[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-2052":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-2052":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"732","ECLI:NL:RBGEL:2026:2052","",60,"Arnhem","arnhem","2026-03-11T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 22\u002F3974, 22\u002F3980, 22\u002F4014, 22\u002F4015 en 23\u002F4204\n uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 maart 2026\n\nin de zaken tussen\n\n [curator] , curator in het faillissement van [belanghebbende] ,kantoorhoudend in [plaats] , de curator\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] ),\n\nen\n\nde inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almelo, de inspecteur.\n\nInleiding\n\nDe inspecteur heeft aan [belanghebbende] (belanghebbende) de volgende aanslagen opgelegd:\n\nEen aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 331.477 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 64.050.000. Daarnaast is een bedrag van € 1.891.472 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F3974).\n\nEen voorlopige aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 332.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453. Daarnaast is een bedrag van € 455.799 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F3980).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 262.072, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257 (23\u002F4204).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 81.329.338 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462. Daarnaast is een bedrag van € 976.038 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F4014).\n\nEen aanslag IB\u002FPVV over het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 56.412.810 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257. Daarnaast is een bedrag van € 2.035.279 aan heffingsrente in rekening gebracht (22\u002F4015).\n\nBij uitspraken op bezwaar van 28 juni 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 ongegrond verklaard.\n\nBij uitspraak op bezwaar van 12 juli 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2009 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 50.000.000. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is gehandhaafd.\n\nBij uitspraak op bezwaar van 4 april 2023 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard.\n\nDe inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .\n\nDe rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er onderling middels een compromis uit te komen.\n\nBelanghebbende heeft, zonder tussenkomst van de curator, naar aanleiding van het voorgenomen compromis nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn door de rechtbank teruggestuurd, omdat hij geen procespartij bij deze zaak is en dus niet zonder tussenkomst van de curator stukken kan indienen.\n\nDe rechter-commissaris heeft bij beschikking van 17 januari 2025 geen toestemming gegeven voor het compromis zoals door partijen werd beoogd. De gemachtigde heeft de rechtbank op 13 februari 2025 verzocht om het onderzoek ter zitting te heropenen.\n\nDe rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en de beroepen op 30 september 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .\n\nFeiten\n\n1. Belanghebbende is indirect eigenaar van 50% van de aandelen [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). De overige aandelen zijn middellijk in eigendom van de twee kinderen van belanghebbende. Belanghebbende was tot en met 7 juni 2012 enig bestuurder van [naam bedrijf 1] .\n\n2. [naam bedrijf 1] is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid vennootschapsbelasting ( [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] ) waarvan [naam bedrijf 2] ( [naam bedrijf 2] ) en haar dochtermaatschappijen deel uitmaken. [naam bedrijf 2] werd vanaf 1 december 2008 bestuurd door [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 3] . Uit het onderzoek van de curator van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] is gebleken dat [naam bedrijf 3] feitelijk geen bemoeienis met het bestuur van [naam bedrijf 2] had.