[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-3952":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-3952":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1296","ECLI:NL:RBNHO:2026:3952","",73,"Alkmaar","alkmaar","2026-04-13T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Alkmaar\n\nZaaknummers \u002F rekestnummers: 12136677 \\ AO VERZ 26-25 en 12132774 \\ AO VERZ 26-24 (NE)\n\nBeschikking van13 april 2026 (bij vervroeging)\n\nin zaaknummer 121436677:\n\n [verzoeker 1],\n\nte [plaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap FiFi4Marine B.V.,\n\nte Zwaag,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: FiFi4Martine,\n\ngemachtigde: mr. N. Bulut.\n\nen\n\nin zaaknummer 12132774:\n\nde besloten vennootschap FiFi4Marine B.V.,\n\nte Zwaag,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: FiFi4Martine,\n\ngemachtigde: mr. N. Bulut,\n\ntegen\n\n [verweerder 2],\n\nte [plaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. P.F. Keuchenius.\n\nDe zaken in het kort\n\nIn de eerste zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoekt af, omdat het ontslag op staande voet (rechts)geldig is. De kantonrechter oordeelt dat het handelen en nalaten van de werknemer bestaande uit het kopiëren van een grote hoeveelheid bedrijfsgegevens van de bedrijfslaptop naar een externe privé harde schijf en vervolgens niet voldoen aan sommaties van de werkgever om afgifte van deze harde schijf, kwalificeert als een dringende reden. Dit handelen en nalaten van de werknemer is ook ernstig verwijtbaar, waardoor de werknemer het recht op een transitievergoeding verliest. De werkgever moet nog wel een bedrag aan niet genoten verlofuren en overuren aan de werknemer betalen en wordt daartoe veroordeeld.\n\nIn de tweede zaak verzoekt de werkgever om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding. Dat verzoek wordt toegewezen, omdat de werknemer door opzet of schuld aan de werkgever een dringende heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:\n\nin zaaknummer 12136677:\n\n- het verzoekschrift van [werknemer] met producties\n\n- het verweerschrift met voorwaardelijk tegenverzoek van FiFi4Marine met producties\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n- het verzoekschrift van FiFi4Marine met producties\n\n- een verweerschrift van [werknemer] met producties\n\n1.2.. De gelijktijdige mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij zijn partijen met hun gemachtigden verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij FiFi4Marine gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen en [werknemer] een schriftelijke toelichting op de billijke vergoeding heeft overgelegd en voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Op deze zitting is het kort geding strekkende tot afgifte van de harde schijf behandeld. In deze zaak is op 13 april 2026 uitspraak gedaan.\n\n1.3.. De beschikking is bij vervroeging bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\nAls onvoldoende betwist gaat de kantonrechter uit van de volgende feiten:\n\n2.1.. FiFi4Marine is een jong bedrijf met zes medewerkers in dienst en houdt zich bezig met de ontwikkeling en exploitatie van een uniek blussysteem voor lithium-batterijbranden aan bood van schepen, met internationale certificeringen. FiFi4Marine heeft jarenlang geïnvesteerd in onderzoek, ontwikkeling en internationale tests en certificeringen in verschillende landen.\n\n2.2.. \n [werknemer] is op 1 mei 2019 bij FiFi4Marine in dienst getreden in de functie van Applicatie Manager\u002FServicemonteur op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een salaris van laatstelijk € 5.087,26 bruto exclusief 8 % vakantietoeslag en overige emolumenten.\n\n2.3.. \n [werknemer] verricht servicewerkzaamheden aan boord van schepen en heeft voor de uitvoering van zijn werkzaamheden de beschikking gekregen over een bedrijfslaptop en een mobiele telefoon.