[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2025-8961":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2025-8961":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"667","ECLI:NL:RBNHO:2025:8961","",67,"Haarlem","haarlem","2025-06-19T00:00:00.000Z","Rechtbank noord-holland\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: HAA 24\u002F363\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen\n\n [eiseres], wonende te [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R.H. Bouwman),\n\nen\n\nDienst toeslagen, verweerder.\n\nProcesverloop\n\nIntegrale beoordeling\n\nEiseres heeft zich op 15 januari 2021 aangemeld voor herstel als slachtoffer van de kinderopvangtoeslagaffaire.\n\nOp 23 februari 2021 is door verweerder aan eiseres bij beschikking op grond van de zogenaamde Catshuisregeling een bedrag van € 30.000 toegekend.\n\nBij beschikking van 2 juli 2021 heeft verweerder een afwijzende beschikking gegeven voor de jaren 2011 en 2012, en voor het jaar 2013 een vergoeding van € 2.100 toegekend vanwege een onterechte O\u002FGS kwalificatie. Omdat eiseres reeds € 30.000 ontvangen had volgt er geen aanvullende betaling.\n\nEiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\nVerweerder heeft het bezwaar, na dienovereenkomstig advies van de BAC, bij beschikking van 13 december 2023 ongegrond verklaard.\n\nWerkelijke schade\n\nOp 8 juli 2021 heeft eiseres een verzoek tot vergoeding van werkelijke schade bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) ingediend.\n\nDe CWS heeft geadviseerd een vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 15.000 toe te kennen aan eiseres.\n\nBij beschikking van 22 september 2022 heeft verweerder, nu het aan eiseres uit te betalen bedrag van € 15.000 beneden het surplus van de reeds toegekende € 30.000 blijft, het verzoek om aanvullende schadevergoeding afgewezen.\n\nEiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.\n\nBij beschikking van 13 december 2023 heeft verweerder, na ingewonnen advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie (BAC), het bezwaar gegrond verklaard en het bedrag aan aanvullende schadevergoeding berekend op € 17.797,69. Omdat dit bedrag beneden het surplus van het reeds toegekende bedrag van € 30.000 blijft, volgt geen aanvullende uitbetaling.\n\nIntegrale beoordeling en werkelijke schade\n\nEiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.\n\nVerweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Verweerder heeft daarbij ten aanzien van delen van de overgelegde stukken een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het verzoek tot geheimhouding betreft in het bijzonder contact- en persoonsgegevens die in de stukken zijn opgenomen. Ter zitting heeft gemachtigde van eiseres verklaard geen bezwaar te hebben tegen geheimhouding van deze gegevens. Een beslissing in de geheimhoudingsprocedure is achterwege gelaten.\n\nEiseres heeft diverse malen nadere stukken ingediend.\n\nMet ingang van 1 juli 2024 heeft de CWS haar beleid om de werkelijke schade te beoordelen aangepast en een nieuw schadekader opgesteld. Deze beleidswijziging heeft geleid tot een aanvullende beslissing op bezwaar gedateerd 24 januari 2025 waarbij verweerder de werkelijke schadevergoeding bepaalt op € 22.097,69. Omdat deze vergoeding nog steeds lager is dan het surplus van de Catshuisregeling van € 27.900,00 wordt dienaangaande geen aanvullende vergoeding verstrekt. Wel wordt beslist dat eiseres recht heeft op een aanvullende vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij de CWS die niet wordt verrekend met de reeds ontvangen compensatie.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025 Alkmaar. Deze zaak is gelijk behandeld met de zaken van eiseres met zaaknummers ALK 23\u002F15 en ALK 24\u002F2754.\n\nEiseres is verschenen, bijgestaan door [naam 1] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2] en mr. [naam 3] . Tevens was aanwezig mr. [naam 4] .\n\nOverwegingen\n\nFeiten\n\n1. Bij voorschotbeschikking van 16 maart 2011 is aan eiseres voor het jaar 2011 een kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) toegekend van € 5.005. Bij voorschotbeschikking van 18 oktober 2012 is het voorschot op de KOT voor 2011 vastgesteld op € 4.721 en bij beschikking van 27 oktober 2012 is de KOT voor 2011 definitief berekend op eveneens € 4.721.\n\n2. Bij voorschotbeschikking van 29 december 2011 is aan eiseres voor het jaar 2012 een KOT toegekend van € 6.579. Bij beschikking van 10 oktober 2014 is de KOT voor 2012 definitief berekend op eveneens € 6.579.