[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rblim-2026-4705":3,"decision-more-ecli-nl-rblim-2026-4705":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1265","ECLI:NL:RBLIM:2026:4705","",74,"Maastricht","maastricht","2026-05-15T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 11792041 \\ AZ VERZ 25-76\n\nBeschikking van 15 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. N. Soro,\n\ntegen\n\n [werkgever] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: mr. R.A. van den Berkmortel.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- een (incompleet) verzoekschrift van [werknemer] ontvangen op 10 juli 2025, aanvankelijk niet verzonden naar [werkgever]\n\n- correspondentie tussen [werknemer] en de griffier van de rechtbank naar aanleiding van het verzoekschrift\n\n- het verzoekschrift van [werknemer] , ingediend door mr. Soro, ontvangen op 28 november 2025, met bijlagen 1 t\u002Fm 11\n\n- het verweerschrift met bijlagen 1 t\u002Fm 19\n\n- de aanvullende bijlagen 12 t\u002Fm 21 van [werknemer] , ingekomen op 30 januari 2026\n\n- een akte van [werkgever] van 5 februari 2026 met bijlagen 20 en 21\n\n- een akte wijziging ‘eis’ van [werkgever]\n\n- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, de spreekaantekeningen aan de zijde van [werkgever] , waaronder een nadere toelichting op de advocaatkosten.\n\n- de brief van de rechtbank aan partijen d.d. 23 februari 2026, waarbij het verzoekschrift van 10 juli 2025 en de daarover met [werknemer] gevoerde correspondentie ook aan [werkgever] is verstrekt\n\n- de brief van de rechtbank d.d. 10 maart 2026 waarin een nieuwe mondelinge behandeling is gelast\n\n- de aanvulling verweerschrift tevens wijziging van eis van [werkgever]\n\n- de brief van 4 mei 2026 van [werknemer] met bijlagen 22 t\u002Fm 27\n\n- de voortzetting van de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en [werknemer] spreekaantekeningen heeft overgelegd.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werkgever] is een detailhandel in keukens. [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) is bestuurder van [werkgever] .\n\n2.2.. \n [werknemer] , geboren [datum] 2004, is op 17 mei 2024 in dienst getreden bij [werkgever] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 17 mei 2025. In de arbeidsovereenkomst staat dat de werkzaamheden van [werknemer] bestaan uit het ondersteunen van de directie, backoffice, verkoop en orderverwerker. Het loon bedraagt € 2.156,26 bruto per maand.\n\n2.3.. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat beide partijen de overeenkomst tussentijds kunnen beëindigen door opzegging per aangetekende brief. Verder maakt een provisieregeling onderdeel uit van de overeenkomst.\n\n2.4.. Op 14 april 2025 start [werknemer] een schoonheidssalon met de naam [handelsnaam] .\n\n2.5.. Begin mei 2025 spreken partijen over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst kan worden verlengd. Op 17 mei 2025 legt [werkgever] [werknemer] een Addendum op de arbeidsovereenkomst voor. Dit addendum houdt in dat de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar wordt verlengd en dat de functie van [werknemer] wordt gewijzigd in die van medewerkster backoffice en hospitality, waardoor geen aanspraak meer bestaat op provisie. Op 20 mei 2025 reageert [werknemer] daarop met een tegenvoorstel.\n\n2.6.. \n [bestuurder] stelt daarna voor om het loon van [werknemer] niet op de gebruikelijke wijze door [werkgever] te laten betalen, maar via een factuur op naam van [handelsnaam] voor massages. [bestuurder] stelt dat geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst. [werknemer] stemt niet in met dit voorstel van [werkgever] .\n\n2.7.. Op 24 juni 2025 verzendt [werknemer] een e-mail aan een leverancier van [werkgever] waarin zij het volgende meedeelt: “Ook wil ik ff aangeven dat ik ga stoppen bij [werkgever] en ik tot 19 juli nog in dienst ben.”\n\n2.8.. \n\n [werknemer] heeft meerdere gesprekken met [bestuurder] heimelijk opgenomen.\n\nUit een van deze opnames blijkt dat [bestuurder] op enig moment tegen [werknemer] zegt dat opzegging mogelijk is per brief met in achtneming van één maand opzegtermijn.\n\n2.9.. In een van de gesprekken tussen [werknemer] en [bestuurder] zegt laatstgenoemde tegen [werknemer] : “Je kunt met mij de goeie kant op en de slechte, en geloof me, ik ben een mannetje, maak me de pis niet lauw, ga met mij geen dingen aan, want dan loopt het gewoon niet goed af.”\n\n2.10.. Op 28 juni 2025 vindt een gesprek plaats tussen [bestuurder] , [werknemer] en [vader] , de vader van [werknemer] . [werknemer] heeft heimelijk een opname gemaakt van dit gesprek. [bestuurder] merkt in dat gesprek op dat er een nieuw contract gemaakt moet worden, maar dat [werknemer] het addendum niet wil ondertekenen. De vader van [werknemer] deelt mee dat zijn dochter nieuwe klanten heeft binnengehaald en dat zij daarom recht heeft op provisie. [bestuurder] zegt in reactie daarop op enig moment “ [vader] , ga eruit”. Op het moment dat [werknemer] en haar vader de zaak verlaten zegt [bestuurder]“ [werknemer] , geef effe de sleutel”.\n\n2.11.. Bij brief van 28 juni en bij bericht per WhatsApp van 29 juni 2025 aan [werkgever] maakt de vader van [werknemer] namens [werknemer] aanspraak op betaling van het loon per bank omdat sprake is van een (stilzwijgend verlengd) lopend contract.\n\n2.12.. Op 30 juni 2025 meldt [werknemer] zich ziek met spanningsklachten.\n\n2.13.. \n [werkgever] deelt [werknemer] bij brief van 1 juli 2025 het volgende mee:\n\n“Onderwerp: niet-tijdige ziekmelding\n\nGeachte mevrouw [werknemer] , beste [werknemer] ,\n\nJe laatste werkdag was op 31 mei 2025. De ziekmelding die wij op 30 juni van je ontvingen, is daarmee buiten de toegestane termijn en wordt als te laat beschouwd.\n\nDaarnaast wil ik je mededelen dat ik de politie geïnformeerd heb over het door jou ontoelaatbaar toelaten van je vader in de zaak en tot vertrouwelijke gegevens.”