[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2026-2630":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2026-2630":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1175","ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","",65,"Groningen","groningen","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 (vots en muhp)\n\n C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-3093 (schorsing gezag)\n\nC\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-3759 (beëindiging gezag)\n\nBeschikking van 7 juli 2026 over de beëindiging van het gezag over\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2019 in de gemeente [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd,\n\nnaar aanleiding van de verzoeken van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord Nederland, locatie Groningen,\n\ndie hierna 'de Raad' wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter wijst als belanghebbenden aan:\n\n [Naam van de moeder],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen die hierna 'de moeder' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam van de advocaat] , die kantoor houdt in [plaatsnaam] ,\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie is gevestigd in Groningen,\n\nen die hierna 'de GI' wordt genoemd.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure\n\nIn de zaken met zaaknummers C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 en C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-30931.1.. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-37591.2.. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026.\n\nIn alle zaken1.3.. Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, drs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen.\n\n1.4.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n1.5.. Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten die onweersproken blijken uit wat de Raad en de GI hebben gerapporteerd en wat in toelichting en reactie daarop is verteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaken.\n\n2.2.. \n [De minderjarige] (7) is geboren uit de relatie van zijn ouders. De vader heeft hem erkend. De ouders hebben niet geregeld dat zij samen het ouderlijk gezag over hem uitoefenen: de moeder oefent daarom van rechtswege dat gezag alleen uit.\n\n2.3.. Tot voor kort woonde [de minderjarige] bij de moeder en zag hij de vader vrijwel alle weekenden, waarbij [de minderjarige] geregeld bij de vader logeerde. De moeder werkte niet en ontving een uitkering; de vader werkt in de wegenbouw en verblijft doordeweeks (maandag tot en met donderdag) in Duitsland, waarna hij op donderdag naar huis komt. De ouders hebben een zogeheten “latrelatie”.\n\n2.4.. De moeder had een intensieve vriendschapsrelatie met vriendin [voorletter 1] , die samen met haar dochter [voorletter 2] veelvuldig in de woning van de moeder verbleef.\n\n2.5.. Op 1 mei 2026 ontvangt de GI via het ouder-kind-huis waar vriendin [voorletter 1] op dat moment verblijft, onthullingen van vriendin [voorletter 1] over de aanleiding van [voorletter 2] haar ziekenhuisopname in februari 2026.\n\n2.6.. In het weekend van 2 en 3 mei 2026 vertelt vriendin [voorletter 1] in het ouder-kind-huis over ernstige strafbare kindermishandeling, door haar en de moeder gepleegd ten aanzien van [voorletter 2] Dat geeft aanleiding om een spoedrapportage op te stellen dat op 4 mei 2026 bij de Raad terechtkomt. Daarin wordt beschreven dat vriendin [voorletter 1] verklaart dat [voorletter 2] onder invloed van de moeder gedurende langere periode in de kelder van de woning van de moeder is opgesloten, met kabelbinders is vastgebonden aan een verwarmingsbuis, geen eten kreeg, werd geslagen en geschopt en alleen voor school uit de kelder mocht; deze handelingen zouden door de moeder zijn gefilmd.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze informatie wordt de kelder van de woning van de moeder door de Raad bekeken; het betreft een kleine, donkere kelder zonder raam, waar een volwassen persoon niet rechtop kan staan, met enkele opgeslagen spullen en een deken.\n\n2.8.. De moeder en vriendin [voorletter 1] zijn op 14 mei 2026 aangehouden en verblijven sindsdien in voorlopige hechtenis op verdenking van onder meer poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen en laten van [voorletter 2] De tenlastelegging ziet op de ernstige ondervoeding, het vastbinden in de kelder, het slaan en schoppen en andere mishandelingen.\n\n2.9.. Hoewel de moeder geen gezag heeft over [voorletter 2] , speelt de strafbare mishandeling zich volgens justitie hoofdzakelijk af in haar woning en heeft zij zich veelal bemoeid met de zorg en opvoeding van [voorletter 2] , zodat ook jegens haar een verantwoordelijkheid wordt aangenomen voor het leed dat door de moeder van [voorletter 2] aan [voorletter 2] is toegebracht.