[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2026-2457":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2026-2457":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1147","ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12165818 \\ AR VERZ 26-26\n\nBeschikking van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING KWADRANT,\n\nte Drachten,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Kwadrant,\n\ngemachtigde: mr. L. Sandberg,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\nprocederend met toevoeging,\n\ngemachtigde: mr. J.S. Bauer.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen (de e-grond). De kantonrechter beoordeelt het gedrag van de werknemer ook als ernstig verwijtbaar. Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van werknemer om ten laste van de werkgever een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen wordt afgewezen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om het tegenverzoek tot loonbetaling van werknemer te honoreren.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek\n\n- een wijziging van verzoek met aanvullende producties van 13 mei 2026 - aanvullende producties van Kwadrant van 20 mei 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van Kwadrant.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1989, is sinds 1 december 2023 in dienst bij Kwadrant. De functie van [verweerder] is [functie] met een loon van € 5.787,48 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO VVT van toepassing. [verweerder] houdt zich bezig met het in kaart brengen van ICT vragen vanuit Kwadrant en met name met de implementatie van een softwaresysteem genaamd AFAS.\n\n2.2.. In de mailbox van [verweerder] is op 2 juni 2025 ’s ochtends een concept e-mail opgesteld met de volgende tekst:\n\nBeste relatie,\n\nGraag verwijs ik naar de factuur in de bijlage.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [bedrijf 2]\n\nEveneens op 2 juni 2025 is ’s middags bij Kwadrant via de mail een factuur binnengekomen met als afzender [mailadres 1] met dezelfde hiervoor genoemde begeleidende tekst die ’s ochtends was aangemaakt in de mailbox van [verweerder] .\n\n2.3.. Op een via [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Whatsappgesprekken waarop de namen [verweerder] en [naam 1] als gespreksdeelnemers zijn vermeld (hierna de uitdraai van WhatsAppgesprekken) staat onder andere het volgende vermeld:\n\n Op 16 mei 2025:\n\n [verweerder] : Hieronder zijn de gegevens die normaal gesproken op een factuur staan. Het enige risico is dat mijn organisatie een IT-klusje gaan factureren aan een eenmanszaak dat staat ingeschreven als modellenbureau. Ik moet even goed nadenken hoe we dat risico kunnen vermijden. Kun jij de volgende gegevens met mij delen zodat ik een conceptfactuur kan opstellen.\n\nOp 21 mei 2025:\n\n [verweerder] : Perfect. Als jij de gegevens hebt aangeleverd dan kan ik verder met het aanmaken van de eerste factuur.\n\nOp 2 juni 2025, in antwoord op de vraag van [naam 1] wanneer de eerste betaling wordt gedaan:\n\n [verweerder] : Yo bro, dat durf ik niet te zeggen. Ik heb de betaling in het proces gedrukt\n\nOp 3 juni 2025:\n\n [verweerder] : Kijk bro, dit is de factuur die ik namens jou heb ingediend\n\nOp 19 juni 2025:\n\n [verweerder] : Ik heb net gecheckt. De vervaldatum in het systeem van de factuur is volgende week donderdag. Dan gaat de opdracht naar de bank en dan duurt het nog 1 a 2 dagen\n\nOp 26 juni 2025:\n\n [verweerder] : Bro, het gaat vandaag naar je worden overgemaakt. Laat ff weten als je het hebt ontvangen. [verweerder] : Het netto bedrag wat je ontvangt is 1940. Voor mij 70 procent is 1358. En voor jou 30 procent is 582. Je moet zelf kijken wat je met het BTW bedrag doet. Als je het hebt ontvangen stuur ik je wel een tikkie.\n\n(…)\n\n [verweerder] : Ik heb een betaalverzoek gemaakt van € 1.358,00 voor 2025. Je kunt met elke bank in Nederland betalen. Dank je wel!\n\nOp 16 juli 2025\n\n [verweerder] : Bro het lijkt me slimmer om die nabetaling te skippen. Ik laat in de le of 2e week van augustus rond de 7K uitbetalen en eind september rond de 12K. Eens?\n\n [verweerder] : Mijn broer spreek ik dit weekend. Bel je daarna wel mbt de BTW aangifte\n\nOp 7 september 2025:\n\n [verweerder] : Zeker nu het lekker loopt\n\n(…)\n\n [verweerder] : Helemaal vergeten te zeggen dat we komende donderdag ook nog wat krijgen. Het is momenteel chaos bij ons waardoor ik heel eenvoudig uurtjes jou kan laten uitbetalen. Donderdag gaan we ongeveer 2400 extra ontvangen\n\nOp 29 september 2025:\n\n [verweerder] : Als we afspreken kunnen we gelijk bespreken hoe we de komende maanden nog maximaal kunnen verdienen\n\n2.4.. Op 19 september 2025 ’s ochtends is er vanuit de mailbox van [verweerder] een mailbericht gestuurd aan [mailadres 2] met de volgende tekst:\n\nOnderwerp: Implementatie Front Vision Koppeling\n\nMail:\n\nGoedemorgen [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nActie voor jou:\n\nMaak een handtekening met bedrijfsnaam inclusief naam en functie.\n\nVervolgens is dezelfde dag, 19 september 2025, ’s middags in de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht binnengekomen van [mailadres 3] met als onderwerp: Front Vision Koppeling en de volgende tekst:\n\nGoedemiddag [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [naam 2]\n\nSenior IT Consultant\n\n2.5.. Op een via [naam 1] aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Signalgesprekken (hierna de uitdraai van Signalgesprekken) staat, naast diverse betaalverzoeken, onder andere het volgende vermeld:\n\nOp 10 december 2025:\n\n Bro what's up? Ik heb ons mannetje van de BD gesproken. Dat moeten wij even bespreken\n\nOp 28 december 2025:\n\nVorige week heb ik €1K aanbetaald. Het belasting mannetje gaat nu uitzoeken wat we moeten aanleveren om zo min mogelijk te betalen. Onze verdeling is 70\u002F30 dus dat heb ik zo berekend. Ik wil 100 procent zeker zijn dat dit ook goed gaat\n\n2.6.. Op 27 januari 2026 om 10.30 is er vanuit de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht gestuurd naar [mailadres 2] met in de bijlage een factuur van [bedrijf 1] . Dezelfde dag om 10.58 wordt in de crediteurenmailbox van Kwadrant een mailbericht ontvangen afkomstig van [mailadres 3] met dezelfde tekst als voormelde mail aan [mailadres 2] met als bijlage dezelfde factuur van [bedrijf 1] .\n\n2.7.. Begin 2026 heeft de business controller van Kwadrant vastgesteld dat er een forse kostenoverschrijding had plaatsgevonden op de begroting van ICT. Uit nadere bestudering bleek dat aan twee crediteuren, namelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) betalingen waren gedaan op basis van 23 facturen over de periode 26 juni 2025 tot en met 29 januari 2026 voor een totaalbedrag van € 121.797,80 terwijl niets daarvoor was begroot. De omschrijvingen op de facturen gaven aan dat het om ICT-gerelateerde werkzaamheden ging. Omdat het vermoeden bestond bij Kwadrant dat het om spookfacturen ging, heeft zij [bedrijfsrecherche] (hierna: [bedrijfsrecherche] ) ingeschakeld om nader onderzoek te doen.\n\n2.8.. Op 2 februari 2026 heeft Kwadrant een melding gedaan bij haar bank, de ING, dat zij ten onrechte facturen heeft ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .\n\n2.9.. Op 3 februari 2026 heeft de leidinggevende van [verweerder] , de heer [leidinggevende] , [verweerder] bevraagd over mogelijke onregelmatigheden omtrent facturatie.