[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbove-2026-3804":3,"decision-more-ecli-nl-rbove-2026-3804":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1627","ECLI:NL:RBOVE:2026:3804","",57,"Zwolle","zwolle","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANK Overijssel\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nZaaknummer: C\u002F08\u002F339615 \u002F HA ZA 25-359\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. KO VASTGOED B.V.,\n\nte Balkbrug, 2. [partij A1] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 1] , 3. V.O.F. [partij A2],\n\nte [vestigingsplaats 2] , 4. [partij A3],\n\nte [woonplaats 1] , 5. [partij A4],\n\nte [woonplaats 2] , 6. KLEIN OEVER B.V.,\n\nte Balkbrug,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\nalle partijen hierna samen te noemen: KO Vastgoed c.s.\n\npartij sub 3. tot en met sub 5. hierna samen te noemen: [partij A2 t\u002Fm A4]\n\nadvocaat: mr. J. Smit,\n\ntegen\n\n1. V.O.F. [partij B1] ,\n\nte [vestigingsplaats 3] , 2. [partij B2],\n\nte [woonplaats 3] , 3. [partij B3],\n\nte [woonplaats 4] ,\n\ngedaagde partijen in conventie,\n\neisende partijen in reconventie,\n\nhierna samen te noemen: [partij B] ,\n\nadvocaat: mr. N.R. Breman-Kleine.\n\n1. De zaak en het oordeel in het kort\n\n1.1. \n [partij B] dreven een manage die [partij A2 t\u002Fm A4] (als rechtsvoorganger van KO Vastgoed) hebben overgenomen. [partij B] en [partij A2 t\u002Fm A4] hebben verder een gebruiksovereenkomst gesloten op grond waarvan [partij B] na de overdracht van de manege, een deel van de gebouwen en stallen om niet konden blijven gebruiken voor het (op)fokken en trainen van paarden. KO Vastgoed c.s. vinden dat [partij B] op meerdere punten tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst en hebben de gebruiksovereenkomst daarom buitengerechtelijk ontbonden. Zij vorderen in deze procedure onder andere ontruiming van het terrein en de gebouwen van de manege door [partij B] zijn het daar niet mee eens en vinden dat de vorderingen moeten worden afgewezen. Zij zijn verder van mening dat KO Vastgoed c.s. hen geld verschuldigd is voor spanten die KO Vastgoed c.s. hebben gebruikt voor de bouw van een stal en vorderen in reconventie betaling van een bedrag van € 66.422,95,-.\n\n1.2. De rechtbank is ten aanzien van het merendeel van de gestelde tekortkomingen van oordeel dat [partij B] niet tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst. Op een aantal punten zijn zij wel tekort geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst, maar die tekortkomingen rechtvaardigen niet de ontbinding van de overeenkomst. De vorderingen in conventie worden daarom afgewezen. De rechtbank is verder van oordeel dat de spanten eigendom van KO Vastgoed zijn en zal de vorderingen in reconventie ook afwijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie;\n\n- de akte voorwaardelijke wijziging van eis van 19 maart 2026 van [partij B] ;\n\n- de akte overlegging producties van 20 maart 2026 van KO Vastgoed c.s.; - de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n [partij B] exploiteerden een paardenmanege in [vestigingsplaats 3] waar [partij A3] en [partij A4] hebben gewerkt. Op 1 september 2021 hebben [partij B] en [partij A2 t\u002Fm A4] een mondelinge koopovereenkomst gesloten, die op 8 december 2021 op schrift is gesteld, op basis waarvan [partij A2 t\u002Fm A4] de onderneming (met alle daarbij behorende roerende en onroerende goederen) hebben gekocht. Bij notariële akte heeft op 8 december 2021 de levering van de (on)roerende zaken plaatsgevonden.\n\n3.2. \n [partij A2 t\u002Fm A4] en [partij B] hebben op 8 december 2021 ook een ‘Overeenkomst Gebruik binnenbak met stallen’(hierna: gebruiksovereenkomst) gesloten. De gebruiksovereenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan en kan op grond van artikel 3.3 door [partij A2 t\u002Fm A4] niet opgezegd worden. In de gebruiksovereenkomst is verder onder andere het volgende opgenomen:\n\n“1.1 Eigenaar geeft zonder geldelijke tegenprestatie aan gebruiker en gebruiker gebruikt van eigenaar de binnenbak met stallen, hierna ‘het registergoed’ genoemd, plaatselijk bekendDe kleine binnenbak, verblijfsruimte, de vier voorste stallen en de tien sportboxen (…)1.2. Het registergoed is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als verblijfsruimte, binnenbak met stallen.1.3. \n\nHet is gebruiker niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van eigenaar een andere bestemming aan het registergoed te geven dan omschreven in artikel 1.2.