\n\n2.10.. Op 4 mei 2026 maakt de Raad op basis van de beschikbare informatie de inschatting dat [de minderjarige] getuige moet zijn geweest van de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] en daardoor zelf ernstig in zijn ontwikkeling en veiligheid is en wordt bedreigd. De Raad gaat op grond van zijn onderzoeksbevindingen ervan uit dat [de minderjarige] langdurig en structureel is blootgesteld aan zeer ernstige kindermishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] in zijn directe woonomgeving, waarbij de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] zich veelal in de woning van de moeder hebben afgespeeld.\n\n2.11.. De Raad heeft (nog) niet definitief vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate [de minderjarige] zelf direct fysiek slachtoffer is geweest van mishandeling. De Raad constateert gelijktijdig dat de gevolgen van het getuige zijn van fysieke mishandeling van [voorletter 2] , voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vergelijkbaar is met die van eigen fysieke mishandeling. [De minderjarige] wordt volgens de Raad daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd.\n\n2.12.. Gezien de ernst van de bedreiging acht de Raad direct ingrijpen noodzakelijk en hij verzoekt op 4 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige] .\n\n2.13.. De kinderrechter wijst deze verzoeken toe. [De minderjarige] wordt diezelfde dag geplaatst in een gezinshuis op een geheimgehouden adres.\n\n2.14.. Op basis van aanvullende informatie verzoekt de Raad vervolgens om schorsing van het gezag van de moeder en in samenhang daarmee een voorlopige voogdijmaatregel, met benoeming van de GI als voogd. Ook deze maatregelen worden door de kinderrechter uitgesproken.\n\n2.15.. Uit wat verder wordt gerapporteerd over [de minderjarige] voor zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat hij bekend was met lichamelijke problemen, waaronder darm‑ en plasproblemen; er was contact met een kinderarts en er werden darmspoelingen voorbereid.\n\n2.16.. Uit wat wordt gerapporteerd over [de minderjarige] na zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat [de minderjarige] in het gezinshuis goed eet, voor hem nieuw eten probeert en dat hij opvallend weinig voedsel kent. Ook valt op dat zijn eerdere darm‑ en plasproblemen in het gezinshuis niet meer worden waargenomen, waardoor de geplande darmspoelingen niet nodig zijn.\n\n2.17.. Bij [de minderjarige] wordt in het gezinshuis een seksuele preoccupatie gezien die niet passend is voor zijn leeftijd: hij pakt veelvuldig zijn geslachtsdeel vast aan tafel, spreekt over “neukende mensen” en bekijkt en ‘liked’ filmpjes op sociale media waarin mensen seks hebben.\n\n2.18.. \n [De minderjarige] vertelt wisselend en vaak warrig over belastende thuissituaties, zoals het smeren met ontlasting waarin [voorletter 2] zou moeten liggen, het bonken van [voorletter 2] haar hoofd op de grond, de aanwezigheid van drugs in de woning en spinnen en slangen in de kelder. [De minderjarige] geeft aan bang te zijn voor die kelder.\n\n2.19.. \n [De minderjarige] weigert een gesprek met de politie, kan niet goed uitleggen waarom en wil ook niet met de GI in gesprek of reageert met ontwijkende antwoorden; hij is alleen naar de gezinshuismoeder opener.\n\n2.20.. Na plaatsing in het gezinshuis had [de minderjarige] aanvankelijk frequent (beeld)belcontact met de moeder, deels via zijn eigen telefoon, waarbij hij zijn locatie aan haar doorstuurde. Naar aanleiding hiervan is zijn eigen telefoon ingenomen en is een AOL op het adres van het gezinshuis geplaatst.\n\n2.21.. In het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt door het gezinshuis een dynamiek gezien die eerder op een gelijkwaardige partner‑interactie lijkt dan op een moeder‑kindinteractie die past bij de leeftijd van [de minderjarige] . Daarbij blijkt dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd veel weet van wat er speelt.\n\n2.22.. Sinds de aanhouding van de moeder op 14 mei 2026 is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders; [de minderjarige] reageert op de uitleg dat de moeder “bij de politie is om haar kant van het verhaal te vertellen” relatief passief, stelt geen nadere vragen en heeft in de daaropvolgende weken niet gevraagd wanneer hij zijn ouders weer mag zien of spreken.\n\n2.23.. In de eerste week na de uithuisplaatsing vraagt [de minderjarige] wel of hij “voor altijd” in het gezinshuis mag blijven wonen.