[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rblim-2026-6579":3,"decision-more-ecli-nl-rblim-2026-6579":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1259","ECLI:NL:RBLIM:2026:6579","",66,"Roermond","roermond","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 03.122499.25, 03.222572.24 (ttz.gev.)\n\ntegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige strafkamer van 7 juli 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte]\n\ngeboren te Venlo op [geboorte datum] 2005,\n\nthans gedetineerd in P.I. Sittard te Sittard.\n\nDe verdachte wordt bijgestaan door mr. T.J.N. Hameleers, advocaat kantoorhoudende te Roermond.\n\n1. Onderzoek van de zaak\n\nDe zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe nabestaanden [nabestaande 1] en [nabestaande 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. P.G.J.M. Boonen gehoord. De nabestaanden [nabestaande 3] en [nabestaande 4] hebben zich ook als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens hen is mr. F.E.L. Teerling gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld. Tevens hebben [nabestaande 1] , [nabestaande 2] en [nabestaande 4] het spreekrecht uitgeoefend.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\n [benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij is niet verschenen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe – gewijzigde – tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.\n\nNa wijziging tenlastelegging komt de verdenking er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nop 21 april 2025 in Venlo:\n\nfeit 1:opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft gedood door met een vuurwapen een kogel in zijn (boven)lichaam te schieten;\n\nfeit 2:een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nop 29 oktober 2023 in Venlo:\n\nfeit 1:[benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling;\n\nfeit 2:heeft geprobeerd [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel hem heeft mishandeld, door hem met een theeglas tegen zijn hoofd te slaan.\n\n3. De beoordeling van het bewijs3.1. \n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het navolgende standpunt gesteld:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag. Hij heeft verwezen naar de melding van het schietincident, het ter plaatse aantreffen van een neergeschoten persoon, zijnde [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), de aanhouding van de verdachte, de bekennende verklaring van de verdachte tijdens het derde politieverhoor, het sectieverslag van de Forensische Opsporing en de camerabeelden.\n\nDe officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de verdachte van plan was iets te gaan doen, zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte juist [slachtoffer] iets wilde aandoen. De beslissing om op [slachtoffer] te schieten is op dat moment genomen en moet worden gekwalificeerd als doodslag.\n\nDe verdachte heeft op korte afstand met een pistool op [slachtoffer] geschoten, waarbij deze in zijn hart is getroffen. Het met een vuurwapen op zo’n korte afstand schieten op het lichaam van een persoon is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood dat dit niet anders kan worden uitgelegd dan als een bewust handelen gericht op de dood.\n\nHoewel het dossier aanwijzingen geeft dat de verdachte samen met anderen [getuige 3] en aanhang zou treffen, is daarmee nog niet gezegd dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de uiteindelijke doodslag. Het onderzoek heeft geen duidelijkheid, dan wel invulling over die rol gegeven. Dit dient te leiden tot partiële vrijspraak van het bestanddeel ‘medeplegen’.\n\nDe officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde en heeft daartoe aangevoerd dat het vuurwapen niet is aangetroffen, maar dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer door een afgevuurd 9mm patroon dodelijk is getroffen. Dit patroon was afkomstig uit een wapen dat door de verdachte werd afgevuurd. Ter plaatse is ook een huls en nog een patroon aangetroffen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging en de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Verwezen wordt naar de aangifte van [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ), de foto’s van het letsel, de medische verklaring, de getuigenverklaringen van getuigen [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ) en [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en de (deels) bekennende verklaring van de verdachte. De verdachte heeft [benadeelde partij] met een glas tegen het hoofd geslagen. Uit de stukken valt op te maken dat deze slag met behoorlijke kracht heeft plaats gevonden. Het glas is immers gebroken. Gelet op zijn uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij] bewust aanvaard.3.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft het navolgende aangevoerd:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 1 tenlastegelegde moord. Bij de verdachte was geen sprake van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. De onder feit 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag kan wel worden bewezen.\n\nDe verdediging heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder feit 2 tenlastegelegde, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft geschoten met een vuurwapen zoals bedoeld in categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde bedreiging. De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling vanwege een gebrek aan bewijs.\n\nDe verdediging beroept zich ten aanzien van de onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde mishandeling op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.\n\n3.3. Het oordeel van de rechtbank3.3.1.. \n\nDe zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nInleiding\n\nOp 21 april 2025 omstreeks 17:14 uur ontving de politie een melding van een schietincident op de [plaats delict] te Venlo. De melder had gezien dat een persoon een pistool uit zijn zak pakte en hiermee het slachtoffer neerschoot. De schutter zou zijn gevlucht. Ter plaatse werd het slachtoffer liggend op de grond aangetroffen op de parkeerplaats tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek. Het slachtoffer had een schotwond in zijn borst en hier kwam bloed uit. Korte tijd later is het slachtoffer overleden. De verdachte werd na een intensief opsporingsonderzoek op 23 april 2025 aangehouden. Op 1 mei 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten.\n\nFeit 1\n\nVoorbedachte raad\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk blijkt dat de verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer] van het leven te beroven. De verdachte had met [getuige 3] afgesproken vanwege een langlopend conflict. Op enig moment ziet de verdachte [getuige 3] en [slachtoffer] op zich af komen. [slachtoffer] liep voorop en droeg, zo bleek, een mes bij zich. De verdachte heeft het vuurwapen ter hand genomen en daarmee gericht geschoten. De rechtbank kan niet vaststellen dat er eerder bij de verdachte het plan bestond om juist [slachtoffer] van het leven te beroven. De rechtbank ziet onvoldoende bewijsmiddelen om vast te kunnen stellen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘voorbedachten rade’.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht de impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag wel wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van dit misdrijf op grond van de inhoud van de volgende bewijsmiddelen. Daarbij zal de rechtbank, nu de verdachte het feit heeft bekend en door of namens hem geen verweer is gevoerd met betrekking tot de impliciet subsidiair aan hem tenlastegelegde doodslag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:\n\n- De bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting;\n\n- De beschrijving van de camerabeelden door de politie;\n\n- Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict;\n\n- Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van 9 mei 2025;\n\n- Het proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] ;\n\n- Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] .\n\nDe verdachte heeft met een vuurwapen één kogel op [slachtoffer] afgeschoten. Ten gevolge van één doorschot door de romp is [slachtoffer] overleden. Het handelen van verdachte kan redelijkerwijs niet anders worden opgevat dan gericht op het doden van [slachtoffer] .\n\nMedeplegen\n\nHoewel het dossier diverse aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van anderen is de rechtbank van oordeel dat daarmee niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking gericht op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van het onderdeel ‘medeplegen’.\n\nFeit 2\n\nBewijsmiddelen en overwegingen van de rechtbank\n\nDe verdachteheeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – verklaard:\n\nHet is juist dat ik op 21 april 2025 in Venlo met een vuurwapen op [slachtoffer] heb geschoten. Het vuurwapen was geladen en was schietklaar.\n\nIn het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlostaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOp 21 april 2025, omstreeks 18:20 uur, kwamen wij, naar aanleiding van een doodslag\u002Fmoord, voor een forensisch onderzoek aan op de locatie [plaats delict] Venlo. De plaats van het incident is gelegen voor de bedrijfspanden [adres 1] Bij de parkeervakken voor perceel [adres 1] te Venlo werden een huls en een patroon aangetroffen. De huls lag, gemeten vanaf de overledene, op een afstand van ongeveer 10 meter en de patroon op een afstand van ongeveer 12 meter. De huls ( [gegevens munitie] ) en de patroon ( [gegevens munitie] ) zijn verpakt in een koker en veiliggesteld.\n\nIn het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoekstaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nMunitie van plaats delict, [plaats delict] te Venlo\n\n [gegevens munitie]\n\n [gegevens munitie]\n\nIk zag dat de kogelpatroon [gegevens munitie] (plaats delict) was voorzien van de\n\nbodemstempel \"W-W 9mm Luger\". De kogel in de patroon was koperkleurig en het\n\nslaghoedje was zilverkleurig. De huls [gegevens munitie] was voorzien van bodemstempel\n\n\"MEN-85-5 9x19\". Het slaghoedje van de huls was roodkleurig.\n\nAlle onderzochte kogelpatronen zijn van de merken Winchester Western (W-W) en Sellier & Bellot (S&B). Alle onderzochte kogelpatronen hebben het kaliber 9 mm Luger. De aangetroffen huls heeft het kaliber 9x19 dat een synoniem is voor het kaliber 9 mm Luger. De huls is van de fabriek Metallwerk Eisenhutte (MEN), waarbij 85 staat voor het jaartal en 5 staat voor lotnummer.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een pistool, van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, alsmede van munitie, van categorie III van voormelde wet. De verdachte heeft verklaard dat hij met een vuurwapen op [slachtoffer] heeft geschoten. Het vuurwapen is niet gevonden. Op de plaats delict zijn wel een huls en een patroon aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij het wapen in Belfeld in de Maas heeft gegooid. Uit het vergelijkend sporenonderzoek is komen vast te staan dat de huls en het kogelpatroon het kaliber 9mm Luger hebben. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om een vuurwapen, omdat deze patronen alleen in een vuurwapen kunnen worden geplaatst en afgevuurd.\n\n3.3.2.. \n\nDe zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en 2\n\n [benadeelde partij]heeftaangiftegedaan en – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk ben werkzaam bij Redos, een woongroep van cliënten met psychische of\n\ngedragsproblematiek. De woongroep is gelegen op de [adres 2] te Venlo. Sinds ongeveer 10 maanden woont [verdachte] ook in een van de studio’s.\n\nBij [adres 2] is ons kantoor gelegen. Op 29 oktober 2023 was ik werkzaam op de groep zoals hierboven beschreven. Omstreeks 09.45 uur kwam mijn collega [getuige 5] binnen. [verdachte] had een bord met een wrap met kaas en een theeglas met melk voor zich op tafel staan. Het is gebruikelijk dat wij als begeleiding de overdracht doen zonder andere cliënten erbij. Daarom verwees ik [verdachte] naar zijn eigen studio om daar verder te gaan eten. Dit accepteerde [verdachte] echter niet. Ik ben tegenover [verdachte] aan tafel gaan zitten. De afstand tussen ons was maximaal 90-100cm. Ik zag dat [verdachte] uit zijn stoel opstond, zijn theeglas vast had in zijn rechterhand en met een soort lompe boerenslag het theeglas tegen de linkerkant van mijn hoofd, ter hoogte van mijn oor, met kracht kapot sloeg. Ik voelde daarbij meteen een flinke pijn aan mijn linkeroor en de zijkant van mijn hoofd. Ik voelde aan mijn linkeroor en zag dat ik bloedde. Ik zag dat [verdachte] een groot vleesmes vastpakte dat op het aanrecht lag. Ik zag dat [verdachte] dreigend met het mes op mij afkwam. Ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei: \"Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen.\" Ik voelde me toen nog meer in het nauw gedreven door [verdachte] . De afstand tussen [verdachte] en mij was ongeveer 1 meter op dat moment.\n\nIk ben naar de SEH van het VieCuri te Venlo gereden om mijn verwondingen te laten verzorgen. Bij de arts van het SEH begreep ik pas dat er glas in mijn oor zat. Dat is verwijderd en uiteindelijk is er een hechting in mijn oor gezet en hebben ze de andere schrammen geplakt. Ik was op dat moment echt bang en ik was er van overtuigd dat [verdachte] meende wat hij zei, dat hij mij zou gaan neersteken.\n\n [getuige 4]is door de politie alsgetuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk ben zelf woonachtig bij Redos op het adres [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 hoorde ik flink geschreeuw. Ik hoorde dat [verdachte] en [benadeelde partij] naar elkaar aan het schreeuwen waren. Ik zag dat er overal bloed lag, op de grond, op de muren en op de tafel. Ik zag dat er nog iemand van de begeleiding was, dat was [getuige 5] . Op enig moment hoorde ik dat [verdachte] weer begon te schreeuwen en in de richting van [getuige 5] en [benadeelde partij] stormde. Ik hoorde dat [verdachte] zei “Ik steek je dood\". Ik heb [benadeelde partij] uit de situatie gehaald en ik ben met [benadeelde partij] naar het ziekenhuis gegaan.\n\n [getuige 5]is door de politie alsgetuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:\n\nIk werk ook als begeleider bij Redos, op de locatie [adres 2] te Venlo. Op 29 oktober 2023 rond 9:30 uur kwam ik aan in studio [adres 2] . Ik hoorde toen ik boven aan kwam meteen al dat mijn collega [benadeelde partij] en cliënt [verdachte] flink in discussie waren. Ik hoorde glasgerinkel. Ik liep hierop terug naar de gezamenlijke ruimte en zag overal bloed op de vloer, de tafel de muur, de rechterhand van [verdachte] en het linkeroor van [benadeelde partij] . Op enig moment werd [verdachte] weer heel erg boos. Ik zag dat [verdachte] meteen een groot vleesmes van het aanrecht afpakte, dit in de richting van [benadeelde partij] richtte en ik hoorde dat [verdachte] daarbij zei:\" Ik steek je dood\".