\n\n2.14.. Bij brief van 3 juli 2025 aan [werkgever] vraagt [werknemer] om haar ziekmelding door te geven aan de arbodienst. Bij brief van 4 juli 2025 deelt [werkgever] [werknemer] (nogmaals) mee dat de einddatum van de arbeidsovereenkomst 31 mei 2025 is en dat er is afgerekend. Bij brief van 8 juli 2025 reageert [werknemer] en deelt zij, onder meer, mee dat de arbeidsovereenkomst nog bestaat, er geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging, maakt zij aanspraak op loon en deelt mee dat de vervaltermijn van twee maanden om de zaak aan de kantonrechter voor te leggen binnenkort afloopt. Bij brief van 11 juli 2025 reageert [werkgever] met de woorden dat de arbeidsovereenkomst op 31 mei 2025 is beëindigd.\n\n2.15.. \n\nOp 10 juli 2025 dient [werknemer] een verzoek in bij de rechtbank, getiteld “Tijdige melding arbeidsgeschil”. Hierin staat onder meer – en voor zover van belang - :\n\n“(…)\n\n1. Achtergrond\n\n• Mijn arbeidsovereenkomst is gestart op 17 mei 2024 en betrof een jaarcontract.\n\n• Werkgever heeft verzuimd om uiterlijk 17 april 2025 (1 maand voor afloop)\n\nschriftelijk aan te geven of het contract zou worden verlengd, waarmee de aanzegplicht\n\nex artikel 7:668 BW is geschonden.\n\n• Op of na 17 mei 2025 werd alsnog een (te laat) contractaanbod gedaan, maar in de tussentijd is gewoon doorgewerkt tot 28 juni 2025\n\n• Op 28 juni 2025 heeft een conflict plaatsgevonden, waarna ik bij verlaten\n\nvan de zaak terug ben geroepen om de sleutel van de zaak in te leveren. Op 30 juli 2025\n\nheb ik mij ziekgemeld. Daarna is ten onrechte gesteld dat het dienstverband al op 31 mei\n\n2025 zou zijn geëindigd.\n\n• Mijn werkgever stelt zich op het standpunt dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat, hetgeen ik betwist.\n\n2. Reden van verzoek\n\nMet dit verzoekschrift wil ik binnen de wettelijke termijn van 2 maanden (artikel 7:681\n\nlid 1 BW) het geschil aanhangig maken en mijn rechten veiligstellen. Inhoudelijk beoog ik\n\no.a. de volgende punten te betwisten of te vorderen:\n\n• Constatering van stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst;\n\n• Vordering van de wettelijke aanzegboete (artikel 7:668 BW);\n\n• Betaling van nog openstaande bedragen, waaronder provisie en ziekengeld;\n\n• Herstel van de arbeidsovereenkomst, of subsidiair schadevergoeding wegens onrechtmatige beëindiging;\n\n• Intrekking van een onterechte beschuldiging van onbevoegd toelaten\u002Fbetreden van mijn vader buiten de openingstijden op de zaak en het verschaffen van inzicht in gevoelige informatie van [werkgever] .\n\n(…)”\n\n2.16.. Op 14 juli 2025 deelt de griffier van de rechtbank aan [werknemer] mee dat het verzoekschrift is ontvangen en geregistreerd, maar dat [werknemer] een ondertekend exemplaar in tweevoud moet indienen, de relevante bijlagen (zoals haar arbeidsovereenkomst) moet toevoegen en haar verhinderdata moet doorgeven.\n\n2.17.. Op 17 juli 2025 dient [werknemer] een ondertekend exemplaar van het verzoekschrift in. De bijlagen die daarbij zijn gevoegd, zijn in enkelvoud. De griffier wijst [werknemer] er bij e-mail van 21 juli 2025 op dat de bijlagen in tweevoud moesten worden ingediend vóór 28 juli 2025. [werknemer] haalt vervolgens de klapper met bijlagen op bij de rechtbank en levert daarna twee klappers met bijlagen in. Op 1 augustus 2025 bericht de griffier aan [werknemer] dat de inhoud van de twee klappers identiek dient te zijn en dat dat niet het geval is. [werknemer] wordt verzocht om twee identieke exemplaren met bijlagen aan te leveren.\n\n2.18.. \n\nOp 4 augustus 2025 bericht [werknemer] aan de griffier van de rechtbank dat zij zich die dag per 5 augustus 2025 weer heeft beter gemeld bij ArboNed. Ook schrijft zij dat zij per 5 augustus 2025 start met werkhervatting bij een nieuwe werkgever. Zij sluit haar e-mail af met de volgende bewoordingen:\n\n“Hoewel de rechtszaak nog loopt, zie ik uit naar de afronding ervan zodat ik dit hoofdstuk\n\nvolledig kan afsluiten en me volledig kan richten op mijn toekomst.\n\nIk houd u op de hoogte van relevante ontwikkelingen met betrekking tot deze zaak.”\n\n2.19.. Op diezelfde dag deelt [werknemer] , naar aanleiding van een vraag van de griffier, mee dat zij de procedure graag wil aanhouden en dat zij op een later moment de klappers met de verkeerde stukken zal ophalen om die te completeren. [werknemer] stuurt daarna op 11 en 20 augustus 2025 nog enkele – voor de beoordeling van deze zaak niet relevante – e-mails aan de griffier.\n\n2.20.. \n\nOp 4 augustus 2025 meldt [werknemer] zich met ingang van 5 augustus 2025 hersteld bij [werkgever] in een Whatsappbericht waarin zij onder meer het volgende schrijft:\n\n“Hierbij meld ik mij per 5 augustus 2025 beter. In overleg met mijn psycholoog is vastgesteld dat werkhervatting noodzakelijk is voor mijn herstel, maar dat dit gezien mijn omstandigheden niet binnen de huidige werkomgeving verantwoord is. Terugkeer naar de werkvloer bij [werkgever] wordt om die reden medisch ontraden.\n\nIk wil benadrukken dat ik geen ontslag neem en ga ervan uit dat het dienstverband op passende wijze wordt afgehandeld, conform hetgeen in de het arbeidscontract is vastgelegd.\n\nGraag ontvang ik een schriftelijke bevestiging van de ontvangst en verwerking van deze betermelding.”\n\n2.21.. \n\n [werkgever] heeft in reactie op dit bericht aan [werknemer] per e-mail en aangetekende brief het volgende geschreven:\n\n“Geachte mevrouw [werknemer] ,\n\nHierbij deel ik u mede dat u voor uw huidige functie niet beter gemeld bent.”\n\n2.22.. \n [werknemer] treedt op 5 augustus 2025 in dienst bij [bedrijf] . Zij ontvangt daar een “basisloon” van € 2.768,00 bruto per maand. Op 27 oktober 2025 is dit dienstverband weer beëindigd.\n\n2.23.. Op 3 september 2025 is [werknemer] niet bij een spreekuur van de bedrijfsarts verschenen.\n\n2.24.. Op 12 september 2025 is [werknemer] wel verschenen bij de bedrijfsarts. Omdat de arbeidsovereenkomst volgens [werkgever] was geëindigd, heeft de bedrijfsarts geen advies gegeven.\n\n2.25.. Op 1 oktober 2025 verzoekt de griffier van de rechtbank aan [werknemer] om aan te geven wat de stand van zaken is met betrekking tot het door haar ingediende verzoekschrift. [werknemer] reageert daarop dat zij haar zaak inmiddels in behandeling heeft gegeven aan mr. Soro.