[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2026-5192":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2026-5192":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1691","ECLI:NL:RBZWB:2026:5192","",76,"Tilburg","tilburg","2026-06-03T00:00:00.000Z","rECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Tilburg\n\nZaaknummer: 11944348 \\ CV EXPL 25-5468\n\nVonnis van 3 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser] , H.O.D.N. [bedrijf 1],\n\nte [plaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [bedrijf 1] ,\n\ngemachtigde: mr. J.M.A. Koole,\n\ntegen\n\nOPTISPORT MAASDRIEL B.V.,\n\nte Tilburg,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: Optisport,\n\ngemachtigde: mr. L.R.J.M. Boer.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [bedrijf 1] wilde haar festival organiseren op een locatie van Optisport, maar Optisport heeft uiteindelijk laten weten de locatie niet ter beschikking te stellen. [bedrijf 1] vordert daarom schadevergoeding, primair op grond van wanprestatie, subsidiair op grond van een onrechtmatige daad en meer subsidiair vanwege het onaanvaardbaar afbreken van de onderhandelingen. Optisport betwist de vorderingen en voert aan dat er geen overeenkomst is gesloten omdat [bedrijf 1] heeft gehandeld met een onbevoegd persoon. Daarnaast stond het Optisport vrij om de onderhandelingen af te breken. De kantonrechter volgt dit verweer en wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 27 mei 2025 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de mondelinge behandeling van 17 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. De heer [eiser] (hierna: [eiser] ) heeft namens [bedrijf 1] de locatie van Optisport bezocht. [eiser] heeft daar gesproken met mevrouw [teamleider horeca] ( teamleider horeca bij Optisport, hierna: [teamleider horeca] ) over het concept van het door [bedrijf 1] te organiseren festival. Op 25 januari 2024 hebben [eiser] en [teamleider horeca] via Whatsapp contact gehad omtrent het maken van een afspraak.\n\n3.2.. Op 26 januari 2024 heeft [teamleider horeca] via Whatsapp haar zakelijke e-mailadres verstrekt aan [eiser] . [eiser] heeft aangegeven het draaiboek te zullen verzenden en [teamleider horeca] heeft hierop laten weten dat zij de plattegronden op zou zoeken.\n\n3.3.. Op 6 februari 2024 hebben [eiser] , [teamleider horeca] en de heer [manager] (manager bij Optisport, hierna: [manager] ) een gesprek gehad op de locatie van Optisport.\n\n3.4.. Op 8 februari 2024 heeft [teamleider horeca] aan [bedrijf 1] de volgende schriftelijke offerte uitgebracht:\n\n[schriftelijke offerte]\n\nOok is in de offerte het volgende opgenomen:\n\n“Aalscholver is de vergaderzaal. In overleg met de Organisatie wordt deze ruimte gebruikt voor de catering van de medewerkers van [bedrijf 2] .\n\nDe sportzaal wordt ingericht als festivalruimte.\n\nDe prijzen zijn inclusief gebruik van de hal en de sluis.\n\nDe kosten voor stroom, gas en extra beheer zijn op nacalculatie.”\n\n3.5.. In het begeleidende e-mailbericht bij de offerte heeft [teamleider horeca] aan [eiser] het volgende bericht:\n\n“Goedemorgen [eiser] ,\n\nHierbij de offerte voor de gegeven datums. Ik moest even wachten op een akkoord.\n\nLees het even goed door, zodat er geen verwarring ontstaat.\n\nVan [manager] moet ik er wel de volgende kanttekening bij maken:\n\n- Voor evenementen rekenen we eigenlijk andere prijzen, maar we willen jullie de commerciële prijzen van de zaalhuur bieden.\n\n- Daarnaast is dit een berekening voor 21 t\u002Fm 25 augustus (5 dagen totaal), het is dan niet mogelijk om een dag minder te huren en als jullie dit wel willen, blijft dit wel de vaste prijs.\n\nIk hoop je zo voldoende te hebben geïnformeerd! We houden contact!\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [teamleider horeca]”\n\n3.6.. Bij e-mailbericht van 1 maart 2024 heeft [eiser] hierop als volgt gereageerd:\n\n“Hi [teamleider horeca] ,\n\nSorry voor de verlate reactie.\n\nHierbij gaan wij akkoord met de verstuurde offerte voor het huren van de locatie zoals benoemd.\n\nWat is de procedure voor betaling? Wordt het geheel in rekening gebracht na afloop van het festival aangezien er elementen op nacalculatie zijn of wensen jullie een aanbetaling?\n\nLaat ook even weten welke gegevens jullie van ons nodig hebt.