[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbzwb-2026-5316":3,"decision-more-ecli-nl-rbzwb-2026-5316":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1214","ECLI:NL:RBZWB:2026:5316","",64,"Breda","breda","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Zeeland-West-Brabant\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Breda\n\nZaaknummer: C\u002F02\u002F443618 \u002F HA ZA 26-2\n\nVonnis van 17 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n1. [eisende partij 1] ,\n\nvoorheen wonende te [plaats 1] , inmiddels verblijvende in Spanje,\n\nhierna te noemen: [eisende partij 1] ,\n\n2. [eisende partij 2] ,\n\nvoorheen wonende te [plaats 1] , inmiddels verblijvende in Spanje,\n\nhierna te noemen: [eisende partij 2] ,\n\neisende partijen,\n\nadvocaat: tot heden procederend in persoon,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde partij 1] t.h.o.d.n. [huisartsenpraktijk] ,\n\nte [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 1] , 2. [gedaagde partij 2] B.V.,\n\nte [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 2] , 3. [gedaagde partij 3] B.V.,\n\nte [plaats 1] ,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 3] , 4. [gedaagde partij 4] (voorheen [gedaagde partij 4] ),\n\nte [plaats 2] , België,\n\nhierna te noemen: [gedaagde partij 4] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,\n\nadvocaat voor gedaagden [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] : mr. P.J. klein Gunnewiek.\n\n1. De zaak in het kort\n\n1.1.. \n [eisende partij 1] is patiënte geweest bij (de praktijk van) huisarts [gedaagde partij 1] . [eisende partij 2] is de partner van [eisende partij 1] . [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vinden dat [eisende partij 1] niet de zorg heeft gekregen die je van een redelijk handelende en bekwame huisarts mag verwachten. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen een verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is voor de schade die daaruit voortvloeit. Zij willen ook vergoeding van hun schade. De huisarts voert verweer.1.2.. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van aansprakelijkheid van de huisarts en daarom ook geen plicht om gestelde schade te vergoeden. De vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] worden afgewezen.\n\n1.3.. Dit oordeel wordt hierna onder het kopje ‘de beoordeling’ toegelicht. Eerst worden het verloop van de procedure, de relevante feiten en het geschil geschetst. Tot slot volgt de beslissing.\n\n2. De procedure\n\n2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n het tussenvonnis van 11 februari 2026 en de daarin genoemde processtukken,\n\n de e-mail van de rechtbank van 26 februari 2026, waarin de datum voor de mondelinge behandeling is medegedeeld,\n\n het verzoek van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] om digitaal deel kunnen te nemen aan de mondelinge behandeling, welk verzoek door de rechtbank is gehonoreerd,\n\n de e-mail van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] van 14 april 2026 waarin zij de rechter verzoeken zich te verschonen, en de reactie daarop vanuit de rechtbank dat de rechter geen aanleiding tot verschoning ziet,\n\n het verzoek van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] van 11 mei 2026 om de mondelinge behandeling achter gesloten deuren plaats te laten vinden, en de reactie daarop van de rechtbank dat de rechter dit verzoek aan het begin van de mondelinge behandeling zal behandelen en daarop vervolgens zal beslissen,\n\n de mondelinge behandeling van 13 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n2.2.. Het verzoek van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] om de zaak achter gesloten deuren te behandelen is aan het begin van de mondelinge behandeling besproken. Na beide partijen over dit verzoek gehoord te hebben, heeft de rechtbank besloten om het verzoek af te wijzen en de zaak openbaar te behandelen. De motivering voor deze beslissing is tijdens de mondelinge behandeling aan partijen medegedeeld. De behandeling van de zaak heeft vervolgens in het openbaar plaatsgevonden.\n\n2.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat er een vonnis zou komen.\n\n2.4.. De rechtbank heeft zowel voorafgaand als na de mondelinge behandeling vele e-mails van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ontvangen. Deze maken geen onderdeel uit van het procesdossier.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [gedaagde partij 1] is huisarts in [plaats 1] . Zij voerde haar praktijk eerst vanuit een eenmanszaak. Eind 2024 heeft [gedaagde partij 1] de besloten vennootschap [gedaagde partij 2] opgericht en haar huisartsenpraktijk in deze vennootschap ingebracht. [gedaagde partij 2] is voor beroepsaansprakelijkheid verzekerd bij [gedaagde partij 4] . Binnen de praktijk van [gedaagde partij 1] is ook een waarnemend huisarts werkzaam geweest.