\n\n2.26.. Op 24 oktober 2025 stelt mr. Soro zich voor [werknemer] als gemachtigde in de door [werknemer] aanhangig gemaakte verzoekschrift procedure. Door de griffie wordt meegedeeld dat mr. Soro ook een verzoekschrift moet indienen, omdat het door [werknemer] ingediende verzoek niet voldeed. Op 28 november 2025 dient mr. Soro vervolgens een nieuw verzoekschrift in.\n\n2.27.. Op 10 december 2025 vraagt [werknemer] een ziektewetuitkering aan vanwege haar ziekmelding per 30 juni 2025. De aanvraag om deze ziektewetuitkering is bij besluit van 19 december 2025 afgewezen omdat de verzekering voor de ziektewet door [werkgever] op 31 mei 2025 is beëindigd en de eerste ziektedag meer dan vier weken na deze datum is gelegen.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n\n [werknemer] heeft, omdat haar eerder ingediende verzoekschrift niet voldeed, op 28 november 2025 een nieuw verzoek ingediend. Zij heeft haar eerdere verzoeken niet gehandhaafd. Dat betekent dat alleen zal worden beslist op de verzoeken in het verzoekschrift van 28 november 2025. [werknemer] verzoekt de kantonrechter voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nI. om de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 te ontbinden;\n\nen om [werkgever] te veroordelen tot betaling van:\n\nII. een transitievergoeding van € 1.546,22 bruto aan [werknemer] , te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nIII. een billijke vergoeding van € 15.479,42 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nIV. € 12.937,56 bruto aan loon (berekend tot en met december 2025) en het loon vanaf 1 januari 2026 tot het moment van ontbinding van de arbeidsovereenkomst;\n\nV. € 2.910,95 bruto aan wettelijke verhoging en de wettelijke verhoging vanaf\n\n21 november 2025;\n\nVI. € 4.060,- bruto aan provisie, te vermeerderen met de wettelijke rente;\n\nVII. de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werkgever] verzoekt om [werknemer] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [werkgever] stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd en dat [werkgever] aan al haar verplichtingen uit deze arbeidsovereenkomst heeft voldaan. Volgens [werkgever] is zij aan [werknemer] niets meer verschuldigd.\n\n4. De beoordeling\n\nBestaat er tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst?\n\n4.1.. Voordat de kantonrechter toekomt aan het verzoek van [werknemer] om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, dient zij eerst vast te stellen of er tussen [werknemer] en [werkgever] nog een arbeidsovereenkomst bestaat. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is. Hieronder wordt uitgelegd hoe zij tot dat oordeel is gekomen.\n\nDe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is voortgezet\n\n4.2.. \n [werknemer] stelt dat de arbeidsovereenkomst na 17 mei 2025 voor de duur van een jaar is voortgezet. [werkgever] betwist dit en stelt dat er geen sprake is van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst. Partijen waren in onderhandeling over een eventuele verlenging. Voorafgaand aan de einddatum heeft [werkgever] een voorstel gedaan tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden (het addendum). [werknemer] was het niet eens met het voorstel. Partijen hebben dus geen overeenstemming bereikt over een nieuwe arbeidsovereenkomst. Het enkele feit dat [werknemer] na 17 mei 2025 heeft doorgewerkt, betekent volgens [werkgever] niet dat het dienstverband stilzwijgend is voortgezet. Die intentie hadden partijen niet en [werknemer] mocht daar ook niet gerechtvaardigd op vertrouwen.\n\n4.3.. In artikel 7:668 lid 1 is bepaald dat de werkgever de werknemer uiterlijk een maand voordat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt schriftelijk informeert:\n\na. over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst; en\n\nb. bij voortzetting, over de voorwaarden waaronder hij de arbeidsovereenkomst wil voortzetten.\n\nIn het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de arbeidsovereenkomst wordt geacht voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden te zijn voortgezet, indien de arbeidsovereenkomst, bedoeld in lid 1, na het verstrijken van de tijd, bedoeld in artikel 667, lid 1, wordt voortgezet en de werkgever de verplichting, bedoeld in lid 1, onderdeel a of b, niet is nagekomen.\n\nDe reden van de invoering van de aanzegplicht is om de werknemer meer zekerheid te bieden en hem tijdig in de gelegenheid stellen om te zien naar ander werk. De aanzegplicht is een concretisering van het goed werkgeverschap.\n\n4.4.. De kantonrechter stelt vast dat [werkgever] [werknemer] niet uiterlijk één maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst heeft geïnformeerd over het al dan niet voortzetten daarvan. Op de laatste dag van de (eerste) arbeidsovereenkomst - 17 mei 2025 - heeft [werkgever] het addendum aan [werknemer] voorgelegd. [werkgever] heeft niet betoogd daarmee voldaan te hebben aan de aanzegplicht. Voor zover de kantonrechter dit had moeten afleiden uit de stellingen van [werkgever] overweegt de kantonrechter dat het addendum niet gekwalificeerd kan worden als een aanzegging zoals die is bedoeld in artikel 7:668 lid 1 onder a BW. Integendeel, de bedoeling van [werkgever] was een voortzetting onder voor [werknemer] ongunstigere voorwaarden. Was [werkgever] veel eerder - in elk geval één maand voor de einddatum - met haar voorstel gekomen, dan had zij [werknemer] niet, zoals zij nu wel heeft gedaan, voor het blok gezet. Omdat de arbeidsovereenkomst na 17 mei 2025 is voortgezet ( [werknemer] heeft in ieder geval nog tot en met 27 juni 2025 voor [werkgever] gewerkt) en de aanzegplicht onder a niet is nagekomen, is het rechtsgevolg dat de arbeidsovereenkomst op grond van lid 4 van artikel 7:668 BW voor dezelfde tijd, maar ten hoogste voor een jaar, op de vroegere voorwaarden is voortgezet. De rechtspraak waar [werkgever] zich op beroept leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze dateert van vóór inwerkingtreding van de aanzegplichten in de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 september 2025 (waar [werkgever] zich op beroept) was wel aan de aanzegplicht voldaan.