\n\n2.4.. Op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst is het [werknemer] verboden tijdens of na beëindiging van het dienstverband op enigerlei wijze aan derden direct of indirect, in welke vorm ook, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheden over of verband houdende met het bedrijf van FiFi4Marine.\n\n2.5.. Artikel 12 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat in geval van non-actiefstelling, arbeidsongeschiktheid en einde dienstverband [werknemer] alle zich onder hem bevindende eigendommen van FiFi4Marine en bescheiden die met haar verband houden, een en ander in de ruimste zin van het woord, alsmede kopieën van dergelijke bescheiden ter beschikking te stellen aan FiFi4Marine. Dat geldt ook voor software van FiFi4Marine of kopieën daarvan.\n\n2.6.. Op 12 december 2025 heeft FiFi4Marine een functioneringsgesprek met [werknemer] gevoerd en heeft FiFi4Marine bezwaren over het gedrag en de houding van [werknemer] geuit en een verbetertraject voorgesteld.\n\n2.7.. FiFi4Marine heeft op 15 december 2025 per mail een waarschuwing aan [werknemer] gegeven, omdat [werknemer] na het functioneringsgesprek contact had opgenomen met zijn voormalig leidinggevende over een verwijt dat hem was gemaakt in het functioneringsgesprek en daarmee haar bedrijf in diskrediet bent. Ook heeft FiFi4Marine aan [werknemer] bericht dat zij zich het recht voorbehoud om bij een volgende keer dat dit zich voordoet de schade die dit aantoonbaar veroorzaakt, op hem te verhalen.\n\n2.8.. \n [werknemer] heeft zich op 17 december 2025 ziek gemeld.\n\n2.9.. FiFi4Martine heeft [werknemer] op 19 december 2025 verzocht de bedrijfslaptop met inloggegevens in te leveren in verband met een inbedrijfstelling aankomende maandag.\n\n2.10.. Op zondag 21 december 2025 heeft [werknemer] een programma genaamd “Macrium Reflect Clone” geïnstalleerd op zijn bedrijfslaptop en vervolgens zonder toestemming of medeweten van FiFi4Marine de inhoud van de bedrijfslaptop (931,51 gigabyte) gekopieerd naar een privé externe harde schijf (Samsung PSSD T7 Shield). De gekopieerde gegevens bevatten onder meer klant- en leveranciersgegevens, klantenconfiguraties, wachtwoorden van alle medewerkers en toegangscodes tot systemen, technische productontwerpen en testgegevens, ontwerp, certificeringsdocumentatie, softwarelicenties, foto’s van systemen en status van werkopdrachten en servicereizen en interne bedrijfsinformatie en correspondentie.\n\n2.11.. Op dezelfde dag heeft [werknemer] de bedrijfslaptop zonder inloggegevens op zijn bureau bij FiFi4Marine achtergelaten. De inloggegevens heeft [werknemer] later verstrekt.\n\n2.12.. De bedrijfsarts heeft op 6 januari 2026 vastgesteld dat geen sprake is van ziekte, maar van een arbeidsgeschil tussen partijen en heeft geadviseerd met elkaar in gesprek te gaan en afspraken te maken om de problemen op te lossen gedurende een interventieperiode tot 20 januari 2026 en dat uiterlijk per die datum hersteldmelding aan de orde is.\n\n2.13.. Op 7 januari 2026 heeft de IT-specialist van FiFi4Marine de bedrijfslaptop van [werknemer] ontgrendeld en ontdekt dat [werknemer] een kopie heeft gemaakt van de bedrijfsgegevens op de laptop.\n\n2.14.. Op 8 januari 2026 heeft FiFi4Marine aan [werknemer] gemaild dat haar is gebleken dat hij bedrijfsgegevens heeft gekopieerd naar een harde schijf en heeft hem gevraagd per direct op kantoor te komen met deze harde schijf om dit te herstellen door gezamenlijk de gegevens te wissen en een verklaring af te leggen wat hij met de gegevens heeft gedaan. FiFi4Marine heeft [werknemer] er verder op gewezen dat zij bij weigering aangifte zal doen bij de politie.\n\n2.15.. \n [werknemer] heeft hierop geantwoord dat hij tijdens het functioneringsgesprek werd overvallen door kritiek en zich daar niet in herkende, hij zich ziek heeft gemeld, hij vervolgens het verzoek kreeg de laptop in te leveren en dat hij dat heeft gedaan “uiteraard” nadat hij een volledige kopie had gemaakt op een harde schijf. [werknemer] heeft verder laten weten niet te begrijpen waarom hem dit kwalijk wordt genomen, omdat hij gedurende zijn hele dienstverband over die gegevens beschikt.