\n\nNog een aantal aanvullende vragen:\n\n- Is het nog mogelijk om aanvullende documenten te ontvangen zoals constructietekeningen van het complex (DWG)? Deze zijn benodigd voor de vergunningsaanvraag.\n\n- Is er ook meer informatie\u002F een tekening met stroomvoorzieningen, zoals krachtstroom etc.\n\n- Is het mogelijk om een hoogwerker naar binnen te rijden in de zaal voor het opbouwen van o.a. het podium?\n\n- Wat is de draaglast van de vloer?”\n\n3.7.. Op 24 maart 2024 heeft [teamleider horeca] het e-mailbericht van [eiser] van 1 maart 2024 doorgestuurd aan [manager] , waarbij [teamleider horeca] het volgende aan [manager] heeft bericht:\n\n“Zou jij hierop kunnen reageren? Ik weet namelijk niet hoe dit allemaal zit.”\n\n3.8.. In zijn reactie op 24 maart 2024 heeft [manager] aangegeven de openstaande punten op korte termijn te willen bespreken en hiervoor een afspraak in te plannen.\n\n3.9.. Op 26 maart 2024 heeft [manager] per e-mail het volgende bericht aan [eiser] :\n\n“Dag [eiser]\n\nBelangrijk is denk ik eerst even alle afspraken goed op papier te zetten want die heb ik even niet meer helemaal helder op dit moment.\n\nKunnen jullie aangeven wat volgens jullie nu de afspraken zijn en dan met name die wat regelt zodat hier geen misverstand over is.\n\nAls dit geheel duidelijk is dan stellen wij het contract op voor het festival.\n\nMet sportieve groet,\n\n [manager]”\n\n3.10.. Hierop heeft [eiser] op 27 maart 2024 het volgende gereageerd:\n\n“Goedemorgen [manager] ,\n\nDit is wel een klein beetje teleurstellend. Volgens mij hebben wij van jullie een offerte gekregen, die we reeds akkoord hebben gegeven.\n\nHierop staat alles benoemd wat de afspraken zijn...\n\nHet enige wat wij aanvullend nog gevraagd hebben, zie mail naar [teamleider horeca] ;\n\n- Is het nog mogelijk om aanvullende documenten te ontvangen zoals constructietekeningen van het complex (DWG)?\n\nDeze zijn benodigd voor de vergunningsaanvraag.\n\n- Is er ook meer informatie\u002F een tekening met stroomvoorzieningen, zoals krachtstroom etc.\n\n- Is het mogelijk om een hoogwerker naar binnen te rijden in de zaal voor het opbouwen van o.a. het podium?\n\n- Wat is de draaglast van de vloer?\n\nNogmaals, dit hebben wij onder andere nodig voor de vergunning aanvraag dus het zou fijn zijn dit zo snel mogelijk te ontvangen aangezien wij hier nu op aan het wachten zijn.”\n\n3.11.. \n [manager] heeft [eiser] vervolgens op 30 maart 2024 het volgende bericht:\n\n“Dag [eiser]\n\nDe vraag naar jou toe was vooral vanwege het feit dat [teamleider horeca] op dit moment op vakantie is en ik hierop snel wilde handelen.\n\nLet er wel even op dat er pas een volledig en bindend akkoord is als het contract van beide kanten is ondertekend.\n\nIk hoop aankomende week alles duidelijk te krijgen vanuit [teamleider horeca] waarna wij hierop naar jullie kunnen reageren.\n\nIk snap uiteraard dat jullie snel duidelijkheid willen hebben en ik zal daar naar streven om deze dinsdag te geven.\n\nWbt de tekeningen, ik kan deze zelf op dit moment niet vinden, in de aanvragen in het verleden hebben wij deze ook niet ingediend zie ik als ik de aanvragen terugkijk.\n\nIk zal de organisaties van de laatste grote evenementen contacten om hier meer info over te vragen.\n\nIK kom snel terug met een reactie\n\nMet sportieve groet,\n\n [manager]”\n\n3.12.. \n [eiser] heeft hierop op 1 april 2024 als volgt gereageerd:\n\n“Hi [manager] ,\n\nBegrijpelijk en het wordt gewaardeerd dat je snel wilt handelen. Dat wensen wij ook omdat wij de aanvraag z.s.m. bij de gemeente neer willen leggen.\n\nDe constructie tekeningen vragen wij dan ook niet alleen aan voor de vergunning maar juist ook voor de opbouw van het festival.\n\nWij willen weten wat de draagkracht van zowel de vloer als het dak is, zodat wij kunnen voorkomen dat er schade of ongevallen ontstaan.\n\nDaarin zijn de vragen of dat er een hoogwerker naar binnen kan etc. ook van belang voor wat er mogelijk is qua opbouw.\n\nGraag vernemen wij morgen je reactie,\n\n [eiser]”\n\n3.13.. Op 2 april 2024 heeft [manager] aan [eiser] per e-mail bericht dat hij de tekeningen niet in zijn bezit heeft. Diezelfde dag heeft [teamleider horeca] per e-mail het draaiboek voor het festival gestuurd aan [manager] .