[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-3552":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-3552":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"933","ECLI:NL:RBROT:2026:3552","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-04-01T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK ROTTERDAM\n\nTeam handel en haven\n\nzaaknummer \u002F rolnummer: C\u002F10\u002F696853 \u002F HA ZA 25-280\n\nVonnis van 1 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\neiseres,\n\nadvocaat mr. G.J. de Jongste te Rotterdam,\n\ntegen\n\n1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid\n\nHUISARTSENPRRAKTIJK [naam 1] B.V.\n\ngevestigd te Papendrecht,\n\n2. de naamloze vennootschap\n\nVvAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,\n\ngevestigd te Utrecht,\n\ngedaagden,\n\nadvocaat mr. E.J.C. de Jong te Utrecht.\n\nPartijen worden hierna ook [eiseres] , de huisartsenpraktijk en de verzekeraar genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDeze zaak gaat over de vraag of een huisarts tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met een patiënte. De patiënte stelt dat de huisarts haar eerder naar het (oog)ziekenhuis had moeten verwijzen in verband met een ooginfectie. De rechtbank oordeelt in dit vonnis dat de huisarts inderdaad is tekortgeschoten in zijn verplichtingen en dat de patiënte in beginsel recht heeft op vergoeding van haar schade. Het verweer van de huisarts en de verzekeraar dat de patiënte eigen schuld heeft aan haar schade wordt door de rechtbank verworpen.\n\n2. De procedure\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 maart 2025 met producties 1 tot en met 9, - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3, - de productielijst van de zijde van [eiseres] , - de spreekaantekeningen van de advocaat van [eiseres] , - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 september 2025.2.2.. Partijen hebben na de mondelinge behandeling overleg gehad over een regeling zodat geen vonnis nodig zou zijn. Zij hebben ten slotte toch vonnis gevraagd.3. De feiten\n\n3.1.. Door of namens [eiseres] , geboren op [geboortedag] 2006, is met de huisartsenpraktijk een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan. De in de huisartsenpraktijk werkzame huisarts, [naam 1] (hierna: de huisarts), is de (enig) bestuurder van de huisartsenpraktijk.\n\n3.2.. Bij de verzekeraar heeft de huisartsenpraktijk een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten.\n\n3.3.. Op donderdag 12 mei 2022 is [eiseres] bij de huisarts geweest met klachten over haar linkeroog. Zij klaagde over pijn en roodheid van dat oog.\n\n3.4.. \n\nHet patiëntdossier van [eiseres] van de huisartsenpraktijk vermeldt op die dag (de letters “S “O” “E” en “P” in het huisartsdossier staan voor: “Subjectief”, “Objectief”, “Evaluatie” en “Plan”):\n\nS apotheek: chloramfenicol niet leverbaar. Wordt Fucithalmic\n\nS ontstoken oog links; lenzen +\n\nO Conjunctivitis\n\nE Infectieuze conjunctivitis\n\nP MED: Westpolder 12-05-2022 CHLOORAMFENICOL OOGDRUPPELS 5MG\u002FML FL 10ML 4-6D1DR IOG MX1W 10 milliliter (Inv: WD) (Aut: WD)\n\nEn bij de datum van vrijdag 13 mei 2022 vermeldt het genoemde dossier:\n\nS nog steeds veel pijn aan het oog. stekende hoofdpijn bij wenkbrauw.\n\nP med zijn werk laten doen, koelen met koude compressen\n\nafspr aangeboden op su. wel aangegeven op dit moment niet meer te kunnen doen waarschijnlijk.zie advies hierboven\n\n3.5.. In de ochtend van vrijdag 13 mei 2022 kon [eiseres] geen licht meer verdragen. De moeder van [eiseres] heeft op die dag omstreeks 13.50 uur gebeld met de huisartsenpraktijk en toen gesproken met de doktersassistente mevrouw [naam 2] . Omstreeks 16.30 uur diezelfde dag is de moeder van [eiseres] naar de huisartsenpraktijk gegaan en heeft daar opnieuw gesproken met mevrouw [naam 2] .\n\n3.6.. \n [eiseres] heeft op zaterdag 14 mei 2022 een andere huisarts geraadpleegd. Deze huisarts zag bij [eiseres] een “zogenaamd vissenoog met hypopyon, grijze doffe cornea en visusdaling \u003C 0,1”.Na spoedoverleg met de oogkliniek Papendrecht, heeft hij haar onmiddellijk verwezen naar het oogziekenhuis in Rotterdam, waar [eiseres] diezelfde dag om 18.00 uur is opgenomen.