\n\n2.16.. FiFi4Marine heeft [werknemer] vervolgens opnieuw verzocht naar kantoor te komen met de harde schijf en deze door haar te laten wissen.\n\n2.17.. Per brief van 9 januari 2026 heeft FiFi4Marine [werknemer] opnieuw gesommeerd om binnen twee werkdagen naar kantoor te komen om alle gekopieerde bedrijfsgegevens permanent te wissen, de externe harde schijf in te leveren ter verificatie en een verklaring af te leggen dat hij geen kopieën meer in bezit heeft of aan derden heeft verstrekt. [werknemer] is er ook op gewezen dat hij in strijd met artikelen 10 en 12 van de arbeidsovereenkomst handelt en dat dit een dringende reden voor ontslag kan opleveren.\n\n2.18.. De eigenaar van FiFi4Marine heeft op 14 januari 2026 bij de politie aangifte gedaan van verduistering.\n\n2.19.. Ook per e-mail van 14 januari 2026 heeft FiFi4Marine via haar gemachtigde [werknemer] gesommeerd om uiterlijk de volgende dag voor 12:00 uur aan haar verzoeken te voldoen. Daaraan is [werknemer] onder andere per e-mail van 15 januari 2026 om 10:29 uur opnieuw herinnerd met de waarschuwing dat als daaraan geen gehoor wordt gegeven hij op staande voet zal worden ontslagen.\n\n2.20.. Per e-mail van 15 januari 2026 om 11:26 uur heeft de gemachtigde van [werknemer] geantwoord dat hij niets anders in zijn bezit heeft dan wat hij gedurende de zes jaar dat hij in dienst is van FiFi4Marine in zijn bezit heeft. Ook vraagt hij wanneer [werknemer] weer de beschikking kan krijgen over zijn laptop, waarna [werknemer] kan voldoen aan diverse verzoeken en tegelijkertijd de informatie kan behouden die hij nodig heeft voor zijn werkzaamheden en\u002Fof zijn verdediging.\n\n2.21.. De gemachtigde van FiFi4Marine heeft daarop geantwoord dat zij op verschillende manieren heeft geprobeerd contact te krijgen met [werknemer] om hem nogmaals op de deadline te wijzen.\n\n2.22.. \n [werknemer] is op 15 januari 2026 door FiFi4Marine op staande voet ontslagen wegens het zonder toestemming en medeweten van FiFi4Marine tijdens ziekteverlof op 21 december 2025 kopiëren van de complete inhoud van zijn bedrijfslaptop naar een privé harde schijf en het weigeren om deze bedrijfsgegevens terug te geven.\n\n2.23.. Ook op 16, 19, 20, 23 en 26 januari 2026 heeft FiFi4Marine [werknemer] verzocht te voldoen aan haar sommaties.\n\n2.24.. Op 20 januari 2026 heeft [werknemer] diverse bedrijfseigendommen aan FiFi4Marine teruggegeven en zijn persoonlijke spullen opgehaald. Op 26 januari 2026 heeft [werknemer] de bedrijfstelefoon bij FiFi4Marine ingeleverd.\n\n2.25.. Op 28 januari 2026 heeft FiFi4Marine aan [werknemer] bericht dat haar is gebleken dat hij de bedrijfsgegevens van de ingeleverde mobiele telefoon heeft gewist en verzocht uiterlijk 30 januari 2026 alle gewiste bedrijfsgegevens op de mobiele telefoon via zijn Apple Account te herstellen, alle toebehoren van de mobiele telefoon in te leveren, de harde schijf met bedrijfsgegevens in te leveren en een schriftelijke verklaring af te geven dat hij geen kopieën meer in zijn bezit heeft. Aan dit verzoek heeft [werknemer] niet voldaan.\n\n3. Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek\n\nin zaaknummer 12136677:\n\n3.1.. \n [werknemer] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en Fifi4Marine te veroordelen tot betaling van loon. Volgens [werknemer] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat daarvoor geen dringende reden bestaat en het ontslag ook niet onverwijld is gegeven. Een causaal verband tussen een handeling van [werknemer] en het bezit van bedrijfsgevoelige informatie bestaat in werkelijkheid niet. [werknemer] had deze gegevens namelijk al onder zich. Deze staan op de aan hem ter beschikking gegeven laptop. Het kopiëren daarvan