[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5222":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5222":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"882","ECLI:NL:RBGEL:2026:5222","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05\u002F174127-25\n\nDatum uitspraak : 25 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1968 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. N.F. Hoogervorst, advocaat in Hilversum.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en\u002Fof Zutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk\n\ninbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door\n\n- die [aangever] (veelvuldig) (WhatsApp)berichten te sturen en\u002Fof\n\n- een of meermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en\u002Fof\n\n- kleding en\u002Fof andere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en\u002Fof\n\n- die [aangever] een of meermalen met zijn auto te achtervolgen en\u002Fof (vervolgens) klem te rijden en\u002Fof\n\n- zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en\u002Fof foto's en\u002Fof teksten van\u002Fover die [aangever] op social media te plaatsen en\u002Fof\n\n- een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en\u002Fof (vervolgens) een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naar een of meerdere personen via WhatsApp te sturen,\n\nmet het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft ten aanzien van de pleegperiode bepleit dat deze dient te starten op 7 april 2025, omdat de communicatie tussen verdachte en [aangever] pas vanaf dan vrijwel volledig eenzijdig is geworden.\n\nTen aanzien van het rijden door [adres] te Zutphen heeft de raadsvrouw bepleit dat uit het buurtonderzoek en uit het beeldmateriaal niet is gebleken dat verdachte zelf door de straat is gereden. Verdachte is weleens door de straat gereden omdat zijn kinderen daar verbleven, maar dat is onvoldoende voor het vereiste oogmerk. De rechtbank wordt verzocht verdachte van dat onderdeel vrij te spreken.\n\nTen aanzien van het weggooien van de spullen van aangeefster is door de raadsvrouw betoogd dat dit onderdeel buiten beschouwing dient te blijven, nu het weggooien van goederen naar zijn aard geen gedraging is die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Als dergelijke handelingen al hebben plaatsgevonden, ligt een beoordeling in de sfeer van vermogensdelicten meer voor de hand. Verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging eveneens te worden vrijgesproken.\n\nVoor de overige in de tenlastelegging opgenomen handelingen refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nMevrouw [aangever] (hierna: aangeefster) heeft op 15 april 2025 aangifte gedaan van stalking tegen verdachte, haar ex-partner. Zij heeft als volgt verklaard. Verdachte en aangeefster hebben tien jaar een relatie gehad en hebben samen drie kinderen. Op 3 februari 2025 heeft aangeefster een streep onder de relatie gezet. In het begin konden ze nog wel praten en heeft verdachte de kinderen nog wel gezien, maar daarna is verdachte twee weken niet thuis geweest voor de kinderen. Nadat aangeefster het op haar naam gestelde bedrijf van verdachte had beëindigd, begon alle ellende. Aangeefster kreeg heel veel WhatsApp-berichten van verdachte. De hoeveelheid berichten nam toe toen verdachte er eind februari 2025 van overtuigd raakte dat aangeefster een relatie had gekregen met zijn neef [naam 1] , ondanks het feit dat aangeefster hem had verteld dat het slechts een vriendschap betrof. Verdachte begon te dreigen dat hij zijn kinderen zou ontvoeren. Ook zei hij dat aangeefster een hoer was.\n\nBegin april werd aangeefster in Zutphen klemgereden door verdachte en zijn zoon. Ze heeft toen de politie gebeld. Op 5 april 2025 kwam verdachte aangeefster tegemoet gereden toen zij samen met de neef van verdachte in de buurt van Gorssel reed. Toen verdachte hen zag, draaide hij zijn auto en reed hen achterna, waarna hij aangeefster en [naam 1] midden in Gorssel opnieuw heeft klemgereden.\n\nVerdachte bewerkte foto’s van aangeefster en [naam 1] tot stickers en filmpjes en stuurde deze rond met liedjes en teksten over aangeefster erbij. Hij zette ook foto's en filmpjes online op sociale media en zijn WhatsApp-status. Aangeefster werd hierdoor veel gebeld door mensen die de berichten hadden gelezen. Aangeefster kreeg foto’s van verdachte waarop te zien was dat hij haar kleding in een kledingcontainer had gegooid. Hij had alles van haar weggegooid, waardoor zij niks meer had.