[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5353":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5353":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"285","ECLI:NL:RBGEL:2026:5353","",60,"Arnhem","arnhem","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05-348363-24\n\nDatum uitspraak : 29 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] ,\n\nraadsman: mr. D.C. Coppens, advocaat in Amsterdam.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, zijn levensgezel, [aangever] (meermalen) heeft mishandeld door\n\ndie [aangever] meermalen (met kracht) in het gezicht en\u002Fof tegen de ribben en\u002Fof tegen de borst, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen en\u002Fof\n\ndie [aangever] in haar rug en\u002Fof tegen haar billen te schoppen en\u002Fof\n\neen knie in de buik van die [aangever] te zetten en\u002Fof te duwen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar hoofd en\u002Fof haar oren te pakken en\u002Fof in haar hoofd en\u002Fof in haar oren te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen in haar borst en\u002Fof haar kuit en\u002Fof haar been te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen vast te pakken en\u002Fof vast te houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] (met zijn nagels) bij haar polsen te pakken en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen te duwen en\u002Fof op bed en\u002Fof tegen de muur en\u002Fof deur te duwen en\u002Fof te houden en\u002Fof\n\nde arm van die [aangever] te overstrekken en\u002Fof te buigen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar nek te pakken\u002Fgrijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar trui te pakken en\u002Fof (aldus) de keel van die [aangever] (kort) af te knellen;\n\n2.\n\nhij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, [aangever] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling door in die periode op één of meer tijdstippen opzettelijk dreigend\n\neen mes te pakken en\u002Fof dit mes aan die [aangever] te tonen en\u002Fof daarbij de woorden toe te voegen: “het is jij of ik”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en of strekking en\u002Fof\n\ndie [aangever] de woorden toe te voegen: “zeg dat ik je ga slaan, dan doe ik het ook!” en\u002Fof “ik geef mijn grens aan omdat ik je anders in elkaar sla” en\u002Fof “ja, jij wil dat ik jou ga meppen, en ik doe het ook! Wees maar niet bang!” en\u002Fof “mij nog een keer duwen, ik ros je in mekaar!” en\u002Fof “jij zegt dat ik je wat aan doe. Dan zal ik dat doen ook” en\u002Fof “nog een keer die elleboog en ik steek een mes in je keel, die ligt daar, dat je het weet!” en\u002Fof “misschien moet ik je gewoon maar echt effe zo meteen heel hard in mekaar rossen” en\u002Fof\n\n(telefonisch) “als je morgen komt, dan zet ik een mes tegen je keel en snijd ik je keel door” en\u002Fof (vervolgens) “ik hoef m’n relatie niet te redden want jij gaat het morgen toch uitmaken, dus ja dan kan je net zo goed dood” en\u002Fof “mijn gevoel doet er verder toch niet toe dus het maakt me geen ene reet uit meer dat ik in de gevangenis kom. Heb ik in ieder geval iemand vermoord. Dan heeft jouw moeder pijn. Jij leeft niet meer” en\u002Fof ”jij verlaat in zes plankjes de vakantie” en\u002Fof ‘‘jij komt nu naar huis, of ik ben dood of jij”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard en\u002Fof strekking.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nDe feiten\n\nOp grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.\n\nIn de periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 heeft verdachte zijn toenmalige partner, [aangever] , meermaals mishandeld en bedreigd. Hij heeft haar vastgehouden en geknepen, geduwd en een schop tegen de billen gegeven en een tik op haar been gegeven. Hij heeft geknepen in de arm en kuiten. Hij heeft haar bij het vastpakken met zijn nagels verwond. Hij heeft haar op bed en tegen de muur en de deur geduwd. Hij heeft haar bij haar hoofd gepakt en met platte handen bij haar oren. Hij heeft gedreigd haar te vermoorden en gezegd het is jij of ik.