naar een harde schijf verandert daar niets aan. Op geen enkele manier heeft FiFi4Marine het [werknemer] verboden om de gegevens op de laptop die kuren vertoonde, veilig te stellen op een harde schijf. [werknemer] had daarmee geen ander motief en handelde juist in het belang van FiFi4Marine. [werknemer] heeft de bedrijfsgegevens ook nergens anders opgeslagen of verspreid. De eis van FiFi4Marine de harde schijf af te geven terwijl zij zelf de laptop niet aan [werknemer] retourneerde is onredelijk, ook tegen de achtergrond van het beschuldigende functioneringsgesprek en de officiële waarschuwing. [werknemer] had een gerechtvaardigd belang om te kunnen blijven beschikken over de bedrijfsinformatie.\n\n3.2.. \n\nFifi4Marine voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Fifi4Marine voert ‑ samengevat ‑ aan dat [werknemer] tijdens ziekte zonder haar toestemming en medeweten een grote hoeveelheid aan gevoelige bedrijfsgegevens van zijn bedrijfslaptop heeft gekopieerd naar een externe privé harde schijf. Ondanks verzoeken en sommaties tot afgifte van de harde schijf, heeft [werknemer] geweigerd daartoe over te gaan. Dat kwalificeert als dringende reden voor het ontslag op staande voet. Fifi4Marine heeft een tegenverzoek gedaan en verzoekt (voorwaardelijk) dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n3.3.. FiFi4Marine verzoekt een verklaring voor recht dat [werknemer] aan haar door opzet of schuld een dringende reden heeft gegeven het dienstverband onverwijld op te zeggen en dat [werknemer] wordt veroordeeld tot betaling van een zogenoemde gefixeerde schadevergoeding.\n\n3.4.. \n [werknemer] voert verweer en stelt dat de verzoeken moet worden afgewezen.\n\n4. De beoordeling van de verzoeken\n\nin zaaknummer 12136677:\n\nGeen voorlopige voorziening\n\n4.1.. De kantonrechter zal direct beslissen op de verzoeken in de hoofdzaak, zodat er geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nDe hoofdzaak\n\n4.2.. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of FiFi4Marine moet worden veroordeeld tot betaling van loon.\n\n4.3.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.4.. Voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet moet sprake zijn van een onverwijlde opzegging wegens een dringende reden en die reden moet onverwijld aan de werknemer zijn meegedeeld.\n\nDringende reden\n\n4.5.. Op grond van de wet worden voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen, in onderling verband en samenhang.Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de dringende reden.\n\n4.6.. FiFi4Marine heeft in de brief van 15 januari 2026 de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag op staande voet toegelicht, namelijk het zonder toestemming en medeweten van FiFi4Marine tijdens ziekteverlof op 21 december 2025 kopiëren van de complete inhoud van de bedrijfslaptop naar een privé harde schijf en het weigeren om deze (geclassificeerde) bedrijfsgegevens terug te geven. Volgens FiFi4Marine heeft [werknemer] aldus in strijd gehandeld met de artikelen 10 en 12 van de arbeidsovereenkomst en goed werknemerschap. In de ontslagbrief heeft FiFi4Marie verder verzwarende omstandigheden genoemd, waaronder dat dit is gedaan zonder overleg op een zondagmiddag wat duidt op heimelijk handelen, tijdens ziekte zodat er geen noodzaak was voor toegang tot de bedrijfsgegevens en kort na het functioneringsgesprek.\n\n4.7.. Door [werknemer] wordt niet ontkend dat hij op 21 december 2025 alle bestanden en bedrijfsgegevens van zijn bedrijfslaptop heeft gekopieerd naar een externe privé harde schijf. Volgens [werknemer] gaat het niet om geclassificeerde bedrijfsgegevens, maar als onbetwist staat vast dat hij (bedrijfsgevoelige) gegevens van FiFi4Marine op de harde schijf heeft gekopieerd.