden en geen recht heeft op schadevergoeding. Zij legt hierna uit waarom.\n\n3. De beoordeling in de hoofdzaak\n\n3.1.. De rechtbank moet eerst beoordelen of de brief van de Stichting van 21 november 2023 kan worden aangemerkt als een verzoek aan het college als bedoeld in artikel 13 lid 1 van de Wvg. Ten tijde hier van belang luidde dit artikellid als volgt: “Indien burgemeester en wethouders en de vervreemder in onderhandeling zijn getreden ter bepaling van de vervreemdingsvoorwaarden en gehandeld is overeenkomstig de artikelen 11 en 12, eerste lid, kan de vervreemder aan burgemeester en wethouders verzoeken om binnen vier weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven.”\n\nAan de eisen van artikel 13 lid 1 Wvg, inclusief het onderhandelingsvereiste, is voldaan\n\n3.2.. Partijen zijn het erover eens dat is gehandeld overeenkomstig artikel 11 en 12 lid 1 Wvg. De Stichting heeft namelijk op 17 oktober 2023 aan het college laten weten dat zij bereid is het pand te verkopen tegen nader overeen te komen voorwaarden. Het college heeft vervolgens op 6 november 2023 aan de Stichting geschreven dat de Gemeente in beginsel bereid is het perceel aan te kopen tegen nader overeen te komen voorwaarden.\n\n3.3.. Vast staat ook dat de brief van de Stichting van 21 november 2023 tekstueel gezien een verzoek aan het college als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg bevat. In deze brief staat:\n\n“Op 16 oktober jl. hebben wij als eigenaar van een pand aan [adres] , kadastraal bekend [gegevens kadaster] , door middel van aangehecht schrijven tot u gericht.\n\nIn het schrijven hebben wij aangegeven bereid te zijn voornoemde goed aan de gemeente te verkopen tegen nader overeen te komen voorwaarden. Echter hebben tot heden geen besluit ontvangen.\n\nDerhalve verzoeken wij, ingevolge art. 13 Wvg, om binnen vier(4) weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven.”\n\n3.4.. De Stichting stelt dat deze brief op 22 november 2023 is verzonden en op 24 november 2023 is bezorgd. De Gemeente betwist de ontvangst hiervan niet. Ook in zoverre is dus voldaan aan de ingangseisen van artikel 13 lid 1 Wvg.\n\n3.5.. Volgens de Gemeente was de Stichting echter op 21 november 2023 (nog) niet gerechtigd om een verzoek als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg te doen, omdat niet aan het onderhandelingsvereiste werd voldaan. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.\n\n3.6.. Uit de parlementaire geschiedenis van de oorspronkelijke aanbiedingsprocedure van de Wvg, zoals die tot 1 juli 2010 luidde, volgt dat de formele en procedurele voorschriften van de Wvg de vrijheid van partijen onverlet laten om de onderhandelingen te voeren naar eigen inzicht en op meer informele wijze. De wijze waarop partijen de onderhandelingen voeren, moet in beginsel aan hen worden overgelaten. Waar de wet termijnen noemt waarbinnen verzoeken moeten worden gedaan, hebben die termijnen de strekking in het belang van de verkoper een zo vlot mogelijk verloop van de voorkeursprocedure te waarborgen. In de artikelsgewijze toelichting staat verder dat de verkoper, als degene die uit eigen beweging tot vervreemding heeft besloten, ook zelf de voortgang van de onderhandelingen met de gemeente moet kunnen bepalen, aldus de memorie van toelichting.In de memorie van antwoord staat dat de woorden ‘in onderhandeling zijn getreden’ niet bedoelen dat al brieven zijn gewisseld of gesprekken zijn gevoerd. Zij duiden alleen aan dat partijen verkeren in een stadium van onderhandelen.Per 1 juli 2010 is de aanbiedingsprocedure vereenvoudigd. Uit de parlementaire geschiedenis hiervan volgt, deels in afwijking van voornoemde memorie van toelichting, het volgende. De wetgever is ervan uitgegaan dat partijen in beginsel door het voeren van onderhandelingen tot vaststelling van de vervreemdingsvoorwaarden komen. Daarom is in artikel 13 lid 1 Wvg vastgelegd dat partijen voorafgaand aan een eventuele rechterlijke procedure dienen te onderhandelen (brieven wisselen of gesprek(ken) voeren). De vervreemder kan een rechterlijke prijsbepalingsprocedure aanvragen wanneer partijen er gezamenlijk niet uitkomen, dat wil zeggen, als de onderhandelingen zonder resultaat blijven. Het uitgangspunt dat de vervreemder de voortgang van de onderhandelingen bepaalt, is gehandhaafd.