\n\n3.7.. In het oogziekenhuis werd een ulcus aan het hoornvlies geconstateerd, die na onderzoek bleek te zijn veroorzaakt door een besmetting met de pseudomonasbacterie.\n\n3.8.. Bij latere controle in dat ziekenhuis zijn vertroebelingen en littekenvorming aan het hoornvlies vastgesteld. Het zicht van het linkeroog van [eiseres] is nog maar 15%.\n\n3.9.. \n [eiseres] heeft de huisartsenpraktijk aansprakelijk gesteld voor haar schade en de verzekeraar daarop eveneens aangesproken (artikel 7:954 BW). De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben aansprakelijkheid afgewezen.\n\n4. De vordering en het verweer\n\n4.1.\n\n [eiseres] vordert: 1. een verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met haar; 2. veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, hoofdelijk, om aan haar te vergoeden alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk, en 3) veroordeling van beide gedaagden tot betaling van de door [eiseres] gemaakte expertisekosten van € 2.254,23 inclusief btw, 4) de buitengerechtelijke incassokosten van € 925,- en de proceskosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 11 maart 2025 en over de proceskosten wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het eindvonnis, vanaf 14 dagen na datum betekening van dat vonnis.\n\n4.2. Korteland baseert haar vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven, stellingen. De huisartsenpraktijk is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Door de huisarts is niet de vereiste zorg van een goed hulpverlener in acht genomen en hij heeft niet gehandeld in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de van toepassing zijnde professionele standaard, te weten de Standaard Rood oog en oogtrauma van het Nederlands Huisartsen Genootschap. Bij een oogafwijking zoals bij Korteland moet volgens die richtlijn bij de anamnese worden gevraagd naar alarmsymptomen, anamnestische symptomen die kunnen wijzen op ernstige aandoeningen. Alarmsymptomen volgens die richtlijn zijn, behalve pijn, visusverandering, lichtschuwheid en misselijkheid of braken. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen geldt volgens de richtlijn dat vervolgonderzoek moet worden gedaan en dat de patiënt zonodig alsnog moet worden verwezen. Bovendien blijkt uit de richtlijn dat er bij dragers van contactlenzen een verhoogd risico op complicaties bij een conjunctivitis is.. \n\n4.3.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben de vordering gemotiveerd weersproken. Op het gevoerde verweren gaat de rechtbank hierna, waar nodig, nader in.\n\n5 De beoordeling. \n\nhet verlenen van de zorg van een goed hulpverlener\n\n5.1. In artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt bepaald dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de hulpverlener, die in de uitoefening van een geneeskundig beroep voor een ander, de patiënt, handelingen verricht op het gebied van de geneeskunst, bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen. In dit geval oefent de huisarts zijn praktijk uit door middel van een rechtspersoon, de huisartsenpraktijk. Zowel de huisartsenpraktijk als de huisarts zijn als hulpverlener in de zin van de wet te beschouwen. Dit is tussen partijen overigens ook geen discussiepunt.\n\nhet goed hulpverlenerschap wordt nader bepaald door de geldende professionele standaard\n\n5.2.. De hulpverlener moet als goed hulpverlener in de zin van artikel 7:453 BW in overeenstemming handelen met de op hem rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard en kwaliteitsstandaarden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Het “in acht nemen van de zorg van een goed hulpverlener” wordt dus onder meer ingevuld door “de voor hulpverleners geldende professionele standaard”. De professionele standaard is het geheel van private normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten en ervaringen dat invulling geeft aan het professioneel handelen van zorgverleners of zorgaanbieders (zie artikel 1 lid 1 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg).\n\n5.3.. \n\nDe inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\n5.4. De rechtbank is van oordeel dat de huisarts en daarmee de huisartsenpraktijk in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] is tekortgeschoten omdat de huisarts de van toepassing zijnde professionele standaard, de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma, niet, althans in onvoldoende mate, in acht heeft genomen.