\n\n4.8.. \n [werknemer] stelt zich op het standpunt dat hij een back up heeft gemaakt van de bedrijfsgegevens in het belang van FiFi4Marine. Ook als [werknemer] niet wist dat hij de bedrijfsgegevens niet mocht kopiëren en uit moet worden gegaan van de juistheid van zijn goede bedoelingen, geldt dat hij (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens buiten de beveiligde bedrijfsomgeving van FiFi4Marine heeft gebracht en dat hij ondanks meerdere sommaties niet heeft willen meewerken aan afgifte van de externe privé harde schijf.\n\n4.9.. Het geheimhoudingsbeding van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst verbiedt [werknemer] kort gezegd om mededelingen aan derden te doen over of verband houdende met het bedrijf van FiFi4Marine. Niet is gesteld of gebleken dat [werknemer] de gekopieerde bestanden en bedrijfsgegevens aan een derde heeft verstrekt. Ook valt niet in te zien hoe [werknemer] als een derde kan worden aangemerkt. Dat blijkt niet uit de formulering van het geheimhoudingsbeding en kan daar ook niet in worden gelezen. Het ontslag kan daarom niet op deze bepaling worden gebaseerd.\n\n4.10.. Op grond van artikel 12 van de arbeidsovereenkomst was [werknemer] verplicht tijdens ziekte alle eigendommen van FiFi4Marine ter beschikking te stellen aan FiFi4Marine. De formulering van deze bepaling is taalkundig duidelijk. Het gaat om alle eigendommen van FiFi4Marine in de ruimste zin van het woord. Redelijke uitleg houdt in dat partijen niet anders hebben bedoeld dan dat daaronder ook vallen bestanden en andere bedrijfsgegevens van FiFi4Marine die op de aan [werknemer] voor zijn functie in gebruik gegeven bedrijfslaptop staan en kopieën daarvan. Het verweer van [werknemer] dat de harde schijf zijn eigendom is, gaat niet op. Evident is dat het belang van afgifte van de harde schijf ziet op bescherming van het - onbetwiste - eigendom van FiFi4Marine van haar vertrouwelijke bedrijfsgegevens. Omdat vast staat dat [werknemer] deze gegevens vanuit zijn laptop heeft gekopieerd op de betreffende harde schijf moest [werknemer] deze schijf afgeven aan FiFi4Marine om – zoals nader toegelicht op de zitting – haar in staat te stellen te beschikken over haar eigendommen en te controleren welke bedrijfsgegevens [werknemer] op deze harde schijf heeft gekopieerd.\n\n4.11.. Tijdens de zitting heeft [werknemer] voor het niet meewerken aan de afgifte aangevoerd dat hij zich bedreigd voelde vanwege de waarschuwing van FiFi4Marine om schade op hem te verhalen en dat hij bang was dat de harde schijf bij afgifte wordt gesaboteerd door FiFi4Marine. Dat laatste verweer heeft [werknemer] niet eerder gevoerd en is niet onderbouwd. Bovendien heeft FiFi4Marine voorgesteld om gezamenlijk naar de gegevens op de harde schijf te kijken, zodat [werknemer] hierin niet wordt gevolgd. Ook wordt [werknemer] niet gevolgd in het aangevoerde verdedigingsbelang, alleen al vanwege het feit dat niet is gebleken dat hij deze bedrijfsgegevens heeft gebruikt in deze ontslag op staande voet procedures of voor de kort geding procedure. Op vragen van de kantonrechter heeft [werknemer] dat ook erkend.\n\n4.12.. Het belang van FiFi4Marine bij afgifte van de externe privé harde schijf is evident. [werknemer] heeft daaraan, ondanks alle sommaties, niet willen meewerken. Integendeel, [werknemer] heeft in reactie op de sommaties gevraagd wanneer hij weer de beschikking kan krijgen over zijn laptop zodat hij in staat is aan de verzoeken te voldoen en tegelijkertijd de informatie kan behouden die hij nodig heeft voor zijn werkzaamheden en\u002Fof verdediging. [werknemer] gaat met zijn opstelling eraan voorbij dat FiFi4Marine een eigen gerechtvaardigd belang heeft om de harde schijf te (laten) verifiëren, omdat het om haar (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens gaat. Dit handelen en nalaten van [werknemer] kwalificeert als een dringende reden voor het ontslag op staande voet.\n\nOnverwijld\n\n4.13.. Ook moet worden beoordeeld of het ontslag onverwijld is gegeven. Hiervoor is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen.\n\n4.14.. Op 7 januari 2026 is FiFi4Marine bekend geworden met de gemaakte kopieën van de bedrijfsgegevens op een externe privé harde schijf. Vervolgens heeft FiFi4Marine [werknemer] in de gelegenheid gesteld om de harde schijf af te geven en daarvoor een uiterste termijn gegeven. Toen die termijn was verstreken en haar duidelijk werd dat [werknemer] niet wilde voldoen aan de sommaties, heeft FiFi4Marine [werknemer] direct op staande voet ontslagen. De kantonrechter is van oordeel dat FiFi4Marine voortvarend heeft gehandeld, zodat sprake is van een onverwijld gegeven ontslag op staande voet waarbij de dringende reden onverwijld is meegedeeld.\n\nConclusie: het ontslag is rechtsgeldig gegeven\n\n4.15.. De kantonrechter is concluderend van oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en wijst het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van het ontslag op staande voet daarom af. Ook de verzoeken tot wedertewerkstelling en betaling van loon worden daarom afgewezen. Het subsidiaire verzoek van [werknemer] tot toekenning van een billijke vergoeding behoeft geen behandeling, aangezien [werknemer] zijn primaire verzoek tot vernietiging heeft gehandhaafd en dus niet de switch heeft gemaakt. Overigens is het ontslag op staande voet rechtsgeldig gegeven, zodat [werknemer] geen aanspraak heeft op een billijke vergoeding.\n\nGeen recht op een transitievergoeding\n\n4.16.. \n [werknemer] vordert subsidiair, voor het geval het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd, toekenning van een transitievergoeding. Omdat het handelen en nalaten van [werknemer] moet worden aangemerkt als ernstig verwijtbaar heeft [werknemer] daar geen recht op.\n\nUitbetaling van verlofuren en overuren\n\n4.17.. \n [werknemer] maakt aanspraak op uitbetaling van verlofuren en overuren van in totaal 938,15 uur, zijnde -\u002F- 121,25 aan wettelijke verlofuren, 291 aan bovenwettelijke verlofuren, 509,25 aan ADV en 266,15 aan TVT\u002Foveruren. [werknemer] stelt verder dat dit bij een uurloon van € 31,70 leidt tot een vordering van € 29.739,00. Ook heeft [werknemer] een overzicht overgelegd met door FiFi4Marine verstrekte verlofsaldi over 2020 tot en met 2026 en een berekening van de verlofsaldi waar volgens [werknemer] vanuit moet worden gegaan. FiFi4Marine betwist deze vordering en stelt dat als uitgangspunt het in haar salarissysteem geregistreerde verlofsaldo van 410,15 moet gelden en dat zij deze na een correctie op de overuren bij de eindafrekening aan [werknemer] heeft betaald. De kantonrechter overweegt als volgt.\n\n4.18.. Wat betreft de wettelijke en bovenwettelijke verlofuren heeft [werknemer] verwezen naar artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat [werknemer] recht heeft op 28 vakantiedagen per jaar, wat neerkomt op 160 wettelijke en 64 bovenwettelijke verlofuren per jaar. Volgens FiFi4Marine moet worden uitgegaan van een andere CAO en heeft [werknemer] daarom recht op 40 in plaats van 64 bovenwettelijke verlofuren, maar daarbij gaat zij voorbij aan de verlofuren waarop [werknemer] volgens zijn arbeidsovereenkomst recht heeft. [werknemer] heeft tijdens de zitting betwist dat een addendum bij de arbeidsovereenkomst is overeengekomen waarin andere afspraken zijn gemaakt. Hier tegenover heeft FiFi4Marine onvoldoende ingebracht. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de berekening van [werknemer] .\n\n4.19.. \n [werknemer] heeft verder onder verwijzing naar artikel 6 van de arbeidsovereenkomst gesteld dat hij jaarlijks recht heeft op twaalf roostervrije dagen (ADV) en dat FiFi4Marine deze alleen in 2020 heeft toegekend. Dit is door FiFi4Marine onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat ook hier wordt uitgegaan van de berekening van [werknemer] .