[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbobr-2026-4792":3,"decision-more-ecli-nl-rbobr-2026-4792":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1264","ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-07-07T00:00:00.000Z","vonnis\n\nRECHTBANK OOST-BRABANT\n\n Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24 Parketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,\n\nthans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nOp deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte\u002Fveroordeelde, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte\u002Fveroordeelde naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van telkens 20 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nt.a.v. 01-105619-26:\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\n- ongeveer 80 gram (1 witte brok), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,4 gram (17 sealbags), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nt.a.v. 01-236767-23:\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2023 te Eindhoven, althans in Nederland,\n\nopzettelijk brand heeft gesticht aan een scooter en\u002Fof bij een woning aan [adres] , door (open) vuur en\u002Fof een brandend middel in aanraking te brengen met een scooter die nabij\u002Ftegen de (voor)gevel van voornoemde woning stond, terwijl daarvan\n\n-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en\u002Fof scooter te\n\n duchten was en\u002Fof\n\n- levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor een\n\n of meer bewoner(s) van en\u002Fof aanwezigen in voornoemde woning en\u002Fof naastgelegen\n\n woning(en) te duchten was;\n\nDe vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.\n\nDe zaak met parketnummer 01.299547.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te\n\n's-Hertogenbosch van 13 februari 2025. (bijlage 1)\n\nDe zaak met parketnummer 96.298959.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch\n\nvan 20 mei 2025. (bijlage 2)\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nRechtmatigheid verkregen bewijs\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft gesteld dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig\n\nis geweest, omdat er op dat moment onvoldoende verdenking van overtreding van een strafbaar feit bestond. Dit onherstelbare vormverzuim moet in de visie van de raadsvrouw tot bewijsuitsluiting van de aangetroffen cocaïne leiden. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2010).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende verdenking bestond om tot doorzoeking van het voertuig over te gaan.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nOp grond van artikel 96b, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar of\n\nin geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang te verschaffen.\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of – en zo ja, wanneer – ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit (in casu: een Opiumwetdelict) bestond. De rechtbank dient te toetsen of de betrokken verbalisanten\n\ntot een redelijk vermoeden hebben kunnen komen.\n\nZoals de raadsvrouw terecht heeft gesteld, dient een verdenking te berusten op concrete en objectiveerbare feiten. Daarmee wordt bedoeld dat het vermoeden objectiveerbaar moet zijn en in redelijkheid moet kunnen worden afgeleid uit voor het strafbare feit relevante en concrete gegevens. Uit bestendige jurisprudentie volgt verder dat ervaring en deskundigheid van de verbalisant, evenals een feit van algemene bekendheid, bijdragen aan het bestaan van een redelijke vermoeden van schuld en mitsdien van een verdenking.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nVerbalisanten hebben op basis van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 het voertuig met verdachte als bestuurder aan een controle onderworpen en zijn op grond van de navolgende combinatie van feiten en omstandigheden tot een doorzoeking van het voertuig overgegaan. (proces-verbaal van bevindingen pag. 5-9)\n\nVerbalisanten zagen dat verdachte tijdens de controle heel zenuwachtig was. Zo keek hij continu om zich heen, vermeed hij oogcontact met de verbalisanten, transpireerde hij op\n\nzijn voorhoofd, hield hij het stuurwiel gedurende de hele controle stevig vast en vroeg hij meerdere keren naar de reden van de controle.\n\nVerbalisanten zagen in het voertuig twee telefoons liggen en dat verdachte continu werd gebeld door nummers die hij niet als een contact had opgeslagen.\n\nVerbalisanten zagen in de politiesystemen dat verdachte stond geregistreerd voor het\n\nbezit en de handel in harddrugs op 19 september 2024 en het bezit van hard- en softdrugs\n\nop 3 oktober 2023.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] zag ter hoogte van de voeten van verdachte meerdere biljetten geld liggen: briefjes van 50 euro, 20 euro en 5 euro. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat personen die handelen in verdovende middelen doorgaans contant geld bij zich dragen\n\nof voorhanden hebben.