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van die onderdelen van de tenlastelegging die door hem ontkend worden. Voor het overige kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de mishandelingen heeft begaan. Ten aanzien van de bedreiging voert de verdediging aan dat geen sprake is van bedreiging met zware mishandeling en dat de bewoordingen ‘slaan’, ‘meppen’, ‘in elkaar rossen’ of ‘in elkaar slaan’ niet de vrees hebben aangejaagd dat verdachte aangeefster daadwerkelijk ernstig lichamelijk letsel zou toebrengen. Daarnaast stelt de verdediging zich op het standpunt dat de bewoordingen onvoldoende concrete inhoud hebben om te spreken van toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waardoor verdachte van de bedreigingen moet worden vrijgesproken.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nVerdachte heeft een groot deel van de in de tenlastelegging genoemde mishandelingen en bedreigingen bekend. Een aantal van de in de tenlastelegging genoemde handelingen wordt door verdachte betwist. De militaire kamer zal daarom de bewijsmiddelen ten aanzien van deze handelingen hieronder per feit beoordelen.\n\nTen aanzien van feit 1\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [aangever] nooit heeft geslagen of gestompt. Ook heeft hij geen knie in haar buik gezet en hij heeft nooit aan de oren van [aangever] getrokken of daarin geknepen. Hij heeft nimmer de arm van [aangever] gebogen of overstrekt. Ten slotte ontkent verdachte uitdrukkelijk dat hij de keel van [aangever] heeft afgekneld.\n\nAangeefster heeft verklaard dat zij op 31 oktober 2024 ruzie had met verdachte en dat zij niet naar buiten mocht. Verdachte deed de deur dicht en duwde haar heel hard met haar rug tegen de deur. Zij zag dat hij zijn vuist balde en voelde dat hij met zijn rechtervuist met kracht tegen haar borst aan sloeg. Zij heeft daardoor letsel opgelopen op haar borst. Hij trok haar van de deur af en pakte haar met zijn rechterhand bij haar kleding vast bij haar keel, waardoor alles strak om haar keel terecht kwam. Het voelde kort alsof haar keel werd afgekneld. Verdachte trok aangeefster mee naar het midden van de kamer. Haar trui scheurde op dat moment. Toen duwde verdachte haar weg waardoor zij over een stoel struikelde. Aangeefster voelde dat zij van achteren tegen haar billen en onderrug gestompt werd. Zij denkt dat hij met zijn benen schopte. Even later wilde zij langs verdachte naar buiten lopen maar dat mocht niet van hem. Hij pakte haar met zijn beide handen bij haar hoofd ter hoogte van haar oren. Hij kneep heel hard in haar hoofd en oren. Verdachte gooide haar vervolgens hard op het bed.\n\nIn een aanvullend verhoor heeft aangeefster aan de hand van foto’s van haar letsel verklaard over verschillende incidenten. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar een aantal keren heeft geslagen en haar ook bij haar nek heeft gegrepen. Dat hoorde zij ook terug in de opnames die zij heeft gemaakt. Op een geluidsopname van 21 november 2023 zegt ze dat het al de 4de keer was. Hij had haar toen geknepen in haar been. De mishandelingen begonnen in het oude huis met duwen en schreeuwen. Daarna ging het verder in duwen tegen de muur en haar arm overstrekken. Ze zijn in april 2024 in het nieuwe huis gaan wonen. Op 3 oktober 2024 heeft verdachte aangeefster op haar ribben geslagen. Verdachte sloeg ook altijd op de billen van aangeefster als zij langs hem liep. Zij heeft hem wel eens een limiet opgesteld over het slaan op haar billen, maar daar luisterde hij niet naar. Een ander incident is dat verdachte bovenop aangeefster ligt en een knie in haar buik duwt, dat is in het nieuwe huis gebeurd. Ook heeft verdachte haar een keer in het gezicht geslagen. Hij zat heel dichtbij haar en zij deed uit bescherming haar handen voor haar gezicht en raakte daarbij zijn kin aan. Toen werd verdachte heel boos. Daarna sloeg hij haar in het gezicht.\n\nIn één van de geluidsopnames die aangeefster heeft gemaakt is het volgende gesprek tussen verdachte en aangeefster te horen:\n\n‘ [aangever] : Jawel, dat is niet hoe het werkt. Je mag nooit iemand fysiek pijn doen.