[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbrot-2026-4266":3,"decision-more-ecli-nl-rbrot-2026-4266":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"431","ECLI:NL:RBROT:2026:4266","",61,"Rotterdam","rotterdam","2026-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK Rotterdam\n\nTeam handel en haven\n\nZaaknummer: C\u002F10\u002F709728 \u002F KG ZA 25-1109\n\nVonnis in kort geding van 8 april 2026\n\nin de zaak van\n\nD&B THE FACILITY GROUP B.V.,\n\nstatutaire vestigingsplaats: Amstelveen,\n\neisende partij,\n\nadvocaten: mrs. P.B.J. van den Oord en D. Britsemmer,\n\ntegen\n\nSTEDIN GROUP SERVICES B.V.,\n\nvestigingsplaats: Rotterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nadvocaten: mrs. T. van Wijk en G.J. van Essen,\n\nwaarin is tussengekomen\n\nTRIGION BEVEILIGING B.V.,\n\nvestigingsplaats: Schiedam,\n\ntussenkomende partij,\n\nadvocaat: mr. L.C. van den Berg.\n\nPartijen worden hierna D&B, Stedin en Trigion genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht). Stedin heeft de Opdracht voorlopig gegund aan Trigion. D&B is het daar niet mee eens. Volgens D&B heeft Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) aangevuld, heeft Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende gemotiveerd, is de inschrijving van D&B onjuist beoordeeld althans is die beoordeling onvoldoende gemotiveerd en had Stedin de inschrijving van Trigion (nader) moeten verifiëren. Omdat al deze gebreken in de ogen van D&B niet kunnen worden hersteld zonder heraanbesteding, vordert D&B primairdat Stedin wordt geboden het gunningsvoornemen in te trekken, met verplichting tot een heraanbesteding voor zover Stedin de Opdracht nog wil gunnen. D&B vordertsubsidiairdat Stedin wordt geboden om verificatie toe te passen overeenkomstig de aanbestedingsvoorwaarden en een herbeoordeling van de inschrijvingen te laten uitvoeren door een onafhankelijke nieuwe beoordelingscommissie. Trigion heeft gevorderd om in de procedure tussen D&B en Stedin te mogen tussenkomen, althans zich daarin te mogen voegen aan de zijde van Stedin. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot tussenkomst voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen en zij wijst de vorderingen van D&B af. Dit wordt hierna uitgelegd.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 7 november 2025, met bijlagen 0 tot en met 9;\n\nde akte overlegging nadere productie van D&B, met bijlagen 10 en 11;\n\nde conclusie van antwoord, met bijlagen 001A tot en met 002;\n\nde incidentele conclusie tot tussenkomst (subsidiair voeging) van Trigion;\n\nde mondelinge behandeling op 25 maart 2026;\n\nde pleitnota van mr. Britsemmer;\n\nde pleitnota van mr. Van Essen;\n\nde pleitnota van mr. Van den Berg.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. Stedin heeft een niet-openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het leveren van ontvangst- en beveiligingsdienstverlening (de Opdracht).\n\n3.2.. De Opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de beste prijs-kwaliteitverhouding.\n\n3.3.. \n\nEen inschrijver kan voor het criterium kwaliteit maximaal 750 punten behalen. Het criterium kwaliteit is opgedeeld in vier subcriteria. Inschrijvers schrijven per subcriterium een plan van aanpak, dat beoordeeld wordt op de wijze zoals omschreven in de\n\ngunningsleidraad en de bijlage met gunningscriteria. De subcriteria en het maximaal per subcriterium te behalen aantal punten zijn als volgt:\n\n3.4.. De beoordeling van de subcriteria en het toekennen van een score aan die subcriteria vindt plaats aan de hand van de volgende tabel:\n\n3.5.. Ten behoeve van het criterium prijs wordt door inschrijvers het prijzenblad ingevuld, waarbij overeenkomstig de in de gunningscriteria opgenomen formule een score aan de totaalprijs van de inschrijver wordt toegekend. De inschrijver met de laagste totaalprijs krijgt 250 punten. Op basis van een formule wordt aan de andere inschrijvers een score toegekend. Uit de aanbestedingsvoorwaarden volgt dat het indienen van een manipulatieve inschrijving niet is toegestaan en tot terzijdelegging van de inschrijving leidt. Ter voorkoming van manipulatieve inschrijvingen heeft Stedin geëist dat alle afzonderlijke bedragen c.q. eenheidsprijzen reëel en marktconform zijn, en bepaald dat er niet met symbolische prijzen mag worden ingeschreven.