\n\n3. De bezittingen en schulden (in euro’s) van belanghebbende zijn in de jaren 2008 tot en met 2012 als volgt:\n\nUltimo\n\n2008\n\n2009\n\n2010\n\n2011\n\n2012\n\nBank en overig\n\n1.800.855\n\n1.198.410\n\n3.644.951\n\n3.896.732\n\n77.416\n\n [naam bank 1] effecten\n\n30.300.556\n\n37.024.719\n\n36.816.389\n\n25.864\n\n0\n\n [naam bank 2] effecten\n\n0\n\n43.113.264\n\n32.492\n\n34.141\n\n0\n\nTotaal bezittingen\n\n32.101.411\n\n81.336.393\n\n40.493.832\n\n3.956.737\n\n77.416\n\n [naam bedrijf 2] rc\n\n0\n\n-\u002F- 1.337\n\n18.643\n\n8.722.583\n\n2.822.406\n\n [naam bedrijf 2] lening\n\n0\n\n0\n\n0\n\n4.500.000\n\n4.500.000\n\n [naam bedrijf 1] rc\n\n21.469.804\n\n41.938.169\n\n17.557.181\n\n19.571.802\n\n19.571.802\n\n [naam bedrijf 1] lening\n\n0\n\n28.383.272\n\n28.383.272\n\n29.518.603\n\n29.518.603\n\nTotaal schuld [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]\n\n21.469.804\n\n70.320.104\n\n45.959.096\n\n62.312.988\n\n56.412.811\n\n [naam bank 1] krediet\n\n60.000.000\n\n30.000.000\n\n19.969.286\n\n0\n\n0\n\nOnbekend\n\n1.535\n\n0\n\n404.728\n\n0\n\n0\n\nTotaal schulden\n\n81.471.339\n\n100.320.104\n\n66.333.110\n\n62.312.988\n\n56.412.811\n\nTotaal vermogen box 3\n\n-\u002F- 49.369.928\n\n-\u002F-18.983.711\n\n-\u002F-25.839.278\n\n-\u002F- 58.356.251\n\n-\u002F- 56.335.395\n\nMutatie vermogen\n\n30.386.217\n\n-\u002F- 6.855.567\n\n-\u002F- 32.516.973\n\n2.020.856\n\n4. Belanghebbende heeft in 2007 een bedrag van € 40 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en daarmee in privé een effectenportefeuille bij [naam bank 1] aangekocht, voornamelijk bestaande uit aandelen [naam bedrijf 4] , [naam bedrijf 5] , [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 7] . In het najaar 2008 heeft belanghebbende € 20 miljoen geleend van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] en aandelen [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 5] bijgekocht. De waarde van de effectenportefeuille is per 31 oktober 2008 afgenomen naar € 24 miljoen.\n\n5. Belanghebbende heeft in augustus 2008 [naam bank 1] gevraagd om een krediet van € 60 miljoen om hiermee de schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] af te lossen tot ruim € 21 miljoen. Het kredietverzoek is, nadat het in eerste instantie is afgewezen, door [naam bank 1] op 19 december 2008 verstrekt tegen een effectieve rente van 4,674% per jaar. [naam bank 1] heeft daarbij de volgende zekerheden bedongen: a) verpanding van de effectenportefeuille van belanghebbende, en b) borgstelling door [naam bedrijf 2] (voor een bedrag van het verschil tussen de hoofdsom van het krediet en de waarde van de effectenportefeuille). Ook is afgesproken dat via een dividenduitkering uit [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] uiterlijk 15 januari 2009 € 20 miljoen afgelost moest worden en uiterlijk 1 oktober 2009 nogmaals € 10 miljoen.\n\n6. Belanghebbende heeft in 2009 zeven leningsovereenkomsten afgesloten bij [naam bedrijf 1] voor een totaal bedrag van € 33.490.000. In de loop van 2009 is afgerond € 5,1 miljoen afgelost op de leningen, waardoor eind 2009 een schuld van € 28.383.272 resteerde. In 2011 heeft belanghebbende € 4,5 miljoen geleend van [naam bedrijf 2] .\n\n7. Eind 2009 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] volgens de door haar namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vennootschapsbelasting (vpb) een (fiscale) winstreserve van € 89.674.556.\n\n8. Op 4 januari 2011 heeft [naam bedrijf 2] een bedrag van € 2.050.000 onverschuldigd betaald aan [naam bedrijf 8] ( [naam bedrijf 8] ). [persoon F] is directeur en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 8] , zij is tevens de echtgenote van belanghebbende. Er is in een buitengewone vergadering van aandeelhouders afgesproken dat [naam bedrijf 8] dit bedrag niet aan [naam bedrijf 2] zal terugbetalen.\n\n9. [naam bedrijf 2] is enig aandeelhouder van [naam bedrijf 9] ( [naam bedrijf 9] ). Op 1 december 2011 heeft [naam bedrijf 2] alle aandelen [naam bedrijf 9] voor € 7 miljoen verkocht aan [naam bedrijf 10] , waarvan de zoon van belanghebbende enig aandeelhouder is. Het vermogen van [naam bedrijf 9] bedroeg ten tijde van de overdracht bijna € 21 miljoen. Het vermogen kan worden gesplitst in bijna € 3,4 miljoen voor onroerende en roerende zaken en ruim € 17,5 miljoen voor 92 paarden.\n\n10. [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] heeft in 2011 alle aandelen Hotel Restaurant “ [naam hotel\u002Frestaurant] ” B.V. ( [naam hotel\u002Frestaurant] ) verkocht aan de dochter van belanghebbende voor € 1.\n\n11. Volgens de door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] namens de fiscale eenheid ingediende aangifte vpb heeft zij eind 2011 een (fiscale) winstreserve van € 5.706.835. De (fiscale) winstreserve is grotendeels afgenomen door de dotatie aan de post ‘overige voorzieningen’ van € 87.443.829.\n\n12. Op 22 mei 2012 zijn [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in surseance van betaling geraakt. Zij zijn vervolgens op 13 juli 2012 failliet verklaard. Op 27 november 2012 is belanghebbende zelf failliet verklaard.