\n\n3.14.. Op 6 april 2024 heeft [eiser] via een Whatsapp-bericht op het privénummer van [teamleider horeca] gevraagd of zij aanwezig wil zijn bij het gesprek met de beveiliging. Diezelfde dag heeft [eiser] [teamleider horeca] verzocht om de gegevens voor de sociale hygiëne te verstrekken.\n\n3.15.. Op 16 april 2024 heeft [eiser] per e-mail het volgende bericht aan [manager] :\n\n“Hi [manager] ,\n\nIs het alsnog mogelijk de tekening van de tribune\u002F bovenverdieping te ontvangen?\n\nHier willen wij namelijk ook gebruik van maken en hebben wij nodig richting de gemeente om aanvraag te doen.\n\nDaarnaast hebben wij nog geen contract ontvangen nadat wij de offerte hebben ondertekend.\n\nWanneer kunnen wij deze verwachten?\n\nWat betreft de constructietekeningen, deze zijn inderdaad niet noodzakelijk maar zoals je zelf ook aangeeft, is het spannend wanneer wij niet weten wat belastbaar is.\n\nWij willen diverse technische onderdelen aan het dak weghangen en zal er ook een dusdanig gewicht op de vloer geplaatst worden waarbij het handig is hier wel meer informatie over te hebben.\n\nMocht hierin mogelijkheid zijn om er meer informatie over te ontvangen, horen wij dat graag.\n\nVerneem graag je reactie,\n\n [eiser]”\n\n3.16.. Op 18 april 2024 hebben [eiser] en [teamleider horeca] via Whatsapp contact gehad over een rioleringsput.\n\n3.17.. Bij e-mailbericht van 20 april 2024 heeft [manager] het volgende aan [eiser] bericht:\n\n“Dag [eiser]\n\nDe afgelopen maanden is er met [teamleider horeca] afgetast welke mogelijkheden er zijn voor een samenwerking om tot een evenement in augustus te komen.\n\nDit heeft geleidt tot een offerte vanuit ons, hierbij is wel aangegeven dat er nog geen zekerheid is totdat het contract getekend is.\n\nHelaas moet ik aangeven dat wij afzien van het faciliteren van het evenement in augustus.\n\nIk snap dat dat een teleurstelling is voor jullie ook omdat jullie al veel ideeën hebben hierover.\n\nDe reden van het niet door laten gaan van dit evenement vanuit onze kant is omdat wij tegen het einde van ons contact aanlopen en wij daarom geen extra evenementen aannemen.\n\nDaarnaast hebben wij steeds minder collega’s in dienst waardoor wij hier niet goed op kunnen in spelen en wij onze vaste huurder alle mogelijkheden willen geven om gebruik te maken van de ruimtes..\n\nOnze excuses voor het ongemak en hopelijk vinden jullie toch een plekje om dit mooie project op te zetten.\n\nMet sportieve groet,\n\n [manager]”\n\n3.18.. \n [eiser] heeft daarop op 24 april 2024 het volgende gereageerd:\n\n“Goedemorgen [manager] ,\n\nEr is naar mijn weten niet ‘afgetast’ wat de mogelijkheden zijn, er is concreet besproken en besloten wat onze samenwerking zou inhouden.\n\nDit is vastgelegd in een offerte waarbij er geen sprake was van twijfel of het door kon gaan.\n\nDeze offerte is door ons akkoord bevonden en daarmee een vastlegging van onze samenwerking.\n\nHierin hebben wij meerdere malen om diverse documentatie en ook een contract gevraagd waarin vanuit jullie nauwelijks tot geen reactie is gekomen.\n\n2 maanden na akkoord bevinden van een offerte en het niet versturen van een contract, melden dat jullie er vanaf zien is niet alleen teleurstellend.\n\nMet de reden dat wij er al ruim 2 maanden vanuit gaan ons festival bij de [locatie] te laten plaatsvinden, hebben wij al ruime kosten gemaakt ter voorbereiding, het is immers nog maar 4 maanden tot het plaatsvinden van het festival.\n\nHopelijk kunnen jullie het huizen van het evenement nog eens in heroverweging nemen aangezien een akkoord bevonden offerte een bindend document is.\n\nMochten jullie definitief van de samenwerking afzien, zullen wij hierin andere stappen ondernemen om onze gemaakte kosten wellicht te kunnen verhalen.\n\nVernemen graag je reactie,\n\n [eiser]”\n\n3.19.. Bij e-mailbericht van 6 mei 2024 heeft [manager] het volgende aan [eiser] bericht:\n\n“Dag [eiser]\n\nDank voor je mail.\n\nUiteraard snap ik je mailtje.\n\nNaar mijn idee was het op dit moment nog niet verder gekomen dan aftasten en was ik niet op de hoogte van de offerte die verstuurd was, hiervoor mijn excuses.\n\nIk kom hier begin volgende week graag even op terug\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [manager]”3.20.. Op 18 mei 2024 heeft [eiser] per e-mail aan [manager] medegedeeld dat hij nog geen reactie had ontvangen, met het verzoek of [manager] die week nog van zich wilde laten horen.