\n\n [verdachte] : -schreeuwt- [NTV 03:41]\n\n [aangever] : Hou op. Ga weg. Laat me gaan, au. Nee au.\n\n [verdachte] : En nu heb jij pijn.\n\n [aangever] : -huilt-\n\n [verdachte] : Ik zou terugslaan. Dan wordt het echt feest.\n\n [aangever] : Ik zat niet terug te slaan.\n\n [verdachte] : Nee [NTV 03:56]’\n\nIn een ander geluidsfragment waarop verdachte en aangeefster te horen zijn is het volgende te horen:\n\n‘ [aangever] : Jij duwde me vol in de bank. Jij kneep in m'n been en uit reflex duw ik jou weg en aangezien dat het enige was waar ik bij kon duwde ik inderdaad tegen jouw nek aan, zachtjes, zodat je weg van me ging en vervolgens grijp jij mij naar en knijp jij in m'n nek.\n\n [verdachte] : Ja want ik denk dan niet na hè, dat is ook een reflex hè?\n\n [aangever] : Nee dan denk jij niet na, maar dat van mij was ook een reflex omdat je me al kneep dus wie begon er?\n\n [verdachte] : Niet naar mij schreeuwen dan. Ik mag toch ook niet naar jou schreeuwen?\n\n [aangever] : Wie begon er met knijpen?’\n\nTussenconclusie\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat de verschillende verklaringen van aangeefster concreet en gedetailleerd zijn, waarbij er foto’s zijn die de letsels waarover zij verklaart onderbouwen. De uitgeschreven geluidsopnames geven eveneens onderbouwing aan de verklaring van aangeefster. De verklaringen van aangeefster worden door de militaire kamer dan ook betrouwbaar geacht en zij neemt de verklaringen van aangeefster als uitgangspunt. Een groot deel van die verklaringen van aangeefster over de mishandeling door verdachte wordt daarbij ondersteund door de daarover bekennende verklaringen van verdachte. Echter, ook de door aangeefster omschreven mishandelingen die door verdachte worden ontkend, zoals het slaan en het bij de keel grijpen acht de militaire kamer bewezen. Dat verdachte die mishandelingen wel heeft gepleegd wordt ondersteund door de geluidsopnames waarin te horen is dat verdachte het door aangeefster het daar genoemde knijpen in de nek bevestigt. De woordenwisseling [aangever] : Hou op. Ga weg. Laat me gaan, au. Nee au. [verdachte] : En nu heb jij pijn. [aangever] : -huilt- [verdachte] : Ik zou terugslaan. Dan wordt het echt feestbevestigt de verklaring van aangeefster dat verdachte haar wel degelijk ook geslagen heeft. In samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen kunnen alle tenlastegelegde, waaronder de door de verdediging betwiste, handelingen wettig en overtuigend worden bewezen.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nVerdachte heeft betwist ooit een mes te hebben gepakt of te hebben getoond en heeft nooit gezegd dat [aangever] de vakantie ‘tussen 6 planken’ zou verlaten.\n\nAangeefster heeft verklaard dat verdachte eind oktober boos was en zij hem heel hard hoorde schreeuwen ‘ik wil dood’. Zij was op de slaapkamer en zij zag dat hij de kamer in kwam stormen met een koksmes in zijn hand en hoorde dat hij zei ‘het is jij of ik’. Aangeefster is naar buiten gerend en heeft de moeder van verdachte gebeld. Kort daarna kwam zijn vader naar de woning om met verdachte te praten.\n\nIn een aanvullende aangifte heeft aangeefster verklaard dat verdachte op vakantie heeft gezegd dat zij tussen 6 plankjes terug naar Nederland zou gaan. Zij heeft nog op vliegtickets gezocht om terug naar Nederland te vliegen. Thuis zijn de doodsbedreigingen ook vaak gebeurd. Verdachte heeft vaak tegen aangeefster verteld dat zij in 6 plankjes weg zou gaan.\n\nAangeefster heeft meerdere geluidsopnames gemaakt. De geluidsopnames zijn uitgewerkt en in de geluidsopname van 20 oktober 2024 genaamd ‘[verdachte] , Knife and fight with his dad’ is het volgende te horen:\n\n‘[aangever] : Nee niet altijd al [verdachte] , je komt met een fucking mes aanrennen.\n\n [verdachte] : Ja omdat ik dood wil ja.\n\n [aangever] : Ja, maar dat is toch eng?\n\n [verdachte] : Schei toch uit.’