\n\n3.7.. Tegen deze achtergrond en gelet op het navolgende is de rechtbank van oordeel dat wel degelijk aan het onderhandelingsvereiste is voldaan.\n\n3.8.. Na het beginselbesluit van 6 november 2023 verkeerden partijen in het stadium van onderhandelingen over de vervreemdingsvoorwaarden. In het beginselbesluit staat dat door de mededeling dat de Gemeente in beginsel bereid is het perceel aan te kopen tegen nader overeen te komen voorwaarden, de onderhandelingen formeel zijn gestart. De Gemeente betwist dat de Stichting de brief van 21 november 2023 heeft geschreven naar aanleiding van dit beginselbesluit, omdat in die brief staat “echter hebben tot op heden geen besluit ontvangen”. Daargelaten of het moment van het nemen van het beginselbesluit dan wel het moment van het bekendmaken van het beginselbesluit hier bepalend is, heeft de Stichting echter gesteld dat zij bedoelde dat het beginselbesluit niet formeel bij haar zelf was bezorgd. Het beginselbesluit was evenwel niet alleen per aangetekende brief aan de Stichting maar ook per e-mail aan mr. Rijs verzonden, zoals de Gemeente ter zitting heeft erkend. De Stichting stelt dat mr. Rijs deze e-mail met het beginselbesluit direct heeft doorgestuurd aan de Stichting, zodat de Stichting hiervan ten tijde van de verzending van de brief van 21 november 2023 op de hoogte was. De Gemeente heeft dit niet betwist. Vast staat dan ook dat partijen na 6 november 2023 in de fase van onderhandelingen verkeerden.\n\n3.9.. Het standpunt van de Gemeente dat partijen niet daadwerkelijk hebben onderhandeld, wordt verworpen. Bij brief van 3 juli 2023 heeft de Gemeente een aanbod van € 3.683.000,00 gedaan. Bij e-mail van 6 november 2023 heeft de Gemeente dit aanbod (samen met het beginselbesluit) opnieuw toegestuurd aan de advocaat en adviseur van de Stichting en schrijft zij dat zij dit aanbod tot 27 november 2023 gestand kan doen. Ter zitting is besproken dat de Stichting op enig moment heeft gezegd dat zij € 9.000.000,00 wilde, maar wanneer dit precies zou zijn gezegd, kon de Stichting niet aangeven. De heer [ambtenaar 3] van de Gemeente heeft verklaard dat de Stichting vóór 6 november 2023 mondeling zal hebben laten weten dat het aanbod van € 3.683.000,00 niet akkoord was, maar was hier niet zeker van. Wat hier ook van zij, vast staat dat er op 6 november 2023 een aanbod is gedaan door de Gemeente dat kennelijk niet aanvaardbaar was voor de Stichting. Dit moest de Gemeente redelijkerwijs afleiden uit de brief van 21 november 2023, ook al staat dat er niet met zoveel woorden in. De Gemeente wijst erop dat de Stichting voorafgaand aan de brief van 21 november 2023 niet (schriftelijk) aan de Gemeente heeft laten weten dat zij het aanbod van de Gemeente verwerpt en partijen dus niet op basis van die reactie in onderhandeling zijn getreden. Dat is echter geen vereiste voor het kunnen doen van een verzoek als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt immers dat de vervreemder degene is die de voortgang van de onderhandelingen bepaalt. De vervreemder bepaalt dus ook wanneer de voortgang van de onderhandelingen voor hem aanleiding vormt voor het indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg.\n\nDe Stichting heeft misbruik van haar bevoegdheid gemaakt\n\n3.10.. Het voorgaande betekent dat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het subsidiaire verweer van de Gemeente, namelijk dat het verzoek tot het starten van een prijsbepalingsprocedure is ingetrokken. In de conclusie van antwoord stelt de Gemeente dat op 28 november 2023 een bespreking plaatsvond waaruit zij mocht afleiden dat het verzoek was ingetrokken. Ter zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat de Gemeente er niet op bedacht had hoeven zijn dat de Stichting een verzoek had ingediend, omdat daarna op 28 november 2023 is gesproken over het inschakelen van taxateurs. De Gemeente denkt dat het een bewuste strategie is dat de bestuurder van de Stichting, [bestuurder] , een brief stuurt aan een antwoordnummer die daardoor te laat aankomt bij de juiste personen binnen de Gemeente terwijl de Gemeente ondertussen alleen contact heeft met de adviseur van de Stichting, [adviseur] , die tijdens de bespreking op 28 november 2023 geen melding maakt van het verzoek dat de bestuurder heeft gedaan. Volgens de Gemeente werpt de Stichting rookgordijnen op, zodat zij net aan de wet voldoet en de Gemeente om de tuin kan leiden.