[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-1723":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-1723":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1023","ECLI:NL:RBNHO:2026:1723","",73,"Alkmaar","alkmaar","2026-02-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Noord-Holland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummer: C\u002F15\u002F355531 \u002F HA ZA 24-438\n\nVonnis van 18 februari 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser], in zijn hoedanigheid van executeur en erfgenaam in de nalatenschap van [erflaatster] ,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser] , 2. [eiseres],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nadvocaat: mr. R.A. van Liere,\n\ntegen\n\n [gedaagde], in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van\n\n [erflater] en pro se,\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. H.J.M. van Schie (voorheen mr. S.L.D. van den Brink).\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze erfrechtzaak gaat het onder meer om de vraag of de executeur bepaalde kosten ten laste van de nalatenschap mocht brengen. In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat de executeur dit niet mocht. Verder bepaalt de rechtbank in dit vonnis hoe de nalatenschap is samengesteld. Ook gelast de rechtbank de wijze van verdeling.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 maart 2025, waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft bevolen.\n\n1.2.. Deze mondelinge behandeling heeft op 28 oktober 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. De rechtbank heeft ter zitting de brief van mr. Van den Brink van 16 oktober 2025 en de akte houdende aanvullende producties tevens akte eiswijziging met producties 23 tot en met 25 van [gedaagde] aan het procesdossier toegevoegd. Aan het eind van de zitting heeft de rechtbank bepaald dat in deze zaak vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De heer [erflater] (hierna: erflater) is op 30 mei 2020 overleden. Hij had drie kinderen: [gedaagde] , [dochter van erflater] en [erflaatster] . [eiseres] is het kind van [dochter van erflater] en dus het kleinkind van erflater. [erflaatster] is op 23 november 2024 overleden. [eiser] was de levenspartner van [erflaatster] . [eiser] is de executeur in de nalatenschap van [erflaatster] en één van [erflaatster] erfgenamen.\n\n2.2.. Op 21 december 2010 heeft erflater zijn testament op laten maken. Daarin heeft hij [erflaatster] , [eiseres] en [gedaagde] tot enige erfgenamen benoemd, ieder voor een derde deel. Aan [dochter van erflater] heeft erflater een legaat toegekend ter grootte van haar legitieme. Erflater heeft [gedaagde] tot executeur benoemd.\n\n2.3.. Alle erfgenamen hebben de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard. [gedaagde] heeft ook zijn benoeming tot executeur aanvaard.\n\n2.4.. In 2017 hebben erflater en [gedaagde] een overeenkomst met elkaar gesloten over de onroerende zaak gelegen aan de [adres 1] in [woonplaats]. De tussen erflater en [gedaagde] op 2 april 2017 opgemaakte onderhandse akte (hierna ook: de overeenkomst) luidt als volgt (waarbij met ondergetekende 1 is bedoeld erflater en met ondergetekende 2 [gedaagde] ):\n\n“(…)\n\nOverwegende dat:\n\nDat ondergetekende 2 op dit moment geen financiering kan krijgen voor de aankoop van een woning;\n\nDat ondergetekende 1 onder voorwaarden bereid is te helpen bij het verkrijgen van financiering;\n\nDat ondergetekende 1 geen kosten wenst te maken voor deze financiering (het verkrijgen ervan en gedurende de looptijd van de financiering), maar ook niet deelt in de opbrengsten behoudens 10 procent van een eventueel bij leven te realiseren (netto-) verkoopwinst (saldo aankoop en verkoopprijs min alle gemaakte en te maken kosten gecorrigeerd met inflatie);\n\nDat ondergetekende 1 zich evenmin bezighoudt met de exploitatie van de woning;\n\nDat uitgangspunt is dat erfgenamen op geen enkele wijze worden benadeeld of bevoordeeld door de aankoop en het in eigendom hebben van de woning, niet tijdens leven en of overlijden van ondergetekenden;\n\n(…)\n\nKomen overeen:\n\nOndergetekende 1 (hierna “1”) en ondergetekende 2 (hierna “2”) kopen de nieuwbouwwoning in [woonplaats] en vragen hiervoor een hypotheek aan;\n\nUitgangspunt is dat 80 tot 90 procent marktwaarde extern wordt gefinancierd en ondergetekende 2 de lasten van deze financiering volledig draagt;\n\nDe resterende 20 tot 10 procent wordt betaald door 2;\n\nDe eigenaarslasten (…) en alle overige lasten waaronder vanzelfsprekend de (gedeeltelijke) aflossing van de hypotheek en hypotheekrente komen volledig voor rekening van 2. De huuropbrengsten komen volledig ten goede aan 2. Een positief saldo waarde woning min schuld (dat wellicht steeds groter wordt door verplichte aflossingen van 2 en mogelijk waardestijging van de woning) komt te allen tijde ten goede aan 2. Ook na overlijden van 1. Het door 2 opgebouwde kapitaal wordt buiten een erfenis gehouden of zover dit onmogelijk is zullen de erfgenamen ondergetekende 2 volledig moeten compenseren voor een eventueel te genieten voordeel als gevolg van aflossingen en waardestijging van de woning;\n\nFiscaal vindt optimalisatie plaats. Ondergetekenden spannen zich daar maximaal voor in. Een eventueel nadeel daarbij voor 1 wordt gecompenseerd door 2. (…)\n\n(…)\n\n8. Bij (plotseling) gewijzigde (onvoorziene ernstige) omstandigheden zoals bijvoorbeeld\n\noverlijden ernstige ziekte wijziging in financiële situatie fiscale positie of anderszins van\n\nondergetekenden hebben ondergetekenden het recht het huis te verkopen aan derden hetzij het