\n\nIn een geluidsopname van 2 september 2024 genaamd ‘[verdachte] dreigt met moord en zelfmoord en ik probeer hem rustig te houden’ is het volgende te horen:\n\n‘ [aangever] : Maar als je... Als je zegt dat je van iemand houdt dan ga je niet zeggen dat je die persoon dood wil hebben. Je gaat daar niet eens mee dreigen. Op de vak-\n\n [verdachte] : Ik dreig het ook niet, [NTV 04:34].\n\n [aangever] : Ik heb al meerdere keren gezegd dat ik het uit ging maken omdat dit de hele tijd gebeurd. Je hebt de vorige keer gezegd dat ik in 6 plankjes de vakantie verlaat. Je hebt echt al zo...\n\n [verdachte] : Ja dat gaat nu ook gebeuren.\n\n [aangever] : Ja je hebt al zo vaak gedreigd dat je me dood gaat maken. En dan vind je het raar dat ik bang ben voor jou?\n\n [verdachte] : Ja, nou ja, jij vertrouwt mij niet, ik vertrouw jou niet, dus dat is wel zo eerlijk hè?’\n\nTussenconclusie\n\nDe militaire kamer acht ook de door verdachte betwiste bedreigingen voldoende wettig en overtuigend bewezen, nu deze letterlijk op de geluidsopnames te horen zijn en verdachte daarop bevestigend reageert.\n\nConclusie\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de bewoordingen geen bedreiging met zware mishandeling oplevert en dat de inhoud van de concrete bedreigingen geen reële vrees aanjagen op het al dan niet kunnen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nDe militaire kamer verwerpt dit verweer. Uit de verklaringen van aangeefster blijkt wel degelijk dat zij bang is voor verdachte. Tegen de achtergrond van de vele mishandelingen, de door verdachte gebruikte woorden zoals “in elkaar rossen” en gelet op het feit dat verdachte met een mes voor haar heeft gestaan heeft bij aangeefster ook in redelijkheid de vrees kunnen ontstaan dat hij deze bedreigingen ook tot uitvoering zou kunnen brengen. Daarnaast is de militaire kamer van oordeel dat met deze bewoordingen zowel sprake is van bedreiging met zware mishandeling als met enig misdrijf tegen het leven gericht.\n\nDe militaire kamer acht de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1.\n\nhij op één ofmeer tijdstippen inof omstreeksde periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, zijn levensgezel, [aangever](meermalen)heeft mishandeld door\n\ndie [aangever] meermalen (met kracht) in het gezicht en\u002Foftegen de ribben en\u002Foftegen de borst, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fofte stompen en\u002Fof\n\ndie [aangever] in haar rug en\u002Foftegen haar billen te schoppen en\u002Fof\n\neen knie in de buik van die [aangever] te zetten en\u002Fof te duwen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar hoofd en\u002Fofhaar oren te pakkenen\u002Fof in haar hoofden\u002Fofin haar oren te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen in haar borst en\u002Fofhaar kuit en\u002Fofhaar been te knijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen vast te pakken en\u002Fofvast te houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] (met zijn nagels) bij haar polsen te pakken en\u002Fofte houden en\u002Fof\n\ndie [aangever] meermalen te duwen en\u002Fofop bed en\u002Foftegen de muur en\u002Fofdeur te duwen en\u002Fofte houden en\u002Fof\n\nde arm van die [aangever] te overstrekken en\u002Fofte buigen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar nek te pakken\u002Fgrijpen en\u002Fof\n\ndie [aangever] bij haar trui te pakken en\u002Fof(aldus) de keel van die [aangever] (kort) af te knellen;\n\n2.\n\nhij op één ofmeer tijdstippen inof omstreeksde periode van 21 november 2023 tot en met 31 oktober 2024 te 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, [aangever] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fofmet zware mishandeling door in die periode opéén ofmeer tijdstippen opzettelijk dreigend\n\neen mes te pakken en\u002Fofdit mes aan die [aangever] te tonen en\u002Fofdaarbij de woorden toe te voegen: “het is jij of ik”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en of strekking en\u002Fof\n\ndie [aangever] de woorden toe te voegen: “zeg dat ik je ga slaan, dan doe ik het ook!” en\u002Fof“ik geef mijn grens aan omdat ik je anders in elkaar sla” en\u002Fof“ja, jij