\n\n3. Bij voorschotbeschikking van 28 december 2012 is aan eiseres voor het jaar 2013 een KOT toegekend van € 6.680. Bij beschikking van 11 september 2015 is de KOT voor 2013 definitief berekend op nihil en bij beschikking van 16 oktober 2015 opnieuw definitief berekend op eveneens nihil. In de beschikking van 11 september 2015 is aan eiseres meegedeeld dat zij over 2013 teveel KOT had ontvangen en daarom € 6.999 moest terugbetalen, namelijk het teveel ontvangen bedrag van € 6.680, vermeerderd met € 319 heffingsrente.\n\n4. Per brief van 9 augustus 2015 heeft eiseres het verzoek tot het treffen van een betalingsregeling voor het terug te betalen bedrag van € 6.999 ingediend. Het verzoek hield in dat eiseres gedurende een periode van 24 maanden vanaf 12 januari 2016 € 100 per maand zou aflossen en vanaf 12 mei 2016 € 200 per maand. Bij beslissing van 7 januari 2016 heeft verweerder dit verzoek afgewezen en beslist dat eiseres met ingang van 31 januari 2016 € 292 per maand moest aflossen.\n\n5. Eiseres heeft tegen de beslissing van 7 januari 2016 bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift is gedagtekend 7 januari 2016 en daarin zet eiseres uiteen dat zij en haar partner, [naam 1] (hierna: de partner), wegens aflossingen op andere schulden onder de armoedegrens leven. Eiseres en haar partner vragen verweerder daarom alsnog akkoord te gaan met het door eiseres voorgestelde aflossingsplan of om voorlopig te worden vrijgesteld van aflossingsverplichtingen. In een brief van 27 januari 2016 aan verweerder schrijft de partner van eiseres namens hen beiden onder meer het volgende:\n\n“Tot nadere orde stel ik u voor om akkoord te gaan met een staffelplan \u002F % aflossingsverhouding van 60\u002F140. M.a.w. over de Eerste 12 maanden 60%van uw aflossingsbedrag €292 en over deLaatste 12 maanden 140%.\n\nMijn reden:Op dit moment lossen wij al af per maand een bedrag van € 396,50. Posten, zoals aflossing Huurachterstand € 100,00 p.mnd. is afgerond met ong. 2 maanden en enkele andere posten met ong. € 70,00 per maand zijn ook bijna afgerond. We lopen reeds bij de voedselbank en wensen niet in de WSNP te belanden, nu ik overzie dat met een goede administratiebeleid ik ook deze post kan verantwoorden.\n\nDe situatie\n\nNatuurlijk weten wij dat wij verantwoordelijk zijn voor een eerder aan u getoonde nalatigheid. Zoals u ziet zijn de Belastingzaken door volledige concentratie en wilskracht op orde gebracht door een goede samenwerking met uw organisatie.”\n\nOp 14 juni 2016 is eiseres door verweerder gehoord. Van het horen is verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort.\n\n6. Op 17 juni 2016 heeft verweerder het in 5. genoemde bezwaar afgewezen op de grond dat eiseres op vragen van verweerder over de KOT over 2013 geen informatie heeft verstrekt en daarin ernstig nalatig is geweest. Volgens verweerder was de terugvorderingsbeschikking aan eiseres zelf te wijten. Verweerder handhaafde daarom zijn besluit dat eiseres € 292 per maand moest terug betalen. De uiterste betaaldatum van de eerste betaling was 30 juli 2016 en de laatste termijn moest vóór 30 juni 2018 zijn betaald. Vanaf juli 2016 tot en met juli 2018 heeft eiseres het bedrag van € 6.999 in termijnen terugbetaald.\n\n7. Op 15 januari 2021 heeft eiseres een verzoek voor een herbeoordeling van haar toeslagen ingediend. Naar aanleiding van dat verzoek heeft verweerder bij beschikking van 23 februari 2021, met kenmerk [# 1] , beslist dat eiseres in aanmerking komt voor de vergoeding van € 30.000 ingevolge de zogenoemde Catshuisregeling.\n\n8. De verdere beoordeling van de situatie van eiseres is in behandeling genomen door het Uitvoeringsorgaan Herstel Toeslagen (hierna: het UHT) en dat heeft de zaak voorgelegd aan de Commissie van Wijzen (hierna: de CvW). Op 7 juni 2021 heeft de CvW geoordeeld dat geen sprake was van institutioneel vooringenomen handelen door verweerder, maar eiseres voor wat betreft het jaar 2013 ten onrechte was beticht van opzet of grove schuld (in de desbetreffende stukken aangeduid als “O\u002FGS”). De CvW concludeerde dat verweerder zich terecht op het standpunt stelde dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, niet van toepassing waren voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013, maar eiseres voor het jaar 2013 wel in aanmerking kwam voor een O\u002FGS-tegemoetkoming.\n\n9. Bij beschikking van 2 juli 2021, met kenmerk [# 2] , heeft verweerder beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een aanvulling op de vergoeding ingevolge de Catshuisregeling. Bij beschikking van eveneens 2 juli 2021, met kenmerk\n\n [# 3] , heeft verweerder beslist dat eiseres in aanmerking komt voor een “tegemoetkoming O\u002FGS” van € 2.100. Omdat dit bedrag onderdeel was van de totale tegemoetkoming van € 30.000, is het niet aanvullend uitbetaald.