\n\nTen tijde van de aangifte zat aangeefster al een week binnen met haar kinderen. De kinderen gingen niet naar school omdat aangeefster bang was dat verdachte naar school zou komen en de kinderen zou meenemen. Verdachte reed de hele dag rondjes om haar maar in de gaten te houden. Hij stopte dan met de auto voor de deur en gaf dan veel gas zodat men hoorde dat hij er was.\n\nDe politie heeft een overzicht opgemaakt van de meldingen door aangeefster in de periode na de aangifte. Daaruit volgt dat aangeefster tussen 16 april 2025 en 3 juni 2025 verschillende meldingen heeft gedaan van gedragingen van verdachte. Zo zou verdachte meermaals achter haar aan zijn gereden. Ook zou hij met verschillende auto’s hard door de straat hebben gereden en daarbij dingen hebben geroepen. Op 8 mei 2025 meldde aangeefster dat verdachte foto’s van een naakte vrouw had verspreid en erbij had gezet dat het om haar ging. Op 30 mei 2025 werd vanuit Veilig Thuis het verzoek gedaan om een afspraak op locatie te maken, omdat vader dreigde de kinderen met geweld weg te halen op de verschillende adressen.\n\nOp 27 november 2025 is aangeefster door de politie aanvullend gehoord. Zij verklaarde dat zij in de maanden mei en juni 2025 dagelijks tientallen berichten van verdachte ontving via WhatsApp. Ook kwamen er op meerdere data tussen 15 mei 2025 en 1 juni 2025 meerdere voertuigen door de straat waar ze verbleef. Aangeefster verklaarde verder dat verdachte met veel mensen een foto van een vagina heeft gedeeld, waarvan mensen dachten dat zij het was. Deze foto kwam van een website af.\n\nDe politie heeft de telefoon (een iPhone 13) onderzocht die onder verdachte in beslag werd genomen. Uit het onderzoek komt naar voren dat vanuit deze telefoon, die door verdachte werd gebruikt, tussen 19 maart 2025 en 4 juni 2025 via WhatsApp in totaal 2.923 acties (berichten, bellen, blokkeren en deblokkeren) zijn verricht naar aangeefster. De berichten gaan voornamelijk over de kinderen en de (volgens verdachte) nieuwe partner van aangeefster, de neef van verdachte. Uit de context van de berichten is op te maken dat verdachte wanhopig is en niet wil dat zijn kinderen bij zijn neef waren. Verdachte wil dat aangeefster bij haar (aldus verdachte) nieuwe partner weggaat dan wel dat de kinderen naar hem of naar een pleeggezin gaan. Als ze maar niet bij zijn neef zijn. Dit zou goedschiks dan wel kwaadschiks gebeuren. Verdachte heeft hierbij meermaals bericht dat hij nooit zal opgeven en nog liever dood gaat, dat aangeefster het zeker zal verliezen en dat het nooit goed zal komen. Ook gaf verdachte aan dat hij berichten over aangeefster op Facebook en zijn WhatsAppstatus heeft gezet en nog zal zetten en dat hij haar zal controleren, in de gaten zal houden en bij haar zal langskomen. Uit de berichten komt een vorm van dreiging naar voren.\n\nUit het onderzoek volgt dat verdachte in de tenlastegelegde periode via WhatsApp veelvuldig schermafbeeldingen van WhatsAppgesprekken met aangeefster, Facebookberichten, foto's en filmpjes van en over aangeefster heeft gedeeld met zijn contacten. Meermaals werd een foto van een vagina gedeeld, direct gevolgd door een foto van aangeefster. Op Facebook plaatste verdachte foto’s van aangeefster waar zij herkenbaar op stond, gepaard met negatieve teksten.\n\nUit het overzicht van de WhatsApp-gesprekken volgt dat verdachte op 5 april 2025 aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een foto van aangeefster naast een auto stuurde, waarbij hij onder meer schreef: ‘ik reed ze klem’.\n\nOp 8 april 2025 stuurde verdachte aan WhatsApp-contact ‘ [naam 2] ’ een aantal foto’s van kleding in een textielcontainer, gevolgd door de teksten: “wil je lachen”, “ik heb al heel veel kleding en dildo’s weggegooid”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niks meer en mag hier nooit meer een stap zetten”.Op 25 april 2025 stuurde verdachte aan aangeefster tientallen berichten waarvan één met de volgende inhoud: “Alles van jou is hier al uit het huis weg kleding echo's kistjes en doosjes en foto’s dus je hebt hier helemaal niks meer te zoeken. Echt alles wat aan jou herinneringen is weggegooid” en één met de volgende inhoud: “Echt alles is weg hier. Dus je hebt hier niks meer te zoeken. En heb maar geen hoop dat er nog iets zou liggen want dan heb je valse hoop”.