[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-4153":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-4153":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1303","ECLI:NL:RBNHO:2026:4153","",67,"Haarlem","haarlem","2026-04-03T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12037174 \\ AO VERZ 25-167\n\nBeschikking van 3 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker],\n\nwonende te [plaats],\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoeker],\n\nprocederend in persoon,\n\ntegen\n\nde besloten vennootschap, SCHIPHOL AIRPORT RETAIL B.V.,\n\ngevestigd te Hoofddorp,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: SAR, gemachtigde: mr. N.P.B. Schmeitz.\n\nDe zaak in het kort\n\n [verzoeker] was op basis van een contract voor bepaalde tijd werkzaam als verkoopmedewerker op Schiphol. De arbeidsovereenkomst is niet verlengd. Volgens [verzoeker] is het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van SAR. [verzoeker] verzoekt daarom in deze procedure om (onder meer) een billijke vergoeding en schadevergoeding. De verzoeken worden (grotendeels) afgewezen. Wel heeft [verzoeker] recht op de transitievergoeding.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift;\n\n- het verweerschrift; - de brief van [verzoeker] van 1 maart 2026;\n\n- de mondelinge behandeling van 6 maart 2026; - de pleitaantekeningen van [verzoeker]; - de pleitaantekeningen van SAR.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Feiten\n\n2.1.. SAR exploiteert ‘See Buy Fly’taxfree-winkels op Schiphol.\n\n2.2.. \n [verzoeker] is op 1 augustus 2024 bij SAR in dienst getreden als Sales Assistant.\n\n2.3.. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd met een looptijd (na verlenging) tot 28 februari 2026.2.4.. Op 7 februari 2025 heeft in een van de zonnebrilwinkels van SAR in de E-Zone een incident plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de storemanager [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).2.5.. Op 14 februari 2025 heeft [verzoeker] een klacht ingediend bij de HR afdeling van SAR over het voorval:\n\n“(…) Tijdens mijn werk op vrijdagmiddag, toen ik samen met C[de kantonrechter begrijpt: ‘coördinator’, zijnde [betrokkene 1]] werkte, voelde ik me voortdurend geïntimideerd en niet veilig. Ik werd meerdere keren onderbroken terwijl ik sprak en werd luid toegesproken. C vroeg me op een agressieve manier wat er met me aan de hand was, waarop ik antwoordde dat ik geschrokken was van haar gedrag. Daarna greep ze mijn hand en dwong me letterlijk om achteruit te lopen, terwijl ze zei: “Oh, sorry.” “Ik wilde je alleen maar sterker maken.” Op dat moment stonden we al in de hoek van de winkel.\n\nDe situatie ging verder toen C zich op een onvoorspelbare manier gedroeg. Ze schreeuwde tegen me en gooide met een bril doos, wat me ernstig in de war bracht. Ik voelde me volledig onveilig en had geen controle over de situatie. Toen ik haar vroeg om me met rust te laten, bleef ze doorgaan met haar manipulatieve en ongepaste gedrag. Dit gedrag leidde uiteindelijk tot een situatie waarin ik niet in staat was om normaal te functioneren op de werkvloer.(…)”\n\n2.6.. SAR heeft nog dezelfde dag bevestigd dat de klachtenprocedure zou worden gevolgd en [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 18 of 20 februari 2025.\n\n2.7.. Op 19 februari 2025 heeft [verzoeker] aan SAR geschreven:\n\n“(…) De manier waarop mijn klacht is afgehandeld, heeft mij het gevoel gegeven dat ik onterecht ben behandeld. De angst die ik die dag voelde, was echt. Werk draait niet alleen om salaris, maar ook om mijn gevoel van veiligheid, een vertrouwde omgeving en goede werkrelaties. Na het incident is mijn werkomgeving plotseling onzeker geworden, wat mij veel stress en angst bezorgt.\n\nDaarnaast maken de interne machtsverhoudingen binnen het bedrijf mij bezorgd. Ik wil mijn rechten verdedigen, maar ik ben bang om als een ruziezoeker te worden gezien. Dit gevoel maakt mij nog onzekerder. Na zorgvuldige overweging heb ik daarom besloten mijn klacht voorlopig niet oor te zetten, deels uit angst voor mogelijke vergelding.