\n\n3.11.. Onder aanvulling van rechtsgronden (artikel 25 Rv) moet dit verweer mede worden aangemerkt als een beroep op misbruik van bevoegdheid. Dit verweer slaagt.\n\n3.12.. In artikel 3:13 lid 1 BW is bepaald dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. In lid 2 staat dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. In artikel 3:15 BW is bepaald dat artikel 3:13 BW toepassing vindt buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.\n\n3.13.. Ten eerste blijkt uit niets dat de intentie van de Stichting erop was gericht het erfpachtrecht daadwerkelijk aan de Gemeente te verkopen, noch op het bereiken van overeenstemming over de vervreemdingsvoorwaarden door middel van serieuze onderhandelingen. De in 3.2 genoemde brief van 17 oktober 2023 bevat slechts de mededeling dat de Stichting het pand wil verkopen tegen nader overeen te komen voorwaarden en bevat geen reactie op het aanbod van de Gemeente van 3 juli 2023 noch een indicatie van de voorwaarden waaronder de Stichting het erfpachtrecht wél zou willen verkopen. Op het aanbod van 3 juli 2023 is nooit schriftelijk gereageerd. Hier komt bij dat de Gemeente onbetwist heeft gesteld dat de Stichting de brief van 17 oktober 2023 heeft afgegeven aan het Loket Zuid van de Gemeente, waar alleen paspoorten kunnen worden aangevraagd. Gelet op deze wijze van afgifte lijkt het erop dat de Stichting beoogde dat het college niet binnen de zeswekentermijn een beginselbesluit zou nemen, zodat zij vervreemdingsvrijheid zou verkrijgen (artikel 12 lid 1 en 3 Wvg).\n\n3.14.. De Gemeente heeft het aanbod van 3 juli 2023 herhaald op 6 november 2023. In de betreffende e-mail schrijft [ambtenaar 1] van de Gemeente dat zij meerdere keren heeft aangeboden de aanbieding van 4 juli 2023, die was gebaseerd op een taxatie, in een gesprek toe te lichten en dat zij dit aanbod opnieuw wil doen. De Stichting heeft het verzoek ingediend op 21 november 2023. Deze brief bevat geen inhoudelijke reactie op het herhaalde aanbod van 6 november 2023 noch enige uitleg waarom een prijsvaststellingsprocedure volgens de Stichting opportuun is. In de dagvaarding staat dat het aanbod voor de Stichting niet acceptabel was en wat de Stichting betreft nooit tot overeenstemming zou kunnen leiden. Tijdens de zitting heeft de Stichting verklaard dat niet met de Gemeente is gecommuniceerd dat het aanbod van 6 november 2023 niet aanvaardbaar was voor de Stichting. Volgens de Stichting ligt dit besloten in de brief van 21 november 2023. Op zichzelf is dit juist (zie hiervoor in 3.9), maar het ontbreken van een inhoudelijke reactie maakt dat het college te minder bedacht hoeft te zijn op het verzoek tot het indienen van een verzoekschrift én stelt het college buiten staat om geïnformeerd te beslissen of het een verzoekschrift indient.\n\n3.15.. Hier komt bij dat het verzoek – in tegenstelling tot de brief van 17 oktober 2023 – is geadresseerd aan een antwoordnummer. Op de vraag waarom deze brief is geadresseerd aan een antwoordnummer heeft de Stichting ter zitting geantwoord dat de bestuurder het antwoordnummer kende en dacht “het is makkelijk zo.” Ter zitting heeft de Gemeente toegelicht dat de post aan het antwoordnummer wel op het stadhuis binnenkomt, maar dat de postkamer vervolgens moet uitzoeken waar de brief naartoe moet. Het verzoek van 21 november 2023 bevat hiertoe weinig aanknopingspunten. Zo stond op het verzoek geen kenmerk, contactpersoon of verwijzing naar het beginselbesluit. De Stichting moet hebben beseft dat zij de tijdige en zorgvuldige afhandeling van haar verzoek aldus bemoeilijkte en de kans dat het college niet op tijd een verzoekschrift zou indienen, zou vergroten. Dit wekt bij de rechtbank de indruk dat het doel van de Stichting was dat het college niet tijdig een verzoekschrift zou indienen, zodat zij vervreemdingsvrijheid zou verkrijgen (artikel 13 lid 3 Wvg). De Stichting heeft die indruk niet met een toereikende verklaring kunnen wegnemen.