\n\n(…)\n\nVoorwaarden\n\n(…)2.3. Deze overeenkomst is overdraagbaar aan mevrouw\n [naam] (…). Indien deze overeenkomst wordt overgedragen aan genoemde mevrouw [naam] , dan mag zij van de rechten op grond van deze overeenkomst gebruiken tot dat zij de AOW gerechtigde leeftijd heeft bereikt. Indien deze overeenkomst overgedragen wordt aan genoemde mevrouw [naam] en zij concurrerende werkzaamheden gaat verrichten, die de onderneming van eigenaar dermate schaden, dan kan eigenaar deze overeenkomst opzeggen.2.4. \n\nDeze overeenkomst is ook van toepassing op eventuele rechtsopvolgers van eigenaar en de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen moeten bij eventuele verkoop van het object aan koper worden opgelegd. (…)\n\n(…)2.6. Gebruiker mag het gehuurde uitsluitend voor eigen gebruik gebruiken. Het registergoed mag niet worden onderverhuurd.\n\n3.3. Op 29 december 2022 is de onderneming van [partij A2 t\u002Fm A4] , inclusief de roerende en onroerende zaken, ingebracht in [partij A1] B.V. (hierna [partij A1] ). Op diezelfde dag heeft [partij A1] de onderneming ingebracht in KO Vastgoed B.V. (hierna: KO Vastgoed).\n\n3.4. Bij brief van onder andere 8 november 2024 en 28 maart 2025 hebben KO Vastgoed c.s. [partij B] medegedeeld dat zij in strijd handelen met de gebruiksovereenkomst door onder andere de verblijfsruimte te verhuren, te veel paarden te houden en het registergoed commercieel te exploiteren. Zij hebben hen in gebreke gesteld en gesommeerd:\n\n- De bewoning van de verblijfsruimte door [naam] te (doen) beëindigen.\n\n(…);\n\nDe in de binnenbak geplaatste boxen te ontruimen (…);\n\nHet gebruik van het Registergoed door [naam] te (doen) beëindigen;\n\nDe stalling van paarden en pony's die niet uw eigendom zijn te beëindigen;\n\nDe stalling van eigen pony’s en paarden te beperken tot maximaal tien paarden en vier pony’s in de daartoe bestemde vier voorste stallen en tien sportboxen;\n\nDe commerciële exploitatie van het Registergoed door u en\u002Fof [naam] te staken en gestaakt te houden.\n\n3.5. Op 13 mei 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, maar dat heeft niet tot een oplossing geleid. Bij brief van 28 mei 2025 hebben KO Vastgoed c.s. geschreven de gebruiksovereenkomst te ontbinden.\n\n4. Het geschil\n\nin conventie\n\n4.1. \n\nKO Vastgoed c.s. vorderen uitvoerbaar bij voorraad:\n\nPrimair\n\nI. te verklaren voor recht dat de gebruiksovereenkomst niet (meer) geldt tussen KO Vastgoed en\u002Fof [partij A1] en\u002Fof v.o.f. [partij A2] en\u002Fof Klein Oever B.V. en\u002Fof [partij A3] en\u002Fof [partij A4] (individueel en\u002Fof gezamenlijk) enerzijds en [partij B2] en [partij B3] en v.o.f. Reestdalhoeve (individueel en\u002Fof gezamenlijk) anderzijds,\n\nSubsidiair\n\nI. voor het geval de gebruiksovereenkomst nog werking heeft, de gebruiksovereenkomst te ontbinden,\n\nZowel primair als subsidiair\n\nII. te verklaren voor recht dat de gebruiksovereenkomst geen verplichtingen (meer) schept voor KO Vastgoed c.s.,\n\nIII. [partij B] te veroordelen om het perceel [kadastrale aanduidingen] , binnen vier weken na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden,\n\nIV. hetgeen onder III. genoemd onder oplegging van een dwangsom van € 1.500,- per dag, met een maximum van € 300.000,-,\n\nV. [partij B2] en [partij B3] c.s. te verbieden om gebruik te maken van het perceel [kadastrale aanduidingen] , en daar niet met enig transportmiddel overheen te rijden, noch dit daarop te stallen,\n\nVI. hetgeen onder V. genoemd onder oplegging van een dwangsom van € 750,- per overtreding met een maximum van € 75.000,-\n\nVII. [partij B] te veroordelen in de kosten van de procedure.\n\n4.2. \n [partij B] voeren verweer. [partij B] concluderen in conventie tot niet-ontvankelijkheid van KO Vastgoed c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen.\n\nin reconventie\n\n4.3. \n\n [partij B] vorderen - samengevat - de vennootschap onder firma [partij A2] alsmede haar vennoten [partij A3] en [partij A4] (verweerders in reconventie sub 3., 4. en 5) hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 66.422,95 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\n \n [partij B] vorderen daarnaast voorwaardelijk (voor het geval dat K.O. Vastgoed B.V., [partij A1] B.V. en\u002Fof Klein Oever B.V. daartoe kunnen worden aangesproken):\n\nK.O. Vastgoed B.V. en\u002Fof [partij A1] B.V. en\u002Fof Klein Oever B.V. (verweerders in reconventie sub 1., 2. en 6.) eveneens hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 66.422,95 incl. btw, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nen zowel voorwaardelijk en onvoorwaardelijk, KO Vastgoed c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure.\n\n4.4. KO Vastgoed c.s. voeren verweer. KO Vastgoed c.s. concluderen in reconventie tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure.\n\n4.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie\n\n5.1. Omdat partijen verdeeld zijn over de vraag of KO Vastgoed door contractoverneming van [partij A2 t\u002Fm A4] , partij is geworden bij de gebruiksovereenkomst en de vorderingen in deze procedure (mede) kan instellen, zal de rechtbank die vraag eerst beantwoorden.\n\nKO Vastgoed is partij geworden bij gebruiksovereenkomst5.2. Volgens KO Vastgoed is zij partij geworden bij de gebruiksovereenkomst. Zij stelt daartoe het volgende. Op 29 december 2022 hebben [partij A2 t\u002Fm A4] de onderneming, inclusief de onroerende zaken ingebracht in [partij A1] . Op diezelfde dag heeft [partij A1] de onderneming inclusief de onroerende zaken ingebracht in KO Vastgoed. KO Vastgoed voert verder aan dat zij ook hebben voldaan aan de verplichting uit artikel 2.4. van de gebruiksovereenkomst, waaruit volgt dat de verplichtingen uit de gebruiksovereenkomst ook aan een eventuele derde verkrijger van de onroerende zaak moeten worden opgelegd. In zowel de akte van inbreng in [partij A1] , als de akte van inbreng in KO Vastgoed, is namelijk opgenomen dat de levering mede omvat alle aan de ingebrachte goederen verbonden rechten en verplichtingen. Volgens KO Vastgoed heeft zij daarom vanaf dat moment de rechtsverhouding van [partij A2 t\u002Fm A4] overgenomen.\n\n5.3. \n [partij B] betwisten dat KO Vastgoed door contractovername partij is geworden bij de gebruiksovereenkomst omdat zij daarmee niet hebben ingestemd, maar geven aan dat zij op dit punt verder geen verweer voeren en zich aan het oordeel van de rechtbank refereren.\n\n5.4. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 6:159 BW een partij bij een overeenkomst haar rechtsverhouding tot de wederpartij, met medewerking van deze laatste, kan overdragen aan een derde, bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. [partij A2 t\u002Fm A4] hebben hun rechten en verplichtingen op grond van de gebruiksovereenkomst aan KO Vastgoed overgedragen bij de akte inbreng in [partij A1] en akte inbreng KO Vastgoed, door te bepalen dat de levering mede omvat alle aan de ingebrachte goederen verbonden rechten en verplichtingen. Verder vereist artikel 6:159 BW medewerking van de wederpartij, in dit geval [partij B] De medewerking van de wederpartij bij de overdracht van de rechtsverhouding is vormvrij.\n\n5.5. Hoewel [partij B] aanvoeren dat zij niet expliciet hebben ingestemd met de contractovername door KO Vastgoed, was dat naar het oordeel van de rechtbank ook niet noodzakelijk omdat hun medewerking volgt uit hun gedragingen. Uit de door hen overgelegde e-mails van 30 juni 2023 en 9 december 2024, volgt namelijk dat zij vanaf de verkoop van de onderneming in 2021, althans (in ieder geval) vanaf 30 juni 2023, bekend waren met de inbreng van de onderneming in een besloten vennootschap en dat zij daar bij de verkoop van de onderneming bovendien toestemming voor hebben gegeven. Dat zij zoals zij stellen, niet wisten dat de besloten vennootschap waarin de onderneming zou worden ingebracht KO Vastgoed is, doet daar niet aan af. Omdat in artikel 2.4 van de gebruiksovereenkomst is voorzien in de situatie van overdracht van de onroerende zaak en [partij B] al langere tijd bekend waren met de inbreng in een besloten vennootschap en daar op voorhand toestemming voor hebben gegeven, moet worden aangenomen dat zij hun medewerking als bedoeld in artikel 6:159 lid 1 BW hebben verleend. Daarbij komt dat hun rechten op basis van de gebruiksovereenkomst in de akte inbreng door [partij A2 t\u002Fm A4] zijn gewaarborgd en dat ook niet gesteld of gebleken is dat [partij B] enig belang hebben bij het weerhouden van hun instemming. De rechtbank stelt daarom vast dat [partij A2 t\u002Fm A4] hun rechtsverhouding met [partij B] op grond van de gebruiksovereenkomst, via [partij A1] , hebben overgedragen aan KO Vastgoed.