[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbmne-2026-3767":3,"decision-more-ecli-nl-rbmne-2026-3767":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"673","ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","",63,"Utrecht","utrecht","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12134743 \\ UE VERZ 26-102\n\nBeschikking van 19 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\ngemachtigde: mr. B. Bostancieri-Dinc,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigde: mr. T.G. Martens.\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met productie 1 tot en met 10,\n\n- het aanvullend verzoekschrift met productie 11 tot en met 13,\n\n- het verweerschrift met productie 1 tot en met 6 met zelfstandige tegenvordering,\n\n- de brief van [verweerder] van 20 mei 2026 met productie 7 en 8,\n\n- de mondelinge behandeling van 22 mei 2026, waar [eiser] is verschenen met haar gemachtigde en waar [verweerder] zich heeft laten vertegenwoordigen door mevrouw [A] (bestuurder) en mevrouw [B] (administratief medewerkster en begeleider) en haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.\n\n1.2. De producties die mr. Bostancieri heeft meegenomen naar de zitting zijn te laat aangeboden en zijn buiten beschouwing gelaten.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De kern van de zaak\n\nHet gaat in deze zaak over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd door de opzegging van [eiser] , of dat [verweerder] daarna heeft opgezegd tegen een eerdere datum en de arbeidsovereenkomst daardoor tegen die eerdere datum is geëindigd. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of er een loondoorbetalingsplicht voor [verweerder] bestaat en zo ja tot wanneer precies. Ook is aan de orde hoeveel onregelmatigheidstoeslag (ORT) nog aan [eiser] moet worden betaald. Op verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld of [eiser] aan [verweerder] de kosten moet vergoeden van het vervangen van alle sleutels van de opvanglocaties van [verweerder] , omdat die niet of niet op de juiste manier zijn ingeleverd en of [eiser] de kosten voor haar eigen vervanging aan [verweerder] moet vergoeden, omdat zij niet is komen werken op het moment dat dat volgens [verweerder] wel moest. Allebei de partijen verzoeken subsidiair om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat beide partijen een vorderingen hadden op de ander en veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen. Ook wijst de kantonrechter het verzoek tot het verstrekken van een correcte eindafrekening aan [eiser] .\n\n3. De achtergrond van de zaak\n\n3.1. \n [eiser] , geboren [geboortedatum] 2003, is sinds 10 maart 2025 in dienst bij [verweerder] . De functie van [eiser] is Begeleider. Zij werkt tegen een loon van € 2.956,77 bruto per maand, te vermeerderen met IKB toeslag van 16,4 % (inclusief vakantiegeld). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Sociaal Werk van toepassing.\n\n3.2. \n [verweerder] biedt jongeren van 8 tot 18 jaar een veilige stabiele woonomgeving waarin persoonlijke groei en herstel centraal staan. De organisatie begeleidt kwetsbare jongeren die door complexe thuissituaties, psychische problemen of vastgelopen hulpverlening extra ondersteuning nodig hebben. [verweerder] werkt onder de paraplu van AZ-Multizorg B.V., waardoor in de praktijk ook [verweerder] aan andere doelgroepen, zoals ouderen, wordt verstrekt. [eiser] werkte zowel op de jeugdlocaties als in de thuiszorg voor ouderen.\n\n3.3. Per e-mailbericht van 12 december 2025 heeft [eiser] haar arbeidsovereenkomst opgezegd. In het bericht staat dat [eiser] zich bewust is van de opzegtermijn van 2 maanden en dat zij daarom opzegt per 12 februari 2026 en voorafgaand aan die einddatum haar eventueel resterende vakantiedagen zal opnemen.\n\n3.4. In antwoord op het bericht van [eiser] heeft [C] , administratief medewerker bij [verweerder] , aan [eiser] laten weten:\n\n“Naar aanleiding van je opzegging zijn wij tot de conclusie gekomen dat we afwijken van de geldende opzegtermijn van twee maanden. Dit betekent dat je arbeidsovereenkomst eindigt op 5 januari 2026.”