\n\nBewijsoverweging feit 1\n\nOp basis van de bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [benadeelde partij] heeft bedreigd. Uit de aangifte van [benadeelde partij] blijkt dat de verdachte met een mes op [benadeelde partij] richtte en dat [benadeelde partij] vreesde voor zijn leven. De verdachte heeft daaraan de dreigende woorden, namelijk: “Ik steek je neer. Moet ik je eraan rijgen” en “Ik steek je dood”, althans woorden van gelijke strekking toegevoegd. Dit blijkt ook uit de getuigenverklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] . Bij [benadeelde partij] kon de redelijke vrees ontstaan dat de verdachte hem iets wilde aandoen, dit temeer nu aan deze bedreiging de slag met het theeglas voorafging.\n\nBewijsoverweging feit 2\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte op 29 oktober 2023 in Venlo met een theeglas tegen het hoofd van [benadeelde partij] heeft geslagen, dat daarbij het glas kapotgegaan is en dat [benadeelde partij] hierdoor letsel heeft opgelopen aan zijn oor.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte ten aanzien van het onder feit 2 primair tenlastegelegde erop gericht was om aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte willens en wetens heeft getracht [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag is vervolgens of de verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte met een theeglas tegen het hoofd van de verdachte heeft geslagen en dat het theeglas vervolgens kapot is gesprongen. Hierbij is er glas in het oor van [benadeelde partij] terecht gekomen. Dit is zonder meer fors geweld. Aangever heeft verklaard dat het met kracht gebeurde. Het glas is ook kapot gegaan. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe genomen.\n\n3.4. \n\nDe bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht bewezen dat de verdachte\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25:\n\nfeit 1:\n\nop 21 april 2025 te Venlo [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het bovenlichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;\n\nfeit 2:\n\nop 21 april 2025 te Venlo een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en (bijbehorende) munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nfeit 1:\n\nop 29 oktober 2023 te Venlo [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik steek je neer\" en\u002Fof \"Ik steek je dood\" en\u002Fof \"moet ik je eraan rijgen\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en door daarbij een mes te tonen en door met dit mes dreigend richting die [benadeelde partij] te lopen;\n\nfeit 2 primair:\n\nop 29 oktober 2023 te Venlo, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie\n\nHet bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nfeit 1:doodslag;\n\nfeit 2:handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24:\n\nfeit 1:bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling;\n\nfeit 2 primair:poging tot zware mishandeling.5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde5.1. Het standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging stelt zich primair ten aanzien van de doodslag op het standpunt dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De verdachte werd continu door [getuige 3] bedreigd. [getuige 3] nam het initiatief om af te spreken. De verdachte wilde niet afspreken, maar hem werd eigenlijk geen keuze gelaten. De verdachte werd, aldus de verdediging, geconfronteerd met drie agressieve mannen die op hem af kwamen rennen. Twee mannen ( [getuige 3] en [slachtoffer] ) kwamen van de voorkant en een van opzij. De verdachte werd omsingeld en in het nauw gedreven. De verdachte zag dat [slachtoffer] hevig onder invloed was, dat [slachtoffer] een voorwerp vast had waarvan de verdachte dacht dat het een (vuur)wapen was en dat [slachtoffer] zijn hand omhoog bracht. Dit in combinatie met de eerder naar de verdachte gestuurde doodsbedreigingen en het feit dat er werd geroepen dat ze de verdachte zouden schieten, maakt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De verdachte heeft hierop gereageerd door eenmaal te schieten. Het schieten was gepast en geboden. Er was voor de verdachte geen reële en redelijke mogelijkheid om zich aan de dreigende aanranding te onttrekken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 primair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweer. De verdachte werd door [benadeelde partij] geslagen, waarop hij hem terugsloeg met de mok nog in zijn hand.5.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt. Er is geen sprake van verdediging. De verdachte heeft zelf de aanval gekozen. Hij is immers op [slachtoffer] afgelopen en heeft vrijwel direct een vuurwapen getrokken en daarmee in een vrijwel vloeiende beweging geschoten. Nu hij zelf de aanval kiest is er geen sprake van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding. Bovendien strandt een beroep op noodweer op de “eigen schuld”. De verdachte heeft immers de confrontatie gezocht of aanvaard waarbij hij een vuurwapen bij zich had. Daarnaast was het handelen van de verdachte niet proportioneel en subsidiair.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van een noodweersituatie. Het beroep op noodweer moet daarom worden verworpen.5.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende vast. Er was sprake van een langlopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] over onder meer een ondeugdelijke wapen dat [getuige 3] aan de verdachte zou hebben verkocht. Beiden waren bevriend met getuige [getuige 6] , waarbij zij ook in elkaars vaarwater zaten. Ze kwamen elkaar tegen in een milieu waarover de verdachte weinig duidelijkheid wil geven. Op grond van het berichtenverkeer is duidelijk dat ze elkaar bleven opzoeken en uitdagen. Op 21 april 2025 hebben de verdachte en [getuige 3] telefonisch en via whatsapp contact gehad wat erin heeft geresulteerd dat zij hebben afgesproken bij de woning van de verdachte op de [plaats delict] in Venlo. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat [getuige 3] uit was op een confrontatie (Van de zijde van [getuige 3] kwam het bericht: “Wie je wil bellen van Venlo of Blerick, bel wie je wil. Opkankeren met jou, ik ben nu hier”)en dat de verdachte deze confrontatie niet uit de weg ging(“De achterdeur is open voor jullie”). Toen de verdachte samen met [medeverdachte] op de scooter via de [straat 1] de [plaats delict] inreed zag hij [getuige 3] en [slachtoffer] op de hoek bij de Voedselbank staan. De verdachte is toen samen met [medeverdachte] doorgereden naar de hoek van de parkeerplaats ( [plaats delict] , tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek [apotheek] ). De verdachte is dan in het bezit van zijn vuurwapen, dat geladen is, en dat zelfs doorgeladen en direct schietklaar is. Nadat [medeverdachte] enkele korte rondjes in de nabijheid van de verdachte heeft gereden, gebaart de verdachte dat hij weg moet rijden en vraagt hij [medeverdachte] , zo verklaart deze, om verderop te wachten op de verdachte. [medeverdachte] vertrekt dan in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] . De verdachte blijft, met zijn helm nog op, in de hoek op de stoep achter een boom staan. Vervolgens komen [getuige 3] en [slachtoffer] vanuit de richting van de Voedselbank in de richting van de verdachte lopen, waarbij [slachtoffer] voorop loopt met – op enig moment – een voorwerp in zijn rechterhand. Achteraf blijkt dit een mes te zijn. Op dat moment komt de verdachte achter de boom vandaan, zet een paar stappen in de richting van [slachtoffer] en [getuige 3] , pakt zijn vuurwapen, richt zijn arm(en) naar voren, komt tot stilstand, spreidt zijn benen en schiet op [slachtoffer] . [slachtoffer] maakt op het moment dat de verdachte schiet een opwaartse beweging met zijn rechterarm, loopt drie passen achteruit en valt op de grond waarbij het mes uit zijn rechterhand valt. De verdachte rent daarna weg in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] , waar [medeverdachte] kort daarvoor uit het zicht van de camera is verdwenen. De door de Forensische Opsporing gemeten afstand tussen de positie van de verdachte op het moment van schieten en de positie van [slachtoffer] bedroeg tussen de 12,25 en 15 meter. Niet exact duidelijk is of daarbij is uitgegaan van de plek waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen of de plek waarop [slachtoffer] zich bevond ten tijde van het schieten. Zelfs als van het eerste wordt uitgegaan en rekening houdende met de drie achterwaartse passen, bevond [slachtoffer] zich ten tijde van het schieten op ruime afstand van de verdachte. Tijdens al het vorenstaande is, afgezien van de scooterrijder [medeverdachte] en een verderop voorbijrijdende fietser, tot op het moment waarop de verdachte schiet op [slachtoffer] niemand anders op de beelden te zien dan de verdachte, [slachtoffer] en [getuige 3] .\n\nDe verdachte stelt dat hij heeft geschoten, omdat hij zich moest verdedigen.\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht en de vaste jurisprudentie hierover dient allereerst aannemelijk te zijn dat er sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen: (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen vervolgens noodzakelijke verdediging geboden was.\n\n Gelet op het voorgaande is geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] richting de verdachte. Vervolgens is de vraag of op dat moment sprake is geweest van een daartoe onmiddellijk dreigend gevaar. De rechtbank is van oordeel dat daarvan evenmin sprake is geweest. Weliswaar liepen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af waarbij [slachtoffer] een mes in zijn rechterhand had, maar op het moment van schieten bevond [slachtoffer] zich nog op afstand van de verdachte. Daarbij komt dat uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer] tijdens het lopen zijn arm omlaag hield, geen stekende beweging richting de verdachte heeft gemaakt en pas op het moment dat de verdachte schoot een opwaartse beweging met zijn rechterarm heeft gemaakt. Dat er een derde persoon vanuit de richting van de apotheek op de verdachte is afgekomen waardoor er a. sprake zou zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar en er b. geen mogelijkheid zou bestaan om in die richting weg te rennen acht de rechtbank evenmin aannemelijk geworden. Dit vindt geen steun in de camerabeelden. De wel door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] genoemde derde persoon, die dus niet op de camerabeelden te zien is, loopt volgens die verklaringen in dezelfde richting als – en in het bijzijn van – [getuige 3] en [slachtoffer] . De rechtbank acht evenmin aannemelijk geworden dat [slachtoffer] heeft geroepen dat ze op de verdachte zouden schieten. Dit vindt geen steun in het dossier. Integendeel. Getuige [getuige 2] verklaart juist dat [getuige 3] en de derde persoon – en niet [slachtoffer] – iets naar de verdachte riepen. Dit rijmt bovendien niet met de eerdere verklaring van de verdachte dat tegen hem zou zijn gezegd: “Als je wat hebt, schiet dan.” Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.\n\nVoor zover er al sprake zou zijn geweest van een dreigend gevaar, zou het beroep op noodweer falen, omdat niet is voldaan aan de subsidiariteitseis. De verdachte had zich aan de aanranding kunnen en moeten onttrekken. De verdachte had de mogelijkheid om weg te gaan, nu de weg rechts van hem vrij was. Bovendien heeft de verdachte er klaarblijkelijk voor gekozen om niet te roepen dat hij zou schieten, niet te waarschuwen dat hij zou schieten, niet een waarschuwingsschot te lossen en ook niet te richten op een ander deel van het lichaam dan het bovenlichaam, wat stuk voor stuk toe te passen opties zouden kunnen zijn geweest om [slachtoffer] af te remmen of af te schrikken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk zijn geworden. De stelling dat de verdachte eerst door [benadeelde partij] werd geslagen, waarop hij hem terugsloeg met het theeglas nog in zijn hand, vindt geen steun in ander (objectief) bewijsmateriaal. Het dossier bevat geen getuigenverklaringen of camerabeelden die het gestelde noodweerscenario bevestigen. Nu niet is gebleken van een noodweersituatie waartegen verdediging geboden was, verwerpt de rechtbank reeds hierom het beroep op noodweer.\n\nin beide zaken\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte6.1. Het standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging stelt zich subsidiair ten aanzien van feit 1 op het standpunt dat de verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. Er is sprake geweest van een situatie waarin de verdachte in redelijkheid kon en mocht menen dat hij zich moest verdedigen, omdat hij zich verontschuldigbaar (het dreigende gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding heeft ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. De verdachte dacht dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich droeg en dat mocht hij ook denken gelet op de eerder gestuurde berichten, hetgeen er geroepen werd en de voorkennis over bij [getuige 3] dat deze over vuurwapens beschikt. Mocht de rechtbank van mening zijn dat de verdachte in zijn verdediging te ver is gegaan, dan stelt de verdediging zich meer subsidiair op het standpunt dat die overschrijding van de proportionaliteit te wijten is aan een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte. Daarmee komt aan de verdachte in elk geval een geslaagd beroep op (putatief) noodweerexces toe. De verdachte dient in alle gevallen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe verdediging stelt zich ten aanzien van feit 2 subsidiair op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij zich kan beroepen op noodweerexces.6.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) of noodweerexces toekomt, nu er geen sprake was van een noodweersituatie en van een hevige gemoedstoestand eveneens niets is gebleken.