\n\nAangeefster verbleef in de ten laste gelegde periode aan [adres] te Zutphen. Uit het buurtonderzoek van de politie volgt dat meerdere buurtbewoners hebben gezien dat door verschillende auto’s erg hard door de straat werd gereden, soms wel tien keer per dag. Deze auto’s werden bestuurd door een vader en zijn zoon die een conflict zouden hebben met de bewoners van nummer [nummer] . Volgens een buurtbewoner zou het gaan om verdachte en zijn zoon.\n\nDe heer [getuige] is door de politie als getuige gehoord en verklaarde dat in [adres] erg veel werd gescholden en geschreeuwd door verdachte en zijn zoon. Zij reden wel 10 tot 15 keer per dag als een dwaas door de straat en keken dan alleen naar de woning van nummer [nummer] .\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij veelvuldig WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij foto’s van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. De afbeelding van de vagina werd aan hem doorgestuurd en die heeft hij vervolgens zelf ook weer doorgestuurd. Ook heeft hij aangeefster op 5 april 2025 klemgereden in Gorssel. Met zijn gedragingen wilde hij bereiken dat zijn kinderen permanent bij hem zouden komen wonen, in plaats van bij zijn ex-partner en zijn neef. Verder heeft hij enkele malen, in ieder geval op 28 en 29 mei 2025, door [adres] gereden om zijn kinderen te zien. Ook heeft hij kleding en een vibrator van aangeefster weggegooid.Volgens de verklaring van verdachte ter terechtzitting ging het daarbij om oude kleding en rommel van aangeefster die door hem zijn opgeruimd omdat zij die niet kwam ophalen. Aangeefster zou eerder bijna al haar spullen al hebben meegenomen. Het WhatsApp-bericht“wil je lachen”aan ‘ [naam 2] ’ zag volgens verdachte op de vibrator. Op 3 april 2025 heeft hij aangeefster niet klemgereden, maar alleen naast haar gestaan met de auto.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] in de periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.\n\nDe rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de ten laste gelegde gedragingen van verdachte op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Vervolgens zal zij beoordelen hoe de vast te stellen gedragingen juridisch dienen te worden gekwalificeerd.\n\nDe ten laste gelegde handelingen\n\nGelet op het voorgaande constateert de rechtbank dat niet ter discussie staat dat verdachte in een relatief korte periode duizenden WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft verstuurd en dat hij zogenaamde WhatsApp-statusupdates over aangeefster en foto’s en teksten over en van aangeefster op sociale media heeft geplaatst. Ook staat niet ter discussie dat verdachte via WhatsApp naar meerdere personen een afbeelding heeft gestuurd van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is, gevolgd door een foto waarop het gezicht van aangeefster te zien is.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het voorgaande ook worden vastgesteld dat verdachte in de ten laste gelegde periode meermaals door [adres] is gereden. De aangifte wordt op dit punt ondersteund door de bevindingen van het buurtonderzoek en de getuigenverklaring van [getuige] , waaruit volgt dat verdachte – al dan niet samen met zijn zoon – soms wel 10 keer per dag op hoge snelheid en met veel geschreeuw en gescheld door de straat reed en daarbij vooral gericht was op de woning aan nummer [nummer] , waar aangeefster in de ten laste gelegde periode verbleef. In zijn verklaring ter terechtzitting heeft verdachte zelf ook erkend dat hij ‘enkele keren’ door de straat heeft gereden. Het betoog van de verdediging dat verdachte dit enkel deed om zijn kinderen te zien, en niet met het oogmerk om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster, wordt door hetgeen hiervoor is overwogen – met name ten aanzien van de frequentie, snelheid en het schelden – weersproken.\n\nOp basis van de verklaring van verdachte ter terechtzitting kan tevens worden vastgesteld dat hij spullen en kleding van aangeefster heeft weggegooid, hetgeen ook volgt uit de aangifte, het onderzoek naar de telefoon van verdachte en de hiervoor weergegeven chatberichten van verdachte van 25 april 2025.\n\nOok kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat verdachte aangeefster meermalen met zijn auto heeft achtervolgd en (vervolgens) heeft klemgereden. Aangeefster spreekt van twee incidenten die op 3 en 5 april 2025 hebben plaatsgevonden. Verdachte heeft ter terechtzitting het incident op 5 april 2025 bekend, maar zegt bij het eerste incident alleen met zijn auto naast aangeefster te hebben gestaan. De rechtbank overweegt dat zij, gelet op al het voorgaande, geen reden heeft om aan de verklaring van aangeefster op dit punt te twijfelen en acht dus bewezen dat verdachte aangeefster meermalen heeft achtervolgd en klemgereden.