\n\n [C] licht toe dat [verweerder] daarvoor gekozen heeft in verband met de onrust die het wisselen van begeleiders met zich meebrengt voor de cliënten. Verder berekent [C] dat [eiser] nog een negatief vakantiedagensaldo heeft van 18,94 uur, en geeft zij aan dat [eiser] de sleutels van de woongroep en de tag voor het inklokken uiterlijk 5 januari 2026 dient in te leveren.\n\n3.5. Naar aanleiding van een aan haar gestelde vraag heeft [eiser] op 4 januari 2026 in een bericht aan de dochter van een cliënt laten weten dat zij niet meer voor [verweerder] werkte.\n\n3.6. Op 6 januari 2026 heeft [eiser] van collega [D] het volgende Whatsapp bericht gehad: “Hi alles goed? Kan jij alle mensen een bericht sturen zoals advocaat, bewindvoerder, Wooning en artsen van [E] en doorgeven dat jij weggaat en de info mal van AZ multizorg doorgeeft? Anders blijven dingen liggen en niet opgepakt, Dankjewel.”\n\n3.7. Op 12 januari 2026 heeft [eiser] op dit e-mail bericht van [verweerder] gereageerd, heeft zij [verweerder] gewezen op de opzegtermijn van twee maanden en heeft zij gevraagd hoe het zit met de loonbetaling over de opzegtermijn. Daarnaast heeft [eiser] gewezen op het feit dat zij geen ORT heeft ontvangen en dat de vakantiedagen verkeerd zijn berekend.\n\n3.8. Op 13 januari 2026 heeft [verweerder] per e-mail laten weten dat zij niet eenzijdig heeft opgezegd, maar dat [eiser] dat zelf had gedaan. Daarbij geeft [verweerder] aan dat als [eiser] van mening was geweest dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd, van haar verwacht had mogen worden dat zij op 5 januari 2026 gewoon was komen werken. Met betrekking tot de ORT geeft [verweerder] aan dat [eiser] eerst zelf een overzicht moet aanleveren van de dagen en uren waarop zij recht meent te hebben op ORT. [verweerder] geeft verder aan dat de eindafrekening zal volgen nadat alle bedrijfseigendommen volledig zijn ingeleverd.\n\n3.9. Op 9 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] zich gemeld bij [verweerder] en namens haar aanspraak gemaakt op het loon tot 12 februari 2026 en de wettelijke verhoging daarover.\n\n3.10. In een e-mail van 10 februari 2026 laat [verweerder] weten ervan uit te gaan dat de overeenkomst is geëindigd op 5 januari 2026 en dat uit het bericht van [eiser] aan een cliënt van 4 januari 2026 blijkt dat [eiser] zelf aan derden heeft meegedeeld dat zij niet meer in dienst is. In de brief is eveneens aangegeven dat [verweerder] de loper van de opvanglocaties heeft vervangen, nadat [eiser] haar sleutels (ondanks eerder verzoeken) niet heeft ingeleverd en dat de kosten daarvan € 3.000,00 bedragen. Ook geeft [verweerder] aan dat zij geen gegevens van [eiser] heeft ontvangen over ORT-uren.\n\n3.11. Bij e-mail van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] gereageerd en heeft zij onder meer gesteld dat de sleutels zijn ingeleverd door een nicht van [eiser] en wijst zij namens [eiser] aansprakelijkheid voor de € 3.000,00 schade van de hand. Zij levert ook een overzicht van de ORT-uren aan. De overige verzoeken van [eiser] worden gehandhaafd.\n\n4. Het verzoeken over en weer\n\n4.1. \n [eiser] verzoekt de kantonrechter na wijziging van eis tijdens de mondelinge behandeling:\n\n- Primairhet ontslag van 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon en IKB-toeslag vanaf januari 2026 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, dat wil zeggen ofwel (primair) 1 maart 2026,danwel (subsidiair) 12 februari 2026, en\n\nsubsidiair, voor het geval de kantonrechter de opzegging niet vernietigt, te bepalen dat [verweerder] een gefixeerde schadevergoeding van € 5.912,88 bruto aan [eiser] verschuldigd is,\n\n [verweerder] te veroordelen tot het verstrekken van een correcte eindafrekening met uitbetaling van de opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen tot en met 12 februari 2026,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de ORT van € 4.513,84 bruto over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling gemiddelde ORT over de maanden januari en februari ter hoogte van € 712,95 bruto,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT,\n\n [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het salaris, de ORT en de gefixeerde schadevergoeding, en\n\n [verweerder] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2. \n\n [verweerder] wil dat de verzoeken worden afgewezen, met uitzondering van het door [verweerder] erkende bedrag aan ORT van € 4.362,52 bruto.\n\nDaarnaast wil [verweerder] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [verweerder] , bestaande uit\n\n€ 7.920,00 voor kosten die [verweerder] heeft gemaakt omdat zij op korte termijn externe [verweerder] heeft moeten inkopen toen [eiser] na 5 januari 2026 niet meer kwam werken, en\n\n€ 4.059,07 omdat [eiser] haar sleutels niet (bij haar manager) heeft ingeleverd, waardoor de cilinders en sleutels van alle locaties moesten worden vervangen.\n\n [verweerder] vraagt ook de wettelijke rente over de schadebedragen indien deze niet tijdig worden voldaan. Voor de situatie waarin de kantonrechter ervan uitgaat [verweerder] heeft opgezegd, deze opzegging wordt vernietigd en daarmee wordt teruggevallen op de opzegging door [eiser] , vordert [verweerder] nog een gefixeerde schadevergoeding.\n\n5. De beoordeling\n\nDe verzoeken van [eiser]\n\n5.1. verzoekt de kantonrechter de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerder] op 23 december 2025 te vernietigen en [verweerder] te veroordelen het loon door te betalen totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.\n\nWanneer kan de kantonrechter een opzegging vernietigen?\n\n5.2. De kantonrechter kan de beëindiging van een arbeidsovereenkomst (zoals een ontslag op staande voet of opzegging) vernietigen als het ontslag onrechtmatig is gegeven. Daarvan is onder meer sprake indien het ontslag zonder instemming van de werknemer en\u002Fof zonder toestemming van het UWV is gegeven. De werknemer moet hiervoor wél binnen twee maanden na de ontslagdatum een verzoek indienen bij de rechter.\n\n5.3. Vast staat dat [eiser] haar verzoek tijdig heeft ingediend.\n\nDe mededeling van 23 december 2026 van [verweerder] is een eenzijdige opzegging van de arbeidsovereenkomst\n\n5.4. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst eenzijdige heeft opgezegd. Het is juist dat [eiser] deze aanvankelijk heeft opgezegd op 12 december 2025 tegen 12 februari 2026, maar [verweerder] heeft [eiser] laten weten dat zij de arbeids-overeenkomst eerder zou eindigen, namelijk op 5 januari 2026. Naar eigen zeggen deed [verweerder] dat om te voorkomen dat te veel wisselingen in begeleiding van de cliënten zou komen. [verweerder] stelt weliswaar dat deze brief moet worden gezien als een ‘praktisch voorstel’, maar uit de brief blijkt dat helemaal niet. Het einde van het dienstverband per 5 januari 2026 is geformuleerd als een mededeling en uit de brief blijkt niet dat van [eiser] nog een antwoord wordt verwacht of dat er überhaupt ruimte is voor overleg. Er wordt ook medegedeeld dat [eiser] haar sleutels en tag uiterlijk 5 januari 2026 moet inleveren. Ook dat wijst erop dat [eiser] niet meer wordt verwacht op de werkvloer. [eiser] mocht het bericht dan ook opvatten als een opzegging.\n\n5.5. \n [verweerder] stelt dat niet te zwaar aan de bewoordingen van de brief moet worden getild omdat de brief is opgesteld door een medewerker van [verweerder] die geen jurist is. Ook dat argument gaat niet op. Van een werkgever mag verwacht worden dat zij op de hoogte is van de geldende regelgeving en daar op de juiste wijze uitvoering aan geeft. [verweerder] heeft die taak aan deze medewerker toebedeeld en is gebonden aan en verantwoordelijk voor de wijze waarop deze die taak uitvoert.