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweerexces toekomt, nu niet gebleken is dat er sprake was van een noodweersituatie.6.3. Het oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nNoodweerexces\n\nZoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. Bovendien is de rechtbank niets gebleken van een hevige gemoedsbeweging. Op basis van het dossier ontstaat namelijk juist een beeld van de verdachte die met zijn helm op zijn hoofd ogenschijnlijk rustig op [getuige 3] en [slachtoffer] staat te wachten, bij hun nadering zelf kalm op hen afloopt, daarbij zonder aarzeling in een vloeiende beweging het doorgeladen en schietklare vuurwapen pakt, met dat wapen met zijn beide handen aanlegt en richt, zijn benen in een spreidstand positioneert en ten slotte schiet op een moment dat er door [slachtoffer] nog niet met het mes was bewogen. Daarna verdwijnt de verdachte met medeneming van zijn wapen in de richting waarvan hem bekend is dat [medeverdachte] er met zijn scooter op hem staat te wachten en gaat hij met zijn helm op achterop bij [medeverdachte] zitten. Nergens is sprake van paniek. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.\n\nDe verdediging heeft ter aanvullende onderbouwing van het beroep op noodweerexces nog aangevoerd dat de scooterrijder [medeverdachte] heeft verklaard dat, toen de verdachte bij hem terugkwam, deze er geschrokken uitzag zoals hij hem nog niet eerder had gezien.\n\nNiets wijst er echter op dat deze door [medeverdachte] waargenomen gemoedstoestand ook voorafgaand aan en op het moment van schieten op [slachtoffer] bestond.\n\nPutatief noodweer(exces)\n\nVan putatief noodweer is sprake, wanneer een verdachte verschoonbaar dwaalt over het bestaan van een noodweersituatie. Aannemelijk dient te zijn dat er omstandigheden waren die de verdachte redelijkerwijze aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij dreigde te worden aangevallen. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat [slachtoffer] met een vuurwapen op hem afkwam. Dit rijmt evenwel niet met zijn eerdere verklaring en uitlatingen tegenover anderen dat [slachtoffer] hem met een mes wilde steken. De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar rechtsoverweging 5.3. Zelfs als de verdachte daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerde, hetgeen de rechtbank niet aannemelijk acht, dat [slachtoffer] een vuurwapen in zijn rechterhand had, mocht de verdachte redelijkerwijs niet menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. De verdachte had een ander middel kunnen aanwenden om [slachtoffer] te stoppen door bijvoorbeeld een waarschuwingsschot te lossen. Gelet op het voorgaande kan het beroep op putatief noodweer niet slagen.\n\nIn dit oordeel van de rechtbank ligt tevens besloten dat de verdachte geen beroep op putatief noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt daarom ook het beroep op putatief noodweerexces.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nZoals hiervoor onder 5.3 is overwogen heeft naar het oordeel van de rechtbank geen noodweersituatie bestaan. In dat oordeel ligt tevens besloten dat de verdachte geen succesvol beroep op noodweerexces toekomt. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweerexces.\n\nConclusie\n\nDe verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n7. De straf7.1. \n\nDe vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft, gelet op hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van het voorarrest. De officier van justitie weegt daarbij het strafblad, het meenemen van een vuurwapen en de locatie en het tijdstip van het schietincident in strafverzwarende zin mee.7.2. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft bepleit om bij een strafoplegging rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval en de mate van geweld die vanuit de kant van [getuige 3] kwam en te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van hooguit 5 jaren.7.3. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten. Het zwaartepunt van die feiten ligt uiteraard bij de doodslag op [slachtoffer] . De verdachte is op klaarlichte dag in een woonwijk nabij het centrum van Venlo bewust de confrontatie aangegaan en is met een doorgeladen vuurwapen naar de afgesproken locatie gegaan. Aanleiding voor deze confrontatie was een langlopend conflict tussen de verdachte en de schoonbroer van het slachtoffer, [getuige 3] . Toen [slachtoffer] en [getuige 3] op de verdachte af kwamen lopen heeft de verdachte doelgericht op [slachtoffer] geschoten, die als gevolg van een doorschot door de romp kansloos was en ter plaatse is overleden. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten uit het Wetboek van Strafrecht en heeft het slachtoffer diens meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. De verdachte is gevlucht en heeft zich schuilgehouden tot zijn arrestatie. Hij heeft bekend geschoten te hebben, maar dit uit zelfverdediging, hetgeen de vraag oproept in hoeverre hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Het behoeft geen betoog dat de verdachte met zijn handelen een onomkeerbaar verlies teweeg heeft gebracht en de nabestaanden van [slachtoffer] groot leed heeft aangedaan. Het leed van de nabestaanden blijkt ook uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Hierin weerklinkt het grote gemis en verdriet dat het handelen van de verdachte bij de naasten heeft teweeggebracht. De jonge dochters van het slachtoffer hebben indringend verwoord dat ze nooit meer voor advies of om gewoon te praten bij hun vader terecht zullen kunnen, waarmee de verdachte ook in hun leven iets kapot heeft gemaakt. Naast het leed en verdriet bij de nabestaanden heeft het handelen van de verdachte ook grote gevoelens van onveiligheid en onrust met zich gebracht voor de buurt en de samenleving als geheel. Met zijn handelswijze heeft de verdachte ook omstanders die hiervan ongewild getuige waren, schrik en angst aangejaagd.\n\nDe verdachte, toen 20 jaar, inmiddels 21 jaar, heeft [slachtoffer] , een vader van 50 jaar, doodgeschoten. De verdachte heeft zich daarmee tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.\n\nIn strafverzwarende zin neemt de rechtbank voorts in overweging dat de verdachte andere jongere mannen in zijn spoor heeft meegenomen en hen daarmee heeft beschadigd; anderen hebben met aanhouding en detentie te maken gehad, gelet op hetgeen de verdachte teweeg heeft gebracht. Bovendien heeft de verdachte, blijkens de nadien beluisterde telefoongesprekken, anderen bewogen om de scooter of telefoons weg te gooien, waarmee hij hen verder betrok in mogelijk strafbaar handelen.\n\nVanaf het moment dat de verdachte verklaarde over de gebeurtenissen in de [plaats delict] , heeft hij zich erop beroepen dat [getuige 7] hem van rechts naderde waardoor hij niet kon vluchten, en dat [getuige 3] en [slachtoffer] met een mes op hem af kwamen gerend. Echter, op de camerabeelden is te zien dat ze liepen, ze renden niet. Naderhand heeft de verdachte verklaard dat hij niet zeker wist of [getuige 7] hem de vlucht belette. Mogelijk ging het toch om een onbekend iemand. Met zijn – wisselende – verklaringen heeft de verdachte wellicht getracht omstandigheden aan te voeren die zijn gedrag enigszins acceptabel maken. Dat is het echter op geen enkele manier.\n\nDe rechtbank weegt mee dat het feit zich op klaarlichte dag heeft afgespeeld in een woonwijk nabij het centrum van Venlo en dat de verdachte zich kennelijk niets heeft aangetrokken van dit gevaar voor derden.\n\nNaast de feiten van 21 april 2025 heeft de verdachte een bedreiging en een poging tot zware mishandeling van een begeleider gepleegd. Ook bij dit feit stelt de verdachte slechts te handelen als reactie op de actie van de ander. Dit is een miskenning van zijn onvermogen de situatie zonder geweld op te lossen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.