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] rook een zoete, frisse lucht, die afkomstig was uit een parfumdoosje in het voertuig. Het is verbalisanten bekend dat personen die handelen in drugs een parfum in hun voertuig bij zich hebben om zo de geur van de drugs te verdoezelen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert het algehele samenstel van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, een gerechtvaardigde\n\nen voldoende verdenking van een Opiumwetdelict op. Dat betekent dat de verbalisanten bevoegd waren om de auto van verdachte te doorzoeken op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv. Daarmee is sprake van een rechtmatige doorzoeking. De resultaten hiervan kunnen worden voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij ongeveer 84 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\nt.a.v. 01.236767.23\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij brand heeft gesticht, door een scooter in brand te steken.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft tot bewezenverklaringen van het Opiumwetdelict, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, en de brandstichting gerekwireerd. Bij de brandstichting was volgens de officier van justitie sprake van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft op gronden als verwoord in haar pleitnota op het standpunt gesteld dat het bewijs in beide zaken tekortschiet en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.\n\nBewijsbijlage.\n\nDe bewijsmiddelen die de rechtbank bij de beoordeling heeft gebruikt, zijn opgenomen in de bewijsbijlage die deel uitmaakt van dit vonnis. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nT.av. 01.105619.26\n\nVoor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne is op grond van vaste jurisprudentie vereist dat verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto en dat die cocaïne zich in zijn machtssfeer bevond.\n\nDe rechtbank overweegt daarover als volgt.\n\nOp 8 april 2026 werd in een door verdachte bestuurde personenauto circa 84 gram cocaïne\n\nin een verborgen ruimte in de elektrische raambediening aan de bestuurderszijde aangetroffen. Verdachte was de enige inzittende van het voertuig,\n\nVerdachte stelt zich op het standpunt dat hij niet wist van de aanwezigheid van cocaïne. Hij heeft verklaard dat hij de auto van zijn moeder heeft geleend en dat zijn moeder de auto ook aan anderen uitleende.\n\nDe rechtbank acht niet aannemelijk dat een ander ruim 80 gram cocaïne – die een behoorlijke straatwaarde vertegenwoordigd – in een geleende auto achterlaat. Voor zover verdachte dat met zijn verklaring heeft willen zeggen, vindt de rechtbank dat dus niet aannemelijk. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte zijn verklaring ook niet met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.\n\nDe rechtbank merkt verder op dat de verbalisant in het vak van het bestuurdersportier keek en zag dat het kapje van de elektrische raambediening niet goed bevestigd was. Dit was blijkbaar direct zichtbaar voor de verbalisant, nader onderzoek was kennelijk niet nodig. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook verdachte dit heeft gezien of in ieder geval heeft moeten zien.\n\nVerder betrekt de rechtbank een aantal van de hiervoor genoemde omstandigheden bij haar oordeel. Namelijk dat geldbriefjes bij de voeten van verdachte lagen, dat hij twee telefoons bij zich had, waarvan een van de telefoons werd gebeld door onbekende nummers en het gedrag van verdachte: de politie omschrijft dat verdachte zenuwachtig gedrag vertoonde, namelijk oogcontact vermijden, continu om zich heen kijken en zweten.\n\nGelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat cocaïne in de auto lag. Hij kon hier ook over beschikken.\n\nDe rechtbank stelt gelet op het voorgaande dus vast dat de cocaïne zich in de machtssfeer van verdachte bevond en hij hiervan wetenschap had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\n01.236767.23\n\nOp 31 augustus 2023, omstreeks 04:00 uur, werd een scooter die geparkeerd stond tegen de voorzijde van de woning gelegen aan [adres] in Eindhoven in brand gestoken. De brand sloeg over naar de gevel van de woning. Op de eerste etage sliepen op dat moment zowel aan de voorzijde als achterzijde de (vier) bewoners van de woning. Op camerabeelden is te zien dat een persoon vloeistof uit een witte emmer over de scooter goot en deze vervolgens in brand stak.\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze brandstichting heeft gepleegd.\n\nDe rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nKort na de brandstichting werd door de politie op circa 10 meter afstand van de plaats delict een witte emmer met een benzinegeur aangetroffen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de emmer waarmee de vloeistof over de scooter is gegoten. Deze emmer is bemonsterd. Uit deze bemonstering is een DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren verkregen, waaruit een DNA-profiel van één man kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. De additionele DNA-kenmerken van de minder prominente aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek.\n\nHoewel het opmerkelijk is dat verdachte donor is van het celmateriaal op de emmer, is de rechtbank van oordeel dat alleen deze omstandigheid onvoldoende is om verdachte als dader van de brandstichting aan te merken. De rechtbank merkt in dit verband op dat het celmateriaal is aangetroffen op een verplaatsbaar object en dat hierop ook celmateriaal van minimaal één andere donor is aangetroffen. Om vast te kunnen stellen dat verdachte degen is die de scooter in brand heeft gestoken en dus om tot een bewezenverklaring te komen, moet er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval meer bewijs zijn waaruit blijkt dat het verdachte was die de scooter in brand heeft gestoken.