pand over te dragen op basis van aankoopwaarde (koopsom plus betaald meerwerk op datum transport bij notaris in 2017) aan ondergetekende 2. Het laatste prevaleert als er voldoende middelen zijn om de transactie te doen slagen in ieder geval zal alvorens de woning aan derden te koop wordt aangeboden ondergetekende 2 in de gelegenheid worden gesteld het eigendom van de woning volledig te verwerven. Daartoe zal een gebruikelijke aanbiedingsprocedure worden doorlopen waarvan in ieder geval deel uitmaakt het doen van het voorstel tot verkoop de mogelijkheid om binnen vier weken na ontvangst van dit voorstel aan te geven of de wens tot overname bestaat en vervolgens een termijn van 3 maanden om een eventueel gewenste overdracht van (de helft van de) woning concreet vorm te geven\n\n 9. Ondergetekende 2 staat garant voor het opbrengen van alle directe en indirecte kosten\n\n(…) Ondergetekende 1 draagt geen enkel risico.\n\n(…)”\n\n2.5.. Erflater en [gedaagde] zijn eigenaar geworden van de [adres 1] : erflater voor een vierde onverdeeld aandeel en [gedaagde] voor drie vierde onverdeeld aandeel.\n\n3. De vorderingen in conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n\n [eiser] en [eiseres] vorderen, samengevat:\n\nI. een verklaring voor recht dat de taak van [gedaagde] als executeur in de nalatenschap van erflater is geëindigd;\n\nII. een verklaring voor recht dat het beheer van de goederen van de nalatenschap van erflater toekomt aan de gezamenlijke erfgenamen;\n\nIII. veroordeling van [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap van erflater vanaf het moment van overlijden van erflater tot vandaag dan wel vanaf een door de rechtbank te bepalen datum waarop [gedaagde] het beheer verkreeg of geacht wordt te hebben verkregen tot aan de datum waarop rekening en verantwoording wordt afgelegd, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nIV. veroordeling van [gedaagde] om met [eiser] en [eiseres] over te gaan tot verdeling van de nalatenschap van erflater;\n\nV. dat de rechtbank de (wijze van) verdeling van de nalatenschap van erflater gelast conform randnummers 23 tot en met 55 van de dagvaarding. Specifiek voor de [adres 1] vorderen [eiser] en [eiseres] , kort gezegd, dat het onverdeelde aandeel van [eiser] en [eiseres] in de [adres 1] aan [gedaagde] wordt toegedeeld tegen de vrije verkoopwaarde in het economische verkeer en dat [eiser] en [eiseres] worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Als [gedaagde] financieel niet in staat is om hieraan mee te werken of als de levering aan [gedaagde] niet binnen twee maanden na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, vorderen [eiser] en [eiseres] dat zij op grond van artikel 3:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden gemachtigd om de [adres 1] aan een derde te verkopen door tussenkomst van een makelaar en tegen een door de makelaar te bepalen prijs. Verder vorderen [eiser] en [eiseres] dat de rechtbank [gedaagde] beveelt om alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor deze toedeling of verkoop van de [adres 1] en de overdracht daarvan, onder verbeurte van een dwangsom;\n\nVI. een verklaring voor recht dat [gedaagde] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel heeft verbeurd in (i) de huurinkomsten van de [adres 1] en (ii) in de huurinkomsten van de [adres 2] en dat [gedaagde] een betalingsverplichting jegens de nalatenschap heeft ter grootte van deze huurinkomsten;\n\nVII. dat de rechtbank [gedaagde] in de proceskosten veroordeelt en dit vonnis (zoveel mogelijk) uitvoerbaar bij voorraad verklaart.\n\n3.2.. \n\n [gedaagde] heeft een aantal tegenvorderingen ingesteld. [gedaagde] vordert, samengevat en na eiswijziging, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. dat de rechtbank de (wijze van) verdeling van de [adres 1] zo vaststelt dat het onverdeelde aandeel van [eiser] en [eiseres] in de [adres 1] wordt geleverd aan de zoon van [gedaagde] ( [zoon] ), althans dat hun onverdeelde aandeel daarin aan [gedaagde] wordt toebedeeld zodat [gedaagde] dit aan zijn zoon kan leveren;\n\nII. medewerking van [eiser] en [eiseres] aan het onder I. gevorderde en dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde (rechts)handelingen als [eiser] en [eiseres] daaraan niet meewerken;\n\nIII. een verklaring voor recht dat aan [eiser] en [eiseres] geen enkele vergoeding toekomt met betrekking tot de [adres 1] , uit hoofde van overbedeling of uit welke hoofde dan ook;\n\nIV. dat de rechtbank aan [eiser] en [eiseres] opdraagt om met de bewindvoerder van [dochter van erflater] in gesprek te gaan over de uitvoering van de wil van erflater, te weten dat er na zijn overlijden voldoende geld uit zijn nalatenschap beschikbaar is als aanvulling op het inkomen van [dochter van erflater] en voor de betaling van haar zorgkosten, welk geld (mede) uit het erfdeel van [eiser] en [eiseres] dient te komen;\n\nV. hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [eiseres] om alle foto’s die erflater op het moment van zijn overlijden in zijn bezit had aan [gedaagde] over te dragen;\n\nVI. een verklaring voor recht dat [eiser] en [eiseres] niets meer uit hoofde van de nalatenschap te vorderen hebben en dat zij geen vordering op [gedaagde] hebben die op enigerlei wijze zijn oorsprong in de nalatenschap vindt;\n\nVII. een verklaring voor recht dat op wat [eiser] en [eiseres] al uit de nalatenschap hebben verkregen een bedrag van € 1.440,00 aan opslagkosten in mindering komt;\n\nVIII. dat de rechtbank [eiser] en [eiseres] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en tot betaling van de door [gedaagde] gemaakte advocaatkosten van € 10.000,00.