\n\n10. Op 8 juli 2021 heeft eiseres bij de CWS een verzoek tot aanvullende schadevergoeding ingediend. Daarbij heeft eiseres aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 211.124,59, als volgt gespecificeerd:\n\nProceskosten\n\n€\n\n29.527,14\n\nLeningen voor schulden\n\n-\n\n10.929,50\n\nMedische kosten\n\n-\n\n15.998,80\n\nAflossingen crediteuren\n\n-\n\n28.204,19\n\nToeslagen naar achterstanden\n\n-\n\n72.971,32\n\nTotaal Materiële schade\n\n€\n\n157.630,95\n\nImmateriële schade\n\n-\n\n53.494,00\n\nTotaal\n\n€\n\n211.124,95\n\n11. Op 19 januari 2022 heeft eiseres haar verzoek aan de CWS aangevuld en daarbij aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van € 654.159,81, als volgt gespecificeerd:\n\nReiskosten\n\n€\n\n1.080,20\n\nMedische kosten\n\n-\n\n14.918,60\n\nAndere kosten als gevolg van het stopzetten van de kot\n\n-\n\n40.456,65\n\nMateriële schade kot\n\n-\n\n240.156,27\n\nSchade door registratie FSV\n\n-\n\n357.548,09\n\n€\n\n654.159,81\n\n12. Op 26 januari 2022 is eiseres door de CWS gehoord. Eiseres heeft daar onder meer aangevoerd dat zij een lening bij haar ouders moest afsluiten om het maandelijkse bedrag van € 292 te kunnen betalen. Van het horen is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Per e-mailberichten van 18 februari 2022 en 25 februari 2022 heeft eiseres op het hoorverslag gereageerd en de laatste vragen van de CWS beantwoord.\n\n13. Op 18 juli 2022 heeft de CWS geadviseerd aan eiseres geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen. De CWS achtte niet aannemelijk dat de door eiseres opgevoerde reiskosten, medische en overige kosten het gevolg waren van de problemen met de KOT. Aangaande de proceskosten overwoog de CWS dat eiseres geen gebruik had gemaakt van een advocaat en aangaande de kosten van geldleningen dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om aan te nemen dat deze betalingen verband hielden met het weigeren van de persoonlijke betalingsregeling. Aangaande de immateriële schade achtte de CWS aannemelijk dat eiseres door de problemen met de KOT over het toeslagjaar 2013 stress en verdriet had ervaren, maar dat eiseres en haar partner al grote financiële problemen hadden voordat de persoonlijke betalingsregeling werd geweigerd. Door het forse bedrag dat maandelijks moest worden terugbetaald werden de financiële problemen wel groter en de CWS achtte aannemelijk dat het weigeren van de persoonlijke betalingsregeling grote impact had op het sociale leven van eiseres. Verder woog de CWS mee hoeveel tijd er was verstreken vanaf de definitieve weigering van de persoonlijke betalingsregeling tot het advies van de CWS. De CWS begrootte in haar advies van 18 juli 2022 de materiële schade op nihil en de immateriële schade op € 15.000, namelijk € 11.000 voor het leed van eiseres en € 1.000 voor het leed van elk van haar vier kinderen. Omdat dit bedrag minder was van het nog resterende surplus van de Catshuisregeling adviseerde de CWS om aan eiseres geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen.\n\n14. Bij beschikking van 22 september 2022, kenmerk [# 4] , heeft verweerder conform het advies van de CWS beslist dat aan eiseres geen aanvullende schadevergoeding wordt toegekend. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 15 mei 2023 heeft de BAC de schadevergoeding bij tussenconclusie begroot op € 16.797,69. Op 1 november 2023 is eiseres door de BAC gehoord. Van dit horen is een verslag opgemaakt dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Op 30 november 2023 heeft de BAC advies uitgebracht aan verweerder en geadviseerd het beroep gegrond te verklaren en aan eiseres een schadevergoeding toe te kennen van € 16.797,69. Omdat de begrootte schadevergoeding nog steeds minder was dan het surplus ingevolge de Catshuisregeling, zou geen aanvullende vergoeding worden uitbetaald. Wel adviseerde de BAC aan eiseres een proceskostenvergoeding toe te kennen van twee procespunten tegen het hoogste tarief en naar een wegingsfactor 2.\n\n15. Bij beslissing op bezwaar van 13 december 2023, kenmerk [# 5] , heeft verweerder op het bezwaar beslist en daarbij het advies van de BAC geheel gevolgd. De beslissing houdt in dat aan eiser een vergoeding van medische kosten wordt toegekend van € 1.297,69 en vanwege de extra duur van de procedure, een extra vergoeding. Het totaal van de schadevergoeding komt daarmee uit op € 17.797,69. Dit is nog steeds minder dan het surplus ingevolge de Catshuisregeling en daarom is aan eiseres geen aanvullende vergoeding uitbetaald. Wel heeft verweerder, conform het advies van de BAC, aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend op basis van 2 procespunten naar een wegingsfactor 2.\n\n16. Op 23 januari 2024 heeft eiseres beroep ingesteld. Op 9 juli 2024 heeft eiseres het beroep nader gemotiveerd.