[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-3193":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-3193":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1297","ECLI:NL:RBGEL:2026:3193","",75,"Nijmegen","nijmegen","2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKGELDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Nijmegen\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12062077 \\ HA VERZ 26-7\n\nBeschikking van 3 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [naam verzoeker \u002F verweerder in voorwaardelijk verzoekschrift],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\ntevens verweerder in het voorwaardelijk verzoekschrift,\n\nhierna te noemen: [de verzoeker] ,\n\ngemachtigde: mr. V.F.M. Jongerius,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nUNLIMITED EXPECTATIONS B.V.,\n\ngevestigd te Elst,\n\nverweerder,\n\ntevens verzoeker in het voorwaardelijk verzoekschrift,\n\nhierna te noemen: GKS,\n\ngemachtigde: mr. A.E. Burggraaf.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met producties 1 t\u002Fm 9, ingekomen op de griffie op 15 januari 2026,\n\n- het verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk verzoek, met producties 1 t\u002Fm 11, ingekomen op de griffie op 2 maart 2026.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 maart 2026, waarbij de gemachtigde van [de verzoeker] het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van wat partijen verder hebben verklaard, heeft de griffier aantekeningen gemaakt.\n\n1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [de verzoeker] is per 10 februari 2025 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij GKS op basis van een werkweek van 40 uur. Zijn functie is operationeel directeur met een loon van € 6.775,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarnaast is aan [de verzoeker] een bedrijfsauto ter beschikking gesteld.\n\n2.2.. \n [de verzoeker] en de heer [bestuurder GKS] (indirect statutair bestuurder en groot aandeelhouder van GKS, hierna: [bestuurder GKS] ) hebben op 17 mei 2025 op kantoor van GKS afspraken gemaakt, die [bestuurder GKS] ter plaatse in een vaststellingsovereenkomst heeft vastgelegd, waarna deze door partijen is ondertekend (productie 3 [de verzoeker] ). De inhoud daarvan luidt als volgt: “(…) Hierbij bevestigen wij de onderling overeengekomen zaken in deze vaststellingsovereenkomst.\n\nTe weten:\n\nWerkgever en werknemer komen met wederzijde overeenstemming dat het dienstverband wordt beëindigd per 17-05-2026.\n\nWerknemer zal tot en met 17-5-2026 in dienst blijven. Met dien verstanden: Werknemer zal als er eerder een nieuwe werkgever komt contact opnemen over het dan eerder stoppen van de lopende afspraken en het dienstverband met die datum te laten beëindigen daar wanneer een nieuw dienstverband aangegaan wordt.\n\nWerknemer zal zich daarvoor inzetten eerder als einddatum zich hier toe in te spannen om eerder een dienst verband weer aan te gaan bij een mogelijk nieuwe werkgever.\n\nEr worden geen vrije dagen meer opgebouwd als die die er tot nu toe zijn opgebouwd. Deze dagen worden in het salaris van Juni 2026 uitgekeerd.\n\nGedurende de periode zal de werkgever een auto incl. tankpas ter beschikking stellen.\n\nWerkgever ( [werkgever] ) kan een beroep doen op [de verzoeker] voor hulpen en of werkzaamheden.\n\nEr komt een positieve aanbeveling komen, [werkgever] zal ook als referentie beschikbaar zijn.\n\nAlle overige zaken die zijn aangeleverd door werkgever worden retour gebracht, te denken aan laptop, sleutels, toegang codes\u002Fwachtwoorden enz.\n\nMedewerker en Werkgever zullen geen negatieve uitingen in welke vorm dan ook doen over medewerker en werkgever. (…)”\n\n2.3.. GKS heeft op 12 augustus 2025 bij [de verzoeker] geïnformeerd of hij al ander werk heeft gevonden, waarop [de verzoeker] ontkennend heeft geantwoord.\n\n2.4.. Op 11 september 2025 heeft GKS het volgende e-mailbericht aan [de verzoeker] verzonden (productie 4 [de verzoeker] ): “”Hoi [de verzoeker] , altijd jammer als het mis loopt, mag ik weten waar en bij welke partij het mis is gelopen. Kun je aangeven bij wie\u002Fwat waar\u002Fwelke partijen, of in eigen beheer nu bezig bent. Wat er loopt.