\n\n3.16.. Vast staat dat het verzoek pas na afloop van de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg op het bureau van de behandelend ambtenaren, [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2] , is terechtgekomen. Gedurende deze vier weken is verder geen melding gemaakt van het bestaan van het verzoek door de Stichting. Dit terwijl in de tussentijd wel een bespreking heeft plaatsgevonden tussen deze ambtenaren en de adviseur van de Stichting, [adviseur] , op 28 november 2023. Vast staat dat de ambtenaren van de Gemeente tijdens deze bespreking niet op de hoogte waren van het bestaan van het verzoek en dat [adviseur] hiervan geen melding heeft gemaakt. In het licht van het feit dat het verzoek op dat moment niet bekend was bij de relevante personen binnen de Gemeente en niet is besproken op 28 november 2023 heeft de Gemeente onvoldoende gemotiveerd gesteld waarom zij uit die bespreking redelijkerwijs heeft mogen afleiden dat de Stichting het verzoek van 21 november 2023 introk. Uit wat zij stelt over het onderwerp van deze bespreking (zie hierna in 3.17), kan dit niet worden afgeleid. Dit standpunt wordt derhalve in zoverre verworpen.\n\n3.17.. Partijen verschillen van mening over de vraag wat er tijdens die bespreking op 28 november 2023 is besproken dan wel is afgesproken. Volgens de Stichting was zij slechts geïnteresseerd in de onderbouwing van het aanbod van de Gemeente van 6 november 2023, is er niet onderhandeld en zijn er geen afspraken gemaakt. Volgens de Gemeente hebben partijen concrete afspraken gemaakt over de wijze waarop zij gezamenlijk tot een prijs van het erfpachtrecht wilden komen. Er zou een vervolgafspraak gepland worden waarbij de taxateurs van de Stichting en de Gemeente zouden aanschuiven en de [gebouwnaam] zou gezamenlijk bezichtigd worden. Op dit punt wijst de Gemeente op de e-mail van [ambtenaar 2] aan [adviseur] van 1 december 2023. Hierin staat dat [adviseur] tijdens de bespreking heeft aangegeven dat hij eerst met de bestuurder van de Stichting in overleg wilde gaan of hij akkoord is met de bezichtiging van de [gebouwnaam] door de taxateurs van de Stichting en de Gemeente en dat is afgesproken dat de Gemeente de reactie van [adviseur] afwacht.\n\n3.18.. De rechtbank stelt vast dat de vierwekentermijn nog niet was verstreken op het moment van verzending van deze e-mail. De Stichting althans haar adviseur hebben niet gereageerd op deze e-mail. Volgens de Stichting was dat omdat zij na de bespreking van 28 november 2023 de taxatie van de Stichting ontving, die hoger uitkwam dan de taxatie van de Gemeente. Maar (ook) dat heeft zij niet aan de Gemeente laten weten. Ter zitting heeft de Stichting verklaard dat de taxatie van de Stichting pas later, in het kader van een procedure over de opzegging van het erfpachtrecht, is gedeeld met de Gemeente. Weliswaar heeft de Stichting onder verwijzing naar een verklaring van [adviseur] naar voren gebracht dat hij niet over een mandaat beschikte, maar zij heeft de stelling van de Gemeente dat de Gemeente nog nooit iemand van de Stichting heeft gesproken (zoals haar bestuurder) en dat [adviseur] in de gesprekken naar voren werd geschoven als degene die sprak namens de Stichting niet betwist. Dit staat dus vast: de Gemeente sprak met [adviseur] en [adviseur] heeft na 28 november 2023 niet gecommuniceerd met de Gemeente.\n\n3.19.. De rechtbank acht ook feiten en omstandigheden van na het verstrijken van de vierwekentermijn relevant. Bij e-mail van 30 januari 2024 schrijft [ambtenaar 2] aan [adviseur] dat zij helaas niets meer van hem heeft vernomen, en graag van hem verneemt wat de status is. Ter zitting heeft de Stichting verklaard dat er in de tussentijd – dus tussen 1 december 2023 en 30 januari 2024 – geen contact is geweest tussen de Stichting en de Gemeente. Op de e-mail van 30 januari 2024 heeft de Stichting, althans haar adviseur, evenmin gereageerd. Hiermee staat vast dat de Stichting de Gemeente – los van het verzoek van 21 november 2023 zelf – niet alleen tijdens de vierwekentermijn niet op de hoogte heeft gesteld van het indienen van dit verzoek maar zich ook na het verstrijken hiervan niet direct op het standpunt heeft gesteld ten opzichte van de Gemeente dat die termijn was verstreken en zij dus (in haar ogen) vrij was om het erfpachtrecht aan derden te verkopen.