\n\nwat staat er in de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, voor zover van belang?\n\n5.5.. De inhoud van de professionele standaard is onder andere vastgelegd in de Standaarden van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG). Een van die standaarden is de NHG-Standaard “Rood oog en oogtrauma”, versie 2017 (hierna: de NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma of de NHG-Standaard). Dat is de standaard zoals deze gold tijde van het handelen van de huisarts. Het handelen van de huisartsenpraktijk en de huisarts dient aan deze professionele standaard te worden getoetst.\n\nde huisarts is in dit geval in het naleven van de geldende professionele standaard tekortgeschoten\n\nDe NHG-Standaard Rood oog en oogtrauma geeft aanbevelingen voor de huisarts voor diagnostiek en behandeling van patiënten met een rood oog en oogtrauma en geeft aan hoe de huisarts onderscheid kan maken tussen onschuldige en visusbedreigende aandoeningen. De standaard beveelt huisartsen aan om bij de anamnese van patiënten met oogklachten zonder traumatische oorzaak te vragen naar zogenoemde “alarmsymptomen”. In de standaard worden als alarmsymptomen genoemd: pijn, visusverandering, fotofobie (lichtschuwheid), misselijkheid of braken. De huisarts dient dan alert te zijn op visusbedreigende aandoeningen. Bij aanwezigheid van alarmsymptomen beveelt de NHG-Standaard aan om vervolgonderzoek te verrichten als bij aanwezigheid van alarmsymptomen de verdere anamnese en het lichamelijk onderzoek niet leiden tot een diagnose waarbij (spoed)verwijzing geïndiceerd is. Als ook het vervolgonderzoek niet tot die diagnose leidt, is de aanwezigheid van alarmsymptomen reden om na 1 of 2 dagen te controleren. Bij blijvende aanwezigheid van alarmsymptomen dient de huisarts alert te zijn op een ernstige aandoening. Dit is vrijwel altijd reden om de patiënt te verwijzen.\n\n5.6.. Of de huisarts al dan niet de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen moet tegen de achtergrond van de aanbevelingen in de NHG-Standaard worden beoordeeld. Het gaat in dit geval meer specifiek om de vraag of de huisarts [eiseres] op vrijdag(middag) 13 mei 2022 had moeten onderzoeken, controleren en, zo nodig naar het oogziekenhuis had moeten verwijzen, nadat de moeder van [eiseres] de huisartsenpraktijk had gebeld en zich daar in persoon had gemeld om aandacht te vragen voor de situatie van [eiseres] . Deze acties heeft de huisarts achterwege gelaten.\n\nsituatie op vrijdag 13 mei 2022 was zodanig dat [eiseres] veel pijn had\n\n5.7.. In het medisch dossier van [eiseres] bij de huisarts is bij de datum 13 mei 2022 genoteerd dat [eiseres] klaagt over: “nog steeds veel pijn” en “stekende hoofdpijn bij wenkbrauw”.Er moet van worden uitgegaan dat deze pijnklachten door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk zijn gemeld, toen zij de praktijk in de middag van vrijdag 13 mei 2022 belde of toen zij de huisartsenpraktijk aan het eind van die middag bezocht. De door de huisarts genoemde omstandigheid dat hem deze pijnklachten niet hebben bereikt (wat alleen mogelijk zou zijn als de assistente hem dit niet zou hebben doorgegeven), dient voor rekening van de huisartsenpraktijk te blijven.\n\n5.8.. De huisarts heeft verklaard dat de pijn die [eiseres] bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk op donderdag 12 mei 2022 aan de huisarts aangaf “niet bijzonder” was, maar passend bij een conjunctivitis, die verklaard kon worden door het dragen van contactlenzen door [eiseres] . De huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwisten dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 bij haar bezoek aan de huisartsenpraktijk “alarmsymptomen” in de zin van de NHG-Standaard had. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.9.. \n\nAls [eiseres] op donderdag inderdaad nog geen ernstige pijn aan het oog had, volgt uit de hiervoor weergegeven, op vrijdagmiddag door de moeder van [eiseres] aan de huisartsenpraktijk gemelde, pijnklachten dat de huisarts rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de pijn van [eiseres] door de oogontsteking zodanig was toegenomen dat deze (inmiddels wél) als alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard gekwalificeerd diende te worden. Het verweer dat [eiseres] op donderdag 12 mei 2022 nog niet zulke symptomen had, mist dus relevantie en slaagt daarom niet.\n\nverplichting tot het actief doen van navraag naar (toegenomen) pijn als alarmsymptoom\n\n5.10.. De (kennelijk) toegenomen pijnklachten van [eiseres] hadden voor de huisarts aanleiding moeten zijn om naar de precieze aard en ernst bij haar moeder, of bij [eiseres] zelf, navraag te doen of hiernaar door zijn assistente te laten vragen. Pijn op zichzelf is immers een alarmsymptoom in de zin van de NHG-Standaard, waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd. Waarom de huisarts de moeder niet nader heeft uitgevraagd over de kennelijk toen toegenomen pijnklachten van [eiseres] is te meer niet goed navolgbaar, nu de huisarts [eiseres] zelf (op donderdag) had geadviseerd contact op te nemen met de huisartsenpraktijk als de situatie erger zou worden, zoals de moeder dus daadwerkelijk op vrijdagmiddag heeft gedaan.\n\nlichtschuwheid als (tweede) alarmsymptoom\n\n5.11.. Dat de huisarts de moeder van [eiseres] actief had moeten uitvragen naar het door haar gemelde alarmsymptoom is ook van belang voor het volgende. Als de huisarts bij de moeder van [eiseres] navraag zou hebben gedaan naar de kennelijk toegenomen pijn van [eiseres] aan en rondom het oog op vrijdag, zoals de huisarts zou hebben moeten doen, zou hem door de moeder zijn meegedeeld dat [eiseres] inmiddels ook geen licht meer kon verdragen. Dat die situatie zich feitelijk voordeed is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is slechts in geschil of de moeder van [eiseres] dat aan de huisartsassistente heeft gemeld. De moeder van [eiseres] heeft verklaard dit wel te hebben gemeld maar de huisartsenpraktijk heeft betwist dat dit is gezegd. Op zichzelf lijkt het voor de hand te liggen dat de moeder van [eiseres] dit heeft gezegd omdat het een verklaring vormt waarom zij en niet [eiseres] zelf zich bij de huisartsenpraktijk had gemeld: door haar lichtschuwheid verbleef zij in een donker gemaakte kamer en voelde zij zich niet in staat het huis te verlaten. Hoe de vork op dit punt in de steel zit, kan in het midden blijven, omdat buiten twijfel verheven is dat als de huisarts bij de moeder of [eiseres] navraag had gedaan (of laten doen) naar eventuele andere alarmsymptomen dan de gemelde toename van pijn, wat hij op grond van de NHG-Standaard had behoren te doen, de moeder en\u002Fof [eiseres] deze lichtschuwheid zouden hebben gemeld. Lichtschuwheid of fotofobie is, volgens de NHG-Standaard, immers eveneens “een alarmsymptoom” waarnaar door de huisarts actief moet worden gevraagd.\n\nhet niet verrichten van vervolgonderzoek en het niet onderzoeken van de mogelijke noodzaak van verwijzing naar de oogarts is aan te merken als een tekortkoming\n\n5.12.. De aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid hadden, zoals hiervoor onder 5.5 aan de orde gekomen, voor de huisarts aanleiding moeten zijn alert te zijn op een visusbedreigende aandoening en die alarmsymptomen hadden voor hem reden moeten zijn om vervolgonderzoek te verrichten, zo is in de NHG-Standaard bepaald. Dit vervolgonderzoek heeft de huisarts evenwel achterwege gelaten. Daardoor heeft hij ook niet kunnen vaststellen of verwijzing van [eiseres] naar de oogarts nodig was.\n\n5.13.. De rechtbank verwerpt het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar dat de huisarts niet te kort is geschoten in de zorg van goed hulpverlener omdat aan [eiseres] is aangeboden dat zij door de huisarts op het spreekuur zou kunnen worden gezien. Dit aanbod doet geen recht aan de alertheid en actieve houding die van een huisarts in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Uit het patiëntdossier blijkt niet dat de huisarts die actieve houding heeft ingenomen. Hoewel daarin is genoteerd dat aan [eiseres] is aangeboden “op su” (d.i. spreekuur) te komen, is volgens die aantekening tevens aan [eiseres] meegedeeld dat er voor haar “op dit moment” waarschijnlijk niet meer kon worden gedaan en is haar geadviseerd om het medicament zijn werk te laten doen en om met koude compressen te koelen. Zonder dat blijkt dat navraag is gedaan naar de aanwezigheid van de alarmsymptomen pijn en lichtschuwheid is dat onvoldoende.