\n\nHoewel ik ervoor kies om mijn klacht niet verder door te zetten, betekent dit niet dat het probleem is opgelost. Ik hoop dat het management dit incident serieus neemt en passende maatregelen treft om ervoor te zorgen dat alle medewerkers in een veilige en stabiele omgeving kunnen werken. Daarnaast sta ik open voor verdere communicatie met het bedrijf om samen tot een passende oplossing te komen.(…)”2.8.. SAR heeft [verzoeker] vervolgens telefonisch uitgenodigd voor een (informeel) gesprek op 20 februari 2025. Dit gesprek is meermaals verplaatst en heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 18 maart 2025. [verzoeker] heeft vervolgens laten weten haar klacht toch formeel te willen doorzetten.\n\n2.9.. Op 27 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarbij de klacht van [verzoeker] uitvoerig is besproken en de klachtenprocedure aan haar is uitgelegd.\n\n2.10.. Na de hoorzitting is discussie ontstaan over de verslaglegging daarvan.2.11.. Op 25 april 2025 heeft [verzoeker] haar eigen versie van het gespreksverslag met [betrokkene 2] (interne bedrijfsmanager bij SAR) gedeeld.2.12.. Op 12 mei 2025 is [verzoeker] heeft SAR voorgesteld om onder begeleiding van een onafhankelijk mediator in gesprek te gaan en heeft zij [verzoeker] tijdelijk (met behoud van loon) vrijgesteld van werkzaamheden:\n\n“(…) Wij nemen jouw bericht(en) uiterst serieus en willen deze situatie tot op zijn best oplossen. (…)\n\nGebrek aan vertrouwen\n\nWij zien dat jouw vertrouwen in SAR ontbreekt. Dit volgt uit het feit dat je herhaaldelijk hebt aangegeven dat:\n\nontevreden bent over hoe HR dit alles behandeld;\n\nwij jouw vertrouwen hebben geschaad;\n\nwij jouw veiligheid niet waarborgen;\n\nwij onze verantwoordelijkheid ontwijken\n\nwij geen maatregelen nemen;\n\njouw vertrouwen in ‘het systeem’ is geschaad en;\n\nde eerlijkheid van het bedrijf ernstig wordt ondermijnd.\n\nOok heb je aangegeven dat HR informatie zou hebben gelekt (over jouw klacht).Dit alles nemen wij zeer hoog op. Hierdoor is ook ons vertrouwen in jou beschadigd. Dit wordt versterkt door het feit dat je jouw gebrek aan vertrouwen ook met anderen binnen SAR deelt.Dit alles staat aan een goede voortzetting van het dienstverband bij SAR in de weg. Dit moet eerst opgelost. Daarvoor willen wij ons inzetten. Dat willen we doen door het voeren van een gesprek met jou. Daarbij willen we ons laten begeleiden door een onafhankelijke derde: een mediator. (…) Intussen geldt dat zolang dit probleem niet is opgelost, je zolang geen werkzaamheden mag verrichten (je staat zolang op non-actief).”2.13.. Op 14 mei 2025 heeft [verzoeker] per e-mail een uitgebreide (kritische) reactie gegeven op de non-actiefstelling.2.14.. Op 21 mei 2025 heeft [verzoeker] aangegeven dat zij graag haar werkzaamheden zou hervatten en heeft zij haar klacht ingetrokken:\n\n“(…) Wat betreft deze klachtprocedure: er is nooit officieel een traject gestart, en daarom heb ik het recht om te beslissen om het niet meer te voortzetten. Gezien mijn huidige situatie kies ik ervoor om mijn eerdere klacht – inclusief de per post verzonden documenten – in te trekken. Ik wil niet dat dit verder wordt opgevolgd. Ik verzoek hierbij om het volledig stop te zetten. (…)”\n\n2.15.. Op 27 mei 2025 heeft SAR de intrekking van de klacht bevestigd. Daarnaast heeft zij laten weten dat [betrokkene 1] per 1 juni 2025 uit dienst zou treden.\n\n2.16.. Op 3 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden over de voorgestelde mediation en de non-actiefstelling, waarbij namens [verzoeker] ook een juridisch adviseur aanwezig was.2.17.. Op 12 juni 2025 heeft SAR een gespreksverslag aan [verzoeker] verstuurd en benadrukt dat mediation noodzakelijk werd geacht om onder begeleiding van een onafhankelijke derde te bezien of herstel van de arbeidsrelatie nog mogelijk was.\n\n2.18.. Op 7 juli 2025 heeft [verzoeker] aan de mediator laten weten bij de huidige stand van zaken niet open te staan voor mediation.\n\n2.19.. Op diezelfde dag heeft [verzoeker] formeel bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling.2.20.. Op 11 juli 2025 heeft op verzoek van [verzoeker] een gesprek plaatsgevonden met [betrokkene 3] en [betrokkene 4], twee directieleden van SAR. SAR heeft hiervan een gespreksverslag opgemaakt.\n\n2.21.. Op 18 juli 2025 heeft [verzoeker] kritisch op het gespreksverslag gereageerd.