[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2023-9325":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2023-9325":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"999","ECLI:NL:RBROT:2023:9325","",61,"Rotterdam","rotterdam","2023-10-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK ROTTERDAM\n\nlocatie Rotterdam\n\nzaaknummer: 10425701 CV EXPL 23-9386\n\ndatum uitspraak: 6 oktober 2023\n\nVonnis van de kantonrechter\n\nin de zaak van\n\n1. Vereniging van Eigenaren gebouw [straatnaam01] 18ab te Rotterdam,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\n2. [eiser01],\n\n3. [eiser02],\n\n4. [eiser03],\n\nwoonplaats: Rotterdam,\n\neisers,\n\ngemachtigde: mr. J. Postma,\n\ntegen\n\nVereniging van eigenaren bergingen en parkeerplaatsen\n\naan [straatnaam01] (ongenummerd) te Rotterdam,\n\nvestigingsplaats: Schiedam,\n\ngedaagde,\n\ngemachtigde: mr. A.J.C. Goldhoorn.\n\nDe partijen worden hierna ‘VvE Gebouw’, ‘ [eiser01] ’, ‘ [eiser02] ’, ‘ [eiser03] ’ en ‘VvE Parkeerplaatsen’ genoemd. Eisers sub 2 tot en met 4 worden gezamenlijk ‘ [eiser01] c.s.’ genoemd.\n\n1. De procedure1.1.. \nHet dossier bestaat uit de volgende processtukken:\n\nde dagvaarding van 27 maart 2023, met bijlagen;\n\nhet antwoord, met een bijlage;\n\nde akte eisvermeerdering en overlegging productie van eisers;\n\nde nadere productie van eisers;\n\nde spreekaantekeningen van de gemachtigde van eisers.\n\n1.2.. \nOp 6 september 2023 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser01] en [eiser02] , bijgestaan door mr. Postma. Namens VvE Parkeerplaatsen was aanwezig de heer [naam01] , bijgestaan door mr. Goldhoorn.\n\n2. De beoordeling\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n2.1.. \nHet geschil tussen partijen draait om het gebruik van een toegangspoort. Aan de [straatnaam01] 18 in Rotterdam staat een gebouw, dat is gesplitst in vier appartementsrechten. Op de begane grond ( [straatnaam01] 18B) is altijd een toegangspoort aanwezig geweest, die toegang geeft tot het achter het gebouw gelegen terrein. Dit is het appartementsrecht met index 1. De tweede, derde en vierde verdieping van het gebouw zijn woonappartementen (index 2, 3 en 4). Op de eerste verdieping woont [eiser01] , op de tweede verdieping [eiser02] en op de derde verdieping [eiser03] . Het appartementsrecht met index 1 is eigendom van VvE Parkeerplaatsen.\n\n2.2.. \nHet appartementsrecht met index 1 geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van ‘de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren’. De appartementsrechten met de indices 2 tot en met 4 worden in datzelfde artikel omschreven als ‘woning’. In de splitsingsakte is vervolgens bepaald dat de bestemming van de appartementsrechten zijn ‘poort’ (index 1) en ‘woning voor privé-doeleinden’ (indices 2 tot en met 4).\n\n2.3.. \nTot 2016 werd de ‘poort’ gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door deze deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [eiser01] heeft veelvuldig contact gezocht met de bestuurder van VvE Parkeerplaatsen, de heer [naam01] (hierna [naam01] ), over de geluidsoverlast.\n\n2.4.. \nVvE Gebouw heeft onderzoek laten doen naar de mechanische roldeur door Strooming. Op 21 september 2021 is dit onderzoek uitgevoerd. Strooming concludeert dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [eiser01] en [eiser02] bij gebruik van de roldeur de normwaarde van 30 dB(A) steeds overschrijdt. De grenswaarde in de nacht bedraagt 25 dB(A). Strooming doet een aantal aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit stelt, namelijk:\n\nhet verbeteren van de ophang- en montageconstructie van de overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Strooming geeft in overweging om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen waarin de deur kan worden gehangen, zodat geen sprake meer is van contact met wanden of plafond;\n\nhet aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor;\n\nhet aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond;\n\nhet afstellen van de deurdranger en zo nodig gebruiken van een aanslagrubber bij de loopdeur.