\n\nTekortkomingen in de nakoming van de gebruiksovereenkomst5.6. In deze zaak moet in conventie verder de vraag beantwoord worden of [partij B] tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst en of die tekortkomingen ertoe leiden dat KO Vastgoed gerechtigd was de gebruiksovereenkomst te ontbinden. De rechtbank overweegt vooropgesteld dat op grond van artikel 6:265 lid 1 BW iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.\n\n5.7. Omdat partijen op bepaalde onderdelen ook van mening verschillen over wat zij precies zijn overeengekomen in de gebruiksovereenkomst en hoe de bepalingen uit de betreffende overeenkomst uitgelegd moeten worden, zal de rechtbank daar in het navolgende op in gaan. Voor beantwoording van de vraag wat partijen in de gebruiksovereenkomst zijn overeengekomen gaat het niet om een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst, maar ook om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).\n\n5.8. De rechtbank zal hierna per gestelde tekortkoming (waar nodig) aan de hand van de Haviltex-maatstaf vaststellen wat de inhoud van de verplichtingen van partijen op grond van de gebruiksovereenkomst is, of [partij B] tekort zijn geschoten in de nakoming van die verplichting en, indien daarvan sprake is, of die tekortkoming in de nakoming van die verplichtingen uit de overeenkomst ook de ontbinding van de gebruiksovereenkomst rechtvaardigt.\n\nTekortkoming I: paardenboxen in de binnenbak en het houden van teveel paarden5.9. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] paardenboxen in de kleine binnenbak hebben geplaatst en daarin paarden houden. Volgens KO Vastgoed c.s. handelen [partij B] daarmee in strijd met de gebruiksovereenkomst omdat de binnenbak alleen bestemd is om paarden te rijden en niet om boxen in te plaatsen en paarden in te stallen. Dat betekent volgens KO Vastgoed c.s. dat zij de bestemming van de ruimte hebben gewijzigd terwijl dat niet is toegestaan. Ter onderbouwing verwijzen zij naar artikel 1.2 en 1.3 van de gebruiksovereenkomst (zoals hiervoor onder 3.2. is geciteerd), waaruit volgt dat het registergoed uitsluitend bestemd is om te worden gebruikt als ‘verblijfsruimte, binnenbak met stallen’en dat het gebruiker niet toegestaan is om een andere bestemming aan het registergoed te geven.\n\n5.10. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] op dit punt niet tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst. Zoals [partij B] hebben aangevoerd is de binnenbak in de jaren voorafgaand aan het sluiten van de gebruiksovereenkomst gedurende langere periodes, met plaatsing van boxen, gebruikt als stalruimte voor paarden en was die stalruimte bovendien bij het aangaan van de gebruiksovereenkomst ook aanwezig in de binnenbak. [partij B] hoefden daarom redelijkerwijs niet uit de tekst van de overeenkomst of de verklaringen en gedragingen van [partij A2 t\u002Fm A4] , af te leiden dat deze wijze van gebruik niet langer toegestaan zou zijn als gevolg van de gebruiksovereenkomst. Tussen partijen is ook niet in geschil dat het gebruiksrecht van [partij B] is ingegeven door de wens en de bedoeling van [partij B] om een deel van hun activiteiten, te weten het fokken en trainen van paarden, na de overdracht van de manege aan [partij A2 t\u002Fm A4] voort te zetten. Dan ligt het voor de hand dat het gebruik wordt voortgezet zoals ook voorafgaand aan het sluiten van de gebruiksovereenkomst plaatsvond. Dus met gebruik van de binnenbak als stalruimte. Niet gesteld of gebleken is dat partijen dat gebruik uitdrukkelijk hebben willen wijzigen. [partij B] zijn daarom op dit punt niet tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst.\n\n5.11. KO Vastgoed c.s. voeren verder aan dat [partij B] ook meer paarden houden dan is toegestaan op grond van de gebruiksovereenkomst. Volgens KO Vastgoed c.s. is het [partij B] toegestaan om maximaal 14 paarden of pony’s te houden omdat zij 14 stalplaatsen in gebruik heeft gekregen. De gebruiksovereenkomst gaat namelijk uit van ‘de vier voorste stallen en de tien sportboxen’. Het is voor KO Vastgoed c.s. van belang dat [partij B] niet meer paarden houden omdat er op basis van de milieuvergunning op de manege ruimte is voor 83 paarden of pony’s en KO Vastgoed c.s. in haar bedrijfsvoering wordt beperkt wanneer [partij B] meer paarden houden dan hen is toegestaan.