\n\n3.20.. Eind januari 2024 heeft de Stichting het erfpachtrecht verkocht aan Stichtse Advies. In het dossier bevinden zich e-mails van Apollo Investments B.V. namens Stichtse Advies en [bestuurder] van de Stichting. In een e-mail van 19 februari 2024 schrijft Apollo dat [bestuurder] heeft aangegeven dat “het Wet Voorkeursrecht Gemeente dat op het object rustte er van af was”. Op dezelfde dag antwoordt [bestuurder] : “Dit staat bij kadaster nog wel geregistreerd maar wij zijn vrij om te verkopen. Dit is dus niet meer van toepassing.” En ook schrijft [bestuurder] : “De afgesproken leverdatum was 7 februari, ik wil niet langer meer wachten. Kun jij bevestigen dat de overdracht zal plaatsvinden uiterlijk 28 februari 2024?”\n\n3.21.. Ter zitting heeft de advocaat van de Gemeente toegelicht dat zij op 22 februari 2024 werd gebeld door notaris mr. [notaris] . Hij wilde met spoed weten of de Stichting mocht verkopen vanwege de levering de dag erna. De Stichting had tegen hem gezegd dat er geen voorkeursrecht meer gold, maar de notaris zag in de registers dat dit er wel nog was en hij wilde weten of het voorkeursrecht nog gold. De advocaat van de Gemeente heeft de notaris gevraagd om zijn vraag per e-mail te stellen. Er is niet gesproken over het niet tijdig indienen van een verzoekschrift door de Gemeente, aldus de Gemeente. De Stichting heeft dit niet betwist. Ter zitting heeft de advocaat van de Gemeente gezegd dat zij niet weet of zij zelf tegen de notaris heeft gezegd dat het verzoekschrift niet tijdig is ingediend.\n\n3.22.. In de e-mail van de notaris aan de advocaat van de Gemeente van 22 februari 2024 staat het volgende: “Op dit moment ben ik bezig te onderzoeken of het mogelijk zou zijn voor Stichting Zorgwonen Bronbeek om het recht van erfpacht over te dragen aan een andere partij. Gesteld wordt van de kant van Stichting Zorgwonen Bronbeek dat zij inmiddels vrij zouden zijn om het recht van erfpacht te verkopen. Zou u dat namens de gemeente kunnen bevestigen?” De advocaat van de gemeente antwoordt op 23 februari 2024: “de stelling van Stichting Zorgwonen Bronbeek dat zij inmiddels vrij zou zijn om het recht van erfpacht te verkopen is onjuist. De Wet Voorkeursrecht Gemeente is nog altijd van toepassing en de gemeente stemt niet in met verkoop van het recht van erfpacht.”\n\n3.23.. Tijdens de zitting heeft mr. Van Wijk-Driessen eerst gezegd dat zij er vrij zeker van was dat zij het verzoek van 21 november 2023 kende ten tijde van haar telefoongesprek en correspondentie van de notaris. Aan het einde van de zitting heeft mr. Lam echter naar voren gebracht dat zij pas bij e-mail van 15 maart 2024 door [ambtenaar 1] van de Gemeente op de hoogte is gebracht van het verzoek van 21 november 2023 en heeft hij uit deze e-mail, waarbij het verzoek zou zijn gevoegd, geciteerd. De Stichting wijst er terecht op dat een en ander niet met elkaar te rijmen is en dat de e-mail van 15 maart 2024 niet in het geding is gebracht. Het laatste standpunt van de Gemeente strookt echter wel daarmee dat eerst na februari 2024 is gecorrespondeerd tussen partijen over de stelling van de Stichting dat de Gemeente niet tijdig een verzoekschrift heeft ingediend. De rechtbank zal er dan ook van uitgaan dat de advocaat van de Gemeente in februari 2024 nog niet op de hoogte was van het verzoek van 21 november 2023.\n\n3.24.. De notaris schrijft op 23 februari 2024 aan Apollo en [bestuurder] dat er nu nog niet gepasseerd kan worden en ook niet op 28 februari 2024. Op 23 februari 2024 schrijft Apollo aan [bestuurder] dat hij telkenmale heeft aangegeven dat het voorkeursrecht eraf was en dat er zo spoedig mogelijk getransporteerd kan\u002Fmoet worden. De notaris geeft aan dat er niet getransporteerd kan worden. Hierdoor lijdt de koper schade, geeft zij de vordering uit handen en stelt de Stichting in gebreke. Onder verwijzing naar artikel 11.2 van de koopovereenkomst claimt zij 10% van de koopsom, aldus Apollo. Op 27 februari 2024 heeft de advocaat van Stichtse Advies een ingebrekestelling verstuurd. Op 4 maart 2024 maakt zij aanspraak op betaling van de contractuele boete van 10% ad € 930.000,00. Uiteindelijk heeft deze rechtbank eind 2024 op vordering van Stichtse Advies voor recht verklaard dat de Stichting is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en dat Stichtse Advies een geslaagd beroep kan doen op artikel 11.2 van de koopovereenkomst.