\n\nPleegperiode\n\nUit de genoemde bewijsmiddelen volgt dat alle voornoemde gedragingen van verdachte hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde pleegperiode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025. Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt dat verdachte al vanaf 19 maart 2025 veelvuldig WhatsApp-berichten heeft verstuurd naar aangeefster, hetgeen ter terechtzitting ook door hem is bekend. Dat aangeefster in de periode van 19 maart 2025 tot en met 6 april 2025 nog (sporadisch) heeft gereageerd op de berichten van verdachte, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.\n\nJuridische kwalificatie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van alle hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.\n\nDoor de verdediging is bepleit dat het weggooien van de spullen van aangeefster hierbij buiten beschouwing dient te blijven, omdat deze gedraging naar zijn aard geen gedraging zou zijn die een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. De rechtbank overweegt echter dat het begrip ‘persoonlijke levenssfeer’ als bedoeld in artikel 10 van de Grondwet geen vastomlijnd begrip is en dat het tal van terreinen omvat. Met het welbewust weggooien van de kleding en spullen van aangeefster en het vervolgens versturen van foto’s daarvan naar aangeefster zelf en naar derden, met teksten als “wil je lachen”en“ik gooi alles van haar weg, ze krijgt niets meer”, heeft verdachte opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.\n\nGelet op de inhoud van de vele berichten stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn handelen het oogmerk heeft gehad het slachtoffer te dwingen iets te doen, iets niet te doen, iets te dulden en haar vrees aan te jagen.\n\nDaarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde belaging van aangeefster.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij in of omstreeksde periode van 22 maart 2025 tot en met 4 juni 2025 te [woonplaats] , gemeente Bronckhorst en\u002FofZutphen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk\n\ninbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [aangever] , door\n\n- die [aangever] (veelvuldig)(WhatsApp)berichten te sturen en\u002Fof\n\n- een ofmeermalen door [adres] (te Zutphen) te rijden en\u002Fof\n\n- kleding en\u002Fofandere spullen van die [aangever] (in een vuilcontainer) weg te gooien en\u002Fof\n\n- die [aangever] een ofmeermalen met zijn auto te achtervolgen en\u002Fof(vervolgens) klem te rijden en\u002Fof\n\n- zogenaamde 'WhatsApp statusupdates' over die [aangever] te plaatsen en\u002Foffoto's en\u002Fofteksten van\u002Fover die [aangever] op social media te plaatsen en\u002Fof\n\n- een afbeelding van seksuele aard, te weten een foto waarop een vagina te zien is en\u002Fof (vervolgens)een foto waarop het gezicht van die [aangever] te zien is, naareen ofmeerdere personen via WhatsApp te sturen,\n\nmet het oogmerk die [aangever] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nBelaging\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd in het rapport van de reclassering van 9 september 2025, uitgebracht in een andere, maar aanverwante zaak, te weten:\n\neen meldplicht bij de reclassering;\n\neen training Cognitieve Vaardigheden of een andere ambulante behandeling, te bepalen door de reclassering.\n\nDaarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 220 uur, te vervangen door 110 dagen hechtenis indien deze straf niet naar behoren wordt verricht.\n\nOok heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd voor de duur van drie jaar, inhoudende een direct en indirect contactverbod met [aangever] en een locatieverbod voor de volgende locaties in Zutphen: [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] , [adres] en [adres] , gelegen aan de [adres] , inclusief de bijbehorende parkeerplaats. Daarbij dient voor elke overtreding de vervangende hechtenis te worden bepaald op één (1) week, met een maximum van zes maanden. Van dit contact- en locatieverbod mag enkel worden afgeweken na toestemming van de Jeugdbescherming, de reclassering of andere hulpinstanties. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd van 140 uur. Daarnaast heeft zij verzocht om aan verdachte een contactverbod met [aangever] op te leggen voor de periode van een jaar, behoudens overleg over de kinderen met toestemming van jeugdzorg. Het locatieverbod dient te worden beperkt tot de straat waar [aangever] woonachtig is en een straal van 200 meter daaromheen. Ook dient het locatieverbod te worden beperkt tot een periode van een jaar.