[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbobr-2026-3621":3,"decision-more-ecli-nl-rbobr-2026-3621":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1010","ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-05-28T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 25\u002F3318 OWHAND SHE 25\u002F3647 OWHAND\n uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. W.J.W. van Eijk),\n\nen\n\nhet college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college\n\n(gemachtigden: P. Hoefnagels, R. Adriaens en P. Thijssen).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over drie aan eiseres opgelegde lasten onder dwangsom in verband met overtredingen van haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] . De uitspraak gaat ook over de invordering van verbeurde dwangsommen van in totaal € 1.000.000,- wegens overtreding van de eerste last. Eiseres is het niet met deze besluiten eens en heeft daarom beroep ingesteld.\n\nDe rechtbank komt tot het oordeel dat de drie lasten onder dwangsom rechtmatig zijn. De herstelmaatregelen zijn bij de derde last echter te dwingend geformuleerd. De rechtbank vernietigt dat onderdeel van het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand omdat inmiddels duidelijk is dat het eiseres vrij staat om een keuze te maken voor herstelmaatregelen. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is ongegrond.\n\nOnder 1. staat het procesverloop. Onder 2. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling van de lasten onder dwangsom staat onder 3. tot en met 5. Onder 6. staat de beoordeling van het invorderingsbesluit. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n1. Met het besluit van 2 april 2025 heeft het college aan eiseres drie lasten onder dwangsom opgelegd voor haar afvalstoffenbedrijf aan de [adres] te [vestigingsplaats] , te weten: I. Partijen shredderresidu. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door alle partijen shredderresidu die ten tijde van dit besluit nog aanwezig zijn (ca. 5.700 ton) volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Wanneer na 14 mei 2025 wordt geconstateerd dat er nog shredderresidu op het terrein van het bedrijf van eiseres aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,-.\n\nII. Bodemlozing bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater langs het bedrijf nabij de N279. Eiseres dient een herhaling van overtreding van artikel 2.11, eerste lid, a t\u002Fm c van het Bal te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door de partij shredderresidu die nu tegen de ommuring ligt en natgehouden werd, zodanig ver van de muur af te halen dat water dat uit de partij shredderresidu vrijkomt niet meer door de ommuring in de bodem loopt. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater van het terrein door de ommuring van het bedrijf in de bodem uitspoelt, wordt een dwangsom verbeurd van € 15.000,- per etmaal waarop een herhaling van de overtreding wordt vastgesteld tot een maximum te verbeuren bedrag van € 60.000,-.\n\nIII. Afvoeren van afvalwater anders dan via het gemeentelijk riool. Eiseres dient herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij doen door bijvoorbeeld bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer na 9 april 2025 wordt geconstateerd dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert met een maximum te verbeuren dwangsom van € 300.000,-.\n\nEiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra zij heeft aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater daaraan niet in de weg staat. Daarvoor zal tenminste nodig zijn dat de partijen shredderresidu volledig weg zijn. Het college laat zich adviseren door het waterschap om te bepalen of de afvalwaterkwaliteit acceptabel is.1.1.. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.1.2.. Bij brief van 13 mei 2025 heeft eiseres het college verzocht om de begunstigingstermijn van de last onder I op te schorten dan wel te verlengen omdat zij niet in staat is om voor het aflopen van de begunstigingstermijn al het shredderresidu af te voeren.1.3.. Bij uitspraak van 2 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening gedeeltelijk toegewezen.\n\n1.4.. \n\nMet het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres heeft het college last II ongewijzigd gehandhaafd. Het college heeft de lasten I en III als volgt aangepast: I. Eiseres dient overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a t\u002Fm c van het Bal te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan bijvoorbeeld door alle partijen shredderresidu die ten tijde van het besluit in primo aanwezig waren, volledig af te voeren naar een daarvoor erkende inzamelaar\u002Fverwerker. Het college verwijst hierbij ook naar het plan van aanpak dat is verstrekt op 7 februari 2025, waarbij ook een plattegrond is meegestuurd waarop de partijen shredderresidu zijn weergegeven. Het college gaat ervan uit dat op het moment van verzenden van het besluit in primo nog ca. 5.700 ton shredderresidu af te voeren valt. Het college gaat er daarnaast van uit dat 1.000 ton per week afvoeren mogelijk is. Wanneer het college na 23 juli 2025 overtreding van artikel 2.11, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, van het Bal constateert en er in zoverre nog shredderresidu als hiervoor bedoeld op het terrein van het bedrijf aanwezig is, wordt een dwangsom verbeurd van € 250.000,- per constatering, waarbij maximaal 1 dwangsom per week wordt verbeurd tot een maximum te verbeuren bedrag van € 1.000.000,- (4 dwangsommen). De opslag van nieuwe partijen shredderresidu die na 2 juli 2025 binnenkomen, is toegestaan mits deze afzonderlijk worden opgeslagen, niet worden vermengd met andere partijen en overeenkomstig de omgevingsvergunning worden geregistreerd. Als dit laatste niet gebeurt, dan wordt het shredderresidu geacht deel uit te maken van de partij shredderresidu die er vóór 3 juli 2025 lag en waar de last op ziet. De bewijslast hiervoor ligt bij eiseres.\n\nIII. Eiseres dient overtreding van voorschrift 3.1.1 van haar omgevingsvergunning te voorkomen. Dit kan zij bijvoorbeeld doen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na 9 april 2025 constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd van € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,- (6 dwangsommen). Eiseres mag weer afvalwater op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen, is gereinigd. Wanneer eiseres er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres hebben medegedeeld dat hij met de getroffen maatregelen instemt. Verder heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 23 juli 2025.