\n\nGeen ontslag op staande voet\n\n4.5.. Ook al zou er sprake zijn van een stilzwijgende voortzetting van de arbeidsovereenkomst, dan nog is deze volgens [werkgever] in ieder geval geëindigd op 28 juni 2025. [werkgever] stelt [werknemer] op die datum op staande voet te hebben ontslagen. Volgens [werkgever] is een gesprek tussen [bestuurder] en de vader van [werknemer] op die dag geëscaleerd en heeft [bestuurder] [werknemer] en haar vader gesommeerd om de zaak te verlaten. [werkgever] stelt dat [bestuurder] [werknemer] heeft gesommeerd haar spullen te pakken, de sleutel in te leveren en dat [bestuurder] tegen [werknemer] heeft gezegd dat zij niet meer welkom was.\n\n4.6.. \n [werknemer] heeft betwist dat zij op die dag op staande voet zou zijn ontslagen. Zij heeft een opname van het gesprek van die datum in het geding gebracht om die betwisting te onderbouwen.\n\n4.7.. \n [werkgever] stelt dat aan de in het geding gebrachte opnames, waaronder de opname van het gesprek op 28 juni 2025, beperkte bewijskracht moet worden toegekend, omdat deze slecht verstaanbaar zijn, heimelijk zijn opgenomen en transcripties ontbreken. Het zijn bovendien volgens [werkgever] slechts fragmenten van langere gesprekken.\n\n4.8.. Onder bepaalde omstandigheden valt het te billijken dat een werknemer een gesprek met zijn werkgever heimelijk opneemt. De kantonrechter is van oordeel dat het [werknemer] in dit geval niet kan worden verweten dat zij gesprekken heimelijk heeft opgenomen. [werkgever] had [werknemer] immers eerder het voorstel gedaan om het loon buiten de boeken om uit te betalen en zoals uit overweging 2.9 blijkt, heeft [bestuurder] zich in dreigende taal richting [werknemer] uit te laten.\n\n4.9.. \n [werknemer] heeft het gesprek op 28 juni 2025 opgenomen. Anders dan [werkgever] in haar pleitnota betoogt, ziet de kantonrechter geen reden om beperkte bewijskracht aan die opname toe te kennen. Het gesprek is voor het belangrijkste deel goed te volgen. Pas aan het eind van de opname escaleert de discussie tussen [bestuurder] en de vader van [werknemer] en heeft [bestuurder] de vader verzocht om de zaak te verlaten. [werkgever] heeft niet gesteld dat [bestuurder] [werknemer] en haar vader op een eerder moment heeft verzocht om de zaak te verlaten en dat dit het geval is geweest lijkt ook niet waarschijnlijk gelet op het moment waarop het gesprek escaleert.\n\n4.10.. Anders dan [werkgever] onder randnummer 71 van het verweerschrift stelt, blijkt uit de opname van het gesprek op 28 juni 2025 nietdat [bestuurder] tegen [werknemer] heeft gezegd dat zij haar spullen moest pakken en dat zij niet meer terug hoefde te komen. [bestuurder] zegt tegen de vader van [werknemer] dat hij de zaak moet verlaten(“ [vader] , ga eruit”) en als vader en dochter de zaak verlaten vraagt [bestuurder] [werknemer] om de sleutel van de zaak. Uit het verloop van het gesprek op 28 juni 2025 had [werknemer] niet hoeven af te leiden dat [werkgever] heeft bedoeld haar op dat moment op staande voet te ontslaan.\n\n4.11.. Uit de brief van 1 juli 2025 die [werkgever] aan [werknemer] heeft gestuurd, volgt evenmin dat [werkgever] [werknemer] op 28 juni 2025 op staande voet heeft willen ontslaan. In die brief is als laatste werkdag 31 mei 2025 genoemd. Het is onduidelijk waarom [werkgever] deze datum als einddatum van de arbeidsovereenkomst heeft beschouwd, anders dan dat dit een advies van de accountant zou zijn geweest. Duidelijk is wel dat een ontslag op staande voet per 28 juni 2025 zinledig zou zijn geweest, want in de visie van [werkgever] was [werknemer] op dat moment immers niet meer in dienst.\n\n4.12.. Verder blijkt ook nergens uit de [werkgever] vóór de onderhavige procedure ooit het standpunt heeft ingenomen dat zij [werknemer] op 28 juni 2025 op staande voet had ontslagen. [werkgever] heeft dit ontslag nooit schriftelijk bevestigd en ook in haar andere correspondentie daaraan niet gerefereerd.\n\n4.13.. Nu nergens uit blijkt dát [werknemer] op 28 juni 2025 op staande voet is ontslagen en [werkgever] dat standpunt eerder ook niet heeft ingenomen is het volstrekt irrelevant dat – volgens [werkgever] – uit de gedragingen van [werknemer] zou blijken dat zij had begrepen dat zij op staande voet was ontslagen.\n\n4.14.. Dat [werknemer] een verzoekschrift heeft ingediend bij deze rechtbank om een vervaltermijn veilig te stellen en andere verwijzingen naar de vervaltermijn in brieven die [werknemer] of haar vader aan [werkgever] hebben gestuurd, maken dat oordeel niet anders. In geen van die stukken maakt [werknemer] melding van een ontslag op staande voet waartegen zij wenst op te komen. Zij bestrijdt enkel het standpunt van [werkgever] dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd. Dat [werknemer] als juridische leek daarbij wetsartikelen heeft genoemd die niet passend zijn bij de situatie kan haar bezwaarlijk worden tegengeworpen.\n\n4.15.. Uit het voorgaande volgt dat de stelling van [werkgever] dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd door een ontslag op staande voet, niet wordt gevolgd.\n\nGeen opzegging door [werknemer] \u002Fgeen einde met wederzijds goedvinden\n\n4.16.. \n [werkgever] voert verder aan dat [werknemer] zelf ontslag heeft genomen waarvan zij volgens [werkgever] zelf het bewijs heeft geleverd door overlegging van het audiofragment waarin zij tegenover [bestuurder] verklaart dat zij mondeling ontslag heeft genomen.Verder volgt de opzegging door [werknemer] uit de e-mail van [werknemer] van 24 juli 2025 aan een leverancieren heeft [werknemer] tegen drie personen verklaard ontslag te hebben genomen, aldus [werkgever] .\n\n4.17.. De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van een rechtsgeldige opzegging door [werknemer] . Uit de opname van het gesprek tussen [bestuurder] en [werknemer] blijkt weliswaar dat [werknemer] de intentie had haar arbeidsovereenkomst op te zeggen, maar dat het [bestuurder] zelf was die haar erop wees dat opzegging schriftelijk moest gebeuren met inachtneming van één maand opzegtermijn. [bestuurder] liet daarmee expliciet weten dat hij een mondelinge opzegging niet accepteerde. Dit is overigens in overeenstemming met hetgeen in de arbeidsovereenkomst is bepaald. Dat [werknemer] niet schriftelijk heeft opgezegd, staat vast. Er is dus geen sprake geweest van een rechtsgeldige opzegging door [werknemer] .