\n\n2.10.. Op of omstreeks 3 en 4 februari 2026 heeft de ING bank informatie gevraagd aan [bedrijf 1] en [naam 1] over de facturen.\n\n2.11.. Op 5 februari 2026 heeft [verweerder] zich ziek gemeld. Op de uitdraai van Signalgesprekken staan op dezelfde dag, 5 februari 2026, naast een reeks facturen, de volgende gesprekken genoteerd:\n\n ( [naam 1] ) Bro kan je bellen?\n\n Belangrijke info van de bank\n\nBen ermee bezig\n\nStel dat ze vragen om een naam van eem contactpersoon moet je niet mijn naam noemen\n\nDan is de cirkel rond\n\nBro wat je nog kunt zeggen. Je bent door functioneel beheer kwadrant gevraagd om te helpen bij het doorontwikkelen van Afas. Dat heb je dan ook steeds gedaan. Naam weet je niet meer zo goed\n\n(…)\n\nDit is het overzicht van alle betalingen, inclusief het bedrag en de datum van ontvangst.\n\nWaar een V staat betekent dat ik de betaling heb ontvangen. Voor de overige betalingen heb ik nog geen correcte factuur ontvangen. Zou je deze zsm kunnen delen?\n\n(…)\n\nHet mailadres is [mailadres 1]\n\nVoordat ze het vragen\n\n(…)\n\nBelangrijk dat je beetje in het midden laat wie je aanspreekpunt is want als ik in het verhaal kom in combinatie met betalingen naar mij\n\nDan wordt het kut\n\n2.12.. Op 16 februari 2026 heeft [bedrijfsrecherche] de leidinggevende van de ICT afdeling op de hoogte gesteld van haar tussentijdse bevindingen in het onderzoek en heeft [bedrijfsrecherche] aangegeven [verweerder] te willen horen. Dezelfde dag, 16 februari 2026, is herhaaldelijk tevergeefs getracht telefonisch contact met [verweerder] te krijgen. Kwadrant is daarom ’s middags naar het huis van [verweerder] te gaan. Bij aankomst bleek dit te zijn leeggehaald en niet te worden bewoond.\n\n2.13.. Bij brief en per e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 17 februari 2026 om 10.30 uur op de locatie van Kwadrant om hem te horen in het kader van het onderzoek naar de onregelmatigheden die aan het licht waren gekomen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld aan [verweerder] dat hij gedurende het onderzoek op non-actief werd gesteld, dat het hoorgesprek niet vrijblijvend was en dat niet-verschijnen van [verweerder] arbeidsrechtelijke consequenties zou hebben, waarbij een ontslag op staande voet niet werd uitgesloten. Per separate e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde uitnodiging en hem meegedeeld dat niet-verschijnen van [verweerder] aanleiding zou zijn voor Kwadrant om aangifte te doen bij de politie.\n\n2.14.. Per e-mail van 17 februari 2026 om 00.18 uur heeft [verweerder] , voor zover van belang, de volgende reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\n(…) Ik ben bereid volledig mee te werken aan het aangekondigde onderzoek en er is geen sprake van weigering. Ik zal mij daarnaast houden aan de voorwaarden die gelden tijdens mijn non-actiefstelling.\n\nIk ben momenteel ziekgemeld en mijn huisarts is op de hoogte van de aard van mijn klachten en kan dit desgewenst bevestigen. Een gesprek op korte termijn is in mijn ogen niet verantwoord. Ik verzoek je alternatieve data voor volgende week of de week erop voor te stellen.\n\nVoorafgaand aan het gesprek ontvang ik graag schriftelijk:\n\n- een concrete omschrijving van de vermeende onregelmatigheden\n\n- wie aanwezig zal zijn en in welke hoedanigheid\n\nIn de afgelopen week is contact geweest met meerdere directe collega’s en onbereikbaarheid is niet aan de orde. Ik ben per e-mail bereikbaar en zal tijdig reageren.\n\nGezien de korte termijn van het geplande gesprek en het belang van een correcte procedure, verzoek ik je om bovenstaande punten schriftelijk te bevestigen voordat verdere stappen worden ondernomen.\n\nTer voorbereiding op het gesprek behoud ik mij het recht voor juridisch advies in te winnen.\n\n(…)\n\n2.15.. In de ochtend van 17 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs telefonisch contact gezocht met [verweerder] , waarna ze een e-mail bericht heeft gestuurd. In deze e-mail heeft Kwadrant aan [verweerder] verzocht om wel om 10.30 uur op de afspraak te komen en aan hem uitgelegd dat er op dat moment een onderzoek door [bedrijfsrecherche] plaatsvond, dat [bedrijfsrecherche] met hem in gesprek wilde gaan en dat het gesprek uitstellen met één of twee weken niet mogelijk was. Verder werd de optie geboden aan [verweerder] om het gesprek bij hem thuis of via teams plaats te laten vinden. Ten slotte heeft Kwadrant [verweerder] verzocht om telefonisch contact op te nemen en zijn verblijfadres aan Kwadrant te verstrekken.\n\n2.16.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 10.29 uur heeft [verweerder] gereageerd en aan Kwadrant meegedeeld dat hij vanwege gezondheidsproblemen niet op gesprek kon komen. Tevens heeft [verweerder] aangegeven dat hij op dat moment tijdelijk ergens anders verbleef en te allen tijde per e-mail bereikbaar was en binnen een redelijke termijn zou reageren.\n\n2.17.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 14.13 uur heeft Kwadrant [verweerder] opgeroepen om op 19 februari 2026 om 10.30 uur op gesprek te komen en hem nogmaals gewezen op de arbeidsrechtelijke consequenties bij niet-verschijnen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld dat [verweerder] verplicht was zijn huidige verblijfplaats door te geven in verband met de Wet Verbetering Poortwachter, dat een en ander (waaronder het al een week niet bereikbaar zijn voor zijn leidinggevende) niet acceptabel was en dat hij bereikbaar diende te zijn, niet enkel per mail.\n\n2.18.. Per e-mail en per sms van 17 februari 2026 heeft de bedrijfsarts [verweerder] opgeroepen voor het spreekuur via teams op 18 februari 2026 om 9 uur. Per e-mail van 17 februari 2026 om 15.47 uur heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde oproep van de bedrijfsarts en op zijn verplichting op grond van de Wet Verbetering Poortwachter om hieraan gehoor te geven om te kunnen beoordelen in hoeverre er sprake is van arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en of hij recht heeft op salaris. [verweerder] is 18 februari 2026 niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft die dag herhaaldelijk tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met [verweerder] te krijgen.\n\n2.19.. \n\nPer e-mail van 18 februari 2026 met als titel: ‘Contact en terugkoppeling bedrijfsarts’ heeft Kwadrant het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\nJe hebt tot heden niet gereageerd op mijn mails van gistermiddag. Je hebt telefonisch geen contact opgenomen met je leidinggevende en je neemt je telefoon niet op wanneer wij je proberen te bellen. Gistermiddag heb je per mail en per sms een uitnodiging ontvangen van de bedrijfsarts voor een consult via teams voor vanmorgen om 9.00u. Je bent niet verschenen. Ook was je voor de bedrijfsarts telefonisch niet bereikbaar. Bijgaand ontvang je de terugkoppeling van de bedrijfsarts.\n\nJe houd je niet aan de verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet Verbetering Poortwachter. Ook overtreed je onze interne afspraken die wij met elkaar hebben ten aanzien van ziekmelding, bereikbaarheid bij ziekte etc. We kunnen hierdoor niet vaststellen of er sprake is van ziekte en of je recht hebt op salaris. Hierbij deel ik je dan ook mede dat je salaris per vandaag wordt opgeschort. Salarisbetaling zal hervat worden, nadat de bedrijfsarts heeft kunnen constateren dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid.\n\nGisteren heb je een uitnodiging ontvangen om morgen om 11.30u aanwezig te zijn bij de [adres] te Drachten om in gesprek te gaan met [bedrijfsrecherche] , in het kader van een onderzoek dat zij aan het verrichten zijn in opdracht van Kwadrant. Je bent verplicht te verschijnen. Zoals aangegeven zal niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties hebben.\n\nIk wil dat je vandaag nog telefonisch contact opneemt met de bedrijfsarts om een nieuwe afspraak in te plannen. De gegevens staan in het verslag van de bedrijfsarts opgenomen. Daarnaast wil ik dat je vandaag nog telefonisch contact met mij opneemt en bevestigt dat je morgen op de afspraak zult verschijnen. Ook wil ik dat je vandaag je verblijfadres aan ons doorgeeft.\n\n(…)\n\n2.20.. Per e-mail van 19 februari 2026 om 00.59 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant, voor zover van belang, meegedeeld dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten niet in staat is om deel te nemen aan het gesprek met [bedrijfsrecherche] op 19 februari 2026 en heeft hij verzocht het gesprek naar de week daarop te verplaatsen. Verder heeft [verweerder] geschreven dat hij geen vaste verblijfplaats heeft maar voor de komende periode aan [adres] verblijft en uitsluitend via e-mail bereikbaar is. Ook heeft [verweerder] aangegeven dat hij het gezien de korte aanzeggingstermijn van minder dan 24 uur niet redelijk acht en dat hij niet akkoord gaat met het opschorten van zijn loon vanwege zijn afwezigheid bij de afspraak met de bedrijfsarts.\n\n2.21.. Op 19 februari 2026 heeft [verweerder] contact opgenomen met de bedrijfsarts waarop meteen per videocall een consult heeft plaatsgevonden. In de terugkoppeling van dit consult staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:\n\nProbleem en Vraagstelling van werkgever\n\nProbleem:Werknemer heeft zich ziek gemeld terwijl er problemen bestaan die gerelateerd zijn aan het werk. Werkgever wil graag met werknemer in gesprek over de bestaande problemen. Werknemer geeft bij werkgever aan dat werknemer medische belemmeringen ervaart om in gesprek te gaan met werkgever.\n\nVragen:\n\n1. Heeft werknemer beperkingen op medische grond om een gesprek met werkgever te voeren?\n\n2. Zo ja, zijn er voorwaarden op medische grond waar aan voldaan moet worden om een gesprek wel\n\nmogelijk te maken?\n\n3. Als werknemer medische belemmeringen heeft, is er voldoende zorg voor werknemer? Zo neen,\n\ngraag advies geven aan werknemer voor adequate zorg.\n\nAntwoord op de gestelde vragen:\n\n1. Werknemer is verminderd belastbaar op medische grond t.a.v. veel prikkels uit de omgeving en t.a.v. een zwaar emotioneel appel. Mijns inziens is een gesprek met werkgever wel mogelijk, mits rekening gehouden met specifieke voorwaarden.\n\n2. Specifieke voorwaarden voor een gesprek:\n\na. Eenvoudige, duidelijke informatie, welke overzichtelijk gedeeld wordt. Denk daarbij aan maximaal 4 personen inclusief werknemer zelf. Waarbij om de beurt gesproken wordt. En waarbij werknemer eventuele informatie geprint of per mail mee naar huis krijgt.\n\nb. Advies is dat werknemer zelf een vertrouwd persoon mee neemt.\n\nc. Duur van een gesprek maximaal 30 minuten.\n\nd. Indien er informatie gedeeld wordt met een zware emotionele lading, adviseer ik om een vervolg\n\nvan het gesprek op een ander moment te plannen.\n\ne. Organiseer dat werknemer niet zelf hoeft te rijden rondom een gesprek met emotionele lading.\n\n3. Dit is startende. Werknemer heeft daarover maandag weer contact. Ik spreek werknemer weer over 3\n\nweken en zal dit ook blijven volgen met werknemer.\n\nAdvies:\n\nGraag wil ik werkgever en werknemer de volgende adviezen geven:\n\n• Ga met elkaar probleem oplossend in gesprek. Houdt daarbij rekening met de vermelde voorwaarden.\n\n• Werknemer blijft onder behandeling van de behandelaar.\n\n(…)\n\n2.22.. \n [verweerder] is niet verschenen op het gesprek met [bedrijfsrecherche] van 19 februari 2026 om 11.30 uur. Per e-mail van dezelfde dag met als onderwerp contact en afspraken heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat hij ondanks het advies van de bedrijfsarts dat hij medisch in staat is om onder voorwaarden in gesprek te gaan, niet verschenen is op de afspraak om 11.30 uur terwijl het vanwege het onderzoek naar de onregelmatigheden van facturaties zeer belangrijk is dat het gesprek plaatsvindt en dat aan niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties zijn verbonden waarbij een ontslag op staande voet niet is uitgesloten. Verder wordt [verweerder] wederom opgeroepen voor een gesprek op maandag 23 februari 2026 met een vervolggesprek op woensdag 25 februari 2026 en wordt hem dringend verzocht telefonisch contact op te nemen om afspraken te kunnen maken over de locatie van het gesprek en het vervoer.\n\n2.23.. Op vrijdag 20 februari 2026 heeft de volgende e-mail correspondentie tussen partijen plaatsgevonden:\n\n- Om 8.09 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is mee te werken aan de gesprekken, zoals door de bedrijfsarts is geadviseerd maar dat hij de wijze waarop druk wordt uitgeoefend door Kwadrant (namelijk directe eisen, korte termijnen en dwingende contactmomenten) niet als zorgvuldig en daarmee niet in lijn met het advies van de bedrijfsarts ervaart. [verweerder] heeft een nieuw datumvoorstel gedaan voor de komende woensdag (25 februari 2026) en de vrijdag daarna (27 februari), zodat hij tijd heeft om te bepalen wie hem bijstaat en hij heeft aangegeven de komende maandag (23 februari 2026) na zijn afspraak bij de huisarts tussen 10 en 11 uur te kunnen bellen.\n\n- Om 9.42 uur heeft Kwadrant gereageerd en aan [verweerder] , voor zover van belang, meegedeeld dat hij diezelfde dag nog tussen 10 en 11 uur telefonisch contact dient op te nemen met Kwadrant om af te stemmen hoe laat hij maandag 23 februari 2026 naar de huisarts moet, zodat de afspraak met [bedrijfsrecherche] daarop afgestemd kan worden.\n\n- Om 11.02 uur heeft [verweerder] hierop per e-mail gereageerd en aangegeven dat hij zich die dag emotioneel niet in staat voelt om te bellen en maandag 23 februari 2026 na 10 uur kan bellen en woensdag 25 februari 2026 aanwezig kan zijn voor het gesprek.\n\n- Om 13:21 uur heeft Kwadrant [verweerder] gesommeerd om op maandag 23 februari 2026 om 14.30 uur naar Kwadrant te komen voor een gesprek met [bedrijfsrecherche] en heeft Kwadrant verder het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\n(…)\n\nWe hebben je afgelopen woensdag bericht dat je salaris werd opgeschort omdat we niet vast konden stellen of er sprake was van arbeidsongeschiktheid. Inmiddels is er contact met de bedrijfsarts geweest, zodat het salaris wordt hervat. Echter, omdat je je niet aan redelijke (werk)instructies houdt, waartoe je wel gehouden kunt worden conform het advies van de bedrijfsarts, heb je geen recht op salaris. Vanaf vandaag wordt je salaris dan ook stopgezet. Het recht op salaris neemt weer een aanvang wanneer je je wel aan redelijke (werk) instructies houdt. Je bent afgelopen week herhaaldelijk niet op een gesprek verschenen, waartoe je wel in staat wordt geacht door de bedrijfsarts. Je neemt daarnaast geen telefonisch contact met ons op, ondanks herhaald verzoek. Hiermee voldoe je niet aan redelijke werkopdrachten. Ook ben je reeds herhaaldelijk erop gewezen dat dit arbeidsrechtelijke gevolgen heeft. Voor nu wordt het salaris stopgezet.