\n\nIk snap namelijk mar moeilijk dat iemand met jou kennis en kunde en gedrevenheid niet eerder een baan kan vinden.\n\nOok zegt mijn gevoel dat er al wel een opportunity is en loopt, want zo'n goede verkoper als jij kan je zelf toch ook goed in de markt zetten en zou er eigenlijk snel een kans verzilverd moeten kunnen worden. (…)”\n\n2.5.. \n\n [de verzoeker] heeft daarop dezelfde dag als volgt gereageerd (productie 4 [de verzoeker] ):\n\n“ Hoi [werkgever] ,\n\nHet is zeker jammer als zoiets mis loopt en ik moet ook wel zeggen teleurstellend. Fijn dat je mij zo hoog inschat en me in de rol van verkoper ziet, maar de rol is operationeel, commercieel of algemeen directeur. Ik had bij jullie een vast contract met een salaris en goede secundaire voorwaarden en dat heb jij doorbroken. Ik heb niet om deze situatie gevraagd en je mag van me aannemen dat ik me maximaal inspan, maar we zien niet de nut en noodzaak in om dat soort zaken met jullie te delen.\n\nWij hebben duidelijke afspraken gemaakt in onze vaststellingsovereenkomst en daar houden we elkaar aan. Zodra ik iets inhoudelijks te melden heb kom ik bij jullie op de lijn.\n\n(…)”\n\n2.6.. GKS heeft in reactie daarop het volgende e-mailbericht verzonden (productie 4 [de verzoeker] ): “Hoi [de verzoeker] , De toonzetting veranderd, jammer.\n\nIk beroep me ook op eerlijkheid en fatsoen, iets wat je altijd hebt aangegeven te zijn en naar te handelen.\n\nDat je je inspant dat geloof ik wel dus verwacht ik ook dat je allang reeds uren en werk verricht voor derden, vanuit jou naam, of indirect voor andere maar wel door jou.\n\nDus mocht het zo zijn dat jij wel werkt, geld verdient en mij aanhoudt om uit te melken zou dat niet eerlijk en of fatsoenlijk zijn.\n\nZou jammer zijn als je een richting opgaat die niet eerlijk is en uitkomt op bedrog.\n\nDaarbij de bestaande arbeidsovereenkomst is gewoon van toepassing, dus kan je gewoon terug laten komen en hier alsnog te werkstellen.\n\nLaat me weten waar je mee bezig beten, hoe we het af kunnen ronden kan iedereen verder.\n\n(…)”\n\n2.7.. GKS heeft in oktober 2025 een recherchebureau ingeschakeld dat [de verzoeker] in de periode van 21 oktober tot en met 14 november 2025 vijftien keer heeft geobserveerd. In het rapport dat naar aanleiding daarvan op 18 november 2025 is opgemaakt, heeft het recherchebureau in essentie geconcludeerd dat [de verzoeker] gedurende de uitgevoerde observaties nagenoeg elke werkdag van de week werkzaamheden heeft verricht bij FlowGrill te Zevenaar (productie 7 [de verzoeker] ).\n\n2.8.. \n\nOp 19 november 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van GKS en is [de verzoeker] op staande voet ontslagen door GKS. Bij brief van 19 november 2025 heeft GKS dit ontslag bevestigd en daarbij het rapport van het recherchebureau als bijlage meegezonden (productie 6 en 7 [de verzoeker] ):\n\n“Geachte heer [de verzoeker] , beste [de verzoeker] ,\n\nJe bent op 10 februari 2025 bij Unlimited Expectations B.V. (h.o.d.n.v. GKS) in dienst\n\ngetreden. Jij en ik hebben op 17 mei 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In\n\ndie overeenkomst is onder meer afgesproken dat de arbeidsovereenkomst uiterlijk per 18\n\nmei 2026 eindigt, jij je moet inspannen om ander werk te vinden, jij mij moet laten\n\nweten als je ander werk hebt en de arbeidsovereenkomst en afspraken eindigen daar wanneer een andere samenwerking wordt aangegaan. Onder die afspraken valt onder\n\nmeer de doorbetaling van jouw loon en het gebruik van een door Unlimited Expectations\n\nter beschikking gestelde auto, autosleutels, kentekenbewijs en tankpas.\n\nIn september 2025 ontving ik van een anonieme bron de informatie dat er bij het bedrijf\n\nFlowGrill in Zevenaar in de zomer uren in rekening zouden zijn gebracht voor\n\nwerkzaamheden die door jou voor FlowGrill zijn verricht.\n\nIk heb vervolgens per mail bij jou navraag gedaan of je werkzaamheden elders verricht\n\nof mogelijk kansen hebt, waarop je negatief reageerde.\n\nJouw antwoord vond ik onbevredigend. De Volvo die Unlimited Expectations aan jou ter\n\nbeschikking is gesteld en nog bij jou in gebruik is, is eigendom van Unlimited\n\nExpectations. Dit biedt haar de mogelijkheid om middels de Volvo-app een rittenoverzicht\n\nte verkrijgen. Een korte blik op dat rittenoverzicht leverde op dat de Volvo vanaf medio\n\njuli 2025 op werkdagen in Zevenaar is op\u002Fom het adres van FlowGrill in Zevenaar.