\n\n3.21.. In antwoord daarop heeft [manager] op 20 mei 2024 per e-mail toegezegd die week nog te zullen antwoorden.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [bedrijf 1] vordert - samengevat – voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nprimair:\n\nI. Voor recht te verklaren dat gedaagde toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst en derhalve aansprakelijk is op grond van artikel 6:74 BW;\n\nII. Gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiser van een schadevergoeding ten bedrage van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nsubsidiair:\n\nIII. Voor recht te verklaren dat gedaagde onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en derhalve gehouden is de schade van eiser te vergoeden van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nmeer subsidiair:\n\nIV. Voor recht te verklaren dat gedaagde aansprakelijk is voor de schade die eiser heeft geleden door het zich op onaanvaardbare wijze terugtrekken uit de precontractuele onderhandelingen van € 111.817,78, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop gedaagde in verzuim is (20 april 2024) tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbij dit alles:\n\nV. Gedaagde te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.893,18;\n\nVI. Gedaagde te veroordelen in de proceskosten.\n\n4.2.. \n [bedrijf 1] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot de huur van de festivallocatie. Optisport heeft een offerte uitgebracht die als een aanbod moet worden gekwalificeerd, welk aanbod door [bedrijf 1] is aanvaard. [bedrijf 1] is naar aanleiding daarvan gestart met voorbereidingswerkzaamheden voor het festival. Optisport heeft nadien bevestigd dat het evenement doorgang kon vinden, maar heeft uiteindelijk toch laten weten de locatie niet ter beschikking te stellen. Door op een later moment af te zeggen, heeft [bedrijf 1] aanzienlijke schade geleden. [bedrijf 1] wil dan ook dat Optisport deze schade vergoedt.\n\n4.3.. Optisport voert verweer. Volgens Optisport is geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen omdat [bedrijf 1] contact heeft gehad met een persoon die niet bevoegd was om Optisport te vertegenwoordigen. Daarnaast stelt Optisport dat het haar vrijstond om de onderhandelingen af te breken.\n\n4.4.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIs een overeenkomst tot stand gekomen?\n\n5.1.. \n [bedrijf 1] baseert haar primaire vordering op de stelling dat tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen. [bedrijf 1] stelt daartoe het volgende. De wilsovereenstemming tussen partijen blijkt voldoende uit de offerte, de daaropvolgende aanvaarding en het handelen van beide partijen. [teamleider horeca] heeft namens Optisport op 1 maart 2024 een voldoende bepaalbaar aanbod tot verhuur van de betreffende locatie gedaan in de vorm van een offerte, welk aanbod door [bedrijf 1] ondubbelzinnig is aanvaard. Voorafgaand aan het toezenden van deze offerte heeft [teamleider horeca] intern overleg gevoerd en akkoord gekregen van [manager] . Bovendien hebben partijen nadien doorlopend contact gehad over praktische zaken en constructieve voorzieningen. Dat er geen schriftelijk contract is, doet daar niet aan af. Verder beroept [bedrijf 1] zich op het vertrouwensbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Optisport heeft door haar uitingen en gedragingen bij [bedrijf 1] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij met [bedrijf 1] een definitieve overeenkomst is aangegaan. Optisport heeft daarbij nagelaten enig voorbehoud te maken bij het uitbrengen van haar aanbod. Bij gebreke van enig expliciet voorbehoud is het aanbod als onvoorwaardelijk aan te merken waardoor [bedrijf 1] heeft mogen vertrouwen op de rechtsgeldigheid en uitvoerbaarheid van de gemaakte afspraken.