\n\n3.6.. De optelsom van de scores op de criteria kwaliteit en prijs vormt de totaalscore op basis waarvan de Opdracht wordt gegund. In totaal kunnen 1000 punten worden behaald.\n\n3.7.. Onder andere D&B en Trigion hebben op tijd ingeschreven op de door Stedin georganiseerde aanbesteding. Bij gunningsvoornemen van 21 oktober 2025 heeft Stedin aan D&B medegedeeld dat de opdracht voorlopig aan Trigion wordt gegund. Uit het gunningsvoornemen volgt dat D&B op plaats twee in de rangorde is geëindigd. Het verschil in score met de nummer 1, Trigion, is 9,17 punten. De door D&B en Trigion behaalde punten zijn als volgt (waarbij “Uw Inschrijving” de scores van D&B zijn en de “Eerst gerangschikte inschrijving (EMVI) de scores van Trigion zijn):\n\n3.8.. Uit de toelichting op de kwalitatieve puntentoekenning van D&B volgt dat D&B op kwaliteitscriterium K1 ‘uitstekend’ heeft gescoord. Dat staat gelijk aan 100% van de op dat subcriterium te behalen punten. Op kwaliteitscriteria K2 tot en met K4 heeft D&B steeds ‘goed’ gescoord. Dat staat gelijk aan 85% van de op die subcriteria te behalen punten.\n\n3.9.. D&B heeft schriftelijk bezwaar gemaakt tegen het gunningsvoornemen van Stedin. Naar aanleiding daarvan heeft op 4 november 2025 een gesprek tussen D&B en Stedin plaatsgevonden. Verder heeft Stedin op 5 november 2025 schriftelijk een reactie op het bezwaar van D&B gegeven. Die reactie houdt onder meer een nadere toelichting op de motivering van het gunningsvoornemen in. D&B kan zich niet met het gunningsvoornemen en deze reactie verenigen.\n\n4. De beoordeling\n\nin het incident\n\n4.1.. Trigion heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen in de procedure tussen D&B en Stedin. De voorzieningenrechter heeft de primaire vordering voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegewezen, wat in de kop van dit vonnis al tot uitdrukking is gebracht. Het belang van Trigion bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de Opdracht voorlopig is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor Stedin ongunstige uitkomst van deze zaak. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet in de weg aan toewijzing.\n\n4.2.. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, omdat geen van partijen heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen.\n\nin de hoofdzaak en in de tussenkomst\n\n4.3.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hoewel Trigion in het incident primair heeft gevorderd om te mogen tussenkomen en die primaire vordering ook is toegewezen, de (subsidiair geformuleerde) eigen vordering van Trigion inhoudt dat Stedin zal worden geboden de voorgenomen gunning in stand te laten en uit te voeren. Materieel valt de beoordeling in dat kader samen met die in de hoofdzaak. Er is immers geen reden voor een gebod aan Stedin om te doen wat zij toch al voornemens is te doen. De beoordeling in de hoofdzaak en de tussenkomst is om die reden beperkt tot de vorderingen van D&B en de verweren die Stedin en Trigion daartegen hebben aangevoerd.\n\n4.4.. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken dat tot nu toe slechts een deels zwartgelakte dagvaarding en ook deels zwartgelakte bijlagen van D&B en Stedin aan Trigion ter beschikking zijn gesteld. D&B, Stedin en de voorzieningenrechter beschikken wel over de volledige dagvaarding en bijlagen (dus zonder zwartgelakte gedeelten). Partijen hebben afgesproken dat de voorzieningenrechter in principe uitspraak doet op basis van de volledige dagvaarding en bijlagen. Alleen in het geval dat de voorzieningenrechter zou overwegen enige vordering van D&B toe te wijzen, moet, eventueel na verder partijdebat op dat punt, worden beslist of de volledige dagvaarding en bijlagen ook aan Trigion ter beschikking worden gesteld of dat de voorzieningenrechter, vanwege de equality of arms, op basis van de aan Trigion ter beschikking gestelde deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen dient te beslissen. Zoals hierna zal blijken, wijst de voorzieningenrechter alle vorderingen van D&B af. Aan een nader debat over de deels zwartgelakte dagvaarding en bijlagen wordt om die reden niet toegekomen.\n\nEr is geen sprake van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen4.5.. D&B voert in de eerste plaats aan dat Stedin het gunningsvoornemen (op ongeoorloofde wijze) heeft aangevuld. Dit is in strijd met het arrest KPN\u002FStaat,aldus D&B. De voorzieningenrechter volgt D&B hier niet in.