\n\n17. Omdat de CWS haar beleid om werkelijke schade te beoordelen per 1 juli 2024 heeft aangepast, heeft verweerder op 24 januari 2025 een nadere (tweede) beslissing op het bezwaar genomen, de (eerste) beslissing op bezwaar in stand gelaten, maar de schadevergoeding berekend op € 22.097,69. Omdat deze vergoeding nog steeds lager is dan het surplus van de Catshuisregeling van € 27.900,00 wordt dienaangaande geen aanvullende vergoeding verstrekt. Wel wordt beslist dat eiseres recht heeft op een aanvullende vergoeding van € 500 voor het voeren van de procedure bij de CWS.\n\n18. Op verzoek van eiseres zijn ook de jaren 2005 tot en met 2010 en de jaren 2015 tot en met 2019 opnieuw beoordeeld. Bij voorlopige beslissing van 6 februari 2025 heeft verweerder beslist dat eiseres voor die jaren geen recht had op een compensatie wegens vooringenomen handelen of wegens hardheid en geen recht had op een tegemoetkoming voor opzet of grove schuld. Bij definitieve beslissing van 17 maart 2025 heeft verweerder deze beslissing gehandhaafd.\n\nGeschil 19. In geschil is of eiseres recht heeft op een hoger bedrag aan vergoeding ingevolge de integrale beoordeling of een aanvullende vergoeding voor werkelijke schade voor de toeslagjaren 2011 tot en met 2013.\n\n20. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op een schadevergoeding van € 654.159,81 en heeft daarvoor – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste, tweede en derde lid, van het EVRM omdat het eiseres niet duidelijk is geworden op welke wijze en onder welk wetsartikel de aansprakelijkheid van de verplichte ketenpartners gewaarborgd is, zodat niet duidelijk is geworden waaraan verweerder zich heeft schuldig gemaakt. De gevolgschade van de fraudeaanpak van meerdere overheidsorganen is daarmee niet duidelijk geworden. In het kader van het vorenstaande doet eiseres een beroep op artikel 49 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Eiseres stelt dat zij beroep heeft ingesteld wegens:\n\n“1) de oorzakelijkheid in de handelswijze van de ketenpartners naar verweerder, hun rigide uitvoering fraudeaanpakmethodiek en hun medeaansprakelijkheid in relatie tot hun gevolgschade, ter inzage in het integraal onderzoekdossier niet gewaarborgd is,\n\n2) verweerder en de UHT een onvolledig integraal onderzoekdossier ter beoordeling heeft samengesteld, waarin alle relevante elementen zoals onder anderen de zienswijze, de bijzondere omstandigheden, de toeslagbeschikkingen genoemd; vergeten jaren; beschikking 2014 en 2015 stopzettingsbrief, van de ouders niet is gewaarborgd,\n\n3) door punt 1 en 2 de commissies van oordeel zijn, dat er geen recht op toeslag in 2013 is omdat eiseres geen gebruik zou hebben gemaakt van geregistreerde kinderopvang,\n\n4) volgens verweerder en de UHT de aansprakelijkheid geheel te wijten is aan de informatieplichtpositie van eiseres en\n\n5) voor de missende elementen een hernieuwd integraal proces moet worden aangevraagd.”\n\nEiseres stelt verder dat zij in 2009, door problemen met haar voormalige werkgever, in financiële problemen kwam en er tot 30 januari 2014 problemen waren met de haar toekomende uitkeringen WW en WWB, hetgeen leidde tot onvoldoende middelen voor de voorwaarden voor de KOT in 2013, 2014 en 2015. Eiseres concludeert dat sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen, hardheid, discriminatie, langdurige administratieve detentie, maatschappelijke uitsluiting en financiële uitbuiting. Volgens eiseres is de toegekende schadevergoeding niet toereikend voor de daardoor geleden schade en zijn de voormalige werkgever, de gemeente en het UWV daarvoor mede aansprakelijk.\n\n21. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot wijziging van de bestreden beschikkingen en tot toekenning van een schadevergoeding van € 654.159,81.\n\n22. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op een aanvullende vergoeding en voert daarvoor – zakelijk weergegeven – aan dat voor de jaren 2011 tot en met 2013 geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel, en alleen voor het jaar 2013 een onterechte O\u002FGS kwalificatie geldt. Verder heeft eiseres niet duidelijk gemaakt op welke ketenpartners in relatie tot welke vervolgschade zij doelt. Zo ketenpartners van verweerder al schade hebben veroorzaakt, dan wordt die niet meegenomen in de hersteloperatie toeslagen. Welke stukken ontbreken in het integrale onderzoekdossier heeft eiseres niet aangegeven. Uit een gesprek met eiseres kwam naar voren dat haar zoon in 2013 niet meer naar de kinderopvang ging en eiseres daarom over 2013 geen recht had op KOT. Omdat aan eiseres voor dat jaar wel een voorschot was toegekend is van haar terecht een bedrag van € 6.999 (inclusief € 319 rente) teruggevorderd. Eiseres was bekend met het voorschotsysteem met de verplichting om wijzigingen door te geven en wist dus dat zij dit bedrag zou moeten terugbetalen. Voor het feit dat eiseres ten onrechte opzet of grove schuld voor het jaar 2013 is verweten zodat zij niet in aanmerking kwam voor een persoonlijke betalingsregeling, is haar nu reeds € 30.000,00 schadevergoeding toegekend. Dat eiseres al vanaf 2009 in financiële problemen verkeerde, kan niet zijn veroorzaakt door verweerder.