\n\n3.25.. In het dossier zit een aangetekende brief van de Stichting aan de Gemeente van 26 februari 2024. Hierin staat dat de overdracht morgen dient plaats te vinden: “Op het pand was een voorkeursrecht gemeente gevestigd. Stichting Zorgwonen Bronbeek is hiervan nu vrij om te verkopen omdat u -de gemeente Arnhem- de rechtbank niet ingeschakeld heeft om een prijs te bepalen.” De gemeente wordt verzocht het voorkeursrecht uiterlijk op 27 februari 2024 om 17:00 uur door te halen. Bij brief van 28 februari 2024 schrijft de Stichting dat zij niet van de Gemeente heeft vernomen en verzoekt zij de Gemeente ervoor zorg te dragen dat het voorkeursrecht wordt doorgehaald zodat de leveringsakte uiterlijk vrijdag a.s. kan passeren.\n\n3.26.. De rechtbank stelt vast dat (ook) deze beide brieven zijn geadresseerd aan een antwoordnummer. Op de brieven staat geen contactpersoon of kenmerk. Wanneer de brieven zijn verzonden en ontvangen door de (behandelend ambtenaren binnen de) Gemeente heeft de Stichting niet vermeld. In de brief van 26 februari 2024 staat weliswaar dat de Stichting vrij is om te verkopen omdat de Gemeente de rechtbank niet heeft ingeschakeld om een prijs te bepalen, maar daarin wordt niet verwezen naar het verzoek van 21 november 2023 noch naar het feit dat de Gemeente niet binnen de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg een verzoekschrift heeft ingediend. Deze brieven zijn al met al geen geschikt middel om ervoor te zorgen dat de Gemeente tijdig zou bevestigen dat inderdaad geen verzoekschrift was ingediend, zodat de levering alsnog doorgang zou kunnen vinden. Op de vraag of de Stichting in die periode nog op een andere manier heeft geprobeerd om contact op te nemen met de Gemeente om de levering te laten doorgaan, heeft de Stichting ter zitting ontkennend geantwoord.\n\n3.27.. Eerst na het niet doorgaan van de levering in februari 2024 stelt de (advocaat van de) Stichting zich schriftelijk op het standpunt ten opzichte van de Gemeente dat zij de vrijheid tot vervreemding aan derden heeft als gevolg van het overschrijden van de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg naar aanleiding van het verzoek van 21 november 2023. Dat dit op enig moment vóór maart 2024 op voor de Gemeente voldoende duidelijke wijze is gebeurd, heeft de Stichting (los van de voornoemde brieven van 26 en 28 februari 2024) niet aangevoerd. Uit het telefoongesprek tussen de notaris en de advocaat van de Gemeente, zijn vraag per e-mail van 22 februari 2024, haar antwoord bij e-mail van 23 februari 2024 en de correspondentie tussen Apollo en [bestuurder] kan niet worden afgeleid dat de Stichting zich in die context met zoveel woorden op het standpunt heeft gesteld dat zij vrij was om het erfpachtrecht aan derden te verkopen omdat de vierwekentermijn van artikel 13 Wvg ongebruikt was verstreken na indiening van het verzoek van 21 november 2023. Uit termen als ‘het voorkeursrecht geldt niet meer’ en de Stichting ‘is vrij te verkopen’ hoefde de Gemeente bij gebrek aan een verwijzing naar het verzoek van 21 november 2023 niet te begrijpen dat de Stichting vond dat het rechtsgevolg van artikel 13 lid 3 Wvg (vervreemdingsvrijheid) was ingetreden, laat staan waarom.\n\n3.28.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het handelen van de Stichting in november en december 2023 niet was gericht op het bereiken van overeenstemming over de vervreemdingsvoorwaarden noch op het starten van een gerechtelijke prijsbepalingsprocedure (omdat de taxaties van de Stichting en de Gemeente uiteenliepen), maar op het laten verstrijken van fatale termijnen door de Gemeente door een verzoek in te dienen en dat zoveel mogelijk buiten het zicht van de betrokken ambtenaren – met wie haar adviseur in dezelfde periode contact had – te houden. Het handelen van de Stichting in januari en februari 2024 was voorts niet geschikt om tijdig een bevestiging van de Gemeente te verkrijgen dat zij vrij was om het erfpachtrecht te vervreemden aan derden en de levering aan Stichtse Advies alsnog doorgang te laten vinden.