\n\n4.6.. Naar aanleiding van het bezwaar van D&B tegen het gunningsvoornemen heeft Stedin op 5 november 2025 een brief gestuurd, waarin Stedin op de bezwaren van D&B heeft gereageerd. Weliswaar heeft Stedin in die brief enige nadere toelichting verschaft en dus niet enkel de bewoordingen van het gunningsvoornemen herhaald, maar dat is niet ongeoorloofd. Stedin noemt in haar brief namelijk geen nieuwe argumenten ten aanzien van de beoordeling van de inschrijving van D&B. Stedin geeft slechts een toelichting op de al in het gunningsvoornemen vermelde punten waarop de inschrijving van D&B – naar het oordeel van de beoordelingscommissie van Stedin – tekortschiet om de hoogste score ‘uitstekend’ te halen.\n\n4.7.. Het voorgaande is helder inzichtelijk in een brief van Stedin van 3 maart 2026, waarin Stedin de bewoordingen van het gunningsvoornemen én haar reactie op het bezwaar van D&B heeft gecombineerd. Zo noemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 in het gunningsvoornemen “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. Stedin geeft hier in de brief van 3 maart 2026 een nadere toelichting op, door – met voorbeelden – uit te leggen dat de onderbouwing van D&B op punten enkel gericht is op het operationele deel (de hosts) en niet op het servicemanagement, en dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe [de] mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden”. Verder benoemt de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K2 dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) benoemt. In de brief van 3 maart 2026 licht Stedin nader toe waarom zij dit wel van D&B had verwacht én mocht verwachten om van het judicium goed naar het judicium uitstekend te kunnen komen. Van een nieuw argument is geen sprake. Ook ten aanzien van subcriteria K3 en K4 is geen sprake van nieuwe argumenten. Stedin heeft in haar brief van 3 maart 2026 enkel nader toegelicht waarom, onder meer, de rol van de regievoerder van Stedin onvoldoende terugkomt en de rapportagewijze uitgebreider omschreven had moeten worden om uitstekend te kunnen scoren. Zo’n nadere toelichting is niet in strijd met het arrest KPN\u002FStaat.\n\n4.8.. Ten aanzien van de opmerking van Stedin in haar brief van 3 maart 2026 dat het door D&B in haar inschrijving genoemde risico van ‘onvoldoende meewerken van de latende partij’ als een risico buiten de invloedssfeer in het geval van D&B – als huidige partner van Stedin – “een hypothetisch risico en mogelijk niet het belangrijkste risico buiten de invloedsfeer” van D&B is, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Aan D&B kan worden toegegeven dat deze opmerking niet in het gunningsvoornemen staat, en dus in zoverre nieuw is, en dat deze opmerking bovendien strijdig is met het door Stedin zelf geformuleerde uitgangspunt dat – geparafraseerd weergegeven – iedere inschrijver er in haar inschrijving vanuit moet gaan dat zij niet de huidige partner van Stedin is. De voorzieningenrechter kwalificeert deze opmerking echter niet als een nieuw argument om de inschrijving van D&B op subcriterium K4 als ‘goed’ te waarderen, maar als een onhandig geformuleerde aanvulling\u002Fopmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4 (zie hiervoor ook overweging 4.26. hierna).\n\nDe motivering van het gunningsvoornemen4.9.. D&B stelt zich verder op het standpunt dat Stedin het gunningsvoornemen onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat zij – kort gezegd – niet alle kenmerken van de (winnende) inschrijving van Trigion heeft medegedeeld om zo D&B in staat te stellen te beoordelen of Stedin de inschrijving van Trigion mogelijk onjuist of te gunstig heeft beoordeeld. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt.\n\n4.10.. Voor wat betreft de motiveringsplicht van een gunningsvoornemen geldt dat die wordt beperkt doordat het aan een aanbestedende dienst niet is toegestaan bedrijfsvertrouwelijke informatie van andere inschrijvers aan een inschrijver te verstrekken. De motiveringsplicht is bovendien (slechts) bedoeld om de betreffende inschrijver te informeren en voor die inschrijver voldoende effectieve rechtsbescherming tegen het gunningsvoornemen mogelijk te maken. Zoals Stedin terecht stelt gaat de motiveringsplicht van een aanbestedende dienst niet zo ver dat zij ook inzicht moet verschaffen in de inschrijving van de voorlopige winnaar, om zo een niet uitgekozen inschrijver de gelegenheid te geven de beoordeling van de aanbestedende dienst over te doen. Het is niet aan een inschrijver om de inschrijving van een andere partij te beoordelen; dat is voorbehouden aan de aanbestedende dienst, hier Stedin. Het voorgaande laat onverlet dat niet ondenkbaar is dat een verdergaande motiveringsverplichting moet worden aangenomen als er voorshands redenen zijn om aan de juistheid van de beoordeling van de inschrijving van de winnaar te twijfelen.\n\n4.11.. Van dergelijke redenen is geen sprake. D&B heeft in feite slechts in het algemeen gesteld dat het zou kunnen dat de inschrijving van Trigion op onderdelen te hoog is gescoord. Dit noopt niet tot een verdergaande motiveringsverplichting van Stedin. Voor het overige is Stedin in het gunningsvoornemen voldoende ingegaan op de scores van Trigion. Stedin heeft immers de scores per (sub)gunningscriterium en de totaalscore van Trigion bekendgemaakt. Aangezien Trigion op geen enkel subcriterium van het gunningscriterium kwaliteit hoger heeft gescoord dan D&B, is de voorzieningenrechter bovendien met Stedin van oordeel dat Stedin niet verplicht was om de relatieve voordelen en kenmerken van de inschrijving van Trigion met betrekking tot de subcriteria nader te benoemen. Het is in dit geval voldoende dat D&B uit het gunningsvoornemen kan afleiden dat Trigion voor wat betreft de subcriteria van het gunningscriterium kwaliteit gelijk aan of minder goed dan D&B heeft gescoord en dat Trigion op het gunningscriterium prijs beter heeft gescoord dan D&B.\n\nDe (motivering van de) beoordeling van de inschrijving van D&B4.12.. D&B is het verder niet eens met de manier waarop haar inschrijving door Stedin is beoordeeld en met de motivering die Stedin daarvan heeft verstrekt. D&B voert – kort gezegd – aan dat (i) Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken, (ii) de motivering van de beoordeling van de inschrijving van D&B op punten onvoldoende en\u002Fof onbegrijpelijk is en (iii) de beoordelingscommissie op punten een nieuw beoordelingscriterium heeft geïntroduceerd. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.\n\n4.13.. Voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria geldt als uitgangspunt dat de voorzieningenrechter slechts een beperkte beoordelingsruimte heeft. De voorzieningenrechter moet in principe uitgaan van de deskundigheid van de beoordelingscommissie. Aan deze beoordelingscommissie moet de nodige vrijheid worden gegund. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling of procedurele dan wel inhoudelijke onjuistheden\u002Fonduidelijkheden die meebrengen dat het gunningsvoornemen duidelijk niet overtuigt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.\n\n4.14.. Daarnaast is bij een beoordelingssystematiek zoals in deze zaak aan de orde, uitgangspunt dat een inschrijver in eigen bewoordingen moet aangeven op welke wijze de door de aanbestedende dienst verlangde kwaliteit wordt geleverd. Daarmee wordt een inschrijver in de gelegenheid gesteld om zich te onderscheiden van andere inschrijvers en kan hij zijn meerwaarde aantonen. Mede gelet hierop hoeft een aanbestedende dienst ook niet concreet aan te geven wat nodig is om een maximale score op een kwalitatief (sub)gunningscriterium te behalen. Als een aanbestedende dienst daartoe wel zou zijn gehouden, wordt immers iedere innovatie, creativiteit of ieder zelfstandig denkproces bij inschrijvers weggenomen.\n\nTen aanzien van de duidelijke toegevoegde waarde4.15.. D&B stelt dat Stedin niet heeft uitgelegd waarom een duidelijke toegevoegde waarde van de inschrijving van D&B zou ontbreken en dat de motivering van het gunningsvoornemen alleen al daarom onnavolgbaar is. Uit wat hiervoor in 4.14. is overwogen, volgt echter dat het niet aan Stedin is om aan een inschrijver uit te leggen hoe de inschrijving van D&B duidelijke toegevoegde waarde had kunnen hebben. Stedin heeft haar inschrijving op dit punt als goed beoordeeld. De verlangde duidelijke toegevoegde waarde, die nodig was om ‘uitstekend’ te scoren op de subcriteria voor het gunningscriterium kwaliteit, kon naar eigen inzicht van de inschrijvers worden ingevuld. De inschrijvers konden daarmee laten zien dat zij de onderneming van Stedin en de Opdracht hebben begrepen, en zij konden laten zien net een stap extra te kunnen zetten ten opzichte van de vereisten van de Opdracht. Op dat punt is eigen initiatief en een eigen visie noodzakelijk. Het is niet aan Stedin om dit (achteraf) voor de inschrijvers in te vullen.