\n\nDe rechtbank houdt er rekening mee dat het schietincident heeft plaatsgevonden vanwege een hoogoplopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] waarbij [getuige 3] evenzeer ernstige bedreigingen richting de verdachte heeft geuit en ook [getuige 3] de confrontatie heeft gezocht. Dit conflict is [getuige 3] zwager fataal geworden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 2 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict. De rechtbank leidt ook daaruit af dat de verdachte geweld niet schuwt.\n\nDe rechtbank heeft tevens acht geslagen op de jeugdige leeftijd van de verdachte.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 19 juni 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte al vanaf jonge leeftijd problemen ervaart en veroorzaakt. Hij is daarvoor in behandeling geweest en begeleid. De reclassering adviseert om het volwassenstrafrecht toe te passen en om nu een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft stellig aangegeven niet open te staan voor reclasserings(interventies) en bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet gezien de houding van de verdachte en de beperkte openheid die hij heeft gegeven op de leefgebieden vooralsnog geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken. De rechtbank neemt dit advies over.\n\nHoewel de rechtbank de door de officier van justitie aangehaalde strafverzwarende omstandigheden aldus deelt, komt zij desondanks tot een lagere strafoplegging dan geëist. Dit is er in gelegen dat de rechtbank de omstandigheden anders weegt in het bepalen van de hoogte van de straf en daarbij nadrukkelijk gewicht toekent aan de rol van [getuige 3] .\n\nAlles afwegende is de rechtbank van oordeel dat geen andere straf passend is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die doorgaans in vergelijkbare zaken voor doodslag worden opgelegd, te weten een gevangenisstraf tussen de acht en twaalf jaren. Uitgaande van die bandbreedte, de LOVS-oriëntatiepunten en met inachtneming van het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf jaren met aftrek van het voorarrest geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nGelet op de door de raadsman ten aanzien van de doodslag gevoerde verweren tot rechtvaardiging dan wel tot strafuitsluiting heeft hij opheffing van het bevel voorlopige hechtenis verzocht. Gelet op de verwerping van al die verweren en gelet op de door de rechtbank hierna te nemen beslissing zal de rechtbank het bevel voorlopige hechtenis niet opheffen.8. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel8.1. \n\nDe vordering van de benadeelde partij\n\nDe volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\n [nabestaande 1] , de partner van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 43.566,26 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade, € 20.000,00 wegens schokschade, € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging en € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico);\n\n [dochter 1] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger mevrouw [nabestaande 1] , vordert een schadevergoeding van € 22.700,00 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade en € 2.700,00 wegens gederfd levensonderhoud;\n\n [dochter 2] , de meerderjarige dochter van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 17.500,00 wegens affectieschade;\n\n [zoon] , de meerderjarige zoon van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 20.000,00 wegens affectieschade en € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister.\n\nAlle benadeelde partijen vorderen bovendien de wettelijke rente over de gevorderde bedragen en verzoeken de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe heer [benadeelde partij] heeft het schadevergoedingsverzoek-formulier ingediend, maar heeft geen bedrag aan schade gevorderd.8.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de partner gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 en de overige door de partner gevorderde bedragen volledig kunnen worden toegewezen. Hij heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door [dochter 2] en [zoon] gevorderde affectieschade kan worden toegewezen tot € 15.000,00. De door [zoon] gevorderde kosten wegens opvragen van het uittreksel geboorteregister kunnen worden toegewezen. De vordering van [dochter 1] kan geheel worden toegewezen. De officier heeft ten aanzien van alle vorderingen gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nin de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de benadeelde partij geen bedrag aan schade heeft gevorderd.8.3. \n\nHet standpunt van de verdediging\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nDe verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vorderingen, gelet op de door de verdediging bepleite vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vorderingen dienen te worden gematigd wegens eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer, [getuige 3] en de partner van het slachtoffer. Verder voert de verdediging verweer tegen de door de partner gevorderde schok- en affectieschade. De verdediging betwist voor wat betreft de schokschade de onverhoedse confrontatie, het geestelijk letsel en het causaal verband hiertussen. De verdediging betwist voorts dat de partner de levensgezel van het slachtoffer was en zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. Bovendien kan vanwege de samenloop van schok- en affectieschade niet beide (onbeperkt)worden toegewezen. Tot slot betwist de verdediging de hoogte van de schok- en affectieschade. De verdediging voert ook verweer tegen de door [dochter 1] gevorderde kosten wegens gederfd levensonderhoud. Niet gebleken is dat het slachtoffer mede in haar levensonderhoud voorzag. De partner is op grond van artikel 1:392 BW verplicht om [dochter 1] in levenshoud te voorzien. Tot slot voert de verdediging verweer tegen de hoogte van de door [zoon] gevorderde affectieschade. De verdediging betwist dat de zoon thuiswonend is.8.4. \n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nin de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\nHet feit dat [slachtoffer] en [getuige 3] de confrontatie met de verdachte hebben opgezocht, is een omstandigheid die in beginsel zou kunnen leiden tot een causaliteitsverdeling. Het handelen van de verdachte staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in verhouding tot het handelen van [slachtoffer] en [getuige 3] . Van eigen schuld van de partner is in het geheel geen sprake. De verdachte is daarom volledig aansprakelijk voor de schade. De rechtbank zal hierna de schadevorderingen van de benadeelde partijen per post beoordelen. Affectieschade (partner en kinderen)Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW kunnen nabestaanden affectieschade vorderen in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval de verdachte, aansprakelijk is. De partner maakt aanspraak op vergoeding van affectieschade van € 20.000,00. Zij heeft gesteld dat zij de partner\u002Flevensgezel van [slachtoffer] is en dat zij tot zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden (artikel 6:108 lid 4 onder b BW). Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij weliswaar formeel op een ander adres stonden ingeschreven, maar dat zij in de praktijk samenwoonden en op alle mogelijke manieren een gezamenlijke huishouding voerden. De verdediging heeft betwist dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank zal de partner niet in de gelegenheid stellen om dit nader te onderbouwen, omdat dat dat een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Wel stelt de rechtbank vast dat de partner en [slachtoffer] al jarenlang een affectieve relatie hadden en samen een dochter - [nabestaande 2] - hebben. Daarmee staat de partner in zo’n nauwe persoonlijke betrekking tot [slachtoffer] dat haar een beroep toekomt op de zogenaamde hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g BW). Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig het Besluit vergoeding affectieschade een bedrag van € 17.500,00 aan de partner toewijzen en haar voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen. De kinderen van [slachtoffer] behoren tot de vaste kring van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade (artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder d BW). De rechtbank zal daarbij uitgaan van de bedragen zoals vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. [dochter 1] is minderjarig, zodat de rechtbank een bedrag van € 20.000,00 zal toewijzen. [dochter 2] is meerderjarig en uitwonend, zodat de rechtbank een bedrag van € 17.500,00 zal toewijzen. [zoon] is meerderjarig. De rechtbank zal een bedrag van € 17.500,00 toewijzen, omdat de zoon tegenover de gemotiveerde betwisting van de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat hij thuiswonend is. Weliswaar staat vast dat de zoon stond ingeschreven op het adres van [slachtoffer] , maar onduidelijk is in hoeverre hij nog op dit adres woonde. [zoon] krijgt geen gelegenheid om het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal [zoon] daarom voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.Schokschade (partner)De rechtbank stelt voorop dat iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden - ook onrechtmatig kan handelen jegens degene (het secundaire slachtoffer) bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn: - de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad; - de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met die onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan; - en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Het recht op vergoeding van schokschade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot schade die volgt uit geestelijk letsel. Het moet gaan om geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar is. Bij samenloop van affectie- en schokschade moet de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wegens schokschade rekening moet worden gehouden met de vergoeding wegens affectieschade.\n\nZoals hiervoor is overwogen is [slachtoffer] met één schot om het leven gekomen. De partner heeft gesteld dat de confrontatie tijdens de identificatie in het mortuarium een hevig emotionele schok bij haar teweeg heeft gebracht. De beelden die dit bij haar heeft opgeroepen zijn niet volledig te vergelijken met de feitelijke en directe waarneming van de gevolgen van misdrijven, maar zijn evenzeer emotioneel schokkend. Ook de berichten die de partner heeft ontvangen hebben tot gevolg gehad dat zij voortdurend is geconfronteerd met details. Dit geldt ook voor de periode daarna aangezien deze details in het strafrechtelijk onderzoek uitgebreid zijn behandeld en zij ook is geconfronteerd met de beelden. Uit de brief van de GZ-psycholoog van 2 april 2026 blijkt dat de partner hierdoor met traumaklachten (waaronder flashbacks) kampt, dat de diagnose PTSS is gesteld en dat zij hiervoor in behandeling is. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de partner in aanmerking komt voor vergoeding van schokschade. Een precieze afbakening tussen schokschade en affectieschade is doorgaans niet mogelijk. Dat geldt ook hier. Voor wat betreft de hoogte heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank acht in redelijkheid en billijkheid, naast de toe te wijzen affectieschade, een bedrag van € 10.000, gelet op alle omstandigheden in deze zaak, passend en zal het meer gevorderde afwijzen.\n\nKosten lijkbezorging (partner)De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 2.900,01 wegens kosten lijkbezorging toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.\n\nZiektekosten (partner)De rechtbank zal het door de partner gevorderde bedrag van € 666,25 wegens kosten behandeling (eigen risico) toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.\n\nKosten levensonderhoud (dochter [dochter 1] )[dochter 1] heeft een bedrag van € 2.700,00 gevorderd voor (toekomstig) gederfd levensonderhoud, omdat haar vader niet meer in haar levensonderhoud kan voorzien. [dochter 1] heeft voor wat betreft de hoogte van het bedrag aansluiting gezocht bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. [dochter 1] is daarbij uitgegaan van een periode van 54 maanden, te weten 21 april 2025 (datum overlijden) tot 22 oktober 2029 (datum waarop zij 18 jaar zal worden). [dochter 1] stelt zich primair op het standpunt dat een bedrag van € 50,00 per maand redelijk en billijk is. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van een bedrag van € 25,00 per maand. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2025, ECLI:GHARL:2025:4282. De verdediging betwist deze post en stelt zich – onder verwijzing naar artikel 1:392 BW - op het standpunt dat het slachtoffer niet verplicht is levensonderhoud aan de dochter te verstrekken, omdat dit van de partner kan worden verkregen.\n\nOp grond van 6:108 lid 1 BW is de verdachte verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud aan de minderjarige dochter van [slachtoffer] en wel tot ten minste het bedrag van het haar krachtens de wet verschuldigde levensonderhoud. Op grond van artikel 1:392 BW zijn ouders verplicht om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien. De rechtbank heeft geen aanwijzingen om te veronderstellen dat [slachtoffer] tot zijn overlijden op geen enkele wijze heeft bijdragen aan de kosten van het levensonderhoud van [dochter 1] . Evenals [dochter 1] zoekt de rechtbank aansluiting bij de situatie waarin haar ouders zouden zijn gescheiden en [slachtoffer] kinderalimentatie had moeten betalen. Op grond van het rapport alimentatienormen 2026 bedraagt de minimumdraagkracht € 25,00 per maand, zodat de rechtbank - bij gebrek aan inkomensgegevens - daarvan zal uitgaan. Uitgaande van 54 maanden komt dit neer op € 1.350,00. Het meerdere is onvoldoende onderbouwd. [dochter 1] krijgt geen gelegenheid het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal daarom [dochter 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nKosten uittreksel geboorteregister (zoon [zoon] )De rechtbank zal het door [zoon] gevorderde bedrag van € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister toewijzen, omdat deze kosten niet zijn betwist en voldoende zijn onderbouwd.ConclusieDe rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt toewijzen: - de partner: € 31.066,26; - de dochter [dochter 1] : € 21.350,00; - de dochter [dochter 2] : € 17.500,00; - de zoon [zoon] : € 17.517,80.