\n\n5.12. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in de gebruiksovereenkomst niet expliciet een maximaal aantal te houden paarden zijn overeengekomen en dat daar ook niet over gesproken is. Partijen zijn het er over eens dat uit het beschikbare aantal stalplaatsen een maximum aantal paarden volgt, maar verschillen van mening over dat aantal. Volgens KO Vastgoed c.s. is dat 14 paarden of pony’s. Uit de brief van 12 december 2024 van [partij B] volgt dat dat aantal volgens hen 30 is omdat er ruimte is voor tien paarden in de sportboxen, vier paarden in de voorste stallen, acht paarden in de stallen in de binnenbak en acht paarden in de loopstal in de binnenbak.\n\n5.13. Naar het oordeel van de rechtbank mogen [partij B] op basis van de gebruiksovereenkomst 22 paarden of pony’s houden. Zoals hiervoor is overwogen zijn partijen geen maximum aantal paarden overeengekomen en komt wat zij zijn overeengekomen neer op wat zij redelijkerwijs uit de tekst van de overeenkomst en elkaars verklaring en gedragingen mochten afleiden. Omdat een optelsom van het fysieke aantal bestaande stalplaatsen uitkomt op 22, namelijk de tien sportboxen, de vier voorste stallen en de acht stallen in de binnenbak, gaat de rechtbank uit van een maximum van 22 paarden of pony’s. De rechtbank volgt [partij B] overigens niet in hun stelling dat zij ook nog acht plekken hebben in de loopstal die zij hebben gecreëerd in de binnenbak. Vaststaat namelijk dat partijen aanvankelijk een andere loopstal onder de gebruiksovereenkomst wilden brengen maar dat [partij A2 t\u002Fm A4] daarvan hebben afgezien en dat het gebruik van die loopstal uit de definitieve gebruiksovereenkomst is geschrapt. [partij B] voeren aan dat partijen daarom zijn overeengekomen dat [partij B] een nieuwe loopstal mochten creëren in de binnenbak, maar dat betwisten KO Vastgoed c.s. Omdat de loopstal niet meer in de definitieve gebruiksovereenkomst is opgenomen ligt het voor de hand dat partijen, in het geval dat zij overeen zijn gekomen dat er daarom een nieuwe loopstal in de binnenbak mocht worden gecreëerd, daarvoor een voorziening zouden hebben opgenomen in de gebruiksovereenkomst. Dat hebben zij niet gedaan.\n\n5.14. De rechtbank overweegt verder dat [partij B] op het moment van de buitengerechtelijke ontbinding 20 paarden of pony’s hielden. Omdat niet gesteld of gebleken is dat zij op dat moment meer paarden hielden dan het toegestane aantal van 22 zoals hiervoor is overwogen, zijn zij ook op dit onderdeel niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.\n\nTekortkoming II: het gebruik van de vier voorste stallen als opslag5.15. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] tekort zijn geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst omdat zij de voorste vier stallen gebruiken als opslag, terwijl deze alleen gebruikt zouden mogen worden als stalruimte en het huidige gebruik een rommelige indruk geeft van het terrein van KO Vastgoed.\n\n5.16. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor zover al zou moet worden aangenomen dat [partij B] bij het aangaan van de gebruiksovereenkomst hadden moeten begrijpen dat de vier voorste stallen alleen voor het stallen van paarden mochten worden gebruikt, geldt dat het gebruik van deze ruimtes als opslag voor paard en pony gerelateerde goederen, niet een zodanig ernstige schending van de gebruiksovereenkomst is dat het de ontbinding daarvan rechtvaardigt. KO Vastgoed c.s. hebben niet toegelicht of aannemelijk gemaakt dat KO Vastgoed van het gebruik enig nadeel ondervindt, dat het leidt tot schade aan haar onderneming of dat zij op andere wijze in haar belangen wordt geschaad.\n\nTekortkoming III: stalling paarden van derden, commerciële activiteiten5.17. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] niet alleen eigen paarden houden, maar ook paarden van derden stallen en een ‘all-in’ vergoeding vragen voor het verzorgen, trainen en stallen van die paarden. Volgens KO Vastgoed c.s. handelen zij daarmee in strijd met artikel 2.6 van de gebruiksovereenkomst omdat het registergoed volgens dat artikel alleen bestemd is voor eigen gebruik en het registergoed niet mag worden onderverhuurd. [partij B] betwisten niet dat zij paarden van derden trainen en stallen, maar betwisten wel dat dit in strijd is met de gebruiksovereenkomst. Volgens [partij B] zijn het eigen activiteiten die zij voor de overdracht van de onderneming ook al exploiteerden en dat zij met de gebruiksovereenkomst juist die activiteiten wilde voortzetten.\n\n5.18. KO Vastgoed c.s. voeren aan dat met ‘eigen gebruik’ zoals is opgenomen in artikel 2.6, ‘hobbymatig privé gebruik’ bedoeld is. Volgens KO Vastgoed c.s. was de insteek van de gebruiksovereenkomst dat [partij B] na hun pensioen hun commerciële activiteiten zouden staken en alleen hobbymatig paarden zouden houden, en dat het trainen en stallen van paarden van derden daar niet onder valt.\n\n5.19. Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.10 heeft overwogen, was het de bedoeling van [partij B] om, na de overdracht van de onderneming (de manege) een deel van hun activiteiten voort te zetten, te weten het fokken en trainen van eigen en sporadisch andermans paarden. Zij hebben onweersproken aangevoerd dat om fiscale redenen deze activiteit (het fokken en trainen van paarden) ‘in privé’ is gedaan, maar dat het altijd een commerciële activiteit is geweest en dat dit nog steeds zo is. Omdat ook al voor het aangaan van de gebruiksovereenkomst, weliswaar sporadisch, andermans paarden werden getraind, hoefden zij de woorden ‘eigen gebruik’, redelijkerwijs niet zo te begrijpen dat het na overdracht van de onderneming en het sluiten van de gebruiksovereenkomst niet langer toegestaan was andermans paarden te trainen. Het trainen, stallen en verzorgen van paarden van derden als één ‘all-in’ activiteit, valt naar het oordeel van de rechtbank onder eigen (commercieel) gebruik. Dat gebruik betreft dan ook niet het onderverhuren van stalruimte aan derden (zoals een pensionstal), wat volgens de gebruiksovereenkomst niet toegestaan is. KO Vastgoed c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling nog aangevoerd dat zij uit de mededelingen van [partij B] dat zij met pensioen gingen mochten afleiden dat zij alleen nog hobbymatig gebruik zouden maken van de stallen, maar die stelling stuit af tegen het feit dat (zoals hiervoor overwogen) de gebruiksovereenkomst is ingegeven door de bedoeling van [partij B] om hun al bestaande commerciële activiteiten voort te zetten.\n\nTekortkoming IV: verhuur van de verblijfsruimte aan [naam]5.20. KO Vastgoed c.s. voeren aan dat [partij B] in strijd met de gebruiksovereenkomst de verblijfsruimte hebben verhuurd aan [naam] (hierna: [naam] ), terwijl onderverhuur en permanente bewoning van de verblijfsruimte op grond van de gebruiksovereenkomst niet toegestaan is. [partij B] erkennen dat maar voeren aan dat zij daarvan ten tijde van de verhuur aan [naam] niet op de hoogte waren en dat zij na de sommatie van KO Vastgoed, de bewoning binnen de gestelde termijn hebben beëindigd en dat [naam] zich op een ander adres heeft ingeschreven. Ter onderbouwing verwijzen zij naar de brief van de gemeente Hardenberg waaruit volgt dat [naam] zich per 19 december 2024, dus voor het einde van de door KO Vastgoed gestelde termijn op 20 december 2024, heeft ingeschreven op een ander adres.\n\n5.21. De rechtbank oordeelt als volgt. Omdat [partij B] in strijd met de gebruiksovereenkomst de verblijfruimte aan [naam] hebben verhuurd zijn zij tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de gebruiksovereenkomst. Hoewel deze tekortkoming uit het verleden niet ongedaan kan worden gemaakt, rechtvaardigt deze tekortkoming - in het licht van de sommatie van KO Vastgoed en de door haar gestelde termijn, en de uitschrijving van [naam] voor het einde van de termijn - de ontbinding van de gebruiksovereenkomst niet.\n\nTekortkoming V: niet naleven van parkeerbeleid en oneigenlijk gebruik wegen5.22. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] het parkeerbeleid op het terrein van KO Vastgoed niet naleven en dat zij oneigenlijk gebruik van de toegangswegen maken door daar met zware machines overheen te rijden naar hun achterliggende percelen, terwijl die percelen ook op een andere manier kunnen worden bereikt.