\n\n2.22.. Op 6 augustus 2025 heeft [verzoeker] een reminder aan (de directie van) SAR verstuurd.\n\n2.23.. Op 13 augustus 2025 heeft SAR de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 28 februari 2026:\n\n“In onze e-mail van 14 juli 2025 hebben wij u verzocht ons schriftelijk te informeren over uw visie op het vervolg met betrekking tot een eventueel herstel van de verstoorde arbeidsrelatie, aangezien u tijdens het gesprek van 11 juli 2025 had aangegeven hierover te willen nadenken. Wij hebben daarbij tevens aangegeven dat wij, naast uw reactie, ook het wederhoor van de betrokken medewerkers van HR wilden betrekken alvorens een formele reactie te geven op uw tweede bezwaarschrift van 7 juli 2025. Tot op heden hebben wij geen inhoudelijke reactie van u ontvangen op dit verzoek.\n\nDaarnaast is zowel tijdens het gesprek van 11 juli 2025 als in onze e-mail van 14 juli 2025 duidelijk vermeld dat onze formele reactie op uw tweede bezwaarschrift, mede vanwege vakanties en het wachten op uw volledige terugkoppeling, in geen geval vóór 7 augustus 2025 zou plaatsvinden. Gedurende deze periode bleef de bestaande situatie van non-actiefstelling ongewijzigd, met volledige doorbetaling van salaris en de mogelijkheid tot het opnemen van vakantie (na voorafgaande melding).\n\nUw e-mail van 6 augustus 2025 is verzonden vóór de datum waarop u redelijkerwijs een reactie van ons had kunnen ontvangen, en wordt daarom als prematuur beschouwd. Zoals hiervoor vermeld, ontbreekt bovendien nog steeds de door ons gevraagde inhoudelijke terugkoppeling.\n\nMet betrekking tot uw e-mail van 17 juli 2025 merken wij op dat wij ons niet herkennen in de daarin weergegeven versie van het gesprek van 11 juli 2025. Wij constateren feitelijke onjuistheden over hetgeen is besproken en over onze kennis van de situatie. Tijdens het gesprek hebben wij expliciet aangegeven dat dit in openheid en objectiviteit zou plaatsvinden, waarbij u volledig in de gelegenheid bent gesteld uw standpunt uiteen te zetten.\n\nWij constateren voorts dat – gelet op uw e-mails van 17 juli 2025 en 6 augustus 2025, de daarbij gevoegde bijlagen, de gevoerde gesprekken, gespreksverslagen en eerdere formele reacties van onze kant (vanuit directie en\u002Fof HR) – onze inspanningen en standpunten van uw zijde onvoldoende zijn erkend. In onze reactie op uw eerste bezwaarschrift hebben wij de redenen voor uw non-actiefstelling uitgebreid gemotiveerd. Deze gronden – het bestaan van een verstoorde arbeidsrelatie en het ontbreken van vertrouwen – zijn onverminderd van toepassing. Ondanks meerdere pogingen en voorstellen van onze zijde in de afgelopen weken en maanden, is geen vooruitgang geboekt in het herstel van de arbeidsrelatie. Wij hebben daarom geconcludeerd dat er geen basis meer is voor een duurzaam herstel of voortzetting van het dienstverband.\n\nBesluit en gevolgen\n\nWij hebben besloten de arbeidsovereenkomst te laten eindigen per de reeds overeengekomen einddatum, teneinde de situatie op een duidelijke en correcte wijze af te ronden.(…)”\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoeker] verzoekt de kantonrechter om:\n\nte oordelen dat sprake is van een constructief ontslag veroorzaakt door ernstig verwijtbaar handelen van SAR;\n\nte oordelen dat SAR het verbod op benadeling na melding heeft geschonden;\n\nSAR te veroordelen tot betaling van € 35.000 bruto, bestaande uit de transitievergoeding, een billijke vergoeding, schadevergoeding wegens psychisch letsel, vergoeding voor misgelopen inkomsten en overige schade;\n\nSAR te veroordelen tot betaling van de proceskosten;\n\nSAR te verplichten tot het verstrekken van correcte documentatie en alle relevante gegevens die betrekking hebben op de klacht en de arbeidsrelatie.\n\n3.2.. \n [verzoeker] legt – kort samengevat – aan haar verzoeken ten grondslag dat sprake is van een ‘constructief ontslag’. SAR heeft zich na indienen van de klacht door [verzoeker] niet gedragen zoals van haar verwacht mocht worden en daarbij ernstig verwijtbaar gehandeld. Dit heeft ertoe geleid dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] ten onrechte niet is verlengd en [verzoeker] schade heeft geleden. [verzoeker] heeft daarom recht op vergoedingen.