\n\nVervolgens hebben wij recherchebureau [recherchebureau] opdracht gegeven om\n\nonderzoek te doen. Dit onderzoek werd op 18 november 2025 afgerond.\n\nIk nodigde je diezelfde dag per mail uit voor een gesprek om even bij te praten over de\n\nvoortgang in het vinden van ander werk. Dat gesprek vond vandaag om 11:00 bij mij op\n\nkantoor plaats, waarbij naast jou en mij ook [betrokkene] aanwezig was.\n\nIn het gesprek vandaag heb ik je gevraagd hoe het vinden van ander werk er op dit\n\nmoment voor staat. Je antwoordde daarop dat je druk bezig bent. Op mijn vraag hoe\n\njouw dagbesteding eruitziet, gaf je aan in de ochtend en de middag mantelzorg aan jouw\n\nbuurvrouw te verlenen en vrijwilligerswerk te verrichten bij het dierenpension in\n\nApeldoorn waar je op de dierenambulance rijdt. Je gaf aan wat je hier had,\n\nnu niet te hebben.\n\nVervolgens heb ik je geconfronteerd met het feit dat mij informatie had bereikt\n\ndat je wellicht werkzaam bent voor FlowGrill In Zevenaar. Ik heb je gevraagd of\n\nje daar werkzaam bent, waarop je aangaf dat je daar helpt en het een vriend\n\nvan jouw broer betreft. Je gaf aan dat het een kortlopend projectje is, en advies geeft\n\nwanneer het jou uitkomt en ook onafhankelijk is van de vraagstelling.\n\nOp mijn vraag of dat pro deo is of vergoed wordt, antwoordde je dat je denkt dat het pro\n\ndeo is. Na dat antwoord kantelde het gesprek en gaf je ineens aan dat het er niet toe\n\ndoet, omdat wij een vaststellingsovereenkomst met elkaar hebben en je deze zo leest dat\n\njij mij alleen behoeft te informeren als er sprake is van een andere werkgever. Bijzonder\n\ngenoeg voegde je daaraan toe dat als ik het met jouw lezing niet eens zou zijn, jij en ik\n\nnaar de rechter moeten 'om de vso te laten bekrachtigen'.\n\nVervolgens heb ik aangegeven het gevoel te hebben dat je wel bij FlowGrill in een soort\n\nvan dienstverband werkzaam bent, dat je daar structureel werk voor doet en dat we dat\n\nhebben onderzocht. Uit de autogegevens blijkt dat je daar structureel vanaf juli 2025\n\naanwezig bent. Je antwoordde daarop dat de auto daar structureel aanwezig is.\n\nIk gaf vervolgens aan dat jouw handelen een dringende reden voor ontslag op staande\n\nvoet oplevert, waarop je aangaf dat dat door de vaststellingsovereenkomst niet mogelijk\n\nis. Vervolgens gaf ik aan dat ik de sleutels van de auto met het kenteken terug wil en als\n\nje dat niet doet ik aangifte zal doen van diefstal. Ondertussen verliet je op zeer\n\nagressieve wijze de kamer en was niet meer voor rede vatbaar. Ik ben met je\n\nmeegelopen, omdat je de deur het pand niet openkreeg. Je stem en lichaamshouding\n\nwaren zeer bedreigend.\n\nIn ons gesprek had ik de uitkomst van het onderzoek met je willen delen, maar door\n\njouw vertrek was dat niet meer mogelijk. Uit het onderzoek blijkt dat je op veel van mijn\n\nvragen in ons gesprek gelogen hebt c.q. de realiteit anders hebt voorgespiegeld dan dat\n\ndeze feitelijk is. Uit het onderzoek volgt dat je structureel voor FlowGrill werkzaam bent.\n\nJe hebt vervolgens zeer agressief rijgedrag vertoond en daarbij niet alleen mijn leven en\n\ngezondheid, maar ook dat van anderen op het spel gezet. Terwijl ik achter de auto stond,\n\nwat jij duidelijk zag, wist en nadien inmiddels ook per mail hebt bevestigd, trachtte je op\n\nmeerdere keren me in te rijden en de snelheid te verhogen mij opzettelijk te\n\nmishandelen. Er was allesbehalve sprake van een situatie waarbij jij voorzichtig achteruit\n\ntrachtte te rijden. Videobeelden van de 3 camera's om ons kantoorpand bevestigen hoe\n\njij hier met de aan jou ter beschikking gestelde auto van Unlimited Expectations bent\n\nvertrokken, waartoe je duidelijk meermaals het recht toe is onttrokken.\n\nDe hierboven genoemde omstandigheden leveren, zowel in onderling verband als\n\nafzonderlijk een dringende reden ex artikel 7:677 BW juncto 7:678 BW op. Het ontslag\n\nop staande voet brengt dat de arbeidsovereenkomst met jou met ingang van vandaag,\n\n19 november 2025, tot een einde is gekomen.