\n\n5.14.. De rechtbank bereikt op grond van het voorgaande de conclusie dat de huisarts door (i) geen actieve navraag te doen naar de op vrijdag 13 mei 2022 gemelde toegenomen pijnbeleving van [eiseres] , (ii) niet te vragen naar eventuele andere alarmsymptomen, (iii) vervolgens geen vervolgonderzoek te doen, waardoor (iv) hij niet heeft onderzocht of [eiseres] gezien haar toestand naar de oogarts had moeten worden verwezen, niet de zorg heeft verleend die van een goed hulpverlener mag worden verlangd. Daarmee staat vast dat de huisartsenpraktijk in de nakoming van de verplichtingen uit de met [eiseres] gesloten geneeskundige behandelingsovereenkomst tekort is geschoten.\n\naansprakelijkheid; toewijzing van de onder 1 gevorderde verklaring voor recht\n\n5.15.. De hiervoor vastgestelde tekortkoming leidt ertoe dat de huisartsenpraktijk aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden, lijdt en zal lijden als gevolg van die tekortkoming. Dat de tekortkoming niet aan de huisartsenpraktijk toerekenbaar zou zijn (artikel 6:75 BW) is niet aangevoerd, zodat daarop niet behoeft te worden ingegaan. De onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] , is derhalve toewijsbaar.\n\ntoewijzing van de onder 2 gevorderde schadevergoeding\n\n5.16.. \n [eiseres] vordert onder 2, geheel in het algemeen, “vergoeding van alle schade die zij heeft geleden en lijdt als gevolg van het schadeveroorzakende handelen van de huisartsenpraktijk”. Dat betekent dat zij schadevergoeding verlangt voor zover sprake is van causaal verband tussen de aan de huisarts verweten tekortkoming en haar schade. Of dat verband er is, wordt door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar betwist, althans als onzeker bestempeld.\n\n5.17.. Dit verweer leidt echter niet tot de conclusie dat de vordering niet toewijsbaar zou zijn. Bij een vordering tot schadevergoeding als deze, waarbij nog geen concrete schadeposten worden gevorderd, is immers voldoende als de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden, zoals het vaste criterium is bij vorderingen tot vergoeding van schade op te maken bij staat. Uit het feit dat het zicht in het linkeroog nog maar 15% is en dat in elk geval in de toekomst een of meerdere malen operatief moet worden ingegrepen ( [eiseres] heeft dat onweersproken gesteld) blijkt in voldoende mate van door haar geleden en nog te lijden concrete schade.\n\n5.18.. Voor zover het verweer van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar inhoudt dat de schade van [eiseres] niet het gevolg is van handelen van de huisarts, maar van de ontsteking, gaat dit verweer niet op. Het gaat in deze zaak niet om de vaststelling van de medische oorzaak van het oogletsel van [eiseres] , maar om de vraag of de schade van [eiseres] zou zijn ingetreden als van een tekortkoming van de huisarts(enpraktijk) geen sprake zou zijn geweest.\n\n5.19.. De rechtbank is, met betrekking tot die laatstgenoemde vraag, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiseres] niet in dezelfde mate oogletsel en\u002Fof andere schade zou hebben geleden indien de huisarts de moeder of [eiseres] zelf op vrijdag 13 mei 2022 naar aanleiding van de meldingen van de moeder van [eiseres] naar het bestaan van verdere mogelijke alarmsymptomen zou hebben uitgevraagd. De huisarts zou dan hebben vernomen dat [eiseres] over (inmiddels) veel pijn klaagde (terwijl haar pijn de dag daarvoor als “niet bijzonder” kon worden gekwalificeerd) maar inmiddels ook leed aan lichtschuwheid , zoals hiervoor overwogen. De huisarts had dan ook een vervolgonderzoek verricht, zoals hij had behoren te verrichten en waarvan aannemelijk is dat hij dat zou doen. Uit de NHG-Standaard volgt dat de huisarts de patiënt met alarmsymptomen naar de oogarts dient te verwijzen als bij (herhaalde) controle blijkt dat alarmsymptomen aanhouden of verergeren. De NHG-Standaard bepaalt expliciet dat bij verergering van klachten, alarmsymptomen of tekenen van infectie, onvolledig herstel na 2 dagen, de patiënt dezelfde dagnaar de oogarts