\n\n3.3.. Partijen voeren over en weer verweer. De rechtbank zal ingaan op de stellingen en verweren van partijen als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is.\n\n4. De beoordeling in conventie en in reconventie\n\n4.1.. De vorderingen van [eiser] en [eiseres] en de tegenvorderingen van [gedaagde] strekken tot afwikkeling van de nalatenschap van erflater. De rechtbank zal de vorderingen daarom gezamenlijk bespreken en beoordelen.\n\nExecutele\n\n4.2.. De vorderingen van [eiser] en [eiseres] die te maken hebben met de executele zal de rechtbank toewijzen. Dat zijn de vorderingen die in 3.1.I. tot en met 3.1.III. van dit vonnis zijn genoemd. Alleen de gevorderde dwangsom vindt de rechtbank niet toewijsbaar.\n\n4.3.. Dit betekent in de eerste plaats dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de executeurstaak van [gedaagde] is geëindigd. [gedaagde] zegt tegen toewijzing van deze verklaring voor recht immers geen bezwaar te hebben. Bovendien heeft [gedaagde] niet weersproken dat de (opeisbare) schulden van de nalatenschap zijn voldaan. [gedaagde] heeft zijn werkzaamheden als executeur dus voltooid, waarmee zijn taak als executeur op grond van artikel 4:149 lid 1 sub a BW is geëindigd.\n\n4.4.. Dat de taak van de executeur is geëindigd, betekent niet automatisch dat de executeur niet meer het beheer over de goederen van de nalatenschap heeft en de erfgenamen tot het beheer zijn bevoegd. De executeur beëindigt zijn beheer door de goederen van de nalatenschap aan de erfgenamen ter beschikking te stellen (artikel 4:150 lid 1 BW). De erfgenamen kunnen de bevoegdheid van de executeur tot beheer op grond van artikel 4:150 lid 2 sub b BW beëindigen als anderhalf jaar is verstreken nadat de executeur de nalatenschap in beheer heeft kunnen nemen. De rechtbank beschouwt het beheer van [gedaagde] als beëindigd omdat [eiser] en [eiseres] zich op dit laatstgenoemd artikel onweersproken hebben beroepen en [gedaagde] zegt er geen bezwaar tegen te hebben als de erfgenamen de nalatenschap beheren. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht dat het beheer aan de erfgenamen toekomt daarom toewijzen.\n\n4.5.. De executeur van wie de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd, is op grond van de wet (artikel 4:151 BW) verplicht om aan (in dit geval) de erfgenamen rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer op de manier als voor bewindvoerders is bepaald. Volgens [gedaagde] heeft hij al aan deze verplichting voldaan met zijn als productie 5 overgelegde e-mail van 19 januari 2022 met bijlagen. De rechtbank kan [gedaagde] daarin niet volgen, (reeds) omdat de periode waarover [gedaagde] rekening en verantwoording moet afleggen loopt tot en met het einde van zijn beheer. Productie 5 ziet slechts op de periode tot (maximaal) 19 januari 2022. Omdat [gedaagde] geen ander relevant verweer heeft gevoerd tegen de gevorderde rekening en verantwoording, zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen. De rechtbank zal aan deze veroordeling geen dwangsom verbinden, omdat [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij vrijwillig aan een veroordeling op dit punt zal voldoen.\n\nDe nalatenschap van erflater - juridisch kader\n\n4.6.. Voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de bezittingen en schulden die bij de nalatenschap horen, geldt het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van erflater (30 mei 2020) als peilmoment. Als het gaat om de peildatum voor de vaststelling van de waarde van de bezittingen, is de hoofdregel dat het moment van verdeling moet worden aangehouden. Partijen hebben over de verdeling geen volledige overeenstemming kunnen bereiken. Verderop in dit vonnis zal de rechtbank daarom op de voet van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling gelasten. Daarbij heeft de rechtbank naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de wijze van verdeling gelast, is niet gebonden aan wat partijen hebben gevorderd en hoeft niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren. Verder is het zo dat bij een verdeling iedere erfgenaam kan verlangen dat op het aandeel van een andere erfgenaam wordt toegerekend wat deze aan de nalatenschap schuldig is (artikel 4:228 BW). Ten slotte speelt in deze zaak artikel 3:194 lid 2 BW een rol. Op grond van dit wetsartikel verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen aan de andere deelgenoot.\n\nWat valt in de nalatenschap?\n\n4.7.. Partijen zijn het erover eens dat de nalatenschap van erflater, op de dag van zijn overlijden, uit de volgende bestanddelen bestond:\n\n- een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] en de op de [adres 1] rustende hypothecaire geldlening. Volgens de onweersproken stellingen van [gedaagde] bedroeg deze hypothecaire schuld op de dag dat [gedaagde] zijn conclusie van antwoord heeft ingediend een kleine € 200.000,00;\n\n- de onroerende zaak aan de [adres 2] (waar erflater woonde);\n\n- een onverdeeld aandeel in de loods aan de [adres 3] in Schagen (hierna: de loods);\n\n- de creditsaldi van de bij de Rabobank aangehouden rekeningen (de betaalrekening met nummer [rekeningnummer] (hierna: de ervenrekening) en de spaar- en beleggingsrekening);\n\n- contanten van € 1.200,00;\n\n- een auto, merk Audi (TT);\n\n- inboedel.\n\nAuto\n\n4.8.. \n [gedaagde] heeft de auto aan zijn zoon overgedragen zonder dat zijn zoon daar iets voor hoefde te betalen. [eiser] en [eiseres] hebben ter zitting van 28 oktober 2025 verklaard dat zij hiermee bij nader inzien akkoord zijn en dat, naar de rechtbank begrijpt, aanspraken van de nalatenschap die met de auto te maken hebben buiten beschouwing gelaten kunnen worden. Bij de beoordeling zal de rechtbank de auto daarom verder niet betrekken.