\n\n1.5.. Met het besluit van 24 oktober 2025 heeft het college besloten de wegens overtreding van last I verbeurde dwangsommen, ten bedrage van € 1.000.000,- in te vorderen (het invorderingsbesluit).\n\n1.6.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 21 oktober 2025. Dit beroep is geregistreerd als SHE 25\u002F3318.\n\n1.7.. Het college heeft het door eiseres tegen het invorderingsbesluit ingediende bezwaarschrift ter behandeling als beroep doorgezonden aan de rechtbank. Omdat het beroep tegen de lasten onder dwangsom van rechtswege ook wordt aangemerkt als beroep tegen het invorderingsbesluit, beschouwt de rechtbank het door het college doorgezonden bezwaarschrift tegen het invorderingsbesluit als aanvullend beroepschrift. Dit is bij de rechtbank geregistreerd als SHE 25\u002F3647.1.8.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om het invorderingsbesluit te schorsen. Bij uitspraak van 24 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het invorderingsbesluit bij wijze van ordemaatregel geschorst. De voorzieningenrechter heeft bepaald dat partijen worden uitgenodigd op een nader te bepalen zitting om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.1.9.. Het college heeft op het beroep van eiseres en op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.10.. Eiseres heeft op 19 en 26 februari 2026 nadere stukken ingediend.1.11. De rechtbank heeft de beroepen op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam] (voor eiseres) en [naam] (voor eiseres) en de gemachtigden van het college. De zitting heeft in het openbaar plaatsgevonden. Op verzoek van eiseres heeft de rechtbank de deuren alleen gesloten voor de behandeling van gegevens over de financiële positie van het bedrijf.\n\n Feiten en omstandigheden\n\n2. Eiseres exploiteert aan de [adres] in [vestigingsplaats] een bedrijf dat handelt in metaal, afkomstig van metaalschroot dat ter plaatse wordt opgeslagen en verwerkt. Op het buitenterrein wordt onder meer shredderresidu afkomstig uit metaalrecycling opgeslagen. Het bedrijf ligt op een bedrijventerrein en wordt begrensd door de spoorlijn [vestigingsplaats] aan de zuidzijde, de provinciale wegen [nummer] aan de noordzijde en de [nummer] aan de westzijde en een bedrijfshal voor logistieke doeleinden aan de oostzijde.2.1.. Het college heeft voor de gehele inrichting van eiseres op 8 juni 2021 een (revisie) omgevingsvergunning verleend. Deze omgevingsvergunning is aan te merken als een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van de Omgevingswet.2.2.. Er zijn meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (de ODZOB).\n\nOp 23 oktober 2024 heeft een toezichthouder een sterke chemische (plastic)geur ter hoogte van het bedrijf van eiseres waargenomen.\n\nOp 20 november 2024 is vastgesteld dat onder meer aan de voet van het grote depot met shredderresidu, aan de noord- en noordoostzijde, sprake is geweest van brand. Deze brand is door eiseres zelf gedoofd door het met een shovel uit de opslag weg te nemen.\n\nIn een brief van 14 januari 2025 heeft het college eiseres medegedeeld dat de ODZOB tijdens op 8 en 20 november 2024 gehouden controles heeft vastgesteld dat op het terrein van het bedrijf van eiseres shredderresidu (circa 40.000 m3) werd opgeslagen waarin een brandonveilige situatie als gevolg van broei is ontstaan. Hierbij is onder meer vastgesteld dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein wordt overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende worden gescheiden en gescheiden bewaard.\n\nOp 31 januari 2025 is na een melding van geuroverlast door een toezichthouder broei in afvalbergen van het bedrijf geconstateerd.\n\nOp 7 februari 2025 heeft eiseres op verzoek van de ODZOB een afvoerplan voor het shredderresidu aangeleverd. Op 24 februari 2025 is eiseres gestart met afvoeren.\n\nOp 14 februari 2025 heeft een periodieke controle ter plaatse door een toezichthouder plaatsgevonden. Er zijn sporen van brand en broei geconstateerd (locatie B). In het gesprek tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] is, in gezamenlijkheid, de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.2.3.. Bij brief van 21 februari 2025 heeft het college aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt tot het opleggen van een last onder dwangsom om herhaling te voorkomen van overtreding van artikel 5.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Omgevingswet en (1) voorschrift 2.2.1 van de omgevingsvergunning door het verspreid raken van foliesnippers buiten het terrein van het bedrijf, (2.) voorschrift 8.1.1 van de omgevingsvergunning door het veroorzaken van geur buiten de grenzen van het bedrijf door het opslaan van shredderresidu. Eiseres heeft een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.\n\n2.4.. Hierna zijn opnieuw meerdere controles uitgevoerd door toezichthouders van de ODZOB.\n\nOp 14 en 15 maart 2025 heeft een controle door een toezichthouder plaatsgevonden. Op deze data hebben zich twee branden voorgedaan in een partij shredderresidu op het terrein van het bedrijf (locatie B).\n\nBij e-mail van 21 maart 2025 heeft eiseres melding gedaan van de ongewone voorvallen. Zij heeft hierbij aangegeven dat de partij waar tweemaal brand is geweest, preventief wordt natgehouden. Ook heeft eiseres aangegeven dat 1.000 ton materiaal per week zal worden afgevoerd naar erkende afvalverwerkers en dat zal worden gestreefd naar 1.250 ton per week.\n\nOp 19, 22 en 23 maart 2025 hebben opnieuw controles plaatsgevonden. Omdat hierbij is geconstateerd dat het afvloeiende, mogelijk ernstig verontreinigde, blus- en koelwater richting de nabijgelegen rioolput stroomde, heeft de toezichthouder eiseres gesommeerd het lozen op het gemeentelijk riool te staken totdat de waterkwaliteit is onderzocht en het waterschap akkoord geeft voor hervatting.\n\nOp 24 maart 2025 heeft een toezichthouder bij een schouw aan de buitenzijde van het terrein geconstateerd dat langs de afscheidingsmuur ter hoogte van depot B een aanzienlijke hoeveelheid afvalwater onbeschermd in de bodem is geïnfiltreerd. Het betreft met name koel- en bluswater. Het bedrijf heeft geen maatregelen getroffen om dit te voorkomen. Er zijn ook monsters genomen van het afvalwater.2.5.. Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft het waterschap Aa en Maas de ODZOB meegedeeld dat het betreffende afvalwater giftig is voor het bacteriële zuiveringsproces van de RWZI. Dat blijkt uit de uitslagen van de genomen monsters. Het waterschap deelt mee dat het afvalwater van eiseres niet kan worden ontvangen.\n\n2.6.. Bij het besluit van 2 april 2025 (het dwangsombesluit) heeft het college de drie lasten onder dwangsom aan eiseres opgelegd.\n\n2.7.. Op 12 mei 2025 heeft het college eiseres op haar verzoek een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het plaatsen van een nieuwe zeefinstallatie. Het college heeft met dit besluit ook enkele voorschriften (2.2.1, 7.2.1 en 7.2.2) van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 ambtshalve gewijzigd en voorschriften toegevoegd met betrekking tot het voldoen aan de BBT-conclusies voor afvalbehandeling met betrekking tot het aspect milieubeheersysteem en geluid.\n\n2.8.. \n\nBij e-mail van 16 mei 2025 heeft eiseres het college meegedeeld dat zij na 15 april 2025 de volgende acties heeft uitgevoerd:\n\n• het reinigen en leegpompen van haar bedrijfsriolering waar bluswater in aanwezig was;\n\n• het afvoeren van dit afvalwater naar een erkend verwerker;\n\n• het laten uitvoeren van de monstername (24 april 2025) en de analyse van het water in het bedrijfsriool na leegpompen\u002Freiniging na een regenbui.\n\nEiseres vraagt het college in deze e-mail om het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool te mogen hervatten.\n\n2.9.. Bij e-mail van 23 mei 2025 heeft de ODZOB eiseres laten weten dat nog niet kan worden ingestemd met het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool.\n\n2.10.. Bij brief van 11 juli 2025 heeft het college eiseres, conform het advies van het waterschap Aa en Maas meegedeeld dat zij lozing van afvalwater op het riool mag hervatten zodra het shredderresidu – waarop last I ziet – is afgevoerd, het riool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het was opgeslagen is gereinigd. Wanneer eiseres ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag zij lozen van afvalwater op het riool ook hervatten. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en eiseres meegedeeld hebben dat het met de getroffen maatregelen instemt. Het college houdt er onverkort aan vast dat het shredderresidu op 23 juli 2025 moet zijn afgevoerd.\n\n2.11.. Na afloop van de voor last I gestelde begunstigingstermijn heeft het college op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles laten verrichten. Hierbij is telkens geconstateerd dat niet werd voldaan aan last I. Dit heeft geleid tot het invorderingsbesluit.\n\nOordeel van de rechtbankLast I: afvoer shredderresidu\n\nIs sprake van een overtreding van de specifieke zorgplicht?\n\n3. Volgens eiseres is het college niet bevoegd handhavend op te treden wegens schending van de in artikel 2.11 van het Bal neergelegde zorgplicht. Het opslaan van shredderresidu is vergund in voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021. In die vergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen en te beperken (voorschrift 8.1.2). Eiseres houdt zich hieraan. Als het college dit onvoldoende acht, had het op de weg van het college gelegen extra voorschriften hierover op te nemen in de vergunning. De zorgplicht is niet bedoeld voor situaties waarin een vergunning had kunnen (en moeten) voorzien. Daarbij komt dat eiseres met extra maatregelen die zij heeft getroffen en nog altijd treft om geurhinder en brand- en broeigevaar te voorkomen dan wel te beperken, invulling geeft aan haar zorgplicht. Sinds het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom tot en met 18 december 2026 is ruim 11.458 ton shredderresidu afgevoerd. De nog aanwezige partijen worden gezeefd, waarbij de fijne fractie wordt gescheiden van de grovere fractie. Als de temperatuur van het residu oploopt, worden de partijen nat gehouden. Er is een brandwacht ingesteld die dit 24\u002F7 controleert en bijhoudt in een logboek. Van schending van artikel 2.11 van het Bal is volgens eiseres geen sprake, laat staan van een evidenteschending.\n\n3.1.. \n\nHet college erkent dat de opslag van shredderresidu is vergund. Dat geldt echter niet voor de nadelige gevolgen die voor de fysieke leefomgeving (zijn) ontstaan door de opslag van shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden. De vergunningvoorschriften hebben betrekking op het voorkomen van broei, maar in de vergunning is niet geregeld wat te doen als broei en brand eenmaal is ontstaan. De specifieke zorgplicht werkt aanvullend naast vergunningvoorschriften en algemene regels en leent zich volgens het college juist bij uitstek om niet vergunde nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving spoedig te doen beëindigen. Als eenmaal brand is ontstaan in het shredderresidu, waardoor nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan en blijven voortduren én de kans bestaat op een nieuwe brand, schieten de vergunningvoorschriften tekort. Handhaven wegens handelen in strijd met de in artikel 2.11 Bal opgenomen specifieke zorgplicht is dan volgens het college gerechtvaardigd. De “extra” maatregelen waarop eiseres doelt zoals temperatuurmetingen en het bijhouden van een logboek, zijn geen maatregelen om de nadelige gevolgen van broei en brand te beëindigen, maar maatregelen om broei en brand te voorkomen. Die maatregelen moeten al worden getroffen op grond van de vergunning (voorschrift 8.1.2).\n\nNaast geuroverlast, heeft de broei en brand ertoe geleid dat er blusactiviteiten hebben plaatsgevonden en een waterscherm in gebruik is geweest. Hierdoor hebben schadelijke, zo niet zeer zorgwekkende, emissies plaatsgevonden naar lucht, water en bodem. Eiseres heeft ook elders een onderneming gehad ( [naam] ), waar hetzelfde materiaal werd opgeslagen en waarin ook branden hebben plaatsgevonden. Zij had dan ook redelijkerwijs kunnen weten dat hier nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving door (kunnen) ontstaan. Ook had zij volgens het college kunnen weten dat alleen met het zo snel mogelijk afvoeren van de betreffende partijen shredderresidu de schadelijke emissies zo snel als mogelijk konden worden beëindigd.\n\n3.2.. Op grond van artikel 2.11 van het Bal is degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, verplicht a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\nOp grond van het tweede lid van artikel 2.11 houdt deze zorgplicht voor milieubelastende activiteiten in ieder geval in dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen; (…) d. geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt; e. alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de wet.