\n\n5.2.. Optisport betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en voert daartoe het volgende aan. De offerte is zodanig summier, dat deze niet de basis kan vormen voor een overeenkomst. Omdat verschillende onderwerpen die van wezenlijk belang zijn niet zijn geregeld, is geen sprake van overeenstemming over de essentialia van de huur. De offerte kan bovendien niet worden aangemerkt als een aanbod in de zin van artikel 6:217 BW, omdat bij Optisport de daartoe vereiste wil ontbrak. Het vermeende aanbod is namelijk niet op een voor Optisport gebruikelijke wijze gedaan. Als de offerte wel wordt aangemerkt als aanbod, voert Optisport aan dat er alsnog geen overeenkomst tot stand is gekomen omdat het aanbod is gedaan door [teamleider horeca] terwijl zij daartoe niet bevoegd was. Optisport stelt dat, zoals ook volgt uit het handelsregister, enkel de (indirect) bestuurder van Optisport, de heer [bestuurder] , bevoegd is om Optisport te vertegenwoordigen.\n\n5.3.. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor het ontstaan van een overeenkomst is een aanbod en de aanvaarding daarvan vereist (artikel 6:127 BW). Tussen partijen is niet in geschil dat [teamleider horeca] de offerte heeft uitgebracht. Deze offerte vormt volgens [bedrijf 1] het aanbod. [bedrijf 1] heeft ter zitting erkend dat [teamleider horeca] niet zelfstandig bevoegd was om Optisport te vertegenwoordigen, maar stelt dat sprake is van schijn van volmachtverlening. De kantonrechter zal daarom hierna beoordelen of de offerte van [teamleider horeca] aan Optisport kan worden toegerekend als een geldig aanbod op grond van die gewekte schijn.\n\nSchijn van volmachtverlening\n\n5.4.. \n [bedrijf 1] stelt in dit kader dat [teamleider horeca] door haar gedragingen en communicatie jegens [bedrijf 1] de schijn heeft gewekt dat zij namens Optisport handelde, terwijl Optisport deze schijn heeft laten voortbestaan. [bedrijf 1] voert ter onderbouwing daarvan de volgende omstandigheden aan. Direct bij aankomst op de locatie van Optisport heeft [eiser] gevraagd of er iemand aanwezig was om mee te spreken. Vervolgens is [teamleider horeca] naar [eiser] toegekomen en heeft zij zich voorgesteld als leidinggevende, waarna zij met [eiser] heeft gesproken over het festivalplan van [bedrijf 1] . Door deze benadering mocht [bedrijf 1] ervan uitgaan dat [teamleider horeca] daartoe bevoegd was. Daarnaast impliceert de functie van [teamleider horeca] als teamleider horeca de verantwoordelijkheid over praktische, operationele en vergunningsaspecten van de locatie. In die hoedanigheid heeft [teamleider horeca] de offerte gestuurd, voerde zij logistiek overleg (zowel intern met Optisport als met derden) en organiseerde zij de aanwezigheid van derden op de locatie. Verder bleek uit e-mailcorrespondentie dat [teamleider horeca] handelde in afstemming met haar leidinggevende, [manager] . Zo had [manager] vooraf akkoord gegeven voor het doorgeven van een prijsindicatie aan [bedrijf 1] en was de offerte blijkens het begeleidende e-mailbericht in overleg met [manager] opgesteld, nu [manager] een aantal kanttekeningen plaatste bij de offerte. [manager] was bovendien nauw betrokken bij het proces. Hij is steeds uitgenodigd voor overleggen en locatiebezoeken en had zelf contact met [bedrijf 1] . Tot slot heeft Optisport voorafgaand aan deze procedure nooit gesteld dat [teamleider horeca] onbevoegd was, ook niet toen zij zich terugtrok. Volgens [bedrijf 1] heeft Optisport hiermee als organisatie de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gewekt. Voor zover er sprake was van een beperkte volmacht, had Optisport dit moeten melden. Het risico van een onduidelijke of gebrekkige volmachtstructuur ligt immers bij Optisport. [bedrijf 1] wijst er in dit verband op dat uit het handelsregister een voor derden onoverzichtelijke structuur van verschillende rechtspersonen blijkt. [bedrijf 1] concludeert dan ook dat Optisport op grond van de gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid aan de overeenkomst is gebonden.\n\n5.5.. Optisport betwist dat sprake is van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Zij voert aan dat het sluiten van verhuurovereenkomsten voor een festival van deze omvang niet past binnen de functie van een teamleider horeca . Voor zover al sprake zou zijn van enige schijn, is deze volgens Optisport uitsluitend gewekt door het handelen van [teamleider horeca] . Een beroep op de schijn van volmachtverlening kan echter alleen slagen als de schijn is opgewekt door iemand die bevoegd was Optisport te vertegenwoordigen. Optisport benadrukt dat ook [manager] niet bevoegd was om Optisport ter zake van een dergelijk evenement te vertegenwoordigen.