\n\n23. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.\n\nBeoordeling van het geschil\n\nInleiding\n\n24. Het is de rechtbank uit het zeer uitgebreide procesdossier alsmede de behandeling ter zitting duidelijk dat eiseres veel spanning en frustratie heeft ervaren door en bij de behandeling van haar zaak. Op zichzelf betekent dat echter nog niet dat de hersteloperatie als zodanig in haar geval onzorgvuldig is geweest en dat de aan eiseres toegekende schadevergoeding van € 30.000 onvoldoende zou zijn.\n\nOp de zaak betrekking hebbende stukken\n\n25. Eiseres heeft gesteld dat er sprake zou zijn van een incompleet onderzoeksdossier. Door verweerder zijn de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd. Dit betreft een zeer uitvoerig dossier met zeer vele ordners. Eiseres heeft niet duidelijk gemaakt welke stukken die als op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen worden aangemerkt daarin zouden ontbreken. Deze grief van eiseres faalt op die grond.\n\nEerlijk proces\n\n26. Eiseres heeft erover geklaagd dat geen sprake zou zijn geweest van een eerlijke behandeling door verweerder tijdens de bezwaarfase. Ter zitting is gebleken dat eiseres erop doelt dat in het kader van de aanvraag integrale beoordeling geen eindgesprek met een persoonlijk zaaks behandelaar heeft plaatsgevonden, en zij daardoor onvoldoende gelegenheid zou hebben gehad om haar zaak te bepleiten. Verder is eiseres van oordeel dat het systeem van toekennen van voorschotten welke daarna bij definitieve beschikking teruggevorderd kunnen worden voor burgers zeer bezwarend en niet aanvaardbaar is.\n\n27. Verweerder heeft erop gewezen dat het ouderverhaal bij de integrale beoordeling wel is meegenomen omdat dit is verwoord in het invulformulier. Hij wijst er verder op dat eiseres haar standpunten in bezwaar en beroep en in het kader van het verzoek tot vergoeding van werkelijke schade naar voren heeft kunnen brengen en dit ook uitvoerig gedaan heeft. Ter zitting heeft verweerder excuses gemaakt dat beslist is zonder een eindgesprek.\n\n28. De rechtbank is van oordeel dat te betreuren is dat er in het kader van de integrale beoordeling geen sprake is geweest van een eindgesprek, maar dat nu eiseres haar standpunten in bezwaar en beroep uitvoerig naar voren heeft kunnen brengen zij door het achterwege blijven van dit gesprek niet in haar belangen geschaad is. Het niet gehouden zijn van een eindgesprek is daarom geen reden om de bestreden beschikking te vernietigen. Voor zover eiseres erover klaagt dat zij het wettelijk systeem van voorschot- en definitieve beschikkingen te bezwarend en onaanvaardbaar vindt, is het aan de wetgever om daarin te voorzien. Het is de rechter niet toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.\n\nFSV\n\n29. Eiseres stelt dat zij en haar kinderen in het zogenaamde FSV-bestand zouden zijn opgenomen, en verwijst daarvoor naar opnames van een telefoongesprek met mevrouw [naam 5] van de belastingdienst waarvan de geluidsopname tot het dossier behoort. Verweerder heeft desgevraagd tijdens de bezwaar- en beroepsperiode meerdere malen uitdrukkelijk aangegeven dat sprake is geweest van een misverstand, dat mevrouw [naam 5] (ook tijdens het gesprek met eiseres) geen inzage heeft gehad in het FSV-bestand maar slechts in een belbestand waarin alle belastingplichtigen met hun bsn-nummers zijn opgenomen, en dat eiseres en haar kinderen nooit in het FSV-bestand opgenomen zijn geweest. De rechtbank acht deze verklaringen voldoende en geloofwaardig. Dat er sprake is geweest van opname in een FSV-bestand is daarmee geen grond voor schadevergoeding nu dit dus niet het geval is geweest.\n\nKetenpartners\n\n30. De rechtbank stelt verder voorop dat het beroep is gericht tegen beschikkingen van verweerder in het kader van het vergoeden van schade als gevolg van de zogenoemde kinderopvangtoeslagaffaire. Hetgeen eiseres aanvoert over medeaansprakelijkheid van de gemeente [woonplaats] , het UWV en de voormalige werkgever van eiseres, door eiseres aangeduid als “ketenpartners”, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Voor een rechterlijke toetsing van de handelingen van de “ketenpartners”, voor zover die niet zijn vervat in door de gemeente en het UWV gegeven voor bezwaar en beroep vatbare beschikkingen, is de burgerlijke rechter bevoegd.