\n\nVerder heeft de raadsvrouw bepleit dat geen aansluiting moet worden gezocht bij een oud reclasseringsrapport dat ziet op een andere zaak. In de huidige zaak is een nieuw rapport opgemaakt, waarin de reclassering een straf zonder reclasseringsbemoeienis adviseert.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging (stalking) van zijn ex-partner [aangever] . Nadat zij de relatie had beëindigd heeft verdachte haar maandenlang dagelijks tientallen berichten gestuurd, achtervolgd, getreiterd en zwartgemaakt door belastende berichten over haar te plaatsen op sociale media en WhatsApp-updates. Ook gooide hij haar spullen in een vuilcontainer en heeft hij aan meerdere mensen een van internet geplukte foto van een vagina gestuurd, direct gevolgd door een afbeelding van haar gezicht.\n\nDe heftige en blijvende gevolgen van deze belaging zijn door [aangever] treffend verwoord in de verklaring die zij ter zitting heeft voorgedragen. Zij leefde maandenlang met haar kinderen in angst en onzekerheid. Alles ging gepaard met spanning. Tot op de dag van vandaag staat zij in de overlevingsmodus en is zij haar gevoel van veiligheid kwijt.\n\nHoewel verdachte ter terechtzitting heeft erkend dat hij fouten heeft gemaakt en daar ook zijn spijt voor heeft betuigd, toont hij weinig inzicht in wat hij zijn ex-partner én zijn kinderen heeft aangedaan. Verdachte lijkt de omvang en ernst van zijn gedragingen en de gevolgen daarvan, ook voor zijn kinderen om wie het hem naar eigen zeggen allemaal te doen was, te bagatelliseren. Hij lijkt vooral oog te hebben gehad voor zichzelf en voor wat hem door aangeefster zou zijn aangedaan. Dit rekent de rechtbank hem aan.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat verdachte vaker is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk feit.\n\nVerder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 12 februari 2026. Daaruit volgt dat de leefgebieden \"relatie partner, gezin en familie\" en \"psychosociaal functioneren\" als direct delictgerelateerd aangemerkt worden. Omdat Jeugdbescherming en de rechterlijke macht nu betrokken zijn, wordt de grondslag van onderhavige verdenking door de reclassering niet meer als risicofactor voor toekomstig delictgedrag gezien. Beschermende factoren in het leven van verdachte zijn de liefde en zorg voor zijn kinderen en het aangesloten zijn van Jeugdbescherming, om de omgang met de kinderen in goede banen te leiden naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank. Verdachte wil geen contact meer met zijn ex-partner en heeft geen gevoelens meer voor haar. Positief is dat de wijkagent van verdachte heeft aangegeven dat er geen recente meldingen omtrent verdachte gedaan zijn, hij niet meer wordt besproken in het Zorg- en Veiligheidshuis en er op dit moment geen zorgen zijn. De toezichthouder van de reclassering die in 2025 belast was met het toezicht van verdachte geeft aan dat het toezicht goed verlopen is. De risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan de voorwaarden worden ingeschat als laag. Omdat verdachte geen hulpvragen heeft, er een omgangsregeling omtrent de kinderen tot stand is gekomen en zowel Jeugdbescherming als de wijkagent betrokken zijn, wordt een afdoening zonder reclasseringsbemoeienis geadviseerd. Wel wordt er een contactverbod voor één jaar geadviseerd, omdat zowel verdachte als zijn ex-partner dit wensen.\n\nDe rechtbank overweegt dat het dossier ook een reclasseringsrapport bevat dat in een eerder stadium is opgemaakt in een andere strafzaak tegen verdachte. In die zaak ging het om een verdenking van onttrekking aan het wettelijk gezag van de oudste zoon van verdachte en aangeefster. Verdachte is van deze verdenking vrijgesproken op 3 oktober 2025. Hoewel deze zaak betrekking had op dezelfde partijen en gezinssituatie, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat de reclassering ten aanzien van de huidige zaak een nieuw rapport heeft opgemaakt, waarin wordt uitgegaan van een recentere stand van zaken, maar met inachtneming van de voorgeschiedenis, aanleiding om dit meest recente rapport als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de straf.\n\nDe op te leggen straf\n\nBij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.