[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rblim-2026-6530":3,"decision-more-ecli-nl-rblim-2026-6530":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1258","ECLI:NL:RBLIM:2026:6530","",66,"Roermond","roermond","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 03.207417.25; 20.002155.21 (tul); 03.050076.23 (tul); 03.344019.21 (tul)\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [Verdachte] ,\n\ngeboren te Sittard-Geleen op [geboorte datum] 2003,\n\nwonende te [woonplaats 1] ,\n\nmomenteel gedetineerd in P.I. te Grave.\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. L. van Tiggelen, advocaat kantoorhoudende te Heerlen.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. [slachtoffer 2] is op zitting verschenen. [slachtoffer 1] is niet op zitting verschenen. Namens de benadeelde partijen is A.C.M. Vaes, werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland, op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nDe verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nFeit 1:zijn levensgezel [slachtoffer 1] heeft mishandeld;\n\nFeit 2:een gouden ketting van [slachtoffer 1] heeft gestolen;\n\nFeit 3:[slachtoffer 3] heeft bedreigd door hem een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen (primair)dan wel onder bedreiging met dat voorwerp hem heeft gedwongen een pannenkoek (met ontlasting) te eten(subsidiair);\n\nFeit 4:zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld;\n\nFeit 5:[slachtoffer 2] heeft belaagd(primair)dan wel haar auto heeft vernield(subsidiair).\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 primair ten laste gelegde feiten.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van feit 1 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van het geven van een kopstoot, het dichtknijpen van de keel en het slaan tegen het hoofd van aangeefster [slachtoffer 1] wegens onvoldoende bewijs.\n\nTen aanzien van feit 3 verzoekt de verdediging, indien de rechtbank toekomt aan het subsidiair ten laste gelegde, de verdachte partieel vrij te spreken van het gedeelte ‘met\n\nontlasting’.\n\nTen aanzien van feit 5 verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de primair ten laste gelegde belaging voor in ieder geval de periode tot en met 8 maart 2025, nu in die periode aangeefster [slachtoffer 2] zelf ook heeft bijgedragen aan het in stand houden van het contact. Daarnaast verzoekt de verdediging de verdachte partieel vrij te spreken van de ten laste gelegde vernielingen van de auto(banden) en het raam van aangeefster [slachtoffer 2] wegens onvoldoende bewijs.\n\nVoor het overige en ten aanzien van feit 2 en 4 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.3.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak feit 5 (primair en subsidiair)\n\nDe rechtbank overweegt allereerst dat niet kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken en\u002Fof de auto heeft bekrast. De verdachte ontkent deze feiten. De vraag die vervolgens voorligt is of de aangifte voldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier die niet van dezelfde bron afkomstig zijn. Dat is niet het geval. De camerabeelden die zich in het dossier bevinden zijn niet van dien aard dat de politie daar een herkenning van de verdachte op heeft kunnen doen. Daarnaast kan uit de verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte op de momenten dat de vernielingen plaatsvonden daadwerkelijk bij de auto van aangeefster aanwezig was. Weliswaar geldt voor bepaalde momenten dat de telefoon van de verdachte bepaalde masten aanstraalde in de buurt van de woning van aangeefster, maar nu die masten een groot gebied aanstraalt is dat onvoldoende als steunbewijs. Per saldo is dus slechts één bewijsmiddel beschikbaar in de vorm van de aangifte en de daarin door aangeefster genoemde herkenning van de verdachte op de beelden. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste bewijsminimum zodat de rechtbank niet bewezen acht dat het de verdachte is geweest die op verschillende momenten de autobanden van aangeefster lek heeft gestoken. Ditzelfde geldt voor het gooien van stenen tegen het raam van aangeefster, zodat de rechtbank dat ook niet bewezen acht.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier voor het overige van de ten laste gelegde gedragingen, te weten het door de straat rijden en veelvuldig contact opnemen met aangeefster door haar berichten te sturen en te bellen, naar aard, duur, frequentie en intensiteit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de voor belaging vereiste stelselmatigheid te komen. Daarbij speelt mee dat gedurende een gedeelte van de tenlastegelegde periode de politie heeft geconstateerd dat ook sprake was van contact dat werd geïnitieerd door aangeefster en dat een groot deel van de berichten die volgens aangeefster door de verdachte zijn verzonden niet objectief aan hem te linken zijn. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde, alsmede van het subsidiair ten laste gelegde, nu reeds is overwogen dat het lek steken van de autobanden niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.\n\nBewezenverklaring feit 1, 2, 3 (primair) en 4\n\nFeit 1\n\nBewijsmiddelen\n\nIn het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\nIk ben woonachtig op de [woonplaats 2] . Op maandag 9 juni 2025 hebben wij elkaar voor het eerst gezien in mijn woning. Deze avond is hij gewoon naar huis gegaan. De volgende dag 10 juni 2025 is hij weer naar mijn woning gekomen en is hij eigenlijk niet meer weg gegaan van af toen. Wij hebben toen officieel een relatie gekregen. De eerste 1,5 week was nog alles \"goed\". Vanaf maandag 23 juni 2025 is het geweld richting mij begonnen, deze maandag hadden wij ruzie gekregen omdat [Verdachte] een airco zou gaan ophalen via marktplaats in Heerlen. In de tijd van maandag 23 juni 2025 tot zondag 29 juni 2025 hebben wij vaker ruzie gehad en heeft hij mij ook meerdere malen met een platte hand geslagen.\n\nZondag 29 juni 2025 kwam ik thuis in mijn woning. Deze zondag heeft hij mij ook fysiek weer mishandeld. Hij heeft mij toen geslagen met een platte hand, geduwd ter hoogte van mijn borst en mijn keel dicht geknepen met één of twee handen. Deze mishandelingen hebben een paar uur geduurd waarbij hij dit meerdere malen heeft gedaan. Ik voelde toen ook pijn aan mijn lichaam van deze mishandelingen.