\n\nWettelijk kader\n\n31. De Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) kent twee gescheiden compensatietrajecten. De Wht bevat een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan, zoals bepaald in de artikelen 2.2 en 2.3 van de Wht. Daarnaast kan aanspraak worden gemaakt op een schadevergoeding indien een ouder geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld (artikel 2.6 van de Wht). Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht, aldus artikel 2.1, derde lid, van de Wht, c.q. artikel 2.6, derde lid, van de Wht.\n\n32. Compensatie op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wht wordt toegekend indien sprake is van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of hardheid van het wettelijk systeem. Bij institutionele vooringenomenheid gaat het blijkens de wetsgeschiedenis om:\n\n1. een collectieve stopzetting van de KOT zonder voorafgaande individuele beoordeling;\n\n2. het opvragen bij een belanghebbende van grote hoeveelheden bewijsstukken over een of meerdere jaren;\n\n3. gevolgd door een zerotolerance-onderzoek naar fouten, tekortkomingen, en ontbrekende bewijsstukken met soms een tweede controle, wanneer bij eerste lezing geen grond voor afwijking van de aanspraak KOT was gevonden;\n\n4. het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming daarin en het afwijzen of reduceren van de aanspraak op KOT bij de minste of geringste onregelmatigheid in de stukken.\n\nVan hardheid van het stelsel is sprake als de KOT op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van de KOT heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de KOT geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden als de terugvordering het gevolg is van minder afgenomen uren kinderopvang.\n\nBeoordeling\n\n33. In de onderhavige zaak staat het volgende vast. Van eiseres is over het jaar 2011\n\n€ 284 KOT terecht teruggevorderd vanwege een lager uurtarief van de kinderopvang dan waarvan bij de voorschotbeschikking is uitgegaan. Over het jaar 2012 is in het geheel geen KOT van eiseres teruggevorderd. Over het jaar 2013 is terecht € 6.999 (inclusief € 319 heffingsrente) KOT teruggevorderd omdat geen kind van eiseres in dat jaar kinderopvang heeft genoten. Eiseres heeft dit zelf desgevraagd uitdrukkelijk aan verweerder bevestigd, en ook navraag door verweerder bij de betreffende kinderopvangorganisatie heeft bevestigd dat voor het jaar 2013 geen kinderopvang waarvoor een aanvraag KOT is gedaan is genoten. Dit ligt ook in de rede omdat het betrokken kind in het jaar 2012 4 jaar oud is geworden en vanaf toen naar de basisschool is gegaan. Ten aanzien van de jaren 2011 tot en met 2013 is de rechtbank dan ook van oordeel dat de terugvorderingen in 2011 en 2013 terecht waren, en dat geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel, zodat er geen recht op compensatie is op grond van de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wht.\n\n34. Aan eiseres is echter een persoonlijke betalingsregeling voor de terugvordering van KOT 2013 geweigerd omdat zij voor het jaar 2013 ten onrechte een kwalificatie O\u002FGS heeft gekregen. Dit betekende dat zij vanaf juli 2016 € 292 per maand moest terugbetalen in plaats van de aanvankelijk door haar voorgestelde € 100 per maand vanaf 12 januari 2016 voor de eerste vier maanden waarna zij € 200 per maand zou gaan betalen, of de op 27 januari 2016 voorgestelde 60\u002F140 staffel op € 292 per maand gedurende 24 maanden. Eiseres heeft aan deze betalingsverplichting van € 292 per maand voldaan door gelden te lenen van haar ouders.\n\n35. Artikel 2.6 van de Wht luidt als volgt:\n\n“1. De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O\u002FGS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.\n\n2. De O\u002FGS-tegemoetkoming bedraagt 30 procent van het bedrag van de terugvordering.\n\n3. Aan een aanvrager van een O\u002FGS-tegemoetkoming die aannemelijk maakt dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade als gevolg van de onbillijkheden van overwegende aard, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan de O\u002FGS-tegemoetkoming, wordt door de Dienst Toeslagen op aanvraag een aanvullende O\u002FGS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade toegekend.\n\n4. De O\u002FGS-tegemoetkoming en de aanvullende O\u002FGS-tegemoetkoming voor de werkelijke schade blijven achterwege indien ten aanzien van de terugvordering recht bestaat op compensatie als bedoeld in artikel 2.1 over hetzelfde berekeningsjaar of voor zover op andere wijze in een vergoeding of tegemoetkoming ter zake is voorzien.”\n\nIntegrale beoordeling\n\n36. Op 2 juli 2021 heeft verweerder in het kader van de integrale beoordeling voor het jaar 2013 een bedrag van € 2.100 tegemoetkoming toegekend (30% van € 6.999) als O\u002FGS tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, Wht.