\n\n2.24.. In gesprekken met de Raad, de GI en tijdens de mondelinge behandeling erkent de moeder dat [voorletter 2] ernstig en structureel is mishandeld door vriendin [voorletter 1] in haar woning, maar ontkent zij daaraan zelf actief deel te hebben genomen. Zij stelt dat zij soms wel wat heeft gezegd, maar geen mogelijkheden zag om in te grijpen vanwege angst en bedreiging door vriendin [voorletter 1]\n\n2.25.. De moeder ontkent dat [de minderjarige] door haar is mishandeld en stelt dat hij niet is geslagen.\n\n2.26.. De moeder is thans gedetineerd; het strafrechtelijk onderzoek zal naar verwachting veel tijd in beslag nemen en er is geen zicht op beëindiging van haar detentie binnen een afzienbare termijn.\n\n2.27.. De Raad is op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en de GI tot voogd over hem wordt benoemd.\n\n3. De (verdere) beoordeling\n\n3.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken over de nu zeven jaar oude [de minderjarige] . Ten aanzien van [de minderjarige] zijn uiteenlopende kinderbeschermingsmaatregelen verzocht en genomen. Inmiddels is de Raad tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beëindigd en heeft de Raad een daarop gericht verzoek gedaan. De Raad heeft daarbij verzocht om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.\n\n3.2.. De kinderrechter zal beide verzoeken in deze beschikking toewijzen. Hij legt hierna uit waarom hij vindt dat de gezagsbeëindiging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en waarom op grond van de nu bekende feiten en omstandigheden hij vindt, net als de Raad, dat de GI (eerst) tot voogd over [de minderjarige] moet worden benoemd.\n\nWaarom vindt de Raad dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd?3.3.. De Raad acht het uitermate zorgwekkend dat de moeder een situatie van zeer ernstige en langdurige onveiligheid in haar woning heeft laten voortbestaan, zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij als primaire opvoeder van [de minderjarige] een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving.\n\n3.4.. De Raad stelt vast dat [de minderjarige] hierdoor gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met ingrijpende gevolgen voor zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling, ook op de langere termijn.\n\n3.5.. De Raad ziet geen reëel perspectief dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding op een veilige en adequate wijze te dragen, mede gezien de ernst van de verdenkingen tegen haar, de te verwachten duur van het strafproces, haar detentie en het ontbreken van voldoende probleembesef en beschermend handelen.\n\n3.6.. Om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden over zijn woon‑ en opvoedperspectief en zijn veiligheid duurzaam te waarborgen, acht de Raad het noodzakelijk dat dit perspectief niet langer bij de moeder wordt gezocht, maar bij een neutrale derde.\n\n3.7.. De Raad verzoekt daarom de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen.\n\nWaarom wil de Raad dat de GI de voogd over [de minderjarige] wordt?3.8.. Ten aanzien van de vader acht de Raad het op dit moment, gelet op de ernst en complexiteit van de situatie en de nog bestaande zorgen over zijn veiligheidsinschatting, te vroeg om hem met het gezag te belasten. De Raad meent dat binnen de voogdijmaatregel moet worden onderzocht welke rol de vader op langere termijn in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan vervullen.\n\n3.9.. De Raad acht in dit verband bovendien het vrijwillige hulpverleningskader gezien de ernst van de zorgen en de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders volstrekt ontoereikend om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.\n\n3.10.. De Raad verzoekt de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen, zodat een onafhankelijke professionele instantie zijn belangen kan behartigen, de regie kan voeren over contacten en passende hulpverlening kan inzetten.\n\nWaar vindt de Raad dat [de minderjarige] moet wonen?3.11.. Zowel de moeder als de vader geven aan dat zij kunnen instemmen met onderzoek naar plaatsing bij opa en oma vaderszijde, met [de minderjarige] in de weekenden bij de vader. De Raad acht het echter aangewezen dat de GI binnen het kader van de voogdijmaatregel onderzoekt wat het duurzame woonperspectief van [de minderjarige] is: bij zijn vader, bij zijn grootouders of elders, en welke rol de ouders nog kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] , steeds beoordeeld vanuit het belang van [de minderjarige] .\n\nWat vindt de moeder van het verzoek?3.12.. De moeder heeft verteld, samengevat weergegeven, dat zij [de minderjarige] mist en dat zij bij de vorige mondelinge behandeling op advies van haar strafrechtadvocaat nauwelijks heeft kunnen verklaren, maar nu haar verhaal wil doen.