\n\nOp maandag 30 juni heeft hij mij ook met gebalde vuisten geslagen op mijn lichaam ik voelde meteen pijn in mijn lichaam en moest huilen van de pijn, schrik en de angst.\n\nDinsdag 1 juli 2025 was een hele extreme dag qua mishandelingen en hiervan heb ik ook heel veel letsel opgelopen. Rond 12 uur stond ik in de badkamer in mijn woning. [Verdachte] verweet mij dat ik wat verkeerds had gedaan, toen ik vroeg wat ik verkeerd had gedaan voelde ik dat [Verdachte] mij met gebalde rechtervuist zeker vijf keer op de linkerkant van mijn hoofd sloeg. Ik voelde meteen heel veel pijn in mijn hoofd en schreeuwde het uit van de pijn. Hij sloeg mij ook met gebalde rechtervuist op mijn bovenbenen, hier heb ik ook blauwe plekken van. Ook kneep hij mij op dat moment in mijn linker bovenarm, hier heb ik een grote blauwe plek van op mijn arm staan. Ik heb toen heel hard moeten huilen van de pijn. [Verdachte] heeft mij toen aan mijn kleding meegetrokken naar mijn woonkamer. Ik heb toen gezegd dat de politie zou komen naar aanleiding van mijn geschreeuw en dat ik niet meer kon liegen omdat ik helemaal onder de blauwe plekken zat. Hij heeft mij toen nog in mijn onderrug geknepen en getrokken aan mijn vel. Op mijn onderrug heb ik hier ook een blauwe plek van. [Verdachte] wilde toen weg uit de woning en wilde naar de [plaats] gaan om daar in de zon te gaan zitten. Ik mocht van hem niet in mijn eigen woning blijven. Ik ben toen ook met hem richting de [plaats] moeten gaan. Onderweg naar de [plaats] heeft [Verdachte] mij drie keer met een gebalde vuist op mijn rechter bovenarm geslagen waarvan ik een grote blauwe plek heb gekregen. Rond 14.30 uur zijn wij terug naar huis gegaan en heb ik andere kleren aangetrokken om mijn blauwe plekken te verbergen.\n\nWoensdag 2 juli 2025 is [Verdachte] wederom boos geworden op mij, ik weet eigenlijk niet eens meer waarom. Toen ik op de bank in de woonkamer zat zag ik dat [Verdachte] mij sloeg met een slipper op mijn linker hoofd [de rechtbank begrijpt: de linkerkant van mijn hoofd]. Dit is de plek waar hij mij eerder al heeft geslagen met gebalde vuisten en ik nog steeds pijn van ondervind. Ook zag en voelde ik dat hij mij met kracht met zijn rechtervoet met hieraan een slipper ook weer tegen de linkerkant van mijn hoofd trapte. Ik voelde van deze klappen meteen nog meer pijn aan mijn hoofd. Ik zag dat [Verdachte] zijn slippers uit deed en deze verruilde voor zijn werkschoenen met stalen neus. Ik zag dat hij met zijn rechtervoet met kracht tegen mijn linkerbeen schopte. Ook dit deed pijn en hiervan heb ik een blauwe plek op mijn been.\n\nDonderdag 3 juli 2025 kan ik mij niet meer goed herinneren maar ook deze dag hebben er weer mishandelingen plaats gevonden richting mij. Iedere dag hebben er\n\nmishandelingen plaatsgevonden vanaf de vorige zondag.\n\nZaterdag 5 juli 2025 ben ik rond 10 uur opgestaan. De afspraak was dat mijn dochtertje [dochter] deze dag naar mijn ouders zou gaan. [Verdachte] was boos dat mijn ouders nog aan het slapen waren en zij dus nog steeds in de woning was. [Verdachte] is vervolgens op mij afkomen lopen en gaf mij een kopstoot tegen mijn voorhoofd. Ik begon gelijk te schreeuwen van de pijn. Ik zat op dat moment op de bank samen met mijn dochtertje.\n\nWij hebben ons toen klaar gemaakt en zijn met zijn drieën richting mijn ouders gereden. Onderweg kregen wij nog ruzie met elkaar en werd hij wederom boos in de auto op mij. Hij heeft mij hierbij heel hard in mijn rechterbeen geknepen terwijl ik aan het autorijden was. Ik ben toen heel hard op de rem moeten gaan. Ik heb vervolgens keihard geschreeuwd van de pijn.\n\nVandaag 6 juli zijn wij samen opgestaan rond 11 of 12 uur en heb ik eigenlijk gelijk aangegeven aan [Verdachte] dat ik mij niet goed voelde en veel pijn had en dat ik het niet meer wilde op deze manier. Ik zat op dat moment hangend op de bank met mijn kont richting [Verdachte] . Ik voelde dat [Verdachte] met kracht met zijn rechtervoet tegen mijn rechterbil trapte en mij met een platte hand op mijn linkerarm sloeg. Ik voelde meteen pijn aan mijn bil en arm en begon te huilen en te schreeuwen. Ik voelde dat [Verdachte] mij vervolgens met twee handen bij mijn keel pakte en deze dichtkneep. Dit omdat ik stil moest zijn en mij niet moest aanstellen. Dit deed hij een paar, ongeveer vijf, seconden en toen liet hij mijn keel los. Tijdens die vijf seconden kreeg ik geen lucht. Ik ben vervolgens naar de keuken gelopen en ik zag dat [Verdachte] mij achterna kwam gelopen. Ik ben in de keuken op de grond gegooid door [Verdachte] en voelde en zag dat hij mij met gebalde vuisten met kracht op mijn lichaam sloeg. Ik ben vervolgens ineengedoken om mij te verweren tegen deze slagen.\n\nOmstreeks 14.00 uur ben ik opgestaan en ben naar de slaapkamer gelopen en ben op bed gaan huilen. [Verdachte] is mij wederom achterna gelopen en heeft op de slaapkamer het raam gesloten. [Verdachte] is vervolgens toen ik op bed lag op mij gesprongen en heeft mij met twee handen mijn keel dichtgeknepen. Dit dichtknijpen heeft ongeveer 10 of 15 seconden geduurd. Hiervan heb ik ook letsel aan mijn keel. Omdat vandaag mijn dochtertje teruggebracht zou worden door mijn ouders moest ik mij gaan klaar maken van [Verdachte] , want ik moest er normaal uitzien voor mijn ouders. Dit was omstreeks 14.30 uur. Deze mochten niet zien dat ik blauwe plekken of striemen op mijn lichaam had. Ik moest vervolgens van [Verdachte] make-up op mijn striemen in mijn nek smeren om dit te verbergen. Om 15.20 uur zag ik dat mijn ouders met mijn dochtertje [dochter] bij mijn woning stonden. [Verdachte] is vervolgens de deur uitgegaan om boodschappen te doen. Ik heb vervolgens tegen mijn moeder gezegd dat zij de politie moest bellen. Mijn moeder heeft vervolgens meteen de politie gebeld waarna jullie kwamen.\n\nIn het proces-verbaal van bevindingen van 8 juli 2025 (met als bijlage het fotoblad betreffende het letsel van [slachtoffer 1] )staat het volgende gerelateerd:\n\nOp zondag 6 juli 2025, omstreeks 15.40 uur kwamen wij verbalisanten op de [woonplaats 2] , dit betrof een flatgebouw waarbij dochter [slachtoffer 1] woonachtig is op de eerste verdieping. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat [slachtoffer 1] blauwe plekken had op haar beide benen, armen en rug. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat zij ook striemen in haar nek had, maar dat hier make-up op zat. Ik, verbalisant [verbalisant] , zag dat zij de make-up uit haar nek wegveegde. Ik zag dat er rode striemen aan de linkerkant van haar nek zaten. Al het letsel werd op foto vastgelegd.\n\nIn het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\n Ik wens een getuigenverklaring af te leggen in verband met vele ruzies op het adres\n\nvan mijn onderbuurvrouw, [woonplaats 2] . De onderbuurvrouw heeft sinds vier weken een relatie gestart met een manspersoon. Sinds een week of twee geleden kwam de buurvrouw op een zondagmiddag thuis. De buurvrouw kwam toen thuis van een weekend logeren bij haar ouders. Deze zondag werd er flink geschreeuwd in de woning. Ik hoorde de buurvrouw meermaals hard roepen: \"auw laat mij los, ik vind dit niet leuk.\" Ik hoorde de man in de woning continu schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw schreeuwen, alsof zij enorm veel pijn had. Na die zondag spelen de ruzies dagelijks, meerdere momenten op de dag. Ik hoor de\n\nbuurvrouw zo vaak schreeuwen. Ik hoorde de buurvrouw vaker schreeuwen: \"Mijn kind, mijn kind. Waarom sla je mij zo hard? Je doet mij pijn, laat mij los. Ik heb mijn kind op schoot zitten, ik wil dit niet. Je maakt mij gewoon kapot, ik trek dit niet meer.\"\n\nIk zag dat de buurvrouw vaker in de ochtend het kind naar de school\u002Fopvang bracht. Ik zag dat de buurvrouw sinds haar relatie veelvuldig make-up op deed, dit zag ik\n\nnormaal nooit bij de buurvrouw. Ik zag dat de buurvrouw ten tijde van de relatie niet lekker in haar vel zat. Ik zag dat de buurvrouw nooit vrolijk was, zodra zij met kind naar buiten liep. Ik zag dat de buurvrouw een stille indruk maakte met haar houding en mimiek. Normaal was de buurvrouw veel vrolijker, zeker voor deze relatie plaatsvond. Ik zag dat de buurvrouw sinds de relatie krom liep. Ik zag dat de buurvrouw voorover liep, hier kreeg ik een vreemd gevoel van.\n\nIn het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 2] van 7 juli 2025staat het volgende gerelateerd:\n\nMijn moeder is woonachtig op de [woonplaats 3] . Ik ben hier in de weekenden, in de avonden en ’s morgens vroeg. In de tijd dat ze hier woont, een jaar, heb ik nooit een jongen over de vloer gezien, vooral vriendinnen, tot vier weken terug ongeveer. Op het begin hoorde ik veel gelach tussen de twee en leek het een leuke en gezellig relatie. Na ongeveer anderhalve week ging het van lachen naar huilen. Dit werd met de dag steeds erger. Ik hoor meerdere keren dat er een klap werd gegeven en hierop hoorde ik [slachtoffer 1] : \"Auw!\" roepen.\n\nOok hoor ik op het moment dat de vriend [slachtoffer 1] slaat en [slachtoffer 1] hierop schreeuwt van de pijn, dat de vriend begint te lachen.\n\nErgens in de derde week van hun relatie stond ik te roken op het balkon. Haar\n\nwoonkamer raam stond open en ligt schuin onder mijn balkon, hierdoor kon ik\n\nmeeluisteren wat ze bespraken in de woonkamer van [slachtoffer 1] . Ik hoorde [slachtoffer 1] zich\n\nafvragen waarom het nu zo slecht gaat in de relatie en dat het op het begin ook goed\n\nging. Hierop hoorde ik twee klappen die gegeven werden. Vervolgens hoorde ik dat [slachtoffer 1] iets wilde zeggen en hierop een zware klap kreeg. Ik hoorde dat [slachtoffer 1] haar zin niet kon afmaken en de lucht uit haar geperst werd. Vervolgens werd het raam van de woonkamer dichtgemaakt waardoor ik niks meer hoorde.\n\nDe verdachte verklaarde tijdens de terechtzitting van 23 juni 2026als volgt:\n\nHet klopt dat ik [slachtoffer 1] vaker heb geslagen en geknepen.\n\nOverweging\n\nDe verdachte heeft bekend [slachtoffer 1] meermaals te hebben geslagen en geknepen. De rechtbank acht echter ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft geschopt, haar een kopstoot heeft gegeven en dat hij tweemaal haar keel heeft dichtgeknepen. De verbalisanten die op 6 juli 2025 ter plaatse komen, zien bij [slachtoffer 1] blauwe plekken op haar beide benen, armen en rug en rode striemen aan de linkerkant van haar nek. Getuige [getuige 2] , de buurman van [slachtoffer 1] , verklaart tevens dat hij tijdens een ruzie tussen [slachtoffer 1] en de verdachte hoorde dat zij haar zin niet kon afmaken en lucht uit haar geperst werd. Daarnaast verklaren de buren [getuige 1] en [getuige 2] dat zij na ongeveer anderhalve week sinds de verdachte in beeld is klappen, geschreeuw van de verdachte en geschreeuw van pijn horen. Getuige [getuige 1] verklaart ook dat [slachtoffer 1] sindsdien veel make-up draagt en een ongelukkige houding aanneemt. De incidenten en gedragsveranderingen die de buren waarnemen, komen hierin ook overeen met de verklaring van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] verklaart immers zelf dat na anderhalve week de relatie veranderde en zij make-up op deed ter verbloeming van haar letsel.\n\nDe rechtbank passeert op grond van bovenstaande dan ook de gedeeltelijke ontkenning van de verdachte en acht de verklaring van [slachtoffer 1] in zijn geheel betrouwbaar. De verklaring van aangeefster vindt steun in de bevindingen van de verbalisanten, maar ook in de waarnemingen van de getuigenverklaringen omtrent de ruzies, incidenten en gedragsveranderingen.\n\nFeit 2\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025.\n\nFeit 3 (primair)\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026;\n\n- het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025.\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van de ten laste gelegde periode van 10 juni 2025 tot en met 18 juni 2025 en van 24 juli 2025 tot en met 6 juli 2025. De video waarop te zien is dat de verdachte [slachtoffer 3] bedreigt, is opgenomen in de woning van [slachtoffer 1] . Zij heeft verklaard dat de verdachte in het weekend van 21 juni 2025 alleen in haar woning is geweest en dat zij op 19 juni 2025 nog pannenkoeken in de koelkast had gezet voor hem. Dit maakt dat het niet anders kan dan dat de bedreiging in de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 1] verklaart immers ook dat zij na terugkomst van het weekendverblijf bij haar ouders samen de betreffende video bekeken hebben.