\n\n37. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag juist berekend op het in artikel 2.6, tweede lid, van de Wht opgenomen forfaitaire schadebedrag. De Wht is een wet in formele zin, en de wettekst laat geen ruimte om een hoger bedrag aan compensatie toe te kennen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft (in het bijzonder in zijn uitspraak van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772) geoordeeld dat wegens het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij dwingende formulering van een bepaling in een wet in formele zin geen ruimte bestaat voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat geen ruimte bestaat om belangen af te wegen en te toetsen of het besluit onevenredig is in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Wel kan er aanleiding bestaan voor een zogenoemde contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De rechtbank is op grond van het procesdossier, de stellingen van partijen en de wetsgeschiedenis van oordeel dat daarvan in dit geval geen sprake is. De wetgever heeft immers uitdrukkelijk rekening gehouden met de omstandigheid dat de hoogte van de forfaitaire schadevergoeding niet (volledig) tegemoet komt aan de werkelijk geleden schade. Daarvoor kan namelijk een aanvraag tot vergoeding van werkelijke schade op grond van artikel 2.6, derde lid, Wht worden gedaan hetgeen eiseres ook gedaan heeft. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet de mogelijkheid heeft om af te wijken van de forfaitaire schadevergoeding.\n\n38. Het vorenstaande betekent dat het beroep tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de integrale beoordeling faalt.\n\nWerkelijke schade\n\n39. Bij de uitspraak op bezwaar van 13 december 2023 is een aanvullende vergoeding van werkelijke schade vastgesteld van € 17.797,67 welke niet is uitbetaald vanwege verrekening met € 30.000 die is uitbetaald in het kader van de Catshuisregeling. In zijn aanvullende (tweede) uitspraak op bezwaar van 24 januari 2025 komt verweerder tot de conclusie dat eiseres recht heeft op een vergoeding van werkelijke schade voor een bedrag van € 22.097,69, maar omdat dit samen met de tegemoetkoming O\u002FGS van € 2.100 minder is dan de reeds toegekende € 30.000 er geen aanvullende compensatie aan eiseres wordt uitgekeerd. De rechtbank oordeelt als volgt.\n\n40. De werkelijke schade, als bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de Wht is alleen de schade die het gevolg is van een besluit, waarvan door eiseres aannemelijk gemaakt wordt dat haar werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (artikel 6:98 BW).\n\n41. In deze zaak gaat het om het onterecht weigeren van een betalingsregeling voor het jaar 2013 vanwege de O\u002FGS kwalificatie. Eiseres heeft gesteld dat haar werkelijke schade € 654.159,81 bedraagt, bestaande uit reiskosten (€ 1.080,20), medische kosten (€ 14.918,60), andere kosten (€ 40.456,65), materiële schade (€ 240.156,27) en immateriële schade (€ 357.548,09). Het is aan eiseres om de aanwezigheid van deze schade en het causaal verband met het weigeren van de betalingsregeling aannemelijk te maken.\n\n42. De CWS heeft geadviseerd een vergoeding van € 15.000 toe te kennen vanwege immateriële schade (€ 11.000 voor eiseres en € 1.000 voor elk van haar kinderen). In afwijking hiervan heeft de BAC geadviseerd aanvullend € 1.297,69 voor tandartskosten te vergoeden. Voor het overige zijn de vorderingen van eiseres afgewezen. Verweerder heeft bij de bestreden beschikking van 13 december 2023 geoordeeld dat een bedrag aan werkelijke schade van € 17.797,69 voor vergoeding in aanmerking komt, hetgeen vanwege de reeds toegekende € 30.000 niet wordt uitbetaald.\n\n43. Gelet op artikel 6:19 van de Awb ziet het beroep van eiseres van rechtswege ook op de aanvullende (tweede) beslissing op bezwaar van 24 januari 2025. Met het nemen van deze aanvullende beslissing op bezwaar heeft verweerder de geleden immateriële schade vastgesteld op € 20.300 en de materiële schade gehandhaafd op € 1.297,69, alsmede een aanvullende vergoeding vastgesteld van € 500 voor verletdagen en reiskosten en als vergoeding voor de procedure tegen de afwijzing van het verzoek voor een persoonlijke betalingsregeling. Daarnaast is € 500 toegekend voor de procedure bij de CWS. Deze aanvullende beslissing is het gevolg van het gewijzigde schadekader van de CWS. Deze heroverweging raakt de rechtmatigheid van het bestreden besluit van 13 december 2023 niet, dat daarom ook in stand is gelaten.\n\n44. Uit het schadekader volgt dat de immateriële schadevergoeding uit vijf bouwstenen bestaat en per bouwsteen is er een aantal factoren dat meeweegt bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Aan elke factor die van toepassing is wordt een bedrag toegekend, afhankelijk van hoe zwaar de factor meeweegt.