\n\n(…)\n\n2.24.. Op 23 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs geprobeerd [verweerder] telefonisch te bereiken. Per e-mail van dezelfde dag om 11.37 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is om mee te werken aan gesprekken en zijn re-integratie conform het advies van de bedrijfsarts van 19 februari 2026, maar dat de gesprekken herhaaldelijk eenzijdig zijn ingepland, op korte termijn en zonder afstemming met [verweerder] , waarbij de voorwaarden van de bedrijfsarts niet zijn nageleefd. Verder heeft [verweerder] , voor zover van belang, het volgende geschreven:\n\n(…)\n\nIk begrijp dat wordt gesteld dat ik medisch in staat ben om gesprekken te voeren. Dit is echter nadrukkelijk gekoppeld aan de randvoorwaarden geformuleerd door de bedrijfsarts.\n\nWanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd, is deelname aan het vanmiddag geplande gesprek niet verantwoord. Dit is geen werkweigering maar handelen binnen het medisch advies.\n\nOp dezelfde dag gesprek met de huisarts (gemeld in verslag bedrijfsarts) als gesprek met [bedrijfsrecherche] is voor mij niet haalbaar vanwege mijn belastbaarheid en de voorwaarden van de bedrijfsarts.\n\nDaarnaast zijn de richtlijnen van de bedrijfsarts bij de planning voor dit gesprek niet aantoonbaar nageleefd. Om die reden kan ik hier niet aan deelnemen.\n\nDe wijze van handelen vanuit Kwadrant ervaar ik als zeer ingrijpend en intimiderend. Mijn salaris is opgeschort en vervolgens stopgezet. Er is herhaaldelijk gedreigd met consequenties. Er zijn afspraken opgelegd met te korte voorbereidingstijd.\n\nDit alles is gericht op het afdwingen van een gesprek. Tegelijkertijd ervaar ik weinig tot geen aandacht voor mijn ziekmelding, belastbaarheid en herstel en mij als persoon.\n\nHet stopzetten van mijn salaris op basis van vermeende werkweigering acht ik onterecht. Ik werk mee binnen de grenzen van het advies van de bedrijfsarts. Ik verzoek u om dit besluit per direct terug te draaien.\n\nIk verzoek u ook om het advies van de bedrijfsarts leidend te laten zijn.\n\n(…)\n\n2.25.. Per e-mail van 24 februari 2026 heeft Kwadrant aan [verweerder] onder meer meegedeeld dat zij zich wel aan de voorwaarden van de bedrijfsarts heeft gehouden bij de geplande afspraak van de dag ervoor en dat [verweerder] zonder bericht niet op de afspraak is verschenen, telefonisch niet bereikbaar was en niet per e-mail binnen een redelijke termijn heeft gereageerd. Kwadrant heeft twee nieuwe opties voor een moment van een gesprek voorgesteld aan [verweerder] . Verder heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat – samengevat - zij vasthoudt aan de stopzetting van het salaris zolang [verweerder] zich niet houdt aan de redelijke voorschriften en (werk) instructies.\n\n2.26.. Per e-mail van 26 februari 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij beschikbaar is om op 3 maart 2026 op gesprek te komen binnen de randvoorwaarden zoals de bedrijfsarts die heeft geadviseerd en dat hij uiterlijk 2 maart 2026 zal doorgeven wie hij als vertrouwenspersoon meeneemt.\n\n2.27.. Per e-mail van 2 maart 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant onder meer meegedeeld dat de afspraak voor de volgende dag niet door kan gaan omdat zijn vertrouwenspersoon door overmacht niet beschikbaar is.\n\n2.28.. Op 4 maart 2026 heeft Kwadrant een lijst van [bedrijfsrecherche] aan [verweerder] gestuurd met vragen over – samengevat – zijn rol in de ‘frauduleuze constructie’ met de facturen. Kwadrant heeft [verweerder] verzocht om de vragen schriftelijk te beantwoorden op uiterlijk 9 maart 2026.\n\n2.29.. Per e-mail van 10 maart 2026 heeft [verweerder] de volgende, voor zover van belang, reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\nHet verbaast mij enigszins dat mij deze vragen worden voorgelegd. In de afgelopen twee jaar ben ik medeverantwoordelijk geweest voor de implementatie van AFAS (…).\n\nHiervoor heb ik met veel verschillende partijen samengewerkt. In mijn ogen is het heel gemakkelijk om mij nu een aantal partijen voor de voeten te werpen met dit soort vragen.\n\n(…)\n\nIk kan een hele lijst opstellen van nog meer organisaties, partijen of individuen die geen of slechts een minimale bijdrage hebben geleverd tegen forse onkostenvergoedingen.\n\n(…)\n\nNogmaals: als je mij zulke vragen stelt zonder enige context over hoe er intern wordt gehandeld en hoe eenvoudig opdrachten worden verstrekt, dan wordt er een beeld geschetst waarin mijn handelen als verdacht wordt neergezet. Terwijl dat handelen juist volledig in lijn ligt met de manier waarop binnen de organisatie wordt gewerkt.\n\n(…)\n\n2.30.. In het op 20 maart 2026 gedateerde onderzoeksrapport van [bedrijfsrecherche] , heeft zij het volgende geconcludeerd:\n\nUit het onderzoek blijkt dat de heer [verweerder] instructies heeft gegeven en letterlijke teksten heeft gedicteerd aan het e-mailadres ' [mailadres 2] ', over de wijze van indienen van facturen bij zijn werkgever Kwadrant. De heer [verweerder] heeft ook een factuur van [bedrijf 1] naar dat e-mailadres verzonden, voordat deze factuur door [bedrijf 1] bij Kwadrant werd ingediend.\n\nOok is gebleken dat de heer [verweerder] een conceptmail had opgesteld in zijn zakelijke mailbox van Kwadrant met de ondertekening ' [bedrijf 2] '. Deze conceptmail bleek exact dezelfde tekst en ondertekening te bevatten als de e-mail met de eerste factuur van [bedrijf 2] naar de crediteuren mailbox van Kwadrant. Deze conceptmail bleek bovendien op dezelfde dag te zijn opgesteld, maar enkele uren eerder, als de dag waarop de eerste factuur van [bedrijf 2] aan Kwadrant is verzonden. De heer [verweerder] heeft daarnaast de Crediteurenafdeling er ook op geattendeerd dat een factuur van [bedrijf 1] niet was betaald.\n\n(…)\n\nDe heer [verweerder] heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om de vastgestelde handelswijze toe te lichten. Ook op de schriftelijke vragen ten aanzien van deze casus heeft de heer [verweerder] niet gereageerd.\n\nBovenstaande bevindingen wijzen erop dat de heer [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken.\n\n2.31.. Per e-mail van 26 maart 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\nNaar aanleiding van het contact dat ik met ING heb gehad, neem ik vertrouwelijk contact met u op om te komen tot een oplossing voor de kwestie waar u en ik ons mee geconfronteerd weten.\n\nUit de informatie die mij ter beschikking is gesteld, blijkt dat [bedrijf 1] in 2025 meerdere malen aan Kwadrant heeft gefactureerd voor AFAS-gerelateerde consultwerkzaamheden. Ik wil daarbij uitdrukkelijk vermelden dat ikzelf niet betrokken ben geweest bij de uitvoering van of de besluitvorming rondom deze werkzaamheden. Ik heb hiervan pas kennisgenomen naar aanleiding van de melding die Kwadrant recent bij ING heeft ingediend, inhoudende dat de gefactureerde diensten niet zouden zijn geleverd.\n\nZonder vooruit te lopen op een inhoudelijke beoordeling van de situatie, doe ik u het volgende voorstel. Namens [bedrijf 1] ben ik bereid over te gaan tot volledige terugbetaling van de gefactureerde bedragen, zodat deze kwestie voor beide partijen definitief kan worden afgesloten.\n\n(…).\n\n2.32.. Op 2 april 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] een bedrag van € 18.997,00 op de rekening van Kwadrant gestort.