\n\nDe verdediging heeft daarnaast verzocht ‘met ontlasting’ uit te strepen. De rechtbank komt in het kader van de bewijsvraag echter niet toe aan de vraag of de pannenkoek met of zonder ontlasting door [slachtoffer 3] werd gegeten, omdat deze vraag enkel aan de orde is bij het subsidiair ten laste gelegde en zij het primair ten laste gelegde bewezen acht.\n\nFeit 4\n\nAangezien de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een opsomming van de bewijsmiddelen:\n\nde bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\nhet proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024 (in samenhang bezien met het bijbehorende fotoblad).3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nFeit 1\n\nop meerdere tijdstippen in de periode van 23 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer 1] meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en te schoppen,\n\n- meermalen in de arm en rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,\n\n- die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en\n\n- door meermalen de keel van die [slachtoffer 1] dicht te knijpen,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 2\n\nin de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] een gouden ketting die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nFeit 3 (primair)\n\nin de periode van 19 juni 2025 tot en met 23 juni 2025 te [woonplaats 2] [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag of mes te tonen;\n\nFeit 4\n\nop 16 november 2024 te [woonplaats 4] [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nFeit 1\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd\n\nFeit 2\n\ndiefstal\n\nFeit 3 primair\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling\n\nFeit 4\n\nmishandeling, begaan tegen zijn levensgezel\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n6. De straf en de maatregel6.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest en daarnaast de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Tevens dient de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) te worden opgelegd.6.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Aan het voorwaardelijk op te leggen deel kan, naast ambulante behandeling en begeleiding bij zijn problemen, een contact- en locatieverbod worden opgelegd. Oplegging van een tbs-maatregel of GVM is volgens de verdediging niet opportuun en disproportioneel.6.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van [slachtoffer 2] die destijds zijn levensgezel was. Hij heeft haar een kopstoot gegeven midden op een openbare parkeerplaats waar meerdere mensen getuige van zijn geweest. [slachtoffer 2] schaamde zich daarvoor en voelde zich daarnaast onveilig en bang. Ook heeft de verdachte [slachtoffer 1] mishandeld, die na [slachtoffer 2] zijn levensgezel werd. De verdachte heeft [slachtoffer 1] geslagen, geknepen, geschopt, haar een kopstoot gegeven en tweemaal haar keel dichtgeknepen. Vaak deed de verdachte dit in aanwezigheid van het dochtertje van destijds drie jaar oud.\n\nHuiselijk geweld is een van de meest ingrijpende vormen van geweld: het vindt plaats binnen de privésfeer, waar iemand zich veilig zou moeten voelen. Het is algemeen bekend dat huiselijk geweld een bijzonder destructieve vorm van geweld is, waarvan de gevolgen jarenlang kunnen doorwerken in het leven van het slachtoffer en diepe psychische sporen kunnen achterlaten. Het tast het gevoel van eigenwaarde aan, leidt tot gevoelens van angst en wantrouwen en veroorzaakt niet zelden sociaal isolement. Dat de feiten psychisch grote indruk hebben gemaakt op de slachtoffers bleek ook ter zitting uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] en uit de toelichting op de vorderingen tot schadevergoeding.\n\nOok is in zeer korte tijd het geweld dat de verdachte gebruikte geïntensiveerd, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart. In het dossier ziet de rechtbank een patroon van toenemende agressie en verlies van controle. De rechtbank vreest hierdoor voor verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. In dit kader wijst de rechtbank op het reële risico voor femicide: geweld gepleegd door een (ex-)partner tegen een vrouw dat leidt tot de dood. Dit vormt een groot maatschappelijk probleem en het zijn zeer ernstige feiten die de samenleving in ernstige mate schokken en waarbij veelvuldig blijkt hoe moeilijk het is vrouwen en meisjes hiertegen te beschermen. In dit geval zijn er meerdere risicofactoren aanwezig: het escalerende fysieke geweld (waaronder de keel dichtknijpen van [slachtoffer 1] ), het controlerende gedrag, de jaloezie en de bedreiging. Uit de verklaringen van de slachtoffers in deze zaak, [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] blijkt dat zij allemaal heel erg bang zijn voor de verdachte en daadwerkelijk vrezen voor wat de verdachte hen zou kunnen aandoen.\n\nNaast het huiselijk geweld heeft de verdachte [slachtoffer 3] bedreigd en dit gefilmd. Hij droeg daarbij een bivakmuts en bedreigde hem met een zaag\u002Fmes. De verdachte heeft [slachtoffer 3] daarmee gedwongen een pannenkoek op te eten. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat deze pannenkoek besmeurd was met poep van de verdachte, nu [slachtoffer 1] verklaard heeft dat de verdachte dat tegen haar heeft gezegd en zij geen enkel belang had om dit te verzinnen ten overstaan van de politie. Deze omstandigheid past ook bij de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij, nadat van hem in het verleden een vernederend filmpje is gemaakt, ook een keer wilde ervaren hoe het is om een vernederend filmpje te maken van iemand anders. Het dwingen van het eten van een pannenkoek met ontlasting is buitengewoon vies, vernederend en respectloos en dit handelen miskent de menselijke waardigheid op ernstige wijze. Dit heeft diepe angst en walging veroorzaakt bij het slachtoffer. Dat blijkt ook uit de enorme angst die [slachtoffer 3] nog steeds heeft voor de verdachte als de politie hem komt bevragen over wat er precies gebeurd zou zijn.