\n\nIn artikel 2.13 van het Bal wordt de bevoegdheid gegeven om maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften te stellen over onder meer artikel 2.11 van het Bal.3.3.. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beschikt over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Handhaving van de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal komt in dat geval alleen in beeld als de omgevingsvergunning geen specifieke voorschriften bevat voor een bepaald milieuaspect, bij ongebruikelijke activiteiten, in bijzondere omstandigheden, of als de (doel- en middel)voorschriften ontoereikend zijn om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid moet deze aanvullende werking van de specifieke zorgplicht naar het oordeel van de rechtbank beperkt worden opgevat als voor een bepaald milieuaspect specifieke (doel- of middel)voorschriften zijn gesteld en een vergunninghouder de activiteiten op de gebruikelijke wijze uitoefent. Een overtreding op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal kan naar het oordeel van de rechtbank alleen aan de orde zijn als hetzelfde resultaat niet kan worden bereikt met een voorschrift dat al aan de omgevingsvergunning is verbonden.3.4.. Als overtreding van de specifieke zorgplicht aan de orde is, moet voor de vergunninghouder redelijkerwijs zijn te voorzien wat de overtreding in een concreet geval inhoudt.Als er voldoende tijd is, kan dat door de vergunninghouder te laten weten wat van hem wordt verwacht, in overleg te treden over ongedaanmaking van de overtreding, een maatwerkvoorschrift (in het vooruitzicht) te stellen of een (ontwerp voor) wijziging van de voorschriften van de omgevingsvergunning kenbaar te maken. De nadelige gevolgen van een overtreding van de specifieke zorgplicht kunnen in een concrete situatie echter meebrengen dat daar niet op kan worden gewacht. Dan is de vraag aan de orde of directe handhaving op grond van overtreding van de specifieke zorgplicht mogelijk is.\n\n3.5.. Directe handhaving op de specifieke zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk bij evidente overtredingen. De activiteit moet evident in strijd zijn met de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal.Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als de betrokkene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. De rechtbank wijst ter onderbouwing op de wetsgeschiedenis van de Omgevingswet en het Bal.\n\n3.6.. Het college heeft lasten onder dwangsom opgelegd omdat broei en brand was ontstaan in het shredderresidu. Dat veroorzaakte volgens het college dusdanig nadelige gevolgen voor het milieu, dat het shredderresidu zo snel mogelijk moest worden verwijderd. Gelet op de aanvullende werking van de zorgplicht bespreekt de rechtbank eerst of het college de lasten had kunnen baseren op de overtreding van één of meer vergunningvoorschriften.\n\n3.7.. Op grond van voorschrift 2.3.1 van de omgevingsvergunning van 8 juni 2021 is de opslag van bepaalde afvalstoffen toegestaan. Hieronder valt onder meer het shredderresidu. Uit voorschrift 2.2.4 volgt dat afvalstoffen maximaal één jaar mogen worden opgeslagen. Ten tijde van het dwangsombesluit lag het shredderresidu er nog niet langer dan één jaar. Deze voorschriften waren op dat moment niet overtreden en konden dus niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd.\n\n3.8.. Voorschrift 2.5.2 van de omgevingsvergunning houdt in dat de hoogte van de opgeslagen afvalstoffen niet hoger mag zijn dan de ommuring ter plaatse van de opslag. Dit voorschrift kon ook niet aan de lasten ten grondslag worden gelegd omdat het college beoogt dat al het shredderresidu volledig wordt verwijderd, ongeacht de hoogte.\n\n3.9.. In de omgevingsvergunning zijn voorschriften gesteld om geur-, broei- en brandgevaar te voorkomen dan wel te beperken. Eiseres wijst op voorschrift 8.1.2. In dit voorschrift is echter niet geregeld wat moet worden gedaan nadatbroei en brand zijn ontstaan. Dat is ook niet geregeld in andere vergunningvoorschriften. De omgevingsvergunning biedt geen basis om eiseres te gelasten een partij shredderresidu waarin broei en brand is ontstaan versneld af te voeren om verdere milieuverontreiniging te voorkomen. De vergunningvoorschriften zijn naar het oordeel van de rechtbank ontoereikend om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Dat betekent dat de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in beeld komt. De stelling van eiseres dat de omgevingsvergunning had kunnen en moeten voorzien in voorschriften voor de situatie na het ontstaan van broei en brand, doet hieraan niet af. Als een onderwerp niet in de omgevingsvergunning is geregeld, dient de vergunninghouder de eisen van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal in acht te nemen. De specifieke zorgplicht heeft hier een aanvullende werking.\n\n3.10.. \n\nNaar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van het dwangsombesluit van 2 april 2025 sprake van een evidente schending van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.\n\nBij de op 8 en 20 november 2024 gehouden controle is geconstateerd dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein werd overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende werden gescheiden en gescheiden bewaard. Hierdoor is een brandonveilige situatie en ook daadwerkelijk brand ontstaan in de partijen shredderresidu die afkomstig zijn van het bedrijf [naam] van eiseres. Ook op 14 februari 2025 zijn sporen van brand en broei geconstateerd. Tijdens het gesprek dat toen heeft plaatsgevonden tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] hebben zij samen de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.\n\nNa de verkoop van [naam] op 18 februari 2025, is eiseres met de hierdoor vrijgekomen financiële middelen op 24 februari 2025 begonnen met het afvoeren van shredderresidu. Daarna zijn er nog branden geweest in het shredderresidu op 14 en 15 maart 2025, ten gevolge waarvan (nog meer) verontreiniging van zowel lucht, bodem als (riool)water heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht overwogen dat de opslag van shredderresidu, afkomstig van eiseresses toenmalige bedrijf [naam] , de broei en vervolgens de branden die erin zijn ontstaan, gepaard gaan met geuremissie en rookontwikkeling. Via de lucht zijn schadelijke stoffen in de leefomgeving terechtgekomen. Ook heeft het college terecht overwogen dat blus\u002Fkoelwater van het residu in de bodem infiltreert en dat via die route schadelijke - zo niet zeer zorgwekkende - stoffen in de bodem terecht zijn gekomen en\u002Fof terechtkomen en dat het water buiten de inrichting weglekt. Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de opslag van het aanwezige shredderresidu nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft opgeleverd en een groot risico blijft opleveren voor de fysieke leefomgeving. In de gegeven omstandigheden was evident dat de partijen shredderresidu die aanwezig waren in november 2024 zo spoedig mogelijk hadden moeten worden afgevoerd. Dat was ten tijde van het dwangsombesluit op 2 april 2025 nog niet gerealiseerd. Het college heeft dan ook tot de conclusie mogen komen dat eiseres evident in strijd heeft gehandeld met de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Dat betekent dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs last I te verstrekkend?\n\n3.11.. Eiseres voert aan dat de herstelmaatregel, volledige afvoer van het shredderresidu, te verstrekkend is. Zij wijst erop dat de opslag van shredderresidu is vergund. Zij wijst ook op paragraaf 4.104 “Opslaan van goederen” van het voorkomen of te beperken.3.12.. Het college vindt de last niet te verstrekkend. Het materiaal moet al periodiek worden afgevoerd. De last vergt slechts dat het afvoeren eerder plaatsvindt. Als eenmaal broei en brand is ontstaan, is het niet mogelijk een minder verstrekkende maatregel op te leggen om de emissie van schadelijke stoffen te doen beëindigen, aldus het college.3.13.. De rechtbank acht het niet onevenredig dat het college, om te voorkomen dat opnieuw branden uitbreken, van eiseres verlangt dat zij alhet op dat moment aanwezige shredderresidu afvoert. Het college beoogt met last I te voorkomen dat opnieuw brand en broei in de partij shredderresidu uitbreken en dat (verdere) verontreiniging van lucht, bodem en riolering (water) plaatsvindt. Omdat zich al branden en broei hebben voorgedaan in deze partij shredderresidu, en dat gevaar voor de omgeving heeft opgeleverd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid de afvoer van de hele partij kunnen gelasten. Dat inmiddels door afvoer een kleinere partij ter plaatse resteert, maakt niet dat geen (nieuwe) branden en broei zouden kunnen ontstaan.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?3.14.. De begunstigingstermijn is in het bestreden besluit verlengd van 15 mei 2025 naar 23 juli 2025. Eiseres voert aan dat de begunstigingstermijn nog steeds te kort is. Eiseres is niet in staat gebleken om al het shredderresidu voor 23 juli 2025 af te voeren. De afnemers konden in een bepaalde periode wekelijks maar een bepaalde hoeveelheid aan. Bovendien lieten de beschikbare financiële middelen geen grotere wekelijkse afvoer toe. Verder zijn in het afvoerplan van eiseres per abuis ook partijen verwerkingsmateriaal als residu vermeld. Na het opstellen van het plan is een veranderingsvergunning in werking getreden voor onder andere een zeef. Dat maakt het mogelijk om de aanwezige partijen metaalafvalstoffen ten behoeve van verdere verwerking te zeven. Ten tijde van het bestreden besluit (21 oktober 2025) was het aanwezige volume residu flink verminderd en waren er extra maatregelen getroffen. Daardoor waren er volgens eiseres geen milieubelangen (meer) in het geding die zich tegen een langere termijn verzetten.3.15.. Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres in staat was om al het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren. Het college wijst erop dat eiseres in februari 2025 zelf een plan heeft opgesteld voor de afvoer van het shredderresidu. Hierin is een afvoerintensiteit opgenomen van circa 1.000 ton per week. Ook hierna hebben nog twee branden plaatsgevonden. Omdat de gevolgen voor de fysieke leefomgeving in ernstige mate toenamen, heeft het college verlangd om de volledige afvoer binnen afzienbare maar volgens het afvoerplan redelijke en haalbare termijn uit te voeren (1.000 ton per week). De ontvangers van het shredderresidu hebben bevestigd dat zij 1.000 ton per week kunnen ontvangen. Er zijn bovendien meerdere partijen die shredderresidu afnemen. Van het bedrijf mag worden verwacht dat het liquide middelen reserveert voor het afvoeren van restfracties. De veranderingsvergunning voor een zeef leidt er volgens het college niet toe dat de begunstigingstermijn te kort is.3.16.. Op grond van artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Dat is de zogeheten begunstigingstermijn. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Een begunstigingstermijn mag ook niet wezenlijk korter worden gesteld dan nodig is om de overtreding te kunnen opheffen.3.17.. De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk kort. Het college heeft bij het bepalen van de begunstigingstermijn mogen uitgaan van de inschatting dat het mogelijk is om ongeveer 1.000 ton per week shredderresidu af te voeren. Hierbij heeft het college rekening mogen houden met het afvoerplan dat eiseres zelf heeft opgesteld. De twee afnemers van het shredderresidu hebben bevestigd dat afvoer van 1.000 ton per week mogelijk is. De stelling van eiseres dat de afnemers deze hoeveelheid in werkelijkheid niet kunnen verwerken, wijkt af van wat de afnemers hierover hebben meegedeeld. Eiseres heeft deze afwijkende stelling niet onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank daaraan voorbij. De stelling van eiseres dat zij onvoldoende liquiditeitsruimte had om het shredderresidu vóór 23 juli 2025 af te voeren, slaagt niet. Het college heeft terecht naar voren gebracht dat van eiseres mag worden verwacht dat zij liquide middelen reserveert voor de vereiste afvoer van het shredderresidu. De inwerkingtreding van de veranderingsvergunning voor onder andere een nieuwe zeefinstallatie, leidt evenmin tot het oordeel dat de begunstigingstermijn te kort is. De veranderingsvergunning noodzaakt niet tot vertraging in de afvoer van het shredderresidu. Dat eiseres met behulp van de veranderingsvergunning andere keuzes wil maken bij de afvoer van het shredderresidu en daardoor meer tijd nodig zou hebben voor de afvoer, komt voor haar rekening en risico. De stelling van eiseres dat er na het afvoeren van een gedeelte van het shredderresidu geen milieubelangen meer zijn die zich tegen een langere termijn verzetten, slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen heeft het college onder dwangsom verwijdering van de volledige partij shredderresidu mogen gelasten. De begunstigingstermijn mag niet langer worden gesteld dan noodzakelijk is om dat te realiseren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?3.18. De hoogte van de dwangsom van € 250.000,- per keer en € 1.000.000,- in totaal is volgens eiseres niet evenredig. Het college heeft de dwangsom aan de hoge kosten van afvoeren van de afvalstoffen gekoppeld. Dat kan alleen als er een voordeel voor eiseres bestaat bij het niet afvoeren. Dat voordeel is er niet omdat de afvalstoffen volgens voorschrift 2.2.4 sowieso binnen één jaar moeten worden afgevoerd. Bovendien mag eiseres de stoffen volgens de omgevingsvergunning opslaan. De dwangsom van € 1.000.000,- staat volgens eiseres niet in verhouding tot de overtreding en zij is ook niet in staat om dit bedrag te voldoen.