\n\n3.2.. \n [eisende partij 1] is van februari 2014 tot ongeveer februari 2025 patiënt geweest van [gedaagde partij 1] . [eisende partij 2] is de partner van [eisende partij 1] .\n\n3.3.. \n [eisende partij 1] heeft sinds 2018 gezondheidsklachten. Zij heeft zich daarvoor regelmatig tot de huisarts gewend. De gezondheidsklachten bestonden onder andere uit vermoeidheid, angst- en paniekgevoelens en lichamelijke en psychische onrust.\n\n3.4.. \n [eisende partij 1] is op 28 september 2020 vanwege extreme haaruitval op het spreekuur van de huisarts geweest. Zij is gezien door [gedaagde partij 1] . De huisarts heeft aangegeven dat de klachten waarschijnlijk werden veroorzaakt door de aandoening alopecia. De huisarts heeft een algemeen bloedonderzoek laten uitvoeren. Dit onderzoek is op 29 september 2020 uitgevoerd. Ook heeft de huisarts [eisende partij 1] verwezen naar een dermatoloog.\n\n3.5.. \n [eisende partij 1] heeft op 30 september 2020 telefonisch contact gehad met de huisartspraktijk over de uitslag van het bloedonderzoek. Uit het onderzoek volgde dat de schildklierwaarde TSH licht verhoogd was. De schildklierwaarde FT4 was normaal. Er was sprake van zogenaamde subklinische hypothyreoïdie. Met [eisende partij 1] is telefonisch besproken dat er bij een minimale afwijking in de schildklierwaarden normaal gesproken alleen behandeld wordt met medicatie als er klachten zijn. In haar geval was dat onder andere vermoeidheid. Er is besproken dat voor een proefperiode gestart zou worden met het schildkliermedicijn Thyrax in een lage dosering van 0,025 mg, waarbij de schildklierwaarden middels bloedonderzoek gemonitord zouden worden. Thyrax bevat de werkzame stof levothyroxine.\n\n3.6.. Er heeft op 16 november 2020 opnieuw bloedonderzoek plaatsgevonden. De schildklierwaarden waren goed. De medicatie bleef ongewijzigd. Ook het bloedonderzoek van 1 maart 2021 liet goede waarden zien.\n\n3.7.. In april 2021 heeft de huisarts [eisende partij 1] verwezen naar psychotherapie in verband met angst- en paniekklachten. Ook werd zij toen ingesteld op antidepressiva.\n\n3.8.. In juli 2021 is er opnieuw uitgebreid bloedonderzoek verricht. De schildklierwaarden waren goed.\n\n3.9.. De huisarts heeft de Thyrax medicatie met ingang van januari 2022 verhoogd naar 0.050 mg vanwege aanhoudende klachten en vermoeidheid. Op 17 februari 2022 heeft er bloedonderzoek plaatsgevonden. De schildklierwaarden waren goed. Voor verdere verbetering van de vermoeidheidsklachten van [eisende partij 1] is gekozen voor een verdere ophoging naar 0.075 mg.\n\n3.10.. Bij de bloedcontrole van 4 april 2022 viel de TSH- waarde net iets buiten de normaalcurve. De FT4 waarde was wel goed. Het medicatiebeleid werd vervolgd.\n\n3.11.. Op 8 april 2022 is [eisende partij 1] verwezen naar [zorginstelling] omdat de klachten van [eisende partij 1] zodanig waren dat deze niet langer in de eerstelijns psychologie behandeld konden worden. [zorginstelling] kampte met een wachtlijst.\n\n3.12.. \n [eisende partij 1] heeft op 29 november 2022 een overdosis Thyrax ingenomen. Zij is met een ambulance naar de spoedeisende hulp gebracht. [eisende partij 1] is op 30 november 2022 op verzoek van de spoedeisende hulp beoordeeld door de crisisdienst. De psychiater van de crisisdienst heeft geconcludeerd dat nadere diagnostiek en behandeling in specialistische GGZ aangewezen is. De crisisdienst en huisarts zouden contact opnemen met [zorginstelling] .\n\n3.13.. \n [zorginstelling] heeft [eisende partij 1] aangemeld voor autismeonderzoek. Op basis van het verrichte onderzoek kon de classificatie autisme niet bevestigd worden. [zorginstelling] heeft het dossier op 18 oktober 2023 gesloten. [eisende partij 1] is aangemeld bij [zorgorganisatie] voor verdere begeleiding.\n\n3.14.. Het bloedonderzoek in februari 2024 liet normale schildklierwaarden zien.\n\n3.15.. \n [eisende partij 1] heeft op 22 januari 2025 telefonisch contact opgenomen met [gedaagde partij 2] met het verzoek om een wit tablet in plaats van een blauw tablet van het medicijn Thyrax voor te schrijven. De doktersassistente heeft dit gesprek met [eisende partij 1] gevoerd. [eisende partij 1] heeft haar zelfbeheersing tijdens het gesprek verloren. De doktersassistente heeft het gesprek beëindigd.\n\n3.16.. \n [eisende partij 1] heeft op 23 januari 2025 contact opgenomen met haar apotheker. De apotheker heeft [eisende partij 1] het medicijn Thyrax in de variant zonder de blauwe kleurstof verstrekt.\n\n3.17.. \n [eisende partij 1] heeft de huisarts bij brief van 3 februari 2025 aansprakelijk gesteld. (De verzekeraar van) de huisarts heeft geen aansprakelijkheid erkend.