\n\n4.18.. Dat [werknemer] tegenover een leverancier in een e-mail heeft verklaard dat zij ging stoppen bij [werkgever] , maakt dit niet anders. Voor zover [werknemer] tegen twee personeelsleden van [werkgever] en de partner van [bestuurder] zou hebben verklaard dat zij ontslag had genomen, maakt dit de beoordeling evenmin anders. Voor een opzegging is nu eenmaal eerst vereist dát er opgezegd is. Nu dat niet kan worden vastgesteld, maken aan derden gedane mededelingen dat niet anders.\n\n4.19.. Uit niets blijkt dat op basis van wederzijds goedvinden een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen.\n\nConclusie\n\n4.20.. \n\nDe conclusie is dat er na 17 mei 2025 geen einde is gekomen aan de (voortgezette) arbeidsovereenkomst. Tussen partijen bestaat daarom nog steeds een arbeidsovereenkomst.\n\nVoor de verzoeken van [werknemer] betekent dit het volgende.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden\n\n4.21.. \n\nArtikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden op grond van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. [werknemer] stelt dat door toedoen van [werkgever] sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding. [werknemer] baseert dit op de volgende omstandigheden:\n\n(1) het allereerst aandringen op contante betaling van het salaris - althans betaling via\n\neen constructie aan de onderneming van [werknemer] - nadat een verzoek tot\n\nfunctiewijziging door haar was afgewezen; (2) het vervolgens na de ziekmelding\n\ninnemen van het feitelijk onjuiste standpunt dat de arbeidsovereenkomst reeds eind mei\n\n2025 zou zijn geëindigd; (3) het vervolgens weigeren om een betermelding te\n\naccepteren; en (4) het allerlaatst (langdurig) niet meer voldoen aan de\n\nloonbetalingsverplichting, zijnde één van de hoofdverplichtingen van de werkgever uit\n\nhoofde van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.22.. Deze voornoemde omstandigheden zijn volgens [werknemer] - zowel los, als in onderling verband - van dien aard dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, als bedoeld in artikel 7:671c lid 1 BW.\n\n4.23.. De kantonrechter volgt [werknemer] in haar standpunt en zal de arbeidsovereenkomst ontbinden met ingang van de datum van deze beschikking (15 mei 2026).\n\n [werkgever] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld en is de transitievergoeding en een billijke vergoeding verschuldigd\n\n4.24.. Bij een ontbinding op verzoek van de werknemer is alleen een transitievergoeding verschuldigd als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.\n\n4.25.. Indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, kan de kantonrechter daarnaast aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen.\n\n4.26.. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld (maar niet uitsluitend) als de werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat.\n\n4.27.. De kantonrechter is – met [werknemer] – van oordeel dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Dit volgt naar de kantonrechter onmiskenbaar uit de volgende omstandigheden:\n\n- het pas op de laatste dag van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan [werknemer] een gewijzigde arbeidsovereenkomst aanbieden waarmee zij afzag van haar recht op provisie,\n\n- het voorstellen om het loon niet meer op de gebruikelijke wijze te betalen, maar door dit te voldoen als betaling van facturen van [werknemer] voor massages,\n\n- het uiten van dreigementen,\n\n- het weigeren van de ziekmelding van [werknemer] ,\n\n- het ongefundeerd blijven volhouden dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2025 was beëindigd,\n\n- het niet betalen van het loon van [werknemer] gedurende haar arbeidsongeschiktheid,\n\n- het betalen van het loon over juni 2025 onder verstrekking van een onjuiste salarisspecificatie, waarop stond vermeld dat het zou gaan om een nabetaling van in mei gewerkte uren.\n\n4.28.. \n [werkgever] heeft deze omstandigheden niet weersproken. Zij stelt slechts dat [werknemer] onvoldoende heeft onderbouwd waar de ernstige verwijtbaarheid uit volgt. De kantonrechter vindt echter dat uit bovengenoemde opsomming vanzelfsprekend blijkt dat [werkgever] haar verplichtingen als werkgever grovelijk heeft geschonden. Dat betekent dat [werknemer] recht heeft op de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Daarover wordt het volgende overwogen.\n\n [werkgever] moet een transitievergoeding betalen van € 1.645,974.29.. In artikel 2 lid 3 van het Besluit loonbegrip aanzegtermijn en transitievergoeding is het volgende bepaald: Indien het loon geheel of gedeeltelijk bestaat uit provisie of afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid, wordt onder loon tevens verstaan: het bruto loon verschuldigd in de twaalf maanden voorafgaand aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, voor zover dit bestond uit provisie of afhankelijk was van de uitkomsten van de verrichte arbeid, gedeeld door twaalf. Het recht op provisie gedurende de 12 maanden voorafgaand aan de einddatum van de arbeidsovereenkomst, laat zich moeilijk reconstrueren omdat [werknemer] sinds 28 juni 2025 niet meer heeft gewerkt. Deze omstandigheid komt voor rekening van [werkgever] . De kantonrechter gaat daarom uit van een bedrag van € 1.740,- aan provisie, daarbij aansluitend op het bedrag aan provisie dat [werknemer] in november 2024 heeft verkregen. Of [werknemer] nog recht heeft op provisie in de toekomst, kan de kantonrechter niet vaststellen, omdat de uitvoering van de opdracht naar aanleiding waarvan [werknemer] deze provisie heeft gekregen nog niet is afgerond. Dit betekent dat de kantonrechter per maand € 145,- bruto, aan provisie zal meerekenen en bij de berekening van de transitievergoeding uitgaat van het volgende bruto maandloon: (€ 2.156,26 x 1,08) + € 145,00 = € 2.473,76.