\n\n2.33.. Bij brief van 13 april 2026 heeft Kwadrant [naam 1] , voor zover van belang, gesommeerd het ten onrechte ontvangen bedrag van € 102.800,80 te vermeerderen met rente en incassokosten te voldoen. Bij de brief aan [naam 1] heeft Kwadrant een overzicht van de door haar ontvangen facturen in de periode 27 mei tot en met 31 december 2025 ten titel van ‘consultancy werkzaamheden’ gevoegd.\n\n2.34.. Per e-mail van 23 april 2026 heeft [naam 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\n(…)\n\nIk ben op de hoogte van de kwestie rondom de factureringen in de genoemde periode en wens dit in goed overleg af te wikkelen.\n\nIk ben bereid het door mij ingehouden bedrag terug te betalen. Ter verduidelijking: hoewel het volledige bedrag van € 102.800,80 op mijn rekening is ontvangen, heb ik slechts 30% behouden. 70% is overgemaakt aan de heer [verweerder] , werkzaam bij Stichting Kwadrant, tegen wie momenteel een gerechtelijke procedure loopt voor dezelfde feiten (…). Volgens mijn kennis en inzicht is de constructie door de heer [verweerder] opgezet; hij kende de financieel-logistieke processen binnen Stichting Kwadrant.\n\nHet bewijs van de overmakingen aan de heer [verweerder] heb ik in februari 2026 aan de bank overgelegd.\n\n(…).\n\n [naam 1] heeft, naast de eerder genoemde uitdraaien van Whatsapp- en Signalgesprekken, bankafschriften waarop overboekingen van hem aan [verweerder] staan vermeld over de periode juni 2025 tot januari 2026 aan Kwadrant gestuurd.\n\n2.35.. Op 23 april 2026 is een document aangemaakt waarvan in de broninformatie [verweerder] als auteur en als degene die het document het laatst heeft gewijzigd wordt vermeld. In het document, met als titel ‘Betalingsverklaring’ (hierna: de betalingsverklaring) staat vermeld dat [verweerder] zich verplicht om 70% van het totaal verschuldigde bedrag van € 106.451,11 in termijnen te betalen op voorwaarde dat zijn naam niet zal worden genoemd in ieder geval tot de datum van de rechtszitting op 22 mei 2026.\n\n2.36.. Per e-mail van 28 april 2026 van de gemachtigde van Kwadrant aan de gemachtigde van [verweerder] wordt [verweerder] naar aanleiding van het dringend advies van de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan, uitgenodigd voor een viergesprek tussen een afgevaardigde van Kwadrant en [verweerder] en hun beider gemachtigden, met inachtneming van de belemmeringen die de bedrijfsarts kenbaar heeft gemaakt. De uitnodiging is vervolgens namens [verweerder] afgewezen.\n\n2.37.. Op 12 mei 2026 heeft Kwadrant, na daartoe op dezelfde datum verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een viertal bankrekeningen van [verweerder] (ING en ABN AMRO). De vordering waarvoor het beslag is verleend is daarbij bepaald op € 152.745,93.\n\n2.38.. Op 13 mei 2026 heeft [bedrijfsrecherche] gesproken met [naam 1] . In het naar aanleiding daarvan door [naam 1] ondertekende gespreksverslag is, voor zover van belang, vermeld dat [naam 1] heeft verklaard dat hij [verweerder] via [naam 3] heeft leren kennen en dat [verweerder] degene was die het account beheerde van [mailadres 1] van waaruit de facturen naar Kwadrant werden verstuurd, terwijl [naam 1] zelf nooit toegang heeft gehad tot dit account. Ook heeft [naam 1] verklaard de facturen niet zelf te hebben opgesteld en pas van [verweerder] via de Signalchat te hebben ontvangen nadat de bank begin februari 2026 contact opnam. Op de vraag hoe het contact met [verweerder] is verlopen heeft [naam 1] het volgende verklaard:\n\n(…) Hij heeft mij uitgelegd wat voor constructie hij had bedacht en of ik mijn gegevens wilde delen, zodat hij mijn bedrijfsgegevens kon gebruiken. Hij vertelde wanneer er een betaling zou worden gedaan. De afspraak was dat ik 30% mocht houden en de overige 70% moest ik doorsturen naar zijn rekeningnummer.\n\n(…)\n\nIk heb na berichtgeving van de advocaat van Kwadrant [verweerder] benadert om voor te stellen alles gezamenlijk terug te betalen. [verweerder] wilde daar niet aan meewerken. Hij gaf aan dat hij twijfelde of hij terug wilde betalen. Op enig moment heeft hij gezegd dat hij wel akkoord wilde gaan met alles terugbetalen als ik beloofde zijn naam niet te noemen. Hij heeft een document opgesteld waarin hij belooft mij het volledige bedrag over te maken in ruil voordat ik zijn naam niet noem. Ik toon u dat document. Dat heeft hij opgemaakt en ondertekend op 23 april. Daarna heb ik niets meer van hem gehoord.\n\n(…)\n\n2.39.. Op 18 mei 2026 heeft [naam 1] de betalingsverklaring en het door hem geaccordeerde en ondertekende verslag van het gesprek van 13 mei 2026 aan [bedrijfsrecherche] gestuurd.\n\n2.40.. Kwadrant heeft aangifte bij de politie gedaan tegen [verweerder] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nKwadrant verzoekt – na wijziging van verzoek - de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:\n\nI. de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te ontbinden, althans op zo kort mogelijk termijn, althans met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip op een redelijke grond in de zin van de wet, zonder toekenning van transitievergoeding;\n\nII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 102.800,80 aan Kwadrant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaling van de bedragen, althans vanaf de dag van indienen van het verzoekschrift, tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nIII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van de schade welke Kwadrant lijdt door het instellen van onderzoek, waaronder de facturen van [bedrijfsrecherche] ad € 18.696,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, alsmede de kosten van de accountant, nader op te maken bij staat, met een verwijzing naar de schadestaatprocedure;\n\nIV. met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van Kwadrant en de kosten van het leggen van beslag.\n\n3.2.. Kwadrant heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] is de initiator van een constructie waarbij hij zichzelf financieel heeft verrijkt ten koste van Kwadrant. Op zeer geraffineerde wijze heeft [verweerder] ervoor gezorgd dat Kwadrant voor in totaal € 121.797,80 aan onterechte facturen heeft voldaan. Door dit frauduleuze handelen van [verweerder] is er sprake van zeer ernstige integriteitsschendingen. Dit is volgens Kwadrant ernstig verwijtbaar zodat er moet worden ontbonden op de kortst mogelijke termijn zonder toekenning van de transitievergoeding. Daarbij heeft Kwadrant door het onrechtmatig handelen schade geleden en heeft zij kosten moeten maken om de aansprakelijkheid van [verweerder] vast te stellen, waardoor zij recht heeft op schadevergoeding, aldus Kwadrant.\n\n4. Het verweer en de tegenverzoeken\n\n4.1.. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert daartoe - samengevat – het volgende aan. Het opzegverbod tijdens ziekte staat aan het ontbindingsverzoek in de weg. Verder wordt betwist dat [verweerder] valse facturen zou hebben gestuurd en \u002Fof enige betrokkenheid zou hebben gehad bij de verzending van valse facturen. Ook wordt betwijfeld of er wel sprake is van spookfacturen, omdat Kwadrant geen beleid heeft bij het uitbesteden van opdrachten en iedereen binnen de organisatie maar wat doet. Er is dan ook geen sprake van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] en het verzoek tot schadevergoeding van Kwadrant moet worden afgewezen. Overigens kan het verzoek sowieso niet als nevenverzoek worden behandeld, gezien de complexiteit ervan, aldus [verweerder] .