\n\n3.18.. De medisch adviseur van [gedaagde partijen] heeft op 14 april 2025 advies uitgebracht. In het advies staat de volgende conclusie te lezen:\n\n“Huisarts mevrouw [gedaagde partij 1] heeft mevr. [eisende partij 1] als patiënt in de periode 2018 tot en met september 2020 met voornamelijk psychische klachten gekend, waarbij energieverlies en depressiviteit steeds aanwezig waren. Als er in september 2020 ook extreem haarverlies bijkomt, wordt er een uitgebreide laboratorium screening gedaan. Daar komt een getalsmatige subklinische hypothyreoidie uit tevoorschijn waarbij de lijdensdruk van mevr. [eisende partij 1] evenals de vermeldde klachtsymptomen als depressiviteit, vermoeidheid, energieverlies en labiliteit, maar ook haar gewicht en het recente waarschijnlijk auto immuun gerelateerde haarverlies, voldoende consistent zijn met verschijnselen die vaak bij een hypothyreoidie die worden gezien. Dit is voor de huisarts aanleiding om een proefbehandeling met Thyrax 0,025 mg voor te stellen en na overleg hierover met patiënte ook mee te starten. Deze keuze mag als rationeel, inzichtelijk en verantwoord worden genoemd.\n\nEr wordt zoals gebruikelijk controle van de schildklierwaarden afgesproken. Deze controles laten steeds een klinisch goede instelling van de schildklier zien. Ook de terugkoppeling van patiënte zelf betreffende haar klachten laat zien dat ze “goed reageert” op de substitutie. (…)”\n\n3.19.. De medisch adviseur van [eisende partij 1] heeft op 5 juni 2025 advies uitgebracht. Daarin is onder meer overwogen:\n\n“(…) de huisarts is afgeweken van de NHG- richtlijn door medicamenteus te behandelen bij subklinische hypothyreoïdie, op basis van klachten en in overleg met de patiënt. Het is niet vastgelegd hoe uitgebreid informatievoorziening was bij de start van de behandeling. Vervolgens is de medicatie zorgvuldig gemonitord met regelmatige controles en doseringsaanpassingen. Hoewel patiënten en apart een verband leggen tussen de klachten en het gebruik van levothyroxine (of de kleurstof daarin), is dit op basis van de beschikbare gegevens moeilijk te onderbouwen. Aangezien de schildklierwaarden tijdens de behandeling binnen de referentiewaarden bleven en er geen aanwijzingen zijn voor hyperthyreoïdie, is een direct causaal verband met psychische klachten minder waarschijnlijk. Tegelijkertijd kan niet volledig worden uitgesloten dat het gebruik van dit middel, mede gezien de instabiele psychische toestand van patiënte, heeft bijgedragen aan toegenomen nervositeit of prikkelbaarheid.\n\n(…)\n\nEr was medisch gezien geen verplichting tot aanpassing van de medicatie vóór januari 2025, maar gezien het beloop had de huisarts – binnen zijn professionele ruimte – kunnen overwegen om frequenter schildklierfuncties te controleren. Daarmee had mogelijk eerder uitgesloten of vastgesteld kunnen worden of er sprake was van (subtiele) overdosering of overgevoeligheidsreacties, met name in relatie tot de psychische klachten.\n\n(…)\n\nAchteraf beschouwd had een verwijzing voor autismediagnostiek mogelijk iets eerder kunnen worden overwogen, met name op het moment dat patiënte en haar partner hier herhaaldelijk op terugkwamen en er sprake bleef van een moeilijk te duiden klachtenpatroon. Tegelijkertijd zijn er vanuit de huisarts herhaaldelijke verwijzingen geweest naar de GGZ, waar de diagnostiek is opgepakt. De uiteindelijke beoordeling en uitvoering van het ASS-onderzoek heeft plaatsgevonden binnen de juiste setting. (…)”.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben [gedaagde partijen] gedagvaard voor de kantonrechter. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben hun vorderingen bij akte van 19 maart 2025 gewijzigd. Na deze eiswijziging luiden de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] samengevat als volgt:\n\nvoor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen van het handelen en nalaten van drs. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partijen] te veroordelen alle geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat te vereffenen volgens de wet, te vergoeden,\n\nvoor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] het voor [eisende partij 1] onmogelijk maakt om te (kunnen) voldoen aan de schadebeperkingsplicht en dat [gedaagde partijen] (financieel) aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen daarvan,\n\nvoor recht te verklaren dat [gedaagde partijen] verplicht is om alle redelijke kosten te vergoeden,\n\n [gedaagde partijen] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.000,00 als eerste voorschot op de schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente,\n\nde kosten van deze procedure te bepalen en [gedaagde partijen] te veroordelen deze te voldoen,\n\n [gedaagde partijen] te verplichten om binnen een termijn van twee dagen na dagtekening van het vonnis te pogen tot overeenstemming te komen met [eisende partij 1] met betrekking tot het onderhavige geschil,\n\ndrs. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] B.V. te verbieden om niet verleende zorg aan [eisende partij 1] te declareren en hen te veroordelen tot terugbetaling van de declaraties vanaf 3 februari 2025,\n\n [gedaagde partijen] te veroordelen tot nakoming van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom,\n\n [gedaagde partijen] te veroordelen in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover.\n\n4.2.. Op de rolzitting van 3 december 2025 hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hun eis vermeerderd tot drie jaarsalarissen.\n\n4.3.. De zaak is bij tussenvonnis van 17 december 2025 verwezen naar het cluster voor handelszaken van deze rechtbank.\n\n4.4.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben hun eis na deze verwijzing opnieuw willen wijzigen. De wijziging zag op het laten vervallen van alle vorderingen jegens gedaagde [gedaagde partij 3] en het laten vervallen van de vorderingen ten aanzien van de declaraties (vordering 7). Hoewel een eiswijziging gelet op het ontbreken van de verplichte procesvertegenwoordiging aan de kant van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in een handelszaak formeel niet mogelijk is, heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling deze eiswijziging toegestaan. De reden hiervoor is dat het een eisvermindering betreft en [gedaagde partijen] daarmee heeft ingestemd.\n\n4.5.. Dit betekent dat de rechtbank vordering 7 niet zal beoordelen, en de overige vorderingen alleen ten aanzien van de gedaagden [gedaagde partij 1] , [gedaagde partij 2] en [gedaagde partij 4] . Waar hierna wordt gesproken over [gedaagde partijen] , wordt gedoeld op deze gedaagden samen. Aan [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] samen wordt ook gerefereerd als ‘de huisarts’.\n\n4.6.. \n [gedaagde partijen] voert verweer. [gedaagde partijen] concludeert tot niet-ontvankelijkheid of tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] , met veroordeling van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de kosten van deze procedure.\n\n4.7.. De rechtbank gaat hierna in op de relevante stellingen die partijen ter onderbouwing van hun vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.\n\n5. De beoordeling\n\nOntvankelijkheid ten aanzien van [gedaagde partij 1]\n\n5.1.. \n [gedaagde partijen] vindt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet ontvankelijk zijn in hun vorderingen jegens [gedaagde partij 1] . [eisende partij 1] is een geneeskundige behandelingsovereenkomst aangegaan met [gedaagde partij 2] . Door de bv-structuur van de huisartsenpraktijk kan [gedaagde partij 1] slechts in privé worden aangesproken als er sprake is van een onrechtmatige daad of bestuurdersaansprakelijkheid. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] noemen artikel 6:162 BW, maar onderbouwen de onrechtmatige daad niet. De grondslag van bestuurdersaansprakelijkheid is niet aangevoerd. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben bovendien geen belang om [gedaagde partij 1] naast [gedaagde partij 2] te dagvaarden. [gedaagde partij 2] is verzekerd voor beroepsaansprakelijkheid bij [gedaagde partij 4] . Uit niets blijkt dat een eventuele schadevergoeding niet door [gedaagde partij 2] of [gedaagde partij 4] betaald zal worden. Het betrekken van [gedaagde partij 1] in de procedure zonder belang levert misbruik van procesbevoegdheid op, aldus [gedaagde partijen] [eisende partij 1] en [eisende partij 2] voeren verweer.\n\n5.2.. De rechtbank verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid jegens [gedaagde partij 1] . De rechtbank licht dit toe.\n\n5.3.. De verweren die [gedaagde partijen] aanvoert kunnen niet leiden tot niet-ontvankelijkheid, ook niet als de verweren zouden slagen. Een zaak is niet-ontvankelijk (jegens een bepaalde gedaagde) indien niet voldaan wordt aan formele vereisten, waardoor de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van niet-ontvankelijkheid als een wettelijke termijn niet gehaald is (denk aan het tijdig instellen van hoger beroep). De verweren van [gedaagde partijen] gaan over de inhoud, niet over formele vereisten. Het slagen van de verweren zou dan ook niet leiden tot het oordeel niet-ontvankelijkheid, maar tot afwijzing van de vorderingen.\n\n5.4.. De verweren die [gedaagde partijen] aanvoert zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om alleen daarom al tot afwijzing van de vorderingen jegens [gedaagde partij 1] te komen.\n\n5.5.. Op het moment dat [eisende partij 1] patiënte werd van [gedaagde partij 1] , dreef [gedaagde partij 1] haar praktijk nog vanuit een eenmanszaak. De geneeskundige behandelingsovereenkomst is dus aangegaan met de eenmanszaak. Op dat moment gold [gedaagde partij 1] in persoon als opdrachtnemer. Dat de eenmanszaak vervolgens eind 2024 is ingebracht in [gedaagde partij 2] , een besloten vennootschap, doet niet af aan persoonlijke aansprakelijkheid die op [gedaagde partij 1] als huisarts kan rusten. De verwijten die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] [gedaagde partij 1] maken, zien op de periode vóór de inbreng van de eenmanszaak in [gedaagde partij 2] . Bovendien geldt ook voor een huisarts die de praktijk voert vanuit een besloten vennootschap dat persoonlijke aansprakelijkheid kan bestaan. [gedaagde partijen] noemt daarvoor zelf al de juridische grondslagen. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] noemen de onrechtmatige daad en voeren feiten en stellingen in dat kader aan. Ook hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] tijdens de mondelinge behandeling hun belang voldoende onderbouwd, door te verwijzen naar de extra mogelijkheid van verhaal die toewijzing van de vorderingen jegens [gedaagde partij 1] in privé zou opleveren. Nu [gedaagde partij 1] niet zonder elk rechtens te respecteren belang in de procedure is betrokken, is geen sprake van misbruik van procesbevoegdheid (waarvoor de lat sowieso hoog ligt).\n\n5.6.. Dit betekent dat de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ook jegens [gedaagde partij 1] beoordeeld zullen worden.\n\nDe vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2]\n\nAansprakelijkheid van de huisarts\n\n5.7.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] vorderen een verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is voor alle directe en indirecte gevolgen van het handelen en nalaten van [gedaagde partij 1] . Samengevat vinden [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dat [eisende partij 1] niet de zorg heeft gekregen die je van een redelijk handelend en bekwaam huisarts mocht verwachten. Zij voeren in dat kader een aantal verwijten aan die zij de huisarts maken. [gedaagde partijen] voert op alle punten verweer.\n\n5.8.. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat volgens de wet de hulpverlener bij haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen (artikel 7:453 BW). Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid vloeit voort uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard, die mede wordt bepaald door onder meer de stand van inzichten in de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht komt erop neer dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot\u002Fhulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het niet in acht nemen van deze zorgplicht levert een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst op.\n\nDe verwijten\n\n5.9.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] maken [gedaagde partijen] meerdere verwijten. De rechtbank heeft de verwijten zoals zij die uit de dagvaarding heeft begrepen tijdens de mondelinge behandeling aan [eisende partij 1] en [eisende partij 2] voorgehouden om te toetsen of de rechtbank de verwijten juist en volledig voor ogen heeft. De rechtbank zal de aldus vastgestelde verwijten hierna beoordelen.\n\n1. Het voorschrijven van schildkliermedicatie was niet geïndiceerd en had niet gemoeten\n\n5.10.. Het eerste verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken is dat zij ten onrechte het schildkliermedicijn Thyrax aan [eisende partij 1] heeft voorgeschreven.\n\n5.11.. Tussen partijen is niet in geschil dat uit het bloedonderzoek dat op 29 september 2020 is uitgevoerd volgde dat de schildklierwaarden van [eisende partij 1] enigszins afweken van de referentiewaarden. De TSH waarde was licht verhoogd, terwijl de FT4 waarde normaal was. Dit wordt aangeduid als subklinische hypothyreoïdie. Uit de NHG-Standaard Schildklieraandoeningen zoals die tot maart 2025 luidde volgt dat behandeling met levothyroxine bij subklinische hypothyreoïdie in het algemeen niet wordt aanbevolen. Ook dit is niet in geschil tussen partijen.\n\n5.12.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen onder verwijzing naar de aangehaalde NHG- Standaard dat de schildklierwaarden van [eisende partij 1] voor de huisarts geen reden mocht zijn om Thyrax voor te schrijven.\n\n5.13.. De huisarts heeft toegelicht waarom het in dit geval volgens haar toch gerechtvaardigd was om te starten met het medicijn (waarbij [gedaagde partij 1] opmerkt dat niet zij, maar de waarnemend huisarts de medicatie in eerste instantie heeft voorgeschreven). Zij heeft aangegeven dat er bij [eisende partij 1] sprake was van een hoge lijdensdruk vanwege meerdere klachten waar zij al langer last van had. Daar kwam het acute haarverlies bij. De hoge lijdensdruk maakte dat de huisarts ondersteuning wilde bieden. De mogelijkheden om te zorgen voor (snelle) verlichting van de klachten waren op dat moment beperkt. Het starten met Thyrax zou volgens de huisarts meer energie en vitaliteit kunnen bieden en op die manier een steun kunnen zijn richting herstel. Daarbij heeft zij meegewogen dat het ging om een proefbehandeling met een lage dosering, dat het effect van de behandeling zou worden gemonitord middels bloedonderzoek en door navraag bij [eisende partij 1] over haar ervaringen met het medicijn. Als [eisende partij 1] geen positieve effecten zou ondervinden kon de behandeling gestopt worden. De lage dosering maakte dat er tijd zou zijn om bij te sturen indien nodig; dergelijke hoeveelheden schildklierhormoon hebben niet direct groot effect op de schildklierwaarden, het lichaam heeft tijd nodig om aan te passen. Volgens de huisarts gaf [eisende partij 1] bij de tussentijdse controles aan dat zij zich minder vermoeid voelde, dat het medicijn dus positief effect had. Dat, samen met de bloeduitslagen was reden om door te gaan met het medicijn, aldus de huisarts.