\n\n3.3.. SAR voert verweer en stelt – kort samengevat – dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op de duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. SAR betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.3.4.. Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nHet einde van de arbeidsovereenkomst: ernstig verwijtbaar handelen?\n\n4.1.. \n [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een ‘constructief ontslag’ en daarbij verwezen naar artikel 7:671 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dat wetsartikel is echter niet van toepassing, omdat geen sprake is van een ‘opzegging’ door SAR (maar van een einde van rechtswege). De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoeker] zo dat zij in feite een beroep doet op artikel 7:673 lid 9 sub a BW. Op grond van dat wetsartikel kan de kantonrechter aan de werknemer naast de transitievergoeding ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toekennen indien, na een einde van rechtswege, het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen. Voor toekenning van de billijke vergoeding is verder vereist dat een causaal verband bestaat tussen het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.2.. \n [verzoeker] kleurt de ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van SAR in door te stellen dat SAR haar klacht over het incident (zie 2.5) onvoldoende serieus heeft genomen en heeft nagelaten om adequaat in te grijpen, waardoor [verzoeker] zich onveilig heeft gevoeld op de werkvloer. Daarnaast verwijt zij SAR dat de camerabeelden van het incident niet zijn bewaard en dat de vertrouwelijkheid van de klacht is geschonden. Ten slotte heeft SAR [verzoeker] (in strijd met de interne meldregeling) naar aanleiding van de klacht benadeeld door haar op non-actief te stellen en haar arbeidsovereenkomst niet te verlengen.\n\n4.3.. De kantonrechter volgt het betoog van [verzoeker] niet. [verzoeker] heeft haar klacht op 14 februari 2025 ingediend. SAR heeft nog diezelfde dag een gesprek met [verzoeker] ingepland. Dat SAR de betrokken collega ([betrokkene 1]) niet direct heeft geschorst, is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk en vormt eerder een aanwijzing voor een zorgvuldige handelwijze van SAR. Op 19 februari 2025 heeft [verzoeker] aan HR laten weten dat zij haar klacht voorlopig niet wenste door te zetten. SAR heeft daarop telefonisch contact opgenomen met [verzoeker] om te benadrukken dat signalen van pestgedrag op de werkvloer serieus worden genomen en dat er ook zonder formele klacht ruimte bestaat voor een gesprek. Partijen hebben vervolgens afgesproken dat het (reeds ingeplande) gesprek van 20 februari 2025 in informele setting zou plaatsvinden. Dit (informele) gesprek is vervolgens een aantal keer verplaatst vanwege ziekte van verschillende gesprekpartners. Dat SAR in die periode geen verdere actie heeft ondernomen, is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk. Op het moment dat duidelijk werd dat [verzoeker] de klacht wél formeel wilde doorzetten, heeft SAR een hoorzitting georganiseerd. Op de hoorzitting van 27 maart 2025 is de klacht van [verzoeker] uitgebreid besproken. SAR heeft hiervan een gespreksverslag opgemaakt. [verzoeker] heeft in reactie daarop aangegeven teleurgesteld en geschokt te zijn over de inhoud van het verslag en het vertrouwen in een eerlijk proces te zijn verloren. Ook heeft zij SAR dringend verzocht om de camerabeelden van het incident voor de duur van de klachtenprocedure te bewaren. SAR heeft uitgebreid inhoudelijk op het commentaar van [verzoeker] gereageerd en uitgelegd dat camerabeelden automatisch na tien dagen verwijderd worden en daarom helaas niet meer beschikbaar zijn.