\n\ngefixeerde schadevergoeding\n\nDoor jouw handelen heb je een dringende reden veroorzaakt die in ieder geval\n\nverwijtbaar aan jou is toe te rekenen, zodat je de gefixeerde schadevergoeding ex artikel\n\n7:677 lid 2 BW juncto artikel 7:677 lid 3 sub a BW verschuldigd bent.\n\nschade\n\nLos van de gefixeerde schadevergoeding zoals hiervoor vermeld, wordt alle schade die\n\nhet gevolg is van jouw handelen, zoals de onderzoekskosten van het recherchebureau,\n\nde kosten van onze juridisch adviseur et cetera op jou verhaald.\n\ngeen recht op de wettelijke transitievergoeding\n\nHet feit dat de arbeidsovereenkomst eindigt door een reden die ernstig verwijtbaar aan\n\njou is toe te rekenen, heb je geen recht op de wettelijke transitievergoeding.\n\nwanprestatie\n\nJe bent toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op jou rustende\n\nverplichtingen in de vaststellingsovereenkomst mitsdien gehouden om alle schade die\n\ndaarvan het gevolg is te vergoeden. Los van de schade die hierboven is genoemd, dien je\n\ndaarbij onder meer te denken aan het loon, de vakantietoeslag, werkgeverslasten, de\n\nkosten van de auto en brandstof voor de auto, gemiste werk uen van mij omdat ik niks\n\nmeer heb kunnen doen die dag en er kapot van ben dat je je zo hebt misdragen.\n\nschade\n\nUnlimited Expectations B.V. (h.o.d.n.v. GKS) en ondergetekende houden jou\n\naansprakelijk voor alle schade die zij c.q. ondergetekende door jouw handelen hebben\n\ngeleden, lijden en nog zullen lijden en zullen deze volledig op jou verhalen.\n\naangiftes tegen jou\n\nVolledigheidshalve meld ik je dat ik na jouw vertrek bij de politie aangifte tegen jou heb\n\ngedaan, inhoudende:\n\n- Zware poging tot mishandeling;\n\n- Verduistering c.q. diefstal.\n\nVolledigheidshalve informeer ik je\n\nVoorts wordt dezerzijds een uitgebreide aangifte voorbereid wegens de handelwijze\n\nwaarop je -mede indachtig onze afspraken- voor FlowGrill werkzaam bent geweest en\n\ndaarmee Unlimited Expectations hebt benadeeld.\n\nauto, kenteken, alle autosleutels en tankpas\n\nMede op advies van de politie verzoek en voor zover nodig sommeer ik je om binnen 36\n\nuur na verzending van deze brief per mail (…) de aan jou ter beschikking gestelde auto (Volvo XC40 met kenteken [kentekennummer] ) in goede staat, samen met de betrokken sleutels en reservesleutels, autopapieren en de tankpas onder werktijd bij mij op kantoor in te leveren én jouw komst minimaal één (1) uur voor\n\njouw aankomst schriftelijk per mail aan mij te bevestigen.\n\nBij deze brief tref je de rapportage van bevindingen en het observatieverslag van het\n\ningeschakelde recherchebureau.\n\nMorgen ontvang je per We transfer de foto's en video's die daarin worden genoemd, als\n\nook de videobeelden van jouw vertrek met de auto en de geluidsopname van ons\n\ngesprek van heden.\n\nUnlimited Expectations B.V. als ook ikzelf behouden ons jegens jou nog uitdrukkelijk alle\n\nrechten en weren voor.\n\n(…)” 2.9. [de verzoeker] heeft de bedrijfsauto en de sleutels op 21 november 2025 bij een garagehouder achtergelaten (productie 7 GKS).\n\n2.10.. Bij brief van 27 november 2025 heeft de gemachtigde van [de verzoeker] GKS verzocht het ontslag op staande voet in te trekken, maar GKS heeft daar geen gevolg aan gegeven.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [de verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. het ontslag op staande voet te vernietigen;\n\nII. te verklaren voor recht dat GKS de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst dient na te komen;\n\nIII. GKS te veroordelen tot betaling van:\n\na. het maandsalaris van € 6.775,00 bruto vanaf 19 november 2025 tot en met 17 mei 2026 alsmede de vakantiebijslag over deze periode te vermeerderen met de wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente tot op de dag van betaling;\n\nb. de netto bedragen van € 4.221,00 en € 1.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot op de dag van algehele betaling;\n\nIV. GKS te veroordelen in de proceskosten en nakosten.\n\n3.2.. \n [de verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen, omdat er geen sprake is geweest van een dringende reden voor het ontslag op staande voet en het ontslag op staande voet bovendien niet onverwijld is gegeven.