\n\n13. Belanghebbende heeft op 4 mei 2012 de aangifte IB\u002FPVV 2010 ingediend. De inspecteur heeft een voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 opgelegd. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De aanslag IB\u002FPVV 2010 is gedagtekend 18 november 2014 en geadresseerd aan het kantooradres van de curator. De curator heeft hiertegen op 17 februari 2023 bezwaar gemaakt.\n\n14. Met dagtekening 1 maart 2017 heeft de inspecteur ambtshalve de aanslag IB\u002FPVV 2012 opgelegd. De op 10 april 2017 ingediende aangifte is aangemerkt als bezwaar daartegen.\n\n15. De rechtbank heeft op 7 augustus 2013en 5 maart 2014voor recht verklaard dat respectievelijk de aandelenoverdracht van [naam hotel\u002Frestaurant] en [naam bedrijf 9] door de curatoren van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] met een beroep op de actio pauliana buitengerechtelijk zijn vernietigd. Tegen deze uitspraken is geen hoger beroep ingesteld.\n\n16. Gedurende de bezwaarfase is meermalen gecorrespondeerd tussen de inspecteur en de curator, dan wel de toenmalig adviseur van belanghebbende. In deze correspondentie heeft de inspecteur meerdere keren om informatie verzocht. Deze informatie is niet verkregen en daarom heeft de inspecteur met dagtekening 20 december 2017 een informatiebeschikking voor de belastingjaren 2009 – 2011 afgegeven. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:\n\n“(…)\n\nIk concludeer dat ik de in mijn brief van 23 oktober 2017 gevraagde informatie tot op heden niet heb ontvangen. Concreet gaat het daarbij om de volgende punten inzake de rekening courant schuld van de heer [belanghebbende] aan [naam bedrijf 1] :\n\nEen overzicht van het verloop van de rekening courant in de jaren 2009 tot en met 2011, waaruit blijkt welke mutaties er hebben plaatsgevonden.\n\nEen afschrift van de rekening courant overeenkomst(en) waarin partijen afspraken hebben gemaakt over rente, aflossing en zekerheden.\n\nEen overzicht van het verloop van het vermogen van de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011, alsmede een overzicht van de zekerheden die de heer [belanghebbende] had verstrekt aan derden, zodat duidelijk wordt welke vermogen er als zekerheid zou kunnen resteren voor [naam bedrijf 1] .\n\nMeer in het bijzonder verzoek ik u een overzicht te geven van de samenstelling, de waarde en de mutaties van de aandelenportefeuilles die de heer [belanghebbende] in de jaren 2009 tot en met 2011 aanhield bij [naam bank 1] en [naam bank 2] .”\n\n17. Het bezwaar tegen de informatiebeschikking is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Er is geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar waardoor de informatiebeschikking onherroepelijk vast is komen te staan.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n18. De rechtbank beoordeelt of de aanslagen terecht en naar het juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.\n\n19. Ten eerste is in geschil of belanghebbende vanwege de leenverhouding met [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] in 2009 tot en met 2012 dusdanig is bevoordeeld dat sprake is van een verkapte winstuitdeling. Voor 2011 is daarnaast in geschil of belanghebbende door [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is bevoordeeld bij de verkoop van de aandelen [naam bedrijf 9] en [naam hotel\u002Frestaurant] aan respectievelijk zijn zoon en dochter. Voor de jaren 2011 en 2012 is verder in geschil of de inspecteur bij het vaststellen van de grondslag sparen en beleggen terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting]\n\n20. Voor 2010 is ook nog in geschil of de inspecteur de bezwaren tegen de (voorlopige) aanslag IB\u002FPVV terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.\n\n21. De rechtbank verklaart de beroepen met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 gegrond en de overige beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\n(Voorlopige) aanslag IB\u002FPVV 2010\n\n22. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 9.5, derde lid, van de Wet IB 2001, het niet mogelijk is om tegen een voorlopige aanslag bezwaar te maken. De inspecteur heeft het bezwaar inzake de voorlopige aanslag IB\u002FPVV 2010 dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\n23. De rechtbank is van oordeel dat ook het bezwaar tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 terecht niet-ontvankelijk is verklaard en overweegt daartoe als volgt.\n\n24. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. Indien een uitspraak op bezwaar niet is bekendgemaakt op de in artikel 3:41 van de Awb voorgeschreven wijze, brengt die omstandigheid mee dat de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak niet aanvangt. Die termijn vangt dan aan op de dag van ontvangst door (de gemachtigde of vertegenwoordiger van) de belanghebbende van de uitspraak op bezwaar of een afschrift daarvan. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.\n\n25. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen op grond van 6:11 van de Awb anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Een bezwaarschrift is verschoonbaar te laat ingediend wanneer de te late indiening te wijten is aan een niet aan een belanghebbende toe te rekenen omstandigheid en onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd om tijdig beroep in te stellen.\n\n26. Vaststaat dat de aanslag IB\u002FPVV 2010 is verzonden naar het adres van de curator. Desgevraagd heeft de curator zitting erkend dat hij deze aanslag in het najaar van 2015 heeft ontvangen en verklaard dat hij deze aanslag niet aan belanghebbende heeft doorgezonden. Door de bekendmaking aan de curator is de voornoemde aanslag rechtsgeldig bekendgemaakt.Het is hierdoor dus niet relevant dat belanghebbende pas begin 2023 de aanslag heeft ontvangen. De verwijzing van de gemachtigde naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 13 december 2000maakt dit niet anders, omdat die uitspraak op een geheel andere situatie dan de onderhavige ziet. Het voorgaande houdt in dat de bezwaartermijn in ieder geval in het najaar 2015 is gaan lopen.\n\n27. De curator heeft, net zoals belanghebbende, in 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010. Dit is ruim buiten de bezwaartermijn. De te late indiening van het bezwaar acht de rechtbank niet verschoonbaar. Het betoog van de gemachtigde dat niet tijdig bezwaar kon worden gemaakt omdat de administratie in verband met het faillissement van de vorige adviseur in beslag was genomen, leidt niet tot een ander oordeel. De curator heeft namelijk voor de aanslag IB\u002FPVV 2009 op 3 februari 2014 wel pro forma bezwaar gemaakt, terwijl hij ook toen geen toegang had tot de administratie. Van de curator, een professionele partij, had onder deze omstandigheden mogen worden verwacht dat hij in 2015 tegen de aanslag IB\u002FPVV 2010 ook tijdig (pro forma) bezwaar had gemaakt.\n\n27. Het beroep is in zoverre ongegrond. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de (voorlopige) aanslag IB\u002FPVV 2010.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast aanslagen IB\u002FPVV 2009 en 2011\n\n29. De informatiebeschikkingen ter zake van belastingjaren 2009 en 2011 staan onherroepelijk vast. De rechtmatigheid hiervan kan dus niet meer ter discussie worden gesteld. Wel kan de vraag of een onherroepelijke informatiebeschikking tot omkering en verzwaring van de bewijslast dient te leiden aan de orde worden gesteld.\n\n30. Belanghebbende heeft meermalen aangegeven niet over de gevraagde informatie te beschikken, omdat die informatie in beslag is genomen in het faillissement van zijn voormalig adviseur. De curator wijst ter onderbouwing van dit standpunt op een vonnis van de rechtbank van 9 september 2021, waarin hij via een kort geding heeft geprobeerd om de informatie uit de failliete boedel te krijgen. Ook stelt belanghebbende dat hij niet alle door de FIOD in beslag genomen stukken terug heeft ontvangen en dat bepaalde informatie, in het bijzonder de rekening-courantovereenkomsten, niet bestaan.\n\n31. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende heeft gedaan om de gevraagde informatie te verkrijgen. De enkele verwijzing naar het kort geding vonnis tegen de voormalige gemachtigde is hiervoor onvoldoende, omdat die procedure niet in de tijdlijn past. De informatiebeschikking is namelijk van 20 december 2017 en het bezwaar daartegen is op 24 juni 2019 ongegrond verklaard. Gelet op de uitspraakdatum van 9 september 2021 en het karakter van een kort geding, acht de rechtbank niet aannemelijk dat de dagvaarding voor het kort geding is betekend voordat de informatiebeschikkingen onherroepelijk zijn komen vast te staan. Ter zake van de overige standpunten heeft belanghebbende nog geen begin van bewijs geleverd.\n\nRedelijke schatting 2009 en 2011\n\n32. Ook wanneer de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard dienen de belastingaanslagen te berusten op een redelijke schatting.In dat kader rust op de inspecteur de taak om zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die de redelijkheidstoets kan doorstaan.Als de inspecteur daarin slaagt, ligt het op de weg van belanghebbende om, voor zover hij de juistheid van die feitelijke stellingen betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren.\n\n33. De rechtbank stelt voorop dat een geldlening van een vennootschap aan haar aandeelhouder een onttrekking vormt als vast komt te staan of zo goed als zeker is dat de aandeelhouder deze geldlening niet kan of zal aflossen. Indien en voor zover zo’n onttrekking kon plaatsvinden uit winst, winstreserves of te verwachten winst is sprake van een verkapte winstuitdeling aan de aandeelhouder, mits een vermogensverschuiving naar de aandeelhouder heeft plaatsgevonden met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen en zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust was of had moeten zijn van de vermogensverschuiving en de bevoordelingsbedoeling.\n\n34. De rechtbank overweegt dat in beginsel op de inspecteur de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat voldaan wordt aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor de (verkapte) winstuitdeling. Echter, in dit geval moet de bewijslast worden omgekeerd en verzwaard en kan de inspecteur volstaan met een redelijke schatting. De rechtbank zal daarom marginaal toetsen of de door de inspecteur gestelde feiten de gevolgtrekking kunnen dragen dat sprake is van een verkapte winstuitdeling.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (2009)\n\n35. De inspecteur heeft (na bezwaar) een verkapte winstuitdeling van € 50 miljoen in aanmerking genomen. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het inkomen uit aanmerkelijk belang, vanwege de gestelde verkapte winstuitkering van € 50 miljoen redelijk is. Uit de kredietverstrekking van 19 december 2008 volgt dat [naam bank 1] vanwege de financiële positie van belanghebbende alleen bereid was om eind 2008 de verzochte lening te verstrekken als in het daaropvolgende jaar al € 30 miljoen zou worden afgelost via een dividenduitkering van [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Hierbij heeft de accountmanager van [naam bank 1] de leden van de Krediet Commissie in een brief van 31 oktober 2008 er bovendien in niet mis te verstane bewoordingen erop gewezen dat belanghebbende in privé geen rentebetalingen en aflossingen kan opbrengen. Belanghebbende heeft er echter voor gekozen om dit bedrag op te nemen middels de rekening-courant. Daarnaast heeft hij nog een vergelijkbaar bedrag geleend, terwijl op dat moment al duidelijk was dat hij deze bedragen zo goed als zeker niet uit zijn eigen vermogen kon terugbetalen. De oplopende schuldverhouding vormt daarmee dus een onttrekking die uit de winstreserve van bijna € 90 miljoen kon plaatsvinden. Omdat belanghebbende de lening aan [naam bedrijf 1] in privé niet kon aflossen, is sprake van een vermogensverschuiving van [naam bedrijf 1] naar belanghebbende met als doel belanghebbende te bevoordelen. Belanghebbende kon hierdoor namelijk in privé leningen aflossen zonder dat daarvoor een dividenduitkering moest plaatsvinden of hij andere schulden met een aflossingsverplichting aan moest gaan. Van zowel de vermogensverschuiving als de bevoordelingsbedoeling moesten hij en [naam bedrijf 1] zich bewust zijn, nu belanghebbende enig bestuurder van deze vennootschap was.\n\n36. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting van de inspecteur niet juist is. Zijn enkele stelling dat tegenover de geldopnames ter dekking een schuldenvrije eigen woning en een effectenportefeuille staan, is hiervoor onvoldoende. De aanslag IB\u002FPVV 2009 is dan ook niet te hoog vastgesteld en het beroep hiertegen is ongegrond.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2011)\n\n37. De inspecteur heeft het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 81.329.338. Hierbij heeft hij vier verschillende verkapte dividenduitkeringen in aanmerking genomen. Ten eerste een bedrag van € 62.312.988, zijnde de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Subsidiair stelt de inspecteur dat deze verkapte winstuitdeling € 16.353.892 dient te bedragen, zijnde de toename van de schuld. Ten tweede een bedrag van € 13.966.350 vanwege de overdracht van de aandelen [naam bedrijf 9] . Ten derde een bedrag van € 3 miljoen vanwege de overdracht van de aandelen [naam hotel\u002Frestaurant] . Beide bedragen zijn vastgesteld aan de hand van de geschatte waarde van de aandelen, zoals berekend door de FIOD, verminderd met de verkoopprijs. Tot slot ten vierde een bedrag van € 2.050.000, bestaande uit de onverschuldigde betaling aan [naam bedrijf 8] . Nu belanghebbende via [naam bedrijf 1] zeggenschap had over [naam bedrijf 2] stelt de inspecteur zich op het standpunt dat het voordeel belanghebbende is toegekomen en dat hij en de vennootschappen zich daarvan bewust waren.