\n\n4.4.. De kantonrechter is van oordeel dat hoewel SAR de roosters van [verzoeker] en [betrokkene 1] beter had kunnen afstemmen om verdere confrontaties op de werkvloer te voorkomen en het voor de hand had gelegen dat SAR de camerabeelden had bewaard, het nalaten daarvan niet als ernstig verwijtbaar kan worden aangemerkt. Ook kan hieruit niet de conclusie worden getrokken dat SAR de klacht niet serieus heeft genomen en\u002Fof de aanzet of de oorzaak heeft gegeven voor de verdere gebeurtenissen die uiteindelijk tot het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst hebben geleid. Integendeel, de manier waarop [verzoeker] vervolgens met de situatie is omgesprongen lijkt eerder de kern te zijn van de verstoring van de arbeidsverhouding die vervolgens is ontstaan. [verzoeker] heeft herhaaldelijk aangegeven geen vertrouwen (meer) te hebben in SAR. Ook is zij SAR steeds meer verwijten gaan maken, zoals het verwijt dat vertrouwelijke informatie over de klacht met derden (waaronder [betrokkene 1]) zou zijn gedeeld. Deze beschuldiging heeft [verzoeker] echter (ook in deze procedure) op geen enkele wijze onderbouwd. Wel staat vast dat [verzoeker] zélf (buiten de klachtenprocedure om) contact heeft gezocht met een manager van SAR die niet haar eigen leidinggevende was, met wie zij haar eigen versie van het gespreksverslag heeft gedeeld.\n\n4.5.. De hiervoor geschetste gang van zaken heeft ertoe geleid dat het wederzijds vertrouwen tussen partijen ernstig onder druk is komen te staan. SAR heeft daarom op 12 mei 2025 voorgesteld om onder begeleiding van een onafhankelijke mediator in gesprek te gaan. Dit voorstel was gericht op herstel van de arbeidsrelatie en een zorgvuldige voortzetting van het dienstverband. Onder die omstandigheden heeft SAR besloten om [verzoeker] in de tussentijd vrij te stellen van werkzaamheden met behoud van loon. SAR heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat deze maatregel niet was bedoeld als sanctie of benadeling, maar juist als doel had om rust en ruimte te creëren.\n\n4.6.. De kantonrechter stelt vast dat de verhoudingen tussen partijen na de vrijstelling van werkzaamheden alleen maar zijn verslechterd. Hoewel [verzoeker] (na een eerste zeer kritische reactie op 14 mei 2025) op 21 mei 2025 een meer constructieve houding leek aan te nemen, is tijdens het gesprek van 3 juni 2025 de (spreekwoordelijke) bom gebarsten. Beide partijen hebben dit gesprek als zeer onprettig ervaren en aangegeven dat het gesprek absoluut niet heeft bijgedragen aan de-escalatie of het herstel van vertrouwen. In de nasleep van dit gesprek is [verzoeker] steeds meer verwijten en beschuldigingen richting SAR gaan uiten, waarbij haar toon steeds scherper werd. Ook heeft [verzoeker] bij de voorgestelde mediator aangegeven op dat moment geen heil in mediation in te zien, omdat SAR volgens haar de basisbeginselen van het arbeidsrecht (waaronder hoor- en wederhoor) zou schenden. In een poging de ontstane impasse te doorbreken, heeft SAR vervolgens ingestemd met het verzoek van [verzoeker] om een gesprek met de directie te voeren. Dit gesprek heeft op 11 juli 2025 plaatsgevonden. Ook in dit gesprek heeft [verzoeker] meermaals aangegeven geen vertrouwen meer te hebben in de organisatie. Afgesproken werd dat [verzoeker] aan de directie zou terugkoppelen welke vervolgstappen zij zelf voor ogen had om de situatie te verbeteren. Een inhoudelijke reactie daarop is uitgebleven. In plaats daarvan heeft [verzoeker] opnieuw verwijtende e-mails aan SAR verstuurd. SAR is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het vertrouwen niet meer kon worden hersteld.\n\n4.7.. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat het besluit van SAR om de tijdelijke arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet te verlengen is gebaseerd op het feit dat de arbeidsrelatie inmiddels duurzaam was vastgelopen (en dus niet op het feit dat [verzoeker] een klacht had ingediend). Een verslechterde verhouding tussen werknemer en werkgever is in beginsel een legitieme reden om een dienstverband niet te verlengen. Niet is gebleken dat de verslechterde verhouding SAR ernstig valt aan te rekenen. In tegendeel, de kantonrechter is (al het voorgaande in overweging nemende) van oordeel dat SAR zich aantoonbaar heeft ingespannen om de verhoudingen tussen partijen te verbeteren. Mogelijk heeft de taalbarrière bijgedragen aan de communicatieproblemen tussen partijen, maar dit neemt niet weg dat [verzoeker] alle redelijke voorstellen van SAR om met elkaar in gesprek te gaan en tot een constructieve oplossing te komen heeft afgewezen. De slotsom is dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst niet is voortgezet. Dat heeft tot gevolg dat [verzoeker] geen recht heeft op een billijke vergoeding en dat ook haar verzoek om voor recht te verklaren dat de SAR ernstig verwijtbaar heeft gehandeld wordt afgewezen.