\n\n3.3.. Het verweer van GKS strekt tot afwijzing van de verzoeken van [de verzoeker] . GKS meent dat [de verzoeker] haar een dringende reden heeft gegeven die het ontslag op staande voet rechtvaardigt en dat het ontslag rechtsgeldig is.\n\n3.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n4. Het voorwaardelijk tegenverzoek en het verweer\n\n4.1.. \n\nVoor zover de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag niet rechtsgeldig is, verzoekt GKS voorwaardelijk bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW en subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. GKS verzoekt verder zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:\n\nI. te verklaren voor recht dat het loon dat GKS vanaf begin juli 2025 aan [de verzoeker] heeft voldaan onverschuldigd is betaald en [de verzoeker] te veroordelen om het bedrag van € 40.069,03 netto aan GKS terug te betalen;\n\nII. te verklaren voor recht dat GKS de kosten van de bedrijfsauto vanaf begin juli 2025 onverschuldigd heeft gedragen en [de verzoeker] te veroordelen om het bedrag van € 4.320,03 netto aan GKS terug te betalen;\n\nIII. in het geval de kantonrechter oordeelt dat GKS vanaf begin juli 2025 loon c.a. en\u002Fof het dragen van de kosten van de bedrijfsauto verschuldigd is, [de verzoeker] te bevelen om binnen veertien dagen na betekening van de beschikking die schriftelijke informatie te (laten) overleggen waaruit blijkt (1) vanaf wanneer (2) op welke data (3) hoeveel uren, (4) [de verzoeker] voor Flow Grill werkzaamheden heeft verricht, als ook (5) op welk wijze (aan wie en tegen welk bedrag) deze uren en de kosten die met de werkzaamheden samenhangen werden vergoed (aan [de verzoeker] dan wel aan een ander), zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag (een gedeelte van de dag daaronder mede begrepen) dat hij in gebreke blijft om aan dit bevel te voldoen en te verklaren voor recht dat GKS de totale vergoeding door Flow Grill in mindering mag brengen op hetgeen GKS aan loon c.a. en\u002Fof de bedrijfsauto vanaf begin juli 2025 verschuldigd is;\n\nIV. [de verzoeker] te veroordelen tot het vergoeden aan GKS van de onderzoekskosten van € 14.800,55 netto;\n\nV. te verklaren voor recht dat de schade aan de auto ter hoogte van € 1.950,00 op het moment dat [de verzoeker] deze inleverde voor zijn rekening komt;\n\nVI. [de verzoeker] te veroordelen in proceskosten.\n\n4.2.. \n [de verzoeker] heeft als verweer aangevoerd dat geen sprake is van verwijtbaar handelen. Hij verzet zich echter niet tegen het ontbindingsverzoek op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, mits een billijke vergoeding wordt toegewezen ter hoogte van € 6.775,00 bruto, vermeerderd met vakantiebijslag, en een transitievergoeding vanaf de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot 17 mei 2026.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nHet verzoek\n\nJuridisch kader5.1.. Een ontslag op staande voet is een uiterst middel en is alleen gerechtvaardigd als van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In de wet zijn drie voorwaarden genoemd waaraan een ontslag op staande voet moet voldoen:\n\nde werkgever moet een dringende reden hebben om de werknemer te ontslaan;\n\nhet ontslag moet onverwijld worden gegeven;\n\nde werkgever moet de werknemer de reden voor het ontslag onverwijld meedelen.\n\nIndien aan een van die drie voorwaarden niet is voldaan, is het ontslag niet geldig.\n\n5.2.. Als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de beoordeling van de dringende reden dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.\n\n5.3.. De toetsing of het ontslag al dan niet terecht is gegeven kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van hetgeen feitelijk aan de werknemer is meegedeeld en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. Verder dient de opzegging onverwijld na het ontdekken van de als dringende reden te beschouwen handeling plaats te vinden, onder gelijktijdige mededeling van de dringende reden. Daarbij fixeert de medegedeelde reden in beginsel de ontslagreden.