\n\n3.13.. De moeder erkent vervolgens een aandeel in de gebeurtenissen, maar betwist dat zij [de minderjarige] zelf heeft mishandeld en ontkent ook dat hij in de kelder heeft gezeten. De moeder ervaart dat zij net als beide kinderen, zelf slachtoffer is van het geweld van vriendin [voorletter 1] , die haar sloeg, haar hand brak en tegen wie [de minderjarige] vaak moest ingrijpen.\n\n3.14.. Volgens de moeder zijn haar herhaalde zorgen over [voorletter 2] niet serieus genomen, heeft zij achteraf grote spijt dat zij [voorletter 2] niet zelf uit de situatie heeft gehaald, en werden de door haar geuite zorgen door vriendin [voorletter 1] gebagatelliseerd en door de omgeving “door de vingers gezien”.\n\n3.15.. Zij voert verder verschillende signalen aan waarin [voorletter 2] uitspraken deed over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader van [voorletter 2] De moeder verwijst naar derden die zij ook bij naam noemt, die hierover iets zouden hebben gehoord of (bij haar) gemeld, waarmee zij de stelling van vriendin [voorletter 1] weerspreekt dat alle verhalen over seksueel misbruik zouden zijn gelogen. De moeder beschrijft ook een ernstig incident waarbij vriendin [voorletter 1] een groot mes aan [voorletter 2] gaf en haar aanspoorde haar te steken, waarna [de minderjarige] het mes afpakte, en zij schetst vriendin [voorletter 1] als iemand die plots agressief kan worden en ook fysiek geweld tegen [voorletter 2] gebruikt wanneer [voorletter 2] bijvoorbeeld verwijst naar de vader van [voorletter 2]\n\n3.16.. In haar voorstelling speelt zich rond 2024 een complex relatieverloop af tussen vriendin [voorletter 1] en de vader van [voorletter 2] en anderen, waarbij de vader van [voorletter 2] volgens haar rond augustus 2024 definitief bij vriendin [voorletter 1] is vertrokken en vriendin [voorletter 1] daarna met [voorletter 2] bij haar kwam, wat gepaard ging met geweld tegen [voorletter 2]\n\n3.17.. Ten aanzien van [de minderjarige] benadrukt de moeder dat zij hem niet heeft mishandeld en dat zijn ontlastingsproblemen al langer bestaan en samenhangen met angst sinds het overlijden van zijn opa in februari 2024. De moeder herkent het geschetste beeld van een seksuele preoccupatie en online zoekgedrag van [de minderjarige] niet, mede omdat hij thuis geen vrije toegang tot zijn telefoon had.\n\n3.18.. De moeder stelt dat zij momenteel geen contact met haar partner heeft, licht toe dat zij samen hebben afgezien van het formaliseren van zijn gezag om praktische redenen, dat zij begrijpt dat zij vanuit detentie geen gezag kan uitoefenen, maar vindt dat de vader dat wel zou kunnen. De moeder geeft tot slot aan opgelucht te zijn dat zij nu meer heeft kunnen vertellen dan bij de vorige mondelinge behandeling.\n\nWat vindt de vader van het verzoek?3.19.. De vader oefent geen gezag uit over [de minderjarige] . De verzochte maatregel die nu wordt genomen betreft uitsluitend de beëindiging van het gezag van de moeder en grijpt rechtstreeks en uitsluitend in in de rechtsbetrekking tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtspositie van de vader wordt hierdoor niet rechtstreeks geraakt. Zijn eventueel nog te realiseren wens om zelf met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, kan hij desgewenst in een afzonderlijke procedure aan de orde stellen.\n\n3.20.. De kinderrechter acht de vader daarom in deze gezagsbeëindigingsprocedure niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kinderrechter heeft wel kennisgenomen van het standpunt van de vader zoals dat kenbaar is uit het onderzoeksrapport van de Raad en de daarop door hemzelf gegeven reactie, die in het onderzoeksrapport integraal is opgenomen. Die reactie vertaalt zich echter niet in een relevant argument dat in de beoordeling kan worden betrokken, behoudens voor zover de vader opmerkt dat hij doordeweeks in Duitsland werkt en daardoor in de huidige situatie beperkt beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging en dat hij daarom ook een optie ziet waarin zijn ouders als pleegouders fungeren, met [de minderjarige] in de weekenden bij hem.\n\nWat beslist de kinderrechter?3.21.. De kinderrechter stelt op grond van de hiervoor onder de kop “De feiten” weergegeven feiten en omstandigheden vast dat bij [de minderjarige] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] is gedurende langere tijd blootgesteld aan extreem geweld, ernstige mishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] , die zich grotendeels in de woning van de moeder hebben afgespeeld. [De minderjarige] is daarvan herhaaldelijk oor‑ en ooggetuige geweest en daardoor slachtoffer geworden van zeer ernstige emotionele kindermishandeling in een chronisch onveilige en traumatiserende opvoedomgeving.\n\n3.22.. De kinderrechter acht het bijzonder zorgwekkend dat de moeder, ondanks haar positie als primaire opvoeder en beschermer van [de minderjarige] , deze situatie van dermate ernstige onveiligheid gedurende langere tijd heeft laten ontstaan en\u002Fof voortbestaan zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving van [de minderjarige] .