\n\nWelke vorderingen zijn (primair) ingesteld door eisers?\n\n2.5.. \nEisers willen dat VvE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming uitvoert en daarna laat onderzoeken of wel wordt voldaan aan de geluidsnormen. Enerzijds vorderen zij dat op basis van onrechtmatige hinder\u002Fonrechtmatige daad, anderzijds menen zij dat [naam01] heeft toegezegd deze werkzaamheden door VvE Parkeerplaatsen uit te laten voeren en vorderen zij nakoming van die afspraak. VvE Parkeerplaatsen betwist dat sprake is van een afspraak. Zij is op zich bereid om de werkzaamheden te laten uitvoeren, maar meent dat eerst moet worden beoordeeld of het gebouw zelf niet (mede) debet is aan de geluidsoverlast die [eiser01] c.s. ervaren, zodat voorkomen wordt dat achteraf blijkt dat aanpassingen aan de poort het probleem niet wegnemen.\n\n2.6.. \nEisers willen daarnaast dat de kantonrechter voor recht verklaart dat het gebruik dat nu wordt gemaakt van het achter de poort gelegen terrein in strijd is met het gebruik zoals dat is voorgeschreven in de splitsingsakte en bijbehorende splitsingstekening. Zij vorderen een aan VvE Parkeerplaatsen op te leggen gebod om de poort alleen te (laten) gebruiken om naar de achterliggende plaats te komen, in plaats van naar de parkeerplaatsen met bergingen.\n\n2.7.. \nOok is er nog een geschil over een geluidsalarm dat VvE Parkeerplaatsen heeft aangebracht en dat voor geluidsoverlast zorgt. Eisers vorderen dat het VvE Parkeerplaatsen wordt verboden om een geluidsalarm te gebruiken in de poort, althans dat het VvE Parkeerplaatsen wordt geboden een stil alarm te gebruiken.\n\nIs de kantonrechter bevoegd?\n\n2.8.. \nBij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen gesproken over de bevoegdheid van de kantonrechter in deze zaak. VvE Gebouw heeft toegelicht dat de kosten voor aanpassing van de poort conform het rapport van Strooming tussen de € 5.000,- en € 10.000,- zouden bedragen; daarom is de kantonrechter bevoegd om over die vordering te oordelen. Voor zover er dwangsommen worden gevorderd, moeten die vorderingen zo worden begrepen dat het maximum van alle dwangsommen samen en de waarde van de vorderingen (inclusief buitengerechtelijke kosten) in totaal een bedrag van € 25.000,- niet zullen (mogen) overstijgen. VvE Parkeerplaatsen is akkoord gegaan met deze uitleg van de vorderingen van VvE Gebouw. De kantonrechter heeft toegelicht dat zij ook zal beslissen op de gevorderde verklaring voor recht, nu deze verknocht is met de overige vorderingen en het onwenselijk is om de zaak voor alleen die vordering te verwijzen naar de sector civiel van de rechtbank.\n\nIs sprake van onrechtmatige hinder en wie mag hierover vorderingen instellen?\n\n2.9.. \nUit diverse arresten van de Hoge Raad, waaronder dat van 15 februari 1991 (NJ 1992, 639;\n\nAalscholvers) volgt dat de beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, afhangt van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Bij de verdere omstandigheden van het geval moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.\n\n2.10.. \nDe kantonrechter oordeelt dat in dit geval sprake is van onrechtmatige hinder, die door het gebruik van de mechanische roldeur wordt toegebracht aan [eiser01] c.s. [eiser01] c.s. hoeven niet te dulden dat in hun woon- en slaapkamer, de belangrijkste vertrekken in een woning, sprake is van een voortdurende overschrijding van de normwaardes voor geluid. Hier is geen sprake van een situatie waarin af en toe, op gezette tijden, het geluidsniveau een keer wordt overschreden, maar van een overschrijding die zich dag in dag uit, op alle uren van de dag en nacht, voordoet of kan voordoen.