\n\n38. De inspecteur heeft daarnaast het belastbare inkomen uit sparen en beleggen vastgesteld op € 800.462, omdat volgens hem ten onrechte rekening is gehouden met bijna € 46 miljoen aan schulden die fiscaal als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen.\n\n39. De rechtbank is van oordeel dat de schatting van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog is. De schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is niet te hoog. Zij overweegt daartoe als volgt.\n\n40. Voor een (verkapte) winstuitdeling is vereist dat sprake is van een onttrekking die plaatsvindt uit de winst van het lopende jaar, de winstreserves of de te verwachten winst. In 2011 heeft [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] een verlies geleden, waardoor vanuit de resultaten van dat jaar geen onttrekking kon worden gedaan. Ook de winstreserves zijn onvoldoende om een onttrekking uit te laten plaatsvinden. Gelet op de oordelen over 2009 en 2010 is een bedrag van € 95.940.453 al belast als verkapte winstuitdeling.Bij het bepalen van de omvang van de winstreserve dient fiscaal rekening te worden gehouden met deze verkapte winstuitdelingen. Nu de winstreserve niet meer dan € 93.150.664kan bedragen, is fiscaal geen sprake meer van een (positieve) winstreserve. Daarnaast heeft het gerechtshof Arnhem -Leeuwardenin de strafzaak tegen belanghebbende, waarbij een zwaardere bewijslast geldt, vastgesteld dat voor belanghebbende vanaf ten minste 1 oktober 2010 een aanmerkelijke kans op een faillissement van [naam bedrijf 2] en zichzelf voorzienbaar was. Van een te verwachten winst in de toekomst is dan ook geen sprake. Ook om deze reden kan geen sprake zijn van een verkapte winstuitdeling.\n\n41. De rechtbank is verder van oordeel dat als gevolg van de (verkapte) dividenduitkeringen de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] (in fiscale zin en daarmee afwijkend van de civielrechtelijke werkelijkheid) zijn afgenomen. De inspecteur heeft in zijn schatting van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen dan ook terecht geen rekening gehouden met deze schulden. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de schatting niet te hoog is. De enkele verwijzing van de gemachtigde naar de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschapmaakt dit niet anders. Deze wet is namelijk pas op 1 januari 2023 in werking getreden. Bovendien blijft de bestaande jurisprudentie, waar de inspecteur zich op heeft beroepen, over verkapte winstuitdeling onverminderd van kracht.\n\n42. De aanslag IB\u002FPVV 2011 is met betrekking tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog vastgesteld. Het beroep hiertegen is daarom gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang dient te worden verminderd tot nihil. Het inkomen uit sparen en beleggen blijft gelijk.\n\nOmkering en verzwaring van de bewijslast aanslag IB\u002FPVV 2012\n\n43. De inspecteur heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij belanghebbende heeft uitgenodigd om aangifte IB\u002FPVV 2012 te doen, wat belanghebbende heeft betwist. Van het niet doen van de vereiste aangifte kan daarom geen sprake zijn.Dit betekent dat er geen grond is om de bewijslast om te keren en verzwaren. Op de inspecteur rust daarom de bewijslast om zijn correcties aannemelijk te maken.\n\nBelastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen (2012)\n\n44. De inspecteur stelt dat belanghebbende een verkapte dividenduitkering van € 56.412.810 heeft genoten die bestaat uit de schuld van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Daarnaast stelt hij dat in de grondslag sparen en beleggen geen rekening moet worden gehouden met de schulden aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitkering in aanmerking zijn genomen in eerdere jaren. Wel is ten onrechte geen rekening gehouden met het heffingsvrij vermogen van belanghebbende en zijn partner van gezamenlijk € 41.570. De grondslag sparen en beleggen moet daarom worden vastgesteld op € 4.289.874, wat leidt tot een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594.\n\n45. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet redelijk om uit te gaan van een verkapte winstuitdeling in 2012. De schuld aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] is in de voorgaande jaren al gekwalificeerd als verkapt dividend en als zodanig belast in de eerdere aanslagen IB\u002FPVV. De rekening-courant schuld is niet verder opgelopen en belanghebbende is in 2012 geen nieuwe schulden aangegaan bij [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] Er heeft in dat jaar dan ook geen onttrekking plaatsgevonden, waardoor evenmin sprake kan zijn van een (verkapte) winstuitdeling. Het beroep is in zoverre gegrond.