\n\nDat bewijs is er naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarover overweegt zij het volgende.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft een verklaring afgelegd bij de politie. Zij heeft onder meer verklaard dat zij denkt haar ex, verdachte, te herkennen op de camerabeelden op basis van zijn postuur. Zij zag dat de persoon op de beelden ‘boven bij zijn schouders wat breder was’ en ‘dat de benen heel dun\u002Frecht waren’. Vervolgens verklaart zij dat zij de kleding en schoenen van de persoon op de beelden niet herkent. Nog los van de omstandigheid dat zij verdachte slechts denkt te herkennen, is een herkenning enkel vanwege het postuur en niet onderbouwd met specifieke kenmerken naar het haar oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. De verklaring van de ex-partner kan op dit punt, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, dus niet als ondersteunend bewijs worden aangemerkt.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft verder verklaard dat de relatie door haar is beëindigd omdat zij van verdachte niet met haar vriendin mocht omgaan. Zij denkt dat verdachte daarom in staat zou zijn om de scooter van die vriendin in brand te steken.\n\nDe rechtbank ziet anders dan de officier van justitie in deze verklaring geen steun voor het scenario dat verdachte de scooter in brand heeft gestoken. De enkele gedachte van de ex-partner dat verdachte daartoe in staat zou zijn, vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank merkt voor de volledigheid nog op dat de relatie al enige tijd beëindigd was toen de brand werd gesticht en de rechtbank ziet ook geen andere aanwijzingen in het dossier dat er sinds of vanwege de relatiebreuk sprake was van enige wrok van verdachte naar de vriendin van zijn ex-partner.\n\nDe rechtbank heeft in het dossier ook verder geen aanwijzingen aangetroffen op basis waarvan betrokkenheid van verdachte bij deze brandstichting kan worden vastgesteld.\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet bewezen kan worden dat verdachte degene is die de brandstichting heeft gepleegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\n t.a.v. 01.105619.26\n\nop 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n-ongeveer 80 gram (1 witte brok) van een materiaal bevattende cocaïne en\n\n-ongeveer 4,4 gram (17 sealbags) van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.(bijlage 3)\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest gevorderd. Volgens de officier van justitie is niet voldaan aan de formele vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft zich niet over een eventuele strafoplegging uitgelaten.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 84 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht\n\naan anderen. Tot slot is inmiddels ook algemeen bekend dat Opiumwetdelicten veelal tot het\n\nverdienmodel en werkterrein van zware criminaliteit behoren waarbij (vuurwapen)geweld en intimidatie niet worden geschuwd. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze gevolgen.\n\nStrafblad\n\nHet uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte bevat vanaf 2017 veroordelingen vanwege vermogensdelicten, geweldsdelicten, verkeersdelicten maar ook voor Opiumwetdelicten (15 april 2024, 13 februari 2025). Verdachte is bij die laatste veroordeling aangemerkt als stelselmatige dader en heeft toen – kort gezegd – een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen. Deze voorwaardelijke maatregel\n\nheeft echter niet het gewenste effect gehad, immers heeft verdachte het onderhavige\n\nOpiumwetdelict tijdens de proeftijd van die veroordeling gepleegd. Verdachte heeft aldus die geboden kans niet aangegrepen om zijn leven een andere wending te geven. Verdachte is kennelijk niet in staat of bereid om het criminele pad te verlaten.\n\nOriëntatiepunten\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor strafbare feiten als bewezenverklaard en straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voor het bezit van 84 gram cocaïne is de oplegging van een taakstraf van 150 uren het uitgangspunt. Echter, verdachte is een recidivist op het gebied van drugsdelicten, hetgeen strafverzwarend doorwerkt.\n\nRapport reclassering d.d. 16 juni 2026\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 16 juni 2026. Dit rapport kent een sombere teneur. De reclassering ziet huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delict gerelateerde criminogene factoren. De reclassering rapporteert dat de voorwaardelijke ISD maatregel verdachte niet lijkt te motiveren zijn leven aan te passen. Verdachte is onvoldoende open geweest waardoor interventies van de reclassering onvoldoende bijdragen aan het beperken van de risico's op recidive en het stabiliseren van het leven van betrokkene, zo stelt de reclassering die dan ook het risico op recidive inschat als hoog en het risico op onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld. De reclassering concludeert het volgende:\n\n“ De heer [verdachte] staat te boek als stelselmatige dader en hij loopt in een voorwaardelijke ISD maatregel. De onstabiele leefsituatie van betrokkene, het psychosociaal functioneren, zijn pro criminele houding en zijn houding ten opzichte van hulpverlening, maken dat het recidive risico hoog blijft. Om de kans op recidive terug te dringen is het van belang dat betrokkene klinisch behandeld wordt. Wij zien de ISD maatregel als meest aangewezen manier of middel om dit te verwezenlijken en om het patroon van het terugvallen in delictgedrag te doorbreken.