\n\n2.11.. \nUit het rapport van Strooming volgt dat VvE Parkeerplaatsen maatregelen kan nemen om de geluidsoverlast weg te nemen, althans te beperken. Deze maatregelen zijn niet erg ingrijpend en ook niet bijzonder kostbaar. In de gegeven omstandigheden kan van VvE Parkeerplaatsen worden verwacht dat zij die maatregelen neemt om de hinder te beperken. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van VvE Parkeerplaatsen dat eerst naar de staat van het gebouw moet worden gekeken. Ten eerste is het VvE Parkeerplaatsen die op een bepaalde manier gebruik wil (en moet) maken van de poort en daarbij is het haar verantwoordelijkheid om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat geen hinder wordt veroorzaakt, ook als zoals in dit geval sprake is van een oud gebouw. Pas als sprake zou zijn van gebreken aan het gebouw waarvan evident is dat deze door toedoen van VvE Gebouw of een van de individuele appartementseigenaren zijn ontstaan, zou er reden kunnen zijn om die gebreken eerst door een ander dan door VvE Parkeerplaatsen te laten herstellen. VvE Parkeerplaatsen heeft echter onvoldoende gesteld en onderbouwd om aan te nemen dat daarvan sprake is. De enkele stelling dat sprake is van een oud gebouw is onvoldoende.\n\n2.12.. \nOok aan de stelling van VvE Parkeerplaatsen dat Strooming ten onrechte zou hebben getoetst aan de eisen voor nieuwbouw in het Bouwbesluit in plaats van aan de eisen van bestaande bouw, gaat de kantonrechter voorbij. Het had op de weg van VvE Parkeerplaatsen gelegen om dan toe te lichten welke norm dan wel van toepassing is en dat daaruit zou volgen dat geen sprake is van overschrijding van die norm, bij de door Strooming gemeten geluidsniveaus. Dat heeft zij echter niet gedaan. Met de blote stelling van VvE Parkeerplaatsen kan de kantonrechter niets.\n\n2.13.. \nDe kantonrechter is, met VvE Parkeerplaatsen, van oordeel dat een vordering op basis van onrechtmatige hinder die zich voordoet in de privégedeeltes van [eiser01] c.s. niet kan worden ingesteld door VvE Gebouw. De Rechtbank Den Haag overweegt in haar vonnis van 11 mei 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:4477) hierover dat een VvE op grond van artikel 5:126 lid 5 BW binnen de grenzen van haar bevoegdheid de gezamenlijke eigenaren in en buiten rechte kan vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigingsbevoegdheid betreft echter niet de privégedeelten (Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:4794). Dit betekent dat VvE Gebouw geen eigen belang heeft bij de vorderingen die zien op de onrechtmatige hinder die zich voordoet in de woningen van [eiser01] c.s. Voor zover de vorderingen op die grondslag zijn ingesteld, is VvE Gebouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen. [eiser01] c.s. zijn wel ontvankelijk in hun vorderingen met als grondslag onrechtmatige hinder.\n\nWat moet VvE Parkeerplaatsen doen tegen de geluidsoverlast?\n\n2.14.. \n[eiser01] c.s. hebben hun vorderingen tegen VvE Parkeerplaatsen deels en\u002Fof mede gebaseerd op een afspraak die zij stellen te hebben gemaakt met [naam01] , als bestuurder van VvE Parkeerplaatsen. Hij zou hebben toegezegd om de mechanische roldeur te laten aanpassen en om akoestische en thermische isolatie te laten aanbrengen op de verdiepingsvloer van het gebouw. De kantonrechter volgt [eiser01] c.s. hierin niet. In zijn e-mail van 24 februari 2022 doet [naam01] een voorstel. [eiser03] reageert daar vervolgens diezelfde dag op, maar zij accepteert het voorstel niet. Los van de vraag of [naam01] al dan niet terecht een voorwaarde aan het aanbod (namens VvE Parkeerplaatsen) heeft verbonden, staat vast dat geen sprake is geweest van een aanbod van VvE Parkeerplaatsen dat vervolgens binnen een redelijke termijn door VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. is geaccepteerd, zodat geen overeenkomst tot stand is gekomen die inhoudt dat VvE Parkeerplaatsen bepaalde werkzaamheden zal laten uitvoeren. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op die gestelde afspraak, zullen die dan ook worden afgewezen.\n\n2.15.. \nVvE Parkeerplaatsen zal worden veroordeeld om de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van Strooming (zie onder 2.4) op te volgen. VvE Parkeerplaatsen is bereid om die werkzaamheden te laten uitvoeren en zij heeft niet gesteld dat deze werkzaamheden geen effect zullen hebben. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan het uitvoeren van de werkzaamheden de voorwaarde te verbinden dat eerst moet worden beoordeeld of het gebouw nog aanpassingen nodig heeft. VvE Parkeerplaatsen heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat eerst andere werkzaamheden nodig zijn voordat de aanbevelingen van Strooming worden opgevolgd. Omdat het gaat om aanpassingen aan het privégedeelte van VvE Parkeerplaatsen, is het ook volledig aan VvE Parkeerplaatsen om ervoor te zorgen dat de aanbevolen werkzaamheden worden uitgevoerd. Dat bij andere werkzaamheden kosten (zouden) worden verdeeld in strijd met de voorschriften van de splitsingsakte, doet daar niet aan af. ‘Willekeur’ ten aanzien van de kosten is geen juridisch verweer tegen de gevorderde veroordeling om deze werkzaamheden te laten uitvoeren.\n\n2.16.. \nVvE Parkeerplaatsen heeft geen verweer gevoerd tegen de door eisers genoemde termijn van vier weken na datum uitspraak voor uitvoering van die werkzaamheden. Deze termijn komt de kantonrechter ook niet onredelijk voor, zodat die vordering (voor zover ingesteld door [eiser01] c.s.) toewijsbaar is. De dwangsom wordt gematigd tot € 500,- per dag en gelet op de gewijzigde eis (zie onder 2.8) toegewezen tot een maximum van € 15.000,-, uitgaande van herstelkosten van € 10.000,-.\n\n2.17.. \nDe vordering tot het aanbrengen van akoestische en thermische isolatie wordt afgewezen, nu deze alleen is gebaseerd op de stelling dat sprake is van een overeenkomst tussen VvE Parkeerplaatsen en VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. overeenkomstig het voorstel van [naam01] van 24 februari 2022. Hiervoor is al geoordeeld dat van zo’n overeenkomst geen sprake is.\n\n2.18.. \nDe vordering die inhoudt dat VvE Parkeerplaatsen na uitvoering van de werkzaamheden een deskundige het geluidsniveau moet laten controleren en meten, zal worden afgewezen. Uit niets volgt dat op VvE Parkeerplaatsen de verplichting rust om zo’n controle uit te voeren. Als [eiser01] c.s. na uitvoering van de werkzaamheden menen dat nog steeds sprake is van onrechtmatige hinder, is het aan hen om die stelling dan (weer) handen en voeten te geven.\n\n2.19.. \nOmdat de primaire vordering van [eiser01] c.s. tot het aanpassen van de mechanische roldeur (groten)deels wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan de subsidiaire eis die inhoudt dat de wijzigingen aan de poort ongedaan moeten worden gemaakt.\n\nMoet VvE Parkeerplaatsen op een andere (beperktere) manier gebruik maken van de poort?\n\n2.20.. \nEisers menen dat de splitsingsakte zo moet worden uitgelegd dat de poort alleen mag worden gebruikt om naar de direct achterliggende plaats te gaan, gelegen op perceel Y4317. Het gebruik zou niet inhouden dat de poort toegang moet verlenen aan het achterliggende perceel Y4464, waarop de parkeerplaatsen en bergingen zijn gelegen. Dit zou bedrijfsmatig of commercieel gebruik zijn.