\n\nTen aanzien van subcriterium K24.16.. Volgens D&B heeft Stedin ten aanzien van subcriterium K2 het gunningsvoornemen op niet-toegestane wijze aangevuld en is er op dit punt sprake van een duidelijk onjuiste beoordeling in het licht van het beoordelingskader. De voorzieningenrechter volgt D&B niet in dit standpunt.\n\n4.17.. Hiervoor in overwegingen 4.5. tot en met 4.8. is al overwogen dat de brief van 5 november 2025 geen ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is, maar (slechts) een toelichting op het gunningsvoornemen. Ook de opmerking van Stedin in de brief van 5 november 2025 dat “Stedin graag [had] teruggezien hoe deze mystery visits dusdanig ingepland worden dat alle ingezette Hosts (zowel vast als flexibele schil) via een mystery visit beoordeeld worden” beschouwt de voorzieningenrechter niet als een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen. In het gunningsvoornemen heeft Stedin opgemerkt “Het is de beoordelaars niet geheel duidelijk hoe de borging voor servicemanagement en de flexibele schil is ingericht”. De zinsnede “zowel vast als flexibele schil” in de brief van 5 november 2025 begrijpt de voorzieningenrechter aldus, dat Stedin expliciteert dat zij graag had gezien dat D&B in haar inschrijving niet alleen ten aanzien van de vaste medewerkers had uitgelegd hoe de mystery visits zouden worden ingepland zodat iedereen beoordeeld zou worden, maar ook ten aanzien van de flexibele schil. Dat is slechts een verduidelijking van de eerdere, zeer beknopte, motivering op dit punt. Van een ongeoorloofde aanvulling van het gunningsvoornemen is geen sprake.\n\n4.18.. Tegen de achtergrond van de beperkte beoordelingsruimte die de voorzieningenrechter voor wat betreft de toetsing van kwalitatieve gunningscriteria heeft, kan het bezwaar van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K2 niet worden gehonoreerd. Uit het gunningsvoornemen blijkt dat D&B niet naar volle tevredenheid van de beoordelingscommissie uiteen heeft gezet hoe de borging van de ontwikkeling van het servicemanagement en de flexibele schil is ingericht. Stedin heeft dit naar aanleiding van het bezwaar van D&B nog nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. D&B heeft vervolgens niet meer uitgelegd waarom ook na deze nadere toelichting, waarvan hiervoor al is geoordeeld dat die geoorloofd is, sprake is van een onvoldoende motivering van het gunningsvoornemen. Voor wat betreft het standpunt van D&B dat de beoordelingscommissie ten onrechte heeft opgemerkt dat D&B geen concrete aantallen voor wat betreft de operationele inzet op de bemande locaties (zowel Security als Hospitality) heeft benoemd, merkt de voorzieningenrechter op dat uit de eis dat de inschrijving SMART moest worden uitgewerkt volgt dat de inschrijving Meetbaar moest zijn. Twee van de beoordelingsaspecten binnen subcriterium K2 zijn “Hoe wordt invulling gegeven aan het inrichten van de formatie, functie-invulling en de Single Point of Contact” en “Hoe gaat inschrijver om met flexibiliteit van al het in te zetten personeel”. Deze aspecten hebben (ook) te maken met aantallen en uren van in te zetten medewerkers. Niet in geschil is dat de inschrijving van D&B op dit punt meetbaarder was geweest als D&B de inzet van personeel had gekwantificeerd, ook al werd niet expliciet gevraagd om deze kwantificering. Daarbij doet niet ter zake dat die kwantificering elders (het prijzenblad) wel was gevraagd. De beoordelingscommissie is op dit punt dan ook niet buiten het beoordelingskader getreden.\n\nTen aanzien van subcriterium K34.19.. Ook de bezwaren van D&B ten aanzien van (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K3 kunnen niet worden gehonoreerd.\n\n4.20.. Door in de motivering van de score van de inschrijving van D&B te verwijzen naar het onvoldoende terugkomen van de rol van de Stedin regievoerder, heeft het beoordelingsteam geen nieuw beoordelingscriterium geïntroduceerd maar een lacune in de inschrijving van D&B benoemd. Daarmee is niet buiten het beoordelingskader getreden.