\n\nDe ervenrekening\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat zij als erfgenamen (dezelfde) voorschotten van de ervenrekening hebben ontvangen en dat van de ervenrekening € 5,65 aan [gedaagde] moet worden betaald vanwege voorgeschoten bankkosten. Ook staat vast dat de saldi van de spaar- en beleggingsrekeningen naar de ervenrekening zijn overgemaakt.\n\n4.10.. Na het overlijden van erflater zijn de [adres 2] en de loods aan een derde verkocht en geleverd. De verkoopopbrengst is naar de ervenrekening overgemaakt. De koper van de loods heeft voor de loods aanvullend € 5.000,00 in contanten betaald. Volgens [eiser] en [eiseres] heeft [gedaagde] dit bedrag buiten de nalatenschap gehouden. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en in dat verband gewezen op een overgelegd bankafschrift waaruit volgens [gedaagde] is af te leiden dat het betreffende bedrag van € 5.000,00 naar de ervenrekening is overgemaakt. [eiser] en [eiseres] hebben dit niet weersproken. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat het bedrag van € 5.000,00 is overgemaakt naar de ervenrekening en dus al in het banksaldo van de ervenrekening is verdisconteerd.\n\n4.11.. \n\nPartijen zijn het erover eens dat na voornoemde bij- en afschrijvingen uitgegaan moet worden van een creditsaldo op de ervenrekening van € 83.572,08. Op de zitting van\n\n28 oktober 2025 is duidelijk geworden dat dit saldo inmiddels met ruim € 30.000,00 is verminderd omdat [gedaagde] een aantal kosten, die [eiser] en [eiseres] hebben betwist, al van de ervenrekening heeft betaald. [gedaagde] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het gaat om de volgende kosten:\n\n- verbouwingskosten;\n\n- loon executeur;\n\n- juridische advieskosten;\n\n- opslagkosten;\n\n- de kosten van de tandemasser.\n\n4.12.. De rechtbank oordeelt dat deze kosten niet ten laste van de nalatenschap konden worden gebracht. Hierna legt de rechtbank uit waarom.\n\nVerbouwingskosten\n\n4.13.. \n [gedaagde] heeft na het overlijden van erflater in (een bijgebouw van) de [adres 2] twee slaapkamers gecreëerd. Volgens [gedaagde] heeft deze verbouwing er aan bijgedragen dat de [adres 2] voor ruim € 100.000,00 meer dan de getaxeerde waarde werd verkocht. [gedaagde] stelt dat de verbouwing € 5.000,00 heeft gekost en dat deze kosten redelijkerwijs voor rekening van de nalatenschap komen.\n\n4.14.. \n [eiser] en [eiseres] hebben daartegen ingebracht dat de verbouwingskosten niet zijn onderbouwd en dat er geen (juridische) grond is om deze kosten ten laste van de nalatenschap te brengen. Volgens [eiser] en [eiseres] heeft [gedaagde] de verbouwing doorgevoerd zonder met hen te overleggen. Toen zij erachter kwamen dat de [adres 2] was verbouwd, zegde [gedaagde] hen toe dat hij de verbouwing zou terugdraaien maar daaraan heeft [gedaagde] zich niet gehouden, aldus [eiser] en [eiseres] .\n\n4.15.. De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde] als executeur bevoegd was tot beheer van de goederen van de nalatenschap. Voor de aan het beheer te ontlenen bevoegdheden kan aansluiting worden gezocht bij artikel 3:170 lid 2 BW. Volgens deze bepaling zijn onder beheer begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn. Ook was [gedaagde] tot handelingen bevoegd die dienen tot gewoon onderhoud of tot behoud van een goed van de nalatenschap en tot handelingen die geen uitstel kunnen leiden (artikel 3:170 lid 1 BW).\n\n4.16.. De rechtbank ziet niet dat de verbouwing voor een normale exploitatie van de [adres 2] dienstig kon zijn. [gedaagde] heeft hierover ook niets gesteld. De verbouwing betrof ook geen gewoon onderhoud en de verbouwing was niet noodzakelijk voor het behoud van de woning. Bovendien is de verbouwing niet terug te voeren op een tussen [gedaagde] en de erfgenamen gemaakte afspraak. [gedaagde] stelt in ieder geval niet dat hij hierover met de (andere) erfgenamen een afspraak heeft gemaakt. [gedaagde] heeft de verbouwing dan ook niet bevoegdelijk verricht, zodat de daarmee gepaarde kosten ook niet ten laste van de nalatenschap mochten worden gebracht.\n\nLoon executeur en juridische advieskosten\n\n4.17.. \n\n [gedaagde] heeft zich als executeur een loon toegekend van € 18.000,00. [gedaagde] stelt dat hij op grond van onvoorziene omstandigheden recht heeft op dit loon, omdat zijn taak als executeur meer tijd en moeite bleek te kosten dan was voorzien. [gedaagde] kwam tot deze conclusie nadat zijn dochter hem hierover juridisch had geadviseerd. Ter zitting van\n\n28 oktober 2025 is gebleken dat de dochter van [gedaagde] voor dit advies € 2.904,00 in rekening heeft gebracht en dat [gedaagde] deze kosten heeft aangemerkt als kosten van executele.\n\n4.18.. \n [eiser] en [eiseres] betwisten dat dit schulden van de nalatenschap zijn. Zij wijzen op het testament waarin is bepaald dat de executeur geen recht heeft op loon en dat [gedaagde] de kantonrechter had moeten vragen om hem toch een beloning toe te kennen. Volgens [eiser] en [eiseres] zou de kantonrechter [gedaagde] echter geen beloning hebben toegekend omdat geen sprake is van onvoorziene omstandigheden. Verder bestrijden [eiser] en [eiseres] dat de juridische kosten van € 2.904,00 zijn aan te merken als kosten van executele.