\n\n4.20.. Partijen gaan beiden uit van 266,15 overuren, maar FiFi4Marine stelt zich op het standpunt dat daarop vanaf 2025 twee correcties moeten worden toegepast. In 2025 is volgens FiFi4Marine met [werknemer] uitdrukkelijk besproken dat hij geen overuren mag schrijven die niet vooraf door zijn leidinggevende zijn goedgekeurd. In 2025 heeft [werknemer] voor 70 werkdagen een werktijd van tien uur in plaats van acht uur geregistreerd, zonder vooraf toestemming te hebben verkregen. Uit coulance heeft FiFi4Marine 70 x één uur gecorrigeerd. Verder heeft FiFi4Marine vanaf 30 juli 2025 67,5 overuren gecorrigeerd waarvoor geen akkoord van de leidinggevende is gegeven aan [werknemer] . In totaal heeft FiFi4Marine 137,5 overuren in mindering gebracht op de geregistreerde overuren. [werknemer] heeft de instructie over het registreren van overuren onvoldoende weersproken. Daarnaast heeft [werknemer] onvoldoende concreet toegelicht dat hij op 70 werkdagen tien in plaats van de gecorrigeerde negen uren heeft gewerkt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat FiFi4Marine op goede gronden een correctie heeft toegepast.\n\n4.21.. Partijen zijn het tenslotte niet eens over het uurloon. De kantonrechter gaat uit van het uurloon waar [werknemer] zich op baseert, omdat [werknemer] de berekening van het uurloon van € 31,70 heeft gemotiveerd (€ 5.087,26 x 1,08 x 12\u002F52\u002F40) en FiFi4Marine de juistheid daarvan verder niet heeft betwist.\n\n4.22.. De conclusie is dat [werknemer] recht heeft op uitbetaling van € 25.380,61 aan verlofuren en overuren (= 938,15 -\u002F- correctie van 137,5 x € 31,70). Bij de eindafrekening heeft FiFi4Marine € 8.002,17 bruto betaald, zodat de vordering tot een bedrag van € 17.378,44 bruto zal worden toegewezen.\n\nGeen medewerking overzetting telefoonnummer\n\n4.23.. \n [werknemer] verzoekt veroordeling van FiFi4Marine tot medewerking aan het overzetten van zijn telefoonnummer. Aan dit verzoek legt [werknemer] ten grondslag dat partijen een perfecte overeenkomst over nummerbehoud hebben gesloten. [werknemer] verwijst ter onderbouwing hiervan naar de e-mails van 20 januari 2026 van FiFi4Marine waaruit hij citeert “Voor wat betreft het behoud van het mobiele nummer is dat akkoord” en van [werknemer] waarin hij FiFi4Marine bedankt en vraagt wat van hem wordt verwacht om dat mogelijk te maken en vervolgens van Fifi4Marine waarin zij schrijft dat [werknemer] zoals toegezegd het nummer mag behouden en dat dit door haar zal worden geregeld. FiFi4Marine stelt zich op het standpunt dat de toezegging conditioneel was op het nakomen van de integrale pakketafspraken van 20 januari 2026, namelijk inlevering van de harde schijf en onder andere de bedrijfstelefoon en afgifte van een verklaring dat er geen kopieën van de bedrijfsgegevens meer bestaan. Omdat [werknemer] deze afspraken niet is nagekomen is volgens Fifi4Marine ook de conditionele toezegging tot nummerbehoud komen te vervallen.\n\n4.24.. De door [werknemer] voorgestane uitleg van de e-mails van 20 januari 2026 dat een afzonderlijke afspraak is gemaakt over nummerbehoud, volgt de kantonrechter niet. Partijen waren met elkaar in overleg over afgifte van de harde schijf en vervolgens over afgifte van alle bedrijfseigendommen vanwege het ontslag op staande voet. Onder deze omstandigheden kan het akkoord van FiFi4Marine met nummerbehoud niet los van die context worden gezien en kon [werknemer] redelijkerwijs niet verwachten dat sprake was van een afzonderlijke afspraak over nummerbehoud. Dit leidt tot afwijzing van dit verzoek van [werknemer] .\n\nGeen vergoeding kosten van rechtsbijstand\n\n4.25.. \n [werknemer] maakt aanspraak op kosten van rechtsbijstand die hij heeft gemaakt in de periode voorafgaand aan het opstellen van het verweerschrift. De kantonrechter overweegt dat kosten van rechtsbijstand onder omstandigheden op een werkgever die zich niet als goed werkgever gedraagt, kunnen worden verhaald.In dat geval kunnen deze kosten als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, voor zover deze geen betrekking hebben op (de voorbereiding van) de procedure. De kosten voor de procedure vallen immers onder de proceskosten waarbij de hoogte wordt vastgesteld conform het liquidatietarief.