\n\n4.21.. Voor wat betreft het punt in de motivering dat het beoordelingsteam de rapportagewijze graag uitgebreider omschreven terug had willen zien, constateert de voorzieningenrechter dat Stedin in haar brief van 5 november 2025 heeft toegelicht dat D&B weliswaar aangeeft zich aan de verantwoordingsstructuur te zullen committeren en dat meldingen in FMIS worden geregistreerd, maar dat niet op de rapportagestructuur of wijze van rapportage is ingegaan. Daarmee is voldoende toegelicht waar het in de inschrijving van D&B aan schortte. Er is geen sprake van een onnavolgbare motivering.\n\n4.22.. Hetzelfde geldt voor de motivering dat de samenwerking met specifiek de ketenpartner ‘Hard Services’ uitgebreider omschreven had kunnen worden. Stedin heeft dit nader toegelicht in haar brief van 5 november 2025. In die nadere toelichting heeft Stedin vermeld dat de samenwerking met Hard Services met name gaat over technische beveiliging en dus ook ziet op de locaties zonder bezetting. In het licht daarvan begrijpt de voorzieningenrechter de opmerking van Stedin in het gunningsvoornemen “Er had meer diepgang gegeven kunnen worden over hoe omgegaan wordt met locaties zonder bezetting” aldus, dat dit samenhangt met de wens van het beoordelingsteam dat D&B de samenwerking met ketenpartners als Hard Services uitgebreider had omschreven. De beoordelingscommissie is op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft niet in strijd met het transparantie- en\u002Fof gelijkheidsbeginsel gehandeld.\n\n4.23.. D&B heeft overigens ook niet uitgelegd waarom (ook) na de nadere toelichting nog sprake zou zijn van een onduidelijke en\u002Fof onnavolgbare motivering van de beoordeling op subcriterium K3.\n\nTen aanzien van subcriterium K44.24.. Tot slot worden ook de bezwaren van D&B tegen (de motivering van) de beoordeling van subcriterium K4 niet gevolgd. Van inschrijvers is in het kader van dit subcriterium onder meer gevraagd om de belangrijkste risico’s die zij zien in de implementatieperiode te beschrijven, met daarbij een onderscheid tussen een risico binnen en een risico buiten de invloedsfeer van de inschrijver.\n\n4.25.. D&B heeft als belangrijkste risico binnen haar invloedsfeer het risico van een culturele mismatch van de teamleider benoemd. In het gunningsvoornemen staat “Het risico van een culturele mismatch is benoemd, maar het is de beoordelaars niet duidelijk waarom dit alleen bij de Teamleider speelt en niet in een breder geheel”. In de brief van 5 november 2025 heeft Stedin dit als volgt verduidelijkt: “Op basis van de inschrijving is het de beoordelingscommissie niet duidelijk geworden waarom D&B specifiek de culturele mismatch bij de Teamleider als belangrijkste risico heeft benoemd, en dit bijvoorbeeld niet in breder verband heeft geplaatst”. Anders dan D&B meent, vormt deze verduidelijking geen nieuw of zwaarder normatief beoordelingselement. De verduidelijking is in feite een herhaling in iets andere woorden en geeft aan dat Stedin de inschrijving op dit punt niet helemaal kon volgen. Dat is niet onbegrijpelijk en in het licht van de vereiste SMART-uitwerking van het antwoord, had het op de weg van D&B gelegen om dit uit te leggen om in plaats van ‘goed’ ‘uitstekend’ te kunnen scoren. De beoordelingscommissie is niet buiten het beoordelingskader getreden door hier een punt van te maken.\n\n4.26.. D&B heeft als belangrijkste risico buiten haar invloedsfeer het onvoldoende meewerken van de latende partij benoemd. In het gunningsvoornemen stelt de beoordelingscommissie terecht voorop dat van inschrijvers wordt gevraagd in te schrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert (dus ook in het geval van D&B, die op dit moment de dienst bij Stedin uitvoert, en aan wie dus wordt gevraagd daarvan te abstraheren). Tegen deze achtergrond wordt het door D&B benoemde risico in het gunningsvoornemen gekwalificeerd als “een terecht risico met duidelijk mitigerende maatregelen waar persoonlijk contact onderdeel van uitmaakt”. Aan D&B kan worden toegegeven dat dit risico in de brief van 5 november 2025 ten onrechte wordt afgewaardeerd tot een (in het geval van D&B) hypothetisch risico. Dit is immers in strijd met het voor alle inschrijvers geldende uitgangspunt, dat iedere inschrijver moet inschrijven alsof men niet al de dienst bij Stedin uitvoert. De voorzieningenrechter kwalificeert dit echter als een onhandig geformuleerde opmerking die