\n\n5.6. Ook het verweer van [verweerder] dat [eiser] uit het feit dat zij was ingeroosterd had moeten begrijpen dat eigenlijk sprake was van een voorstel en dat de arbeidsovereenkomst feitelijk niet was geëindigd, gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. [eiser] mocht vertrouwen op de mededeling dat de arbeidsovereenkomst was geëindigd en hoefde niet op eigen initiatief te onderzoeken of de inroostering, voor zover zij die al zou hebben gezien, betekende dat de arbeidsovereenkomst toch niet geëindigd was.\n\n5.7. Het is ook niet zo dat uit het feit dat [eiser] niet kwam werken op 5 januari 2026 mag worden afgeleid dat zij heeft ingestemd met de beëindiging per die datum. Zij hoefde niet te komen werken, want de arbeidsovereenkomst was op dat moment al beëindigd.\n\nDe kantonrechter vernietigt de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025\n\n5.8. De opzegging heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst op 5 januari 2026 is geëindigd door de opzegging van [verweerder] van 23 december 2025, zonder dat [eiser] daarmee heeft ingestemd of dat daarvoor toestemming was van het UWV. Dat is onrechtmatig en daarom zal de kantonrechter die opzegging vernietigen.\n\n5.9. \n\nOmdat de opzegging vernietigd is, hoeft het subsidiaire standpunt van [eiser] , dat [verweerder] de gefixeerde schadevergoeding moet betalen, geen verdere bespreking.\n\n [verweerder] moet het loon doorbetalen tot en met 12 februari 2026, en ook de wettelijke rente en wettelijke verhoging; [eiser] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen\n\n5.10. De vernietiging van de opzegging heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst na 5 januari 2026 feitelijk is blijven bestaan en dat [verweerder] het loon moet doorbetalen tot het moment dat de arbeidsovereenkomst wel rechtsgeldig is geëindigd. Partijen zijn het er niet over eens op welk moment dat is. [eiser] heeft op 12 december 2025 opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden, tegen 12 februari 2026. Dat heeft [eiser] niet goed gedaan, want in de arbeidsovereenkomst staat dat de opzegging moet gebeuren tegen het einde van een kalendermaand. Zij had dus tegen het einde van de maand op moeten zeggen en dan had de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 geduurd. Gelet op de standpunten die partijen sindsdien over en weer hebben ingenomen verbindt de kantonrechter daar geen conclusies aan.\n\n5.11. De kantonrechter is van oordeel dat de intentie van [eiser] duidelijk blijkt uit haar opzegging. Zij wilde de opzegtermijn in acht nemen en haar arbeidsovereenkomst tot dat moment uitdienen. Hoewel haar berekening eigenlijk niet juist is, is niet gebleken dat [verweerder] niet akkoord was met die eerdere opzegging. Integendeel, [verweerder] heeft daar niet eerder dan in deze procedure een punt van gemaakt en heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst beëindigd op een nóg eerdere datum. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verweerder] in ieder geval akkoord was met een datum gelegen voor 1 maart 2026. Omdat daarover overeenstemming was met partijen kan [eiser] daar niet tijdens de mondelinge behandeling op terugkomen. Datzelfde geldt voor [verweerder] . De arbeidsovereenkomst is daarom geëindigd op 12 februari 2026, zonder dat [eiser] gefixeerde schadevergoeding aan [verweerder] hoeft te betalen. [verweerder] hoeft ook alleen tot die datum het loon door te betalen. [verweerder] is onbetwist ook IKB-toeslag verschuldigd.\n\n5.12. Het verweer van [verweerder] dat zij over die periode geen loon verschuldigd is omdat ook geen sprake is geweest van arbeid gaat daarbij niet op. Artikel 7:628 BW bepaalt dat de werknemer recht blijft houden op loon als de oorzaak van het feit dat hij geen arbeid heeft verricht in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Daarvan is hier ook sprake: het is [verweerder] zelf die deze situatie in het leven heeft geroepen, dat gaat niet ten koste van de loondoorbetalingsplicht.