\n\nTot slot heeft de verdachte een gouden ketting van [slachtoffer 1] gestolen. Een ketting die emotionele waarde had, omdat de 3-jarige dochter van [slachtoffer 1] die van een tante van haar uit Italië had gekregen. De verdachte heeft laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendom. Hij heeft deze stiekem verkocht, terwijl [slachtoffer 1] in de auto op hem aan het wachten was.\n\nDe rechtbank acht het van groot belang om dergelijke feiten zoals begaan door de verdachte krachtig te veroordelen, mede ter bescherming van (potentiële) slachtoffers en ter voorkoming van verdere escalatie.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 3 juni 2026, waaruit blijkt dat hij meerdere keren met justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld, onder andere voor mishandeling, brandstichting en het voorhanden hebben van een wapen. Eerdere veroordelingen en opgelegde straffen hebben de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan soortgelijke feiten.\n\nDeskundigenrapportages\n\nVerder heeft de rechtbank acht geslagen op de Pro Justitia-rapportage van de psychiater [psychiater 1] , onder supervisie van psychiater [psychiater 2] , en van klinisch psycholoog [psycholoog] , klinisch psycholoog, opgesteld op 9 maart 2026. De verdachte heeft te kennen gegeven niet te zullen meewerken aan een NIFP-onderzoek en hij heeft ook niet meegewerkt aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Hij ging met zowel de psychiaters, de\n\npsycholoog als de milieuonderzoeker niet (inhoudelijk) in gesprek. De verdachte liet zich wel zien op de verblijfafdeling van het PBC, zodat op basis van deze informatie en enkele referenten, een rapport is opgesteld.\n\nUit de PBC-rapportage blijkt dat er bij de verdachte op 5-jarige leeftijd ontwikkelingsstoornissen, autisme en ADHD zijn vastgesteld, waarna gedurende de levensloop werd gezien dat de verdachte telkens weer in de problemen komt, met name in interpersoonlijke relaties. Dit heeft geleid tot problemen op alle levensgebieden.\n\nUit de beschikbare informatie komt niet naar voren dat er periodes zijn geweest waarin hij gezond en stabiel functioneerde en ook nu is daar geen sprake van. Inmiddels kan gesproken worden van een duurzaam patroon van afwijkend gedrag. Zo is sprake van problemen in aandacht en concentratie, korte-termijn-denken en gerichtheid op directe behoeftebevrediging, problemen in de frustratietolerantie en de emotie-, impuls- en\n\nagressieregulatie (leidend tot verbale en fysieke agressie), instrumentele, bewust ingezette\n\nagressie vanuit opportunisme (waaronder ook afdwingen en dreigen), zich niet houden aan\n\nafspraken, regels en wetten, grensoverschrijdend en provocerend gedrag, vernederend\n\ngedrag met soms een sadistische kleuring, gebrekkige empathische vermogens en gebrekkige\n\ngewetensfuncties. Door deze functionele problemen overschrijdt hij grenzen van anderen,\n\nkomt hij voortdurend in conflict met anderen en roept hij agressie over zichzelf af. De deskundigen vragen zich af of en in hoeverre hij in staat is om zijn gedrag op anderen af te\n\nstemmen en rekening te houden met mensen in zijn omgeving.\n\nDe psychiaters komen tot de classificatie van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (volgens DSM-5-TR) en de psycholoog tot de meer algemene classificatie van een ongespecificeerde psychische stoornis (DSM-5-TR). De deskundigen concluderen hoe dan ook dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek, en zien dezelfde forensisch relevante functiebeperkingen. Het is mogelijk dat andere comorbide diagnoses (zoals de in de jeugd vastgestelde stoornissen) ook aan deze functiebeperkingen ten grondslag liggen. De psychiaters zien gezien het chronische patroon van maladaptieve gedragingen in ieder geval genoeg grond voor het classificeren van een persoonlijkheidsstoornis in algemene zin, naast eventuele comorbide (ontwikkelings)pathologie. De deskundigen benadrukken dat het slechts om een verschil in classificatie gaat en dat er overeenstemming bestaat over dat sprake is van chronische, complexe en ernstige psychiatrische problematiek. Ze stellen dat de psychische stoornis chronisch is en derhalve aanwezig was ten tijde van het plegen van de feiten.\n\nHet is de deskundigen onduidelijk gebleven, betrekking hebbende op feit 1, 2 en 4, hoe en onder welke omstandigheden de feiten zich hebben afgespeeld. Ze kunnen derhalve niet inschatten of en in hoeverre de verdachte beperkt was in zijn wilsvrijheid en kunnen daarom geen advies geven over de toerekenbaarheid bij deze feiten. De kans dat de psychische stoornis helemaal niet heeft doorgewerkt in deze feiten achten zij echter onwaarschijnlijk. Betreffende de diefstal van de gouden ketting komen uit het onderzoek geen aanwijzingen naar voren die aanleiding geven om de verdachte dit feit minder of niet toe te rekenen.\n\nOp basis van de gestandaardiseerde risicotaxatie concluderen de deskundigen dat er een hoge kans op recidive van gewelddadig gedrag bestaat. Als risicofactoren komen in ieder geval naar voren: eerder gewelddadig en overig antisociaal gedrag; een historie van problemen binnen intieme en niet-intieme relaties; problemen in het arbeidsverleden en mogelijk ook met middelengebruik (cannabis); affectieve, gedragsmatige en cognitieve instabiliteit; instabiele levensomstandigheden en gebrekkige respons op toezicht\u002F behandeling. Verdere beschermende factoren lijken niet aanwezig te zijn, met name doordat de verdachte tot nog toe geen pro-sociaal leven heeft opgebouwd.\n\nDoor de hiervoor besproken beperkingen van het onderzoek konden de deskundigen geen gericht advies geven over een behandeling die de kans op recidive zou kunnen verminderen. Zij hebben om die reden ook geen advies gegeven over binnen welk juridisch kader een eventuele behandeling zou moeten plaatsvinden.\n\nHet openbaar ministerie heeft voorts de reclassering verzocht te adviseren over de (on)mogelijkheden voor het opleggen van een tbs-maatregel met voorwaarden. Uit het reclasseringsrapport van 5 juni 2023 volgt dat de verdachte ook bij de reclassering terughoudend is in gesprekken. De reclassering adviseert daarom en gelet op zijn verleden en zijn wens tot autonomie negatief over het opleggen van (tbs met) voorwaarden. Wel adviseert de reclassering een GVM op te leggen. De reclassering schat het risico op recidive, net als de psychiaters en de psycholoog, hoog in.