\n\n5.6.. De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv) rusten de stelplicht en bewijslast van de schijn van volmachtverlening op [bedrijf 1] . Artikel 3:61 lid 2 BW bepaalt dat een partij toch gebonden kan zijn aan een overeenkomst of rechtshandeling die door een niet-vertegenwoordigingsbevoegde is gesloten of verricht, indien de wederpartij op grond van een verklaring of gedraging van die partij heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2017:142) kan voor toerekening van de schijn van volmachtverlening plaats zijn, in geval de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op volmachtverlening aan de pseudogevolmachtigde. Daarvoor moet sprake zijn van (bijkomende) feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.\n\n5.7.. Ten aanzien van gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid stelt de kantonrechter voorop dat een dergelijke schijn alleen gewekt kan worden door personen die bevoegd zijn Optisport rechtsgeldig te vertegenwoordigen, in dit geval [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ). Gesteld noch gebleken is dat [bestuurder] met verklaringen of handelingen deze schijn heeft gewekt. Dat [teamleider horeca] [eiser] in het begin heeft benaderd, de offerte heeft gestuurd en daarna contact heeft gehad met [bedrijf 1] over praktische en logistieke zaken (zoals beveiliging, sociale hygiëne en riolering) is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van schijn van volmachtverlening. Al deze handelingen zijn immers verricht door [teamleider horeca] zelf. [bedrijf 1] wijst erop dat [teamleider horeca] handelde in afstemming met haar leidinggevende, [manager] . Dit blijkt volgens [bedrijf 1] onder meer uit het feit dat [manager] aanwezig was bij het gesprek op 6 februari 2024, dat [manager] aan [teamleider horeca] akkoord gaf om de prijsindicatie aan [bedrijf 1] te sturen, dat [manager] kanttekeningen plaatste bij de offerte en dat [teamleider horeca] blijkens de e-mail van 8 februari 2024 moest wachten op een akkoord van [manager] . Dat [bedrijf 1] hieruit heeft afgeleid dat [teamleider horeca] in afstemming met [manager] handelde, is begrijpelijk, maar leidt niet tot een ander oordeel. [manager] was immers ook niet zelfstandig bevoegd om Optisport te vertegenwoordigen bij een evenement van deze omvang. Omdat [manager] zelf onbevoegd was, kon zijn betrokkenheid bij het proces bij [bedrijf 1] niet het gerechtvaardigd vertrouwen wekken dat [teamleider horeca] wél bevoegd was om Optisport te binden. De schijn kan immers niet worden gewekt door een eveneens onbevoegd persoon.\n\n5.8.. Ook de overige stellingen van [bedrijf 1] slagen niet. De kantonrechter volgt [bedrijf 1] niet in haar standpunt dat uit het handelsregister een voor derden onoverzichtelijke structuur van rechtspersonen blijkt. Uit het handelsregister volgt dat Optisport Group B.V. de bestuurder van Optisport is, dat Optisport Holding B.V. op haar beurt de bestuurder van Optisport Group B.V. is en dat [bestuurder] de bestuurder van Optisport Holding B.V. is. Door een aantal uittreksels te raadplegen had [bedrijf 1] dus eenvoudig de vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen controleren. Dit had ook van haar mogen worden verwacht, te meer gelet op de functietitel van [teamleider horeca] . In tegenstelling tot wat [bedrijf 1] aanvoert, mag uit de functie van teamleider horeca niet worden afgeleid dat [teamleider horeca] bevoegd was om Optisport te binden aan de organisatie van een festival. Deze functietitel had bij [bedrijf 1] juist tot extra oplettendheid moeten leiden. Dat Optisport niet eerder expliciet heeft gemeld dat [teamleider horeca] onbevoegd was, kan haar evenmin worden tegengeworpen. Optisport verkeerde immers in de veronderstelling dat partijen zich nog in een vrijblijvende verkenningsfase bevonden. Nu zij er niet van uitging dat er al een bindende overeenkomst was, bestond er voor haar ook geen aanleiding om de onbevoegdheid van [teamleider horeca] te melden. Sterker nog, toen [manager] in beeld kwam, heeft hij in het e-mailbericht van 30 maart 2024 direct kenbaar gemaakt dat nog geen sprake was van een bindend contract.