\n\n5.13. \n [eiser] heeft verzocht om toewijzing van de wettelijke rente over het loon dat nog uitbetaald moet worden, vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de verschillende salarisbetalingen. Dit zal worden toegewezen. [eiser] heeft daarnaast verzocht op toewijzing van de wettelijke verhoging. De kantonrechter zal ook die toewijzen. Voor matiging ziet de kantonrechter geen aanleiding. De reden waarom het loon te laat is betaald is, gelet op de onrechtmatige opzegging, volledig te wijten aan [verweerder] .\n\n [verweerder] moet ORT betalen aan [eiser] , vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging\n\n5.14. \n [eiser] wil dat [verweerder] de ORT betaalt die zij nog niet heeft ontvangen. Het gaat dan over ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025 én om de gemiddelde ORT over de voorliggende maanden over de periode tussen 5 januari 2026 en 12 februari 2026.\n\n De ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2025\n\n5.15. Hoewel [eiser] recht had op ORT, heeft [verweerder] in het geheel nog geen ORT uitgekeerd tijdens het dienstverband van [eiser] . [verweerder] stelt dat zij daartoe nog niet over hoefde te gaan omdat [eiser] daartoe niet de vereiste administratie had ingeleverd en dat [eiser] dat pas in de loop van deze procedure heeft gedaan. Dat argument gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op. Een werkgever heeft de wettelijke plicht om een sluitende administratie bij te houden van de gewerkte dagen en uren van haar werknemers. Die verplichting mag niet volledig worden verschoven naar de werknemer. Bovendien had [eiser] een vast rooster en heeft zij gesteld dat zij daarvan nooit is afgeweken. Dat heeft [verweerder] niet betwist. [verweerder] was daarom op de hoogte van de gewerkte uren en de verschuldigde ORT.\n\n5.16. \n [verweerder] heeft de ORT-berekening van [eiser] over de periode van indiensttreding tot en met december 2025 niet betwist, op twee ziektedagen na. [eiser] heeft die fout in de berekening tijdens de mondelinge behandeling erkend. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de vordering van [eiser] voor uitbetaling van ORT over de periode vanaf de indiensttreding tot en met december 2026 komt vast te staan tot het bedrag dat door [verweerder] is erkend van € 4.362,52 bruto.[eiser] heeft niet onderbouwd gesteld dat zij aanspraak kan maken op een hoger bedrag.\n\n De ORT over de periode vanaf 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026\n\n5.17. De kantonrechter zal ook ORT toewijzen voor de periode van 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026. Vast staat dat namelijk dat [eiser] structureel recht had op ORT. Dat betekent dat op het moment dat [eiser] recht heeft op loon over de periode 5 januari 2026 tot en met 12 februari 2026, zoals hiervoor is vastgesteld, zij op grond van de CAO ook recht heeft op ORT over die periode. Die wordt volgens de CAO berekend over het gemiddelde ORT van de drie voorafgaande maanden. [eiser] heeft dat bedrag berekend op een totaal van € 712,95 en dat zal worden toegewezen. [verweerder] heeft de omvang van deze vordering namelijk niet gemotiveerd betwist.\n\n [verweerder] moet de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT betalen\n\n5.18. \n [eiser] verzoekt ook de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over de ORT. Wettelijke rente en wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW zijn verschuldigd vanaf de opeisbaarheid van de verschuldigde bedragen. Daarom moet voor de toewijzing daarvan duidelijk zijn wanneer dat is.\n\n5.19. \n [verweerder] stelt dat die bedragen nog niet opeisbaar waren, omdat zij pas na 8 mei 2026 op de hoogte was van de ORT-uren van [eiser] en dat zij daarom niet ‘te laat’ heeft betaald.