(,..) Derhalve zien wij op dit moment geen andere mogelijkheid dan de rechtbank te adviseren om bij veroordeling aan betrokkene een ISD-maatregel op te leggen. De hoge justitiële druk van de ISD-maatregel in combinatie met de duur van de maatregel is naar onzes inziens de enige mogelijkheid om een positieve gedragsverandering en stabiliteit in het leven van betrokkene te bewerkstelligen.”\n\nStrafoplegging\n\nVolgens de wet kan de rechter enkel op vordering van het openbaar ministerie een ISD-maatregel opleggen. De officier van justitie heeft echter op formele gronden hiervan afgezien. Hoewel de oplegging van een ISD-maatregel gezien het rapport van de reclassering de meest passende afdoening zou zijn, is de rechtbank dus gebonden aan\n\nde strafeis van de officier van justitie. Dit brengt de rechtbank tot de volgende strafoplegging.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest. Dit betekent dat een straf wordt opgelegd die is gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest. Dat brengt met zich dat\n\nde voorlopige hechtenis van verdachte zal worden opgeheven. In zoverre wordt het opheffingsverzoek van de raadsvrouw gehonoreerd.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst en aard van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en\n\n [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vier vorderingen tot schadevergoeding integraal kunnen worden toegewezen, met telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en telkens met vermeerdering van de wettelijke rente.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de strafzaak de afwijzing van de vorderingen dan wel de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen bepleit. Laatstgenoemde beslissing zou ook dienen te volgen omdat de verdediging door het late tijdstip van indienen van de vorderingen de verzoeken niet adequaat heeft kunnen voorbereiden en een aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het geding oplevert.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben. De rechtbank zal, nu de vorderingen niet worden toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslag.(01.105619.26)\n\nDe rechtbank zal, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, de teruggave aan verdachte gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen (geld en telefoon), nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(01.299547.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de weg staan zijn niet aanwezig. Integendeel: uit het hiervoor besproken rapport van de reclassering volgt veeleer de noodzaak en het belang van een ISD-maatregel. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging van – kort gezegd- de ISD-maatregel van 2 jaren gelasten.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(96.298959.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 2 weken gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank,\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt\n\nDe rechtbank zal echter de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank acht toewijzing van de vordering in het licht van de hiervoor onder parketnummer 01.299547.24 gelaste tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren niet opportuun.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder het parketnummer 01.236767.23 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.\n\nVerklaart het ten laste gelegde onder het parketnummer 01.105619.26 bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nt.a.v. 01.105619.26\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.Legt op de volgende straf.\n\nt.a.v. 01.105619.26:\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nHeft ophet tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.\n\nt.a.v. beslag (01.105619.26)\n\nGelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten:\n\n-0,40 EUR Geld\n\n-1,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-50,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-80,00 EUR Geld\n\n-1 STK GSM (G2467387)\n\nt.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nBepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling (01.299547.24)\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Oost-Brabant van 13 februari 2025, gewezen onder parketnummer 01.299547.24, te weten: een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling: (96.298959.24)\n\nWijst af de vordering met parketnummer 96.298959.24 van de officier van justitie d.d.\n\n13 mei 2026.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I.M. Rinzema, voorzitter,\n\nmr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,\n\nin tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","ecli-nl-rbobr-2026-4792",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]