niet de grondslag vormt voor de beoordeling van de beoordelingscommissie ten aanzien van subcriterium K4, zoals hiervoor in overweging 4.8. al is overwogen. De voorzieningenrechter begrijpt de combinatie van het gunningsvoornemen, de brief van 5 november 2025 én de brief van 3 maart 2026 zo, dat Stedin heeft bedoeld te zeggen dat het onvoldoende meewerken van de latende partij weliswaar een terecht risico vormt, maar dat onvoldoende duidelijk is dat dit het belangrijkste risico is dat genoemd had kunnen worden en dat daarom – zowel aan D&B als aan de overige inschrijvers die dit risico hebben genoemd – niet het maximale aantal punten is toegekend. Het feit dat het door D&B genoemde risico in het gunningsvoornemen als een terecht risico is gekwalificeerd, vormt, in combinatie met de score goed op dit punt, een sterke aanwijzing dat de beoordelingscommissie de daadwerkelijke puntentoekenning niet heeft verricht op basis van het (verkeerde) uitgangspunt dat het risico voor D&B feitelijk een hypothetisch risico is. Tegen deze achtergrond is de beoordelingscommissie ook op dit punt niet buiten het beoordelingskader getreden en heeft de beoordelingscommissie de inschrijving van D&B ook niet op basis van een ander uitgangspunt beoordeeld dan de inschrijvingen van andere inschrijvers.\n\nDe (nadere) verificatie van de inschrijfprijs van Trigion4.27.. D&B richt tot slot nog een bezwaar tegen de prijs waarmee Trigion heeft ingeschreven. Zoals hiervoor in 3.5. geparafraseerd staat vermeld, houden de aanbestedingsstukken in dat (a) alle afzonderlijke bedragen (waaronder alle eenheidsprijzen) reëel (d.i. vanuit kostenperspectief te verantwoorden) en marktconform (d.i. hetgeen in de markt gebruikelijk is voor opdrachten van een soortgelijke aard en omvang) dienen te zijn, ook in vergelijking\u002Fverhouding tot elkaar, en dat (b) niet (ook niet op onderdelen) met symbolische prijzen mag worden ingeschreven. Bij de toets of sprake is van een symbolische prijs wordt uitgegaan van algemeen taalgebruik. Daarvan zal bijvoorbeeld sprake zijn bij het offreren van een (klein) bedrag dat niet in verhouding staat tot de werkelijke waarde van het product of dienst (zie paragraaf 6.9 van de aanbestedingsvoorwaarden).\n\n4.28.. Volgens D&B is de prijs waarmee zij zelf heeft ingeschreven voor een zeer groot deel gebaseerd op vaste gegevens die voor alle inschrijvers gelijk zijn (zie hierna in 4.30.). Tegen die achtergrond heeft Trigion met een prijs ingeschreven die een onverklaarbaar groot verschil vertoont met de inschrijfprijs van D&B zelf en daarom onwaarschijnlijk laag is en in strijd met de eisen in de aanbestedingsstukken op dit punt. Dit had voor Stedin aanleiding moeten zijn om de inschrijfprijs van Trigion (nader) te verifiëren. De voorzieningenrechter volgt D&B ook hier niet in.\n\n4.29.. Ten aanzien van de inhoud van inschrijvingen, de hoogte van de prijs daaronder begrepen, is vaste jurisprudentie dat de aanbestedende dienst mag uitgaan van de juistheid van verklaringen van de inschrijver. Dat betekent ook dat pas een verplichting tot nader onderzoek naar de inhoud en onderbouwing van een inschrijving ontstaat wanneer gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid daarvan. Er bestaat geen ongeclausuleerde onderzoeksplicht. Het is in dit geval aan D&B om te stellen en, zo nodig, te onderbouwen dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijving van Trigion. Daarbij geldt dat het is toegestaan om strategisch te bieden. De aanbestedende dienst bepaalt op welke wijze de winnaar van de aanbestedingsprocedure wordt vastgesteld. Als de aanbestedende dienst kiest voor een systematiek die strategisch inschrijven mogelijk maakt, mogen alle inschrijvers daar naar eigen inzicht gebruik van maken. Dat een inschrijver daarvan gebruik maakt, kan haar niet achteraf worden verweten.\n\n4.30.. D&B stelt dat zij op basis van het prijsverschil tussen haar eigen inschrijving en de inschrijving van Trigion gerede twijfel heeft of Trigion reële en marktconforme inschrijfprijzen heeft gehanteerd en\u002Fof alle benodigde onderdelen (waaronder, maar niet uitsluitend, meldkamer- en surveillancediensten) in haar inschrijfprijs heeft verdisconteerd. Volgens D&B is het zonder nadere toelichting volstrekt onbegrijpelijk en voorshands onmogelijk dat Trigion een dergelijke significant lagere prijs kan aanbieden, rekening houdend met (1) de minimale inzet per locatie, (2) de huidige inzet van de medewerkers, (3) het feit dat de loonkosten een significant deel van de inschrijfsom beslaan en (4) het feit dat de verloning voor alle partijen gelijk is op basis van de toepasselijke CAO.