\n\n4.19.. De rechtbank is het met [eiser] en [eiseres] eens dat [gedaagde] geen recht heeft op loon. Erflater heeft in zijn testament bepaald dat de executeur geen loon toekomt. [gedaagde] heeft de kantonrechter ook niet gevraagd om hem op grond van onvoorziene omstandigheden toch een beloning toe te kennen (op grond van artikel 4:144 lid 3 in samenhang gelezen met artikel 4:159 lid 3 BW), zodat een toewijzende beschikking van de kantonrechter ook niet voorhanden is. Het juridisch advies over zijn aanspraak op loon, heeft [gedaagde] uitsluitend ten behoeve van zichzelf ingewonnen. De rechtbank ziet dan ook niet dat dit kosten zijn die [gedaagde] , gelet op de hem door de wet of erflater toegedachte taak, in redelijkheid heeft kunnen maken. De juridische advieskosten zijn daarom niet aan te merken als kosten van executele. Deze kosten en het bedrag aan loon voor de executeur hadden dus niet van de ervenrekening mogen worden betaald.\n\nOpslagkosten en kosten van de tandemasser\n\n4.20.. \n\n [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat hij jarenlang de resterende inboedel van de nalatenschap heeft opgeslagen in twee van zijn zes inboedelboxen. Volgens [gedaagde] verhuurt hij de inboedelboxen normaal gesproken voor € 600,00 per box per jaar. [gedaagde] heeft\n\n€ 4.800,00 aan opslagkosten van de ervenrekening betaald (twee boxen voor € 600,00 per box per jaar × vier jaar). Voor het vijfde jaar (2025) geldt een verhoogd tarief van (totaal) € 1.440,00, aldus [gedaagde] . Gelet op de verklaring voor recht die [gedaagde] onder 3.2.VII vordert, gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] dit bedrag van € 1.440,00 nog niet van de ervenrekening heeft betaald. Daarnaast stelt [gedaagde] dat hij indertijd zijn tandemasser 40 dagen ter beschikking heeft gesteld om spullen uit de [adres 2] naar de stort te brengen, waarvoor [gedaagde] € 2.000,00 (€ 50,00 per dag × 40 dagen) heeft gerekend. Omdat [eiser] en [eiseres] onderhavige procedure zijn begonnen, heeft [gedaagde] besloten om de kosten van de tandemasser en de opslagkosten alsnog in rekening te brengen, aldus [gedaagde] .\n\n4.21.. \n [eiser] en [eiseres] betwisten dat deze kosten ten laste van de nalatenschap komen. Zij voeren aan dat [gedaagde] deze kosten niet onderbouwt en dat de opslagkosten onnodig zijn gemaakt. Volgens [eiser] en [eiseres] kan [gedaagde] deze kosten de erfgenamen na zo’n lange periode in ieder geval in redelijkheid niet tegenwerpen.\n\n4.22.. \n\nAls zou komen vast te staan dat de opslagkosten € 1.200,00 (of inmiddels\n\n€ 1.440,00) per jaar bedragen, dan vindt de rechtbank dat [gedaagde] deze kosten in redelijkheid niet heeft kunnen maken, althans niet zonder voorafgaand overleg met de (andere) erfgenamen. Deze opslagkosten staan namelijk in geen verhouding tot de waarde van de opgeslagen inboedel. Die waarde is immers volgens de eigen stellingen van [gedaagde] nihil. [gedaagde] heeft het van tevoren ook niet met de andere erfgenamen over deze opslagkosten gehad. [gedaagde] kan deze opslagkosten daarom niet na vier of vijf jaar ‘zomaar’ ten laste van de nalatenschap brengen. Dit betekent voor de verklaring voor recht, die [gedaagde] met betrekking tot de opslagkosten ter hoogte van € 1.440,00 vordert (zie 3.2.VII.), dat de rechtbank deze verklaring voor recht zal afwijzen.\n\n4.23.. Ook de kosten van de tandemasser kunnen niet ten laste van de nalatenschap worden gebracht. Hoe het ter beschikking stellen van de tandemasser [gedaagde] € 2.000,00 kan hebben gekost, heeft [gedaagde] namelijk niet gemotiveerd gesteld.\n\n4.24.. \n\nHet voorgaande brengt mee dat [gedaagde] een bedrag van € 32.704,00 (€ 5.000,00 +\n\n€ 18.000,00 + € 2.904,00 + € 4.800,00 + € 2.000,00) aan de nalatenschap moet vergoeden, omdat [gedaagde] deze kosten onbevoegd van de ervenrekening heeft betaald.\n\n [adres 2]\n\n4.25.. Wat betreft de [adres 2] hebben partijen over twee punten een geschil. Het eerste geschilpunt heeft te maken met de huuropbrengsten van de [adres 2] en het tweede geschilpunt gaat over de gebruiksvergoeding die [gedaagde] volgens [eiser] en [eiseres] aan de nalatenschap is verschuldigd omdat [gedaagde] na het overlijden van erflater in de [adres 2] heeft gewoond.\n\nHuuropbrengsten\n\n4.26.. Vaststaat dat de [adres 2] na het overlijden van erflater is verhuurd. In de dagvaarding hebben [eiser] en [eiseres] vermeld dat zij de huuropbrengsten niet hebben kunnen terugvinden op de bankafschriften van de ervenrekening. Volgens [eiser] en [eiseres] rechtvaardigt dit de conclusie dat [gedaagde] de huuropbrengsten opzettelijk heeft verzwegen of verborgen heeft gehouden en dat [gedaagde] zijn aandeel in de huuropbrengsten daarom heeft verbeurd.\n\n4.27.. In reactie hierop heeft [gedaagde] gemotiveerd toegelicht dat de [adres 2] in 2020 twee keer voor een korte periode verhuurd is geweest en dat de verschuldigde huur van in totaal € 3.000,00 aan de nalatenschap ten goede is gekomen, wat volgens [gedaagde] is af te leiden uit de door hem overgelegde factuur en overgelegd betalingsbewijs (producties 14 en 15). Volgens [gedaagde] zijn de huuropbrengsten van € 3.000,00 wel degelijk op de ervenrekening bijgeschreven en dus al in het banksaldo van de ervenrekening verdisconteerd. Deze gemotiveerde betwisting hebben [eiser] en [eiseres] niet bestreden. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de huuropbrengsten naar de ervenrekening zijn overgemaakt. Van het opzettelijk verzwijgen of verborgen houden van de aan de nalatenschap toekomende huuropbrengsten is dan ook geen sprake. Daarom faalt het beroep van [eiser] en [eiseres] op artikel 3:194 lid 2 BW. Dit betekent dat de rechtbank de verklaring voor recht die [eiser] en [eiseres] met betrekking tot deze huuropbrengsten hebben gevorderd (zie 3.1.VI.) zal afwijzen.