\n\n2.21.. \nZowel VvE Gebouw als [eiser01] c.s. zijn ontvankelijk in deze vorderingen, die zien op een uitleg van de splitsingsakte. Dit zijn vorderingen die zien op de belangen van de gezamenlijke eigenaren, zodat VvE Gebouw binnen de grenzen van haar bevoegdheid blijft als zij deze namens de gezamenlijke eigenaren instelt. De machtiging die nodig is voor het instellen van rechtsvorderingen is in ieder geval in de vergadering van eigenaars van 29 augustus 2023 verleend. De tekst van de notulen is voldoende duidelijk: de machtiging geldt voor alle vorderingen die zijn ingesteld en voor de vorderingen die in de akte vermeerdering van eis zijn opgenomen. VvE Parkeerplaatsen beroept zich erop dat deze stukken geen onderdeel zouden zijn geweest van de vergaderstukken. VvE Parkeerplaatsen laat echter na om hieraan enige juridische consequentie te verbinden. De kantonrechter gaat daarom uit van het genomen besluit, zodat VvE Gebouw ontvankelijk wordt geacht. Nu de vorderingen ook de (individuele) belangen van [eiser01] c.s. betreffen, hebben zij een eigen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Ook zij zijn daarom ontvankelijk. Uit niets volgt dat een individuele appartementsrechteigenaar niet zelf een vordering als deze kan instellen.\n\n2.22.. \nBij de uitleg van wat moet worden verstaan onder het uitsluitend gebruik van een gedeelte van een onroerende zaak die is gesplitst in appartementsrechten, is bepalend wat daarover is vastgelegd in de desbetreffende splitsingsstukken, dat wil zeggen de akte en de daaraan gehechte tekening (zie het arrest van de Hoge Raad van 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5223). Bij de uitleg van die stukken komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte van de verschillende gedeelten van het gebouw en uit de daaraan gehechte tekening, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte en de tekening (zie het arrest van de Hoge Raad van 22 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8933).\n\n2.23.. \nDe splitsingsakte bepaalt over het gebruik van de poort niet meer dan dat deze als poort moet worden gebruikt. Noch uit de akte, noch uit de splitsingstekening blijkt dat dit gebruik op enige manier beperkt is, in die zin dat de poort alleen mag worden gebruikt als toegang naar de achterliggende plaats op perceel Y4317. De omschrijving van het appartementsrecht met index 1 is weliswaar ‘poort met achterliggende plaats en verder toebehoren’, maar dit zegt alleen iets over de omvang van het appartementsrecht, niet over waar de poort voor gebruikt mag worden. Uit de in deze procedure overgelegde plattegronden volgt dat de poort de enige toegang is tot het achtergelegen terrein dat (nu) voor parkeerplaatsen en bergingen wordt gebruikt. Een objectieve uitleg van de akte houdt in dat de poort, zonder beperking, mag worden gebruikt als toegang tot dit achterliggende terrein.\n\n2.24.. \nDat sprake is van onrechtmatige hinder, maakt niet dat sprake is van gebruik in strijd met de splitsingsakte en\u002Fof het toepasselijke reglement. Welk gebruik gemaakt mag worden van een appartementsrecht, wordt bepaald door de omschrijving. In geval van hinder kan een eigenaar daarop worden aangesproken, maar niet op de manier en met een vordering zoals dat nu door eisers is gedaan.\n\n2.25.. \nDe kantonrechter oordeelt dan ook dat het gebruik dat VvE Parkeerplaatsen maakt van de poort, althans laat maken, niet in strijd is met de splitsingsakte. De door eisers gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. Het gevorderde gebod om de poort alleen te (laten) gebruiken om naar de achterliggende plaats te gaan en het verbod om de poort te (laten) gebruiken om naar de parkeerplaatsen en bergingen te komen en te gaan, wordt ook afgewezen, nu dit is gebaseerd op dezelfde – onjuiste – veronderstelling.