\n\n3.19.. Het college heeft de hoogte van de dwangsom gekoppeld aan de kosten van afvoer. Van de dwangsom moet een prikkel uitgaan om overtredingen te beëindigen zonder dat dwangsommen worden verbeurd. Een erkende ontvanger\u002Fverwerker hanteert een tarief van ongeveer € 142,- per ton. Volgens het college moest ten tijde van het handhavingsbesluit nog ongeveer 5.700 ton shredderresidu worden afgevoerd. De kosten daarvan zijn 5.700 x € 142,- = € 809.400,-. Om de werking van de dwangsom als prikkel te waarborgen, is van een hoger maximum van € 1.000.000,- uitgegaan.3.20.. Op grond van artikel 5:32b, derde lid, van de Awb dienen de dwangsombedragen in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.\n\n3.21.. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten als hij de last niet uitvoert. Gelet hierop heeft het college de hoogte van de dwangsommen naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen afstemmen op de geschatte kosten van het afvoeren van de afvalstoffen. Het college heeft daarbij voor een hoger maximumbedrag mogen kiezen dan de geschatte totale kosten van het afvoeren. De stelling dat eiseres die kosten op een later moment toch al zou moeten maken omdat de afvalstoffen binnen een jaar moeten worden afgevoerd, leidt niet tot de conclusie dat het bedrag aan dwangsommen te hoog is.\n\n3.22.. Het gaat om een overtreding met ernstige gevolgen voor het milieu. De rechtbank kan eiseres dan ook niet volgen in de stelling dat een maximumbedrag van € 1.000.000,- niet in verhouding staat tot de overtreding.\n\n3.23.. De stelling dat eiseres niet in staat is dat bedrag te voldoen, is in dit kader niet relevant. De financiële draagkracht van de overtreder kan in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom.Daartoe overweegt de rechtbank dat van een dwangsom die naar draagkracht zou worden vastgesteld, geen zodanige prikkel zou uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd om te voorkomen dat een dwangsom wordt verbeurd.\n\n3.24.. Gelet op de ernst van de overtreding en het financiële voordeel van het niet uitvoeren van de last, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid voor een dwangsom van € 250.000,- per week met een maximum van € 1.000.000,- kunnen kiezen.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nLast II: lozen afvalwater4. Eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven dat haar beroep niet tegen deze last is gericht. De rechtbank zal deze last dan ook niet beoordelen.\n\nLast III: niet mogen lozen op het gemeentelijk riool\n\n5. Op grond van vergunningvoorschrift 3.1.1 mag bedrijfsafvalwater uitsluitend in een openbaar vuilwaterriool worden gebracht, als door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid hiervan: a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool (…). Tussen partijen is niet in geschil dat met het lozen van verontreinigd bluswater\u002Fhemelwater de doelmatige werking van het rioolsysteem is belemmerd. Dat betekent dat vergunningvoorschrift 3.1.1 is overtreden. Het college was dan ook bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen om herhaling van deze overtreding te voorkomen. Is last III te verstrekkend?5.1.. In het bestreden besluit staat dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeld dient te voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Wanneer het college na afloop van de begunstigingstermijn constateert dat afvalwater niet opgevangen wordt en naar een daarvoor erkende ontvanger\u002Fverwerker wordt afgevoerd, wordt een dwangsom verbeurd. Eiseres mag weer afvalwater van het bedrijf op het rioolstelsel lozen zodra het shredderresidu - waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Eiseres mag het lozen van afvalwater op het gemeentelijk riool ook hervatten wanneer zij ervoor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken. Het college moet dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en met de getroffen maatregelen instemmen.5.2.. Deze last is volgens eiseres te verstrekkend. De eis dat pas weer met het lozen van afvalwater mag worden aangevangen als alle partijen shredderresidu volledig zijn afgevoerd of afgedekt en het terrein en riolering zijn schoongemaakt, gaat te ver. Opslaan van shredderresidu is vergund. Met het afvoeren van de partijen waarin zich brand heeft voorgedaan, het schoonvegen van dat gedeelte van het terrein en het reinigen van het riool, is weer sprake van een representatieve bedrijfssituatie. De omgevingsvergunning vereist niet dat afvalstoffen worden afgedekt. Van overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 is geen sprake meer. Uit recente monsterneming van het afvalwater is gebleken dat het veel schoner is dan kort na de broeibranden. Eiseres heeft de indruk dat het college via handhaving probeert de normstelling in de vergunning aan te scherpen. Dat is onrechtmatig. Als het college bepaalde stoffen niet aanvaardbaar acht, ligt het op de weg van het college om concrete lozingsnormen per parameter op te nemen in de omgevingsvergunning, aldus eiseres.\n\n5.3.. Volgens het college zijn nog niet alle partijen shredderresidu waarin zich broei en branden manifesteerden afgevoerd. Zolang dat niet is gebeurd, kan verontreiniging die is ontstaan door brand en broei blijven uitspoelen. Omdat eiseres er niet voor heeft gekozen om de partijen af te dekken, is het volgens het college niet mogelijk om hemelwater buiten beschouwing te laten, omdat dit één afvalstroom vormt met blus- en koelwater.5.4.. Op grond van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom te nemen herstelmaatregelen. De last moet in combinatie met de herstelmaatregelen zodanig duidelijk en concreet geformuleerd zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over wat gedaan moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen.Een last is dwingend. Herstelmaatregelen zijn dat niet. Een lastgevingmoet de overtreder vrijlaten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. De grondslag voor de lastgeving ligt namelijk uitsluitend in het feit dat er een overtreding is van een bepaald voorschrift. Een lastgeving mag daarom nooit verder strekken dan het ongedaan maken van deze overtreding.