\n\n5.14.. De rechtbank oordeelt als volgt. De huisarts heeft het medicijn Thyrax aan [eisende partij 1] voorgeschreven. Of dit [gedaagde partij 1] is geweest, zoals [eisende partij 1] stelt, of de waarnemend huisarts is voor de rechtbank voor de beoordeling van ondergeschikt belang. Het verwijt van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ziet namelijk niet alleen op het moment van voorschrijven, maar ook op het blijven voorschrijven. Niet in geschil is dat [gedaagde partij 1] in ieder geval na het telefonisch consult van 30 september 2020 de behandelend huisarts is geweest die de medicatie is blijven voorschrijven.\n\n5.15.. Het voorschrijven van Thyrax was volgens de geldende NHG-Standaard Schildklieraandoeningen niet geïndiceerd, gelet op de schildklierwaarden van [eisende partij 1] . Dit enkele feit – het afwijken van de NHG-Standaard – maakt niet al dat er sprake is van het schenden van de zorgplicht door de huisarts. De NHG-Standaard geeft de huisarts een richtlijn, maar heeft niet de status van een dwingend voorschrift. De huisarts kan goede redenen hebben om anders te handelen dan de NHG-Standaard tot uitgangspunt neemt.\n\n5.16.. \n\nDaar is in deze situatie naar het oordeel van de rechtbank sprake van. De huisarts heeft redenen aangevoerd die valide zijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben de redenen die de huisarts heeft aangevoerd voor haar besluit om Thyrax voor te (blijven) schrijven niet voldoende specifiek en gemotiveerd weersproken. Hun standpunt dat de huisarts het medicijn niet had mogen voorschrijven vindt ook geen steun in de medische adviezen die in het geding zijn gebracht.\n\nVervolgens kan vastgesteld worden dat de huisarts met regelmaat bloedonderzoek heeft laten uitvoeren om de schildklierwaarden te monitoren, en dat de waarden verbeterden met het gebruik van het medicijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben dit niet weersproken. Ook de stelling van de huisarts dat [eisende partij 1] na de start van de medicatie heeft aangegeven dat haar vermoeidheidsklachten verminderden, is niet weersproken. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen in deze procedure dat de klachten van [eisende partij 1] terug te voeren zijn op het gebruik van het medicijn, en dat zij zich nadat zij op eigen initiatief gestopt was het gebruik ervan veel beter voelde, maar zij betwisten niet dat [eisende partij 1] destijds bij de huisarts heeft aangegeven dat het medicijn positief effect had. De stelling van de huisarts vindt steun in het huisartsenjournaal.\n\n [eisende partij 2] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de schildklier de motor van het lichaam is, dat het heel nauw luistert met levothyroxine en dat ook een minimale voorschrijving flink effect kan hebben op het gehele gestel. Bij de dagvaarding hebben zij een artikel gevoegd uit ‘De Jonge Apotheker’waarin twee medewerkers van bijwerkingencentrum Lareb schrijven: “een juiste instelling op schildkliermedicatie luistert nauw en is daarom maatwerk. (…) Het kan zijn dat de bloedwaarden wel tussen de normaalwaarden liggen maar dat de patiënt toch klachten ervaart. Iedereen heeft zijn eigen optimale bloedwaarde.” De huisarts is echter niet alleen uitgegaan van de bloedwaarden, zij heeft de ervaringen van [eisende partij 1] betrokken bij het bepalen van het beleid.\n\n5.17.. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de huisarts geen zorgplicht heeft geschonden door in de gegeven omstandigheden het medicijn Thyrax aan [eisende partij 1] voor te schrijven.\n\n2. Er is geen sprake van informed consent\n\n5.18.. Het tweede verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken is dat zij [eisende partij 1] onvoldoende heeft gewaarschuwd voor mogelijke bijwerkingen van het gebruik van het schildkliermedicijn. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] verwijzen opnieuw naar het hiervoor genoemde artikel uit De Jonge Apotheker, waarin staat “Minder bekend zijn angst- en paniekaanvallen bij levothyroxine. (…) Angst- en paniekaanvallen staan niet in de bijsluiter beschreven als bijwerking van levothyroxine. (…)” [eisende partij 1] en [eisende partij 2] stellen dat de huisarts hen niet heeft voorgelicht over deze en andere mogelijke bijwerkingen van het medicijn. De huisarts had dat wel moeten doen, zeker gezien de bestaande klachten van [eisende partij 1] . De huisarts voert verweer.