[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbobr-2026-4746":3,"decision-more-ecli-nl-rbobr-2026-4746":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1769","ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-06-30T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.227005.22\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1979] ,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n [medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben verdachte en\u002Fof haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, dan wel verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op dat\u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof verborgen en\u002Fof verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den),\n\n(sub b)\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof omgezet en\u002Fof daarvan gebruik gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die\u002Fdat aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit\u002Faan welke strafbare gedraging zij opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nHet verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging\n\nInleiding\n\nNa de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.\n\nOp de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.\n\nHet standpunt van het OM\n\nHet Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\nDe rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.\n\nVoor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.\n\nTen aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.\n\nVan een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nVerdachte is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [medeverdachte] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres 2] . Op 28 oktober 2016 heeft [medeverdachte] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [medeverdachte] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [medeverdachte] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en verdachte aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is en dat de verklaring van verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nNadere bewijsoverwegingen.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [medeverdachte] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nHet juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).\n\nDe rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.\n\nStap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?\n\nVan een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.\n\nStap 2 is er een vermoeden van witwassen?\n\nDeze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.\n\nVerdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [medeverdachte] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.\n\nDe overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . Verdachte heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.\n\nUit de stukken die de verdachte bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.\n\nDit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.\n\nStap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?\n\nVerdachte heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [medeverdachte] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van verdachte, namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. Verdachte heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. Verdachte heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. Verdachte heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.\n\nStap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?\n\nTen aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van verdachte en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.\n\nDaarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .\n\nVerder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van verdachte in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens verdachte een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.\n\nDaar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door verdachte en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat verdachte op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [medeverdachte] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [medeverdachte] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [medeverdachte] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.\n\nDat de lening van [medeverdachte] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals verdachte heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.\n\n [bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] op verzoek van verdachte volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van verdachte ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft verdachte verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van verdachte hoogst onwaarschijnlijk. Dat verdachte haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van verdachte. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met [bedrijf 3] uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van verdachte dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\nDe getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [medeverdachte] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was verdachte de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van verdachte dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.\n\nAlles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres 2] met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.\n\nWetenschap.\n\nDe volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van verdachte binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat verdachte zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan verdachte geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.\n\nToerekenbaarheid rechtspersoon.\n\nVerdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [medeverdachte] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [medeverdachte] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.\n\nOp grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.\n\nDie gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.\n\nFeitelijk leidinggeven.Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van [medeverdachte] Verdachte is degene die alle hierboven genoemde handelingen namens [medeverdachte] heeft verricht en zij heeft daarmee feitelijk leidinggegeven aan het witwassen.\n\nConclusie.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan witwassen.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\n [medeverdachte] in de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard en de herkomst verhuld\n\n(sub b)\n\nverworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit zij feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat rekening moet worden gehouden met haar persoonlijke omstandigheden (herhaaldelijk direct en indirect als slachtoffer betrokken bij geweldsmisdrijven in Zuid-Afrika, waardoor zij PTSS heeft opgelopen) en dat verbeurdverklaring van het pand haar zwaar treft nu het haar woning is.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.\n\nDe persoon van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.\n\nVoorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ook getroffen zal worden door de verbeurdverklaring van het pand in de strafzaak tegen de rechtspersoon.\n\nSchending van de redelijke termijn.\n\nDe rechtbank overweegt verder dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nVerdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.\n\nHoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.\n\nDe op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist omdat de op te leggen straf de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking brengt. Bovendien zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheden zoals hierboven weergegeven.\n\nAlles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 27, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;\n\nhet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nfeitelijk leidinggeven aan witwassen, begaan door een rechtspersoon\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nlegt op de volgende straf:\n\n* een gevangenisstrafvoor de duur van12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van eenproeftijd van 2 jaarde hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nvoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.H.C. Merkx, voorzitter.\n\nmr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.\n\nen is uitgesproken op 30 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","ecli-nl-rbobr-2026-4746",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]