\n\n45. Bij het bepalen van de hoogte van eiseres’ immateriële schadevergoeding heeft verweerder in aanmerking genomen de bedragen die gekoppeld zijn aan de bouwstenen A (aantasting in de persoon, van de eer en de goede naam) B (gezinssamenstelling) en E (de stressvolle jaren vanaf de eerste negatieve kinderopvangtoeslagbeschikking). In het bestreden besluit op bezwaar van 13 december 2023 en het aanvullende besluit op bezwaar van 24 januari 2025 heeft verweerder aan de hand van die bouwstenen toegelicht hoe hij (in de nadere uitspraak op bezwaar van 24 januari 2025) tot het totaal toegekende bedrag voor de immateriële schade van € 20.300 is gekomen en waarom bouwstenen C en D niet zijn meegenomen in de berekening. Daarnaast heeft verweerder aangegeven hoe tot de overige vergoedingen is gekomen waardoor de totale schade is vastgesteld op € 22.097,69. Verweerder heeft hierop in mindering gebracht de vergoeding van € 27.900 als surplus van het bedrag dat eiseres eerder op grond van de Catshuisregeling heeft ontvangen als vergoeding voor materiële en immateriële schade, waardoor per saldo niets aanvullend aan eiseres is uitbetaald, behoudens € 500 voor kosten van de procedure bij de CWS.\n\n46. De rechtbank is van oordeel dat verweerder inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot het bedrag van € 22.097,67 is gekomen. De rechtbank ziet in dat wat eiseres hierover heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van het huidige schadekader aanleiding bestaat voor het toekennen van een hogere vergoeding van materiële of immateriële schade. Eiseres heeft niet aan de hand van de bouwstenen concreet gemotiveerd dat verweerder een hoger bedrag had moeten toekennen. Verder is gesteld noch gebleken dat er relevante omstandigheden zijn die niet door verweerder zijn meegewogen in de nadere (tweede) beslissing op bezwaar van 24 januari 2025. Wat eiseres in beroep en op de zitting heeft aangevoerd, is met name een uitgebreide weergave van dat wat haar is overkomen, maar daarmee is niet concreet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op een hogere vergoeding van materiële of immateriële schade. Dat verweerder een onjuiste aanvullende beslissing heeft afgegeven, is dan ook niet gebleken. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.\n\n47. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat eiseres volgens haar eigen verklaring reeds vanaf 2009 met hoge schulden te kampen had, hetgeen geen enkel verband houdt met de terugvordering van kinderopvangtoeslag 2013 en de weigering van de door eiseres gevraagde betalingsregeling in 2016. Eiseres was blijkens haar eigen voorstel in januari 2016 om een betalingsregeling te treffen voor de terugbetaling van KOT 2013 voornemens en in staat om terug te betalen, zij het met lagere bedragen per maand en gedurende een langere periode dan door verweerder verlangd dan wel binnen de door verweerder voorgestelde periode volgens een 60\u002F140 staffel. Zij heeft vervolgens volgens eigen zeggen aan haar betalingsverplichting voldaan door geld te lenen van haar ouders zodat zij de terugbetaling heeft kunnen doen. Dit betekende dat zij de eerste 12 maanden meer heeft moeten aflossen dan door haar verzocht en dat haar ouders hiervoor zijn bijgesprongen, maar de laatste 12 maanden minder dan door haar verzocht. Dat dit voor eiseres bezwarend was neemt de rechtbank zonder meer aan, maar dat daardoor de schade is ontstaan die eiseres stelt heeft zij op geen enkele manier aannemelijk gemaakt.\n\n48. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om de uitspraak op bezwaar van 13 december 2023 en de nadere (tweede) uitspraak op bezwaar van 24 januari 2025 onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze uitspraken op zorgvuldige wijze tot stand gekomen, inzichtelijk gemotiveerd en navolgbaar.\n\n49. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat eiseres geen aanspraak kan maken op een hoger bedrag aan schadevergoeding dan reeds aan haar is toegekend.\n\nSlotsom\n\n50. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.\n\nProceskosten\n\n51. Gelet op de aanvullende beslissing op bezwaar is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 51 en de proceskosten vergoedt. De hoogte van de proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814;\n\ndraagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van\n\nH. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.\n\ngriffier rechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:8961","ecli-nl-rbnho-2025-8961",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":51,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]