\n\nGelet op de ernst van het feit en de houding van verdachte ter terechtzitting ten aanzien van aangeefster, acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Op die manier heeft verdachte een flinke stok achter de deur om te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nAlles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 180 uren. De tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht dient op deze taakstraf in mindering te worden gebracht.\n\nOok zal de rechtbank aan verdachte een maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van strafrecht opleggen aan verdachte. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en het feit dat verdachte en [aangever] vanwege hun kinderen met elkaar verbonden blijven, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van deze maatregel ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten door verdachte passend en geboden is. De maatregel bestaat uit een contactverbod met [aangever] , met uitzondering van contact ten behoeve van overleg over de kinderen dat plaatsvindt met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en een locatieverbod voor [adres] in Zutphen. Een breder locatieverbod voor de omliggende straten en [adres] acht de rechtbank niet noodzakelijk, gezien het feit dat er ook een contactverbod wordt opgelegd.\n\nDe rechtbank zal de maatregel opleggen voor de duur van 3 jaren, zodat de periode gelijkloopt met de proeftijd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van in totaal 6 maanden.\n\nGelet op het bewezenverklaarde houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit kan plegen of zich belastend kan gedragen jegens [aangever] . Om die reden zal de rechtbank de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nMevrouw [aangever] heeft in verband met het bewezenverklaarde als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert in totaal:\n\n€ 3.333,33 aan materiële schade voor de door verdachte weggegooide goederen (o.a. kleding); en\n\n€ 5.000 aan immateriële schade;\n\ntelkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld welke exacte kleding en spullen door verdachte zijn weggegooid. Hij heeft de rechtbank verzocht om gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en de materiële schade te bepalen op een bedrag van € 1.500,00. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor het gehele bedrag van € 5.000,00 kan worden toegewezen. Voor beide bedragen heeft de officier van justitie toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot materiële schade, primair gelet op het verweer dat het weggooien van de goederen geen belaging oplevert als bedoeld in de tenlastelegging. Subsidiair wordt aangevoerd dat deze schadepost niet is onderbouwd, terwijl nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren. Meer subsidiair is betoogd dat deze schadepost zich – voor wat betreft de goederen van de kinderen – niet leent voor behandeling in het strafproces, omdat er geen bijzondere curator is benoemd om de belangen van de kinderen te behartigen, zoals in het civiele recht in dergelijke situaties in de rede ligt.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging bepleit dat er geen sprake is van objectief vast te stellen geestelijk letsel. Indien de rechtbank van oordeel is dat de aard en ernst van de normschending aanleiding geven tot vergoeding van immateriële schade, wordt de rechtbank verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot € 750,00, omdat dit bedrag beter aansluit bij de aard, duur en ernst van het verweten handelen en bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend.\n\nOverweging van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nUit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nDe rechtbank constateert dat niet kan worden vastgesteld welke exacte spullen verloren zijn gegaan. Daarvoor is de vordering onvoldoende onderbouwd. Dit is gelet op de situatie echter begrijpelijk. Verdachte heeft bovendien zelf aan aangeefster en een andere geadresseerde laten weten dat hij ‘heel veel kleding’ en ‘echt alles’ wat aan aangeefster herinnerde, heeft weggegooid. De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid, zoals bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, en de schade als gevolg van de weggegooide goederen naar billijkheid – en met inachtneming van afschrijving – begroten op een bedrag van € 1.500,00.\n\nDe benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot materiële schade.