\n\nHet verbod op benadeling na melding\n\n4.8.. Omdat een direct causaal verband tussen de klacht en het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst ontbreekt, kan van een benadeling na melding geen sprake zijn. Het antwoord op de vraag of de klacht als een ‘melding van een misstand’ in de zin van de interne klachtenprocedure en\u002Fof de klokkenluiderswetgeving kan worden aangemerkt, kan daarom in het midden blijven. Het verzoek van [verzoeker] om voor recht te verklaren dat SAR het verbod op benadeling na melding heeft geschonden wordt afgewezen.\n\nTransitievergoeding\n\n4.9.. Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoeker] recht heeft op een transitievergoeding.SAR heeft toegezegd dat de transitievergoeding in maart 2026 zal worden uitbetaald. Aangezien niet is gebleken dat die betaling inmiddels heeft plaatsgevonden, zal het verzoek tot betaling van de wettelijke transitievergoeding (voor zover deze nog niet is voldaan) worden toegewezen.\n\nSchadevergoeding wegens psychisch letsel, misgelopen inkomsten en overige schade\n\n4.10.. \n [verzoeker] heeft daarnaast om immateriële en materiële schadevergoeding verzocht. De kantonrechter wijst dit verzoek af. Daarover wordt als volgt overwogen.\n\n4.11.. Het enkele feit dat binnen de arbeidsrelatie spanningen zijn ontstaan en [verzoeker] als gevolg daarvan (veel) stress heeft ervaren, is onvoldoende voor toekenning van immateriële schadevergoeding. Voor zover [verzoeker] een beroep doet op ‘PDF document 2’ zoals opgenomen in Annex 1 bij het verzoekschrift, geldt dat niet duidelijk is van wie dat document afkomstig is en of sprake is van een objectief vastgestelde stoornis of beperkingen die in causaal verband staan met het werk of met enig onrechtmatig handelen van SAR. [verzoeker] heeft haar verzoek tot immateriële schadevergoeding dan ook onvoldoende onderbouwd.\n\n4.12.. De verzochte vergoeding wegens ‘misgelopen inkomsten en overige schade’ mist eveneens grondslag. [verzoeker] heeft niet toegelicht welke inkomsten zij zou zijn misgelopen. Tussen partijen is niet in geschil dat SAR het salaris van [verzoeker] tot het einde van de arbeidsovereenkomst (inclusief openstaande vakantiedagen) heeft uitgekeerd. Voor zover het gaat om inkomensschade na de einddatum van het contract, geldt dat deze schadepost verband houdt met het einde van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen daarvan. Dergelijke schade wordt exclusief gedekt door de billijke vergoeding, in die zin dat er naast deze (specifieke) vergoeding geen ruimte is voor een andere (generieke) vergoeding. Als een billijke vergoeding wordt afgewezen, is er dus geen ruimte om vervolgens op een andere grondslag een vergoeding voor deze vorm van schade toe te wijzen.\n\n4.13.. Voor zover [verzoeker] daarnaast vergoeding van ‘overige schade’ heeft verzocht, geldt dat zij dit verzoek op geen enkele wijze heeft gespecificeerd of onderbouwd, zodat ook dit onderdeel wordt afgewezen.\n\nHet verzoek tot afgifte van documentatie en gegevens\n\n4.14.. Ten slotte verzoekt [verzoeker] om SAR te verplichten tot het verstrekken van ‘correcte documentatie en alle relevante gegevens met betrekking tot haar klacht en arbeidsrelatie’. Het is de kantonrechter niet duidelijk welke concrete documenten [verzoeker] daarmee bedoelt en welk belang zij daarbij heeft. De kantonrechter heeft hier op de zitting naar gevraagd, maar [verzoeker] kon daar geen antwoord op geven. Het verzoek wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten\n\n4.15.. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van SAR worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. veroordeelt SAR om – voor zover deze betaling nog niet heeft plaatsgevonden – de wettelijke transitievergoeding aan [verzoeker] te betalen;\n\n5.2.. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.4.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.\n\nDe griffier De kantonrechter\n\n Artikel 7:673 lid 1 onderdeel a onder 3 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:4153","ecli-nl-rbnho-2026-4153",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]