\n\n4.2.. \n [verweerder] heeft een voorlopige voorziening ingediend tot – samengevat - betaling van het salaris vanaf 19 februari 2026 en wedertewerkstelling bij herstel, op straffe van een dwangsom. Ook heeft [verweerder] een zelfstandig tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt – samengevat - veroordeling van Kwadrant tot betaling van het loon vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede wedertewerkstelling zodra hij voldoende hersteld is onder verbeurte van een dwangsom.\n\n4.3.. Voor zover er toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] – samengevat - om toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000,00 en betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verweerder] veroordeling van Kwadrant tot betaling van zijn salaris en de volledig eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1.. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft mr. Bauer namen [verweerder] bezwaar gemaakt tegen het late tijdstip van indiening door Kwadrant van de akte met producties 39 tot en met 42. De kantonrechter zal het namens [verweerder] ingediende bezwaar passeren. De goede procesorde staat niet aan toelating in de weg. Daarbij wordt in aanmerking genomen de – niet weersproken - toelichting van Kwadrant inhoudende dat de stukken niet eerder door haar konden worden ingediend en ook deels bekend waren. Dat [verweerder] niet voldoende gelegenheid heeft gehad om te kunnen reageren op de stukken is niet gebleken. De stukken worden daarmee geacht deel uit te maken van het procesdossier.\n\n5.2.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n5.3.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.Verder mag er geen opzegverbod in de weg staan aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\nhet opzegverbod tijdens ziekte staat niet in de weg aan ontbinding\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] sinds 5 februari 2026 wegens ziekte ongeschikt is voor zijn werk. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Het verzoek om ontbinding is gegrond op verwijtbaar gedrag (frauduleus handelen en het frustreren van het onderzoek) en dat staat in dit geval los van de ziekte van [verweerder] .\n\ner is een redelijke grond voor ontbinding\n\n5.5.. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, omdat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\n5.6.. Kwadrant legt aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen door [verweerder] doordat hij de initiator is geweest van een constructie waarbij derden, namelijk [naam 1] en [bedrijf 1] , facturen bij Kwadrant indienden voor niet verrichte werkzaamheden en waarbij hij zelf een substantieel deel van de opbrengsten ontving. [verweerder] heeft gebruikmakend van zijn kennis van de organisatie en van het betaalproces gefraudeerd en daarbij gelden onttrokken aan Kwadrant voor een bedrag van € 121.97,80.\n\n5.7.. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Kwadrant zich onder meer gebaseerd op het onderzoek van [bedrijfsrecherche] . Hieruit is volgens Kwadrant gebleken dat [verweerder] instructies heeft gegeven aan [bedrijf 1] ( [naam 3] ) en [naam 1] over het indienen van facturen bij Kwadrant. Ook is uit het onderzoek gebleken dat in de mailbox van [verweerder] concepten en e-mails zijn aangetroffen die rechtstreeks aansloten bij de ingediende facturen terwijl er geen aanwijzingen waren dat er daadwerkelijk werkzaamheden door [naam 1] en [bedrijf 1] waren verricht voor Kwadrant. Het enkele verweer dat [verweerder] hier tegenover stelt, namelijk dat iedereen in zijn computer kon en e-mails kon opstellen en versturen, dat gemotiveerd is weersproken door Kwadrant - onder meer met het argument van het clean desk\u002Fclear screen-beleid - wordt in dit verband onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen zijn verweer nader te specificeren, bijvoorbeeld door onderbouwd aan te geven wie dit dan gedaan zou (kunnen) hebben, op welke wijze en met welke reden, hetgeen [verweerder] niet heeft gedaan. De kantonrechter acht de conclusie van [bedrijfsrecherche] dat [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken dan ook gerechtvaardigd.\n\n5.8.. Kwadrant heeft haar stelling dat [verweerder] bovendien als spin in het web van de door [bedrijfsrecherche] geconstateerde fraude moet worden beschouwd, onderbouwd met de via [naam 1] in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie, en zijn bankafschriften. Volgens Kwadrant blijkt uit de inhoud van die overgelegde correspondentie en bankafschriften dat [verweerder] en [naam 1] elkaar kennen, dat [verweerder] het initiatief heeft genomen tot de facturatie, dat [verweerder] facturen heeft opgesteld of laten opstellen, dat hij de betaling binnen Kwadrant heeft gevolgd en dat [naam 1] vervolgens 70% van de ontvangen bedragen aan [verweerder] heeft doorbetaald. [verweerder] betwist dat hij [naam 1] kent en dat hij heeft deelgenomen aan de in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie. Volgens [verweerder] is de correspondentie gefabriceerd en niet van hem afkomstig.\n\n5.9.. De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat er in de periode juni 2025 tot en met januari 2026 facturen zijn ingediend door [naam 1] en [bedrijf 1] . Ook staat vast dat het bedrag ad € 18.997,00 dat Kwadrant aan [bedrijf 1] heeft betaald, inmiddels volledig is terugbetaald door [bedrijf 1] aan Kwadrant. Het verweer van [verweerder] dat [bedrijf 1] in opdracht van [verweerder] (naar genoegen) werkzaamheden zou hebben verricht zonder dat [verweerder] betrokken was bij de facturering hiervan faalt. Nog daargelaten dat uit het onderzoek van [bedrijfsrecherche] reeds is gebleken dat [verweerder] wel degelijk betrokken was bij de (instructies over de) facturering, wordt zijn stelling dat in opdracht werkzaamheden zijn verricht door [bedrijf 1] gelogenstraft door de terugbetaling van het gehele bedrag door [bedrijf 1] .\n\n5.10.. Wat [naam 1] betreft heeft Kwadrant onder overlegging van bankafschriften gesteld dat [naam 1] € 72.061,00 aan [verweerder] heeft overgemaakt, wat als zodanig ook niet wordt betwist door [verweerder] . De kantonrechter neemt daarom tot uitgangspunt dat [verweerder] in ieder geval € 72.061,00 heeft ontvangen. De verklaring ter zitting van [verweerder] dat het overboekingen waren vanwege privézaken acht de kantonrechter niet geloofwaardig, temeer nu [verweerder] anderzijds heeft betoogd dat hij [naam 1] niet kent. Beide stellingen vallen niet met elkaar te rijmen. Kwadrant heeft naast de betalingsverklaring en het daarbij behorende brondocument (zie r.o. 2.35) correspondentie in het geding gebracht waarin onder meer in detail wordt gesproken over (de wijze, het aanmaken, en de aankondiging van) de facturering, waarin betaalverzoeken worden gedaan, de 70\u002F30 verdeling van gelden wordt besproken en instructies worden gegeven over wat [naam 1] wel en niet moet zeggen als de bank vragen stelt. [verweerder] heeft hier tegenover enkel als algemeen verweer aangevoerd dat de betalingsverklaring en de correspondentie fake zijn en niet van hem afkomstig zijn. Dit verweer wordt onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om tegenover de concrete, specifieke feiten en omstandigheden die Kwadrant ter onderbouwing van haar stellingen naar voren heeft gebracht, ook met een gemotiveerd en specifiek verweer te komen. Het algemene, niet nader onderbouwde verweer van [verweerder] volstaat in dat verband niet.