\n\n5.23. De rechtbank overweegt vooropgesteld dat in de gebruiksovereenkomst geen expliciete afspraken zijn gemaakt over het gebruik van de toegangswegen en het terrein van KO Vastgoed. Echter is niet in geschil dat een redelijke uitleg van de gebruiksovereenkomst meebrengt dat het gebruik van de toegangswegen en de parkeergelegenheden op het terrein van KO Vastgoed door [partij B] en door hen aangewezen derden, is toegestaan omdat het gebruiksrecht anders niet kan worden uitgeoefend. Omdat het terrein van KO Vastgoed is dienen [partij B] en de vanwege hen aanwezige derden, zich aan de op het terrein geldende regels te houden, zoals het parkeerbeleid. Voorstelbaar is dan ook dat het structureel niet naleven van het parkeerbeleid en de andere op het terrein geldende regels kan leiden tot een grond voor ontbinding van de overeenkomst. De rechtbank overweegt verder dat uit de stellingen en door KO Vastgoed c.s. overgelegde stukken kan worden afgeleid dat overtredingen van het parkeerbeleid hebben plaatsgevonden. Dat is door [partij B] ook niet weersproken. Omdat de overtredingen van het parkeerbeleid incidenteel hebben plaatsgevonden en [partij B] tijdens de mondelinge behandeling het belang van de verkeersregels en het parkeerbeleid hebben erkend en hebben aangegeven zich daaraan (strikt) te zullen houden, rechtvaardigen die overtredingen niet de ontbinding van de gebruiksovereenkomst.\n\n5.24. KO Vastgoed c.s. stellen ook dat [partij B] zonder toestemming met zware landbouwvoertuigen over de toegangswegen van KO Vastgoed rijden om bij hun achterliggende percelen te komen. De rechtbank overweegt hierover dat de achterliggende percelen van [partij B] geen onderdeel zijn van de gebruiksovereenkomst en daarmee ook geen verband houden. Hoewel KO Vastgoed als eigenaar van de toegangswegen het (onnodig) gebruik daarvan kan verbieden, houdt dat geen verband met de gebruiksovereenkomst zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.\n\nTekortkoming VI: niet houden aan rookbeleid5.25. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] zich niet houden aan het rookbeleid op het terrein en in de stallen hebben gerookt. [partij B2] erkent dat hij in de stal heeft gerookt, maar voert aan dat hij zich, nadat hij daarop is aangesproken, aan het rookbeleid houdt.\n\n5.26. Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.23 heeft geoordeeld brengt een redelijke uitleg van de gebruiksovereenkomst met zich mee dat [partij B] zich aan de door KO Vastgoed gestelde regels op het terrein dienen te houden, waaronder het rookbeleid. Ook hiervoor geldt dat het structureel niet naleven van dit beleid op enig moment de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. Nu is alleen komen vast te staan dat er incidenteel door [partij B2] in de stal is gerookt. Er is niet komen vast te staan dat hij dat nog heeft gedaan nadat hij daarop is aangesproken. De overtreding van het rookbeleid is daarom onvoldoende ernstig om ontbinding van de gebruiksovereenkomst te rechtvaardigen.\n\nTekortkoming VII: gebruik zaken van KO Vastgoed5.27. KO Vastgoed c.s. stellen dat [partij B] onrechtmatig gebruik maken van machines van KO Vastgoed en dat zij zich daarom niet gedragen op een wijze die van hen mag worden verwacht op basis van de gebruiksovereenkomst. [partij B] voeren aan dat partijen in de gebruiksovereenkomst niets zijn overeengekomen over het gebruik van machines, maar dat zij over en weer elkaars machines gebruikten en dat [partij B] ook een onkostenvergoeding voor dat gebruik betaalden. Verder hebben zij ter zitting aangevoerd dat zij inmiddels geen gebruik meer maken van de zaken van KO Vastgoed.\n\n5.28. De rechtbank oordeelt als volgt. Nu over het gebruik van machines geen afspraken zijn gemaakt in de gebruiksovereenkomst, is gebruik zonder toestemming niet aan te merken als schending van verplichtingen uit die overeenkomst, en kan dat niet leiden tot ontbinding van die overeenkomst.\n\nAfwijzing vorderingen in conventie5.29. Gelet op het voorgaande zijn [partij B] op de belangrijkste punten niet tekort geschoten in de nakoming van de gebruiksovereenkomst. Zij zijn op enkele punten wel tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen op grond van de gebruiksovereenkomst, maar die tekortkomingen rechtvaardigen niet de ontbinding van de gebruiksovereenkomst omdat zij slechts incidenteel of gering van aard waren. Dat betekent dat de buitengerechtelijke ontbinding van de gebruiksovereenkomst door KO Vastgoed (c.s.) geen effect heeft gehad. De gevorderde verklaringen voor recht en de subsidiaire vordering tot ontbinding van de overeenkomst worden daarom afgewezen. Omdat de gebruiksovereenkomst tussen partijen blijft bestaan, zullen ook de vorderingen tot ontruiming en tot het opleggen van een verbod om het perceel van KO Vastgoed te betreden, worden afgewezen.