\n\n4.30.. De hoogte van de transitievergoeding tot de datum ontbinding bedraagt € 1.645,97 bruto.De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen met ingang van 15 juni 2026.\n\nAan [werknemer] wordt een billijke vergoeding toegekend van € 5.000,00\n\n4.31.. \n [werknemer] heeft verzocht om aan haar een billijke vergoeding toe te kennen van € 15.479,42 bruto. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat zij een inkomensverlies (van € 10.479,42) lijdt omdat haar arbeidsovereenkomst hoe dan ook tot 17 mei 2026 zou hebben geduurd. Daarnaast acht zij een additionele vergoeding van € 5.000,00 passend, gelet op de wijze waarop [werkgever] zich jegens haar heeft gedragen en opgesteld en de ernstige onzekerheid en stress die dat bij haar heeft veroorzaakt.\n\n4.32.. \n [werkgever] heeft betwist dat [werknemer] tot 17 mei 2026 bij haar in dienst zou zijn gebleven en acht het additioneel verzochte bedrag evenmin toewijsbaar “gelet op het aandeel van [werknemer] in het hele verhaal”.\n\n4.33.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend karakter. Anderzijds is ze mede bedoeld om de werkgever te prikkelen de volgende keer zorgvuldiger te handelen en de juiste arbeidsrechtelijke wegen te bewandelen.\n\n4.34.. Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding stelt de kantonrechter voorop dat [werknemer] toen zij in dienst trad 20 jaar oud was en nog maar een jaar in dienst was bij [werkgever] toen de problemen begonnen. [werknemer] had in het voorjaar van 2025 ook haar eigen bedrijf opgericht. Zij heeft, nadat het dienstverband was voortgezet, bij [werkgever] getracht haar arbeidsovereenkomst op te zeggen en een leverancier laten weten dat zij in juli 2025 zou stoppen met werken voor [werkgever] .Gelet op deze omstandigheden kan niet worden volgehouden dat, als het ernstig verwijtbaar handelen door [werkgever] zou worden weggedacht, de arbeidsrelatie tussen [werknemer] en [werkgever] nog zeker tot 17 mei 2026 zou hebben geduurd. Integendeel, er zijn voldoende aanwijzingen dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook op korte termijn zou zijn beëindigd. Dat betekent dat de kantonrechter bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding met een eventueel inkomensverlies geen rekening zal houden. Wel acht de kantonrechter het van belang dat [werknemer] wordt gecompenseerd voor de wijze waarop [werkgever] haar heeft behandeld. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de wijze waarop (de directeur van) [werkgever] met [werknemer] is omgegaan volstrekt niet door de beugel en dient [werkgever] een stevige financiële prikkel te krijgen om in de toekomst dergelijk handelen (zoals opgesomd onder 4.27) achterwege te laten. De verzochte vergoeding van € 5.000,00 bruto acht de kantonrechter passend en dat bedrag zal dan ook worden toegewezen.\n\n4.35.. De gevorderde wettelijke rente hierover wordt toegewezen zoals verzocht.\n\n [werkgever] moet het loon van [werknemer] betalen tot 5 augustus 2025\n\n4.36.. \n [werknemer] heeft verzocht om doorbetaling van haar loon tot de datum waarop haar arbeidsovereenkomst eindigt.\n\n4.37.. \n [werkgever] betwist de loonvordering van [werknemer] . [werknemer] was volgens [werkgever] niet bereid om de bedongen arbeid te verrichten. Dit blijkt volgens [werkgever] uit het blokkeren van [bestuurder] via WhatsApp op 28 juni 2025. Ook blijkt dit uit de activiteiten van [werknemer] ten behoeve van haar schoonheidssalon en het feit dat zij op 5 augustus 2025 bij een andere werkgever in dienst is getreden. Voor de periode dat [werknemer] stelt ziek te zijn geweest, voert [werkgever] aan dat [werknemer] geen deskundigenoordeel heeft overgelegd.\n\n4.38.. Nu vaststaat dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd op het moment dat [werknemer] zich ziek meldde, is de kantonrechter van oordeel dat [werkgever] het loon over deze ziekteperiode moet doorbetalen. Dat [werknemer] geen deskundigenoordeel van het UWV heeft overgelegd, als bedoeld in artikel 7:629a BW, doet aan dat oordeel niet af. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat het overleggen van een deskundigenoordeel in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet van [werknemer] kan worden gevergd. Daartoe overweegt de kantonrechter dat – als [werkgever] al twijfels had bij de ziekmelding van [werknemer] – het op haar weg had gelegen om [werknemer] snel te laten beoordelen door de bedrijfsarts. In plaats daarvan heeft [werkgever] zich – achteraf onterecht – op het standpunt gezet dat [werknemer] niet meer in dienst was, heeft zij de ziekmelding niet geaccepteerd, kennelijk niet aangedrongen op een spoedig consult bij de bedrijfsarts en later de betermelding van [werknemer] niet aanvaard. Toen [werknemer] uiteindelijk wél de bedrijfsarts bezocht (na haar herstelmelding), kon die geen oordeel geven omdat [werkgever] van mening was dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestond. Door de handelwijze van [werkgever] kan nu lastig worden vastgesteld of [werknemer] ziek was. Dit moet voor rekening van [werkgever] blijven.\n\n4.39.. De kantonrechter gaat ervan uit dat [werknemer] tot en met 4 augustus 2025 door ziekte niet in staat was haar arbeid te verrichten en dat [werkgever] in die periode haar loon had moeten doorbetalen. [werkgever] heeft aangevoerd dat [werknemer] recht heeft op 70% van haar loon, omdat dit in haar arbeidsovereenkomst is bepaald. De kantonrechter overweegt dat die bepaling in strijd is artikel 11 van de algemeen verbindend verklaarde cao Retail Non-Food die gold tussen 1 januari 2024 en 41 december 2025. [werkgever] valt, gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 1 onder h. onder de werkingssfeer van deze cao en diende de eerste 26 weken van de arbeidsongeschiktheid 100% van het loon door te betalen. De kantonrechter gaat daarom aan dit standpunt van [werkgever] voorbij.