\n\n5.19.. Het eerste verweer dat de huisarts (aanvankelijk) heeft aangevoerd, houdt in dat niet de huisarts maar de apotheker verantwoordelijk is voor het informeren van de patiënt over mogelijke bijwerkingen van medicatie. Dit in de conclusie van antwoord opgenomen verweer is tijdens de mondelinge behandeling niet gehandhaafd. [gedaagde partij 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat het ook de taak van de huisarts is om een patiënt voor te lichten over mogelijke bijwerkingen van medicatie die wordt voorgeschreven.\n\n5.20.. Dit verweer is naar het oordeel van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling terecht prijsgegeven, gelet op de inhoud van artikel 7:448 lid 2 sub b BW. Dit artikel bepaalt kort gezegd dat de hulpverlener de patiënt op duidelijke wijze inlicht over de voorgestelde behandeling, waaronder de daarbij te verwachten gevolgen en risico’s voor de gezondheid. Hieronder vallen ook bijwerkingen van medicatie.\n\n5.21.. De huisarts heeft verder als verweer aangevoerd dat de dosering die was voorgeschreven zo laag was, dat er geen bijwerkingen te verwachten waren. Bijwerkingen doen zich pas voor als de FT4 waarde te hoog wordt. Een te hoge FT4 waarde is met de voorgeschreven dosering niet te verwachten. De FT4 waarde is bovendien goed te monitoren, wat ook is gedaan, aldus de huisarts.\n\n5.22.. Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank wel. De informatieplicht van artikel 7:488 lid 2 sub b BW gaat niet zo ver dat de huisarts over elke mogelijke bijwerking moet informeren om van goede zorgverlening te kunnen spreken. De huisarts moet de patiënt informeren over de normale, voorzienbare risico’s van de behandeling. Welke risico’s moeten worden genoemd, hangt af van de omstandigheden van het geval. De aard van het risico en de kans dat het risico zich verwezenlijkt zijn daarbij belangrijke factoren.\n\n5.23.. De huisarts heeft met haar verweer voldoende gemotiveerd weersproken dat zij moest waarschuwen voor mogelijke bijwerkingen van het medicijn Thyrax. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben de specifieke stellingen van de huisarts op dit punt niet meer weersproken, anders dan met een herhaling van het oorspronkelijke standpunt dat wel gewaarschuwd moest worden voor bijwerkingen.\n\n5.24.. Hieruit volgt dat ook dit verwijt niet leidt tot schending van de zorgplicht door de huisarts.\n\n3. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de oorzaak van de klachten en de invloed van (de kleurstof van) medicijnen\n\n5.25.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] verwijten de huisarts dat zij medicatie heeft voorgeschreven om symptomen te bestrijden, maar geen goed onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van de klachten. [eisende partij 1] kwam al jaren bij de huisarts met angst- en paniekklachten. De huisarts had ruimer onderzoek moeten doen naar de oorzaak van deze klachten van [eisende partij 1] en in dat onderzoek (de invloed van) het medicijngebruik moeten betrekken. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] dit verwijt geconcretiseerd door te stellen dat de huisarts [eisende partij 1] had moeten doorverwijzen voor onderzoek naar autisme. Ook hebben zij specifiek benoemd dat de huisarts niet heeft meegewerkt aan aanpassing van het medicijn Thyrax in die zin dat niet langer blauwe tabletten maar witte tabletten werden voorgeschreven. De blauwe kleurstof in de tabletten (E132 indigotine) veroorzaakt bijwerkingen. Het effect ervan op de klachten van [eisende partij 1] is door de huisarts ten onrechte niet onderzocht, aldus [eisende partij 1] en [eisende partij 2] . De huisarts voert verweer.\n\n5.26.. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de huisarts [eisende partij 1] meerdere keren heeft verwezen naar een eerstelijns psycholoog voor behandeling van haar psychische klachten. Nadat de psycholoog had aangegeven dat de klachten van [eisende partij 1] zodanig waren dat deze niet langer in de eerste lijn behandeld konden worden, heeft de huisarts een verwijzing uitgeschreven voor behandeling in de specialistische geestelijke gezondheidszorg. De huisarts heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de diagnostiek en behandeling van een psychiatrische aandoening behoort tot het domein van de specialistische geestelijke gezondheidszorg. Een autismespectrumstoornis is een voorbeeld van een dergelijke psychiatrische aandoening die wordt beoordeeld en behandeld in de specialistische geestelijke gezondheidszorg. De huisarts heeft ook toegelicht dat zij de specialist waarnaar zij verwijst niet kan verplichten om bepaalde onderzoeken te doen. De specialist is degene die vanuit zijn of haar expertise bepaalt welke onderzoeken nodig zijn. De huisarts kon [eisende partij 1] dus niet doorverwijzen voor onderzoek naar autisme, zij kon enkel doorverwijzen naar de specialistische geestelijke gezondheidszorg. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben deze toelichting van de huisarts niet weersproken. Daaruit volgt dat het verwijt van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] ten aanzien van het niet doorverwijzen voor autismeonderzoek onterecht is.