\n\ner is sprake van ernstige verwijtbaarheid\n\n5.11.. De conclusie van de kantonrechter is dat Kwadrant voldoende heeft gesteld dat [verweerder] als spin in het web van frauduleuze handelingen, in de vorm van spookfacturen, ten nadele van Kwadrant heeft gefungeerd en daarmee een aanzienlijk bedrag aan zorggeld heeft onttrokken. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze gedragingen van [verweerder] zodanig verwijtbaar dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is – zoals zij heeft aangevoerd - voor Kwadrant, die werkt met publieke middelen, van groot belang dat zij kan vertrouwen op de integriteit van haar medewerkers en dat geldt zeker voor een [functie] die toegang heeft tot systemen, processen en informatie. Van een [functie] mag volstrekt integer handelen worden verwacht en naar het oordeel van de kantonrechter moet [verweerder] zich ook bewust zijn geweest van het onoirbare karakter van zijn gedragingen en de integriteitsschending die hij hiermee heeft gepleegd. De kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] dan ook niet slechts als verwijtbaar maar tevens als ernstig verwijtbaar.\n\ngeen herplaatsing en ontbindingsdatum per heden\n\n5.12.. Omdat de kantonrechter het handelen van [verweerder] als ernstig verwijtbaar kwalificeert ligt herplaatsing niet in de rede. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 24 juni 2026, de datum van deze beschikking.Dat is conform het verzoek van Kwadrant op een eerdere datum dan die waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\ngeen transitievergoeding en geen billijke vergoeding\n\n5.13.. Omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] is op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding verschuldigd. Nu [verweerder] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding, wordt zijn (voorwaardelijk) tegenverzoek op dit punt afgewezen.\n\n5.14.. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] bestaat evenmin grond. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare gedragingen van [verweerder] . Hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd over onterechte beschuldigingen aan zijn adres met als gevolg reputatieschade en stress, alsmede de verwijten die Kwadrant worden gemaakt ten aanzien van werkdruk en werkomstandigheden die tot arbeidsongeschiktheid van [verweerder] zouden hebben geleid – hetgeen door Kwadrant wordt weersproken - kunnen [verweerder] dan ook, wat daar ook van zij, niet baten.\n\n5.15.. Kwadrant hoeft geen gelegenheid te krijgen het ontbindingsverzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nKwadrant heeft schade geleden\n\n5.16.. Kwadrant heeft aan haar verzoek tot schadevergoeding het volgende ten grondslag gelegd. Door de bedrijfsfraude is € 121.797,80 aan Kwadrant onttrokken. Hiervan is later € 18.997,00 door [bedrijf 1] terugbetaald. Het resterende bedrag van € 102.800,80 dat ziet op de onterecht door Kwadrant betaalde facturen van [naam 1] dient voor rekening van [verweerder] te komen, die aansprakelijk is vanwege zijn onrechtmatige en ernstig verwijtbare handelen alsmede op grond van artikel 7:661 BW, nu er sprake is van opzettelijk handelen door [verweerder] . Ter onderbouwing van de gestelde schade van € 102.800,80 heeft Kwadrant de aan haar gerichte facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] in het geding gebracht. Tevens vordert Kwadrant op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van het onderzoek naar bedrijfsfraude van [bedrijfsrecherche] (ad € 18.696,07) en de accountant (nader op te maken bij staat) die zij heeft moeten maken.\n\n5.17.. \n [verweerder] heeft de verschuldigdheid van enige schadevergoeding betwist, primair omdat volgens hem de grondslag voor aansprakelijkheid ontbreekt, subsidiair omdat de schadevordering te complex zou zijn om als nevenverzoek te kunnen worden behandeld in de onderhavige procedure.\n\n5.18.. Naar het oordeel van de kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] niet alleen als ernstig verwijtbaar maar tevens als onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Daarmee is de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] voor de door zijn handelen veroorzaakte schade al gegeven en faalt zijn verweer op dit punt. Nu de schade verband houdt met de (beëindiging van de) arbeidsovereenkomst en met het handelen van [verweerder] als werknemer kan de verzochte schadevergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW als nevenverzoek worden behandeld.\n\n5.19.. Ten aanzien van de omvang van de schade wordt overwogen dat voldoende onderbouwd gesteld en niet (voldoende) weersproken is dat Kwadrant (ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [verweerder] ) ten onrechte een bedrag van € 102.800,80 aan [naam 1] heeft voldaan, zodat vaststaat dat dit bedrag onttrokken is aan Kwadrant.\n\n5.20.. \n [verweerder] heeft ter zitting de omvang van de schade waarvoor hij aansprakelijk kan worden gehouden betwist met het argument dat er op grond van de stukken onvoldoende bewijs is dat hij dermate grote bedragen heeft ontvangen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld kan ervan worden uitgegaan dat een bedrag van in ieder geval € 72.061,00 van [naam 1] naar [verweerder] is overgemaakt. Maar, ongeacht of het resterende ontbrekende bedrag nog in bezit is van [naam 1] of iemand anders, acht de kantonrechter dat, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en verband bezien, voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] een allesbepalende, coördinerende en prominente rol in de gehele constructie van de spookfacturen heeft gespeeld. Dit kan genoegzaam worden afgeleid uit onder meer de in het geding gebrachte WhatsApp- en Signalcorrespondentie. Daarmee is [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter aansprakelijk voor de totale schade die Kwadrant heeft geleden door het ten onrechte betalen van de facturen aan [naam 1] . De vordering onder II. zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke betaaldata door Kwadrant van de onderliggende facturen.\n\n5.21.. Kwadrant heeft verder nog om vergoeding van kosten verzocht voor het onderzoek van [bedrijfsrecherche] als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Kwadrant heeft haar schade onderbouwd met in het geding gebrachte facturen van [bedrijfsrecherche] . [verweerder] heeft de (omvang van de) schade niet weersproken en ook anderszins is niet gebleken dat deze niet redelijk is. De onder III. verzochte schadevergoeding zal daarom als onweersproken worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de facturen van [bedrijfsrecherche] . Nu de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] vast staat en aannemelijk is dat er (een mogelijkheid voor) schade is in verband met het boekenonderzoek door de accountant, zal de onweersproken verzochte verwijzing naar de schadestaatprocedure in verband met accountantskosten eveneens worden toegewezen.\n\nproceskosten\n\n5.22.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van Kwadrant worden begroot op € 2.513,00 (€ 1.504,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nbeslagkosten\n\nKwadrant verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 873,04 voor kosten deurwaardersexploten en € 577,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt × € 577,00), totaal € 1.450,04.