\n\nGetuige-deskundigen [psychiater 2] , psychiater en werkzaam bij het PBC, en [getuige-deskundige] , werkzaam bij Reclassering Nederland, zijn ter zitting gehoord en hebben aangegeven bij hun conclusies uit hun rapporten te blijven.\n\nDe rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare.\n\nDe op te leggen maatregel\n\nGezien de vastgestelde stoornis bij de verdachte, het chronische karakter daarvan en het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte behandeld en begeleid zal worden ter voorkoming van nieuw strafbaar gedrag. Daarbij ligt allereerst de vraag voor of deze behandeling plaats kan vinden in een ambulant kader, zoals een toezicht in de vorm van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel. Dit kader is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt ontoereikend, omdat bij het niet meewerken en vervolgens uitzitten van het voorwaardelijk strafdeel, het gevolg is dat de verdachte onbehandeld weer terug de maatschappij in kan keren, met alle risico’s van dien.\n\nTen aanzien van de mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden overweegt de rechtbank dat dit een intensieve inzet en medewerking van de verdachte vereist. Gelet op de gebrekkige medewerking aan het deskundigenonderzoek, de complexe problematiek wat betreft zijn stoornissen en de problematiek in contact met anderen, ziet de rechtbank niet in hoe de verdachte zich zou kunnen conformeren aan voorwaarden. Van de verdachte zou in een dergelijk kader verwacht worden dat hij gedurende een langere periode blijk geeft van een consistente bereidheid om aan behandeling, begeleiding en risicobeperking mee te werken. De verdachte heeft een dergelijke duurzame en intensieve inspanning tot op heden niet laten zien. Dat hij ter terechtzitting een meer bereidwillige houding heeft aangenomen, maakt dat niet anders, gelet op het gebrek aan inzicht in zijn beperkingen.\n\nDe officier van justitie heeft om diezelfde redenen een tbs-maatregel met dwangverpleging geëist.\n\nDe rechtbank stelt allereest vast dat de verdachte pertinent heeft geweigerd om mee te werken aan alle rapportages over zijn geestvermogens. De rechtbank acht zich, ook gezien hetgeen is opgenomen in artikel 37a, vierde lid, Sr, voldoende voorgelicht op basis van voornoemde rapportages.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, ondanks de weigering van de verdachte om mee te werken aan het onderzoek naar zijn geestvermogens, aan de formele eisen voor oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging is voldaan.\n\nZoals hiervoor reeds overwogen is er bij de verdachte immers sprake van een tijdens het begaan van de feiten aanwezige ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De deskundigen benadrukken daarbij dat sprake is van complexe en ernstige psychiatrische problematiek, dat deze chronisch is en ook al aanwezig was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 1 Sr voldaan.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast vast dat de maatregel zal worden opgelegd voor misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, namelijk de mishandeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , die ten tijde van het plegen van die mishandeling zijn levensgezel waren. De bewezenverklaarde bedreiging betreft een specifiek beschreven misdrijf in sub 2 van artikel 37a lid 1 Sr. Daarmee is aan het vereiste van artikel 37a lid 1 sub 2 Sr voldaan.\n\nDe rechtbank stelt daarnaast op basis van de rapporten van de deskundigen vast dat sprake is van een hoog recidiverisico.\n\nDe rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw dat de tbs-maatregel met dwangverpleging een zware maatregel is, maar toch acht zij de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval proportioneel gezien de ernst van de delicten en het hoge recidiverisico met het risico op escalatie indien de onderliggende psychiatrische problematiek van de verdachte onbehandeld zal blijven. Daarbij wijst de rechtbank ook op de chronische aard van die problematiek, leidend tot problemen op alle leefgebieden van de verdachte. De rechtbank ziet tevens een gedragspatroon waarin geweld, naar in dit geval zijn partners, in zeer korte tijd ernstig is toegenomen. De rechtbank heeft ten aanzien hiervan al aangestipt dat zij gezien deze dynamiek vreest voor een verdere escalatie met mogelijk fatale gevolgen. De rechtbank ziet met andere woorden een reëel risico op femicide. Tevens ziet de rechtbank dat de verdachte zonder een goede aanleiding en vrij willekeurig ernstig gewelddadig gedrag naar andere mensen vertoont, hetgeen de rechtbank ernstige zorgen baart voor de toekomst. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet uit te leggen als de verdachte onbehandeld terug zou mogen keren in de maatschappij met alle hiervoor beschreven risico’s van dien.\n\nGezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de maatregel van terbeschikkingstelling vereist en de rechtbank zal deze dan ook opleggen, waarbij de rechtbank voorts zal bevelen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nDe maatregel wordt opgelegd wegens misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen in de zin van artikel 38e Sr, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om een gedragsbeïnvloedende- en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen, nu zij reeds overgaat tot oplegging van een niet gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging. Onvoldoende duidelijk is waarom de in artikel 38z maatregel bij deze verdachte aanvullend zou moeten worden opgelegd. Om diezelfde reden gaat de rechtbank ook niet over tot het opleggen van een contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr.\n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met het opleggen van enkel een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging. Naast de maatregel zal de rechtbank daarom, gelet op de ernst van het feit, in verband met een juiste normhandhaving, ook een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij vrijheidsbeneming op zijn plaats en acht daarom een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank komt tot een lagere gevangenisstraf dan de officier van justitie heeft geëist, nu zij de verdachte vrijspreekt van het onder 5 tenlastegelegde feit.