\n\n2.26.. \nOmdat het gebruik dat VvE Parkeerplaatsen van de poort maakt conform de splitsingsakte is en daarin geen beperkingen staan, is ook de subsidiaire vordering tot het opleggen van een gebod de poort enkel te gebruiken tussen 7.00 uur en 20.00 uur niet toewijsbaar. Daarvoor biedt de splitsingsakte geen enkele grondslag. Voor zover de vordering is gebaseerd op onrechtmatige hinder, is de primaire vordering tot aanpassing van de roldeur (groten)deels toegewezen en komt de kantonrechter daarom niet meer toe aan de subsidiaire vordering tot beperking van het gebruik.\n\nMag VvE Parkeerplaatsen het geluidsalarm blijven gebruiken?\n\n2.27.. \nDe kantonrechter oordeelt dat uit de stellingen van eisers voldoende blijkt dat het geluidsalarm dat in de poort is aangebracht voor hinder zorgt en wel zodanige hinder, dat die onrechtmatig is in de zin van artikel 5:37 BW. Omdat het hier gaat om hinder die in de privégedeelten wordt ervaren door [eiser01] c.s., geldt ook hier dat VvE Gebouw niet-ontvankelijk is in deze vordering. [eiser01] c.s. zijn wel ontvankelijk.\n\n2.28.. \nVvE Parkeerplaatsen heeft onvoldoende weersproken dat sprake is van (onrechtmatige) hinder. Zij heeft alleen gesteld dat eerst moet worden gekeken naar geluidsisolatie van het gebouw. De kantonrechter passeert dat verweer. Vast staat dat sprake is van een alarmsysteem dat regelmatig afgaat en dat niet door [eiser01] c.s. kan worden uitgezet. Er is niet steeds (of zelfs nooit) iemand aanwezig namens VvE Parkeerplaatsen om het alarm uit te zetten als het afgaat. Dit is hinder die [eiser01] c.s. niet hoeven te dulden. VvE Parkeerplaatsen heeft niet gesteld dat er iets aan in de weg staat om een stil alarm te installeren. VvE Parkeerplaatsen kan ook voor een andere oplossing kiezen, zolang de hinder maar wordt beëindigd. De vordering van [eiser01] c.s. voor zover die inhoudt dat het VvE Parkeerplaatsen wordt verboden een geluidsalarm in de poort te gebruiken, wordt daarom toegewezen. Dit verbod gaat, om VvE Parkeerplaatsen tijd te geven kennis te nemen van dit vonnis en het alarm uit te schakelen, in op dinsdag 10 oktober 2023 om 0.00 uur ’s nachts (wat dus betekent dat het alarm op 10 oktober al niet meer gebruikt mag worden). De dwangsom wordt ook hier gematigd tot € 500,- per dag en gelet op de gewijzigde eis (zie onder 2.8) toegewezen tot een maximum van € 15.000,-. Het totaal van alle dwangsommen die in dit vonnis worden toegewezen, zal dit bedrag van € 15.000,- ook niet mogen overschrijden.\n\nWie draagt de kosten voor het onderzoek van Strooming?\n\n2.29.. \nDe vordering van eisers om VvE Parkeerplaatsen te veroordelen de kosten van het rapport van Strooming à € 1.754,- te betalen, wordt afgewezen. Er is geen sprake van een overeenkomst tussen partijen op basis waarvan VvE Parkeerplaatsen die kosten moet betalen. [naam01] heeft op enig moment wel een voorstel gedaan om een onderzoek te laten uitvoeren op basis van ‘kosten ongelijk’, maar dat aanbod is toen niet binnen een redelijke termijn door VvE Gebouw en\u002Fof [eiser01] c.s. geaccepteerd. Eisers kunnen niet op basis van dit (niet-geaccepteerde) voorstel op een veel later moment alsnog onderzoek laten uitvoeren en de kosten vervolgens bij VvE Parkeerplaatsen in rekening brengen.\n\n2.30.. \nDe kosten kunnen ook niet op basis van artikel 6:96 lid 2 sub b BW voor rekening van VvE Parkeerplaatsen worden gebracht. Dat heeft een juridische reden. Kosten als deze kunnen voor rekening van de schadeveroorzakende partij worden gebracht, maar dan moet wel sprake zijn van aansprakelijkheid jegens de partij die de kosten vordert. In dit geval zijn de kosten blijkens de nota van Strooming gemaakt door VvE Gebouw. Hiervoor is echter geoordeeld dat VvE Gebouw niet-ontvankelijk is in haar vorderingen jegens VvE Parkeerplaatsen voor zover die zijn gebaseerd op onrechtmatige hinder. Het rapport is nu juist bedoeld om de aansprakelijkheid van VvE Parkeerplaatsen op basis van onrechtmatige hinder vast te stellen. Er is wel sprake van onrechtmatige hinder jegens [eiser01] c.s., maar zij hebben geen kosten gemaakt voor het onderzoek door Strooming. Uit niets is gebleken dat [eiser01] c.s. deze kosten (alsnog) voor hun rekening hebben genomen. Daarom kan ten aanzien van hen deze vordering niet worden toegewezen.