\n\nProceskosten in conventie5.30. KO Vastgoed c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij B] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.209,00\n\nin reconventie\n\n5.31. In reconventie moet de vraag beantwoord worden of [partij A3] en [partij A4] c.s., althans KO Vastgoed c.s., een bedrag van € 66.422,95 aan [partij B] verschuldigd zijn voor ten onrechte in gebruik genomen spanten.\n\n5.32. \n [partij B] voeren aan dat zij in 2008 (gebruikte) houten spanten hebben gekocht en op het terrein van de manege hebben opgeslagen. Volgens [partij B] maakten die spanten geen deel uit van de roerende zaken die door [partij A2 t\u002Fm A4] zijn gekocht bij de bedrijfsovername en zijn die daarom nog eigendom van [partij B] Ter onderbouwing verwijzen zij naar een inboedellijst die onderdeel vormt van de koopovereenkomst, waar de spanten niet in zijn opgenomen. Omdat KO Vastgoed de spanten heeft gebruikt voor de bouw van een schuur moet daarvoor een vergoeding betaald worden, aldus [partij B]\n\n5.33. De rechtbank is van oordeel dat KO Vastgoed de spanten in eigendom heeft verkregen en overweegt daartoe als volgt. Uit artikel 1 van de koopovereenkomst tussen [partij A2 t\u002Fm A4] en [partij B] volgt dat alle roerende zaken aan [partij A2 t\u002Fm A4] zijn overgedragen. Daarnaast zijn de roerende zaken die niet onder de koopovereenkomst vallen, expliciet benoemd in artikel 12 lid 2 van de koopovereenkomst. Verder is uit de bewoordingen van artikel 12 lid 1 af te leiden dat, hoewel er lijsten van de over te nemen roerende zaken zijn opgesteld, die lijsten niet volledig beogen te zijn. In artikel 12.1 is opgenomen dat ondermeerin eigendom wordt overgedragen de roerende zakenzoals bij partijen bekend. KO Vastgoed c.s. hebben onbetwist aangevoerd dat partijen die bewoordingen hebben gebruikt omdat zij beoogden alle roerende zaken over te dragen, met uitzondering van de roerende zaken in artikel 12 lid 2. In de lijsten bij de koopovereenkomst hebben zij al zoveel mogelijk de bekende roerende zaken opgesomd die in ieder geval onder de koopovereenkomst zouden vallen, zonder dat zij daarmee beoogden een uitputtende lijst op te stellen. Tussen partijen is ook niet in geschil dat er meerdere voorbeelden zijn van roerende zaken die niet op de betreffende lijsten staan maar wel onder de verkoop vallen. Omdat partijen beoogden alle roerende zaken over te dragen met uitzondering van de in artikel 12 lid 2 van de koopovereenkomst opgesomde zaken en de spanten niet in artikel 12 lid 2 zijn opgenomen, moet worden aangenomen dat de spanten tijdens de bedrijfsovername aan [partij A2 t\u002Fm A4] zijn overgedragen en zij die dus in eigendom hebben verkregen. Die zaken hebben zij op hun beurt weer overgedragen aan KO Vastgoed. Omdat de spanten geen eigendom van [partij B] meer waren, is KO Vastgoed geen vergoeding verschuldigd voor het gebruik daarvan. De vordering in reconventie wordt daarom afgewezen.\n\nProceskosten in reconventie5.34. \n [partij B] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van KO Vastgoed c.s. worden begroot op:\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.495,00\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie\n\n6.1. wijst de vorderingen van KO Vastgoed c.s. af,\n\n6.2. veroordeelt KO Vastgoed c.s. in de proceskosten van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als KO Vastgoed c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin reconventie\n\n6.3. wijst de vorderingen van [partij B] af,\n\n6.4. veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\nin conventie en reconventie\n\n6.5. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.(mb)\n\n O.a. Hoge Raad 23 april 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2897, NJ 1999,497.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3804","ecli-nl-rbove-2026-3804",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]