\n\nOntslag op staande voet niet rechtsgeldig5.4.. GKS heeft bij monde van [bestuurder GKS] tijdens het gesprek van 19 november 2025 aan [de verzoeker] meegedeeld dat [de verzoeker] in strijd met de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld door niet te melden dat hij voor FlowGrill tegen betaling werkzaamheden gedurende de vaststellingsovereenkomst heeft verricht en dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Blijkens de ontslagbrief van 19 november 2025 heeft GKS daarnaast als dringende redenen opgegeven dat [de verzoeker] in weerwil van [bestuurder GKS] de bedrijfsauto heeft meegenomen en vervolgens op [bestuurder GKS] is ingereden. Deze omstandigheden zijn evenwel niet door GKS in het gesprek van 19 november 2025 als dringende redenen aan [de verzoeker] meegedeeld, zodat deze niet meegewogen zullen worden bij de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. De toetsing of het ontslag op staande voet al dan niet terecht is gegeven zal dus alleen plaatsvinden op basis van de door GKS gestelde dringende reden dat [de verzoeker] heeft nagelaten aan GKS te melden dat hij tegen betaling bij FlowGrill gedurende de vaststellingsovereenkomst heeft gewerkt.\n\n5.5.. \n [de verzoeker] heeft dit verwijt betwist. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij nog steeds werkzaamheden bij FlowGrill verricht, zij het uit hoofde van een overeenkomst van opdracht en niet uit hoofde van een dienstverband in de zin van artikel 7:610 BW. Hij declareert vanaf augustus € 75,00 per uur voor die werkzaamheden. Volgens [de verzoeker] zijn de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst duidelijk en zij bevatten geen verplichting dat hij andere werkzaamheden dan die uit een nieuw dienstverband bij GKS dient te melden. Hij is dan ook van mening dat hij zich heeft gehouden aan de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst.\n\n5.6.. Door GKS is aangevoerd dat de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst niet zuiver grammaticaal dienen te worden uitgelegd, maar met inachtneming van de Haviltex-norm, waarbij het aankomt op de redelijke betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden aan de bepaling mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten en waarbij alle omstandigheden van het geval, bezien in onderlinge samenhang, dienen te worden betrokken. GKS heeft nimmer de intentie gehad als ‘melkkoe’ voor [de verzoeker] te willen fungeren en daarover was [bestuurder GKS] in zijn e-mailberichten van 12 augustus en 11 september 2025 aan [de verzoeker] ook ondubbelzinnig, aldus GKS. Namens GKS heeft [bestuurder GKS] op de mondelinge behandeling verder verklaard dat het woord ‘dienstverband’ voor hem het verdienen van geld bij een ander betekent en dat daaronder ook een overeenkomst van opdracht dient te worden verstaan.\n\n5.7.. De kantonrechter oordeelt als volgt. In de door GKS opgestelde vaststellingsovereenkomst worden expliciet de woorden ‘werkgever’ en ‘dienstverband’ vermeld. Dat [de verzoeker] op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden tegen betaling bij FlowGrill heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt bij GKS, is dan ook niet in strijd met die bewoordingen. De overeenkomst is op 17 mei 2025 door [bestuurder GKS] tijdens het gesprek opgesteld. Niet is gebleken dat partijen tijdens dit gesprek hebben besproken dat iedere vorm van inkomsten aan de kant van [de verzoeker] aan GKS moet worden gemeld. Ook is er geen enkele aanwijzing voor de door GKS gestelde partijbedoeling dat onder de woorden ‘dienstverband’ en ‘werkgever’ ook een overeenkomst van opdracht moet worden verstaan. De mailberichten van 12 augustus en 11 september 2025 bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. GKS, op wie ingevolge artikel 150 Rv de stelplicht rust, heeft evenmin feiten of omstandigheden gesteld dat [de verzoeker] op basis van een dienstverband in de zin van artikel 7:610 BW bij FlowGrill werkzaam is, zodat dit niet vast komt te staan. Gelet op het voorgaande is van handelen in strijd met de overeenkomst en daarmee een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW niet gebleken, zodat het gegeven ontslag op staande voet op 19 november 2025 niet rechtsgeldig is. Dit brengt mee dat niet meer hoeft te worden beoordeeld of aan de andere onder 5.1 genoemde voorwaarden is voldaan. De kantonrechter zal het ontslag op staande voet daarom vernietigen.\n\nSalaris, vakantiebijslag5.8.. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd herleeft de vaststellingsovereenkomst en is GKS gehouden tot nakoming daarvan,. Gelet op het voorgaande zal wordt het verzoek tot loonbetaling toegewezen, zij het over de periode 19 november 2025 tot en met maart 2026. Het verzoek tot betaling van het salaris over de maanden april en mei 2026 en van de vakantiebijslag kan echter pas worden toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid.\n\nWettelijke verhoging en wettelijke rente5.9. De verzochte wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen over het loon over de periode 19 november 2025 tot en met maart 2026.\n\n5.10.. De verzoeken tot betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente over het toekomstige loon worden afgewezen, aangezien het toekomstig loon nog niet opeisbaar is en GKS dan ook (nog) niet in verzuim is met de betaling hiervan.\n\nVergoedingen bedrijfsauto en schade5.11.. Het verzoek van [de verzoeker] tot betaling van een vergoeding van € 4.221,00 netto vanwege het (onterecht) geen beschikking meer hebben over de bedrijfsauto wordt, met inbegrip van de daarover verzochte wettelijke rente, toegewezen, aangezien GKS de verschuldigdheid daarvan niet heeft betwist.\n\n5.12.. \n [de verzoeker] heeft verder terugbetaling van het bedrag van € 1.950,00 netto verzocht, omdat GKS dit ten onrechte zou hebben ingehouden vanwege schade die door [de verzoeker] aan de bedrijfsauto zou zijn veroorzaakt.\n\n5.13.. \n\nTussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsauto schade had op het moment dat [de verzoeker] deze auto heeft achtergelaten bij de garage. Wel staat tussen partijen ter discussie of [de verzoeker] deze schade heeft veroorzaakt, [de verzoeker] betoogt dat de schade al aanwezig was toen hij de auto in gebruik nam.\n\nIngevolge de hoofdregel van 150 Rv is het aan GKS om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de schade door [de verzoeker] is veroorzaakt. Dit heeft zij niet gedaan, terwijl het op haar weg had gelegen om een ‘beginstaat’ van de bedrijfsauto over te leggen, die vergeleken kon worden met de eindstaat van de bedrijfsauto (de staat bij inlevering). Aangezien GKS op dit punt niet aan haar stelplicht heeft voldaan, is nadere bewijslevering niet aan de orde. Dit betekent dat zij wordt veroordeeld tot (terug)betaling van het bedrag van € 1.950,00 netto, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nHet voorwaardelijk ontbindingsverzoek\n\nVerwijtbaar handelen (e-grond)5.14.. GKS heeft bij wijze van tegenverzoek verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De kantonrechter heeft te beoordelen of sprake is van de primair gestelde, zogeheten e-grond, welke inhoudt dat een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden wanneer sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, waardoor niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. Ontbinding op de e-grond kan worden uitgesproken zonder dat daarbij een opzegtermijn in acht wordt genomen.\n\n5.15.. GKS heeft hieraan dezelfde feiten en omstandigheden als bij het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd. Daaraan heeft zij toegevoegd dat [de verzoeker] zich jegens derden negatief zou hebben uitgelaten over GKS c.q. [bestuurder GKS] en zijn echtgenote.\n\n5.16.. In het licht wat in 5.7 is overwogen, levert het feit dat [de verzoeker] werkzaamheden tegen betaling bij FlowGrill heeft verricht naar het oordeel van de kantonrechter geen verwijtbaar handelen van [de verzoeker] op. Voor de stelling dat [de verzoeker] op [bestuurder GKS] zou zijn ingereden heeft GKS onvoldoende feiten aangedragen. Hoewel door haar is gesteld dat zij over camerabeelden van dat vermeende voorval beschikt, heeft zij deze niet in het geding gebracht. Zij heeft enkel volstaan met een geluidsopname van het gesprek en het vermeend voorval op 19 november 2025. Uitsluitend op basis daarvan kan de kantonrechter niet vaststellen dat [de verzoeker] op [bestuurder GKS] is ingereden en aldus verwijtbaar zou hebben gehandeld. Evenmin is het meenemen van de bedrijfsauto door [de verzoeker] , ondanks de instructie van [bestuurder GKS] om deze bij GKS achter te laten, aan te merken als verwijtbaar handelen, nu [de verzoeker] de bedrijfsauto enkele dagen later alsnog heeft ingeleverd. GKS heeft haar stelling dat [de verzoeker] zich negatief zou hebben uitgesproken over [bestuurder GKS] en zijn echtgenote niet onderbouwd, zodat ook dit geen verwijtbaar handelen oplevert.