wil dat ik jou ga meppen, en ik doe het ook! Wees maar niet bang!” en\u002Fof“mij nog een keer duwen, ik ros je in mekaar!” en\u002Fof“jij zegt dat ik je wat aan doe. Dan zal ik dat doen ook” en\u002Fof“nog een keer die elleboog en ik steek een mes in je keel, die ligt daar, dat je het weet!” en\u002Fof“misschien moet ik je gewoon maar echt effe zo meteen heel hard in mekaar rossen” en\u002Fof\n\n(telefonisch) “als je morgen komt, dan zet ik een mes tegen je keel en snijd ik je keel door” en\u002Fof(vervolgens) “ik hoef m’n relatie niet te redden want jij gaat het morgen toch uitmaken, dus ja dan kan je net zo goed dood” en\u002Fof“mijn gevoel doet er verder toch niet toe dus het maakt me geen ene reet uit meer dat ik in de gevangenis kom. Heb ik in ieder geval iemand vermoord. Dan heeft jouw moeder pijn. Jij leeft niet meer” en\u002Fof”jij verlaat in zes plankjes de vakantie” en\u002Fof‘‘jij komt nu naar huis, of ik ben dood of jij”,\n\nalthans woorden van gelijke dreigende aard en\u002Fof strekking.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermaals gepleegd\n\nfeit 2:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, meermaals gepleegd\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en voorts tot het verrichten van 140 uren werkstraf subsidiair 70 dagen hechtenis (met aftrek). Ook vraagt de officier van justitie om aan verdachte een contactverbod met aangeefster op te leggen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit dat de militaire kamer bij het bepalen van de strafmaat rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter zitting naar voren gebracht. Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een contactverbod niet noodzakelijk is, nu de reclassering eveneens geen noodzaak ziet voor het opleggen van een contactverbod en het voor verdachte niet werkbaar is omdat aangeefster en verdachte allebei in de muziekwereld werkzaam zijn.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan huiselijk geweld. Hij heeft zijn toenmalige partner in hun woning mishandeld en bedreigd. Door zijn handelen heeft verdachte een onveilige situatie gecreëerd op een plek waar je je bij uitstek veilig hoort te voelen. De ernst en de impact van mishandeling en bedreiging in huiselijke kring is groot.\n\nUit het strafblad van verdachte van 8 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.\n\nDe militaire kamer heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportage van 16 april 2026 waaruit naar voren kom dat er bij verdachte aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek met name gekenmerkt door narcistische trekken, waaronder een externaliserende attributiestijl, beperkte zelfreflectie en een verhoogde gevoeligheid voor krenking. Hoewel bij verdachte geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin, zijn voornoemde persoonlijkheidskenmerken wel vastgesteld en die hebben naar alle waarschijnlijkheid enige invloed gehad op de wijze waarop verdachte de situatie heeft beleefd en geïnterpreteerd, met name in termen van het zich tekortgedaan voelen en het minder goed overzien van het eigen aandeel. Er wordt geen noodzaak gezien voor het inzetten van interventies binnen een verplicht of forensisch kader.\n\nDe militaire kamer heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 29 april 2026, waaruit blijkt dat het recidiverisico laag wordt ingeschat. Verdachte heeft nadat het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden een agressieregulatietraining afgerond en zich gemeld bij de hulpverlening voor begeleiding. Dat loopt voor een deel nog. Van verdachte kan op grond van zijn capaciteiten verwacht worden dat hij, indien nodig, de weg weet te vinden naar de hulpverlening en, onder andere op grond van de afgeronde training, weet wanneer hij deze moet inschakelen. De reclassering vindt interventies of toezicht op basis van de bij hun bekende informatie niet nodig en zij adviseren dan ook een straf zonder bijzondere voorwaarden. Een proeftijd zou in principe voldoende moeten zijn als stok achter de deur.