[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbobr-2026-4793":3,"decision-more-ecli-nl-rbobr-2026-4793":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","",72,"'s-Hertogenbosch","s-hertogenbosch","2026-07-08T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":25,"language":12,"source":13,"sourceUrl":26,"summary":6,"slug":27,"metadata":28},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":29,"legalDomain":30,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]