\n\n5.17.. Het voorgaande betekent dat niet kan worden gezegd dat [de verzoeker] verwijtbaar heeft gehandeld, laat staan op een zodanige wijze dat van GKS niet langer gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het ontbindingsverzoek dat gebaseerd is op de e-grond dient dan ook afgewezen te worden.\n\nVerstoorde arbeidsverhouding (g-grond)5.18.. Subsidiair verzoekt GKS ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. [de verzoeker] heeft zich tegen dat verzoek niet verzet, zodat dit in beginsel toewijsbaar is.5.19.. Op grond van het bepaalde in artikel 7:671b lid 8 onder a BW wordt het einde van de arbeidsovereenkomst bepaald op het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd (de opzegtermijn voor GKS is één maand), waarbij de duur van de periode die aanvangt op de datum van ontvangst van het verzoek (15 januari 2026) en eindigt op de datum van dagtekening van de ontbindingsbeslissing (3 april 2026) in mindering wordt gebracht, waarbij wel geldt dat nog ten minste één maand moet resteren. In het onderhavige geval betekent dit dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 1 juni 2026 ontbonden zou worden. Omdat de arbeidsovereenkomst echter op 17 mei 2026 van rechtswege zal eindigen, heeft GKS geen belang als bedoeld in artikel 3:303 BW meer bij haar ontbindingsverzoek gebaseerd op deze grondslag. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen. Dit brengt mee dat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de door [de verzoeker] verzochte billijke vergoeding en transitievergoeding.\n\nDe overige verzoeken van GKS worden afgewezen5.20.. Nu de vaststellingsovereenkomst van kracht herleeft, zullen de verzoeken van GKS onder I en II worden afgewezen. In het verlengde van het vernietigde ontslag op staande voet, worden de onder IV en V verzochte veroordeling tot betaling door [de verzoeker] van de onderzoekskosten van € 14.800,55 (netto) en de verzochte verklaring voor recht dat de schade aan de bedrijfsauto ter hoogte van € 1.950,00 voor rekening van [de verzoeker] komt eveneens afgewezen.\n\n5.21.. Aangezien GKS op de mondelinge behandeling de door haar verzochte informatie heeft ontvangen, heeft zij geen belang meer bij haar verzoek onder III. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.\n\nProceskosten5.22.. GKS is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de verzoeker] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n753,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.762,00\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. vernietigt het ontslag op staande voet,\n\n6.2.. verklaart voor recht dat GKS de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 17 mei 2025 dient na te komen,\n\n6.3.. veroordeelt GKS om aan [de verzoeker] te betalen het bedrag van € 6.775,00 aan brutoloon per maand vanaf 19 november 2025 tot en met maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt GKS om vanaf april 2026 aan [de verzoeker] te betalen het brutoloon van € 6.775,00 per maand tot en met 17 mei 2026. Als GKS deze bedragen niet tijdig betaald, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, zoals bedoeld in artikel 7:625 BW, en de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de data van opeisbaarheid van de verschuldigde bedragen tot aan de dag van algehele betaling,\n\n6.5.. veroordeelt GKS om in mei 2026 aan [de verzoeker] te betalen de vakantiebijslag,\n\n6.6.. veroordeelt GKS om aan [de verzoeker] te betalen de netto bedragen van € 4.221,00 en € 1.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente tot op de dag van algehele betaling,\n\n6.7.. veroordeelt GKS in de proceskosten van € 1.762,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als GKS niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.9.. wijst af het meer of anders verzochte.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.\n\n46409\u002F51733\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3193","ecli-nl-rbgel-2026-3193",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]