\n\nVanwege de aard, de ernst en de duur van de mishandelingen en bedreigingen acht de militaire kamer een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren passend, als stok achter de deur. Als bijzondere voorwaarde zal aan verdachte een contactverbod met aangeefster worden opgelegd. Daarnaast is de militaire kamer van oordeel dat verdachte een taakstraf moet uitvoeren.\n\nAlles afwegende komt de militaire kamer – in overeenstemming met de eis van de officier van justitie – tot de oplegging van een voorwaardelijke militaire detentie voor de duur van één maand met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [aangever] . Voorts zal de militaire kamer aan verdachte opleggen een taakstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen militaire detentie met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.\n\n8. De beoordeling van de civiele vordering\n\nDe benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 1.885,24 aan materiële schade en € 4.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nStandpunten\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDe officier van justitie acht de gemaakte kosten voor logopedie, verlies in arbeidsvermogen en reiskosten deugdelijk onderbouwd, waardoor deze schade kan worden toegewezen. De eindnota van het energieverbruik valt buiten het strafrecht en kan daarom niet worden toegewezen. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de militaire kamer.\n\nVoor het overige deel aan materiële schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. De vorderingen worden onvoldoende onderbouwd.\n\nOverweging van de militaire kamer\n\nMateriële schade\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe militaire kamer overweegt dat de schadeposten die zien op het verlies van arbeidsvermogen á € 1.540,00 en de reiskosten á € 100,32 voldoende zijn onderbouwd en redelijk zijn.\n\nVoor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.\n\nDe schadeposten die zien op kosten logopedie á € 176,00 en kosten eindnota energieverbruik 2024 á € 68,92 zijn naar het oordeel van de militaire kamer thans onvoldoende onderbouwd, terwijl ook zonder nadere onderbouwing geen causaal verband tussen de schadeposten en de feiten kan worden vastgesteld. Nu nadere onderbouwing, standpuntenuitwisseling en zo nodig bewijslevering een onevenredige belasting met van het strafproces zou betekenen zal de militaire kamer de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit deel van de vordering verklaren. Benadeelde kan daarvoor nog naar de civiele rechter.\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de voornoemde schadeposten tot een hoogte van € 1.640,32 kan worden toegewezen.\n\nSmartengeld\n\nEen benadeelde kan onder meer aanspraak maken op een vergoeding van schade in de vorm van smartengeld op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het geval dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarvan is hier sprake nu uit de bewijsmiddelen volgt dat benadeelde door de bewezen meermalen gepleegde mishandelingen pijn en letsel in de vorm van o.a. pijn aan oor\u002Fgehoor, rode plekken en hoofdpijn heeft opgelopen. De mishandelingen en bewezen bedreigingen vonden over een lange periode plaats in de eigen woning van benadeelde. Dat dit heeft geleid tot psychische problemen en schaamte gevoelens is in het licht van de onderbouwing door benadeelde met een huisartsenjournaal, een verklaring van “Kwadraad maatschappelijk werk” en een gezondheidspsycholoog onvoldoende concreet betwist.\n\nDe militaire kamer houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en acht geslagen op de door de rechtspraak gehanteerde “Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Aanbevelingen hanteren Rotterdamse schaal (geldend vanaf 1 januari 2026)”.\n\nNu uit hetgeen is aangevoerd niet blijkt dat sprake is van geestelijk letsel dat naar ‘objectieve maatstaven is vastgesteld’ zal de militaire kamer voor de bepaling van de hoogte van het smartengeld niet uitgaan van het in de Rotterdamse schaal genoemde categorie 14.1 Geestelijk letsel algemeen, zoals door benadeelde is voorgestaan.