\n\n5.20. De kantonrechter is van oordeel dat dat verweer niet op gaat. Zoals hiervoor al overwogen is de werkgever gehouden om een overzicht bij te houden van de gewerkte uren en daarvan een sluitende administratie te voeren en [verweerder] heeft zich daar onvoldoende aan gehouden, door die verantwoordelijkheid volledig bij de werknemer neer te leggen. [verweerder] wordt geacht op de hoogte te zijn van de door [eiser] gewerkte dagen en uren en dus ook van de verschuldigdheid van ORT daarover.\n\n5.21. Voor de opeisbaarheid zoekt de kantonrechter aansluiting bij artikel 6.7 van de CAO, waarin staat:\n\n“Het salaris wordt uiterlijk twee dagen voor het einde van de kalendermaand uitbetaald. Eventuele toeslagen opgebouwd in die betreffende kalendermaand worden uiterlijk in de daaropvolgende maand uitbetaald. Alle betalingen vinden plaats door storting op een bankrekening op naam van de werknemer.”\n\nDat betekent dat de ORT steeds vanaf dat moment opeisbaar is. De wettelijke rente en de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW moeten daarom vanaf die respectievelijke momenten worden berekend.\n\n5.22. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW te matigen, omdat [verweerder] al vanaf de indiensttreding van [eiser] geen enkel bedrag aan ORT heeft betaald, terwijl dit een aanzienlijk deel van het salaris van [eiser] uitmaakte.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken\n\n5.23. \n [eiser] heeft de kantonrechter verzocht om [verweerder] te veroordelen een correcte en deugdelijke eindafrekening te verstrekken, waarin de door haar opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen zijn opgenomen. Een correcte eindafrekening moet inderdaad nog worden opgesteld. Ten aanzien van de vakantiedagen overweegt de kantonrechter het volgende. [verweerder] heeft aangegeven dat [eiser] begin januari 2026 een negatief vakantie-urensaldo (-18,94 uur) had en dat ervan uit kan worden gegaan dat de opgebouwde vakantie-uren nihil zijn voor zover de arbeidsovereenkomst geacht moet worden te hebben doorgelopen tot 12 februari 2026. [eiser] heeft dat niet (gemotiveerd) betwist. De kantonrechter stelt daarom vast dat er geen vakantie-uren meer hoeven te worden uitbetaald. [verweerder] heeft aangeboden om binnen 14 dagen na de mondelinge behandeling een correcte eindafrekening te sturen, maar de kantonrechter kan niet controleren of dat ook daadwerkelijk gebeurd is. Daarom wordt het verzoek – voor zover nodig – toch toegewezen.\n\nDe tegenverzoeken van [verweerder]\n\nDe kosten voor de extern ingekochte [verweerder] worden afgewezen\n\n5.24. \n [verweerder] heeft een tweetal tegenverzoeken gedaan. Het verzoek tot betaling van de factuur die gaat over de vervangende [verweerder] die [verweerder] extern heeft moeten inkopen vanaf 5 januari 2026 zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet onrechtmatig gehandeld door niet te verschijnen op het werk, aangezien [verweerder] de arbeidsovereenkomst had opgezegd. Daarmee komt de grondslag aan die vordering te ontvallen en zal dat deel van de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen.\n\n [eiser] moet de kosten vergoeden voor het vervangen van de sleutels\n\n5.25. De kantonrechter zal de kosten voor het vervangen van de sleutels toewijzen. [eiser] had de beschikking over sleutels die toegang gaven tot alle opvanglocaties van [verweerder] waar [eiser] werkzaam was. [eiser] had deze bij het einde van de arbeidsovereenkomst in moeten leveren. Zij heeft dat, ondanks meerdere verzoeken, niet aantoonbaar gedaan. [verweerder] zag zich daarom genoodzaakt de sloten te vervangen en heeft daarvoor kosten moeten maken. De kosten voor het vervangen bedragen volgens [verweerder] € 4.059,07. [verweerder] heeft daarvan facturen overgelegd.