\n\n4.31.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het enkele feit dat sprake is van een (significant) prijsverschil tussen de inschrijvingen van D&B en Trigion onvoldoende is om tot de conclusie te dwingen dat Stedin de inschrijfprijs van Trigion (nader) had moeten verifiëren. Zeker als, zoals in dit geval, volgens de algemene mededelingen van Stedin op dit punt, de inschrijfprijs van Trigion dicht bij de inschrijfprijzen van de overige twee inschrijvers ligt en de inschrijfprijs van D&B daar als enige duidelijk bovenuit steekt. Dat is eerder een aanwijzing dat D&B haar inschrijfprijs relatief hoog heeft ingestoken. Ook de overige stellingen van D&B dwingen, mede in het licht van wat Stedin en Trigion daar tegenover hebben gesteld, niet tot een nadere verificatie van de inschrijfprijs van Trigion (of de andere inschrijvers). In dat verband is van belang dat Stedin op dit punt wel enig onderzoek heeft verricht. Zij heeft navraag gedaan bij Trigion en heeft een onafhankelijk adviesbureau gevraagd om de prijzen te bezien. Tijdens de mondelinge behandeling is namens dat door Stedin ingeschakelde adviesbureau toegelicht dat de inschrijfprijzen van de inschrijvers onderling met elkaar zijn vergeleken, waarbij rekening is gehouden met de overname van zittend personeel, de geldende CAO en de grootte van het personeelsbestand. Trigion heeft tijdens de mondelinge behandeling ook bevestigd dat zij daar in haar inschrijfprijs rekening mee heeft gehouden en dat zij heeft gerekend met door Stedin over het personeel van D&B verstrekte gegevens, inclusief bovenschaligheid. D&B heeft tijdens de mondelinge behandeling nog wel aangevoerd dat bij Stedin sprake is van een onevenredig hoog ziekteverzuim van de medewerkers van D&B, maar daar heeft Trigion tegenover gesteld dat ook zij met ziekteverzuim van medewerkers kampt. Dit alles afwegende is geen sprake van een situatie waarin D&B voldoende heeft gesteld én onderbouwd dat gerede twijfel bestaat over de juistheid van de inschrijfprijs van Trigion (en de andere inschrijvers) in die zin, dat sprake is van een manipulatieve prijs die in strijd is met de hiervoor onder 4.27 weergegeven eisen. Stedin had dan ook niet de plicht om die inschrijfprijs (nader) te verifiëren.\n\nDe conclusie4.32.. Alle bezwaren van D&B tegen het gunningsvoornemen en de toelichting daarop zijn gepasseerd, zodat de conclusie is dat alle vorderingen van D&B worden afgewezen. Er bestaat geen grond om Stedin te veroordelen om tot heraanbesteding of herbeoordeling over te gaan.\n\nD&B moet de proceskosten van Stedin en Trigion betalen4.33.. D&B is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Stedin en Trigion betalen.\n\n4.34.. De proceskosten van Stedin en Trigion worden voor ieder van hen begroot op:\n\n- griffierecht € 735,00\n\n- salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak)\n\n- nakosten € 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal € 2.101,00\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad4.35.. De proceskostenveroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nin het incident\n\n5.1.. staat Trigion tussen te komen in de procedure tussen D&B en Stedin;\n\n5.2.. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;\n\nin de hoofdzaak en in de tussenkomst\n\n5.3.. wijst de vorderingen van D&B af;\n\n5.4.. veroordeelt D&B in de proceskosten van Stedin à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.5.. veroordeelt D&B in de proceskosten van Trigion à € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als D&B de proceskosten niet op tijd betaalt en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet D&B € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;\n\n5.6.. verklaart de veroordelingen in 5.4. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026. 3349 \u002F 106\n\n HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9233.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4266","ecli-nl-rbrot-2026-4266",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":8,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19}]