wordt verwezen. Voorts wordt over contactlensdragers opgemerkt dat “al na 1 dag bij geen verbetering” verwijzing diezelfde dag moet plaatsvinden. Zoals hiervoor overwogen, waren de pijnklachten van [eiseres] toegenomen, zoals uit het eigen standpunt van de huisarts in combinatie met de aantekeningen in het patiëntdossier volgt, en was [eiseres] bovendien een contactlensdrager. Het ligt daarom in de lijn der verwachting, althans is voldoende aannemelijk, dat de huisarts [eiseres] nog op vrijdag naar de oogarts zou hebben verwezen. Daarmee zou een tijdwinst van om en nabij 24 uur zijn behaald. Mede nu niet in geschil is dat de ooginfectie van [eiseres] met de pseudomonasbacterie een agressief verloop kan hebben, is voldoende aannemelijk dat [eiseres] bij eerdere opname in het ziekenhuis niet hetzelfde ernstige oogletsel zou hebben opgelopen zoals zij nu heeft gekregen.\n\n5.20.. Voor zover de huisartsenpraktijk en de verzekeraar hebben willen betogen dat niet zeker is of [eiseres] door de huisarts op vrijdag naar de oogarts zou zijn verwezen omdat niet duidelijk is of haar klachten daarvoor op dat moment voldoende ernstig waren, wordt dat verweer op grond van voorgaande overwegingen verworpen. Overigens geldt dat als het door de huisarts uit te voeren vervolgonderzoek, wat hij dus niet heeft verricht maar wel had behoren te verrichten, niet al direct tot de conclusie had gevoerd dat verwijzing van [eiseres] naar de oogarts geïndiceerd was, de huisarts ingevolge het door de NHG-Standaard voorgeschreven controlebeleid [eiseres] had moeten blijven monitoren. In dat geval zou [eiseres] niet pas na de constatering door de toen door [eiseres] geraadpleegde andere huisarts van haar ernstige afwijkingen in het oog op zaterdagmiddag, maar eerder, naar het oogziekenhuis zijn verwezen en daar zijn opgenomen omdat niet aannemelijk is dat de huisarts de ontsteking in het oog van [eiseres] zo ver op zijn beloop zou hebben gelaten. Dat dit anders zou zijn, is door de huisartsenpraktijk en de verzekeraar niet gesteld, maar ook niet onderbouwd, zodat als zij dat zouden hebben willen betwisten, daaraan voorbij wordt gegaan. Die onderbouwing van die betwisting had van hen mogen worden verlangd, omdat kan worden vastgesteld dat de onzekerheid of de huisarts eerder zou hebben verwezen door de huisarts zelf in het leven is geroepen door geen vervolgonderzoek te verrichten. Het is daarom gerechtvaardigd van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar te verlangen dat zij die onderbouwing zouden hebben verschaft.\n\n‘eigen schuld’ (artikel 6:101 BW) niet aan de orde\n\n5.21.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren het verweer dat de schade van [eiseres] op grond van artikel 6:101 BW aan [eiseres] zelf moet worden toegerekend. Voor dit verweer geldt dat op hen ter zake de stelplicht en de bewijslast rusten. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar voeren voor hun verweer aan dat [eiseres] zelf de keuze heeft gemaakt om niet in te gaan op het gestelde aanbod op vrijdagmiddag 13 mei 2022 om naar het spreekuur van de huisarts te komen en zich door de huisarts te laten beoordelen. Dit verweer treft geen doel.\n\n5.22.. In het licht van het tekortschieten van de huisarts kan aan [eiseres] , als al zou vaststaan dat haar voldoende duidelijk is gemaakt dat zij die vrijdagmiddag nog bij de huisarts in consult kon komen, die omstandigheid niet worden toegerekend. De huisarts heeft haar immers niet op de noodzaak van een consult gewezen, maar haar, integendeel, te verstaan gegeven dat een bezoek aan het spreekuur waarschijnlijk toch niet veel zou opleveren en het advies gegeven het medicijn zijn werk te laten doen en te koelen met compressen. In elk geval dient op grond hiervan de omstandigheid dat [eiseres] niet op de mogelijkheid om de huisarts te bezoeken is ingegaan, op grond van billijkheid niet tot vermindering van de vergoedingsplicht van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar jegens [eiseres] te leiden.\n\n5.23.. Uit wat hiervoor onder 5.16 tot en met 5.22 is overwogen volgt dat de vordering tot vergoeding van schade tegen de huisartsenpraktijk toewijsbaar is.