\n\n3.29.. Tegen deze achtergrond concludeert de rechtbank dat de Stichting te kwader trouw heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 13 lid 1 Wvg om een verzoek bij het college in te dienen. Dit betekent dat, hoewel vaststaat dat het college geen verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank binnen de fatale termijn van vier weken van artikel 13 lid 1 Wvg, dit in de gegeven omstandigheden niet leidt tot het rechtsgevolg van artikel 13 lid 3 jo. artikel 12 lid 2 en 3 Wvg, namelijk dat de Stichting gedurende drie jaar de vrijheid tot vervreemding aan derden heeft. De hierop betrekking hebbende verklaring voor recht die wordt gevorderd, is daarom niet toewijsbaar.\n\nOnrechtmatige daad en schade\n\n3.30.. De Stichting stelt verder dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en nog steeds onrechtmatig handelt door het standpunt in te nemen dat de situatie van artikel 13 lid 3 Wvg zich niet voordoet en dat de Stichting niet vrij is het erfpachtrecht te vervreemden en door dit standpunt ook uit te dragen richting de notaris. De voormelde e-mail van de advocaat van de Gemeente van 23 februari 2024 bevat een onjuiste mededeling. Dit standpunt is herhaald in een brief van de advocaat van de Gemeente van 9 september 2024 aan de advocaat van de Stichting, aldus de Stichting.\n\n3.31.. Uit wat hiervoor in 3.11 tot en met 3.29 is overwogen, volgt reeds dat van een onrechtmatige daad van de Gemeente geen sprake is. Nu het rechtsgevolg van artikel 13 lid 3 Wvg niet is ingetreden, is de mededeling aan de notaris niet feitelijk onjuist. De gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig handelt en het gevorderde bevel aan de Gemeente om zich te onthouden van elk handelen dat de verkoop belemmert of frustreert, zullen daarom worden afgewezen. Ditzelfde geldt voor de gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade die de Stichting lijdt als gevolg van de onrechtmatige daad van de Gemeente en de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding, op te maken bij staat.\n\nTen overvloede: de Stichting heeft eigen schuld\n\n3.32.. Nu de Gemeente niet aansprakelijk is, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van het eigenschuldverweer van de Gemeente. Ten overvloede overweegt de rechtbank hierover het volgende. Uit de hiervoor in 3.13 tot en met 3.18 vermelde gang van zaken volgt dat de Stichting het verzoek van 21 november 2023 zoveel mogelijk uit het zicht van de Gemeente heeft willen houden om zo de kans te vergroten dat het college niet tijdig een verzoekschrift zou indienen. Na het verstrijken van de vierwekentermijn heeft de Stichting het erfpachtrecht, zoals gezegd, eind januari 2024 verkocht aan Stichtse Advies. In de koopovereenkomst staat dat de leveringsakte uiterlijk 7 februari 2024 wordt gepasseerd, dat de verkoper instaat voor zijn bevoegdheid tot verkoop en eigendomsoverdracht, dat verkoper verklaart dat geen verplichtingen ten opzichte van derden bestaan wegens voorkeursrecht en dat de onroerende zaak niet meer is opgenomen in een (voorlopige) aanwijzing als bedoeld in de Wvg, althans dat zij thans vrij is de onroerende zaak te verkopen. Later werd de leveringsdatum 28 februari 2024. Uit de hiervoor in 3.19-3.27 beschreven gang van zaken volgt evenwel dat de Stichting zich in januari en februari 2024 niet ten opzichte van de Gemeente op het onmiskenbare standpunt heeft gesteld dat zij vrij was het erfpachtrecht te vervreemden aan derden (en waarom) noch voldoende tijdig en duidelijk heeft gevraagd aan de Gemeente om deze vervreemdingsvrijheid schriftelijk aan haar te bevestigen.Deze bevestiging was niet voorhanden ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst. De Stichting kon er redelijkerwijs niet van uitgaan dat de vraag van de notaris en haar brieven aan een antwoordnummer van 26 en 28 februari 2024 ertoe zouden leiden dat de Gemeente tijdig (dat wil zeggen: vóór de levering op 28 februari 2024) zou bevestigen dat de Stichting inderdaad de vrijheid tot vervreemding aan derden had. Niet alleen voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst maar ook ten tijde van de levering van het erfpachtrecht had de Stichting dus geen enkele zekerheid dat de