\n\n5.9.. Concluderend heeft Optisport dus geen verklaring of gedraging geuit op basis waarvan [bedrijf 1] redelijkerwijs een volmacht voor [teamleider horeca] mocht aannemen. Ook zijn er geen omstandigheden gesteld die voor risico van Optisport komen waardoor toerekening van schijn van volmachtverlening kan worden geconcludeerd. Van schijn van volmachtverlening is dus geen sprake waardoor er geen rechtsgeldig aanbod is gedaan en dus ook geen overeenkomst tot stand is gekomen.\n\nOnrechtmatige daad door het ontbreken van de vereiste vergunning\n\n5.10.. Subsidiair stelt [bedrijf 1] dat Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door zonder voorafgaand onderzoek naar de juridische en feitelijke (on)mogelijkheden, een aanbod te doen tot verhuur voor een festival terwijl zij niet beschikte over de vereiste gebruiksvergunning. De kantonrechter is van oordeel dat deze stellingen niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. Voor zover deze stellingen juist zouden zijn, is hierdoor geen schade geleden. Het festival is niet doorgegaan, omdat Optisport de locatie niet ter beschikking heeft gesteld. Optisport hoefde de locatie ook niet ter beschikking te stellen, zoals is besproken bij de beoordeling van de primaire grondslag (wanprestatie). De vraag of Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door een aanbod te doen zonder te beschikken over de vereiste gebruiksvergunning, is dan ook niet relevant. De kantonrechter zal de subsidiaire stellingen daarom verder onbesproken laten.\n\nAfgebroken onderhandelingen\n\n5.11.. Meer subsidiair stelt [bedrijf 1] dat Optisport onrechtmatig heeft gehandeld door zonder geldige rechtsgrond de onderhandelingen af te breken, terwijl [bedrijf 1] gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de totstandkoming van de overeenkomst, waardoor sprake is van precontractuele aansprakelijkheid. Optisport heeft een concreet en voldoende bepaalbaar en intern afgestemd aanbod gedaan, bevestigde dit aan [bedrijf 1] en stemde in met praktische voorbereidingen zoals locatiebezoeken en overleggen over onder andere de catering en veiligheid. Optisport heeft geen voorbehoud gemaakt over het contracteren en trok het aanbod pas ruim twee maanden na acceptatie van het aanbod zonder objectieve of zwaarwegende redenen in. [bedrijf 1] heeft aanzienlijke kosten en verplichtingen gemaakt op basis van het aanbod en mocht er redelijkerwijs op vertrouwen dat de overeenkomst gesloten zou worden. Daarnaast mocht [bedrijf 1] aannemen dat Optisport bevoegd was de locatie beschikbaar te stellen en dat de benodigde vergunningen geregeld waren. Het ontbreken van een actuele gebruiksvergunning behoort tot de risicosfeer van Optisport en door dit gebrek te verzwijgen, heeft Optisport cruciale informatie achtergehouden en bij [bedrijf 1] het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij haar verplichtingen kon nakomen. Het afbreken van de onderhandelingen zonder deze informatie te verstrekken is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.\n\n5.12.. Optisport betwist de stellingen van [bedrijf 1] en stelt zij de onderhandelingen terecht mocht afbreken. Op het moment dat Optisport zich op 20 april 2024 terugtrok uit de onderhandelingen, mocht [bedrijf 1] er niet zonder meer op vertrouwen dat een overeenkomst tot stand zou komen. Van totstandkomingsvertrouwen is met name sprake in gevallen waarin de onderhandelingen probleemloos verlopen, maar hier was juist sprake van grote onduidelijkheid, zoals blijkt uit de vele door [bedrijf 1] gestelde en onbeantwoorde vragen. Als gevolg hiervan was Optisport, ondanks herhaaldelijke verzoeken van [bedrijf 1] , niet in staat een contract op te stellen voor de verhuur van de ruimtes. Daarnaast is het faciliteren van een festival complex en vereist dat veel afstemming. Naarmate de te sluiten overeenkomst complexer is, mag er minder snel op worden vertrouwd dat een overeenkomst tot stand zou komen. [bedrijf 1] mocht er dan ook niet zomaar van uitgaan dat Optisport het festival zou faciliteren. Bovendien was er al geruime tijd geen vooruitgang in de onderhandelingen en was twee maanden na de offerte nog steeds geen overeenkomst, wat totstandkomingsvertrouwen vermindert. Voor zover al sprake zou zijn van totstandkomingsvertrouwen, is dat niet door toedoen van Optisport gewekt. [bedrijf 1] baseert het