\n\n5.5.. De rechtbank stelt voorop dat de omschrijving van last III niet te verstrekkend is. De last houdt in dat eiseres herhaling van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning moet voorkomen.\n\n5.6.. Vervolgens is aan de orde of de herstelmaatregelen niet te dwingend zijn geformuleerd. In het bestreden besluit is aangegeven dat eiseres herhaling van de overtreding bijvoorbeeldkan voorkomen door bluswater\u002Fkoelwater\u002Fhemelwater op te vangen c.q. op te slaan en naar een erkende ontvanger\u002Fverwerker af te voeren. Uit deze formulering volgt dat het slechts om een voorbeeld gaat. In het bestreden besluit staat echter ook het volgende: “U mag weer afvalwater van uw bedrijf op het rioolstelsel lozen, zodra het shredderresidu -waarop last I ziet - is afgevoerd, het bedrijfsriool is gereinigd en het bedrijfsterrein waar het shredderresidu is opgeslagen is gereinigd. Wanneer u er voor kiest om de resterende partijen shredderresidu af te dekken, mag u lozen van afvalwater op het gemeentelijke riool ook hervatten. Wij moeten dan wel eerst geconstateerd hebben dat de afdekking doeltreffend is en u meegedeeld hebben dat wij met de getroffen maatregelen instemmen”.5.7.. Het college heeft dus twee herstelmaatregelen genoemd: afvoer van het shredderresidu in combinatie met reiniging en afdekking van het shredderresidu. De rechtbank kan en zal in het midden laten of deze twee herstelmaatregelen verder gaan dan nodig is om herhaling van de overtreding van vergunningvoorschrift 3.1.1 te voorkomen. Het staat eiseres volgens de systematiek van artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb immers vrij om ook voor andere herstelmaatregelen te kiezen.Indien mogelijk kan zij zelf voor minder vergaande herstelmaatregelen kiezen. De door het college gekozen formulering wekt echter de indruk dat eiseres geen keuzevrijheid heeft en alleen maar op deze twee wijzen aan vergunningvoorschrift 3.1.1 mag voldoen. Daarmee wordt de keuzevrijheid van eiseres ten onrechte beperkt. Vergunningvoorschrift 3.1.1 bevat een resultaatsverplichting voor de kwaliteit van het afvalwater. Het vergunningvoorschrift geeft geen middelen aan waarmee dat resultaat moet worden bereikt. Vaststaat dat het shredderresidu in elk geval gedeeltelijk is afgevoerd. Het bedrijf van eiseres beschikt inmiddels over apparatuur om beter te kunnen monitoren of in het resterende shredderresidu de temperatuur naar brandgevaarlijke hoogten stijgt. Ook is sprake van meer toezicht. Uit het advies van het waterschap Aa en Maas (waterkwaliteitsbeheerder) van 2 juli 2025 naar aanleiding van een analyserapport van 16 juni 2025 van op 6 juni 2025 bemonsterd afvalwater blijkt dat de kwaliteit van het afvalwater toen nog niet voldoende verbeterd was. Niet uitgesloten is echter dat de kwaliteit van het afvalwater inmiddels wel voldoende is verbeterd. Als met behulp van analyseresultaten van bemonsterd afvalwater zou worden aangetoond dat de kwaliteit van het afvalwater zodanig is verbeterd dat geen sprake meer is van een belemmering van de doelmatige werking van het rioolsysteem, zou geen sprake meer zijn van overtreding van voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning. In dat geval zou het mogelijk moeten zijn om de lozing op het gemeentelijke riool te hervatten. Die mogelijkheid lijkt echter te worden uitgesloten door het college. Op dit punt is de formulering van het bestreden besluit niet juist. De rechtbank zal dit onderdeel van het bestreden besluit dan ook vernietigen wegens strijd met artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb.\n\nDe beroepsgrond slaagt.\n\n5.8.. De rechtbank ziet aanleiding om het geschil op dit punt finaal te beslechten. Last III is rechtmatig. Gelet op het voorgaande had het college eiseres echter vrij moeten laten om zo mogelijk voor andere herstelmaatregelen te kiezen. Uit deze uitspraak blijkt dat eiseres zelf mag kiezen op welke wijze zij aan vergunningvoorschrift 3.1.1 zal voldoen. Nu hierover duidelijkheid bestaat, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen onderdeel van het bestreden besluit in stand te laten.\n\nIs de dwangsom onevenredig hoog?\n\n5.9.. De hoogte van de dwangsom is € 50.000,- per etmaal waarop het college herhaling constateert, tot een maximum te verbeuren bedrag van € 300.000,-. Volgens eiseres is dit niet evenredig. Voor de nadere onderbouwing van deze beroepsgrond verwijst zij naar wat is opgemerkt ter bestrijding van de hoogte van de dwangsom verbonden aan last I. Volgens eiseres kan het college in redelijkheid geen aansluiting zoeken bij de kosten die afvoer naar een erkende verwerker met zich brengen.\n\n5.10.. Het college wijst erop dat er voldoende prikkel uit moet gaan van de hoogte van de dwangsom om eiseres ertoe te bewegen aan de last te voldoen. Het college ziet niet in waarom het voor het bepalen van de dwangsomhoogte niet kan uitgaan van afvoerkosten van afvalwater op een andere wijze dan lozing via het riool.\n\n5.11.. De rechtbank acht ook deze dwangsommen niet onevenredig hoog. Daartoe wijst zij op wat zij onder 3.20 tot en met 3.24 heeft overwogen. Het college heeft de hoogte van deze dwangsom in redelijkheid kunnen afstemmen op de kosten van de afvoer van het afvalwater op een andere wijze dan via het riool. Volgens de inschatting van het college zou eiseres per etmaal minimaal € 30.000,- moeten uitgeven voor afvoer via een erkende verwerker. Ervan uitgaande dat van een dwangsombedrag een zodanige prikkel moet uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd, heeft het college voor een maximumbedrag mogen kiezen dat hoger is dan de geschatte totale kosten van het afvoeren.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nInvordering wegens overtreding van last I\n\n6. In het invorderingsbesluit heeft het college vermeld dat op 24 juli 2025, 1 augustus 2025, 11 augustus 2025 en 19 augustus 2025 controles zijn uitgevoerd waarbij is vastgesteld dat eiseres niet heeft voldaan heeft aan last I. Het aanwezige shredderresidu is niet volledig verwijderd. Daarmee zijn volgens het college vier dwangsommen à € 250.000,- per keer verbeurd. Het gaat in totaal om een bedrag van € 1.000.000,-.