\n\n46. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur terecht geen rekening heeft gehouden met de schulden van belanghebbende aan [fiscale eenheid vennootschapsbelasting] die als verkapte winstuitdeling in aanmerking zijn genomen, zie overweging 41. Nu in de aanslag ten onrechte geen rekening is gehouden met het heffingsvrij vermogen, moet het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594.\n\n47. Gelet op het voorgaande is het beroep met betrekking tot de aanslag IB\u002FPVV 2012 gegrond.\n\nHeffingsrente\n\n48. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Het beroep ter zake van het belastingjaar 2009 is dan ook in zoverre ongegrond. Ter zake van de belastingjaren 2011 en 2012 moet de in rekening gebrachte heffingsrente worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslagen en zijn de beroepen dus in zoverre gegrond.\n\nConclusie en gevolgen\n\n49. De beroepen met betrekking tot de belastingaanslagen IB\u002FPVV 2009 en 2010 zijn ongegrond en die met betrekking tot de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012 zijn gegrond. Het inkomen uit aanmerkelijk belang moet voor 2011 en 2012 worden verminderd tot nihil. Daarnaast moet voor 2012 het belastbare inkomen uit sparen en beleggen worden verminderd tot € 171.594. Omdat de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 gegrond zijn, krijgt belanghebbende het griffierecht terug.\n\n50. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van de beroepen die zien op de belastingjaren 2011 en 2012 redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten die voor de behandeling van de bezwaren redelijkerwijs zijn gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat daarom tijdens de bezwaarfase niet is verzocht.De kosten voor de behandeling van de beroepen voor belastingjaren 2011 en 2012 zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Voor de beroepen wordt wegens samenhang eenmaal proceskosten toegekend. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen met zaaknummers 22\u002F3974, 22\u002F3980 en 23\u002F4204 ongegrond;\n\nverklaart de beroepen inzake de aanslagen IB\u002FPVV 2011 (22\u002F4014) en IB\u002FPVV 2012 (22\u002F4015) gegrond;\n\nvernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de aanslagen IB\u002FPVV 2011 en 2012;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2011 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462;\n\nvermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;\n\nvermindert de aanslag IB\u002FPVV 2012 tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 171.594;\n\nvermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;\n\nveroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.335;\n\ngelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 vergoedt.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A.L. Heldens, voorzitter, mr. M. Wevers en mr. J. Kluft, leden, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.\n\nDe uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem , Postbus 9030, 6800 EM Arnhem .\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2013:2303.\n\n ECLI:NL:RBGEL:2014:1383.\n\n Hoge Raad 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625.\n\n Hoge Raad 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5555.\n\n ECLI:NL:GHAMS:2000:AV6659.\n\n Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:130, r.o. 3.3.6.\n\n Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5466.\n\n Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401.\n\n Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184.\n\n Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.\n\n € 50 miljoen over 2009 en € 45.940.453 over 2010, zie punten 27, 28 en 35.\n\n € 5.706.835 volgens jaarrekening vermeerderd met € 87.443.829, de dotatie in 2011 aan de post ‘overige voorzieningen’. De rechtbank heeft deze dotatie niet op haar fiscale merites beoordeeld, omdat ongeacht of deze dotatie fiscaal kan plaatsvinden het oordeel over de verkapte winstuitdeling hetzelfde blijft.\n\n Gerechtshof Arnhem -Leeuwarden 2 december 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10319.\n\n Stb. 2022\u002F531.\n\n Kamerstukken II 35 496, nr. 3, p. 6 en p. 19.\n\n Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1268.\n\n Artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2052","ecli-nl-rbgel-2026-2052",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]