\n\ndirecte actie: de verzekeraar wordt mede veroordeeld (artikel 7:954 BW)\n\n5.24.. Artikel 7:954 BW bepaalt dat wanneer in geval van een verzekering tegen aansprakelijkheid aan de verzekeraar op grond van artikel 7:941 BW de verwezenlijking van het risico is gemeld, de benadeelde kan verlangen, dat indien de verzekeraar een uitkering verschuldigd is, het bedrag dat de verzekerde daarvan ter zake van de schade van de benadeelde door dood of letsel te vorderen heeft, aan hem wordt betaald. Op grond van deze bepaling is ook de vordering tot schadevergoeding tegen de verzekeraar toewijsbaar.\n\nde expertisekosten van € 2.254,23 zijn toewijsbaar\n\n5.25.. Deze kosten zijn inhoudelijk niet betwist, maar slechts bestreden met een verwijzing naar het verweer dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen. Ook deze vordering is daarom toewijsbaar.\n\nbuitengerechtelijke incassokosten van € 925,- zijn toewijsbaar met wettelijke rente\n\n5.26.. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en wijst deze kosten toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025. hoofdelijke veroordeling wordt niet toegewezen5.27. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van de huisartsenpraktijk en de verzekeraar kan niet worden toegewezen. De verzekeraar is door de mogelijkheid van directe actie geen debiteur van [eiseres] geworden. Hoofdelijke verbondenheid (artikel 6.6 BW e.v.) is dan ook niet aan de orde, ook al kan [eiseres] wel van de verzekeraar rechtstreeks betaling aan haar verlangen. Zij heeft de keuze om ofwel de verzekerde, de huisartsenpraktijk, ofwel de verzekeraar, ofwel beiden tot betaling aan te spreken, in dat laatste geval “des dat betaling door de een de ander bevrijdt”. Aldus zal de rechtbank de vordering tot schadevergoeding toewijzen.\n\nuitvoerbaarheid bij voorraad5.28. De verklaring voor recht kan als declaratoire beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Bij uitvoerbaarverklaring van de vordering tot betaling van schadevergoeding, zonder dat concrete schade wordt gevorderd, heeft [eiseres] onvoldoende belang, zodat ook ten aanzien die vordering geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring zal worden uitgesproken. Voor het overige geldt dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad op de wet is gebaseerd en door de huisarts en de verzekeraar niet is weersproken. Daarom zal het vonnis voor het overige uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\nproceskosten\n\n5.29.. De huisartsenpraktijk en de verzekeraar worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten dragen. De rechtbank begroot die kosten aan de zijde van [eiseres] op € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 1.374,- aan griffierecht en € 1.306,- (2 punten à € 653,-) aan salaris voor de advocaat, en veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot betaling van de wettelijke rente over deze proceskosten, wanneer deze niet zijn betaald binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. In totaal bedragen de proceskosten € 2.828,04.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n6.1.. verklaart voor recht dat de huisartsenpraktijk toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst met [eiseres] ;\n\n6.2.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar tot vergoeding van alle schade die [eiseres] heeft geleden en lijdt, voor zover die schade het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming van de huisartsenpraktijk;\n\n6.3.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 2.254,23 aan expertisekosten;\n\n6.4.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van € 925,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2025 tot de dag van volledige betaling;\n\n6.5.. veroordeelt de huisartsenpraktijk en de verzekeraar, aldus dat als de een betaalt, de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 2.828,04;\n\n6.6.. verklaart de veroordelingen onder 6.3 tot en met 6.5 uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\n Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Molenaar. Het is door de rolrechter ondertekend en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.\n\n2632\u002F 3152","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:3552","ecli-nl-rbrot-2026-3552",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]