\n\n5.26. \n [verweerder] verzorgt de opvang van zeer kwetsbare jongeren. Van sommigen van hen is het absoluut onwenselijk dat zij de opvanglocatie kunnen verlaten indien zij per ongeluk de sleutel in handen zouden krijgen en voor sommigen van hen is het belangrijk voor hun veiligheid dat mensen van buiten geen toegang hebben tot de locatie waar zij verblijven. [verweerder] moet daarom weten waar de sleutels zijn. Op het moment dat er sleutels ‘weg’ zijn, of onduidelijk is waar een sleutel is gebleven, is het vervangen van de sloten de enige manier om de veiligheid te waarborgen. [verweerder] heeft daarom een Protocol Gebruik en Inleveren sleutels opgesteld, dat onderdeel uitmaakt van haar huisregels en daarmee ook van de individuele arbeidsovereenkomsten. In het protocol staat dat de uitgifte van sleutels wordt geregistreerd door de leidinggevende of aangewezen verantwoordelijke, dat deze bij uitdiensttreding direct moeten worden ingeleverd en dat de inlevering wordt geregistreerd door de verantwoordelijke medewerker of leidinggevende. In het protocol staat eveneens dat bij nalatigheid passende maatregelen kunnen worden genomen en\u002Fof de kosten op de werknemer kunnen worden verhaald.\n\n5.27. De kantonrechter begrijpt de noodzaak voor [verweerder] om de cliënten die aan haar [verweerder] zijn toevertrouwd te beschermen. De toegang tot het gebouw en de mogelijkheid om het gebouw al dan niet te verlaten is een belangrijk instrument daarvoor. [verweerder] heeft er daarom naar het oordeel van de kantonrechter een groot belang bij dat zij zicht houdt op de sleutels en dat het risico’s met zich brengt als niet duidelijkheid is waar de sleutels zich bevinden. Er is dan immers een mogelijkheid dat de betreffende sleutel in verkeerde handen kunnen komen. [eiser] heeft het belang van [verweerder] bij het zicht op de sleutels ook niet betwist.\n\n5.28. \n [verweerder] heeft deze noodzaak ook duidelijk naar haar medewerkers gecommuniceerd, en nadere regels vastgesteld in het protocol. De medewerkers, waaronder [eiser] , zijn hiervan op de hoogte. [eiser] heeft niet betwist dat zij op grond van de arbeidsovereenkomst heeft ingestemd met de huisregels van [verweerder] , onder meer bestaande uit het Protocol Gebruik en Inleveren van Sleutels.\n\n5.29. \n [verweerder] heeft [eiser] een paar keer gevraagd de sleutels in te leveren en [eiser] heeft dat niet aantoonbaar gedaan. [eiser] stelt dat zij (pas) op 9 februari 2026 de sleutels aan haar nicht heeft gegeven tijdens een babyshower, zodat deze de sleutels kon inleveren. In een brief van 11 februari 2026 heeft de gemachtigde van [eiser] dit gemeld aan [verweerder] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verteld dat deze nicht – die ook voor [verweerder] werkte – de sleutels op het werk in een kluis zou hebben gelegd, omdat er op dat moment niemand aanwezig was om de sleutel bij in te leveren. Of dat daadwerkelijk gebeurd is valt voor de kantonrechter niet vast te stellen, omdat het nergens uit blijkt. [verweerder] betwist de sleutels te hebben ontvangen en de nicht wil daarover niet verklaren.\n\n5.30. \n [verweerder] heeft onderbouwd gesteld dat [eiser] gehouden was de sleutels in te leveren en die is door [eiser] ook erkend. Doordat niet is komen vast te staan dat [eiser] de sleutels heeft ingeleverd, is de tekortkoming in de nakoming van de verplichting komen vast te staan. [eiser] heeft er, ondanks dat zij op de hoogte was van deze regels en het belang daarvan voor [verweerder] , bewust voor gekozen om de sleutels op oncontroleerbare wijze aan een derde af te geven. De tekortkoming kan [eiser] daarom ook worden toegerekend. [verweerder] heeft de schade voldoende aangetoond met de overgelegde facturen. [eiser] is daarom gehouden de schade van [verweerder] ten bedrage van € 4.059,07 te vergoeden.\n\n [verweerder] heeft een beroep gedaan op verrekening\n\n5.31. Bij brief van 20 mei 2026 aan de kantonrechter heeft [verweerder] een beroep gedaan op verrekening. Daarmee heeft [verweerder] ook aan [eiser] kenbaar gemaakt haar vordering te willen verrekenen met die van [eiser] . [eiser] heeft weliswaar de vordering van [verweerder] betwist, maar geen bezwaar gemaakt tegen de verrekening voor zover de vordering van [verweerder] zou komen vast te staan. De verrekening werkt op grond van de wet terug tot het moment waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Hoewel de sloten eerder zijn vervangen, gaat de kantonrechter uit van de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd na vernietiging van de opzegging door [verweerder] , dus van 12 febuari 2026. Pas bij het einde van de arbeidsovereenkomst bestond immers de verplichting tot het inleveren van de sleutels.