vertrouwen voornamelijk op uitingen van [teamleider horeca] , terwijl zij niet bevoegd was Optisport te vertegenwoordigen. Daar komt bij dat Optisport uitdrukkelijk en herhaaldelijk het voorbehoud heeft gemaakt dat slechts een overeenkomst tot stand kon komen na ondertekening door een daartoe bevoegd persoon. Verder had het [bedrijf 1] moeten opvallen dat de offerte zodanig summier was dat deze niet tot een overeenkomst kon leiden. Zelfs als sprake zou zijn geweest van gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen, had Optisport zich terug mogen trekken uit de onderhandelingen, omdat zij niet zonder meer kon garanderen dat zij in staat zou zijn het festival te organiseren door praktische en organisatorische belemmeringen. Optisport had dus een gerechtvaardigd belang om de onderhandelingen af te breken en geen overeenkomst aan te gaan.\n\nDe maatstaf\n\n5.13.. Het arrest [naam] van de Hoge Raad (HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337) is het standaardarrest met betrekking tot het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is om de onderhandelingen af te breken. Dit is slechts anders als (1) de wederpartij er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat de overeenkomst tot stand gaat komen of (2) als het afbreken van de onderhandelingen in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het bestaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Wat betreft het vertrouwen is doorslaggevend hoe daaromtrent op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. De Hoge Raad heeft gezegd dat dit een tot terughoudendheid nopende maatstaf is. Daaraan zal dus niet al te snel zijn voldaan.\n\nHet afbreken van de onderhandelingen was niet onaanvaardbaar\n\n5.14.. Het is aan [bedrijf 1] om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij het vertrouwen mocht hebben dat er een huurovereenkomst tussen haar en Optisport tot stand zou komen. [bedrijf 1] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld om dit aan te nemen, zoals hierna wordt toegelicht.\n\n5.15.. De onderhandelingen zijn in eerste instantie gevoerd door [teamleider horeca] . Zoals hierboven is besproken, was zij niet bevoegd om een huurovereenkomst voor het festival te sluiten en is er door Optisport geen vertrouwen gewekt dat zij wel bevoegd was. Ditzelfde geldt voor [manager] , die in een latere fase bij de onderhandelingen is betrokken. Vanuit de wel bevoegde persoon is geen enkele bemoeienis geweest met de onderhandelingen. Om deze reden mocht [bedrijf 1] er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat de overeenkomst tot stand zou komen. [bedrijf 1] heeft ook geen omstandigheden gesteld die ertoe leiden dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar zou zijn. De stellingen van [bedrijf 1] omtrent de vergunningen kunnen onbesproken blijven. Nu het festival niet is doorgegaan op de locatie omdat Optisport deze niet ter beschikking heeft gesteld, is de vraag of er al dan niet een vergunning verleend kon worden niet meer relevant bij de beoordeling van de afgebroken onderhandelingen.\n\n5.16.. De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het Optisport vrij stond de onderhandelingen met [bedrijf 1] op 20 april 2024 af te breken zonder schadevergoedingsverplichting. De vordering tot schadevergoeding kan daarom niet worden toegewezen.\n\nConclusie\n\n5.17.. Gelet op het voorgaande worden de vorderingen van [bedrijf 1] afgewezen.\n\nDe wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten\n\n5.18.. Nu de vorderingen worden afgewezen, worden ook de gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.\n\nDe proceskosten\n\n5.19.. \n [bedrijf 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Optisport worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n2.020,00\n\n(2 punten × € 1.010,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.164,00\n\nUitvoerbaarheid bij voorraad\n\n5.20.. Dit vonnis wordt ten aanzien van de proceskosten, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [bedrijf 1] af,\n\n6.2.. veroordeelt [bedrijf 1] in de proceskosten van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [bedrijf 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5192","ecli-nl-rbzwb-2026-5192",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]