\n\nImmateriële schade\n\nDe benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:\n\nverdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,\n\nde benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,\n\nde benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of\n\nde benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.\n\nOm te spreken van een aantasting in persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.\n\nOp basis van het bewezenverklaarde en wat ter terechtzitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’.\n\nBlijkens de toelichting op de vordering kampte de benadeelde partij door het tenlastegelegde onder meer met angstklachten, stress en slaapproblemen. De aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zijn zo ingrijpend dat dit meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit is aan verdachte toe te rekenen.\n\nVoor de begroting van de schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het hoofdstuk belaging in de zogeheten Rotterdamse Schaal. De rechtbank overweegt dat het bewezenverklaarde zich op het snijvlak bevindt tussen de categorieën ‘(a) meest ernstig’ en ‘(b) ernstig’. Hoewel het bewezenverklaarde voor wat betreft de duur in categorie b kan worden geschaard, zijn er ook elementen in het gedrag van verdachte die bij de meest ernstige categorie passen. Zo heeft verdachte (veelvuldig) beeldmateriaal over en van de benadeelde op sociale media geplaatst, ook met een seksuele strekking. Rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding dan ook naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 5.000,00.\n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nTen aanzien van het bedrag van € 1.500,00 aan materiële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf het ontstaan van de schade, te weten het moment waarop de goederen zijn weggegooid: 8 april 2025.\n\nTen aanzien van het bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf de laatste dag van de tenlastegelegde periode: 4 juni 2025.\n\nDe rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;\n\n bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit;\n\n legt op een taakstraf van 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;\n\n beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;\n\n legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende:\n\neen gebiedsverbod: verdachte bevindt zich gedurende drie jaren niet in [adres] te Zutphen; en\n\neen contactverbod: verdachte onthoudt zich gedurende drie jaren van – direct of indirect – contact met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1987, tenzij dit contact plaatsvindt ten behoeve van overleg over de kinderen en met de uitdrukkelijke toestemming van de reclassering, de Jeugdbescherming of een andere betrokken hulpverleningsinstantie, en daarbij de aanwijzingen van de betreffende instantie worden opgevolgd;\n\n beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;\n\n beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\n veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van:\n\n € 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\n verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\n legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] een bedrag te betalen van\n\n€ 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\n€ 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.\n\nAls dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 57 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\n bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.W.R. Koch (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. P.J. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnummer 2025159994, gesloten op 30 oktober 2025, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van 15 april 2025, p. 8-13.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen meldingenoverzicht na aangifte, aanvullend proces-verbaal, p. 16-18.\n\n Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 27 november 2025, aanvullend proces-verbaal, p. 8-11.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Apple iPhone 13 en de bijlage uitlezen telefoon, p. 199-200, 230-231, 233-234.\n\n Chatbijlage WhatsApp, p. 270, bijlage bij pv tijdlijn in stalkingszaken, p. 171 e.v.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek, p. 180.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 186.\n\n De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 11 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5222","ecli-nl-rbgel-2026-5222",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]