\n\nGebruiksvergoeding\n\n4.28.. Volgens [eiser] en [eiseres] is [gedaagde] op grond van artikel 3:169 BW aan de nalatenschap een gebruiksvergoeding verschuldigd van € 2.847,31. Daartoe stellen [eiser] en [eiseres] dat [gedaagde] tussen 30 mei 2020 en 15 januari 2021, verspreid over vier periodes, in de [adres 2] heeft gewoond. Dat [gedaagde] hen daarbij ook het gebruik van de woning heeft ontzegd, blijkt volgens [eiser] en [eiseres] uit het overgelegde appbericht van [gedaagde] van 2 augustus 2020. In dit bericht schrijft [gedaagde] dat hij in de woning verblijft, dat de andere erfgenamen niet meer op visite mogen komen en dat ongeoorloofd binnentreden geldt als huisvredebreuk.\n\n4.29.. \n [gedaagde] betwist de verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding. Met de hoogte van de gebruiksvergoeding is [gedaagde] het ook niet eens. [gedaagde] voert aan dat hij de [adres 2] niet heeft “geclaimd”. Ter zitting van 28 oktober 2025 heeft [gedaagde] (onweersproken) verklaard dat hij de andere erfgenamen heeft voorgehouden dat het niet goed is om de woning onbewoond te laten en dat hij hen heeft gevraagd op welke data zij de woning zouden willen gebruiken. Alleen [eiseres] heeft gezegd de woning te willen gebruiken. Hijzelf heeft de woning korte periodes bewoond. Volgens [gedaagde] heeft hij zich met zijn appbericht van 2 augustus 2020 de woning niet exclusief willen toe-eigenen. Hij had in die tijd een nieuwe vriendin en zag het als een inbreuk op zijn privacy als de andere erfgenamen zonder vooraankondiging langskomen. In die emotionele context moet zijn appbericht worden gelezen, aldus [gedaagde] .\n\n4.30.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:169 BW iedere erfgenaam in principe bevoegd is een gemeenschappelijk goed te gebruiken. Als een erfgenaam een goed echter met uitsluiting van de andere erfgenaam gebruikt, dan kan die erfgenaam worden verplicht om de erfgenaam die verstoken blijft van het gebruik en het genot waarop hij recht heeft schadeloos te stellen (in de vorm van bijvoorbeeld een gebruiksvergoeding). Daarbij geldt dat de rechtsbetrekking tussen de erfgenamen wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.31.. \n [gedaagde] is geen gebruiksvergoeding aan de nalatenschap verschuldigd. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat ook de andere erfgenamen de [adres 2] konden gebruiken. [gedaagde] heeft het gebruik met de andere erfgenamen afgestemd. Feitelijk heeft ook niet alleen [gedaagde] het uitsluitend gebruik van de woning gehad. Nadat [gedaagde] het appbericht van 2 augustus 2020 had gestuurd, heeft [eiseres] nog in de woning gewoond. [eiseres] heeft op de zitting van 28 oktober 2025 namelijk verklaard dat zij in november 2020 tien dagen in de [adres 2] heeft gewoond. Voor een gebruiksvergoeding is daarom geen plaats.\n\nHuuropbrengsten [adres 1]\n\n4.32.. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of (een deel van) de huuropbrengsten van de [adres 1] in de nalatenschap (valt) vallen. [eiser] en [eiseres] menen van wel omdat de nalatenschap gerechtigd is tot een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] . [eiser] en [eiseres] stellen dat [gedaagde] ook deze huuropbrengsten opzettelijk heeft achtergehouden en dat hij zijn aandeel daarin heeft verbeurd.\n\n4.33.. \n [gedaagde] betwist dat de huuropbrengsten in de nalatenschap vallen. Volgens [gedaagde] komen de huuropbrengsten op grond van de overeenkomst volledig aan hem toe, zodat hij zijn aandeel daarin niet kan hebben verbeurd.\n\n4.34.. De rechtbank volgt [gedaagde] in zijn verweer. In artikel 4 van de overeenkomst staat namelijk duidelijk dat de huuropbrengsten volledig ten goede komen aan [gedaagde] . Dat het desondanks de bedoeling van erflater en [gedaagde] was dat erflater aanspraak zou kunnen maken op (een deel van) de huuropbrengsten stellen [eiser] en [eiseres] niet en dit blijkt ook nergens uit.\n\n4.35.. \n [eiser] en [eiseres] zijn gebonden aan de tussen erflater en [gedaagde] gemaakte afspraak dat alle huuropbrengsten aan [gedaagde] toekomen. [eiser] en [eiseres] hebben in de conclusie van antwoord in reconventie de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen. Voor zover [eiser] en [eiseres] zich op het standpunt hebben willen stellen dat de over de huuropbrengsten gemaakte afspraak niet meer geldt omdat de overeenkomst is ontbonden, verwerpt de rechtbank dit standpunt. [eiser] en [eiseres] kunnen de overeenkomst als (twee van de drie) deelgenoten namelijk niet ontbinden. Ook het beroep van [eiser] en [eiseres] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt. Waarom het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [gedaagde] gerechtigd is tot de (volledige) huuropbrengsten, hebben [eiser] en [eiseres] niet duidelijk gemaakt. [eiser] en [eiseres] hebben hierover niets concreets gesteld.\n\n4.36.. Omdat (een deel van) de huuropbrengsten geen onderdeel zijn (is) van de nalatenschap, kan [gedaagde] zijn aandeel daarin niet hebben verbeurd. De verklaring voor recht dat [gedaagde] zijn aandeel in de huurinkomsten van de [adres 1] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW heeft verbeurd, is daarom niet toewijsbaar (vordering onder 3.1.VI.).\n\nNotariskosten\n\n4.37.. De rechtbank moet zich nog buigen over de notariskosten van € 5.660,65. De vraag is of deze kosten, die [eiser] en [eiseres] stellen te hebben voorgeschoten, ten laste komen van de nalatenschap. Volgens [eiser] en [eiseres] is dat het geval. Zij stellen dat zij de notaris als partijnotaris hebben ingeschakeld om de afwikkeling van de nalatenschap in der minne met [gedaagde] te regelen. De notaris heeft daartoe een conceptakte opgesteld. Dit rechtvaardigt volgens [eiser] en [eiseres] de conclusie dat deze kosten ten laste van de nalatenschap kunnen worden gebracht. [gedaagde] bestrijdt dit. [gedaagde] voert aan dat hij met het inschakelen van deze notaris niet heeft ingestemd en dat de werkzaamheden van de notaris niets hebben bijgedragen aan de afwikkeling van de nalatenschap.