\n\nDe wettelijke rente over voormelde bedragen wordt eveneens toegewezen en wel met ingang van 21 april 2025 tot de dag van algehele voldoening.\n\nDaarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.\n\nDe rechtbank zal, om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en gijzeling opleggen. Gelet op de maximale duur van de gijzeling, zal het maximale totaal aantal dagen worden verdeeld over de vier vorderingen.\n\nOmdat [dochter 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank, zoals gevorderd, dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nIn de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nDe vordering van de heer [benadeelde partij] voldoet niet aan de vereisten van artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering, nu er geen schadebedragen zijn ingevuld. De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.\n\nDaarnaast wordt de benadeelde partij veroordeeld in de kosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\n9. De wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 57, 60a, 285, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55, leden 1 en 3 van de Wet wapens en munitie.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4is omschreven;\n\nspreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;\n\nStrafbaarheid\n\nverklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4is omschreven;\n\nverklaart de verdachte strafbaar;\n\nStraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van11 (elf) jaren;\n\nbeveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrestis doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstrafin minderingzal worden gebracht;\n\nBenadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen\n\nIn de zaak met parketnummer 03.122499.25\n\n [nabestaande 1]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van een bedrag van € 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en € 27.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 2]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 1] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 1] van een bedrag van € 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 4]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [dochter 2] toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 17.500,00, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 2] van een bedrag van €17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;\n\n [nabestaande 3]\n\nwijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij [zoon] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van€ 17.517,80, bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [zoon] van een bedrag van €17.517,80 bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzelingkan worden toegepast voor de duur van 90 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;\n\nbepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;In de zaak met parketnummer 03.222572.24\n\nbepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en de vordering slechts bij de burgerlijke rechtere rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. B. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. Adams, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 7 juli 2026.\n\nBuiten staat\n\nMr. B. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBIJLAGE: De tenlastelegging (na wijziging)\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat\n\nIn de zaak met parketnummer 03-122499-25:\n\nfeit 1:\n\nhij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer (onbekend gebleven) ander(en), althans alleen,\n\n [slachtoffer]\n\nopzettelijk, al dan niet\n\nmet voorbedachten rade\n\nvan het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel in het (boven)lichaam van voornoemde [slachtoffer] te schieten ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;\n\nfeit 2:\n\nhij, op of omstreeks 21 april 2025 te Venlo, in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,\n\neen wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te\n\nweten een pistool, in elk geval zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en\u002Fof pistool en\n\neen of meer (bijbehorende) munitie van categorie III,\n\nvoorhanden heeft gehad;\n\nIn de zaak met parketnummer 03-222572-24:\n\nfeit 1:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\n [benadeelde partij] heeft bedreigd\n\nmet enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling,\n\ndoor die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen \"Ik steek je neer\" en\u002Fof \"Ik steek je dood\" en\u002Fof \"moet ik je eraan rijgen\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en\u002Fof door daarbij een mes te tonen en\u002Fof door met dit mes (dreigend) richting die [benadeelde partij] te lopen;\n\nfeit 2 primair:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan [benadeelde partij]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\neen mok of theeglas tegen het hoofd van die [benadeelde partij] kapot heeft geslagen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2 subsidiair:\n\nhij op of omstreeks 29 oktober 2023 te Venlo\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om\n\naan [benadeelde partij]\n\nheeft mishandeld\n\ndoor die [benadeelde partij] , al dan niet met een voorwerp, tegen het hoofd te slaan.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB1R025042, onderzoek Quokka, gesloten d.d. 22 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1652.\n\n De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, pagina. 270 en 277 tot en met 279.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo, pagina 1031, 1033 en 1034.\n\n Het rapport forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 9 mei 2025, pagina 1144, 1147 en 1148.\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 16 mei 2025, pagina 1516.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 21 april 2025, pagina 120 en 121.\n\n De verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlo d.d. 1 juli 2025, pagina 1031 tot en met 1033.\n\n Het proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoek d.d. 29 april 2025, pagina 1117 en 1118.\n\n Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023173127, gesloten d.d. 24 juni 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 31.\n\n Het proces-verbaal aangifte van [benadeelde partij] d.d. 29 oktober 2023, pagina 2 tot en met 4.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 4] d.d. 2 november 2023, pagina 18 en 19.\n\n Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] d.d. 2 november 2023, pagina 21 en 22.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6579","ecli-nl-rblim-2026-6579",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,30,41,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":25,"language":12,"source":13,"sourceUrl":26,"summary":6,"slug":27,"metadata":28},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":8,"legalDomain":29,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":31,"ecli":32,"caseNumber":33,"courtId":34,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":35,"language":36,"source":37,"sourceUrl":6,"summary":38,"slug":39,"metadata":40},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":6,"courtId":44,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":49,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]