\n\n3.23.. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder thans gedetineerd is wegens verdenking van het medeplegen van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling en verwaarlozing en dat het strafrechtelijk onderzoek naar verwachting nog geruime tijd zal voortduren.\n\n3.24.. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat er geen zicht is op het ontstaan van (voldoende) probleembesef en - inzicht, en daarom op verandering en beschermend handelen bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn.\n\n3.25.. Gelet op de ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op herstel van voldoende opvoedingscapaciteit bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, en de noodzaak om [de minderjarige] onmiddellijk duidelijkheid en stabiliteit te bieden ten aanzien van zijn woon‑ en opvoedperspectief, is de kinderrechter van oordeel dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n3.26.. De kinderrechter oordeelt verder dat het gezag over [de minderjarige] (vooralsnog) moet worden belegd bij een neutrale derde, te weten de GI.\n\n3.27.. De kinderrechter ziet geen aanleiding om in het kader van deze procedure te (laten) onderzoeken of de vader gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de mate waarin de vader in staat is de volledige impact van de situatie op [de minderjarige] onder ogen te zien, eerdere signalen te herkennen en een adequate veiligheidsinschatting te maken, mede gezien zijn (aanvankelijke) nadruk op de belangen van de moeder.\n\n3.28.. De kinderrechter vindt dat de noodzaak tot beëindiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd mede wordt bepaald door de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders, die volstrekt ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Uitgaande van de onderzoeksbevindingen van de Raad en wat tijdens de mondelinge behandeling daarover is gebleken, dringt zich het beeld op dat beide ouders denken en redeneren vanuit hun eigen of elkaars belangen, verlangens en wensen, en (nog) niet tot het inzicht en besef zijn gekomen dat onder hun verantwoordelijkheid [de minderjarige] gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met grote impact op zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling.\n\n3.29.. Gelet op de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , de veelheid aan lopende en te verwachten strafrechtelijke en civiele trajecten rondom de moeder, de noodzaak van gespecialiseerde hulpverlening en de ingewikkelde vragen over zijn woon‑ en contactperspectief met de ouders, acht de kinderrechter het aangewezen dat de voogdij niet wordt belegd bij een persoon uit het netwerk, maar bij een professionele instantie. De GI beschikt over de noodzakelijke deskundigheid en onafhankelijkheid om als neutrale derde de regie te voeren over de zorg, behandeling, schoolgang en contactregeling. De GI is ook in staat de veiligheid van [de minderjarige] structureel te bewaken en in de verschillende procedures consistent zijn belangen te behartigen. Daarom zal de kinderrechter de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemen.\n\n3.30.. De beëindiging van het gezag en de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] brengen met zich dat geen belang meer bestaat bij een behandeling van en beslissing op de overige verzoeken die ten aanzien van [de minderjarige] zijn gedaan.\n\nWaarom wordt deze beschikking gepubliceerd?3.31.. Deze zaak valt onder meerdere categorieën die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie.\n\n3.32.. Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd.\n\n3.33.. Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties.\n\n3.34.. De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving.\n\n3.35.. De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht.\n\n3.36.. De kinderrechter neemt gelet op alles wat is overwogen de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n4.1.. beëindigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] ;\n\n4.2.. benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige] ;\n\n4.3.. gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;\n\n4.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\n“AOL” staat voor Afspraak Op Locatie: een veiligheidsstatus waarbij op een specifiek adres extra maatregelen gelden en de politie bij een melding direct en zonder extra verificatie kan worden ingeschakeld.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","ecli-nl-rbnne-2026-2630",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":8,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]