\n\nDe verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).\n\n7. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel7.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 1 en 2.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 8.845,58, bestaande uit € 7.345,58 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade ter zake van feit 4 en 5.\n\nDe benadeelden hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.2. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van beide vorderingen. De vorderingen dienen te worden vermeerderd met de wettelijke rente en toegewezen te worden met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.7.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de verdediging zich betreffende het materiële deel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en betreffende het immateriële deel verzocht het bedrag te matigen tot € 750,-. Het verzoek tot matiging vloeit mede voort uit het verzoek om partiële vrijspraak voor het letsel aan het hoofd van [slachtoffer 1] .\n\nTen aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze vordering pas op zitting is aangebracht. Subsidiair verzoekt de verdediging betreffende de materiële schade deze af te wijzen gelet op de bepleitte partiële vrijspraak, en meer subsidiair verzoekt de verdediging het gevorderde schadebedrag te matigen, omdat deze in te ver verwijderd verband staan tot de gedragingen van de verdachte. Betreffende de immateriële schade verzoekt de verdediging rekening te houden met het feit dat er wederzijds contact is geweest tijdens een bepaalde periode van de tenlastelegging. De verdediging verzoekt daarom het gevorderde schadebedrag te matigen.7.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nDoor de benadeelde wordt een bedrag van € 18,57 gevorderd aan reiskosten. De kostenpost is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken, zodat de rechtbank dit deel van de vordering toewijst.\n\nDaarnaast wordt door de benadeelde een bedrag van € 1.500,- gevorderd aan immateriële schade. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een van die gevallen is wanneer sprake is van een aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel (sub b). Daar is in het onderhavige geval sprake van. Dat de benadeelde als gevolg van het handelen van de verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen is voldoende onderbouwd en komt in het dossier ook evident naar voren. De benadeelde is in korte tijd zeer intensief door de verdachte mishandeld, vaak in het bijzin van haar dochtertje. Zij liet de verdachte op goed vertrouwen in haar woning verblijven, maar de verdachte heeft dit vertrouwen beschadigt. De benadeelde heeft lange tijd psychische gevolgen hiervan ondervonden en is nog steeds bezig met de verwerking.\n\nDe rechtbank heeft voor het toe te wijzen bedrag rekening gehouden met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend en acht het gevorderde bedrag van € 1.500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot de dag van volledige betaling.\n\nOm te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.\n\nBenadeelde partij D. [slachtoffer 2]\n\nNu aan de vordering betreffende de materiële schade een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor de verdachte niet zal worden veroordeeld, zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering.\n\nOp grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 4 bewezenverklaarde feit. Zij heeft hierdoor immers letsel opgelopen, zodat aan haar een vergoeding toekomt op basis van artikel 6:106 sub b BW. De benadeelde had meteen pijn na de kopstoot, liep een bloedneus op en kreeg daarna zichtbare blauwe plekken op haar gezicht. Benadeelde is hier erg van geschrokken en werd erg angstig na het incident. De verdachte heeft met zijn handelen haar gevoel van veiligheid aangetast.\n\nDe rechtbank acht, gelet op vergelijkbare zaken, een bedrag van € 500,- billijk en zal dit toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.8. De vorderingen tenuitvoerlegging\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 20.002155.21\n\nBij arrest van 14 december 2022 heeft het gerechtshof ‘s Hertogenbosch de verdachte onder meer veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.050076.23\n\nBij vonnis van 10 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 160 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.\n\nDe vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 03.344019.21\n\nBij vonnis van 24 juli 2023 heeft de rechtbank Limburg de verdachte veroordeeld tot onder meer een werkstraf van 30 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.8.1. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nGebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijden aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de overige inhoud van dit vonnis. Gelet echter op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging, is de rechtbank van oordeel dat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen geen strafrechtelijk doel dient. De rechtbank zal de vorderingen tot tenuitvoerlegging afwijzen.\n\n9. Het beslag\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de inbeslaggenomen zaag met goednummer 1819956 verbeurd verklaren, omdat het onder 3 bewezenverklaarde feit met behulp van dit voorwerp is begaan en deze ten tijde van het begaan van dat feit aan de verdachte toebehoorde.\n\nTeruggave aan de verdachte\n\nVan de twee telefoons, met goednummers 1819940 en 1819942 zal teruggave aan de verdachte worden bevolen, omdat naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van deze inbeslaggenomen goederen.\n\n10. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 37a, 37b, 57, 63, 285, 300, 304 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\n- spreekt de verdachte vrij van de onder feit 5 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten;\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte voor het onder 1, 2, 3 primair en 4 bewezenverklaardetot eengevangenisstraf van 9 maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nMaatregelen\n\n- gelast dat de verdachte voor het onder 1, 3 primair en 4 bewezenverklaardeter beschikking wordt gestelden beveelt dat hijvan overheidswege wordt verpleegd;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1] (t.a.v. feit 1 en 2)\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijtoeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van€ 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 1.518,57, bestaande uit € 18,57 materiële schade en € 1.500,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2] (t.a.v. feit 4)\n\nwijstde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijgedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van€ 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige van de vordering;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nde verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;\n\nVorderingen tot tenuitvoerlegging\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 20.002155.21 van de officier van justitie van 14 december 2022;\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 03.050076.23 van de officier van justitie van 10 juli 2023;\n\n- wijst afde vordering met parketnummer 03.344019.21 van de officier van justitie 24 juli 2023;\n\nBeslag\n\n- verklaart verbeurdde volgende in beslag genomen voorwerpen:\n\n1 STK Zaag, goednummer 1819956;\n\n- gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerpaan de verdachte:\n\n1 STK GSM, goednummer 1819940;\n\n1 STK GSM, goednummer 1819942.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. Y.R.S. Piekhaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.R.C. Custers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. Y.R.S. Piekhaar en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nFeit 1\n\nhij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 23 juni 2025 tot en met 06 juli 2025 te [woonplaats 2] , gemeente Kerkrade [slachtoffer 1] , heeft mishandeld, door\n\n- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en\u002Fof het lichaam te slaan en\u002Fof te schoppen,\n\n- meermalen, althans eenmaal, in de arm en\u002Fof rug van die [slachtoffer 1] te knijpen,\n\n- die [slachtoffer 1] een kopstoot te geven en\u002Fof\n\n- door meermalen, althans eenmaal, (in) de keel\u002Fnek van die [slachtoffer 1] (dicht) te knijpen,\n\nterwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 2\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2025 tot en met 5 juli 2025 te [woonplaats 2] en\u002Fof Heerlen een gouden ketting, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nFeit 3\n\nhij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2]\n\n [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 10 juni 2025 tot en met 6 juli 2025 te [woonplaats 2] , een ander, te weten [slachtoffer 3] , door geweld of enige andere feitelijkheid en\u002Fof door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en\u002Fof te dulden, door die [slachtoffer 3] een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp te tonen en\u002Fof die [slachtoffer 3] onder bedreiging met een vouwzaag en\u002Fof mes en\u002Fof scherp voorwerp, terwijl hij, verdachte, een bivakmuts droeg te dwingen een pannenkoek, in elk geval enig voedsel (met ontlasting) te eten;\n\nFeit 4\n\nhij op of omstreeks 16 november 2024 te Brunssum [slachtoffer 2] , heeft mishandeld, door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;\n\nFeit 5\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en\u002Fof Vijlen, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door meermalen, althans eenmaal\n\n- autobanden van de auto van die [slachtoffer 2] lek te steken en\u002Fof de auto van die [slachtoffer 2] te bekrassen,\n\n- een steen tegen het raam van de woning van die [slachtoffer 2] te gooien,\n\n- door de straat van die [slachtoffer 2] te rijden,\n\n- die [slachtoffer 2] (veelvuldig) berichten te sturen via Snapchat, Whatsapp, iMessage, e-mail en\u002Fof Instagram en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] te (video)bellen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 januari 2025 tot en met 22 maart 2025 te Brunssum en\u002Fof Vijlen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk en wederrechtelijk (autobanden van) een auto, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en\u002Fof weggemaakt.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van de aangifte van [slachtoffer 1] van 6 juli 2025, pagina 11 tot en met 15.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van bevindingen van 8 juli 2025, pagina 21 tot en met 28 en 39.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 41 en 42.\n\n Het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] van 7 juli 2025, pagina 48 en 49.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 15 juli 2025, pagina 96, 97 en 100.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 25 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 168.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2026, pagina 5, 6 en 9 tot en met 20 van het aanvullend proces-verbaal.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen van 15 juli 2025, pagina 83 tot en met 85.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2421-2025112779, gesloten op 29 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 316.\n\n Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 16 november 2024, pagina 240 en 249.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6530","ecli-nl-rblim-2026-6530",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,30,41,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":25,"language":12,"source":13,"sourceUrl":26,"summary":6,"slug":27,"metadata":28},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":8,"legalDomain":29,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":31,"ecli":32,"caseNumber":33,"courtId":34,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":35,"language":36,"source":37,"sourceUrl":6,"summary":38,"slug":39,"metadata":40},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":6,"courtId":44,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":49,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]