\n\nEchter, gelet op:\n\n- de veelheid van de mishandelingen – waarbij, als het om één mishandeling met beperkt letsel zou gaan, op grond van hoofdstuk 13 c van de Rotterdamse schaal een bedrag tot € 1.100,00 als uitgangspunt wordt gehanteerd –,\n\n- de langere periode waarin dit in de eigen woning van benadeelde plaatsvond en\n\n- de omstandigheid dat overeenkomstig de genoemde aanbevelingen de mate van verwijtbaarheid nog aanleiding geeft tot verhoging van het vast te stellen smartengeld met 25% (aanbeveling 3) en\n\n- de psychische impact die dit voor benadeelde heeft gehad\n\nzal de militaire kamer de hoogte van het smartengeld naar maatstaven van billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 4.000,00.\n\nVerdachte is voor het materiële deel vanaf 1 juni 2026 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd, de datum waarop de vordering is ingediend. En voor het smartengeld is verdachte vanaf 31 oktober 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.\n\nDe militaire kamer ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.\n\n9. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n10. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot militaire detentievoor de duur van1 (één) maand;\n\nbepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd,tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nstelt als bijzondere voorwaarde dat:\n\ncontactverbod\n\n- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [aangever] , geboren op [geboortedag] 1996;\n\n de politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;\n\n legt op een taakstrafvan140 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht militaire detentie zal worden toegepast voor de duur van 70 dagen;\n\n beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;\n\nveroordeelt verdachte in verband met de feiten tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 1.640,32 aan materiële schade en € 4.000,00 aan smartengeld. Voor de materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026 en voor het smartengeld vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2024, tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;\n\nveroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;\n\n verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;\n\nlegt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 5.640,32 aan materiële schade\u002Fsmartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2026 voor de materiële schade en vanaf 31 oktober 2024 voor het smartengeld, tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 56 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;\n\nbepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs, rechters, en kapitein-ter-zee (LD) mr. J.L. Wesstra, militair lid, in tegenwoordigheid van\n\nmr. C.F. Brouwer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op\n\n29 juni 2026.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 27MOGUMBER \u002F 27FCC240031, gesloten op 31 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 18-19, proces-verbaal aangifte, p. 22-28, proces-verbaal aangifte, p. 29-41 (met bijlagen, p. 43-61), proces-verbaal van bevindingen, p. 62-75, proces-verbaal van bevindingen uitwerking audiobestanden (aanvullend PV-032), de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juni 2026.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 18-19 en proces-verbaal aangifte, p. 25-26.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 31-38.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 64.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 68-69.\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 19\n\n Proces-verbaal aangifte, p. 37.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 44 (aanvullend PV).\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 29 (aanvullend PV).","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5353","ecli-nl-rbgel-2026-5353",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht; Materieel strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]