\n\n4.40.. Blijkens de berekening van haar loonvordering gaat [werknemer] uit van een brutoloon van € 2.156,26 per maand. Dat betekent dat wordt toegewezen een bedrag van € 2.156,26 + (€ 2.156,26 : 31 x 4) = € 2.434,48. Uit de berekeningen van [werknemer] volgt niet dat zij tevens aanspraak maakt op vakantietoeslag. Omdat de kantonrechter niet meer kan toewijzen dan is verzocht, is de vakantietoeslag niet in deze berekening meegenomen.\n\n4.41.. De wettelijke verhoging van 50% over het toegewezen gedeelte zal eveneens worden toegewezen en betreft een bedrag van € 1.217,24. In totaal dient [werkgever] een achterstallig loon en wettelijke verhoging een bedrag van € 3.651,72 bruto aan [werknemer] te betalen.\n\n4.42.. Anders dan [werknemer] heeft verzocht, zal [werkgever] niet worden veroordeeld tot loonbetaling over de periode vanaf 5 augustus 2025. Vast staat immers dat [werknemer] vanaf die datum, terwijl zij niet meer arbeidsongeschikt was, geen arbeid meer voor [werkgever] heeft verricht. [werknemer] heeft weliswaar in haar verzoekschrift aangevoerd dat zij bereid en beschikbaar was om arbeid te verrichten, maar dat blijkt naar het oordeel van de kantonrechter nergens uit. Integendeel: in haar betermelding bij [werkgever] schrijft zij expliciet dat zij niet kan terugkeren op de werkvloer bij [werkgever] , aan de rechtbank mailde zij op 4 augustus 2025 dat zij bij een andere werkgever ging werken en op de mondelinge behandeling van 7 mei 2026 heeft zij ook (voor het eerst) erkend dat zij elders een dienstbetrekking had aanvaard en daar enkele maanden heeft gewerkt. Na de betermelding bij [werkgever] heeft zij ook nooit meer contact opgenomen met [werkgever] om te laten weten dat zij zich (weer) beschikbaar hield voor arbeid.\n\n4.43.. \n [werkgever] was er niet van op de hoogte dat [werknemer] intussen (op 10 juli 2025) een verzoekschrift bij de rechtbank had ingediend. [werknemer] had dat verzoekschrift niet aan [werkgever] gezonden en ook de rechtbank heeft dat niet gedaan, omdat het verzoekschrift ondanks herhaaldelijk aandringen niet werd gecompleteerd. Dat [werknemer] zich op het standpunt stelde dat zij nog steeds in dienst was bij [werkgever] , werd voor [werkgever] pas duidelijk op 28 november 2025, nadat zij het verzoekschrift van mr. Soro had ontvangen. In dit verzoekschrift staat wel dat [werknemer] bereid is om arbeid te verrichten, maar op de mondelinge behandeling van 5 februari 2025 heeft [werknemer] verklaard dat het niet haar intentie was om bij [werkgever] weer aan het werk te gaan.\n\n4.44.. Ondanks het feit dat de oorzaak van de verstoorde arbeidsverhouding is gelegen in het ernstig verwijtbaar handelen door [werkgever] , is de kantonrechter van oordeel dat het na 5 augustus 2025 niet meer verrichten van arbeid door [werknemer] voor haar rekening behoort te komen. Het had op haar weg gelegen om – als zij die bereidheid al had, de kantonrechter heeft daarover ernstige bedenkingen – de bereidheid om arbeid te verrichten duidelijk richting [werkgever] uit te spreken.\n\n4.45.. Uit het voorgaande volgt dat de loonvordering voor zover die ziet op de periode vanaf 5 augustus 2025 wordt afgewezen.\n\n [werkgever] hoeft geen provisie meer aan [werknemer] te betalen\n\n4.46.. \n [werknemer] stelt dat zij in oktober\u002Fnovember 2024 een aanzienlijke opdracht (de realisatie van het interieur van een penthouse) heeft binnengehaald voor [werkgever] ter waarde van een omzet van € 693.923,- (inclusief BTW). Aan [werknemer] zou zodoende een provisie ter hoogte van € 5.800,- toekomen. Conform de provisieregeling, heeft [werknemer] in november 2024 30% van voornoemd bedrag mogen ontvangen, zijnde een bedrag van € 1.740,-. De resterende 70% dient zij bij aflevering van order te ontvangen. De opdracht is echter nog niet voltooid. Volgens [werknemer] druist het in tegen de redelijkheid en de billijkheid om het restant niet aan haar toe te kennen. Als gevolg van het handelen van [werkgever] is zij immers niet meer in dienst. [werknemer] maakt daarom aanspraak op een restant van € 4.060,- aan provisie.\n\n4.47.. \n [werkgever] stelt, onder meer, dat [bestuurder] de opdracht heeft binnengehaald, niet [werknemer] . Uit coulance heeft [werkgever] aan [werknemer] 30% provisie betaald. Verder stelt [werkgever] dat, om recht te hebben op de provisie, de medewerker de keuken bij de klant opmeet en verwerkt in de computer. Dat heeft [werknemer] niet gedaan.\n\n4.48.. De kantonrechter wijst het verzoek tot uitbetaling van provisie van [werknemer] af. [werknemer] voldoet niet aan de voorwaarden en dat erkent zij zelf ook. De kantonrechter kan de resterende provisie ook niet vaststellen. De order is immers nog niet afgeleverd. Verder heeft [werknemer] niet weersproken dat zij de keuken niet bij de klant heeft opgemeten en ook dat is een voorwaarde voor het recht op provisie. [werknemer] heeft een deel van de provisie gekregen en is daarmee voldoende gecompenseerd voor haar inspanningen.\n\nSchending artikel 21 Rv en de proceskostenveroordeling\n\n4.49.. \n [werkgever] benoemt onder randnummer 111 van haar verweerschrift een aantal aspecten die [werknemer] volgens [werkgever] had moeten melden. [werkgever] is van mening dat [werknemer] in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld, omdat [werknemer] de kantonrechter onjuist heeft voorgelicht. [werkgever] heeft verzocht om aan die schending de sanctie te verbinden dat [werknemer] wordt veroordeeld in de reële proceskosten van [werkgever] .\n\n4.50.. \n\nIn artikel 21 Rv staat dat partijen verplicht zijn om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.\n\nHet moet dus gaan om feiten die van belang zijn voor de beslissing van de zaak.\n\n4.51.. \n\nDe kantonrechter overweegt dat niet alle door [werkgever] opgesomde “schendingen” inderdaad kwalificeren als een schending als bedoeld in artikel 21 Rv.\n\nAnders dan [werkgever] meende, komt de kantonrechter immers – met [werknemer] – tot het oordeel dat haar arbeidsovereenkomst wel degelijk met een jaar was verlengd en dat die niet rechtsgeldig was beëindigd.