\n\n6. De beoordeling van het tegenverzoek\n\ngeen wedertewerkstelling\n\n6.1.. Het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zal eindigen per heden, betekent dat het verzoek tot wedertewerkstelling en de daaraan gekoppelde dwangsom niet voor toewijzing in aanmerking komen.\n\nloonbetaling\n\n6.2.. \n [verweerder] heeft verzocht om zijn salaris vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd te betalen. [verweerder] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de loonstop die Kwadrant per die datum heeft ingevoerd onterecht was. [verweerder] heeft volgens hem meegewerkt aan alles wat er gevraagd werd, alleen niet op de manier die Kwadrant voor ogen stond. [verweerder] heeft gereageerd op de verzoeken van zijn werkgever en van de bedrijfsarts en ook aangegeven dat hij mediation wilde. Kwadrant wilde echter openheid over de kwestie rond de facturen en de afspraken die zij wilde maken waren daarop gericht en niet op zijn re-integratie, aldus [verweerder] .\n\n6.3.. Kwadrant betwist dat zij nog loon is verschuldigd aan [verweerder] en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. De bedrijfsarts heeft op 19 februari 2026 geoordeeld dat een gesprek tussen [verweerder] en de werkgever mogelijk was onder voorwaarden. Kwadrant heeft die voorwaarden gerespecteerd en zij heeft expliciet bij de bedrijfsarts gevraagd of [verweerder] tot een gesprek in staat was. Vanwege het weigeren te voldoen aan deze redelijke instructie van Kwadrant, namelijk het in gesprek gaan over de facturen, dat conform het advies van de bedrijfsarts kon worden verlangd van [verweerder] , is het loon – na opschorting – terecht stopgezet, aldus Kwadrant.\n\n6.4.. De kantonrechter is van oordeel dat Kwadrant het loon van [verweerder] ten onrechte heeft stopgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:629 BW heeft een werknemer tijdens ziekte in beginsel aanspraak op doorbetaling van loon. Enkel onder bepaalde, strikte voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de kantonrechter hier niet voldaan. Als volgt wordt overwogen.\n\n6.5.. Volgens Kwadrant heeft [verweerder] geweigerd mee te werken aan een redelijke werkinstructie van zijn werkgever, waardoor hij geen aanspraak heeft op loon. Dit is echter onvoldoende voor stopzetting van het loon, nu niet gebleken is dat de instructie in kwestie gericht was op de re-integratie van [verweerder] . [verweerder] heeft in dit verband gesteld dat de aan hem gerichte verzoeken van Kwadrant enkel bedoeld waren om het gesprek aan te gaan over de facturenkwestie met [bedrijfsrecherche] . Deze stelling vindt steun in de feiten en wordt ook niet (voldoende) betwist door Kwadrant. De enkele stelling ter zitting dat redelijke instructies en noodzakelijke communicatie niet alleen voor het onderzoek maar ook in het kader van de re-integratie van [verweerder] bedoeld waren, wordt niet gehonoreerd. Daartoe wordt van belang geacht dat in de in het geding gebrachte correspondentie steevast naar voren komt dat Kwadrant [verweerder] wilde (laten) horen in het kader van het onderzoek naar de facturen. De bedrijfsarts staat, zoals Kwadrant zelf ook ter zitting heeft aangevoerd, buiten het geschil en oordeelt uitsluitend over de belastbaarheid en gespreksmogelijkheid. Uitgangspunt is de re-integratie van de werknemer en niet het verkrijgen van informatie in verband met een fraudeonderzoek. Dit blijkt ook wel uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 19 februari 2026 waarin geadviseerd wordt om ‘probleem oplossend’ met elkaar in gesprek te gaan (zie r.o.2.21). De weigering van [verweerder] om mee te werken aan de ondervraging door [bedrijfsrecherche] en het afhouden van de door Kwadrant voorgestelde gesprekken die enkel gericht waren op het fraude-onderzoek, kan [verweerder] weliswaar worden verweten maar rechtvaardigt niet de stopzetting van het loon van [verweerder] tijdens ziekte.\n\n6.6.. Het voorgaande betekent dat het verzoek tot loonbetaling van [verweerder] over de periode van 19 februari 2026 tot aan de datum van beëindiging van de arbeidsrelatie, 24 juni 2026, zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, met name de ernstige verwijtbaarheid aan het adres van [verweerder] , aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid van het loon.\n\n6.7.. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van Kwadrant, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek en omdat ten behoeve van het tegenverzoek geen zelfstandige proceshandelingen zijn verricht, worden de proceskosten aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op nihil.\n\nVoorlopige voorziening\n\n6.8.. Nu uitspraak is gedaan in het tegenverzoek wordt niet toegekomen aan de behandeling van de verzochte voorlopige voorzieningen.\n\n7. De verdere beoordeling in het verzoek en het tegenverzoek\n\nVerrekening\n\n7.1.. Kwadrant beroept zich op verrekening. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van betaling van de vordering. Gelet op hetgeen hiervoor over het verzoek is overwogen en geoordeeld, heeft Kwadrant recht op betaling van schadevergoeding van in ieder geval € 121.496,87 en heeft zij aldus een vordering op [verweerder] . De vordering van achterstallig loon die [verweerder] op Kwadrant heeft is lager. Het verzoek van Kwadrant om toe te staan dat hetgeen zij nog aan [verweerder] verschuldigd is wordt verrekend met haar opeisbare vordering, wordt dan ook toegestaan.\n\n8. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak van het verzoek\n\n8.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 24 juni 2026;\n\n8.2.. bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding;\n\n8.3.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 121.496,87 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 102.800,80 vanaf de respectievelijke betaaldata van de onderliggende facturen en over € 18.696,07 vanaf de dag der verschuldigdheid van de onderliggende facturen van [bedrijfsrecherche] ;\n\n8.4.. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Kwadrant van de accountantskosten gemaakt in het kader van het fraudeonderzoek naar de facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] , nader op te maken bij staat;\n\n8.5.. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 2.513,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n8.6.. veroordeelt [verweerder] in de beslagkosten van € 1.450,04;\n\n8.7.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n8.8.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn de zaak van het tegenverzoek\n\n8.9.. veroordeelt Kwadrant om een [verweerder] te betalen het salaris vanaf 19 februari 2026 tot 24 juni 2026 van € 5.787,48 bruto per maand, alsmede het vakantiegeld en overige emolumenten over deze periode, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de loonbetalingen tot aan de dag van volledige betaling;\n\n8.10.. veroordeelt Kwadrant in de proceskosten, tot op heden vastgesteld op nihil;\n\n8.11.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nEn voorts in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek\n\n8.12.. bepaalt dat Kwadrant het op grond van r.o. 8.9 verschuldigde bedrag mag verrekenen met het op grond van r.o. 8.3 van [verweerder] te ontvangen bedrag.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n426.\n\n Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 2 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder b, BW\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","ecli-nl-rbnne-2026-2457",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]