\n\nBuitengerechtelijke incassokosten\n\n2.31.. \nVoor de buitengerechtelijke kosten geldt hetzelfde als voor de kosten van het rapport van Strooming. Alleen jegens [eiser01] c.s. wordt een deel van de vorderingen toegewezen. Niet gebleken is echter dat in opdracht en voor rekening van [eiser01] c.s. buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Daarom ontbreekt de grondslag voor de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en wordt deze vordering afgewezen.\n\nProceskosten\n\n2.32.. \nVvE Gebouw is deels niet-ontvankelijk en voor het overige worden haar vorderingen afgewezen. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om VvE Gebouw in zoverre in de proceskosten te veroordelen, dat zij aan VvE Parkeerplaatsen aan salaris voor de gemachtigde een bedrag van € 199,- dient te vergoeden (1 punt × € 199,-). [eiser01] c.s. en VvE Parkeerplaatsen worden over en weer in het ongelijk gesteld, zodat de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om te bepalen dat VvE Parkeerplaatsen niet hoeft bij te dragen in de proceskostenveroordeling via haar VvE-bijdrage. De kantonrechter meent dat daarvoor alleen plaats is in geval van ernstige tekortkomingen in de procesvoering en\u002Fof misbruik van procesrecht en daarvan is niet gebleken, ondanks de uitkomst voor VvE Gebouw.\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n2.33.. \nDit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv). Van [eiser01] c.s. kan niet worden verwacht dat zij een eventueel hoger beroep afwachten voordat aanpassingen aan de poort worden gedaan. Daarvoor vindt de kantonrechter de hinder die [eiser01] c.s. ondervinden te ernstig.\n\n3. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\nTen aanzien van de vorderingen van VvE Gebouw:\n\n3.1.. \nverklaart VvE Gebouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen sub I, II en IV;\n\n3.2.. \nwijst de primaire vorderingen sub IIA en III en de subsidiaire vordering sub VI af.\n\nTen aanzien van de vorderingen van [eiser01] c.s.:\n\n3.3.. \nveroordeelt VvE Parkeerplaatsen om binnen vier weken na dit vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming (productie 16 bij dagvaarding, onderdeel VIII) volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat VvE parkeerplaatsen niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 15.000,-, met inachtneming van het bepaalde onder 3.5;\n\n3.4.. \nverbiedt VvE Parkeerplaatsen om met ingang 10 oktober 2023 0.00 uur een geluidsalarm te gebruiken of in de poort, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat VvE parkeerplaatsen niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 15.000,-, met inachtneming van het bepaalde onder 3.5;\n\n3.5.. \nbepaalt dat het totaal aan dwangsommen als toegewezen onder 3.3 en 3.4 maximaal € 15.000,- bedraagt;\n\n3.6.. \nwijst de primaire vorderingen sub II, IIA en III en de subsidiaire vordering sub VI af;\n\nTen aanzien van de vorderingen van VvE Gebouw en [eiser01] c.s.\n\n3.7.. \nveroordeelt VvE Gebouw in de proceskosten, die aan de kant van VvE Parkeerplaatsen tot vandaag worden vastgesteld op € 199,- en compenseert de proceskosten verder in die zin dat partijen voor het overige de eigen kosten dragen;\n\n3.8.. \nverklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.9.. \nwijst al het andere af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken.\n\n51909","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2023:9325","ecli-nl-rbrot-2023-9325",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]