\n\n4.38.. De rechtbank oordeelt dat de notariskosten voor rekening van [eiser] en [eiseres] dienen te blijven. Op grond van wat [eiser] en [eiseres] hebben gesteld ziet de rechtbank niet dat het hier gaat om een schuld van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 BW. [eiser] en [eiseres] hebben dit onvoldoende gemotiveerd gesteld.\n\nFoto’s\n\n4.39.. \n [gedaagde] vordert dat de rechtbank [eiser] en [eiseres] veroordeelt om alle foto’s die erflater op het moment van zijn overlijden in zijn bezit had aan [gedaagde] over te dragen. De rechtbank zal deze vordering afwijzen. [eiser] en [eiseres] betwisten namelijk dat zij de foto’s hebben. Bovendien is het enige dat [gedaagde] ter onderbouwing van deze vordering stelt dat hij in januari 2021 heeft geconstateerd dat alle foto’s zijn verdwenen. Daarmee is echter nog niet gezegd dat [eiser] en\u002Fof [eiseres] de foto’s hebben weggenomen en in hun bezit hebben. Wel wil de rechtbank [eiser] eraan herinneren dat hij op de zitting van 28 oktober 2025 heeft verklaard dat hij thuis gaat kijken of hij nog (eigen) foto’s van [gedaagde] heeft die hij aan [gedaagde] kan overhandigen.\n\nDe wijze van verdeling\n\n4.40.. Daarmee komt de rechtbank toe aan de verdeling van de nalatenschap. Voor een veroordeling van [gedaagde] om met [eiser] en [eiseres] over te gaan tot verdeling van de nalatenschap is geen plaats, omdat de rechtbank de wijze van verdeling gelast. De rechtbank gelast de wijze van verdeling als volgt.\n\n [adres 1]\n\n4.41.. Het een vierde onverdeeld aandeel in de [adres 1] ( [postcode] [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastraalnummer] ) wordt toegedeeld aan [gedaagde] , zonder verrekening van enige waarde, en onder de voorwaarde dat [eiser] en [eiseres] binnen zes maanden na vandaag worden ontslagen uit hun hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld (die volledig door [gedaagde] dient te worden gedragen).\n\n4.42.. De reden dat de rechtbank vindt dat het onverdeeld aandeel aan [gedaagde] moet worden toegedeeld is dat alle partijen toedeling aan [gedaagde] wensen en [gedaagde] al eigenaar is van het andere (drie vierde) onverdeeld aandeel. Omdat het onverdeeld aandeel aan [gedaagde] wordt toegedeeld, hoeft de aanbiedingsprocedure van artikel 8 van de tussen erflater en [gedaagde] met betrekking tot de [adres 1] gesloten overeenkomst, voor zover van toepassing, niet te worden gevolgd.\n\n4.43.. De rechtbank volgt [eiser] en [eiseres] niet in hun betoog dat [gedaagde] door deze toedeling is overbedeeld. Net als [gedaagde] legt de rechtbank de met betrekking tot de [adres 1] gesloten overeenkomst namelijk zo uit dat van overbedeling van [gedaagde] geen sprake kan zijn. In de overeenkomst staat immers dat erflater niet deelt in de opbrengsten behoudens 10% van een eventueel bij leven te realiseren (netto-) verkoopwinst en dat de erfgenamen op geen enkele wijze worden bevoordeeld (of benadeeld) door het in eigendom hebben van de woning, niet tijdens leven en of overlijden van erflater. In artikel 4 staat bovendien letterlijk:\n\n“Een positief saldo waarde woning min schuld (dat wellicht steeds groter wordt door verplichte aflossingen van 2 en mogelijk waardestijging van de woning) komt te allen tijde ten goede aan 2. Ook na overlijden van 1. Het door 2 opgebouwde kapitaal wordt buiten een erfenis gehouden of voor zover dit onmogelijk is zullen de erfgenamen ondergetekende 2 volledig moeten compenseren voor een eventueel te genieten voordeel als gevolg van aflossingen en waardestijging van de woning;”.\n\nHet was dan ook duidelijk de bedoeling van erflater en [gedaagde] dat de erfgenamen van erflater niet van enige opbrengst of overwaarde zouden profiteren. Dat in artikel 8 is bepaald dat de [adres 1] aan [gedaagde] kan worden overgedragen op basis van “aankoopwaarde (koopsom plus betaald meerwerk op datum transport bij notaris in 2017) (…) als er voldoende middelen zijn om de transactie te doen slagen (…)” zet de hiervoor genoemde (duidelijke) bepalingen van de overeenkomst niet opzij. Anders dan [eiser] en [eiseres] ziet de rechtbank in ieder geval niet dat [eiser] en [eiseres] op grond van artikel 8 toch aanspraak kunnen maken op een deel van de waarde of recht hebben op een overbedelingsvergoeding. Daarbij geldt dat [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd dat met deze passage uit artikel 8 slechts duidelijk werd gemaakt dat [gedaagde] te zijner tijd aan de geldverstrekker moet kunnen laten zien dat hij genoeg middelen heeft om de hypothecaire geldlening als enige voor te zetten.\n\n4.44.. Dat de toedeling aan [gedaagde] plaatsvindt zonder verrekening van enige waarde en dat de volledige hypotheekschuld door [gedaagde] dient te worden gedragen, strookt ook met de door [gedaagde] onweersproken geschetste achtergrond van de overeenkomst. Volgens [gedaagde] wilde hij de [adres 1] kopen als investering voor hemzelf. Indertijd kwam hij echter onverwacht in een WW-situatie terecht, waardoor hij de financiering in z’n eentje niet rond kreeg. Erflater was bereid [gedaagde] te helpen en zich dus hoofdelijk te verbinden tot terugbetaling van de hypotheekschuld. Van deze hypotheekschuld wilde erflater echter geen last hebben en ook andere kosten met betrekking tot de [adres 1] moesten door [gedaagde] worden gedragen. Alle voordelen van de [adres 1] (behalve de in de overeenkomst genoemde 10% (zie 4.42 van dit vonnis)), zouden echter wel aan [gedaagde] te goede komen, aldus [gedaagde] .