\n\n6.1.. Tussen partijen is niet in geschil dat de volledige partij shredderresidu op de hiervoor genoemde data inderdaad nog niet volledig was afgevoerd. Dat betekent dat eiseres in strijd heeft gehandeld met last I. Zij heeft van rechtswege bij elke constatering een dwangsom van € 250.000,- verbeurd. Het gaat om vier dwangsommen van € 250.000,-. Het college was dan ook bevoegd om over te gaan tot invordering van € 1.000.000,-.\n\n6.2.. Eiseres verzoekt om de beroepsgronden tegen de opgelegde last onder dwangsom ook aan te merken als de beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit.\n\n6.3.. Dit verzoek leidt niet tot het door eiseres gewenste resultaat. In een procedure tegen een invorderingsbeschikking kan de belanghebbende in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en\u002Fof betrokkene geen overtreder is. De rechtbank is niet gebleken dat zich in dit geval een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet.\n\n6.4.. Eiseres voert aan dat het bedrag van € 1.000.000,- te hoog en onvoldoende aanwezig is om dat te kunnen betalen. De invordering van dit bedrag brengt het bedrijf volgens eiseres serieus in financiële problemen.\n\n6.5.. De rechtbank stelt voorop dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend.Een andere opvatting zou namelijk afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb.Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd.Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. 6.6. Volgens vaste rechtspraak hoeft het bestuursorgaan bij een besluit over invordering van verbeurde dwangsommen in beginsel geen rekening te houden met de vraag of de overtreder in staat is om de verbeurde dwangsommen te voldoen. De financiële draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding, indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen.Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. Ook de liquiditeitspositie van de overtreder kan in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. In dit kader is onder meer van belang dat het college bevoegd is om een betalingsregeling te treffen voor verbeurde dwangsommen.\n\n6.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij gezien haar financiële draagkracht of andere financiële aspecten evident niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen te betalen. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank geen zodanige informatie verstrekt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt gegeven over haar financiële situatie, de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben en de mogelijkheid om deze financiële last binnen de holding te dragen waartoe eiseres behoort.\n\nDe beroepsgronden tegen het invorderingsbesluit slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 is gegrond. De enige fout is echter slechts dat de twee herstelmaatregelen om gevolg te geven aan last III te dwingend zijn geformuleerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het college heeft nagelaten eiseres vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel. Voor het overige blijft dit besluit in stand. Last I, II en III blijven dus gelden. Zoals onder 5.8. is overwogen, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde onderdeel van het bestreden besluit in stand.\n\n7.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt zij ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een (aanvullend) beroepschrift ingediend en heeft de zitting van de rechtbank bijgewoond. De vergoeding bedraag daarom in totaal € 1.868,-.\n\n8. Het beroep tegen het invorderingsbesluit van 24 oktober 2025 is ongegrond. In deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 8.1. De rechtbank merkt op dat het invorderingsbesluit tot de datum van deze uitspraak was geschorst. Met deze uitspraak vervalt de schorsing.Om te voorkomen dat eiseres onverwacht met de gevolgen van het invorderingsbesluit wordt geconfronteerd, ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van het invorderingsbesluit te verlengen tot zes weken na de bekendmaking van de uitspraak.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nin SHE 25\u002F3318\n\nverklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 21 oktober 2025 gegrond;\n\nvernietigt dit besluit voor zover het college heeft nagelaten eiseres in lastgeving III vrij te laten in de keuze voor de toepassing van een herstelmaatregel;\n\nbepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand blijven;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;\n\nveroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres;\n\nin SHE 26\u002F3647\n\nverklaart het beroep tegen het invorderingsbesluit ongegrond;\n\nverlengt de schorsing van het invorderingsbesluit tot zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.\n\n Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, voorzitter, en mr. K.A. Maarschalkerweerd en mr. R.H.W. Frins, leden, in aanwezigheid van mr.M.P.C. Moers-Anssems, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.\n\ngriffier\n\nDe voorzitter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dat staat in artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\nStb.2018, 293, p. 519.\n\n De rechtbank sluit hiermee aan bij het eerdere oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 juli 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3947 en bij jurisprudentie van de Afdeling. Zie o.m. de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631.\n\nZie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2019\u002F20, 34 986, nr. W, p. 9-10 enStb. 2018, 293, p. 526.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2808.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3496.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:321.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:41.\n\n Een lastgeving is de last en de herstelmaatregelen.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1247.\n\n Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1218.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\nKamerstukken II2003\u002F04, 29 702, nr. 3, p. 115\n\n Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:584.\n\n Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb maakt dat mogelijk.\n\n Dat volgt uit artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:3621","ecli-nl-rbobr-2026-3621",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Omgevingsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]