\n\n5.27.. Ook volgt hieruit dat het meer algemene verwijt dat [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken, namelijk dat zij zich heeft beperkt tot het voorschrijven van medicijnen en onvoldoende heeft gedaan om de klachten bij de bron aan te pakken, onterecht is. De huisarts heeft naast het voorschrijven van medicijnen wel degelijk stappen ondernomen om te komen tot behandeling van de oorzaak van de psychische klachten van [eisende partij 1] . Voor wat betreft de acute haaruitval waar [eisende partij 1] zich op het spreekuur van 28 september 2020 mee meldde, kan nog worden gewezen op de verwijzing naar de dermatoloog die de huisarts heeft gedaan.\n\n5.28.. Ook het verwijt met betrekking tot de kleurstof in de tabletten Thyrax wordt naar het oordeel van de rechtbank onterecht gemaakt. De huisarts heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat zij een medicijn met een bepaalde werkzame stof voorschrijft (levothyroxine), en niet de vorm van het medicijn. Dat is aan de apotheker. Voor zover de kleurstof in de tabletten Thyrax al van invloed is geweest op de klachten van [eisende partij 1] , is dat niet een verwijt dat aan het adres van de huisarts kan worden gemaakt. Voor zover [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts ook verwijten dat zij [eisende partij 1] tijdens het telefoongesprek van 22 januari 2025 (zie 3.15) niet langer te woord heeft gestaan, geldt dat beide partijen hebben aangegeven dat dit gesprek erg vervelend is verlopen. Dat ‘de situatie dusdanig ontspoorde dat eiser haar zelfbeheersing richtingen de doktersassistente verloor’ als uiting van de psychische klachten van [eisende partij 1] , zoals [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de dagvaarding stellen, kan voor het verloop van het gesprek een verklaring zijn maar leidt niet tot een tekortkoming van de huisarts.\n\n4. De huisarts heeft ten onrechte geen contact opgenomen met [eisende partij 1] na haar suïcidepoging\n\n5.29.. De rechtbank heeft partijen tijdens de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om slotopmerkingen te maken. In dat kader hebben [eisende partij 1] en [eisende partij 2] aangevoerd dat de huisarts op geen enkele wijze contact heeft opgenomen met [eisende partij 1] na haar suïcidepoging. Dit is volgens [eisende partij 1] en [eisende partij 2] wel voorgeschreven. De huisarts heeft in haar reactie toegelicht dat de relatie met [eisende partij 1] en [eisende partij 2] op dat moment al ernstig was verstoord. De huisarts heeft er daarom voor gekozen om geen persoonlijk contact op te nemen, maar zich door contact met de crisisdienst en [zorginstelling] ervan te vergewissen dat [eisende partij 1] de juiste zorg zou krijgen.\n\n5.30.. Ook dit verwijt leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een schending van de zorgplicht die de huisarts in acht moest nemen. [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben niet weersproken dat de huisarts inderdaad contact heeft opgenomen met de crisisdienst en [zorginstelling] . Gelet op de verstoorde verhouding met [eisende partij 1] en [eisende partij 2] , die duidelijk uit het dossier blijkt, mocht de huisarts de afweging maken om niet ook persoonlijk contact te zoeken met [eisende partij 1] .\n\nConclusie\n\n5.31.. De conclusie luidt dat geen van de verwijten die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] de huisarts maken leidt tot het oordeel dat de huisarts haar zorgplicht heeft geschonden. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de huisarts aansprakelijk is wordt afgewezen.\n\n5.32.. De andere vorderingen die [eisende partij 1] en [eisende partij 2] hebben ingesteld borduren allemaal voort op aansprakelijkheid van de huisarts. Nu daar geen sprake van is, betekent dat dat deze overige vorderingen ook moeten worden afgewezen. Voor wat betreft de onder 6 gevorderde verplichting voor [gedaagde partijen] om binnen een termijn van twee dagen na datum van dit vonnis te proberen om tot overeenstemming te komen met [eisende partij 1] met betrekking tot het geschil, geldt bovendien dat daarvoor geen juridische grondslag bestaat.\n\nProceskosten\n\n5.33.. \n [eisende partij 1] en [eisende partij 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n735,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.230,00\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij 1] en [eisende partij 2] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eisende partij 1] en [eisende partij 2] in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij 1] en [eisende partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n De Jonge Apotheker 2022, nummer 2, ‘Gevolgen schildkliermedicijn niet altijd herkend’, [persoon 1] en [persoon 2]","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:5316","ecli-nl-rbzwb-2026-5316",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]