\n\n5.32. De verbintenissen van [eiser] en [verweerder] gaan door verrekening tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Dat betekent dat de vordering van [verweerder] op [eiser] volledig teniet is gegaan op het moment dat deze vordering verrekend kon worden en [eiser] geen wettelijke rente verschuldigd is over deze schadevergoeding.\n\n [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling\n\n5.33. De kantonrechter veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de over en weer verschuldigde bedragen, zoals geformuleerd in de beslissing.\n\nDe proceskosten worden gecompenseerd\n\n5.34. De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld.\n\nDe beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard\n\nDe kantonrechter zal bepalen dat de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. Dat betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n6.1. vernietigt de op 23 december 2025 door [verweerder] gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst;\n\n6.2. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan [eiser] van het resultaat van de navolgende over en weer verschuldigde bedragen:\n\n€ 2.956,44 bruto per maand aan loon, vermeerderd met de IKB-toeslag van 16,4% daarover, vanaf 1 januari 2026 tot 12 februari 2026,\n\n€ 4.362,52 bruto aan ORT die [eiser] heeft opgebouwd over de periode van indiensttreding tot en met december 2025,\n\n€ 712,95 bruto aan ORT die [eiser] over de periode januari 2026 tot en met 12 februari 2026 te betalen,\n\ne wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris en de ORT zoals benoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van deze beschikking, rekening houdend met de betaaltermijnen van het salaris en de ORT als omschreven in § 5.13 en § 5.21 en\n\nde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te betalen over de bedragen genoemd in onderdeel 6.2 onder a tot en met c van dit vonnis, vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid als omschreven in § 5.13 en § 5.21 tot aan de dag van de gehele betaling;\n\nminus\n\n€ 4.059,07 aan schadevergoeding voor vervanging van sleutels, welk bedrag door verrekening per 12 februari 2026 in mindering sterkt op de onder a tot en met e genoemde bedragen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW.\n\n6.3. veroordeelt [verweerder] om binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking een deugdelijke en correcte eindafrekening te verstrekken,\n\n6.4. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,\n\n6.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.6. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. Werner en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026.\n\n [eiser] heeft bij verzoekschrift verzocht [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon tot [geboortedatum] 2026. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] haar verzoek vermeerderd en loondoorbetaling verzocht tot 1 maart 2026. [verweerder] heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat de stelling dat de arbeidsovereenkomst tot 1 maart 2026 zou doorlopen tot aan de mondelinge behandeling niet was ingenomen en zij zich niet op dat standpunt had hoeven voor te bereiden. De kantonrechter staat de vermeerdering toe, omdat daaraan geen nieuwe feiten ten grondslag zijn gelegd en het standpunt in lijn is met het pas kort voor de mondelinge behandeling ingenomen standpunt van [verweerder] over de door [eiser] gehanteerde opzegtermijn.\n\n Verweerschrift § 3.18.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3767","ecli-nl-rbmne-2026-3767",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]