Gemeente zich hier niet tegen zou verzetten met een beroep op het voorkeursrecht, terwijl zij wél met zoveel woorden aan Stichtse Advies heeft gegarandeerd dat het voorkeursrecht ‘ervan af was’ althans niet meer van toepassing was. In plaats van te vragen om uitstel van de levering heeft zij vervolgens erop aangedrongen bij Stichtse Advies dat de levering uiterlijk op 28 februari 2024 zou plaatsvinden. De schade die de Stichting stelt doordat het erfpachtrecht niet voor de overeengekomen koopprijs aan Stichtse Advies is geleverd (inclusief de misgelopen opbrengst, gemist rendement, misgelopen aflosmogelijkheden, doorlopende lasten, boete van 10% en kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW), is dus mede het gevolg van omstandigheden die aan de Stichting kunnen worden toegerekend. Zij had deze schade in elk geval kunnen voorkomen door duidelijk en transparant met de Gemeente te communiceren. In het licht daarvan moet de schade zozeer worden beschouwd als het gevolg van de gedragingen van de Stichting dat de schade geheel voor haar rekening moet blijven. Ook als de Gemeente wel onrechtmatig zou hebben gehandeld, zou de Stichting dus geen recht hebben gehad op schadevergoeding.\n\nProceskosten in de hoofdzaak\n\n3.33.. De Stichting krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Gemeente worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\n3.34.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beoordeling in het incident\n\n4.1.. De Stichting heeft op de voet van artikel 223 Rv gevorderd dat de rechtbank bij vonnis in het incident, uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van het geding in de hoofdzaak, voorlopige voorzieningen treft. Primair vordert zij een bevel dat de Gemeente zich onthoudt van elk handelen of nalaten met een beroep op het voorkeursrecht dat de verkoop van het perceel belemmert of frustreert, daaronder begrepen het in strijd hiermee verspreiden van informatie over de onroerende zaak, en dat de Gemeente in voorkomend geval de instrumenterend notaris op eerste verzoek meldt dat het voorkeursrecht niet aan levering in de weg staat, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Subsidiair vordert zij een zodanige voorziening als de rechtbank in goede justitie geraden acht. Tot slot vordert zij een veroordeling van de Gemeente in de proceskosten en nakosten.\n\n4.2.. Deze vorderingen zullen worden afgewezen. Hiervoor is overwogen dat en waarom de vorderingen van de Stichting in de hoofdzaak niet toewijsbaar zijn. In de hoofdzaak wordt eindvonnis gewezen. Een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv kan evenwel slechts worden getroffen voor de duur van het geding. Zij verliest haar werking zodra in de hoofdzaak einduitspraak wordt gedaan in de instantie die de voorziening heeft verleend, ongeacht of tegen die einduitspraak een rechtsmiddel wordt aangewend en of die einduitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Voor een eventuele procedure in hoger beroep kan de rechtbank geen voorlopige voorziening treffen. Gelet op een en ander heeft de Stichting geen belang bij de beoordeling van haar vorderingen in het incident.\n\n4.3.. De Stichting krijgt ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kosten van de gemeente worden begroot op € 653,00 aan salaris advocaat.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst de vorderingen van de Stichting af,\n\n5.2.. veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 653,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.3.. wijst de vorderingen van de Stichting af,\n\n5.4.. veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.\n\n1906\n\n Kamerstukken II 1975\u002F1976, 13713, nr. 3, p. 12, 16, 19.\n\n Kamerstukken II 1976\u002F1977, 13713, nr. 9, p. 35.\n\n Kamerstukken II 2007\u002F2008, 31285, nr. 3, p. 2-3 en 14.\n\n Rechtbank Gelderland 4 december 2024, C\u002F05\u002F435349 \u002F HA ZA 24-226 (niet gepubliceerd).\n\n Vgl. het vonnis Rechtbank Gelderland 4 december 2024, C\u002F05\u002F435349 \u002F HA ZA 24-226 (niet gepubliceerd), onder 4.14, waarop de Gemeente in dit verband wijst.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:1905","ecli-nl-rbgel-2026-1905",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]