\n\n4.26.. Hiervoor is geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Ook is geoordeeld dat FiFi4Marine niet hoefde mee te werken aan nummerbehoud. Verder heeft [werknemer] onvoldoende toegelicht dat FiFi4Marine ongefundeerde beschuldigingen heeft geuit. Er is dan ook geen sprake van een situatie dat deze kosten zijn veroorzaakt door een handelen of nalaten van FiFi4Marine in strijd met goed werkgeverschap. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.\n\nProceskosten komen voor rekening van [werknemer]\n\n4.27.. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat [werknemer] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . De proceskosten aan de zijde van FiFi4Martine worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nHet tegenverzoek\n\n4.28.. De voorwaarde waaronder het tegenverzoek is gedaan, is niet vervuld, omdat het ontslag op staande voet niet wordt vernietigd. Het tegenverzoek hoeft dus niet te worden beoordeeld en er hoeft niet op te worden beslist.\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n4.29.. Op grond van de wet is degene die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd, als de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.\n\n4.30.. Hiervoor is geoordeeld dat FiFi4Marine de arbeidsovereenkomst geldig heeft opgezegd vanwege een dringende reden. Voor zover [werknemer] vanuit goede bedoelingen de bedrijfsgegevens heeft gekopieerd op een externe privé harde schijn, is in ieder geval sprake van opzet of schuld aan het niet meewerken aan afgifte van de harde schijf. De verzochte gefixeerde schadevergoeding is daarom toewijsbaar. FiFi4Marine heeft de vergoeding berekend op een bedrag gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon (inclusief vakantiegeld) over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had moeten voortduren, zijnde over de periode 16 januari 2026 tot 1 maart 2026 [werknemer] heeft de hoogte van het verzochte bedrag niet betwist, zodat de verzochte vergoeding van € 8.241,36 bruto toewijsbaar is. Voor de afzonderlijk verzochte verklaring voor recht heeft FiFi4Marine onvoldoende belang.\n\n4.31.. De proceskosten komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt. Vanwege de samenhang met de zaak onder nummer 12136677 wordt het salaris van de gemachtigde van FiFi4Marine begroot op nihil en komt alleen het griffierecht van € 559,00, de nakosten van € 144,00 en de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing, voor toewijzing in aanmerking.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin zaaknummer 12136677:\n\n5.1.. wijst het verzoek af,\n\n5.2.. veroordeelt FiFi4Marine tot betaling aan [werknemer] van € 17.378,44 wegens niet genoten vakantiedagen, ADV-uren en TVT-overuren,\n\n5.3.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.4.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nin zaaknummer 12132774:\n\n5.6.. veroordeelt [werknemer] tot betaling van de gefixeerde vergoeding van € 8.241,36 bruto,\n\n5.7.. veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 703,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n5.8.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.9.. wijst af het meer of anders verzochte,\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.\n\n Artikel 7:677 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 7:678 lid 1 BW.\n\n Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:HR:2022:860 (Divi Phoenix).\n\n Artikel 7:673 lid 7 onderdeel c BW.\n\n Artikel 7:611 BW jo. artikel 6:96 BW en vergelijk de Hairstyle-beschikking van de Hoge Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187\n\n Artikel 7:677 lid 2 jo. 3 sub a BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3952","ecli-nl-rbnho-2026-3952",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]