\n\n4.45.. Naast de ontbinding van de overeenkomst, die de rechtbank al in 4.35 van dit vonnis heeft verworpen, hebben [eiser] en [eiseres] zich nog beroepen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [eiser] en [eiseres] hebben echter geen feiten en\u002Fof omstandigheden gesteld op grond waarvan het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat aan [gedaagde] het onverdeeld aandeel wordt toegedeeld zonder verrekening van enige waarde. Het beroep van [eiser] en [eiseres] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt dus.\n\n4.46.. De overige vorderingen van [eiser] en [eiseres] die met de [adres 1] te maken hebben (zie 3.1.V.), zal de rechtbank afwijzen. Volgens [gedaagde] kan hij namelijk (inmiddels) aan de in 4.41 van dit vonnis weergegeven wijze van verdeling voldoen. Omdat alle partijen willen dat het onverdeeld aandeel in de [adres 1] aan [gedaagde] wordt toegedeeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om het door [eiser] en [eiseres] gevorderde bevel (onder 3.1.V.) en de medewerking die [gedaagde] onder 3.2.II. vordert, toe te wijzen.\n\nDe ervenrekening en contanten\n\n4.47.. Ieder van partijen komt een derde deel toe van de (resterende) nalatenschap (de ervenrekening en contanten), waarbij op het aandeel van [gedaagde] wordt toegerekend dat wat hij nog aan de nalatenschap verschuldigd is (zie 4.24 van dit vonnis). Dat [eiser] en [eiseres] toerekening op het aandeel van [gedaagde] willen (en dus op artikel 4:228 BW een beroep hebben willen doen), maakt de rechtbank op uit wat van de kant van [eiser] en [eiseres] op de zitting van 28 oktober 2025 is verklaard, namelijk dat zij hun aandeel willen ontvangen op basis van een fictief saldo: het saldo van vóór de onbevoegde betalingen. Het bedrag dat [gedaagde] na deze toerekening, en na ontvangst door [eiser] en [eiseres] , nog aan de nalatenschap is verschuldigd, dient [gedaagde] op de ervenrekening over te maken. Dat bedrag komt ieder van partijen voor een derde deel toe. Daarmee is de door [gedaagde] gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] en [eiseres] niets meer van [gedaagde] met betrekking tot de nalatenschap te vorderen hebben (vordering onder 3.2.VI.), niet toewijsbaar.\n\nDe resterende inboedel\n\n4.48.. Ieder van partijen is gerechtigd tot een derde deel van de resterende inboedel. Dat [gedaagde] zich de resterende inboedel heeft toegeëigend, hebben [eiser] en [eiseres] niet gemotiveerd gesteld. De resterende inboedel is opgeslagen. Partijen hebben niet duidelijk gemaakt dat zij bepaalde roerende zaken toegedeeld willen krijgen. De resterende inboedel dient in onderling overleg te worden verdeeld, zonder verrekening van waarde. Als verdeling in onderling overleg niet lukt, dan dient de inboedel te worden verkocht. De verkoopopbrengst komt (na aftrek van eventuele kosten) toe aan partijen, ieder voor een derde deel.\n\n [dochter van erflater]\n\n4.49.. De vordering van [gedaagde] betreffende [dochter van erflater] (vordering onder 3.2.IV.) zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank ziet geen grond om deze vordering toe te wijzen. Tot dit inzicht is ook [gedaagde] gekomen. Op de zitting van 28 oktober 2025 is van de kant van [gedaagde] namelijk onderkend dat deze vordering in deze procedure niet thuishoort.\n\nAdvocaatkosten\n\n4.50.. \n [gedaagde] vordert € 10.000,00 aan advocaatkosten. Daaraan legt [gedaagde] ten grondslag dat sprake is van misbruik van procesrecht. Volgens [gedaagde] is hij, na een half jaar niets van [eiser] en [eiseres] te hebben gehoord, rauwelijks gedagvaard, zonder enige noodzaak.\n\n4.51.. De rechtbank geeft [eiser] en [eiseres] gelijk dat zij geen misbruik van procesrecht hebben gemaakt door onderhavige procedure te starten. Van rauwelijks dagvaarden is geen sprake. Over de afwikkeling van de nalatenschap werden partijen het niet eens, ook niet na daartoe gedane schikkingspogingen. Het stond [eiser] en [eiseres] vrij om onderhavige (deels toewijsbare) vorderingen tegen [gedaagde] in te stellen. De rechtbank vindt de gevorderde advocaatkosten al om die reden niet toewijsbaar.\n\nProceskosten\n\n4.52.. De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank doet dit omdat partijen familie van elkaar zijn en de rechtbank geen aanleiding ziet om één van partijen in de proceskosten te veroordelen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n5.1.. verklaart voor recht dat de taak van [gedaagde] als executeur in de nalatenschap van erflater is geëindigd,\n\n5.2.. verklaart voor recht dat het beheer van de goederen van de nalatenschap van erflater toekomt aan de gezamenlijke erfgenamen,\n\n5.3.. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gevoerde beheer over de goederen van de nalatenschap van erflater vanaf het moment van overlijden van erflater tot vandaag,\n\nen verder in conventie en in reconventie\n\n5.4.. gelast de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater zoals in 4.41, 4.47 en in 4.48 van dit vonnis is vermeld,\n\n5.5.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis, wat betreft 5.3 en 5.4, uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. M.C. van Rijn, rechter, bijgestaan door mr. N.M. Bindhammer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.\n\n Zie Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1723","ecli-nl-rbnho-2026-1723",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]