\n\n4.52.. Dat [werknemer] niet uit eigen beweging in het – nieuwe – verzoekschrift van 28 oktober 2025 melding heeft gemaakt van het eerder op 10 juli 2025 ingediende verzoekschrift en de correspondentie daarover met de rechtbank, leidt niet tot het oordeel dat artikel 21 Rv is geschonden. [werknemer] procedeerde in die periode in persoon en heeft [werkgever] niet op de hoogte gebracht van dit verzoek. De rechtbank heeft dat evenmin gedaan, omdat het verzoekschrift ondanks herhaalde verzoeken niet aan de eisen voldeed en mr. Soro kreeg van de rechtbank de opdracht een nieuw verzoekschrift in te dienen. Dat vervolgens ook de kantonrechter het eerste verzoekschrift en de correspondentie daarover pas onder ogen kreeg nadat de eerste mondelinge behandeling was gesloten, waardoor een tweede mondelinge behandeling nodig was, valt te betreuren, maar is niet aan [werknemer] te verwijten.\n\n4.53.. De kantonrechter is wèl met [werkgever] van oordeel dat [werknemer] had moeten mededelen dat het addendum op haar arbeidsovereenkomst door haar niet in juni 2025, maar al op 17 mei 2025 was ontvangen. Uit de overwegingen hiervoor volgt echter dat dit niet heeft geleid tot een ander oordeel. Ook is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] had moeten meedelen dat zij van 5 augustus 2025 tot 27 oktober 2025 voor een andere werkgever had gewerkt. Ook de e-mail van 4 augustus 2025die in het verzoekschrift was aangekondigd als productie 7 (maar niet was overgelegd), is pas later, nadat een tweede mondelinge behandeling was bepaald, in het geding gebracht. Deze feiten en stukken waren wel degelijk van belang voor de beoordeling van de loonvordering van [werknemer] . Ook bleek hieruit dat de stelling dat [werknemer] steeds bereid en beschikbaar was om haar arbeid voor [werkgever] te verrichten, in strijd was met de waarheid.\n\n4.54.. Indien vast staat dat er sprake is van een schending ex artikel 21 Rv, kan de kantonrechter daaraan de gevolgtrekkingen verbinden die zij geraden acht. De kantonrechter vindt de door [werkgever] verzochte sancties (primair en subsidiair afwijzing van al haar verzoeken en daarnaast veroordeling van [werknemer] in haar reële proceskosten) te ver gaan. Uiteindelijk wordt [werknemer] op veel principiële geschilpunten in het gelijk gesteld en blijft staan dat het uiteindelijk [werkgever] is geweest die ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en tegen beter weten in steeds ongefundeerd is blijven vasthouden aan het standpunt dat de arbeidsovereenkomst per 31 mei 2025 was geëindigd. Het is aan haar handelen te wijten dat [werknemer] zich gedwongen heeft gezien om de onderhavige procedure te starten, om duidelijkheid te krijgen over de status van haar arbeidsovereenkomst. Daar komt bij dat [werkgever] het zelf ook niet zo nauw neemt met de feiten. Zo stelt [werkgever] dat [bestuurder] op 28 juni 2025 tegen [werknemer] zou hebben gezegd dat zij niet meer terug hoefde te komen, terwijl uit de opname van het gesprek niet blijkt dat dit tegen [werknemer] is gezegd.\n\n4.55.. Dit alles afwegend acht de kantonrechter het een passende sanctie om [werknemer] wel in de proceskosten te veroordelen, maar dan wel berekend op basis van het gebruikelijke liquidatietarief. Dat betekent dat [werknemer] aan [werkgever] aan proceskosten moet betalen een bedrag van € 865,00 aan salaris gemachtigde.\n\n4.56.. Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissingen, zoals vastgelegd in het dictum. Al hetgeen partijen voor het overige nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\n4.57.. Nu aan [werknemer] een lagere billijke vergoeding wordt toegewezen dan zij heeft verzocht, zal zij in de gelegenheid worden gesteld om haar verzoek in te trekken en wel tot en met 12 juni 2026. Als [werknemer] van die mogelijkheid gebruik maakt, zal zij alsnog de proceskosten van [werkgever] dienen te betalen.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. stelt [werknemer] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 12 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werkgever] ,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n5.2.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 mei 2026;\n\n5.3.. veroordeelt [werkgever] om binnen één maand na heden aan [werknemer] de transitievergoeding van € 1.645,97 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 15 juni 2026 tot de dag van betaling;\n\n5.4.. veroordeelt [werkgever] om binnen één week aan [werknemer] aan billijke vergoeding te betalen van € 5.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 mei 2026;\n\n5.5.. veroordeelt [werkgever] tot betaling aan [werknemer] van € 3.651,72 bruto aan achterstallig loon en wettelijke verhoging,\n\n5.6.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van [werkgever] van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.7.. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n5.10.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van [werkgever] van € 865,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\n5.11.. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.12.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2026.\n\n Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2007:BD4065, gerechtshof Leeuwarden, RAR 2007, 67 en Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2007:BA6755.\n\n ECLI:RBLIM:2025:9213, r.o. 4.3.\n\n De vader van [werknemer] heeft op 29 juni 2025 eveneens dreigende taal gebruikt in een bericht aan [werkgever] . Ook dat is niet fraai, maar wel een reactie op de wijze waarop [werkgever] heeft gemeend om te moeten gaan met [werknemer] .\n\n Bijlage 16 van [werknemer] .\n\n Zie onder 2.7\n\n Zie onder 2.3\n\n artikel 7:673 lid 1, aanhef en onder b sub 2 BW\n\n 7:671c lid 2 sub b BW\n\n (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).\n\n Zie onder 2.5\n\n Zie onder 2.6, hetgeen blijkt uit door [werknemer] overgelegde geluidsopnames\n\n Zie onder 2.9\n\n Zie onder 2.13 en 2.14\n\n Randnummer 12 verzoekschrift en productie 8 en 9 verzoekschrift\n\n Berekend over 1 jaar, 11 maanden en 29 dagen\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).\n\n Zie onder 2.7\n\n Rechtsoverweging 2.7\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4705","ecli-nl-rblim-2026-4705",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]